L.P. Dorenbos Bijbelplan Dagboek 23 september 2015

  • Increase
  • Decrease
  • Normal

Current Size: 100%

Bijbelplan Dagboek 23 september 2007 L.P. Dorenbos
 
Lezen: Ezechiël 3:22-4:17 1 Timotheüs 5:17-6:2a
 
Ezechiël 3:22-4:17
 
Ezechiël 3:27
Maar als Ik tot u spreken zal, dan zal Ik uw mond openen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here HEERE. Wie horen wil, hore. En wie het nalaten wil, late het na. Want zij zijn een weerspannig geslacht.
 
Ezechiël 4:1
Gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, leg die vóór u en teken daarop een stad, Jeruzalem.
 
Ezechiël 4:2
En breng haar in staat van belegering:
 
Ezechiël 4:3
Dit zal voor het huis Israëls een teken zijn.
 
Ezechiël 4:5
En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op,
 
Ezechiël 4:7
Gij zult uw blikken vast op het belegerde Jeruzalem richten, met ontblote arm, en er tegen profeteren.
 
Ezechiël 4:13
Alzo zullen de Israëlieten hun brood onrein eten onder de volken, naar wier land Ik hen zal verstoten.
 
Ezechiël 4:17
opdat zij aan brood en water gebrek hebben, met elkander verbijsterd staan en in hun ongerechtigheid wegkwijnen.
 
1 Timotheüs 5:17-6:2a
 
1 Timotheüs 5:18
Immers, de Schrift zegt: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, en: De arbeider is zijn loon waard.
 
1 Timotheüs 5:20
Wie in zonde leven, moet gij in aller tegenwoordigheid bestraffen, opdat ook de overigen ontzag hebben.
 
1 Timotheüs 5:21
dat gij daaraan de hand houdt,
 
1 Timotheüs 5:25
Zo zijn ook de goede werken aanstonds duidelijk, en die, waarmede het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven.
 
Gedicht Bijbel 23 september 2007 L.P. Dorenbos
 
De belegering
 
De profeten spreken over de zonden
De stad is belegerd, kondig het aan
Zij verzetten zich zijn weerspannig
Zij weigeren en hun oordeel komt
 
God spreekt, God spreekt, Luister
Hij wil je redden van de je zonden
Je zult maar profeet van God zijn
Ze zullen lachen en je beschimpen
 
Luister Ezechiël, jij bent profeet
beleger Jeruzalem op een steen
draag ongerechtigheid op je zijde
Ik verstoot hen onder de volken
 
Niemand ontgaat de boodschap
God laat ieder het horen en zien
Niemand zegt: Ik wist het niet
Allen zijn zij verantwoordelijk
 
Roep het uit en proclameer het
Het woord van God is waarheid
Zijn universele liefde roept allen
Zijn kruis wil ieders anker zijn
 
HEERE stuur mij de straten op
Red de ten dode wankelden
U neemt de kindermoord niet
Hoe kunnen wij ooit leven
 
Uw oordeel schudt ons wakker
Help ons te bidden en te vasten
opdat U nog het geloof vindt
verneder ons om te verhogen
 
Ik dank U voor uw grote genade
waarmee U mij hebt uitgekozen
uw grote trouw is elke dag nieuw
niets scheidt mij van die liefde
 
Ezechiël 3:22-4:17 1 Timotheüs 5:17-6:2a
 
Woord voor de dag 23 september 2007 L.P. Dorenbos
 
Ezechiël 3:27
Maar als Ik tot u spreken zal, dan zal Ik uw mond openen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here HEERE. Wie horen wil, hore. En wie het nalaten wil, late het na. Want zij zijn een weerspannig geslacht.
 
1 Timotheüs 5:25
Zo zijn ook de goede werken aanstonds duidelijk, en die, waarmede het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven.
 
Ezechiël 3:22-4:17 1 Timotheüs 5:17-6:2a
 
Gebed 23 september 2011 L.P. Dorenbos
 
Profeet, sta op
 
Ezechiël, geroepen om te profeteren. Het volk en het land zijn in diepe zonde gedompeld. De afgodendienst tiert welig. De tempel staat er wel maar de afgodendienst gaat door. Demonie en occultisme. Hoererij en kinderoffers. Alles wat God verboden heeft. Ezechiël moet het oordeel aankondigen. Een verschrikkelijk oordeel. God geeft geduld. God is een genadig God. God stuurt zijn profeten. Zijn oproep tot bekering klinkt en klinkt en klinkt. De profeet kan er moedeloos van worden, maar hij wordt keer op keer opgeroepen om te volharden. Blijf het zeggen. Blijf volharden.
Of ze het nu horen willen of niet. Je hebt een voorhoofd van platina. Ze kunnen van alles tegen je zeggen, maar jij blijft in de waarheid staan midden in de branding. Ze kunnen nog zo tekeer gaan. En wat kunnen ze tekeer gaan, maar jij blijft staande in de branding. Je blijft sterk en moedig. Ja zelfs als het water je tot aan de lippen komt. Het vuur je na aan de schenen gelegd wordt.
Want de tegenstander, de boze, de satan zal er alles aan doen om je het leven zuur te maken. En dat kan zeer ver gaan. Kijk maar bij Job. Dat ging ver. Maar de les is: laat je nooit in de war brengen. Blijf bij de les. Blijf dicht bij Jezus. Want in Hem ben je geborgen in Christus in God. Je bent geborgen in de schuilplaats van de allerhoogste. Psalm 91 enz. enz. hoe vaak staat het er niet. Je bent veilig in de armen van Jezus. Scheepke onder Jezus hoede. De kruisvaan in top.
Het kan stormen op de levens zeeën maar het schip vergaat niet. Je bent veilig in Jezus armen. Al ga je door een dal van diepe duisternis. Hij is altijd bij je. Zijn stok en zijn staf beschermen je. Heerlijke zekerheid. En het leven, het eeuwige leven met Hem staat vast. Ze kunnen wel je lichaam nemen maar niet je ziel. Je bent gered voor de eeuwigheid door het zoenoffer van de Zoon van God. Hij heeft de straf gedragen die wij moesten dragen.
En zijn lijden draagt de zonde van de gehele wereld. Komt dan tot Hem opdat je rust hebt. Zijn last is licht en zijn juk is zacht. Enz. Enz. Enz. Dat is de cadans van de Bijbel. Dat is de weg die God met je gaat. Want zijn lamp is een licht op ons pad. Heerlijk evangelie. En wat is de werkelijkheid, het verleden, het heden en de toekomst breed omschreven in het woord van God. Het is zijn openbaring en als het zijn openbaring is dan is het zijn openbaring aan ons.
Hij openbaart zich aan ons. Wij lezen dus niet het woord maar het woord, Gods openbaring, leest ons. En dat is de werkelijke werkelijkheid. De ene waarheid omdat het zijn waarheid is. Wij hoeven Hem niet te onderzoeken, Hij zoekt ons in zijn grote liefde. Hij heeft de zonde, de duivel overwonnen op het Kruis van Golgotha. Hij heeft de dood overwonnen. Hij is de eerstgebore uit de doden. Dat is een werkelijkheid waaruit wij leven putten. Wij zullen ook opstaan net als Hij. Dan zal het vergankelijke onvergankelijkheid aandoen. En de dood is verzwolgen. Het leven is leven. Glorie voor zijn naam. Halleluja.
Amen
 
Ezechiël 3:22-4:17 1 Timotheüs 5:17-6:2a
 
Hedenmorgen 23 september 2013 L.P. Dorenbos
 
HEERE, dank U wel. U bent mijn Redder. U bent mijn rots, mijn schutse, mijn schuilplaats. We genieten van uw Almacht. Dank U voor uw woord. U spreekt tot mij. U omringt mij met uw gunst. U beschermt mij van voren en van achteren. Dank U wel. Hoe heerlijk is uw naam. Dank U wel. Niets kan mij scheiden van uw liefde. HEERE, ik wil wonen in uw woord. Ik geniet van de Psalmen. Ik zing liederen in de nacht.
 
U omringt mij van voren en van achteren. Ze kunnen nog zo te keer gaan, maar ik ben onaantastbaar. Dank U wel. U stort uw kracht in mijn zwakheid. Met U spring ik over een muur, loop ik op een legerbende in. Ik roep U aan red de kinderen in de moederschoot. Doe mij opstaan in uw kracht. HEERE, dank U wel voor zoveel kracht. HEERE, red ons land en ons volk. Doe ons de waarheid proclameren. U bent de God van het leven. U overwon de dood.
 
Dank U wel. Wij belijden onze zonden. HEERE, bekeer mij opdat ik mij bekeer. U bekeert mij. Hoe zou ik mij ooit kunnen bekeren. Het zijn de gunstbewijzen des HEEREN dat wij niet omgekomen zijn. Zijn barmhartigheden houden niet op. Elke dag zijn zij nieuw. Groot is uw trouw o HEERE. Dank U wel. Daarom mogen wij met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. U liet ons niet als wezen achter. U woont in ons hart en leven. Dank U wel. Glorie aan God.
 
Amen
 
 
Ezechiël 3:22-4:17 1 Timotheüs 5:17-6:2a
 
Vanmorgen 23 september 2015 L.P. Dorenbos
 
Jom Kippoer
 
Paul je hebt een paar keer verteld wat er gebeurd is met de voorgangers van de Broedergemeente in Suriname in de Tweede Wereldoorlog. Ze werden al die jaren in kampen gestopt. En na de oorlog nog twee jaar langer. En toen werden ze op een schip gezet naar Duitsland. Ik wil als Nederlander vergeving vragen voor deze vreselijke zonde. Ik wist hier niets van, maar vraag me of of ons land of de kerk of wie dan ook daarover schuld heeft beleden of vergeving heeft gevraagd. Wie heeft daarover geschreven of waar is het vastgelegd.
 
Ik zit hier op de Jom Kippoer verootmoedigingsdag samen met Teun in Dordrecht samen met de Messiaanse broeders en zusters die ook hier een Messiaanse Gemeente willen stichten. We bidden in een zestal gebedsblokken nadat er een korte inleiding is gehouden. Teun heeft een inleiding gehouden over Heiligheid en ik mocht spreken over het offeren aan de afgod Moloch toen en Abortus nu en de versnelling van de eindtijd nu elke hartslag een nieuw slachtoffer van onschuldig vergoten bloed door abortus wordt toegevoegd.
 
Wat erge indruk op mij maakte dat je vertelde dat door deze gevangenzetting in de oorlog ook het 24 uurs gebed in Suriname is opgehouden. Een 24 uurs gebed dat vanuit de opwekking in Hernnhut is ingesteld en meer dan 100 jaar is doorgegaan. Jij hebt plotseling gezien dat het belangrijk is om dit 24/7 gebed weer te herstellen in Suriname. En als groot wonder was binnen de kortst mogelijke tijd dit 24/7 gebed weer hersteld. En ondanks wat de blanken jullie in slavernij en ook daarna hebben aangedaan heeft de HEERE jou verlost van boosheid
 
Jij weet je en bent geroepen om niet aflatend ons Nederlanders te wijzen op de zonde van Haggaï waarin wij maar bezig zijn met onze weldoortimmerde huisjes. Je offert je op als je je kinderen komt bezoeken in dit land om onze recalcitrante houden te blijven oproepen tot eenheid en opwekking en gebed. Hartelijk dank. Blijf bidden dat ik, we, de hand aan de ploeg slaan voor de toekomst van ons land. De HEERE zegene jullie. Ook voor Suriname. Wees welkom.
 
HEERE ik, wij belijden onze schuld tegen de voorgangers van de Broedergemeente in de oorlog. HEERE, wij belijden onze schuld voor alle laksheid, verdeelldheid, leesloosheid en gebedsloosheid
en verachtering van de profetie, de vervangingstheologie en uitverkiezingstheologie. Wij belijden onze schuld zoals Daniël in hoofdstuk 9 en de 4 hoofdstuk 9 schulbelijdenissen. HEERE geef een herleving. O HEERE, hoor, o HEERE hoor, o HEERE vergeef. Wij staan schuldig, wij belijden onze schuld.
 
 
Ezechiël 3:22-4:17 1 Timotheüs 5:17-6:2a