1 Koningen 1:1-27

21 oktober [2]

1:4

Het meisje was uitermate schoon;…

1:5

Ik zal koning worden;…

1:6

Nu had zijn vader hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt:…

1:7

en zij werden helpers en volgelingen van Adonia.

1:8

en Davids helden stonden niet aan de zijde van Adonia.

1:10

maar de profeet Nathan, Benaja, de helden en zijn broeder Salomo nodigde hij niet.

1:13

Hebt gij, mijn heer de koning, aan uw dienstmaagd niet gezworen: Voorzeker, Salomo, uw zoon, zal na mij koning worden en hij zal op mijn troon zitten?

1:18

Maar nu, zie, Adonia is koning geworden,…

1:19

en de priester Abjathar en de legeroverste Joab uitgenodigd,…

1:20

Op u… zijn de ogen van geheel Israël gericht, dat gij hun bekend zult maken wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal.

1:25

Leve koning Adonia!

1:27

dan hebt gij uw knechten niet laten weten, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal.

Revolutie in de tent. De oude, oude David. Stokoud. Hulpbehoevend. Hij kan niet meer warm worden. Daar begint het mee. Nog wel koning, maar toch… Adonia krachtig, jong en schoon van gestalte. Geliefd bij het volk. Daar heb je wat aan. Daar straalt kracht van uit. Een koningszoon. Hij wordt overmoedig. Hij wil koning worden. Hij roept de priester en de legeroverste. En die zijn het met hem eens. Het wordt tijd om een einde te maken aan het bewind van de oude David. Het is voorbij. We moeten een krachtige jonge koning hebben. En daar gaan ze. Er wordt een groot feest aangericht. Zijn vader had hem echter nooit geleerd. Hij had hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt. Hij deed maar. En het leek of David het altijd maar goed vond. En als de mensen dan kwamen klagen, dan hield hij zijn mond tegen Adonia. Het is een over het paard getilde zoon geworden. En daar krijg je narigheid mee. En zo zie je het hier. Het staat er als tussenzinnetje. Maar het is uitermate belangrijk. Het is uit het leven gegrepen. Want hoe vaak laten we in ons eigen gezin niet de boel de boel. Laat dan maar gaan. Want we willen geen bonje. En dan worden de kinderen verwend. Dan willen ze niet naar raad luisteren. Dan worden ze eigenwijs. En vul maar in. En de gevolgen kunnen soms vreselijk zijn. zowel voor je zelf als voor je kind. Want die is ook niet echt gelukkig als hij zijn verwende wensen probeert te botvieren. Zoals hier. Adonia over het paard getild denkt zelfs dat hij koning moet worden. En dat organiseert hij dan ook. En kennelijk had het volk er niet eens zo’n moeite mee. Want het wordt een groot feest. Adonia is koning. Wat een feest. De oude David zal wel sterven. En kijk eens wie er niet bij zijn: Salomo en de priester en zijn vrienden. Dat is toch wel verdacht. Natuurlijk wist Adonia dat Salomo koning moest worden. En natuurlijk weet hij dat hij een paleisrevolutie pleegt. Maar het volk en de legeroverste staan er achter. En waar zul je je dan druk over maken. Daar kan niemand tegenop. En dan is het feest geregeld.

Dan gaat de priester Nathan naar Bathséba en zij weten dat David beloofd heeft aan Bathséba dat haar zoon Salomo op de troon van zijn vader David zal zitten. En Bathséba knielt neer en David herhaalt dat hij beloofd heeft dat Salomo koning zal zijn. En dan hoort David dat Adonia een paleisrevolutie pleegt. Wat moet er door zijn hoofd zijn gegaan. Zal hij beseft hebben dat hij eigenlijk zelf zo’n verwende zoon heeft gemaakt, door hem nooit tot de orde te roepen. Zal hij ingezien hebben hoe hij met deze zoon gefaald heeft? En Bathséba zegt dat heel Israël wacht op wie de koning aanwijst. Want anders zullen Bathséba en Salomo allebei het slachtoffer worden. Want Adonia zal hen uit de weg ruimen. Nathan komt dan melden dat Adonia feest viert en dat het volk eenparig roept: Leve koning Adonia! Heeft de koning hen dan niet op de hoogte gehouden dat hij Salomo aangewezen heeft om koning te worden. Dat hadden ze dan toch moeten weten, en ze weten het niet. Daar komt geen goeds van. Wat een toestand. Wat een ellende. Wat een ruzie. Wat een vrese­lijke verhalen. Gaat het dan meteen al mis? De Here God heeft toch geweldige beloften gedaan aan David. De man naar Gods hart. En kijk nu eens in wat voor situatie hij beland is. Is het dan altijd zo dat, als je denkt dat het goed gaat, dat er dan meteen al ruzie is? Dat je altijd maar op je hoede moet zijn. Vreselijk. Wat een toestand.

1 Koningen 1:28-53

22 oktober [2]

1:28

Roept mij Bathséba.

1:29

Zo waar de HERE leeft, die mij uit alle benauwdheid heeft verlost,…

1:30

Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn…

1:33

laat mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier rijden, en brengt hem naar Gihon.

1:34

blaast dan op de bazuin en roept: Leve koning Salomo!

1:35

laat hij binnenkomen en op mijn troon gaan zitten;…

1:36

Amen, zo bevestige de HERE de woorden van mijn heer de koning!

1:39

en hij zalfde Salomo;…

1:41

Waarom klinkt dit geluid in de rumoerige stad?

1:42

en zult wel een goede tijding brengen.

1:43

David heeft Salomo koning gemaakt.

1:47

Uw God make de naam van Salomo roemrijker dan de uwe.

1:49

Toen sprongen al de genodigden die bij Adonia waren, ontsteld op en gingen heen, ieder zijns weegs.

1:50

en greep de hoornen van het altaar.

1:52

maar indien er kwaad in hem bevonden wordt, dan zal hij sterven.

1:53

waarop Salomo tot hem zeide: Ga naar uw huis.

Wat een spannende tijden. De vijand is bezig de troon te roven. Adonia heeft de zaak bedrogen. En zijn kroningsfeest is al in gang. Het tij is niet meer te keren. Wat een toestand. David hoort ervan en bij hem staat één ding vast. Hoe oud hij ook mag zijn en hoe slecht het ook met hem gesteld is, hij neemt actie. Hij beveelt dat Salomo tot koning moet worden gezalfd. En niet dan en dan, maar meteen. Salomo wordt op het muildier van de koning de stad bin­nengeleid en hij gaat zitten op de troon van zijn vader David. Hij wordt ge­zalfd tot koning. En heel het volk juicht. Zo hard dat Adonia en zijn kornuiten, die net aan de maaltijd zitten, het horen. Wat zou dat geluid zijn? Het zal vast wel ter ere van hem zijn. Maar nee. Dan komt het bericht dat David Salomo koning gemaakt heeft in zijn plaats. En zonder overleg of zonder tegenstand valt het bouwwerk van Adonia in puin. Al zijn vrienden verlaten hem. Ieder gaat zijns weegs. Van het complot blijft niets meer over. Het is mislukt. En zo moet het ook zijn. Wat beloofd is, is beloofd. En David, de dappere held, heeft God gehoorzaamd. God heeft hem inderdaad uit alle benauwheden gered. En wat heeft David niet een benauwdheden meegemaakt. Keer op keer. En God, was aan zijn zijde. En wat zag het er nu ook weer kritiek uit. David de oude koning bedreigen. Dan moet je wel heel zeker van je zaak zijn. Maar David betoont zich Gods dappere held. Niet bang voor lijf en leden. David is alleen uit op de eer van God, en neemt actie. Gevaarlijk, want de tegenstander was al bezig. Maar hij beveelt: Salomo is koning in mijn plaats.

Wat een les. Wij mogen daar uit leren, dat we niet in de war moeten zijn als de vijand probeert ons een loer te draaien. We moeten meteen tot actie over­gaan om de boel weer op de rails, op de goede weg, te zetten. We moeten niet aan het redeneren gaan. We moeten niet aan kansberekening doen. We moeten heel eenvoudig Gods eer niet laten roven. En God zal het zegenen. Hij zegent gehoorzaamheid altijd. Daar staan we steeds weer verbaasd van. Het gaat om zijn eer. Heulen we met de vijand, dan komen we verkeerd uit. Dat tast in de eerste plaats onze eigen vrede aan. Daarom is dit verhaal uit het leven gegre­pen. Niet meedoen met het kwade, maar het kwade ontmaskeren om het goede te doen. En het gevolg is vrede en blijdschap in de HERE en dat zien we hier ook. Adonia de booswicht vlucht naar het altaar en smeekt voor zijn leven. En dan wordt hem bericht dat hij alleen zal sterven als hij kwaad wil. Salomo heeft grote wijs­heid en Adonia mag blijven leven. Salomo zegt: Ga naar uw huis. Wat een verhaal. Wat een les. Zouden wij zo’n vijand kunnen vergeven? Wat doen we met de mensen die tegen ons zijn. Vervloeken we die of zegenen we die. Ga het eens na in je eigen leven. En doe er iets aan. Niet morgen, maar nu. Niet als hij of zij eerst dit of dat maar eens doet. Neen, nu en onvoorwaar­delijk.

1 Koningen 2:1-25

23 oktober [2]

2:3

wandel op zijn wegen, en onderhoud zijn inzettingen, geboden, verordeningen en getuigenissen, zoals geschreven staat in de wet van Mozes, opdat gij voorspoedig volvoeren moogt…

2:4

dan zal het u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël.

2:5

hoe hij hen gedood en in vredestijd bloed vergoten heeft…

2:6

Handel dan naar uw wijsheid, en laat zijn grijze haar niet in vrede in het dodenrijk nederdalen.

2:9

Maar nu met gij hem niet ongestraft laten, want gij zijt een wijs man, en weet wel, wat gij hem doen moet…

2:10

Toen ging David te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in de stad Davids.

2:15

want het is hèm van de HERE ten deel gevallen.

2:22

waarom vraagt gij (enkel) Abisag, de Sunamitische, voor Adonia? Vraag liever voor hem het koningschap, omdat hij mijn oudere broeder is;…

2:23

Adonia heeft dit woord tegen zijn leven gesproken.

2:24

Adonia zal heden ter dood gebracht worden.

David gaat sterven en hij herhaalt de woorden van God tegen David. Hij roept op om de HERE God te volgen in al zijn verordeningen. Dan zal er voorspoed zijn. Hij heeft het zelf beloofd. Als Hij dat doet dan zal er altijd een man zitten op de troon van David. Wat een belofte. Wat een zekerheid. Wat een genade. Wat een toekomst. God is God. Hij heeft de hemel en de aarde geschapen. Daar is genade aan verbonden. Dat is zegen. Doe het dan ook. Het moet steeds weer de oproep zijn voor ons leven. Volg Hem. Niet vergeten. Elkaar steeds daar weer toe oproepen. Gewoon doen. Het is zeker. En dat geldt vandaag ook. Als het volk God volgt dan zal er een zoon op de troon zitten. En dan spreekt David over Joab die in vredestijd bloed heeft vergoten. Hij moet ster­ven. En dan spreekt hij over Simeï. Die heeft vreselijke dingen gedaan. God en de koning vervloeken. Die moet gedood worden. Zonde is zonde. En waar zonde is, is straf. Er kan alleen maar aan ontkomen worden als er verzoening is. Een andere weg is er niet. En dan komt Adonia met het verzoek om met Abisag te trouwen. En die komt er mee bij Bathséba. En David antwoordt: waarom vraagt hij niet het hele koninkrijk. En dat is het vonnis over Adonia. Hij heeft andere plannen. Hij wordt door de boze voortgedreven. En Salomo begrijpt dat Adonia het op hem gemunt heeft met deze vraag. En hij verklaart hem des doods schuldig. Hij heeft zich niet aan zijn woord gehouden. Hij voerde toch iets kwaads in zijn schild. En Adonia wordt gedood. Het is voor­bij. En zo moeten we elke dag van ons leven vullen met de liefde van God. Dan gaat het goed in ons leven. En anders volgt de dood.

1 Koningen 2:26-46

24 oktober [2]

2:27

Toen verdreef Salomo Abjathar, zodat hij geen priester des HEREN meer was, waardoor hij het woord des HEREN vervulde, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.

2:28

vluchtte Joab naar de tent des HEREN en greep de horens van het altaar.

2:29

Ga, stoot hem neer.

2:31

verwijder… het onschuldig bloed…

2:32

omdat hij twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, zonder medeweten van mijn vader David, heeft neergestoten en met het zwaard gedood: Abner de zoon van Ner, de legeroverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de legeroverste van Juda.

2:33

maar David, zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zullen voor altoos vrede hebben van de HERE.

2:36

gij zult daar niet vandaan gaan, herwaarts noch derwaarts;…

2:39

Na verloop van drie jaren liepen twee slaven van Simeï weg…

2:44

nu zal de HERE uw kwaad op uw hoofd doen wederkeren;…

2:46

En het koningschap was in de hand van Salomo bevestigd.

Ja, Abjathar de priester, was met Adonia meegegaan. Hij had niet het bevel van de koning afgewacht. Hij was met de rebel meegegaan. En nu is het afge­lopen. Hem wordt het priesterschap ontnomen. Hem en zijn huis. En hiermee wordt ook het oordeel over Eli volvoerd. Zijn huis zou het priesterschap ont­nomen worden. Dat is duidelijke taal. Dat gebeurt. Het is vreselijk als je uit de weg van de Heer valt. Dan gaat het niet goed met jezelf en dan gaat het niet goed met je kinderen. Dan gaat het niet goed met je geslacht. Dan gaat het niet goed met het dorp, dan gaat het niet goed met de stad. Dan is het afgelopen. Prijs de Heer voor zijn oproep om in zijn wegen te wandelen. Want dan gaat het goed. Daar is zegen aan verbonden. Prijs de Heer. Joab begrijpt ook dat zijn dagen geteld zijn. Ook hij is met Adonia meegegaan. En dat kost hem zijn leven. Dat voelt hij aan. Hij vlucht naar de horens van het altaar. Hij hoopt daar genade te ontvangen. Maar hij moet gedood worden omdat hij het leven van twee rechtvaardige mannen genomen heeft zonder dat David daar iets van af weet. Dat is een gruwelijk verhaal. Dat heeft David nooit vergeten en ver­geven. Hij heeft op zijn sterfbed Salomo opgegeven om hem daarvoor te do­den. En zo gebeurt het ook. Joab wil het altaar niet verlaten. En dan geeft de koning opdracht om hem ter plaatse te doden. En zo gebeurt het. Het bloed wordt gewroken.

En zo is het vandaag ook. Je kunt niet onschuldig bloed ver­gieten. Dan haal je het oordeel van God over je heen. Daar moet je dan ook niet van opkijken, want God vergeet het niet. God duldt het vergieten van onschuldig bloed niet. Hij komt dan met zijn oordeel. Zijn oordeel staat vast als we onschuldig bloed vergieten. En dan Simei, wat heeft die koning David bespot. David heeft het niet vergeten. Op zijn sterfbed spreekt hij ook zijn oordeel over Simei uit. Salomo geeft hem opdracht om Jeruzalem niet te ver­laten. Hij mag niet her­waarts of derwaarts gaan. Maar na drie jaar gaat hij achter zijn slaven aan. Als het om geld gaat, dan vergeet je hogere dingen. Hij krijgt zijn slaven terug, maar het kost hem zijn leven. Hij krijgt zijn straf voor wat hij David heeft aangedaan. Het is wel heel apart dat de dood volgt omdat hij dingen doet die er niet rechtstreeks mee te maken hebben maar indirect toch verband houden met de vroegere zonde. Dat gold voor Abjathar, die volgt Adonia en wordt gedood maar tegelijkertijd is het de vervulling van de oor­deelsprofetie over Eli, die van zijn priesterschap ook maar een potje maakte. En dat gold bij Joab, die volgt Adonia in het complot maar tegelijkertijd wordt het vergieten van het bloed door Joab gewroken. En nu ook Simeï die mag blijven leven als hij niet uit zijn huis gaat. Maar hij doet het wel en daarmee wordt ook de vervloeking van David gewroken.

En gaat het zo niet vaak. We moeten letten op de oorzaken en de gevolgen. Het kan zijn dat er allerlei din­gen gebeuren die op zich niets met een bepaalde zaak te maken hebben, maar toch indirect te maken hebben met oordeel of zegen van God. We moeten daar heel fijngevoelig in worden en zijn. Salomo volvoert de opdrachten van zijn vader David. En het koningschap van Salomo wordt ten zeerste bevestigd.

1 Koningen 3:1-28

25 oktober [2]

3:1

En Salomo verzwagerde zich met Farao,… en bracht haar in de stad Davids, totdat hij de bouw van zijn huis en van het huis des HEREN en van de muur rondom Jeruzalem voltooid zou hebben.

3:2

Alleen was het volk gewoon op de hoogten te offeren, omdat tot op die dagen nog geen huis voor de naam des HEREN gebouwd was.

3:3

En Salomo betoonde zijn liefde tot de HERE door te wandelen in de inzettingen van zijn vader David; alleen was hij gewoon op de hoogten offers te slachten en in rook te doen opgaan.

3:5

Vraag; wat zal Ik u geven?

3:6

en Gij hebt aan hem deze grote goedertierenheid bevestigd door hem een zoon te geven, die op zijn troon zit,…

3:9

Geef dan uw knecht een opmerkzaam hart, opdat hij uw volk richte,…

3:10

En het was goed in de ogen des HEREN, dat Salomo dit gevraagd had.

3:12

zie, Ik doe naar uw woord; zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke vóór u niet geweest is, noch na u zal opstaan.

3:13

En ook wat gij niet gevraagd hebt, geef Ik u, zowel rijkdom als eer,…

3:14

dan zal Ik uw leven verlengen.

3:16

Toentertijd kwamen twee vrouwen, hoeren, tot de koning en stelden zich vóór hem.

3:18

alleen wij tweeën waren in huis.

3:19

Toen is de zoon van deze vrouw des nachts gestorven,…

3:20

En zij is te middernacht opgestaan en heeft mijn zoon naast mij weggenomen,…

3:21

en zie, het was niet de zoon, die ik gebaard had.

3:22

Doch de andere vrouw zeide: Niet waar!

3:24

Daarop zeide de koning: Haalt mij een zwaard.

3:25

Snijdt het levende kind in tweeën en geeft de helft aan de ene en de helft aan de andere.

3:26

omdat haar moederlijk gevoel voor haar zoon was opgewekt;… geeft haar het levende kind, maar doodt het in geen geval.

3:27

Geeft haar het levende kind… zij is de moeder.

3:28

want zij merkten, dat de wijsheid Gods in hem was om recht te doen.

Heb ik eigenlijk nooit op gelet. Het volk was gewoon op de hoogten te offeren omdat er nog geen huis des HEREN was. En dat deed ook Salomo. Dat wist ik niet. Hoe zat het dan. Was de tent der samenkomst er niet. Waar stond die dan. Gek. Dat ik daar altijd over heen gelezen heb. Een teken dat ik het woord van God nog veel meer moet lezen. En wat vond God dan wel van het offeren op de hoogten. Ze deden het zeker op vele plaatsen. En deden de priesters dat dan? En wie had gezegd dat ze op de hoogten mochten offeren.

Salomo had een droom. Vraag wat Ik u zal geven. Salomo denkt er over na. Hij denkt aan de goedertierenheid die aan zijn vader David geschonken is. En aan zijn vader David die de HERE trouw was geweest. En nu is aan hem zijn zoon het ko­ningschap geschonken ondanks het feit dat hij jong is. Hij ziet het grote volk. En hoe zal hij ooit in staat zijn om dat volk te richten. En dan vraagt hij de HERE God om wijsheid om het volk te richten. En dat was goed in de ogen des HEREN. En omdat hij Hem alleen hierom gevraagd had, schenkt God hem bovendien rijkdom en eer. En als hij de inzettingen van de HERE volgt zal ook zijn leven verlengd worden. Wat een zegen, wat een almachtige God. Wat een goedertierenheid. God is een God van liefde barm­hartigheid en goedertie­renheid. Hij heeft het goede met de mensen voor. Hij wil de mens zegenen, want Hij weet hoe de zonde in je eigen leven en in de samenleving kan huis­houden. Hij wil het goede om de kracht van de boze te pareren. En zo is het met Salomo gebeurd, maar zo wil Hij het ook aan ons doen. Hij wil dat we Hem gehoorzamen en dan gaat het goed in ons leven. Dan zullen we de zegen van Hem ervaren, omdat er vrede en rust en veiligheid in ons leven is. Dan zullen de vijanden wel op ons afkomen in ons eigen lichaam of van buiten, maar dan weten we waar we moeten schuilen en dat we niet in de war moeten raken. Hij regeert en Hij heeft altijd het goede met ons voor. Daar moeten we uit leven. En dat wordt in dit stukje op een onvoorstel­baar rijke manier beves­tigd.

En dan zien we een staaltje van Salomo’s grote wijsheid. Als die twee vrou­wen, hoeren, komen met dat kindje. Wat een verhaal. Het kindje is zeker in hoererij geboren. Een kind sterft ’s nachts omdat de vrouw er op gelegen heeft. Ze haalt het andere kindje weg en ruilt het om. Dan ontdekt de andere vrouw het, maar beseft dat het haar kindje niet is. Niet waar!, roepen ze al krakelend voor Salomo. Dan vraagt hij om een zwaard en wil het kindje door­midden snijden en elk de helft geven. Maar dan wordt het moedergevoel van de echte moeder opgeroepen en ze zegt: “geef het dan maar aan haar, maar doodt het niet.” De ander heeft geen moeite om het doormidden te snijden. En dan weet Salomo wie de echte moeder is en geeft het kindje aan haar. En heel het volk staat verbaasd van de wijsheid van Salomo. En dat is heel zijn lange leven gebleven. Voor hem en na hem is er niet een koning geweest die zoveel wijsheid bezat.

Wat een God die ons kan geven naar zijn goedertierenheid en genade. We zijn niet zoals we geboren zijn. We zijn zoals God ons maakt en kneedt. En Hij kneedt elk dag aan ons. Elke dag roept Hij ons op om in zijn wegen te wande­len en dicht bij Hem te blijven zodat Hij zijn kracht in onze zwakheid kan uit­storten. Hij kan onze slechte eigenschappen omkeren als we zijn kracht in ons leven toelaten. En hoevelen kunnen daar niet van getuigen. Want we hebben te maken met een God van goedertierenheid en kracht. Hij wil ons voortstuwen in zijn liefdevolle gemeenschap waar onmogelijke dingen mogelijk worden. Gode zij dank.

1 Koningen 4:1-34

26 oktober [2]

4:7

En Salomo had over geheel Israël twaalf landvoogden,… één maand per jaar rustte op ieder de plicht om te leveren.

4:20

Juda en Israël waren talrijk als het zand aan de zee in menigte; zij aten en dronken en waren blijde.

4:21

En Salomo was heerser over al de koninkrijken van de Rivier af tot het land der Filistijnen, tot de grens van Egypte; zij brachten geschenken en dienden Salomo, zijn leven lang.

4:24

en hij had vrede rondom aan alle zijden,

4:25

zodat Juda en Israël gerust woonden, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Berseba, gedurende het gehele leven van Salomo.

4:30

zodat de wijsheid van Salomo groter was dan die van allen uit het Oosten, en dan al de wijsheid van Egypte.

4:32

Hij sprak immers drieduizend spreuken, en liederen van hem waren er duizend vijf.

4:34

En uit alle volken kwamen er om de wijsheid van Salomo te horen, van al de koningen der aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.

Salomo had zijn regering goed voor elkaar. Er heerste orde en rust. De twaalf landvoogden waren verantwoordelijk. En elk moest elke maand zorgen dat alles voor de koninklijke tafel er kwam. Het was eerlijk verdeeld. En wat had de koning per dag een grote hoeveelheid nodig. Het hebben van een koning is geen goedkope zaak. Nou, nou. En het beste moest het beste zijn. Het was te gek. En hij had 40.000 paarden. Stel je dat eens voor. Die moeten ook elke dag eten. Het volk moest er heel wat voor opbrengen. Maar het volk had rust en vrede. Ze konden ieder eten onder zijn vijgenboom. Het land leefde in voorspoed. Het was vrede. En Salomo heerste over alle koninkrijken vanaf de rivier tot aan Egypte. Een zeer groot rijk. Niemand kon er tegenop. En het bleef vrede gedurende heel zijn lange leven. En de wijsheid van Salomo was spreekwoordelijk. En iedereen wist er van. Het werd bekend. En alle vorsten kwamen om er van te horen en te zien hoe Salomo gezegend werd door zijn God.

En kijk eens hoeveel spreuken hij heeft verzameld. Spreuken van wijs­heid: drieduizend en honderd vijf gedichten. Een wijs koning. Het wordt alle­maal vermeld opdat wij er vandaag wijsheid en lering uit kunnen trekken. Als we de wijsheid van God in ons leven willen ontvangen dan moeten we heel eenvou­dig doen wat Hij in zijn verordeningen en inzettingen zegt. Want die zijn wijs­heid en vrede. En als we ook nog mogen putten uit de spreuken van Salomo en uit de vele verhalen die allemaal ter lering voor ons zijn opgeschre­ven en geopenbaard, dan zullen we in ons leven ervaren dat het de wijsheid van God is die naar ons toekomt en orde wil scheppen in ons leven opdat we een wijs hart bekomen en in zijn wegen wandelen. Het is zo’n simpel principe dat we er maar al te vaak aan voorbij gaan. Terug naar het Woord van God en je zult het ontdekken. Prijs de Heer.

1 Koningen 5:1-18

27 oktober [2]

5:3

voor de naam van de HERE, zijn God, een huis te bouwen wegens de oorlog,…

5:4

er is geen tegenstander en generlei onheil.

5:5

uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zal zetten, die zal dat huis voor mijn naam bouwen.

5:9

en ik zal het in de zee aan vlotten leggen… gij echter moet mijn wens vervullen door spijze te leveren voor mijn hof.

5:12

En er was vrede tussen Hiram en Salomo, en die beiden sloten een verbond.

5:13

de lichting bedroeg dertigduizend man.

5:15

Voorts had Salomo zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steenhouwers in het gebergte,

5:16

behalve Salomo’s hoofdopzichters over de arbeid, drieduizend driehonderd,…

5:18

behieuwen de boomstammen en de stenen, en maakten ze pasklaar voor de bouw van het huis.

David mocht het huis van God niet bouwen. Hij had oorlogen gevoerd. Hij had bloed aan zijn handen. Maar nu zijn zoon Salomo vrede had rondom kon het huis gebouwd worden. En nu wordt het huis gebouwd, Hiram, de koning van Tyrus leverde het hout. De machtige ceder en de cypressenboom. Met vlotten werd het over de zee vervoerd. En dan naar de tempelplaats gebracht in Jeruzalem. Een machtig werk. En de stenen werden gehouwen in het ge­bergte. Wat een werk. Wat een logistiek. Wat een precisie. Hiram is blij. Hij was op goede voet met zijn vader David en nu is hij op goede voet met Salo­mo. Ze sluiten een verbond. Hij levert het hout en Salomo levert alles voor zijn hof. En zo gebeurt het jaar op jaar. Er wordt een herendienst opgelegd. Voor dertigduizend man. Elke man moest een deel opkomen om het werk te doen. En dan waren er nog zeventigduizend lastdragers en de tachtigduizend steenhouwers. Ziet u het voor u. Dat is nog eens een machtig werkleger. En de stenen en het hout wordt pasklaar gemaakt zodat het precies ineen sluit. God wil wonen in een prachtige tempel.

God wil bij de mensen wonen en niets is goed genoeg voor Hem. Het mooiste van het mooiste. En dat is vandaag nog zo. Het is heerlijk om dat te weten. Glorie voor zijn naam. En die tempel is verwoest, maar is ook herbouwd in opdracht van de heidense koning Kores en die tempel is ook weer verwoest door de Romeinen in het jaar zeventig na Christus en die tempel zal weer worden herbouwd. Het is duidelijk gezegd in Ezechiël 40 tot 47. Dat moet nog gebeuren. En dat zal gebeuren. De rotskoe­pel die op het tempelplein staat, zal verdwijnen en de gouden poort zal open­gaan. En er zal een aardbeving zijn. En dan zullen er grote dingen gebeuren. God zelf zal handelend optreden. Het zal niet door mensenhanden gebeuren. Het is Gods plan met de wereld. Hij zendt Messias Jezus voor de verzoening van de zonden van de wereld. Want waar zonde is moet bekering en verzoe­ning plaatsvinden. En dan zal Hij komen met al zijn engelen en Hij zal zijn koningschap vestigen waaraan geen einde komen zal. En Hij zal zijn troon in Jeruzalem grondvesten van recht en gerechtigheid. En de wet zal uitgaan van Jeruzalem. Lees het. Het is een verheugend en ontzaglijk verhaal. Wat een toekomst! Het staat vast en zeker. God geeft opdracht om de tempel te bouwen en er is geen mens op de aarde die zijn plan kan dwarsbomen. Het zal vol­voerd worden.

God laat zijn eer en zijn plan niet roven. Welke theologische dwaling we ook denken te kunnen bedenken. Wat Hij beloofd heeft dat is vast en zeker. Daar kan niet aan getornd worden. Prijs de Heer.

1 Koningen 6:1-38

28 oktober [2]

6:1

In het vierhonderd tachtigste jaar na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte,… bouwde hij het huis voor de HERE.

6:2

was zestig el lang, twintig el breed en dertig el hoog.

6:3

De voorhal… was twintig el lang over de breedte van het huis en tien el diep,…

6:6

De benedenste verdieping had een breedte van vijf el, de middelste van zes el en de derde van zeven el,…

6:7

en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis.

6:10

betimmerde hij het huis met cederhout.

6:12

indien gij in mijn inzettingen wandelt,…

6:13

dat Ik te midden der Israëlieten zal wonen en mijn volk Israël niet zal verlaten.

6:16

en bouwde het daarbinnen tot een achterzaal, tot het heilige der heiligen.

6:17

En veertig el mat het huis,…

6:18

beeldwerk van kolokwinten en open bloemknoppen;…

6:19

om daar de ark van het verbond des HEREN te plaatsen.

6:20

De achterzaal nu was twintig el lang, twintig el breed en twintig el hoog, en hij overtrok die met gedegen goud;…

6:21

En Salomo overtrok het huis van binnen met gedegen goud,…

6:23

Voorts maakte hij in de achterzaal twee cherubs van oleasterhout van tien el hoog.

6:24

Vijf el was de ene vleugel van de cherub en vijf el was de andere vleugel van de cherub;…

6:25

De andere cherub was ook tien el;…

6:27

Hij plaatse de cherubs in het binnenste vertrek en zij spreidden hun vleugels uit, zodat de vleugel van de ene aan de ene muur raakte, en de vleugel van de andere cherub aan de anderen muur, terwijl hun vleugels aan elkander raakten in het midden van het huis.

6:28

En hij overtrok de cherubs met goud.

6:29

bracht hij ingesneden beeldwerk aan: cherubs, palmen en open bloemknoppen.

6:30

Ook de vloer… bedekte hij met goud.

6:31

het geraamte der posten vormde een vijfhoek.

6:33

Evenzo maakte hij voor de toegang naar de hoofdzaal posten… die een vierhoek vormden,…

6:36

Hij ommuurde het binnenste voorhof met drie rijen gehouwen stenen en één rij gehouwen cederen balken.

6:37

In het vierde jaar werd het huis des Heren gegrondvest, in de maand Ziv,

6:38

en in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, was het huis in al zijn onderdelen en geheel volgens bestek voltooid; hij bouwde het dus in zeven jaar.

Wat een voorbereiding. Wat een gebouw. Wat een schittering. Het kon niet mooier. Maar wat kun je ook doen als je voor de HERE iets doet. Dan is niets goed genoeg. Dan neem je het mooiste van het mooiste. Dan mag het ook alles kostten. En zo is het gebeurd. Met grote precisie werd gehouwen en gehakt. En als het dan naar de plaats van het bouwwerk wordt gebracht dan komt er geen hamer of instrument aan te pas. Het wordt in volkomen toewijding en stilte op elkaar gelegd. Het paste allemaal feilloos in elkaar. De maten zijn precies omschreven. De bouwwijze ook. Alles wordt met cederhout afgetim­merd. Alles wordt met goud overdekt. Prachtig. Kunstwerken worden aange­bracht: ingesneden beeldwerk, palmen en open bloemknoppen en in de achter­zaal het heilige der heiligen, de cherubs. Die zaal is tien bij tien bij tien. Daar moet de ark des verbonds geplaatst worden. Daarvoor worden ook de cherubs gemaakt die precies in de achterzaal passen. Hun vleugels raken de wand en raken elkaar. Dat zijn grote beelden geweest. Hun vleugels uitgespreid. Boven de ark. Wat moet dat een prachtig gezicht geweest zijn. Wat zullen die met grote precisie gemaakt zijn. De deuren hebben een vijfhoek voor de achterdeur en de voorzaaldeur een vierhoek. Het was allemaal feilloos afgewerkt. Het is een pracht en praal. Het is fantastisch. Het is prachtig. Het moet een lust zijn geweest om daaraan te bouwen. Gods huis bouwen. Wat zou je liever hebben gedaan. Wat een karwei.

Ze zijn in het vierde jaar van de regering van Salomo begonnen en zijn in het elfde jaar klaar. Ze hebben er dus zeven jaar aan ge­werkt. Wat zal dat een feest geweest zijn. En wat zal dat een bekijks gehad hebben. En het is fantas­tisch dat we vandaag nog precies weten hoe die tempel eruit gezien heeft. En zo zal het ook weer worden. In Ezechiël 40 tot 47 staat dat allemaal beschre­ven. En wat beschreven staat, dat staat beschreven en dat zal gebeuren. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. We zien Gods plan dwars door de geschiede­nis heen. Hij belooft en het gaat gebeuren. Het kan niet stuk. Het is waar. Het zal gebeuren vast en zeker. Glorie voor zijn Naam.

1 Koningen 7:1-26

29 oktober [2]

7:2

Hij bouwde namelijk het huis: Woud van de Libanon,…

7:7

En hij maakte de troonzaal, waar hij recht sprak, de rechtszaal, die van de vloer tot de zoldering met cederhout bekleed was.

7:10

Het was gegrondvest op kostbare stenen, grote stenen, stenen van tien el en van acht el.

7:13

En koning Salomo ontbood Hiram uit Tyrus.

7:14

Hij was de zoon van een weduwe uit de stam Naftali, terwijl zijn vader een Tyriër was, een koperslager; hij was vervuld met de wijsheid,… en voerde al diens werk uit.

7:15

Hij vormde namelijk de beide koperen zuilen;…

7:17

het vlechtwerk was gemaakt van gedraaide snoeren, op de wijze van slingers:…

7:18

Dan maakte hij nog de granaatappelen,…

7:21

Daarna stelde hij de zuilen op bij de voorhal der hoofdzaal; toen hij de rechterzuil opstelde, noemde hij haar Jakin; toen hij de linkerzuil opstelde noemde hij haar Boaz.

7:22

Nadat het leliewerk op de top der zuilen was aangebracht, was de arbeid aan de zuilen voltooid.

7:23

Voorts maakte hij de zee, van gietwerk, tien el van rand tot rand, geheel rond, vijf el hoog, terwijl een meetsnoer van dertig el haar rondom kon omspannen.

7:24

in twee rijen zaten de kolokwinten.

7:25

Zij stond op twaalf runderen, waarvan drie noordwaarts… en al hun achterdelen waren binnenwaarts gewend.

Het koperwerk wordt ook allemaal in detail beschreven. De grote machtige zuilen. Dat waren nog eens zuilen. Dat viel wel op. Dat glom in de zon. Daar zal op gepoetst zijn. En de kapitelen er bovenop waren ook prachtig. Granaat­appelen waren er op afgebeeld. Prachtig. Het was een indrukwekkende archi­tectuur. Het glom allemaal want al het cederhout was met goud verdekt. Wat een pracht en een praal. Niets kan er ook goed genoeg zijn voor de HERE. Het wordt allemaal zeer gedetailleerd omschreven. De HERE wil het allemaal vastgelegd hebben. Het is ook het huis waarin Hij wil wonen En het volk moet blijvend weten en zien dat ze te maken hebben met een heilige God, die bij de mensen wil wonen, maar die duidelijk wil laten zien dat ze Hem niet kunnen naderen alsof Hij een menselijke vriend is. We hebben te maken met een God die vol van barmhartigheid, lankmoedigheid en goedertierenheid is, maar die een verterend vuur is als we Hem niet volgen en in eigenzinnige godsdienst doen wat we maar willen.

Waarom de twee zuilen bij de voorhal van de hoofdzaal de twee namen Jachin en Boaz krijgen is niet duidelijk. Althans mij niet. Waarom moeten deze zui­len een naam krijgen en de andere zuilen niet. En waarom wordt het hier zo expliciet vermeld. Dat is toch wel heel bijzonder. Op Urk staat een kerk met twee zuilen ervoor en die hebben ze Jachin en Boaz genoemd. Ik begreep dat niet, maar kom nu die namen hier tegen. Heel apart. Moeten we eens uit gaan zoeken.

De zee wordt ook heel uitgebreid omschreven. Een meetsnoer van dertig el kon het omvatten. De inhoud is ook bekend: tweeduizend bath. Dat zal wel bekend zijn hoeveel dat is. En het bad stond op twaalf runderen per drie naar de windrichting gekeerd. De achterdelen naar binnen gekeerd. Ook weer heel apart waarom dat twaalf runderen moeten zijn. Wat heeft het voor betekenis. En was het niet zo dat men geen afbeeldingen van dieren mocht maken. En waarom hier dan twaalf runderen onder het wasgedeelte dat toch voor alle mensen zo zichtbaar was. En waarom twaalf runderen. Heeft dat te maken met de twaalf stammen. Ook weer een vraag waarop ik geen antwoord heb. Moeten we nog beter de Bijbel gaan bestuderen. Het is ook elke keer zo dat als je de Bijbel gaat bestuderen dat je ook steeds meer gaat ontdekken. Lezen, lezen en herlezen. Het is een prachtig leerzaam werk.

O ja, het huis van Salomo was ook een machtig bouwwerk. Het woud van de Libanon heette het. En dat kon je wel zeggen, want het was een enorm ge­bouw en er is ont­zettend veel hout in verwerkt: cederhout. Het beste van het beste. Dat moet wel een machtig gebouw zijn geweest. Schitterend. Wat een koning. Wat een pracht en een praal.

1 Koningen 7:27-51

1 november [2]

7:29

Op de sluitplaten tussen de stijlen stonden leeuwen, runderen en cherubs,… boven en beneden de leeuwen en de runderen waren afhangende kransen.

7:33

De vorm van de raderen was als die van een wagenrad;…

7:37

Aldus maakte hij de tien onderstellen; zij waren alle van één gietsel, één maat, één vorm.

7:38

Verder maakte hij tien koperen bekkens, veertig bath kon elk bekken bevatten,…

7:39

En hij plaatste de onderstellen: vijf aan de rechtervleugel van het huis en vijf aan de linkervleugel; en de zee plaatste hij aan de rechtervleugel van het huis, naar het zuidoosten.

7:46

In de Streek van de Jordaan goot de koning ze, in diepe grond, tussen Sukkot en Zarathan.

7:47

En Salomo liet al de voorwerpen ongewogen vanwege de overgrote hoeveelheid; het gewicht aan koper werd niet berekend.

7:48

Ook maakte Salomo al de voorwerpen in het huis des HEREN, het gouden altaar, en de tafel waarop het toonbrood lag, van goud;

7:49

de vijf kandelaars rechts en de vijf links vóór de achterzaal, van gedegen goud; de kelken, lampen en snuiters, van goud;…

7:51

bracht Salomo de geheiligde voorwerpen van zijn vader David erin; het zilver, het goud en die voorwerpen legde hij in de schatkamers van het huis des HEREN.

De omschrijving van de tien onderstellen is ook zeer gedetailleerd. Een smid kan ze vandaag zo maken. Het zijn sierlijke onderstellen. Ze zijn met afbeel­dingen van runderen en leeuwen en cherubs en slingers versierd. Er staan ook raderen op. En het is alles zeer kunstig gesmeed. Dan worden de putten be­schreven. Dat moeten er veertig worden. Voor het water om te wassen. En dan worden ze rechts en links geplaatst, elk vijf. De zee wordt geplaatst aan de rechtervleugel van het huis op het Zuidoosten. Waarom daar precies is mij niet duidelijk. We moeten de plattegrond eens bekijken waar alles stond. Het zal wel allemaal in het plan van de Meester hebben gestaan. Alles zal ongetwij­feld een diepere betekenis hebben. Het is interessant om hierover eens een aparte bijbelstudie te houden van iemand die daar alles van afweet.

Tot slot wordt alles nog weer eens opgenoemd wat Hiram gemaakt heeft. Het was zo ontzet­tend veel dat het gewicht van het totaal niet eens gewogen is. Het werd gego­ten in het zand bij de Jordaan in de Streek. Het zal een heel bedrijf geweest zijn. Het koper moest worden aangevoerd. Het moest worden gevormd. Het moest worden gegoten. En dat jaren lang. Want er is jarenlang aan het huis van Salomo en aan de tempel gebouwd. En als dan alles klaar is dan brengt Salomo de geheiligde eigendommen van zijn vader David naar het huis des HEREN en legt ze in de schatkamers. Het werk is geklaard. Het is een prach­tige prestatie. Daar is heel wat vakmanschap en logistiek en organisatie en financiën voor nodig. Dat is een knap staaltje. Daar kunnen we nog wat van leren. Wat een prachtig werk. En wat knap om ook steeds alle financiën en organisatie op orde te hebben. Dat had Salomo allemaal heel goed geregeld. Daar moet je ook heel wat wijsheid voor hebben. Maar die had hij dan ook gekregen. Prijs de Heer.

Het bouwwerk is voltooid. Salomo mocht het bou­wen, in plaats van zijn vader David, want die had bloed aan zijn handen. Maar Salomo had rust en vrede en werd de meest welvarende koning van zijn tijd. Wat een zegen en wat een zorg heeft de HERE God, dat alles naar zijn plan en orde gebeurt.

1 Koningen 8:1-26

2 november [2]

8:1

om de ark van het verbond des HEREN uit de stad Davids, dat is Sion, opwaarts te brengen.

8:2

op het feest in de maand Ethanim, dat is de zevende maand.

8:3

Toen alle oudsten van Israël gekomen waren, hieven de priesters de ark op,

8:4

en zij brachten de ark des HEREN, en de tent der samenkomst en alle heilige voorwerpen die in de tent waren, opwaarts;…

8:5

offerden schapen en runderen, niet te tellen noch te berekenen vanwege de menigte.

8:7

want de cherubs spreidden beide vleugels uit over de plaats der ark, zodat de cherubs de ark en haar draagbomen van boven overdekten.

8:9

Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen die Mozes op Horeb erin gelegd had, de tafelen van het verbond dat de HERE met de Israëlieten gesloten had, bij hun uittocht uit het land Egypte.

8:10

Toen de priesters uit het heiligdom naar buiten traden, vulde een wolk het huis des HEREN,

8:11

zodat de priesters, vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des HEREN had het huis des HEREN vervuld.

8:12

Toen zeide Salomo: De HERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen,

8:13

voltooid heb ik de bouw van het huis U ter woning, een vaste plaats om daar eeuwig te wonen.

8:14

Daarna wendde de koning zich om en zegende de gehele gemeente van Israël, terwijl de gehele gemeente van Israël stond.

8:16

van de dag af, dat Ik mijn volk Israël uit Egypte leidde, heb Ik geen stad uit alle stammen van Israël verkoren om er een huis te bouwen, opdat mijn naam daar zijn zou, maar Ik heb David verkoren om over mijn volk Israël te heersen.

8:22

breidde zijn handen uit naar de hemel en zeide:…

8:25

Nu dan, HERE, God van Israël, houd jegens uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt: nimmer zal u voor mijn aangezicht een man ontbreken, die op de troon van Israël zitten zal, indien slechts uw zonen hun weg in acht nemen en voor mijn aangezicht wandelen zoals gij voor mijn aangezicht gewandeld hebt.

De tempel is klaar. Daar ligt hij boven op de berg Sion. Schitterend in de zon. Prachtig. Mooier kun je je niet voorstellen. Je moet inderdaad opgaan naar de tempel. Via de trappen vanuit het lager gelegen stad Davids. En dan komt heel het volk samen. Wat een mensen. Wat een feest. En dan dragen de priesters de ark met de heilige voorwerpen opwaarts. Ze doen het met eerbied en ontzag, want het gaat om de ark des verbonds. En ze weten dat ze de ark heilig moeten dragen. Ze plaatsen de ark in het heilige der heiligen onder de vleugels van de cherubs die de ark aan de bovenkant bedekken. Alleen de twee stenen tafelen liggen in de ark. Die heeft Mozes erin gelegd nadat de HERE God een ver­bond met het volk gesloten heeft op e berg Horeb. Ook de gouden voorwerpen worden in de tempel gebracht.

En dan vervult een wolk de tempel. De pries­ters kunnen hun werk niet doen. Want de heerlijkheid des HEREN had de tempel vervuld. Kun je je het voor­stellen? Wat is de heerlijkheid des HEREN. Dat moet geweldig zijn. Dat moet zo geweldig zijn dat het je hart vervult. Dat je onder het beslag raakt. Dat je je werk niet meer kunt doen. Want de heer­lijkheid des HEREN heeft niet alleen de ruimte vervuld maar ook het hart van de mensen. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Want Jezus wil in ons leven en in ons hart wonen. Dan mogen we Hem ook laten regeren in ons hart. Dan moeten we geen anderen toelaten in ons denken, werken en doen. Hij wil woning in ons maken. Hij wil ons vervul­len met zijn heerlijkheid. Bij Hem kunnen we wonen en schuilen. Hij is de tempel van de Heilige Geest die in ons woont. Dat is toch geweldig. We hoe­ven er niet voor naar Jeruzalem. Jeru­zalem is in ons hart. Daar raak je niet over uitgepraat. Dan kan er van alles woeden en tekeergaan. Maar jij staat rotsvast in de branding. Want de boze geesten gaan voor Jezus op de vlucht. Wat een heerlijkheid des HEREN ver­vult de aarde. Het is geweldig om te weten dat niets ons kan scheiden van de liefde van Christus die alle verstand te boven gaat. Glorie voor de naam van Jezus. Heerlijk is zijn naam. Dank U HERE God. Dank U voor al Uw zegen. We worden er alleen maar blij van.

We zien het grote feest in Jeruzalem. U komt met de manifestatie van uw Almacht. Ze hoeven er niet aan te twijfelen. Wat een offers worden gebracht. Niet te tellen. Het is een groot dankfeest aan de HERE God. Wat een macht en een welvaart heeft God aan Salomo gegeven om samen met het volk deze prachtige tempel te bouwen. Salomo roept het uit: De HERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen; een vaste plaats om daar eeuwig te wonen. En de koning vertelt van Gods plan. Hij moest de tempel bouwen en niet zijn vader David. En hij heeft het gedaan overeen­komstig zoals de HERE het bevolen heeft. Glorie voor zijn naam. En dan gaat Salomo voor het altaar staan en breidt zijn handen uit naar de hemel en roept de HERE God aan Hij looft en prijst God en zegt dat God zijn verbond met zijn knechten altijd gestand doet. God heeft beloofd aan zijn vader David dat er immer een man zal zitten op de troon van zijn vader David. Dat is het eeuwige verbond dat Hij gesloten heeft. En wat God belooft, dat doet Hij ook. De voorwaarde is dat zijn zonen zullen wandelen zoals God bevolen heeft. Nu dan, laat toch het woord bewaarheid worden, dat Gij tot uw knecht mijn vader David gesproken hebt. Want daar gaat het om. Gods beloften zijn eeuwigdu­rend. Hij zal tot zijn plan komen, maar de voorwaarde is dat zijn knechten zullen wandelen in de dienst des HEREN. En als er dus geen zoon zit op de troon dan is het volk ongehoor­zaam. Dan moet het zich bekeren.

En zo is het vandaag nog. Wat een geweldige belofte en wat een geweldige opdracht. Telkens opnieuw klonk het als het volk en de koning weer afweek van wat de HERE gezegd had: Bekeert u want God wil u zegenen. Hij heeft toch dat eeuwig verbond gesloten. Volg Hem net als David en zijn zoon Salomo. Lees het hier.

1 Koningen 8:27-43

3 november [2]

8:27

Zou God dan waarlijk op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb.

8:28

Wend U dan tot het gebed van uw knecht en tot zijn smeking,…

8:29

zodat uw ogen nacht en dag geopend zijn over dit huis, de plaats waarvan Gij gezegd hebt: mijn naam zal aldaar zijn – zodat Gij hoort naar het gebed dat uw knecht te dezer plaatse opzenden zal.

8:30

Hoor dan naar de smeking van uw knecht en van uw volk Israël, die zij te dezer plaatse opzenden zullen. Ja, Gij zult het horen in de plaats uwer woning, in de hemel; en wanneer Gij het hoort, zult Gij vergiffenis schenken.

8:32

hoor Gij dan in de hemel, en grijp in,…

8:33

en zij zich tot U bekeren,…

8:34

hoor Gij dan in de hemel, vergeef de zonde van uw volk Israël, en breng hen terug naar het land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt.

8:35

zodat er geen regen komt,…

8:36

hoor Gij dan in de hemel,…

8:37

Wanneer er hongersnood in het land is,…

8:38

omdat ieder van hen de plaag van zijn eigen hart kent,…

8:39

en vergeld ieder naar al zijn wegen, daar Gij zijn hart kent – want Gij alleen kent het hart van de mensenkinderen –,

8:40

opdat zij U vrezen al de dagen die zij leven in het land dat Gij onze vaderen gegeven hebt.

8:41

Ook wanneer een vreemdeling…

8:43

en doe naar alles wat de vreemdeling tot U roept, opdat alle volken der aarde uw naam leren kennen, zodat zij U vrezen…

Het is eigenlijk niet te geloven dat God wil wonen bij de mensen. De hemel der hemelen kan Hem niet bevatten. Laat staan dit huis hier op aarde. Wat een grote liefde dat God in zijn grote Almacht wil wonen zo dicht bij de mensen. Dat is toch wel heel bijzonder. Hoor dan naar het gebed te dezer plaatse. Als God dan zo dicht bij de mensen wil wonen, dan zal Hij ook het gebed willen horen. Salomo roept de HERE aan, zodat zijn ogen dag en nacht geopend zijn over deze plaats als de gebeden opstijgen.

Wat een wonder. Wat een kracht. God hoort de gebeden in de hemel. En Hij zal het zien en horen en verhoren. God grijpt in als de mensen elkaar bedrie­gen. God laat het recht recht zijn. God grijpt in als het verkeerd gaat. HERE God, als het volk heeft gezondigd en het bekeert zich, keer dan weder en ze­gen hen, als het volk door de vijan­den overmeesterd is en weggevoerd en zij bekeren zich en smeken om genade, HERE hoor dan naar hun gebed. HERE, als er hongersnood is en zij bekeren zich en zij smeken om genade en buigen zich voor U neer, HERE hoor dan naar hun gebed en breng een keer in hun situatie. En als er welke plaag of ziekte of toestand komt en het volk bekeert zich en buigt zich voor U neer en vraagt om vergeving, HERE vergeef hen en luister naar hun stem. HERE, Gij ziet het hart aan en U weet wat er in het hart van de mensen kan huizen. HERE, leer hen en bekeer hen, dat ze alleen naar uw stem horen. Want dan gaat het goed. Dan komt het goed terecht. Dan weet het volk weer op het juiste pad te wandelen. In uw wegen. En waar U gaat daar is het goed. HERE, hoor naar het gebed te dezer plaatse.

En HERE, zelfs als de vreemdeling bidt, doe hem dan naar wat hij vraagt, opdat ook de volkeren zullen weten dat U de HERE God bent. En geen andere. Wat een machtig gebed. De knieën buigt hij neer om te bidden voor zijn volk. Hij vernedert zich voor de HERE om ver­zoening te doen over zijn volk. Hij smeekt om vergeving op bekering. Hij weet dat ze kunnen vallen. Maar Hij smeekt of de HERE wil horen naar het gebed op deze plaats als zij zich bekeren dat Hij hen dan in genade wil aanne­men en horen en een keer brengen in de situatie waarin ze zitten. Het kan zijn dat ze oorlog hebben, hongersnood, pest of ziekte of wat dan ook. En alles wat in een mensenhart aan ziekte kan huizen. Hij kent het hart. HERE God, ont­ferm U. Wat een genadig God.

1 Koningen 8:44-66

4 november [2]

8:44

Wanneer uw volk ten strijde trekt tegen zijn vijand langs de weg waarop Gij hen zendt, en zij bidden tot de HERE in de richting van de stad die Gij verkoren hebt, en van het huis dat ik voor uw naam gebouwd heb,

8:45

hoor dan in de hemel naar hun gebed en smeking, en verschaf hun recht.

8:46

Wanneer zij tegen u zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt – en Gij op hen toornig wordt en hen overlevert aan een vijand, zodat men hen als gevangenen wegvoert naar het land van de vijand, ver of nabij,

8:47

wanneer zij het dan ter harte nemen in het land waarheen zij weggevoerd zijn, zich bekeren, en tot U smeken in het land van wie hen weggevoerd hebben en zeggen: wij hebben gezondigd, ongerechtigheid bedreven en goddeloos gehandeld,

8:48

wanneer zij zich dan tot U bekeren met hun gehele hart en hun gehele ziel in het land hunner vijanden die hen weggevoerd hebben, en wanneer zij tot U bidden in de richting van het land dat Gij hun vaderen gegeven hebt, van de stad die Gij verkoren hebt, en van dit huis dat ik voor uw naam gebouwd heb –

8:49

hoor dan in de hemel, de vaste plaats uwer woning, naar hun gebed en smeking en verschaf hun recht.

8:52

Laten dan uw ogen geopend zijn voor de smeking van uw knecht en voor de smeking van uw volk Israël, en hoor naar hen, zo dikwijls zij tot U roepen,…

8:54

stond hij op van vóór het altaar des HEREN uit zijn knielende houding, waarbij zijn handen naar de hemel uitgebreid waren

8:55

en staande zegende hij de gehele gemeente van Israël met luider stem:

8:56

Geprezen zij de HERE, die zijn volk Israël rust gegeven heeft volgens alles wat Hij gesproken heeft; er is niet één woord onvervuld gebleven van al zijn goede woorden, die Hij door de dienst van zijn knecht Mozes gesproken heeft.

8:57

De HERE, onze God, zij met ons, zoals Hij met onze vaderen geweest is. Hij verlate en verwerpe ons niet,…

8:60

opdat alle volken der aarde mogen weten, dat de HERE God is en niemand meer,…

8:65

gedurende zeven dagen, en nog eens zeven dagen: veertien dagen.

8:66

Op de achtste dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden de koning, en gingen naar hun tenten, verheugd en welgemoed wegens al het goede dat de HERE aan zijn knecht David en aan het volk Israël gedaan had.

Ziet u koning Salomo voor het altaar geknield liggen, terwijl hij de handen opheft naar de hemel? Wat een onderworpen houding aan de HERE zijn God. De machtigste koning van de aarde met het mooiste paleis en de mooiste tempel ligt geknield voor het altaar van zijn God. Dat is de dienende houding die aangenomen wordt tegenover de almachtige God, die woont in de hemel. Waarvan wij niet begrijpen hoe machtig en hoog Hij is. De heiligheid is zo groot dat we voor Hem niet kunnen verschijnen. Zijn heerlijkheid vervulde de tempel. En dan wordt het je teveel. Daar staat de Bijbel vol van. Het is die God die bij de mensen wil wonen. Daar word je stil van. Dan ga je op je knie­en en dan wil je Hem alleen maar loven en danken en aanroepen. En om ont­ferming en genade smeken. Want we weten inderdaad, zoals Salomo zegt: er is geen mens die niet zondigt. We zijn allemaal afhankelijk van de lankmoe­digheid en goedertierenheid van God.

En daar moeten we ons dan ook op richten. We mogen en moeten zijn gebo­den en inzettingen houden. Want als we dat doen dan zal het ons goed gaan. Dan zal Hij ons zegenen. Dan zullen we innerlijke vrede en lankmoedigheid hebben. Dan zullen we de verkeerde paden niet willen gaan. Dat is toch heer­lijk. Dat willen we toch ook. Het is geweldig om te schuilen bij de almachtige God. Salomo legt het volk dan ook voor de HERE God neer. Het is een mach­tig gebed. Als het volk gezondigd heeft en de vijand komt en voert het weg. Wat een gedachte. Salomo houdt dat dus voor mogelijk. HERE God, als het volk smeekt tot U en het bekeert zich en het wil luisteren naar uw stem. O HERE God, hoor dan naar het gebed van uw volk en breng hen terug naar het land dat U verkoren heeft. Als zij bidden in de richting van het land, van de stad die Gij verkoren hebt en naar het huis dat ik voor U gebouwd heb. Hoor dan naar hun smeking. En geef barmhartig­heid bij hen die hen weggevoerd hebben en breng hen terug naar het land dat Gij voor hen verkoren hebt. Wat een gebed. Wat een smeking. O HERE, hoor naar het gebed van uw knecht.

En heel het volk ziet de koning dit gebed uit­spreken. Ze zijn onder de indruk. Hun koning die voor hen pleit. Hij is wel hun koning, maar hij dient het volk op de knieën. Hij is geen heerser, maar hij is dienaar. Dienaar voor het volk die pleit bij de allerhoogste God. Wat een beeld. Wat een voorbeeld. Hoe moeten wij onze knieën ook niet buigen voor de allerhoogste God. Hij wil ons zegenen. Hij wil ons redden. Dat weten we allemaal. Buig dan ook de knieën. Maak een recht spoor. Kijk of het werkt. Het is waar. Het is waar. God is rechtvaardig, barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. We ken­nen toch het karakter van God. Het komt allemaal van Hem. Hij ziet ons aan en wil ons zegenen. Wij maken er hele­maal niets van. Dat kan ook niet. Hij redt ons. Wat een genade. Wat een Al­macht. Wat zullen wij doen tegen zo’n machtige God. HERE hoor naar de smeking van uw knecht van dit volk. HERE, hoor. Wat een gebed. Je kunt er de rest van je leven wel mee vullen. Geweldig.

En dan offeren ze duizenden en duizenden offers. De tempel is te klein. Wat een vreugde. Ze vieren zeven dagen feest en dan nog eens zeven dagen. In heel het land is het feest. Wat een feest. Het volk is welgemoed. En daar gaat het om. Als we God zien en we volgen Hem, dan zijn we welgemoed. Dan gaan we met volle kracht vooruit. Dan nemen we initiatief. Dan trekken we voort in zijn kracht. Dan worden we moede noch mat. Dan ontvangen we nieuwe kracht, elke dag. Heerlijk is zijn naam. Glorie voor zijn naam. Prijs de HEER. Op de achtste dag gaat het volk naar huis al feestvierend van Hamath in het noorden tot aan de beek van Egypte.

Als ik dit stuk niet gelezen had, dan hadden we ook niet de vreugde ontdekt die er in dit stuk zit. Het is een vreugde en geen moeten om Gods woord te openen. Je wordt er blij van als je op elke bladzijde van de Bijbel de grootheid en de almacht en de liefde van God ontdekt. Hij wil ons voorgaan. Het kan niet stuk. Het is heerlijk om die weg ter gaan. Het Woord lezen en herlezen. Je wordt er steeds wijzer van. Want de vreze des HEREN is het begin van alle wijsheid. Hoe word je dus wijs, creatief, ondernemend? Heel eenvoudig, dan moet je je laten vullen met de wijsheid van God, Dat is geen dogma of vrome smoes, maar dat is de werkelijkheid van elke dag. Ontspan je dan in de HERE en Hij zal je loslaten. Het is onvoorstelbaar hoe je daar op kunt teren. Wat zitten we toch vaak te tobben in ons eigen denken en doen. Hoe kijken we vanuit ons zwak menselijk zijn toch aan tegen die almachtige God. Daar word je moe van, daar kun je niet tegenop, daar remmen we ons zelf mee af. In plaats van ons te laten vullen met de vrede en de liefde van Hem. Hij houdt het met ons vol. Niet wij met Hem. Daar komt niets van terecht. En Hij wil ons vullen. Hij doet het willen en het werken. Salomo zegt: Er is immers geen mens, die niet zondigt. Als we met opgeheven handen geknield Hem loven en prijzen en aanroepen, dan zal Hij horen. We gaan door met het volgende hoofdstuk. Ik kan er haast niet op wachten. Want Hij hoort en verhoort.

Het is een wonder van God. Het grootste wonder is dat mijn hart vol is van de grote almacht van God. Want wie ben ik dat ik door genade dit mag weten, dat ik gekocht en betaald ben door het bloed van de Here Jezus. Er is toch geen haar op mijn hoofd die maar durft te denken dat ik daar iets aan bijgedragen heb. HERE, bewaar mijn voet en hart en denken voor struikelen. U komt alle eer toe in hemel en op aarde. Glorie over Uw naam.

1 Koningen 9:1-28

5 november [2]

9:1

en alles wat Salomo begeerd had te maken,

9:2

verscheen de HERE ten tweeden male aan Salomo,…

9:3

Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord,… en mijn ogen en mijn hart zullen daar te allen tijde zijn.

9:5

dan zal Ik uw koningstroon over Israël voor altijd bevestigen,…

9:7

dan zal Ik Israël uitroeien van de bodem die Ik hun gegeven heb,…

9:8

Dit huis zal tot puinhopen worden;…

9:9

Dan zal men zeggen: omdat zij de HERE,… hebben verlaten,…

9:11

toen gaf koning Salomo aan Hiram twintig steden…

9:13

En men noemt ze het land Kabul tot op de huidige dag.

9:16

Farao de koning van Egypte, was opgetrokken, had Gezer ingenomen en met vuur verbrand… als bruidsschat schonk aan zijn dochter, de vrouw van Salomo.

9:21

die de Israëlieten niet met de ban hadden kunnen slaan, hen riep Salomo op om slaafse herendiensten te verrichten, tot op de huidige dag.

9:26

Ook rustte koning Salomo een vloot uit te Ezeon-Geber bij Eloth, aan de oever der Schelfzee, in het land Edom.

9:28

En zij kwamen naar Ofir en haalden van daar vierhonderd twintig talenten goud, die zij bij koning Salomo brachten.

Dan is alles klaar en dan verschijnt de HERE ten tweeden male aan Salomo. En dan zegt de HERE dat Hij de smeking van Salomo gehoord heeft. En dat, als hij de geboden en inzettingen van de HERE God volgt, zoals ook zijn vader David die gevolgd heeft, dat er dan nooit een zoon zal ontbreken op de troon. Dan zal God voor altijd bij de mensen willen wonen. Want het is de plaats die Hij zich tot woning heeft uitgekozen. Maar als hij zich van God afkeert, dan zal Hij Israël van zijn bodem wegjagen. Dan wordt Israël tot een spotrede. En dan zullen de mensen zeggen: waarom is hen dit overkomen? Wat hebben zij gedaan? Dan zullen ze zeggen: omdat zij de HERE hun God, die hen uit Egypte geleid heeft, hebben verlaten en zich aan andere goden hebben gehecht, daarom heeft de HERE dit onheil over hen gebracht.

Wat heeft Salomo veel gebouwd. Wat een werk. Over het huis des HEREN en zijn eigen huis heeft hij zeven en dertien jaar gebouwd, dat is twintig jaar. Stel je voor. Wat een tijd. Hij geeft Hiram die hem geholpen heeft twintig steden, maar Hiram is niet tevreden. De koning van Egypte neemt de Kanaänietische stad Gezer in om die aan zijn dochter, de vrouw van Salomo te geven. En al het Kanaänietische volk dat ze niet met de ban hadden kunnen slaan maakt Salomo tot slaven. Van Israël was niemand slaaf. Ze hadden alle volken die er woonden met de ban moeten slaan. Dat was de opdracht. Dat was dus niet gebeurd. Ze woonden nog midden tussen het volk. Ze worden nu wel tot slaven gemaakt, maar ze wonen nog steeds midden tussen het volk. Dat is heel belangrijk. Want als God iets opdraagt dan moet je het niet half doen, maar helemaal, anders krijg je er last mee. En zo is het ook gebeurd. De dochter van Salomo gaat inderdaad in Gezer wonen. Salomo versterkt ook de grenzen aan het zuiden. Hij brengt driemaal per jaar offers in de tempel.

Hij bouwt ook een vloot aan de Schelfzee. Uit Ofir wordt het goud gehaald: vierhonderd twintig talenten goud. Het was het welvarendste land van de wereld. Het was rijk. De hele wereld wist ervan. De God van Salomo had hem bovenmate gezegend. Wat een God die zijn onderdanen zo kan zegenen. Wat een verplichting ook. Voor niemand was het buiten twijfel dat het de God van Salomo was die zo zegende. En daarom eist ook de HERE zijn eer helemaal op. En daarom is de verhoring van het gebed van Salomo gebonden aan de absolute gehoorzaam­heid aan zijn inzettingen en geboden. Dat moet je niet half doen. Maar dat geldt voor honderd procent. En doe je het niet, dan zullen de volkeren rondom, zeggen: Kijk nu eens, dat komt omdat ze de geboden van hun God niet volgen en andere goden aanhangen.

En er is ook Gods belofte aan verbonden. Als ze God gehoorzamen, dan zal het niet ontbreken aan een zoon op de troon van zijn vader David. Ontbreekt er dus een zoon op de troon van zijn vader David dan is het volk dus in zonde. En dan moet het zich bekeren en dan moeten ze hun zonden belijden, dan kan God hen herstellen.

Want als mijn volk zich verootmoedigt, zich bekeert en zijn zonden belijdt, dan zal Ik horen en hun zonden vergeven en mijn land herstellen. Het is een duidelijke rechte lijn. Daar kun je zeker van zijn. Daarom onderwerpt u aan de HERE en Hij zal u verhogen en dan gaat de vijand op de vlucht. Dan zal zijn volk dat verstrooid is geworden weer terugkomen. Dan zal Hij horen en hoe het ook zit, Hij vol­voert zijn plan dwars door alle politieke en menselijke onmogelijkheden heen. Want we hebben te maken met een almachtig God. Glorie voor zijn naam. Laten we ons hart onderzoeken en aan Hem gehoor­zaam zijn, opdat Hij ons kan zegenen, want daar gaat zijn hart naar uit.

1 Koningen 10:1-29

6 november [2]

10:1

De koningin van Scheba vernam de roep omtrent Salomo in verband met de naam des HEREN. Toen kwam zij om hem door raadselen op de proef te stellen.

10:3

En Salomo loste al haar vraagstukken op;…

10:5

toen was zij buiten zichzelf.

10:7

waarlijk, de helft was mij niet aangezegd;…

10:9

Geprezen zij de HERE, uw God,… Omdat de HERE Israël voor altoos liefheeft, heeft Hij u tot koning aangesteld om recht en gerechtigheid te oefenen.

10:13

Koning Salomo gaf aan de koningin van Scheba al wat zij begeerde en vroeg,…

10:14

bedroeg zeshonderd zesenzestig talenten goud,…

10:18

Voorts maakte de koning een grote ivoren troon,…

10:19

en twee leeuwen stonden naast de leuningen;

10:20

en twaalf leeuwen stonden aan weerszijden op de zes treden; nooit was zoiets voor enig koninkrijk gemaakt.

10:21

Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud,… er was geen zilver bij; dat werd in de dagen van Salomo niet van waarde geacht.

10:24

De gehele aarde verlangde Salomo te zien om de wijsheid te horen, die God in zijn hart gelegd had.

10:26

Voorts bracht Salomo wagens en ruiters bijeen,…

10:27

En de koning maakte het zilver in Jeruzalem overvloedig als stenen,…

10:29

en een paard op honderd vijftig eenheden zilver;…

Ver weg uit Ethiopië kwam de koningin van Scheba. Ze had gehoord van Salomo, in verband met de naam des HEREN. Dat staat erbij. Ze was kenne­lijk benieuwd hoe het zal zijn met de God van Salomo. Want in het heiden­dom en de afgodendienst was het voor iedereen duidelijk dat al die wijsheid en rijkdom moest komen van de God van Salomo. Ze wilde daar wel eens meer van weten. En daar kwam ze met een zeer groot gevolg. Want zelf was ze ook schatrijk. Ze gaf heel veel geschenken. En ze probeert Salomo te testen op zijn wijsheid. Ze wil wel eens zien of ze hem op de proef kan stellen. En nadat ze van alles aan hem gevraagd heeft doorstaat Salomo de toets, want hij kan op al haar vragen zeer goede raad geven. Ze geeft het op en zegt dat inder­daad de God van Salomo, de God is, die hem deze troon gegeven heeft om recht en gerechtigheid uit te oefenen. Ze is er enorm van onder de indruk. Ze ziet hoe alles goed georganiseerd is en hoe alles goed loopt. Het is fantastisch. Het is om jaloers op te worden. Ze vertrekt weer naar haar land overladen met de geschenken die Salomo haar mee geeft. Ze hebben een goede band.

Het kan zo zijn dat zij ook in haar land de God van Salomo is gaan vereren. Want de Koptische kerk in Ethiopië is terug te herleiden op het bezoek van de ko­ningin van Scheba. En het verhaal van de kamerling uit Morenland, die Filip­pus op de weg naar Gaza ontmoette, is ook een signaal dat de relatie tus­sen Ethiopië en Jeruzalem daarop gebaseerd is.

Er komt zoveel goud en zoveel zilver binnen. Het is onvoorstelbaar. Het zilver is zo overvloedig dat er geen waarde meer aan gehecht wordt. Het is overvloe­dig als de stenen van Jeruza­lem. Hoe is het mogelijk. Een onvoorstelbare rijk­dom. Geen enkel land is zo rijk als van Salomo. En iedereen is ervan onder de indruk. Wat een God heeft Salomo. Iedereen wil het zien en komt op bezoek. Wat een getuigenis. Fantas­tisch. En wat een organisatie. Hij maakt alles heel goed. De schilden, de scha­len, alles van goud overtrokken. De ruitersteden, de wagens, enz enz. Hij liet ze met een grote vloot uit Tarsis komen en hij haalde het uit Ofir. Wat moet het een pracht en een praal geweest zijn. Ziet u de pauwen al op het plein voor het paleis. En de apen in de bomen. En dan de ivoren troon. Een grote troon met zes treden en twee leeuwen naast de troon en twaalf leeuwen, elk zes op de treden links en rechts. Zoiets was nog nooit vertoond in welk koninkrijk dan ook. God was goed voor Salomo. Geen ande­re stad was er mee te vergelij­ken. Wat een zegen.

Wat God belooft dat doet Hij ook. Zie het aan David. En God is niet veran­derd. Hij doet ook vandaag hetzelfde. Als we zijn geboden onderhouden en in zijn wegen wandelen dan zal Hij ons zegenen. Dat kan niet anders. Daar wor­den we blij en enthousiast van. Glorie voor zijn naam. Prijs de Heer.

1 Koningen 11:1-13

7 november [2]

11:1

Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief,…

11:2

behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten,… voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren, achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aan.

11:3

En hij heeft als vrouwen gehad zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen; en zijn vrouwen verleidden zijn hart.

11:4

Het geschiedde namelijk, toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden, zodat zijn hart de HERE, zijn God, niet volkomen was toegewijd, gelijk dat van zijn vader David.

11:5

Zo liep Salomo Astarte, de godin der Sidoniërs, achterna, en Milkom, de gruwel der Ammonieten,

11:6

en Salomo deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, en hij volgde de HERE niet ten volle, zoals zijn vader David.

11:7

Toentertijd bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, de gruwel van Moab, op de berg ten oosten van Jeruzalem, en voor Moloch, de gruwel der Ammonieten.

11:8

Hetzelfde deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die reukoffers en slachtoffers aan haar goden brachten.

11:9

Derhalve werd de HERE vertoornd op Salomo, omdat zijn hart zich afgewend had van de HERE, de God van Israël, die hem tweemaal verschenen was,

11:10

en die hem te dezer zake geboden had geen andere goden na te lopen; maar hij had niet in acht genomen wat de HERE geboden had.

11:11

Toen zeide de HERE tot Salomo: Omdat het zo met u gesteld is, dat gij mijn verbond en mijn inzettingen, die Ik u geboden had, niet in acht genomen hebt, zal Ik voorzeker het koninkrijk van u afscheuren en het uw knecht geven.

11:12

Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, ter wille van uw vader David; uit de hand van uw zoon zal Ik het afscheuren.

11:13

Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren, één stam zal Ik aan uw zoon geven ter wille van mijn knecht David en ter wille van Jeruzalem, dat Ik verkoren heb.

Salomo had vele vreemde vrouwen lief. Daar moet je dus nooit aan beginnen. Je moet een vrouw zoeken die de HERE liefheeft. Daar wordt ook zoveel mee gemarchandeerd vandaag de dag. De liefde gaat voor. En dan komt de liefde voor de HERE op de tweede plaats. Wat zijn daar niet een discussies over geweest. Ja, maar hij of zij is zo lief. Ik houd van hem of haar. En het komt wel goed. Ik geloof toch en ik laat mijn geloof niet vallen. Enzovoort enzo­voort. En wat een ellende is daar al niet uit voortgekomen. Het is heel belang­rijk dat je over de dingen die je gelooft en denkt, dat je daar eensgezind in bent. Dat bouwt een fundament en als er kinderen komen dan wordt dat vast geklonken. Daar moet je niet te simpel over denken. Ook niet als je jong bent. Het is het allerbelangrijkste in het leven. En als ouders moet je dat je kinderen heel goed inprenten. Daar moet je met ze over spreken als ze jong zijn.

We zien in het leven van Salomo wat voor consequenties het heeft om met vreem­de vrouwen om te gaan. En wat voor vreemde vrouwen. Behalve de dochter van de Farao waren het allemaal vrouwen van de volkeren waarvan de HERE gezegd had dat ze die volkeren voor hen uit moesten drijven als ze in het land kwamen. Dat hadden ze dus niet gedaan. En er woonden dus nog velen onder de Israëlieten die niet van het volk waren. Dat was dus ook onge­hoorzaam­heid. Want die volken zouden hen van God kunnen aftrekken. En zo is het ook gebeurd. Het is het land van God. En niet het land van die volken. En zo zien we dat Salomo zevenhonderd vorstinnen had en driehonderd bij­vrouwen! Dat is niet niks. Wat had dat nu voor zin. Hij lijkt wel een heidense koning die zijn macht en grootheid ook ten toon spreidde door de vele vrou­wen die hij had. Het was op zich al zondig om zoveel vrouwen te hebben en dan allemaal uit de heidenen. Hoeveel vrouwen had Salomo uit zijn eigen volk. Toch zeker geen honderd.

Nu was Salomo oud en zijn vrouwen voerden zijn hart mee. Ze vroegen hem om te mogen offeren aan hun eigen goden. Kennelijk had hij al die jaren geen kans gezien om hen van hun eigen afgoden af te halen. Hij had hen hun gang laten gaan, behalve dat ze aan hun goden offerden. Maar nu liet hij zich mee­voeren en gaf hen toestemming. En zo zien we dat Salomo de HERE niet ge­hoorzaam is geweest, zoals zijn vader David wel de geboden van God hield. En dan loopt Salomo Astarte achterna en Milkom, de afschuwe­lijke afgoden van de heidenvolken. Hij bouwde hoogten voor de gruwel van Moab op de berg ten Oosten van Jeruzalem Dat kan toch niet. Vreselijk. Hoe komt het in zijn gedachten op. En ook een hoogte voor de Moloch, de gruwel der Ammo­nieten. Zo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen. Vreselijk. De Moloch was de afgod waar de kinderen aan geofferd werden. Ze werden in de brandende armen van de afgod gegooid waar ze gillend van de pijn stierven. Hoe meer gegil hoe beter. Het ging om de goden gunstig te stemmen, om vrede en wel­vaart te hebben. Hoe halen ze het in hun hoofd. Wat een vrese­lijke afgod. Dat past toch helemaal niet bij de Here God. Dat kan toch nooit goed zijn. Hoe is het mogelijk dat Salomo zo ver heeft kunnen komen. Het is verschrikkelijk. De HERE werd vertoornd op Salomo. De HERE was hem tweemaal versche­nen. Salomo was een bevoorrecht man. Hij wist het allemaal heel goed. En hij had het ook heel goed gedaan.

Wat is het toch belangrijk om dicht bij het woord van God te blijven. Je moet het steeds weer opnieuw lezen en herlezen. Je moet het indrinken. Je moet het je eigen maken. Je moet niet links en je moet niet rechts gaan. Het is de HERE een gruwel als je van Hem afwijkt. En dan komt de hele eenvoudige maar har­de conclusie: Salomo, om­dat je niet in acht genomen hebt de geboden, die ik je vader David geboden had en die jij ook hebt gehoord, omdat je ongehoor­zaam bent geweest, zal ik je de zegen afnemen. Ik zal het koninkrijk van je af­scheuren. Ik zal het ter wille van uw vader David niet tijdens uw leven doen maar tijdens het leven van uw zoon. Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren: twee stam­men zal Ik aan uw zoon geven, ter wille van mijn knecht David en ter wille van Jeruzalem dat Ik verkoren heb. Vreselijk. Nog maar net op pad en nu dit vreselijke oordeel. Kun je het je voorstellen.

We hebben te maken met een heilig God. En wat doet zijn volk. Ze vallen keer op keer van Hem af. Wat is de tegenstander van God toch machtig. Steeds op­nieuw is de tegenstander van God bezig om ons van Hem af te trekken. En dat kan heel ver gaan. Dat zien we hier. Vreselijk. Kinderen offeren aan de Mo­loch. Dat is het ergste wat je je kunt bedenken. Daar is niets meer tegen te doen. Dan komt het oordeel. Dan is het oordeel er al. En dan wordt zelfs het rijk gescheurd. Ze hebben alles moe­ten doen om het land te veroveren. En al met de tweede koning wordt het rijk gesplitst. En er blijft maar een stam over voor de erfopvolging, ter wille van zijn knecht David. En dat omdat God aan Abraham heeft beloofd dat de Mes­sias zou komen en op de troon zou zitten. Dat blijft onwankelbaar staan. Het is waar. Het is een eeuwigdurende belofte. Dat zien we keer op keer. Daar moe­ten we niet aan tornen.

Hoe wordt daar niet aan getornd, want de beloften voor Israël zouden overge­gaan zijn op de kerk. Voor Israël zouden geen belof­ten meer zijn. Maar dat slaat nergens op. Lees het zelf maar na. We moeten dicht bij de verordeningen en de inzettingen van God blijven. Wat een tragiek. Wat een ellende. Wat een zegen om te blijven bij het woord van God.

We moeten niet denken dat we de dans ontspringen als we God krenken en aan de kinderen komen, die Hij geschapen heeft. Vandaag zijn het de ongebo­ren kinderen die in de moederschoot gedood worden. Dat kan niet. Dat is vre­se­lijk. Dat is gruwelijk. Daar moeten we niet aan toe geven. En dat is het oordeel dat vandaag over ons land en over ons volk gaat. We vermoorden de kinderen en ruimen de zwakkeren op. Dat neemt God niet. Het zijn de kernge­boden uit de tien geboden. Daar komt het oordeel op. Vast en zeker. Daar kun je zeker van zijn. Daarom heeft het oordeel dat nu over ons land gaat, ook alles te maken met de moord op de kinderen. En de wereldwijde dramatische ontwikkelingen hebben ook alles te maken met het feit dat er wereldwijd 50 miljoen kinderen per jaar door abortus worden gedood. En wat te doen met alle kinderen die gemarteld en misbruikt worden. Het is toch vreselijk. Daar­om kan niet anders dan het oordeel over komen. Daar moeten we in het licht van het oordeel over de daad van Salomo niet te licht over denken. Dat is vast en zeker. Dat gaat gebeuren We zien het gebeuren.

Bekeert u tot de Here God, dan zal er verademing en verandering kunnen optreden. Zo niet, dan komt het oordeel.

1 Koningen 11:14-43

8 november [2]

11:17

toen vluchtte Hadad, en met hem enige Edomitische mannen,…

11:19

En Hadad won zozeer de genegenheid van Farao,…

11:21

Sta mij toe, dat ik naar mijn land ga.

11:23

God deed nog een tegenstander tegen hem opstaan,…

11:24

en maakten hem koning in Damaskus

11:26

Ook Jerobeam, de zoon van Nebat,… hief de hand tegen de koning op.

11:27

maakte de scheur in de muur van de stad van zijn vader David dicht.

11:28

stelde hij hem aan over de gehele lichting van het huis Jozef.

11:30

Toen greep Ahia de nieuwe mantel die hij droeg, en scheurde die in twaalf stukken,…

11:31

en Ik geef u tien stammen –…

11:33

en zich heeft neergebogen voor Astarte,… en voor Milkom, de god der Ammonieten,…

11:35

Maar Ik zal het koninkrijk uit de hand van zijn zoon nemen, en u de tien stammen geven.

11:36

Aan zijn zoon zal Ik echter één stam geven, opdat mijn knecht David altijd een lamp voor mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad die Ik Mij verkoren heb om mijn naam daar te vestigen.

11:38

dat Ik met u zal zijn,…

11:39

Ik zal daartoe het nageslacht van David vernederen, echter niet voor altoos.

11:40

en hij bleef in Egypte tot de dood van Salomo.

11:42

De tijd nu, die Salomo te Jeruzalem over geheel Israël geregeerd heeft, was veertig jaar.

11:43

zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.

Daar begon het. De HERE deed vijanden opstaan tegen Salomo. Eerst een overblijvende uit de stad Edom. Die was gevlucht naar Egypte en hoog opge­klommen en met een dochter van Farao getrouwd. Net als Salomo. En toen hij macht had gekregen wilde hij terugkeren naar zijn land. En dan had je Rezon die wilde ook opstaan tegen Salomo. Hij was gevlucht naar Damascus. En daar had hij het tot koning geschopt. En dan had je Jerobeam. Zijn vader was dienaar van Salomo geweest. Hij hief de hand op tegen Salomo. En dan komt de profeet Ahia. Die scheurt zijn mantel in twaalf stukken en zegt dat Jero­beam tien stukken krijgt. Eén stam zal voor David blijven. Omdat hij gebleven is in de geboden van God. Maar Salomo heeft gezondigd. Hij heeft geofferd aan de afgoden. Hoe heeft hij het in zijn hoofd gehaald. Daar komt het oordeel van. Dat kan niet anders. God straft en dat komt hen duur te staan. Hij doet het niet ten tijde van de regering van Salomo. Niet om Salomo, maar om zijn vader David. David is de man naar Gods hart. God heeft hem lief. Wat erg om dan te zien dat Salomo die toch zo gezegend was, nu afvalt aan het einde van zijn leven.

Wat is het toch belangrijk dat we dicht bij het woord van God blijven. O HERE God, help ons toch dicht bij U te blijven. Ook als we ouder worden en denken dat we het wel weten. Juist op het moment dat we denken dat we het wel weten, dan zijn we dicht bij de afval. HERE help ons toch. HERE ver­laat ons niet. We zien het hier. Het is zo maar gebeurd. Je geeft toe en daar ga je. Je bent moe van al dat gezeur. En daar ga je. God heeft het wel gezegd, maar ach wat maakt het uit. En daar ga je. En als je eenmaal afvalt, dan is het ont­zettend moeilijk om weer in het gareel te komen. Dan moet je jezelf laten ken­nen en dat doet een mens niet graag.

Eén stam blijft voor David, opdat hij altijd een licht zal hebben in de stad die God verkoren heeft. De stad Jeruza­lem is niet zomaar een stad. Het is de stad van God. Daar kunnen de machten wel om woeden, maar het blijft de stad van God. Het kan dan wel zo zijn dat het leek alsof er eeuwen lang geen stad van God meer was, maar God blijft bij zijn woord. Jeruzalem is Jeruzalem en Jeru­zalem is altijd de stad van God. Daar zal God gaan wonen. Vandaar zal de wet uitgaan. Daar zal het gebeuren. Dat zien we voor onze ogen. Daar is de Bijbel vol van en daar is de wereldge­schiedenis vol van. Wat een God. Daar hoeven we niet aan te twijfelen.

En de belofte voor Jerobeam is dat als hij blijft in de geboden van de HERE God, dan zal God ook voor hem een duurzaam huis bouwen. De belofte geldt voor heel Israël. God blijft bij zijn woord. Een belofte is een belofte. Er is veel ge­beurd en dat alles is beschreven in het boek van de wijsheid van Salomo. En Salomo stierf. Veertig jaar had hij geregeerd. Hij was een groot koning. De gehele toenmaals bekende wereld sprak er over. Wat een koning. En wat een tragiek aan het einde van zijn leven.

HERE God help ons om in Uw voetspoor te wandelen. Help ons uw woord te lezen en te herlezen. HERE, help ons. HERE, ontferm u over ons.

1 Koningen 12:1-32

9 november [2]

12:1

was geheel Israël gekomen om hem koning te maken.

12:2

keerde hij uit Egypte terug.

12:4

Uw vader heeft ons juk hard gemaakt;…

12:6

Wat raadt gij dit volk te antwoorden?

12:8

Maar hij verwierp de raad die de ouden hem gegeven hadden, en hij raadpleegde de jonge mannen…

12:10

mijn pink is dikker dan mijns vaders lendenen.

12:11

mijn vader heeft u met zwepen getuchtigd, maar ik zal u tuchtigen met gesels.

12:15

want het was een beschikking van ’s HEREN wege,…

12:16

Wij hebben geen deel aan David, en geen erfbezit met de zoon van Isaï!

12:18

doch geheel Israël stenigde hem,…

12:19

Aldus werden de Israëlieten van Davids huis afvallig tot op de huidige dag.

12:20

en hem koning gemaakt over geheel Israël. Niemand volgde het huis van David dan de stam Juda alleen.

12:24

gij zult niet optrekken en niet strijden tegen uw broeders, de Israëlieten. …want door Mij is deze zaak geschied.

12:27

zal het hart van dit volk terugkeren tot hun heer,…

12:28

maakte twee gouden kalveren,… Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid.

12:29

Hij stelde het ene op te Bethel en het andere plaatste hij te Dan.

12:30

En dit werd een oorzaak tot zonde.

12:31

Verder maakte hij tempels op de hoogten, en stelde priesters aan uit alle kringen van het volk, die niet tot de Levieten behoorden.

12:32

Zo deed hij in Bethel en offerde aan de kalveren…

De HERE had het zo beschikt en zo is het uitgekomen. Rehabeam is koning in de plaats van Salomo. Het volk smeekt om vermindering van de zware druk van zijn vader. De ouderen zijn het daar mee eens, maar de jongere raadgevers zeggen dat hij het juk nog zwaarder moet maken. En dat neemt het volk niet. En ze gaan weg naar hun tenten. Rehabeam denkt dat hij ze nog wel in het gareel kan houden, maar dat is niet het geval. Ze horen dat Jerobeam uit Egyp­te is teruggekeerd en ze maken hem tot koning. En zo is het rijk gesplitst over­eenkomstig wat God gezegd heeft. En zo zien we de gevolgen van de zonde zich manifesteren in heel een volk. Vreselijk als je er over nadenkt. Het meest vreselijk gezien vanuit God. God kiest zich een volk om zijn beloften te ver­vullen en het herstel aller dingen aan te kondigen en nog maar zo kort op weg vervalt het volk in zonde. Offeren kinderen aan de Moloch. Dat is verschrik­kelijk. Dat neemt God niet. God schept het leven en wij roven het weg. Daar gaat het oordeel over heen. Dat is niet een oordeel dat in de toekomst ligt. Neen, dat is het oordeel dat over het volk gaat. We zien het hier. Als ze de kinderen aanraken dan komt het oordeel.

Hoe erg is het vandaag dat we de kinderen roven uit de moederschoot. Dat kan toch helemaal niet. Daar halen we toch Gods oordeel mee over de wereld. Wie heeft ooit bedacht om kinde­ren te roven uit de moederschoot. Dat is je toch niet voor te stellen. Dat kan toch helemaal niet. Daar kan nooit zegen op rus­ten. Het is vreselijk. We besef­fen nog niet half hoe erg het is. We zien hier een rijk, en nog wel het rijk van God, in tweeën scheuren. En elke keer als de kin­deren aan de Moloch geofferd worden, komt het oordeel van God. We zien het bij de profeet Jeremia, als het volk weer de kinderen in het dal Ben-Hinnom, net buiten de poort van Jeruza­lem, niet zo ver van de tempel, offert aan de Moloch door ze in de brandende armen van het beeld te gooien, waar ze schreeuwend van de pijn verbranden. Hoe meer bloed en schreeuwen hoe meer welvaart voor de offeraars, God neemt het niet en het volk in zijn geheel gaat in ballingschap. Slechts een zeer klein gedeelte komt terug, omdat God door Abraham de Messias, de Verlosser heeft beloofd, die de wereld terug zal brengen tot recht en gerechtigheid door zelf zijn leven te geven voor de zon­den van deze wereld.

Abortus is vandaag de moderne Moloch. Wij offeren de kinderen op ten be­hoeve van onze welvaart. Het komt niet uit. Het is te vroeg. Mijn baan staat op het spel. Ik ben te jong enz enz. En terwijl we nog nooit zoveel welvaart en voorzieningen hebben gehad, denken we ons het recht te kunnen permitteren om de kinderen onder het hart van de moeder weg te roven. Dat slaat toch helemaal nergens op. Daar gaat de wereld aan stuk. God ziet het en Hij neemt het niet. Abortus is dan ook de definitieve afrekening met de mensheid door het oordeel van God. De apocalyptische gebeurtenissen van vandaag moeten we dan ook zien in het licht van de moord op onze eigen kinderen in de moe­derschoot. En niet alleen dat, maar ook de vreselijke toestand waarin we de kinderen van de wereld laten lijden. Dit moet ons tot bezinning brengen, maar het lijkt net als in de dagen van Israël, dat het ons niet deert. We gaan rustig door met de zonden van de dag. We geven in de kerk hoogstens een kleine gift omdat we er ook “tegen” zijn. Maar we denken er niet aan om ons radicaal te verzetten tegen deze gruwelijke zonde. Hoe is het mogelijk dat we zelfs nog een nacht kunnen slapen als we weten, dat er dagelijks in ons land honderd kinderen wreed, met tangen in de moederschoot worden vermoord. Het oor­deel begint bij het huis Gods. Als wij zwijgen dan staan wij schuldig. Het is nu de tijd om op te staan. Anders zijn we schuldig voor de dood van al deze kinderen en heel ons land. Want hoe zouden de mensen het weten als wij zwij­gen. Het is verschrikkelijk.

1 Koningen 12:33-13:34

10 november [2]

13:1

zie, daar kwam een man Gods door het woord des HEREN uit Juda te Bethel,…

13:2

Altaar, altaar, zo zegt de HERE: zie, een zoon zal aan Davids huis geboren worden met name Josia; en hij zal op u de priesters der hoogten slachten,…

13:3

zie, het altaar zal scheuren, zodat de as die er op ligt, uitgestort wordt.

13:4

strekte Jerobeam van het altaar af zijn hand uit en zeide: Grijpt hem. Maar de hand die hij tegen hem uitgestrekt had, verstijfde,…

13:6

Zoek toch de gunst van de HERE, uw God,…

13:9

Eet er geen brood, en drink er geen water,…

13:15

Ga met mij naar huis en eet brood.

13:18

Ook ik ben een profeet evenals gij, en een engel heeft tot mij gesproken…

13:19

Hij loog hem dat voor.

13:22

daarom zal uw lijk niet komen in het graf uwer vaderen.

13:24

trof hem een leeuw aan op de weg en doodde hem. En zijn lijk lag neergeworpen op de weg, terwijl de ezel ernaast stond, en de leeuw ook naast het lijk stond.

13:30

En hij legde het lijk in zijn graf en men rouwklaagde over hem: Ach, mijn broeder!

13:34

En het volharden hierin werd tot zonde voor het huis van Jerobeam, tot zijn vernietiging en tot zijn verdelging van de aardbodem.

Wat een verhaal. Er kwam een profeet uit Juda naar Bethel. Daar moet je ook wel durf voor hebben. En hij begon te profeteren tegen het altaar in Bethel. Altaar, altaar. Het altaar zal scheuren en Josia zal uit het huis van David gebo­ren worden en de priesters wegvagen en doden en hun lijken verbranden. Nou nou, dat is barbaarse taal. Hoe durf je. We hebben de altaren geregeld. Het gouden kalf staat te blinken in de zon. Jerobeam de koning is gereed om te offeren en nu deze taal. Grijp die profeet, roept Jerobeam uit, terwijl hij zijn hand strekt. Maar die verstijft en hij krijgt hem niet meer naar beneden. Wat krijgen we nu. Dat is niet de bedoeling. Maar hoe hij ook probeert er is geen beweging in zijn arm te krijgen. En daar staat hij met zijn uitgestrekte arm. Jerobeam begrijpt waar deze kracht vandaan komt. En hij smeekt om de gunst van de HERE. En de profeet bidt en de arm wordt weer gewoon. Iedereen blij. Maar de profeet mag niet ingaan op de uitnodiging van de koning om te eten. Dat had God hem ten strengste verboden. En dat is nog al wat om niet in te gaan op de uitnodiging van de koning. Dat is eigenlijk majesteit schennis. Wij zouden het toch niet in ons hoofd halen als de koningin ons zou uitnodigen om daar niet op in te gaan. Dat is toch een grote eer. Je zou er alles voor afzeggen. Maar niet deze profeet. Hij wil God meer gehoorzaam zijn dan de koning. En hij gaat op weg.

En dan krijgen we het verhaal van de oude profeet. Daar kunnen we ontzet­tend veel lessen uit halen. De oude profeet is onder de indruk van de verhalen. Hij stuurt zijn zonen om hem te halen. Hij zegt: kom bij mij eten. De profeet zegt “neen”, want God heeft gezegd, dat ik dat niet mag doen. Maar dan liegt hij hem voor dat hij ook een profeet is en dat God gezegd heeft dat hij hem uit moet nodigen in zijn huis. En dat gelooft de profeet en hij gaat mee. En dan komt het woord des HEREN. Zijn lijk zal niet in zijn eigen graf neerdalen. Hij zal sterven. En dan wordt hij aangevallen door de leeuw en gedood. En dan staat daar de leeuw, de ezel en ligt daar het lijk. Wat een tafereel. De mannen zien het. Dit moet wel een heel bijzondere zaak zijn. God is aan het woord. Het staat opgeschreven ons ten voorbeeld. Als God ons op de weg plaatst dan moeten we op die weg blijven. En niet naar andere stemmen luisteren. Nooit en nergens. De man wordt meegenomen en hij wordt begraven in het graf van de profeet die hem voorgelogen heeft. De boze profeet zegt dat hij begraven wil worden in hetzelfde graf als de profeet. En ze rouwklagen over hem en roepen: ach, mijn broeder. Ongetwijfeld zal het woord tegen Jerobeam gespro­ken, waarheid worden. En Jerobeam gaat door met zondigen in Bethel. Hij bekeert zich niet. En het wordt hem tot vernietiging en verdelging voor heel zijn huis. God neemt de ongehoorzaamheid en de zonde niet. Het komt heel nauw. En dat is niet moeilijk.

We moeten heel simpel gehoorzaam zijn aan het woord van God. Dat is de weg die we moeten gaan. En hoe vinden we die weg. Heel simpel in het woord van God. Lezen en herlezen. Lezen en leven. En je zult het ontdekken. Dit ver­haal is weer zo’n direct en openbarend ant­woord van God voor al die twijfe­laars, die steeds maar weer vragen wat ze moeten doen. Ga op weg, blijf dicht bij God en Hij zal je paden recht maken. Het werkt. Vast en zeker.

1 Koningen 14:1-31

11 november [2]

14:2

verkleed u… Hij heeft mij voorzegd, dat ik koning over dit volk zou worden.

14:3

wat er met de jongen gebeuren zal.

14:5

Zie, daar komt Jerobeams vrouw…

14:6

Ik ben belast met een harde boodschap voor u.

14:9

maar gij bozer gehandeld hebt dan allen die vóór u geweest zijn,…

14:10

Ik zal het huis van Jerobeam wegvegen, zoals men drek wegveegt,…

14:15

zodat het wiegelt als riet in het water en Hij zal Israël wegrukken van deze goede grond die Hij hun vaderen gegeven heeft, en Hij zal hen aan de overzijde van de Rivier verstrooien,…

14:22

En Juda deed wat kwaad is in de ogen des HEREN,…

14:24

Zelfs waren er aan ontucht gewijden in het land.

14:26

ja alles nam hij. Ook nam hij al de gouden schilden die Salomo gemaakt had.

14:27

Toen maakte koning Rehabeam in plaats daarvan koperen schilden,…

14:31

Zijn moeder heette Naäma, zij was een Ammonietische.

Waarom liet Jerobeam zijn vrouw verkleden om bij de blinde priester te vra­gen wat er met zijn zieke zoon moest gebeuren. Hij wilde het niet weten. Hij had wat te verbergen. Hij wist heel goed dat zijn zondige wandel niet paste bij de manier waarop hij de Here God beledigde door de afgoden te volgen. Maar je weet maar nooit. Je zoon is doodziek en je wilt je dan wel in allerlei boch­ten wringen om toch maar een vleugje hoop te hebben op genezing. Maar de HERE zegt het de blinde profeet. En meteen komt de boodschap eruit. Een harde boodschap. Het hele huis van Jerobeam zal worden weggeveegd, zoals men drek wegveegt. Niemand zal overblijven. Dat gaat gebeuren. En als je terug bent in de stad, dan zal je zoon sterven. En zo is het gebeurd.

Vreselijk om te vallen in de handen van de Almachtige. Als je denkt dat je on­gestraft hem kunt tarten, dan kom je bedrogen uit. Het is belangrijk om je te bekeren. Het is nu de tijd om je leven te veranderen. Je kunt wel denken, het zal zo’n vaart niet lopen, maar je speelt met je leven. Je ziet het hier. God werd verla­ten. Het zal wel zo’n vaart niet lopen. Maar nu wordt je zoon ziek en zie je wat er gebeurt. Je kunt God niet voor de gek houden. Je wordt weg­geveegd als drek. Wreed, roepen we dan. Maar je hebt het toch zelf gedaan. God komt elke keer met zijn genade en barmhartigheid op je af. Hij roept en Hij houdt je het leven voor, maar je kiest voor de dood. Dan moet je ook niet opkijken of boos zijn dat de dood komt. En weg is het huis van Jerobeam. Weggevoerd later naar de overzijde van de rivier. Om de zonden van Jero­beam. En waar zijn ze heen gegaan. Ze zijn er niet meer. Verstrooid onder de volkeren. Tot op van­daag. Tot in het verre China toe. Wat een wereld. Wat een God. Hij neemt het niet. Hij kiest zich een volk en meteen gaat het mis. Maar Hij is barmhartig en rechtvaardig. Hij volvoert zijn plan. Hij brengt alles weer, zoals het in den beginne was. Hij laat zijn plan niet varen. Het is gewel­dig om te leven uit de belofte, maar het komt er wel op aan. We hebben zijn woord en we zullen het moeten gehoorzamen. Niet, omdat het een moeten is, maar een mogen. Want alles wat God gebiedt is goed. Daar kun je bij leven. Dat is geen last maar een lust. Probeer het maar. Het werkt. Prijs de Heer.

En wat zien we bij Juda. Dat was toch het gedeelte dat bleef bij het huis van David, omdat David de man naar Gods hart was. Dat was toch het deel dat Salomo mocht houden. Salomo zondigde toen hij zijn vrouwen aan de afgoden liet offeren. God nam het niet. Hij offerde de kinderen aan de Moloch. Hij zondigde zoals de volkeren rondom hem zondigden. Het was verschrikkelijk. En wat doet zijn zoon Rehabeam? Hij doet wat kwaad was in de ogen des Heren. Vreselijk. Wat een toestand. Wat moet God verbolgen zijn. Dan komt ook de koning van Egypte. En we weten dat het goud blonk op alle hoeken van de straten van Jeruzalem. En dan steelt hij al het goud uit de tempelen en uit het huis van de koning. Dat moet een buit geweest zijn. Wat een verar­ming. Het begon goed. Maar het werd verschrikkelijk. De armoede slaat al weer toe. Rehabeam kan niet anders dan de schilden van koper maken. Want hij heeft niet het geld en de macht om het opnieuw in goud te laten vervaar­digen. Stel je eens voor wat dat betekent. Dat betekent een verarming van het rijk in één generatie. Nu kunnen we zien hoe belangrijk het is om in de wegen des HEREN te blijven wandelen. God laat niet met zich spotten. Daar moeten we niet te simpel over denken. Zijn moeder was een Ammonitische staat er dan. En dat was het volk dat zijn kinderen aan de Moloch offerde. Geen won­der dat het oordeel komt.

1 Koningen 15:1-24

12 november [2]

15:3

Hij wandelde in al de zonden die zijn vader vóór hem bedreven had;…

15:4

Doch ter wille van David gaf de HERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem door zijn zoon na hem te doen optreden, en door Jeruzalem staande te houden,

15:5

omdat David gedaan had wat recht is in de ogen des HEREN, en zolang hij leefde niet was afgeweken van iets, dat Hij hem geboden had, behalve in de zaak van de Hethiet Uria.

15:10

Eenenveertig jaar regeerde hij te Jeruzalem.

15:11

Asa deed wat recht is in de ogen des HEREN, evenals zijn vader David.

15:13

Asa hieuw haar gruwelijk beeld stuk…

15:14

De offerhoogten verdwenen echter niet, toch was het hart van Asa, zolang hij leefde, de HERE volkomen toegewijd.

15:17

Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda…

15:18

en koning Asa zond hen tot Benhadad,… de koning van Aram, te Damaskus,…

15:19

Welnu, verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, opdat hij van mij wegtrekt.

15:21

Zodra Baësa dit hoorde, staakte hij de versterking van Rama en keerde terug naar Tirza.

Het wordt er niet beter op met de volgende koning van Juda, Abiam. Hij wan­delde in al de zonden van zijn vader Rehabeam. Het gaat maar door. Maar God geeft hem toch een lamp in Jeruzalem. En dat terwille van David. David is de ijksteen. David is de man die God lief had. Daarom mag het geslacht van David doorgaan. Hij was niet afgeweken van wat de HERE God hem gezegd had, behalve de zaak van de Hethiet Uria. Maar dat was hem ook duur komen te staan. Het verhaal van Bathséba, die Salomo baarde, heeft hem zijn eerste zoon gekost. Die stierf. En David beleed zijn zonden en heeft er veel verdriet van gehad. Dat is een zaak die God niet onder het vloerkleed stopt als niet belangrijk. Hij mocht daarom ook de tempel niet bouwen. En hoe graag had hij dat niet gedaan. Neen, David jij bouwt de tempel niet, want er kleeft bloed aan je handen. En hij had daarin te berusten. Je moet wel weten wat je doet, want God ziet het allemaal. Je moet en mag rein en heilig leven. Want God laat niet met zich spotten. Het is belangrijk om het steeds weer te ijken aan het woord van God. En dan komt koning Asa in zijn plaats. En koning Asa had het hart op de goede plaats. Net als zijn vader David. En hij doet wat recht is in de ogen des HEREN. En hij doet de afgodsbeelden weg. Zelfs het afschu­welijke beeld van zijn moeder Maächa. Zij had een afschuwelijk beeld ge­maakt van Asjéra. Hij zet haar ook af als gebiedster. Zij had kennelijk grote invloed om het occulte leven te handhaven. Maar Asa schroomt niet zelfs met kracht tegen zijn moeder in te gaan. Dat zal me een tumult gegeven hebben, want de afgodendienst was sterk verankerd in het koningshuis, de tempel­dienst en het volk. Maar koning Asa heeft moed en hij doet het in de kracht des HEREN.

En als de koning van Israël, Baësa in het voetspoor van zijn vader oorlog wil met Juda en in het noorden zijn gebied vergroot en verster­kingen opbouwt, dan maakt hij een verbond met Benhadad, de koning van Aram om hem weg te jagen. En zo gebeurt het. Met het laatste goud en zilver uit de tempel en het huis van de koning wordt Benhadad omgekocht om de vijand van Asa weg te jagen en zo gebeurt het. En Asa neemt het gebied in bezit. Wat een verhaal.

Er staat nog meer in het boek der Kronieken, want ook daar worden de ge­schiedenissen van de koningen verhaald. Soms wat uitge­breider soms wat korter. Over koning Asa staat daar ook het verhaal van de grote legers die tegenover hem stonden en toen hij de HERE aanriep om een wonder, de HERE dat wonder gaf door verwarring te geven in het leger en het leger op de vlucht ging. Maar later vertrouwt hij op zichzelf en dan komt de profeet en zegt: Gods ogen doorlopen de ganse aarde om krachtig bij te staan, hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. Waarom vertrouwde je nu niet op Mij Asa, net als de vorige keer. En dan wordt Asa boos en dat loopt dan ook niet goed met hem af. Wat een opdracht.

We mogen en moeten op Hem ver­trouwen in wat voor situatie we ook zitten. Dan kunnen we het volhouden. Glorie voor zijn Naam. Dank U Heer.

1 Koningen 15:25-16:14

13 november [2]

15:26

En hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN.

15:28

Baësa heeft hem gedood… en werd koning in zijn plaats.

15:29

Zodra hij koning geworden was, sloeg hij het gehele huis van Jerobeam dood;…

15:30

om de krenking die hij de HERE, de God van Israël, had aangedaan.

15:34

En hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN.

16:3

daarom ga Ik Baësa en zijn huis wegvegen…

16:10

kwam Zimri en sloeg hem dood,…

16:11

sloeg hij,… het gehele huis van Baësa dood…

16:13

wegens al de zonden die Baësa en zijn zoon Ela bedreven hadden,…

Wat een intriges. Baësa, de zoon van Ahia pleegt een samenzwering en ver­moordt zijn koning. Hij wordt dan koning en hij moordt het huis van Jerobeam uit, zoals de profeet ook voorspeld had. En er was oorlog tussen Baësa en Asa, de broedervolken. Wat is er toch geworden van het plan van God om via zijn uitverkoren volk de Messias geboren te laten worden. Wat een verdriet. Wat een krenking doen ze de HERE God aan. Wat een macht van de tegenstander van God, die almaar verdriet, dood, ellende en oorlog probeert te brengen tus­sen de mensen en zeker tussen hen die van het volk zijn dat Hij uitverkoren had. Maar ook Baesa wandelt niet in de weg des HEREN en dan komt de pro­feet Jehu en hij kondigt ook de uitroeiing van het huis van Baësa aan. Ela wordt dan koning in zijn plaats, maar die wordt vermoord door zijn bevelheb­ber Zimri, toen hij een roes lag uit te slapen. Die wordt dan koning en hij roeit het huis van Baësa uit zoals de profeet Jehu had geprofeteerd omdat hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN.

Wie het zwaard opheft zal door het zwaard vallen. Dat zien we hier. Het is een opeenvolging van moord en doodslag. Daar waar de duivel heerst daar is het ook moord en doodslag. Daar gaat het verkeerd. Oorlog tussen broedervolken. Vreselijk toch. Wat moet de HERE God hierdoor gekrenkt zijn. Een les voor ons. We moeten gehoorzaam op de wegen des HEREN blijven. Niet links en niet rechts afwijken, want de vijand ligt op de loer. We zitten zo maar ver­keerd. Daarom is het fantastisch om te zien hoe God ons wil beschermen door zijn woord en Geest. We hebben zijn Woord. En daar moeten we bij blijven. Dan gaat het goed. Gewoon doen.

1 Koningen 16:15-34

14 november [2]

16:15

werd Zimri koning te Tirza, zeven dagen,…

16:16

maakte geheel Israël Omri, de legeroverste van Israël, te dien dage in legerplaats koning.

16:18

en verbrandde het koninklijk paleis boven zich met vuur, en stierf aldus…

16:24

Toen kocht hij van Semer de berg Samaria voor twee talenten zilver, bebouwde de berg en noemde de stad die hij bouwde, Samaria,…

16:25

En Omri deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, ja hij maakte het erger dan allen die vóór hem geweest waren.

16:29

Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël…

16:30

Achab de zoon van Omri, deed wat kwaad is in de ogen des HEREN,…

16:31

hij nam tot vrouw Izebel,… en ging de Baäl dienen en zich voor hem neerbuigen.

16:33

dat hij de HERE, de God van Israël, meer krenkte dan alle koningen van Israël die vóór hem geweest waren.

16:34

In zijn dagen herbouwde de Bethlehemiet Hiël Jericho. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene, grondvestte hij het; en ten koste van Segub, zijn jongste, plaatste hij haar poortdeuren – naar het woord des HEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.

Het ziet er allemaal goddeloos uit. Het is de ene koning na de andere die niet wandelt in de wegen van de HERE. Ze deden wat kwaad is in de ogen des HEREN. En daar kan alleen maar het oordeel op volgen. Zimri vermoordt zijn koning en hij is maar zeven dagen koning, want als het volk het hoort dan gaan ze tegen Zimri tekeer. Die vlucht in het paleis, steekt het in brand en sterft aldaar. Dan is de legeroverste Omri koning. Hij doet ook wat kwaad is in de ogen des HEREN. Nog erger dan allen die voor hem geweest waren. Hij koopt de berg Samaria en bouwt daar een stad. Dan wordt Achab zijn zoon koning in zijn plaats. Maar dat schiet ook niet op. Hij doet ook wat kwaad is in de ogen des HEREN. Het lijkt wel een repeterende breuk. Het belooft niet veel goeds. En deze Achab trouwt ook nog met Izebel uit de Sidoniërs. Ze voeren de Baäl afgodsdienst in. En ook in Samaria is dat het afgodsbeeld. Wat een zonde. Wat een Godverlating. Dat is toch vreselijk. En het gaat almaar door. Maar we moeten het niet nemen. We moeten de HERE God trouw blij­ven. We moeten oproepen tot bekering. Maar Achab bouwt de gewijde paal. Hij buigt zich met zijn vrouw voor het afgodsbeeld Baäl. Hij doet het erger dan al de koningen die voor hem geweest zijn.

En dan bouwt Hiël Jericho, maar dat kost hem zijn oudste en zijn jongste zoon. Dat had de HERE gezegd tegen Jozua. En wat God zegt dat gebeurt ook. En dan vallen er doden. Twee van zijn kinderen omdat hij tegen God in, toch probeert deze stad te herbouwen. We zien dat God doet wat Hij zegt. We doen er goed aan om nauwgezet de geboden Gods te leven want dan gaat het goed. Vast en zeker.

1 Koningen 17:1-24

15 november [2]

17:1

Toen zeide de Tisbiet Elia, uit Tisbe in Gilead, tot Achab: Zo waar de HERE, de God van Israël, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord.

17:3

en verberg u bij de beek Krith,…

17:4

en Ik heb de raven geboden u daar van spijze te voorzien.

17:7

Doch na verloop van tijd droogde de beek uit,…

17:9

Zie, Ik heb daar een weduwe geboden u te verzorgen.

17:11

Breng mij ook een bete broods mee.

17:12

maar enkel een handvol meel in de pot en een weinig olie in de kruik. …en als wij het gegeten hebben, moeten wij maar sterven.

17:14

Het meel in de pot zal niet opraken, en de olie in de kruik zal niet ontbreken tot op de dag, waarop de HERE regen op de aardbodem geven zal.

17:18

om mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen, en te maken, dat mijn zoon sterft.

17:19

en legde hem op zijn bed.

17:21

HERE, mijn God! Laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren.

17:23

En Elia zeide: Zie, uw zoon leeft.

17:24

Thans weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEREN in uw mond waarheid is.

Elia wordt zo maar uit het land geroepen. En hij spreekt op gezag van de HERE tot Achab. Het zal niet regenen En het regent niet. Hij moet naar de beek Krith. En de raven voeden hem, want de HERE geeft ook de raven opdracht. En als de beek uitdroogt gaat hij naar Sarfath op gezag van de HERE. De HERE heeft iemand opdracht gegeven voor hem te zorgen. Wat een verhaal. De HERE gaat ons voor. Hij baant onze wegen. Hij weet welke weg we moeten gaan. We kunnen onvoorwaardelijk op Hem vertrouwen. Hij weet wat goed voor ons is. We moeten niet in de war raken. We moeten niet bang zijn. We moeten heel eenvoudig leven uit Gods hand. Dat wat niet bij God hoort dat hoort bij de duivel. Daar moeten we ons dan ook tegen verzetten. Wat voor consequenties dat ook heeft. Daar moeten we niet bang voor zijn. Als ons lijden overkomt omdat we trouw zijn aan God, dan is dat niet een vloek maar een zegen. Je zou toch eens God verlaten om dat lijden te ontlopen. Dan kom je verkeerd uit. Dan verloochen je God. Daar moet je niet aan meedoen. Gevaarlijk. Blijf dicht bij Hem. Op koers blijven.

De weduwe is net bezig hout te sprokkelen voor haar laatste olie en meel en om dan te sterven. Maar Elia profeteert dat dat niet zal gebeuren, maar dat er meel en olie zal zijn tot de dag dat het weer regenen zal. En zo gebeurt het. Dan wordt de zoon ziek zodat hij sterft. Wat een verhaal. De vrouw verwijt Elia dat hij onder haar dak is gekomen om haar zonden in herinnering te brengen en dat daarom haar zoon sterft. Wat nu? Hij roept de HERE aan. Dat kan God toch niet doen. God, doe er iets aan. En dan neemt hij de jongen mee naar de bovenzaal, strekt zich driemaal over hem uit. En de jongen komt weer tot leven. Wat een wonder. God doet het wonder. Wat een God. Hij geeft de jongen terug aan zijn moeder. Zijn moeder roept uit dat ze nu zeker weet dat ze te maken heeft met een man Gods. En zo is het. Wat een wonder.

God is almaar bezig in het leven van de mensen. Hij wil gebeden zijn. Hij wil het heil van de zondaar. Hij wil zijn bekering. Hij wil vooraan gaan. Hij wil de leiding in ons leven. Hij wil op de troon in ons leven. Hij wil almaar gebeden zijn. Wat een God. Dank U Heer voor alles wat u doet. We zijn er weer bij bepaald dat U het grote wereldgebeuren in Uw hand hebt. U gebiedt de hemel en de aarde. U gebiedt de raven en de vogelen des hemels. Van U zijn zomer en winter. Van U zijn leven en dood, ziekte en gezondheid. Een hoofdstuk vol met de almacht van God. Tegenover de duivel die tekeer kan gaan als een briesende leeuw. Want het is verschrikkelijk wat Achab aan goddeloosheid in het land heeft gebracht. En je moet moed hebben om daar tegenin te gaan. Je zult maar tegen de koning spreken en dat met gevaar voor eigen leven. Want de koning kent geen pardon. Alle tegensprekers krijgen meteen de doodstraf. Daar hebben ze niet zo’n moeite mee. En zeker als je hen komt vermanen in den naam van de HERE God, die ze juist hebben afgezworen.

HERE wat een oproep. Wat een bemoediging. Geef uw tekenen vandaag om krachtig uw naam te laten horen temidden van deze wereld. Het water staat ons tot aan de lippen. Laat uw tekenen en wonderen zien, opdat de mensen gaan zien, dat U leeft en dat U uw eer niet laat roven. HERE toon U machtig in mijn leven en in het leven van de mijnen; in het leven in dit land. We zijn zo ver van U afgeweken. HERE ontferm U.

1 Koningen 18:1-19

16 november [2]

18:1

kwam in het derde jaar het woord des HEREN tot Elia: Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik wil regen op de aardbodem geven.

18:2

De honger nu was sterk in Samaria.

18:3

Obadja was iemand, die de HERE zeer vreesde.

18:4

Toen Izebel de profeten des HEREN uitroeide, had Obadja honderd profeten genomen en hen, vijftig bij vijftig, in een spelonk verborgen en met brood en water verzorgd.

18:5

en geen deel van het vee behoeven af te maken.

18:7

Zijt gij daar, mijn heer Elia?

18:8

zeg tot uw heer: Elia is er.

18:10

er is geen volk of koninkrijk, waar mijn heer niet naar u heeft laten zoeken.

18:12

Als ik dan aan Achab bericht zou brengen en hij vond u niet, dan zou hij mij doden,…

18:15

Zo waar de HERE der heerscharen leeft, in wiens dienst ik sta, heden zal ik mij aan hem vertonen.

18:17

Zodra Achab Elia zag, zeide Achab tot hem: Zijt gij daar, gij, die Israël in het ongeluk stort?

18:18

Doch hij zeide: Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar gij en uws vaders huis, doordat gij de geboden des HEREN hebt verzaakt en de Baäls zijt nagelopen.

18:19

Nu dan, laat heel Israël tot mij bijeenroepen naar de berg Karmel, ook de vierhonderd vijftig profeten van de Baäl en de vierhonderd profeten van de Asjéra, die van de tafel van Izebel eten.

Dan komt het woord van de HERE: Ga heen, vertoon u aan Achab. Dat is zoiets als, dan weet je zeker dat je leven eraan gaat. Want Elia weet heel goed dat Achab het op zijn leven gemunt heeft. Dat kon ook niet anders. Want Elia had deze vreselijke droogte aangekondigd. En nu was het land in hongers­nood. En dan gaat Elia op pad. Maar er waren meer getrouwen in het land. Obadja vreesde de HERE zeer. Maar hij deed dat in het geheim. Hij was aan het hof van Achab en Achab geeft hem opdracht om water te vinden opdat ze niets van hun vee behoefden af te maken. Ook een bijzonder verhaal. Ze wa­ren dus kennelijk meer bezorgd over hun vee dan over de nood bij de mensen. Als er dan nog ergens water zou zijn dan moesten ze het aan de beesten geven. En zo gaat Obadja op stap en dan komt hij Elia tegen. Wat een schrik. En Elia zegt tegen Obadja dat hij Achab moet berichten: Elia is er. Maar daar ziet Obadja tegen op. Want Achab heeft hem overal laten zoeken. En als nu Obad­ja komt en Achab vindt hem niet, omdat bijvoorbeeld de HERE Elia naar een andere plaats laat gaan, dan zal Achab hem doden. Elia zweert dat hij zich zal vertonen aan Achab. En zo gebeurt het. Hij vertoont zich aan Achab. Wat een moed. Je gaat je dood tegemoet. Wat een godsvertrouwen.

Je gaat in geloof de vijand tegemoet. Je vreest niet. Je gaat in de opdracht van de HERE. En dan is ook het resultaat de weg en de wil van God. En wat God wil, is altijd goed. Hij gaat je voor in heel je leven. Je mag en je moet je on­voorwaardelijk overleveren aan de wil van God. Je Vader die je nooit stenen zal geven als je Hem om brood vraagt. We zijn vaak zo ver afgeweken van het vol vertrouwen ons in de armen van onze Vader te laten werpen. We hebben zoveel ‘ja maars’ en ‘als dit’ en ‘als dat’. En dan verliezen we de moed. Het gaat om onvoorwaardelijke overgave. Want in Hem zijn we voor eeuwig ge­borgen. Daar had ook Elia weet van. Hij gaat omdat God hem dat opdraagt. En Achab ziet hem en zegt: Zijt gij daar, die Israël in het ongeluk stort? En dan moet je maar het lef hebben om te antwoorden zoals Elia antwoordt: Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar gij en uws vaders huis, doordat gij de geboden des HEREN hebt verzaakt en de Baäls hebt nagelopen. Dat is ferme taal. Dat staat dwars op het beleid van de koning. Het slaat de spijker op zijn kop. Daar kan inderdaad alleen maar de doodstraf op volgen. Je speelt met je leven. Je hoeft geen steun van wie dan ook te verwachten. Dat is vragen om het oordeel. Dan had je het maar diplomatieker moeten zeggen. Kijk maar eens wat er met alle anderen is gebeurd die zich verzetten. Izebel had alle pro­feten gedood. Daar zaten ze achteraan. En Achab had overal naar Elia laten zoeken want die moest zeker uit de weg geruimd worden.

Obadja had er honderd verborgen in een spelonk. Dat was ook geloof. Die had hij van water en brood voorzien. Waarschijnlijk vanuit de voorraad van de koning. Daar moet je ook lef voor hebben want dat kost je ook je kop. Maar Obadja vreesde dan ook de HERE zeer. Daar is hij dan ook voor beschermd.

Wat een verhaal. Elia daagt Achab uit, door heel Israël naar de Karmel bijeen te roepen, ook de vierhonderd vijftig priesters van de Asjéra, de afgod van Izebel. En daar gaat Achab op in. Wat een lef. Wat een geloofsmoed. Wat een geweldig vertrouwen in de HERE zijn God. Daar kunnen we moed uit putten. Daar kunnen we mee verder. Heerlijk toch.

1 Koningen 18:20-46

17 november [2]

18:20

en riep de profeten naar de berg Karmel bijeen.

18:21

Hoe lang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de HERE God is, volgt Hem na, maar indien het de Baäl is, volgt hem na. Doch het volk antwoordde hem niets.

18:23

die aan stukken houwen en op het hout leggen, maar geen vuur daarbij aanbrengen;…

18:24

Roept gij dan de naam aan uw god aan, en ik zal de naam des HEREN aanroepen. De God die met vuur zal antwoorden, die zal God zijn. En het gehele volk antwoordde: Dat is goed.

18:26

Baäl, antwoord ons! maar er kwam geen geluid en niemand gaf antwoord.

18:27

of hij is op reis; misschien slaapt hij en moet wakker worden.

18:28

maakten zich naar hun gewoonten insnijdingen met zwaarden en speren, totdat zij dropen van bloed.

18:30

Daarop herstelde hij het altaar des HEREN, dat omvergehaald was.

18:31

Israël zal uw naam zijn.

18:32

een groeve ter wijdte van twee maten zaad.

18:34

Vult vier kruiken met water en giet ze uit over het brandoffer en over het hout.

18:36

Op de tijd nu, dat men het avondoffer brengt,… heden moge bekend worden, dat Gij God zijt in Israël,…

18:37

en dat Gij hun hart weer terugneigt.

18:38

Toen schoot het vuur des HEREN neer en verteerde het brandoffer,…

18:39

De HERE, die is God!

18:40

Grijpt de profeten van de Baäl,… en liet hen daar slachten.

18:41

Vervolgens zeide Elia tot Achab: Ga, eet en drink, want daar is het geruis van een stortregen.

18:42

boog zich ter aarde en legde zijn aangezicht tussen zijn knieën.

18:43

Klim omhoog, zie uit naar de zeekant. Hij klom omhoog en zag uit, maar zeide: Er is niets. Daarop zeide hij: Ga weer. Tot zevenmaal toe.

18:44

Bij de zevende maal nu zeide hij: Zie, een wolkje als eens mans hand stijgt op uit de zee.

18:45

Toen, in een oogwenk, werd de hemel zwart van wolken en wind, en viel er een zware stortregen.

Wat moet Elia beginnen tegen zo’n overmacht van vierhonderdenvijftig Baäl profeten. Achab is er met al zijn pracht en praal bij. Ze zullen die ellendige profeet wel eens een kopje kleiner maken. Wat denkt hij wel. Hun goden zul­len het zeker winnen. Dat stond voor hen vast. Ze maken het altaar, slachten de stier. Doen er geen vuur bij. En roepen hun afgod aan. Maar wat ze ook doen, er komt geen vuur. Elia spot met hen. Ze worden wilder en gekker. Ze druipen van het bloed door hun insnijdingen. Ze raken in geestvervoering, maar er gebeurt niets. Elia herstelt het altaar dat verwoest was en slacht de stier. Hij giet water en water en nog eens water op en om zijn altaar. Dan buigt hij zijn knieën en roept de HERE God aan. Heden moge bekend zijn dat gij God zijt. En dan valt het vuur op het altaar en verbrandt het offer. En het volk deinst terug en roept: De HERE is God. Tot dan toe hadden ze er vol verba­zing en in stilte bij gestaan. Maar nu kunnen ze er niet om heen. Elia geeft opdracht om alle Baäl profeten te doden. En zo gebeurt het. Achab ziet het allemaal aan. Elia zegt: Ga naar uw paleis want er komt een stortregen.

En dan buigt hij zijn knieën en legt zijn hoofd tussen zijn knieën en bidt. Hij stuurt zijn knecht naar boven om over de zee uit te zien. Tot zeven maal en dan ziet hij een wolkje uit de zee opkomen “als eens mans hand”. En dan komt de stortregen. Wat een wonder. We hebben een God van grote wonderen. Het kan wel lijken of God er niet is. De mensen kunnen hun hele leven inrichten, alsof er geen God is. Ze kunnen doen of ze echt alles zelf wel inrichten. Ze kunnen als hun afgoden welvaart hebben of wat dan ook. Maar het is allemaal de buitenkant. Want God heerst over dit grote wereldgebeuren. Hij laat niet met zich spotten. Hij toont zijn almacht. Hij toont zijn liefde voor de mensen. De Baäls zijn geen goden. Dat zijn goden die de mensen knechten en kinderen vermoorden.

Hoe is het vandaag. Het is verschrikkelijk. Hoeveel kinderen worden er niet vermoord wereldwijd. Wat een ellende. Hoe is het mogelijk dat zoveel kinde­ren vandaag de dood moeten vinden omdat wij te beroerd zijn om ze te eten te geven. We zijn wel in staat om legers op de been te brengen en olie te boren en alles te doen om onze welvaart gaande te houden, maar we hebben geen erbarming over de miljarden die in armoede leven. Het deugt niet. Het is vre­selijk gesteld met de toestand in de wereld. De afgodendienst van de abortus gaat almaar door. Het is een ramp. Daar kan niet anders dan het oordeel van God op volgen. En dat komt dan ook. Wat een godsvertrouwen om daar dan als overgebleven profeet met zoveel moed en durf tegenin te gaan. Elia wordt door God beschermd en gestuurd. Hij gaat dwars tegen de stroom in. Wat een moed. En hij gaat op de knieën, hij loopt zijn God aan. O HERE God, toon Uw almacht. Laat zien dat U er bent. En dan moet de knecht zevenmaal uitkij­ken of er een wolkje komt. En dan is er het wolkje.

We moeten niet opgeven. We moeten niet bij de pakken neer gaan zitten. We moeten doorgaan. Ook al zien we niet direct resultaat. We moeten in gehoor­zaamheid en volharding gaan. Daar gaat het uiteindelijk om. Dan wordt het leven ook een­voudiger. We hoeven niet op resultaat te kijken. Het gaat om trouw en volhar­ding. Heerlijk toch om dat te zien en te weten. De HERE leeft. Wat een verhaal. We kunnen er weer op leven.

1 Koningen 19:1-21

18 november [2]

19:1

Toen Achab aan Izebel verhaalde alles wat Elia gedaan had,…

19:2

indien ik morgen om deze tijd uw ziel niet gelijk zal maken…

19:3

ging weg om zijn leven te redden;…

19:4

Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in,… en begeerde te mogen sterven, en zeide: Het is genoeg! Neem nu, HERE, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.

19:5

Sta op, eet.

19:6

een koek op gloeiende stenen gebakken en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer neer.

19:7

Doch wederom, ten tweeden male, raakte de engel des HEREN hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn.

19:8

en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb.

19:9

Wat doet gij hier, Elia?

19:10

Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de God der heerscharen,… zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen.

19:11

En zie, toen de HERE juist zou voorbij gaan, was er een geweldige en sterke wind,… In de wind was de HERE niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de HERE niet.

19:12

En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de HERE niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte.

19:13

Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel,… Wat doet gij hier, Elia?

19:14

en zij trachten mij het leven te benemen.

19:15

Keer op uw schreden terug,… dan zult gij Hazaël zalven tot koning van Aram.

19:16

Voorts zult gij Jehu,… zalven tot koning over Israël; en Elisa,… tot profeet in uw plaats.

19:17

hem zal Elisa doden.

19:18

Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft.

19:19

trof hij Elisa aan,… wierp hij hem zijn mantel toe.

19:20

Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen. … Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan?

19:21

Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem.

Dat zat er wel in. Natuurlijk zou Izebel alles doen om Elia te pakken te krijgen en te doden. Morgen om deze tijd is haar plan. Elia krijgt de angst te pakken en gaat op de vlucht. Nu is het afgelopen. En hij moet opschieten, want Izebel is des duivels. Elia kan er niet meer tegenop. Is er dan nooit rust. Nu heeft hij toch geweldige dingen gedaan. Iedereen erkende dat de HERE God is en nu dit. Kan de HERE dan nooit rust geven. Ik heb alles voor U gedaan en nu is mijn leven nog niet veilig. Het wordt toch wel eens tijd dat de HERE nu iets doet voor Elia. Het is genoeg! Hij begeert om te sterven. HERE, neem mijn leven. Nou nou. Dat is niet niks. Je begeert om te sterven. Ben je dan het leven zat? Hoe kan dat nou? De HERE heeft grote dingen gedaan de ene dag, en de andere dag ben je het leven zat en wil je sterven. Hoe is dat te rijmen? En dat nog wel van een man Gods, een gezalfde, neen, de gezalfde des HEREN! En hij gaat slapen om te sterven. Maar dan raakt een engel hem aan. Sta op en eet. En daar is een koek en water. Tot tweemaal toe, want Elia wil nog steeds ster­ven. Hoe ook de HERE probeert. Sta op en eet. En dan gaat hij eten en hij ont­vangt kracht om veertig dagen en veertig nachten verder te gaan tot het ge­bergte Gods, Horeb.

Waar hebben we meer gehoord over vasten, veertig dagen en veertig nachten? Wat een profetie. Wat een kracht. Waar was de duivel ook zeer actief om Messias Jezus te verzoeken? En dan komt de macht van God. Messias Jezus weerstaat de duivel. Hij ontving de kracht van God om de zonde van de we­reld op Zich te nemen. Ook de zwakheid en de zonde van Elia. Hij leed voor hem en voor mij en voor ons aan het kruis. Want de straf die op ons lag heeft Hij op Zich genomen. Wat een wonder! Wat een genade! Het is waar. Het kon ook niet anders. Als de engelen ons niet gedragen hadden en ons omringd en beschermd hadden dan waren we al lang vergaan. O HERE, dank U wel voor zoveel liefde voor een arme zondaar. We kunnen U er eeuwig voor danken. Dank U HERE.

Dan staat hij op de berg voor het aangezicht ds HEREN. In het ruige gebergte van de Sinai, de Horeb, het gebergte Gods. Daar kwam God en gaf de wet. Wat een machtig gezicht, Gods gebergte, tot op vandaag. En toen de HERE hem zou voorbijgaan kwam er een geweldige sterke wind. En met donderend geraas werden de rotsen en het gebergte verscheurd. Je zult daar maar staan. En inderdaad is de almacht van de HERE God zonder weerga. Er is niets tegen bestand. Maar de HERE God was in de sterke wind niet. Toen kwam er een aardbeving. Maar daarin was de HERE ook niet. Wat een geweld daar op de Horeb. En daar staat de kleine, op de vlucht zijnde Elia. Klein en nietig onder de almacht van God. En dan komt er vuur. Je ziet het voor je. Het schiet uit de hemel. Het zet de boel in brand. Angstaanjagend alsof je een bosbrand ziet. Het is gevaarlijk. Maar in het vuur was de HERE niet. En dan komt er het suizen van een zachte koelte. Dan weet Elia: de HERE komt. Hij omwindt zijn gelaat. Hij kan het niet zien. Wie kan de HERE zien. Wie kan voor Hem be­staan. En dan hoort hij die stem: Wat doet gij hier Elia? Niet de veroordeling, maar de ontmaskerende vraag. De confrontatie met jezelf. Waarom? Met an­dere woorden, je weet toch wat Ik voor je wil doen. Je weet toch dat Ik altijd bij je wil zijn. Je weet toch dat God een God van liefde is. Je weet toch dat God je op de weg wilt houden. Waarom ga je dan je eigen wegen. Dan kom je toch in de nesten. Dan raak je toch de weg kwijt. Dat weet je toch. Het staat er toch. Je hebt toch mijn regels om te leven gelezen. Je moet niet de andere kant op gaan. Als je voor Mij op de vlucht gaat dan raak je in de war. Dan wil je alleen maar sterven. Maar dat is niet van de HERE. Dat is de dood, dat is de duivel, dat is de mensenmoorder van den beginne. Maar zo ben ik niet. Ik ben gekomen om je te verlossen, je te redden. Maar zover is Elia nog niet. Hij komt weer met zijn hele verhaal. Ik heb dit en ik heb dat. U mag toch wel blij met mij zijn, maar ik merk er niets van, want ze willen mij doden. Doe er toch eens iets aan HERE God. Het antwoord is oplossend confronterend. Niet ver­der gaan op deze weg, maar actie in de goede richting. Keer terug op je schre­den. Ga en doe dit. De koning van Aram zalven, de nieuwe koning van Israël zalven, de nieuwe profeet zalven en wee je gebeente wie zich tegen hen zal verheffen want ze zullen de dood sterven. God maakt korte metten. En dan ontmoet hij Elisa. Hij werpt hem zijn mantel toe. Elisa begrijpt het meteen, maar wil eerst zijn familie raadplegen. Elia waarschuwt hem. Hij doet het niet, maar offert de HERE en volgt Elia en diende hem.

God is groot. We mogen de hand van God in ons leven zien. Wij willen al­maar een kant op waar de HERE een deur sluit. We moeten gaan daar waar de HERE deuren opent. En dat doet Hij almaar. We moeten het van Hem ver­wachten. Uit dankbaarheid leven. Wat zullen wij aan ons eigen leven toevoe­gen. Schuilen bij de HERE God in de stormen van ons leven in de tijd is het geheim waarmee we mogen gaan. Dat is heerlijk. Dat kan niet stuk. Als je dat ontdekt dan komt er een onvoorstelbare vrede over je. Ga in vrede. Stel vra­gen, zoals de HERE God doet. Waarom zou je je in de war laten brengen, ter­wijl de HERE God alles doet. Stel jezelf niet op de voorgrond. Klaag niet over je eigen ik. Die zit je almaar in de weg. Vergeef de ander, want wie ben je zelf. Laat het woord spreken en laat je niet tot eigen uitspraken verleiden. Enz., enz., enz.

Verlustig je in de wegen van de HERE God en Hij zal je rust geven. Het kruis heeft er gestaan. De verzoening is tot stand gebracht. Het is volbracht. Heer­lijk om dat te zien en te geloven Het komt zo maar naar je toe. Wat een gena­de. Hoor je ook de HERE in het suizen van een zachte koelte? Wat een ver­kwikking!

1 Koningen 20:1-22

19 november [2]

20:4

ik en al het mijne behoren u toe.

20:6

zullen zij zich toeëigenen en meenemen.

20:8

Gij moet niet luisteren en gij zult niet inwilligen.

20:10

Zo mogen mij de goden doen,…

20:12

Stelt u op!

20:13

Doch zie, een profeet naderde tot Achab,… Zie, Ik geef die heden in uw macht; dan zult gij weten, dat Ik de HERE ben.

20:14

Door wie? … Wie zal de strijd aanbinden? … Gij.

20:17

Er zijn mannen uit Samaria getrokken.

20:18

grijpt hen levend.

20:20

Toen sloeg ieder van hen zijn man, zodat de Arameeërs op de vlucht sloegen,…

20:22

Toen naderde de profeet tot de koning van Israël en zeide tot hem: Welaan, toon u sterk, overleg en bedenk, wat gij te doen hebt, want in het volgende jaar zal de koning van Aram weer tegen u optrekken.

Benhadad de koning van Aram was kennelijk een sterke koning. Hij komt met tweeëntwintig vorsten aanvallen. En belegt Samaria. Achab ziet dat hij er niets tegen in kan brengen. Hij eist zijn vrouwen en het goud en zilver. En dat wil­ligt hij in. Wat moet hij anders? Maar als hij alles wil, dan weigert hij. En Benhadad wil Samaria met de grond gelijk maken. Het lot is bezegeld. Achab zal het gevaar duidelijk geworden zijn. Maar dan komt de profeet en zegt Gordt u aan. Je zult overwinnen en dan zul je weten dat de HERE God is. Wie moet dat doen, vraagt hij. Gij, zegt de profeet. En dan gordt hij de jongeman­nen aan. En het leger. Het zijn er maar tweehonderd en tweeëndertig en het leger is slechts zevenduizend. De jonge mannen gaan er op de middag uit. Benhadad zegt, als hij het hoort: Grijp hen levend. Maar de jonge mannen verslaan de legers en dan gaan ze op de vlucht. Hoe is het mogelijk. Zo’n klein leger. Dat kan toch helemaal niet. Wie had dat verwacht. Benhadad moet vluchten op zijn paard. Hij redt zijn vege lijf. Het verhaal gaat verder. De profeet komt en zegt. Nu weet je wat je te doen staat. En pas op, Benhadad komt volgend jaar om deze tijd terug.

Wat een verhaal. God geeft uitredding. God geeft dreiging. Maar steeds ligt daarachter de trekkende hand van God, die ons er bij wil bepalen dat Hij ons weer op zijn pad wil hebben. Achab is de meest goddeloze koning die je je kunt bedenken. En Izebel zijn vrouw is nog een graadje erger. Maar Achab krijgt weer een kans. Bekeert u, blijft het klinken.

Dat gold toen. Dat geldt nu. Bekeer je. Want God komt om Zijn rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Hij brengt je in het nauw om je te doen be­seffen hoe de vork echt in de steel zit. God wil dat we Hem volgen. We heb­ben geen keus. Dat is geen dwang. Dat is een uitnodiging. Heerlijk om op die uitnodiging in te gaan. Prachtig. Volg Hem. Hij heeft de overwinning. En zo niet. Dan is het je eigen keuze. Want Benhadad komt volgend jaar om deze tijd terug. Het is geen vrijblijvende keuze. Want er is een prijs aan verbonden. Een prijs ten leven en een prijs ten dode. Kies voor het leven.

1 Koningen 20:23-43

20 november [2]

20:23

Hun God is een berggod;…

20:25

Laten wij tegen hen in de vlakte strijden,…

20:28

Toen naderde de man Gods en zeide tot de koning van Israël:… omdat de Arameeërs gezegd hebben: De HERE is een berggod… daarom zal Ik deze gehele grote, rumoerige schare in uw macht geven, opdat gij weet, dat Ik de HERE ben.

20:31

misschien zal hij uw leven sparen.

20:32

Leeft hij nog? Hij is mijn broeder.

20:34

Toen sloot hij een verbond met hem en nam afscheid van hem.

20:35

Maar een man uit de profeten zeide tot zijn metgezel door het woord des HEREN: Sla mij toch. Maar de man weigerde hem te slaan.

20:36

trof een leeuw hem aan en doodde hem.

20:37

Daarna trof hij een andere man aan en zeide: Sla mij toch. En de man sloeg hem zó, dat hij hem verwondde.

20:38

maakte zich onkenbaar met een verband over zijn ogen.

20:39

dan zal uw leven in de plaats van het zijne wezen,…

20:40

was hij verdwenen.

20:40

Dan is dat uw vonnis, gij hebt het zelf geveld.

20:42

Zo zegt de HERE: omdat gij de man zijt die onder mijn ban staat, uit uw hand hebt laten gaan, zal uw leven in de plaats van het zijne wezen en uw volk in de plaats van zijn volk.

Het is toch eigenlijk prachtig. God laat niet met zich spotten. Aram zegt dat God een berggod is en dat ze daarom hebben verloren. Ze moeten nu Israël in de laagvlakte aanvallen, dan zullen ze zeker winnen. Want als hun god een berggod is dan is hij geen god van de laagvlakte dus dan kan hij hen daar niet helpen Zo gezegd zo gedaan. Ze staan in slagorde in de laagvlakte en ze staan daar zeven dagen tegenover elkaar. Dan komt de man Gods en zegt in naam van God tegen de koning: Je zult de overwinning op deze rumoerige troep behalen want ze denken dat Ik een berggod ben en daarom niet kan verlossen. Maar je zult zien dat Ik de HERE God ben. En dat is dan ook een aanklacht tegen koning Achab, want deze koning was van de HERE afgeweken. Hij was andere goden nagelopen. Hij geloofde ook in berggoden en vlaktegoden en allerlei afgoden. Ook hij offerde net als de heidenvolken, de kinderen aan de Moloch. Verschrikkelijk. En deze goddeloze koning verdiende Gods straf. En dan geeft God de overwinning. Niet omdat Hij Achab zo gunstig gezind is, maar om af te rekenen met het heidendom dat denkt dat God een God van beperkingen is. Neen, we hebben te maken met een almachtige God. Niemand is groter dan Hij. Als je denkt dat je je gang wel kunt gaan, omdat God toch jouw gebied niet kan bereiken, dan heb je het mis. God is overal. Hij is niet beperkt. Hij is de Almachtige. En dan komt de overwinning. Het gaat erom dat Achab ziet dat God de Almachtige is. En dan gaat Benhadad op de vlucht. Hij zit in het nauw. Honderdduizend komen er om en dan ook nog de muur van Afek die valt en zevenentwintig duizend mensen dood. Koning Benhadad vlucht van de ene kamer naar de ander. Hij kan niet vluchten. Dan zegt een dienaar dat ze zich moeten hullen in rouwgewaad want de koning van Israël zou zijn leven wel eens kunnen sparen. En zo gebeurt het. Benhadad komt voor de koning. En de koning geeft hem genade. Hij zegt: Hij is mijn broeder.

Het volgende verhaal is aanschouwelijk onderwijs. Een profeet zegt tegen een man: Sla mij toch. Maar de man weigert. En als hij hem verlaat komt een leeuw hem tegen en doodt hem, zoals de profeet gezegd had. Een volgende man slaat hem, zodat hij verwond is. Dan gaat de profeet aan de weg staan, doet een lap over zijn gezicht alsof hij verwond is en als de koning voorbij komt zegt hij dat hij op deze man moest passen, en als deze man zou ont­vluchten dan zou het zijn leven kosten. En nu is die man verdwenen. De ko­ning zegt, dan heb je je verdiende loon. Dan trekt de profeet de lap van zijn gezicht en dan herkent de koning hem. Gij zijt die man, zegt de profeet, want hij heeft de man die onder de ban van de profeet staat, laten gaan. Daarom zal uw leven in de plaats van het zijne genomen worden en uw volk in de plaats van het zijne. Dan gaat de koning toornig weg. Wat een profetie. Wat een ver­haal. Wat een levensles. Wat een oproep om ernst te maken met de HERE God. God laat niet met Zich spotten. We zullen onze trekken thuis krijgen als we de HERE onze God niet serieus nemen. Dan zullen we het weten.

Dank HERE voor uw steeds weer roepende kracht. U geeft aanschouwelijk onderwijs. We kunnen er niet om heen. Dank U wel, dat het elke morgen weer prijs is. Uw woord is de waarheid. Met U kunnen we leven. Met U zien we het weer zitten. Help ons om dicht bij U te blijven leven. Glorie voor Uw naam.

1 Koningen 21:1-29

21 november [2]

21:2

En Achab sprak tot Naboth: Geef mij toch uw wijngaard,…

21:3

Daarvoor beware mij de HERE, dat ik de erfenis van mijn vaderen aan u zou geven.

21:7

..ik zal u de wijngaard van de Jizreëliet Naboth geven.

21:9

In de brieven had zij aldus geschreven: Roept een vasten uit en zet Naboth op de eerste plaats van het volk.

21:10

gij hebt God en de koning vaarwel gezegd; voert hem dan naar buiten en stenigt hem, zodat hij sterft.

21:14

Naboth is gestenigd: hij is dood.

21:17

Toen kwam het woord des HEREN tot de Tisbiet Elia:

21:18

Maak u gereed,…

21:19

hebt gij gemoord en ook in bezit genomen? … ter plaatse, waar de honden het bloed van Naboth gelekt hebben, zullen de honden ook uw bloed lekken.

21:20

omdat gij u verkocht hebt om te doen wat kwaad is in de ogen des HEREN.

21:21

Ik zal u wegvegen…

21:23

de honden zullen Izebel verslinden aan de voorwal van Jizreël.

21:26

Ja, hij heeft zeer gruwelijk gehandeld door de afgoden achterna te lopen, geheel zoals de Amorieten gedaan hebben, die de HERE voor het aangezicht van Israël verdreven heeft.

21:29

Omdat hij zich voor Mij verootmoedigd heeft, zal Ik het onheil in zijn dagen niet doen komen; in de dagen van zijn zoon zal ik het onheil over zijn huis doen komen.

Wat een gemene streek. Naboth wil zijn erfdeel niet prijsgeven. Dat was een duidelijke zaak. Maar Achab neemt het niet. Het stuk grond naast het paleis wilde hij hebben als moestuin. Toch eigenlijk ook niet een rare gedachte. Maar van verkoop is geen sprake. Izebel ziet haar sacherijnige man. Bedrink je, zegt ze. Ik zal zorgen dat je de wijngaard hebt. Ze schrijft brieven aan de oudsten om een vasten uit te schrijven en om Naboth in het midden te plaat­sen. Dan komen mannen die hem beschuldigen, dat hij God en de koning ver­laten heeft en ze stenigen hem. Zo, dat is klaar. Nu kan Achab de wijngaard nemen. En zo gebeurt het. Maar dan komt de Tisbiet Elia. Achab verwelkomt hem als zijn vijand. En God spreekt het oordeel uit. Hij zal sterven, hij zal weggeveegd worden en al zijn mannelijk geslacht. En ook Izebel zal sterven en haar bloed zal gelekt worden aan de voorwal bij de muur. Verslonden door de honden. Wat een profetie. Achab begrijpt dat het menens is. Hij hult zich in rouwgewaad. Dan verootmoedigt hij zich en God stelt het oordeel uit tot na de dood van Achab. Wat een verhaal. Wat een gemene steek. Wat een vreselijke vrouw. Geraffineerd en gemeen.

Wat kunnen mensen toch gemeen zijn. Wat kunnen ze je toch vreselijke din­gen aandoen. Je wordt van alle kanten bedreigd door mensen die het slachtof­fer zijn van de boze geesten. De duivel gaat rond als een briesende leeuw. Nu proberen ze Naboth om zeep te brengen. En het lukt ook nog. Maar let op, God ziet alles. Hier wordt meteen afgerekend. De maat is vol. Wat een onge­rechtigheid hadden Achab en Izebel begaan. Ze hebben de goden van de Amo­rieten nagevolgd, terwijl God die voor hen verdreven had. Ze hebben kinderen aan de afgoden geofferd. Wat een zonde. Daar moet wel het oordeel op vol­gen. Daar moet wat aan gebeuren. Dat kan niet anders. En dat is ook gebeurd.

We moeten niet denken dat God onze zonden wel door de vingers ziet. Als we willens en wetens doorgaan met zondigen en de boel de boel laten, dan moe­ten we niet denken dat we daar vanaf komen. We hebben te maken met een rechtvaardig God. Hij is een verterend vuur. Hij duldt de zonde niet. Hij komt op voor de armen en verdrukten. Hij neemt het niet. Hij wil rechtvaardigheid. En als er onrechtvaardigheid is, dan is Hij erbij. Dan neemt Hij het niet. Dan wordt het oordeel geveld. Niet omdat God dat graag wil, maar omdat God de zonde niet duldt. Daarom moeten we weerstand bieden aan de boze. Elke keer weer opnieuw. Want we zien het bij de koningen in de Bijbel. Keer op keer worden ze weer verleid en dan doen ze wat kwaad is in de ogen des HEREN. Daar moeten we niet aan mee doen. Weg ermee. God moet op de troon. Hij laat zijn eer niet stelen. Daarom moeten we zijn roepstem volgen. Dan komen we goed terecht. Heerlijk toch.

1 Koningen 22:1-23

22 november [2]

22:4

Gaat gij met mij ten strijde tegen Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot de koning van Israël: Ik ben als gij, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.

22:5

Vraag toch eerst het woord des HEREN.

22:6

Trek op; de HERE zal het in de macht des konings geven.

22:7

Is hier niet nog een profeet des HEREN?

22:8

Er is nog één man… maar ik haat hem,… Micha, de zoon van Jimla.

22:13

en spreek gunstig.

22:14

Maar Micha zeide: Zo waar de HERE leeft, voorzeker, hetgeen de HERE tot mij zeggen zal, dàt zal ik spreken.

22:15

Trek op,…

22:16

Hoe dikwijls moet ik u bezweren, dat gij tot mij slechts de waarheid spreekt in de naam des HEREN?

22:17

Ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen, die geen herder hebben, en de HERE zeide: dezen hebben geen heer, een ieder kere in vrede naar zijn huis.

22:19

Ik zag de HERE op zijn troon zitten, terwijl het ganse heer des hemels aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand stond.

22:20

En de HERE zeide: wie zal Achab verleiden, zodat hij optrekt en sneuvelt in Ramoth in Gilead? De een zeide dit en de ander zeide dat.

22:21

Toen trad er een geest naar voren en stelde zich voor de HERE en zeide: Ik zal hem verleiden.

22:22

De HERE vroeg hem: waarmede? …ik zal heengaan en een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten.

22:23

en de HERE heeft onheil over u besloten.

Wat moest Josafat bij Achab. Hij had daar toch niets te zoeken. Achab was toch een goddeloze koning en Josafat wilde de HERE dienen. Vreemd. Achab grijpt meteen de kans om samen met Josafat Ramoth te heroveren op Aram. En Josafat bewilligt erin. Vreemd. Wat had Josafat daar mee te maken. Niet te begrijpen. Blijf toch weg uit het hol van de boze. Waar de demonen huizen. Wegwezen. Josafat raadt aan eerst profeten te raadplegen. En daar komen ze weer met vierhonderd man sterk. Trek op, schreeuwen ze. Aram zal in uw hand vallen. Vast en zeker. En ze dansen en ze springen. Ze zien er allemaal uitgedost uit. Dan zegt Josafat, is er nog niet een profeet. En ja hoor, er is nog een. Maar ik haat hem, zegt Achab want hij profeteert altijd onheil. Maar hij haalt hem toch. Hem wordt aangeraden ook positief profeteren want dat heeft iedereen gedaan. En inderdaad hij profeteert ook: Trek op. Maar Achab ver­trouwt het niet. Wanneer profeteer je nu echt eerlijk tegen me. En dan ziet de profeet in de hemel God op de troon en al het heer links en recht van hem. En de HERE zei: Wie zal Achab verleiden? En dan komt er een geest en die zegt: Ik. En die zal de profeten van Achab tot leugengeesten maken. En die zullen profeteren trek op maar in feite gaat hij daarmee zijn ondergang tegemoet. De HERE heeft dus onheil over Achab besloten. De vraag is nu wat gaat Achab doen. Wie heeft er gelijk? Inderdaad, de profeet heeft ook gezegd, trek op. Maar Achab wist dat hij het omgekeerde bedoelde. Dus nu hij het weet dat de leugengeesten bezit hebben genomen van zijn profeten en deze profeet, die onheil over hem uitspreekt ook zegt: trek op, nu kan hij weten dat zijn leven in gevaar is. Wat gaat er nu gebeuren. Welke stem volgt hij.

En zo is ook dit verhaal uit het leven gegrepen. Welke stem volgen wij. De stem van God die ons vanuit al deze verhalen overduidelijk tegemoet komt of de eigen stem van ons hart en ons menselijk denken. We zitten zo maar op het verkeerde spoor. We hebben er allerlei redenaties voor. En daar gaan we het onheil tegemoet. Daarom moeten we scherp naar de stem van God blijven luisteren. Niet links en niet rechts. Maar rechtdoor achter Hem aan. Hij wijst de weg en dan kom je goed uit. Prachtig ook weer dit waarschuwende verhaal. Blijf bij de les.

1 Koningen 22:24-54

23 november [2]

22:24

Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaäna, toe, sloeg Micha op de kaak en zeide: Hoe zou de Geest des HEREN van mij geweken zijn om tot u te spreken?

22:25

Dat zult gij zien op die dag, waarop gij van kamer tot kamer zult gaan om u te verbergen.

22:27

zo zegt de koning: zet deze in de gevangenis en geeft hem brood en water der verdrukking, totdat ik behouden thuis kom.

22:28

Indien gij inderdaad behouden terugkomt, heeft de HERE door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: Hoort, gij volken, altemaal.

22:30

Ik zal vermomd in de strijd gaan;…

22:31

maar alleen tegen de koning van Israël.

22:33

dat hij de koning van Israël niet was, keerden zij zich van hem af.

22:34

Een man echter spande de boog zonder bepaald doel en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het pantser. …want ik ben gewond.

22:35

en de koning bleef rechtop in zijn wagen staan… Doch des avonds stierf hij…

22:37

Zo kwam de koning dood Samaria binnen,…

22:38

lekten de honden zijn bloed, terwijl de hoeren zich wiesen, naar het woord des HEREN, dat Hij gesproken had.

22:39

het ivoren huis dat hij gebouwd heeft,…

22:42

en hij regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem.

22:43

Hij bewandelde geheel en al de weg van zijn vader Asa; hij week daarvan niet af en deed wat recht was in de ogen des HEREN. Alleen verdwenen de hoogten niet;…

22:47

deed hij weg uit het land.

22:48

En er was geen koning in Edom,…

22:50

Laten mijn knechten met uw knechten op de schepen gaan. Maar Josafat wilde niet.

22:53

En hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN,…

22:53

en boog zich voor hem neer, en krenkte de HERE, de God van Israël,…

Natuurlijk was er geen plaats voor deze onheilsprofeet. Weg er mee. Zedekia die zich met geitekoppen had versierd geeft Micha een klap in het gelaat. Wat denk je wel, dat de Heilige Geest van mij geweken is? Zet hem in het blok en geef hem brood en water van de verdrukking. Wat denkt deze nieuwlichter wel. Een beetje onrust veroorzaken. Daar moeten we niets mee te maken heb­ben. De koning zet hem in de gevangenis. Zie zo, deze raddraaier uit de weg geruimd.

Maar als echter dan de strijd begint, verkleedt Achab zich. Josafat is het doel­wit, maar als ze zien dat het Achab niet is, trekken ze zich terug. Dan legt iemand aan zonder te richten en raakt Achab tussen zijn pantser. Hij bloedt, maar de strijd gaat door. Eerst in de avond sterft hij. Zijn mannen brengen hem dood in Samaria. Het bloed gutst uit de wagen en de honden lekken het bloed. Wat nu. Het woord des Heren is uitgekomen. Wat God zegt, dat gebeurt ook. Wat een goddeloze koning.

Het is o zo belangrijk om dicht bij het woord van God te blijven. De profeten spraken toen, maar spreken ook nu. Luisteren naar de profeten. Dan kom je goed terecht. Is dat te moeilijk. Lees dan deze verhalen. En je zult ontdekken welke richting je op moet. Het is niet moeilijk. Het spreekt vanzelf welke kant je op moet. Achab kon het weten, maar hij verzette zich willens en wetens. Je kunt wel de profeet in de gevangenis zetten, maar Gods woord door die pro­feet gaat door. En dat heeft hij geweten.

Josafat doet wat goed is in de ogen des HEREN, net als zijn vader Asa. Het gaat goed met Israël. De hoogten bleven, maar de aan ontucht gewijde plaat­sen verdwenen. Er werd grote schoonmaak gehouden. Josafat haalde goud uit Ofir. Maar de schepen leden schipbreuk en gingen dus niet. Ahazia de zoon van Achab wil weer met Josafat aanpappen door samen met de schepen naar Ofir te varen. Het antwoord luidt: Josafat wil het niet. Hij heeft geleerd van zijn samenwerking met Achab. Hij heeft zich ternauwernood het vege lijf gered. Hij was bijna gedood door de tegenstander. God gaat zijn eigen weg. Het lijkt allemaal toeval maar het past in Gods plan. God laat niet met zich spotten. Ze kunnen wel denken dat het allemaal wel meevalt, maar dat is niet zo.

Ahazia is koning van Israël. Hij deed ook wat kwaad was in de ogen des HEREN. De afgoden werden breeduit gediend. En zo is het een aaneenrijging van zonde op zonde. Het lijkt wel of zonde normaal is en in de wegen des HEREN wandelen speciaal. Wat heeft de boze een macht. Je zit zo maar op het verkeerde pad. Dat is gevaarlijk. Dat mag en moet voor ons allen een waarschuwing zijn. Daar moeten we ons goed van bewust zijn. HERE help ons om dicht bij U te blijven leven. Dat geldt voor alle tijden, toen en nu. En God is niet veraf. Hij is dichtbij. Hij blijft dezelfde nu en tot in eeuwigheid. Wat een voorrecht om dat allemaal te mogen opschrijven, want het is het grote wonder van God. Prijs de HEER.