1 Kronieken 1:1-54

1 april [1]

1:1

Adam, Seth, Enos,

1:2

Kenan, Mahalaleël, Jered, Henoch, Methusalah, Lamech, Noach, Sem, Cham en Jafeth.

1:10

Nimrod; deze was de eerste die machtig werd op aarde.

1:12

de Kasluhieten, uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen,…

1:24

Sem, Arfachsad, Selah,

1:25

Heber, Peleg, Rehu,

1:26

Serug, Nahor, Terach,

1:27

Abram – dat is Abraham.

1:28

De zonen van Abraham waren: Isaäk en Ismaël.

1:34

En Abraham verwekte Isaäk; de zonen van Isaäk waren Esau en Israël.

1:43

Dit zijn de koningen die over het land Edom regeerden, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde:…

1:54

Dit zijn de stamhoofden van Edom.

Toch wel heel apart, al die geslachtsregisters. Kennelijk is ieder belangrijk. Met naam en toenaam wordt iedereen opgetekend. En dat vanaf de eerste dag aan. Het begon met Adam en we komen bij Abraham. Daar zitten al heel wat geslachten tussenin. Daar is de zondvloed geweest. Noach is gespaard met Sem, Cham en Jafeth. Uit lijn van Sem wordt Abraham geboren, en gaat God verder met zijn heilsplan om de wereld te verlossen van de zonde. Hij komt met zijn oordelen. De mensheid lijdt. Valt in zonde. In het laatste der dagen zal het zijn als in de dagen van Noach. Het land zal vol zijn van geweldenarij. Daar lijkt het al aardig op. Maar God gaat door met zijn plan. Hij kiest Abra­ham en uit zijn geslacht komt voort de koning uit het huis van David die voor eeuwig zal regeren. Hoe? Dat is verborgen. Maar dat het gebeuren gaat is ze­ker. Het klopt in de geslachten. Maar als je de geslachten van Messias Jezus bekijkt dan word je er direct bij bepaald dat er vreemde kronkels zijn. Rachab. Wie had dat gedacht? Ruth. Wie had dat gedacht? En Salomo uit Bathseba.

1 Kronieken 2:1-55

2 april [1]

2:1

Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

2:2

Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

2:3

De zonen van Juda waren: Er, Onan en Sela,… Maar Er… wekte het misnoegen op van de HERE, en Hij doodde hem.

2:4

Tamar, zijn schoondochter, baarde hem echter Perez en Zerah.

2:7

Achar, die Israël in het ongeluk stortte doordat hij zich aan het gebannene vergreep;…

2:11

Nahesson verwekte Salma, Salma verwekte Boaz;

2:12

Boaz verwekte Obed; Obed verwekte Isaï;

2:13

en Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene,…

2:15

David, zijn zevende.

En zo gaat het geslachtsregister verder. We zien nu de nakomelingen van Is­raël. De twaalf zonen van vader Jakob. Ze worden alle met name genoemd en ook hun nakomelingen. Al deze verzen laten zien dat er een heel volk uit is ontstaan. Wat begon met zeventig man die naar Egypte gingen. Maar na vier­honderd en dertig jaar trokken ze als volk van meer dan een miljoen er weer uit. Wat een vermenigvuldiging. We zien ook de geslachtsregisters van de Here Jezus opdoemen. Na de beloften aan Adam, zien we de lijn verder in de beloften aan Abraham en daarna heel specifiek weer in de beloften aan David. David was niet de eerstgeborene maar de zevende. Hij werd uitverkoren door de HERE God. Waarom? Daar hebben we eigenlijk geen idee van. Maar God koos hem uit. En dan is het zo. Zo ook de opa van David, dat was Boaz. Obed, zijn zoon wordt geboren uit Ruth, de Moabitische. Vreemd gaat de geslachts­lijn. En wat te denken van Rachab, de hoer.

Zie het geslachtsregister uit Mattheüs 1, drie maal veertien geslachten. God ziet de mens persoonlijk aan. Hij heeft ieder van ons op het oog. Hij laat zijn ogen over de hele wereld gaan om krachtig bij te staan hen wier hart volko­men naar Hem uitgaat. Dat gold toen en dat geldt nu. Heerlijk om dat te we­ten. Laten we het dan met heel ons hart maar van Hem verwachten. Hij heeft het grote wereldgebeuren in zijn hand. Wij hoeven ons daar niet druk over te maken. Glorie voor zijn Naam!

We komen interessante geschiedenissen tegen in dit verhaal. Het verhaal van Tamar. Dat is ook een koningsdrama. Er zal verder heel wat in de lijn der fa­milies en geslachten hebben plaatsgevonden. Zijn zij ook afgevallen? Welke kinderen deden wat goed was in de ogen des HEREN? Of, welke sloten een compromis met de wereld? Er zijn zoveel verleidingen. Het viel toen niet mee om kinderen op te voeden, maar vandaag al evenmin. Het schijnt of de jeugd al meteen na de geboorte aan alle verleidingen blootgesteld moet worden. Kin­deren kunnen niet meer gezond opgroeien. Ze worden al direct met porno, drugs en leugen overspoeld. En als je het dan nog wel aardig op orde hebt in je gezin, dan zal de televisie wel een handje helpen om hen op het verkeerde been te zetten. Maar het gaat God erom dat we in de geslachten als ouders de leefregels van Hem met daadkracht doorgeven en niet rechts en niet links af­wijken, wat er ook gebeurt. En er gebeurt veel. Er is ontzettend veel verleiding en afleiding. Daar moeten we met verve en met gezag van God tegenin gaan. We moeten niet bang zijn. We zijn veel te bang. Maar God wil ons bemoedi­gen, dat we op elke moment weer terug mogen komen en weer opnieuw mo­gen beginnen en dat we ons niet in de war hoeven laten brengen door wie of wat dan ook.

De HERE is goed. Hij gaat ons voor in de geslachten en het enkele feit dat we dit nu aan elkaar doorgeven is het bewijs dat God doorgaat in de geslachten. Geloofd en geprezen zij zijn Naam!

1 Kronieken 3:1-4:23

3 april [1]

3:1

Dit waren de zonen van David,…

3:4

Zes werden er hem in Hebron geboren, waar hij zeven jaar en zes maanden regeerde. En drieënendertig jaar regeerde hij te Jeruzalem.

3:10

De zoon van Salomo was Rehabeam; diens zoon was Abia, diens zoon Asa,…

4:1

De zonen van Juda waren: Perez, Hezron, Karmi, Hur en Sobal.

4:9

Jabez was de aanzienlijkste onder zijn broeders; zijn moeder had hem Jabez genoemd; want, zeide zij, ik heb hem met smart gebaard.

4:10

Jabez nu riep de God van Israël aan met de woorden: Wil mij toch overvloedig zegenen en mijn gebied vergroten; laat uw hand met mij zijn; weer van mij het kwade, zodat mij geen smart treft! En God schonk wat hij had gevraagd.

4:15

De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren:…

Wat een opsomming van de geslachtsregisters. We hebben de neiging om ze over te slaan, maar ze zijn toch uitermate belangrijk. Als de HERE God het belangrijk vindt om ze vast te leggen, dan moeten wij daar niet lichtvaardig aan voorbij gaan. Want dan kunnen we wel eens iets essentieels missen. God hecht belang aan de geslachten voor ons en aan de geslachten na ons. Hij heeft de wereld gemaakt. Hij heeft de mens naar zijn beeld geschapen, dus elk mens is belangrijk voor Hem. Hij wil dan ook dat elk mens in zijn zegen wandelt. Hij kijkt elk mens aan. Het is uiteraard heel belangrijk dat iemand in de wegen van God wandelt, opdat hij ook het volgende geslacht op het spoor van de weg des Heren brengt. Want, o zo vaak, is het zo vader, zo zoon. Dat zien we ook in de geschiedenis van Israël. Als de vader niet in de wegen des HEREN wan­delt, dan gaat het vaak ook in het volgende geslacht mis. Het is dan ook zoals de tien geboden zeggen: tot in het derde geslacht van degenen die Mij haten. Hoe wij onze kinderen opvoeden is van grote betekenis voor het volgende ge­slacht. Daarom hecht de HERE ook zo sterk aan de geslachten en vlak voordat ze het beloofde land intrekken roept hij het volk ook op om de kinderen zijn regels in te prenten. Om ze die altijd en overal te vertellen. Het gaat erom dat het doorgegeven wordt van geslacht tot geslacht. Doe je het niet dan gaat het verkeerd van geslacht tot geslacht. Dan moet er weer een opwekking komen alvorens er weer doorwerking komt van Gods Geest in de geslachten.

Daarom is het belangrijk dat we het Woord van God lezen en het bestuderen. Niet er maar een beetje bij leven, maar het ernstig nemen, het serieus bestude­ren en het ook serieus toepassen. En daar schort het nog wel eens aan. Want we worden er altijd vanaf gehaald om trouw de Bijbel te lezen. En dat is koren op de molen van de tegenstander van God.

We komen in dit geslachtsregister het kleine verhaal tegen van Jabez. Waarom worden alle namen achter elkaar opgenoemd, maar bij Jabez wordt even stil gestaan? Heel apart. Wat heeft het te betekenen? Misschien heeft het wel heel erg veel te betekenen, juist omdat hij er zo uitgelicht wordt. Kennelijk vindt God het te belangrijk om er niet zomaar aan voorbij te gaan. We geven het nog even door. Vers negen en tien. Jabez was de aanzienlijkste onder zijn broeders, zijn moeder had hem Jabez genoemd; want, zeide zij, ik heb hem met smart gebaard. Jabez nu riep de God van Israël aan met de woorden: Wil mij toch overvloedig zegenen en mijn gebied vergroten; laat uw hand met mij zijn; weer van mij het kwade; zodat mij geen smart treft! En God schonk wat hij had gevraagd. Een levensles. Een voorbeeld om te volgen. We moeten de God van Israël aanroepen. Hij was niet zo maar iemand maar de belangrijkste onder zijn broeders. Zijn moeder had hem zeker de weg van de HERE voorge­houden. Hij riep de God van Israël aan. Dat moeten we allemaal doen. Daar gaat het om. Als we de God van Israël aanroepen dan zitten we op het rechte spoor. Dat is de eerste les. Het is dan ook heel belangrijk om onze kinderen ook weer op te voeden in de vreze des HEREN, opdat ook zij de God van Is­raël aanroepen, enz., enz. Hij vraagt om een zegen, een overvloedige zegen. En dat is ook een les. Laten we de HERE God bidden om een overvloedige zegen. Want dat wil Hij toch geven aan een ieder die de Naam des HEREN aanroept. Wil mijn gebied vergroten. Dat is ook prachtig. Het gebied vergro­ten. Laat er glorie zijn. Laat het me goed gaan. Geef me een welvarende zaak. Opdat ik er U mee kan dienen en ook mijn naaste. En vooral: weer van mij het kwade, opdat geen smart mij treft! Dat is een gebed dat in het hart van een ieder moet zijn. Hoe licht kleeft ons de zonde aan? Hoe snel zitten we niet verkeerd? En daar komt alleen maar smart uit voort. HERE, help me dat ik op het goede spoor blijf. Wat een ootmoedig gebed. Het is heel concreet. Het is niet uit hoogmoed gebeden. Het is uit het hart van een rechtvaardig man. Hij wil de HERE dienen met geheel zijn hart, geheel zijn verstand en uit alle krachten. En dat is een gerechtvaardigde zaak. En het antwoord is dan ook: En God schonk wat hij had gevraagd! Het gaat er dus ook om dat we het de HERE vragen. We mogen daar heel concreet in zijn. Vaak laten we het een beetje zweven en geloven we het wel. We blijven in algemeenheden zitten, maar daar kan God niets mee. Nou niets? Hij is al zo genadig dat Hij ondanks onze vage gebeden toch heel wat zegen uitstort, maar naarmate we concreter bidden, zullen we ervaren dat Hij ons ook concreter kan verhoren, dat is een nog heerlijker zaak. We mogen Hem alles voorleggen. We moeten alles met Hem bespreken. En Hij kan er dan antwoord op geven.

Heerlijk wat een kort maar krachtig verhaal zo midden tussen deze geslachts­registers. Je zou wel eens willen weten wat er achter elk van de namen zit die genoemd zijn. We komen een aantal tegen als we straks van koning op koning komen. Dan zullen we ook verbaasd staan van wat er allemaal in gehoorzaam­heid maar ook in ongehoorzaamheid aan de HERE is gebeurd. Wat een ge­schiedenis. Wat een tragiek en ook wat een genade. Hoe groot moet het geduld van God wel niet zijn om het met zijn schepselen vol te houden? De zonde kleeft ze allemaal aan. Daarom mag ook ons gebed voortdurend zijn: HERE, weer van mij het kwade, zodat mij geen smart treft! Dat is wel het belangrijk­ste gebed. Dan zal Hij ons gebied ook vergroten, want als we Hem gehoorza­men, dan kan er ook aan gebedsverhoring worden gewerkt. Heerlijk toch om in het voetspoor van Koning Jezus te gaan. Dan ga je goed. God is een hoor­der en verhoorder van gebeden. Het is allemaal heel concreet, dat zien we hier maar weer.

Het is interessant om eens nauwkeurig na te gaan hoe het met al die namen zit en waar ze woonden en hoe ze in de geschiedenis zijn terecht gekomen. Want er is heel wat gebeurd. En al deze namen vallen binnen de belofte die de HERE aan Abraham gedaan heeft. En daar zijn ze dus allemaal bij betrokken tot ver in hun geslachten tot aan vandaag. Wat een fantastische plannen heeft de HERE God. Hij hecht waarde aan de stamboom. Wij dus ook. Zijn Koninkrijk komt.

1 Kronieken 4:24-5:26

4 april [1]

5:1

omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd,…

5:2

wel was Juda de sterkste onder zijn broeders…

5:3

maar het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozef – ,…

5:9

woonde hij langs de rand van de woestijn die zich van de rivier den Eufraat af uitstrekt;…

5:20

want zij riepen in de strijd tot God en Hij liet Zich door hen verbidden, omdat zij op Hem hadden vertrouwd.

5:25

Maar toen zij ontrouw werden jegens de God hunner vaderen…

5:26

de koning van Assur, en deze voerde hen weg:… waar zij zijn tot op den huidigen dag.

We komen opnieuw allerlei namen tegen. Ze hebben allemaal een plaats in het plan van God. Ze wonen allemaal ergens. En elke plaats is belangrijk in het plan van God. Ze wonen in het beloofde land. Ze moeten de heidenvolken ver­jagen en het land in bezit nemen. We komen allerlei namen tegen die we later bij de koningen ook weer tegenkomen. We zien ook dat God overwinning geeft, omdat ze in de strijd de naam des HEREN aangeroepen hebben. Dan verhoort God en geeft de overwinning. Het is alsof steeds opnieuw God er aan wil herinneren dat als er oorlog gevoerd moet worden, dat Hij dan de strijd voert en de overwinning geeft. Het is dan ook heel belangrijk dat ze bij elke stap die ze doen de HERE aanroepen en op Hem vertrouwen. Als in de loop der jaren de zonen van de halve stam van Manasse de goden van de heidenen achterna lopen, dan komt de toorn van God op en hij voert ze weg uit het land naar Assur waar ze tot op de huidige dag verblijven.

Zo zien we twee voorbeelden. De ene keer roept men de HERE God aan en de HERE verhoort, de andere keer gaat men er met de heidenen vandoor. En dan komt de toorn van God. Dat is niet de schuld van God, maar dat is de schuld van de mens. Hij weet waar hij het moet zoeken. God heeft zoveel wonderen gedaan. Ze weten dat God zijn eer niet laat roven. Ze weten ook dat God niet met zich laat spotten. Als jij het met de afgoden van de vijanden van God op een akkoordje gooit, dan moet je niet verbaasd opkijken als je je trekken thuis krijgt. Het is je eigen schuld en heel vaak sleep je ook nog een aantal onschul­dige mensen mee in het verderf. Het komt er dus echt op aan waar je voor kiest. Kies je voor God of kies je voor de tegenstander van God. Dat is steeds de strijd in Israël. Het gaat om God of om de tegenstander van God. Het is Gods uitverkoren volk en dat wordt dan ook steeds op een afschuwelijke ma­nier aangevallen. Daarom is de les, die we ook hier weer uit mogen leren. Dat God iedereen op het oog heeft. Hij houdt ook het geslachtsregister van ons bij. Hij heeft ook ons op het oog. Hij wil ook ons helpen. Hij wil ook ons op het goede spoor houden. Hij houdt ook ons Zijn geboden voor. Hij wil ook ons gebied vergroten. We moeten Hem dan aanroepen en Hem gehoorzamen. Dicht bij Hem blijven en niet links en niet rechts gaan. De verleidingen zijn vele. Van alle kanten loert de afval op ons. Maar we moeten ons niet in de war laten brengen. We hebben zijn Woord. We hebben zijn wapenrusting. We hebben zijn bescherming. En we weten wat er op het spel staat. Laat je niet in de war brengen. Blijf dicht bij Jezus. Hij zal je paden recht maken. Heerlijk toch. Wat een rust. Wat een zekerheid. Doen! Gewoon doen! Je ziet het maar weer in deze voorbeelden.

1 Kronieken 6:1-81

5 april [1]

6:3

de kinderen van Amram: Aäron, Mozes en Mirjam;…

6:10

Johanan verwekte Azarja; deze is het, die het priesterambt bekleedde in de tempel, die Salomo te Jeruzalem gebouwd had.

6:15

En Jozadak ging mede, toen de HERE (de bewoners) van Juda en Jeruzalem liet wegvoeren door Nebukadnezar.

6:24

diens zoon Uzzia en diens zoon Saul.

6:28

diens zoon Elkana en de zonen van Samuël: de eerstgeborene (Joël), en de tweede: Abia.

6:31

Dit waren degenen die David aanstelde om de zang in het huis des HEREN te leiden, nadat de ark haar rustplaats gevonden had;

6:32

vóór den tabernakel, de tent der samenkomst, deden zij dienst als zangers, totdat Salomo het huis des HEREN bouwde in Jeruzalem;…

6:39

Aan zijn rechterhand stond Asaf, zijn broeder;…

6:44

Aan de linkerzijde stonden hun broeders,…

6:48

Hun broeders, de Levieten, waren bestemd voor de gehele dienst van de tabernakel, het huis Gods.

6:49

Maar Aäron en zijn zonen hadden tot taak, de offers te brengen op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, en al het werk in het allerheiligste te verrichten en verzoening te doen over Israël, geheel overeenkomstig het gebod van Mozes, de knecht Gods.

6:57

Aan de zonen van Aäron gaf men de vrijstad Hebron,…

6:60

Al de steden, aan hun geslachten toegewezen, waren dertien steden.

De Levieten hadden geen apart deel. Zij waren afgezonderd voor de dienst in de tabernakel. De zonen van Aäron voor het brandofferaltaar en het reukoffer­altaar en voor de verzoening die gedaan moest worden. Het was allemaal heel goed geregeld. Ze kregen steden toegewezen en weidegronden. Ze hoefden zich geen zorgen te maken. Zo wilde God het. We komen het later tegen als de vader van Johannes dienst doet in de tempel volgens zijn afdeling. Dat was een hoge eer. Dat kwam niet veel voor. Want er waren heel wat priesters. Hij moet dus een zoon zijn van Aäron. Verder zijn de Levieten ook degenen die muziek moeten maken voor de tabernakel. Dat was een hele afdeling. God hecht waarde aan het maken van muziek. Het loven en prijzen van Hem is niet alleen een hemelse zaak, maar ook een aardse. Je kunt niet genoeg aandacht schenken aan de HERE te loven en te prijzen. De muziek werd gemaakt. We lezen daarover als de tempel wordt ingewijd. Wat een feest. De instrumenten worden met name genoemd. De muziekmeesters maakten de muziek. De psal­men van David waren ook op muziek gezet. Ik denk dat alle psalmen gezongen werden. Daar werd dan muziek op gemaakt. Misschien lazen ze ook wel ge­dichten op zoals wij doen.

Hoe prachtig was de tabernakel toebereid. Hoe precies moest die niet ge­bouwd worden. Alles wat voor de HERE is, kun je niet mooi genoeg, niet pre­cies genoeg, maken. God hecht er erg veel waarde aan dat we zaak precies doen en houden. Dat is heel belangrijk. We lezen het later ook als de tempel gebouwd wordt. Het mooiste is niet mooi genoeg. En je moet er ook heilig mee omgaan. Je moet er niet mee marchanderen. We komen dat later ook weer tegen. Daar waar God woont daar heerst heiligheid en eerbied. Daar is alles perfect en daar is volkomen afhankelijkheid van Hem. Want God is een Heilig God. Hij verwacht alle aanbidding en alle eerbied. Want Hij verdient het ook. Want Hij is onze Maker. Hij moet gediend worden door een hele stam. Een hele stam apart gezet voor de eredienst. Dat is niet niks. Hoeveel tijd en ener­gie willen wij besteden aan de eredienst die wij erop na houden? Het is be­langrijk dat we dat heel serieus nemen. We moeten er maar eens over naden­ken. Er zit zoveel zinnebeeldige eredienst in alle details van de priesterdienst. We komen dat steeds door heel de bijbelse geschiedenis tegen. Het is ook allemaal zeer gedetailleerd omschreven. We zijn er veel van kwijt geraakt. Met de HERE Jezus de wet vervuld is, maar toch is het heel goed om te weten hoe belangrijk alle onderdelen waren om te begrijpen hoe belangrijk God het vindt om heel nauwgezet gediend te worden.

God is groot. De tempel was het mooiste wat je kunt bedenken. Je kunt je dan ook voorstellen dat Israël, als het optrok naar de tempel, verheugd was om de luister van de tempel te zien. Om te weten dat God in hun midden woont en dat ze alle kracht van Hem kunnen verwachten. Hij is er altijd. Hij wil je zege­nen als je gehoorzaam zijn stem volgt. En het is feest als je ontdekt hoe gewel­dig het is om uit de liefde en de almacht van God te leven. Glorie voor zijn Naam! We zullen het nog vaak tegenkomen. Tot op vandaag toe. Prijs de Heer! Een lied welt op in mijn hart. Dat kan toch ook niet anders.

1 Kronieken 7:1-40

6 april [1]

7:5

waren allen tezamen, zevenentachtigduizend, in het register ingeschreven.

Het was allemaal in het register ingeschreven. Ze woonden allemaal op vast­gestelde plaatsen. Dat was bekend bij iedereen. God houdt van orde. Hij had het land precies verdeeld, zoals Hij het wilde. Was er een bepaalde reden om het zo te doen? Heeft het iets te maken met de zegen die Jakob hen meegege­ven had? Er moet toch wel een bepaalde reden zijn om het land zo in te delen als het gebeurd is. Het is interessant om nader te weten hoe al die stambomen nu in elkaar zitten. Je komt verschillende namen elders ook weer tegen. Hoe zijn al die volken verder ontwikkeld? Want op een gegeven moment zijn ze ook allemaal in ballingschap gegaan. Zijn ze toen stamsgewijs blijven wonen en zijn ze stamsgewijs ook verder uitgezworven onder de volken. Hoe is het dan dat ze onder de volken zijn verspreid? Niet vreemd natuurlijk, want ze zijn verbannen, omdat ze de afgoden dienden en dat zullen zij in den vreemde ook wel hebben gedaan. Maar waar zijn ze dan gebleven? Hier worden al pre­cieze aantallen genoemd en met naam en toenaam. Die registers zullen zeker daarna ook bijgehouden zijn. Hoe kan men anders zo precies het geslachtsre­gister van de HERE Jezus terugrekenen? Dan kan men dat ook van anderen. Wat heeft het ons te zeggen?

We denken dat het allemaal niet belangrijk is, maar hoe langer je daar over nadenkt hoe belangrijker het wordt. Het heeft ook te maken met de straf van God. Welke stammen zijn verstrooid en nooit meer teruggekeerd en welke stammen zijn wel teruggekeerd? Van de stammen Juda en Benjamin en een deel van de Priesters/Levieten zijn er teruggekeerd. Maar van de anderen is er nauwelijks iemand teruggekeerd. Tijdens de ballingschap hebben de Joden de tempeldienst en nog hun geloof vastgehouden. Denk aan Daniël en zijn vrien­den en ook anderen. Daar is een hele traditie uit voortgekomen. Die Joden hebben zich blijvend onderscheiden van de afgodendienst van de overheer­sers. Daar hebben ze het ook knap lastig mee gehad, ze zijn keer op keer ver­volgd, omdat ze niet wilden buigen voor de afgodendienst. Tot op vandaag toe. Het antisemitisme zit er diep in en als God niet telkens uitredding had ge­geven, dan zou het heel goed mogelijk zijn dat ze allemaal zouden zijn uitge­roeid. Hoe is het mogelijk dat met de laatste holocaust er zes miljoen zijn ver­moord? Dat is je toch niet voor te stellen. En toch is het gebeurd.

Wanneer je het antisemitisme van vandaag ziet, dan slaat de schrik je om het hart. Waar moet dat heen? Armageddon. Daar zal de grote eindstrijd plaats­vinden. We zullen nog wat meemaken. Het is dan ook ontzettend belangrijk dat we de Bijbel bestuderen. Het zijn de profeten die spreken. De woorden van God. Het is God die zijn plan volvoert. We moeten letten op de eenheid van de Schrift. Meer dan ooit noodzakelijk dat we aan de slag gaan om het Woord weer aan het woord te laten. Heerlijk om daar mee bezig te zijn. Je raakt er al maar enthousiaster van. Glorie voor zijn Naam. Prijs de Heer! Wie had kunnen denken dat je ooit nog enthousiast zou kunnen worden over een geslachtsregister?

1 Kronieken 8:1-40

7 april [1]

8:28

Dit waren familiehoofden, hoofden over hun geslachten; zij woonden te Jeruzalem.

8:33

En Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul,…

8:40

Deze allen behoorden tot de zonen van Benjamin.

We kunnen hier kort over zijn. Het meeste is al gezegd. Behalve dat ook over deze geslachtslijnen we later ook nog weer veel tegenkomen. Je moet er ge­duld voor hebben om het allemaal eens uit te pluizen. Ik ben er van overtuigd dat je dan ook in profetisch perspectief nog weer heel wat vergezichten tegen­komt. Maar dat kan later misschien nog wel eens gebeuren. Ik kan niet genoeg herhalen hoe bijzonder het is dat God en het volk zoveel waarde hecht aan het gedetailleerd omschrijven van de geslachten en hun woonplaatsen en zo nu en dan ook bijzonderheden die kennelijk wezenlijk waren voor de geslachten. Het is alsof God niet genoeg kan benadrukken dat Hij dit volk en dit land heeft uitgekozen om zijn wederopbouwplan met de wereld gestalte te geven!

1 Kronieken 9:1-44

8 april [1]

9:1

Geheel Israël was in registers opgenomen; zij waren opgeschreven in het boek der koningen van Israël. De Judeeërs werden naar Babel weggevoerd om hun ontrouw.

9:2

En de eersten, die zich weer op hun bezitting in hun steden kwamen vestigen, waren gewone Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de tempelhorigen.

9:13

wakkere mannen voor het dienstwerk in het huis Gods.

9:19

de Korachieten, hadden in het dienstwerk de taak van dorpelwachters bij de tent. Hun vaderen waren immers bij de legerplaats des HEREN bewakers van de ingang geweest;…

9:26

Zij hadden ook het opzicht over de vertrekken en de schatkamers van het huis Gods;

9:27

en rondom het huis Gods overnachtten zij, want de bewaking rustte op hen, en ook moesten zij elke morgen openen.

9:32

hadden tot taak, elke sabbat het toonbrood neer te leggen.

9:33

Maar de zangers, die in de vertrekken vertoefden, – familiehoofden der Levieten – dezen waren vrij van andere dienst; het was hun opgedragen dag en nacht met hun werk bezig te zijn.

9:39

Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonathan,…

De bevolking van Jeruzalem wordt apart opgesomd. Het is me in het geheel niet duidelijk waarom al deze mensen in Jeruzalem woonden en niet in hun stamgebied. Het kan zijn dat ze een bepaalde taak hadden in Jeruzalem. Zoals dat voor de dorpelwachters het geval was. Hun taak wordt uitgebreid omschre­ven. Ze hadden een taak om de veiligheid te garanderen. De schatten te bewa­ken. Dienst te doen in de tempel om alles via geregelde orde te laten verlopen in de dienst van het huis. Er wordt zelfs vermeld dat geregeld was wie elke week verantwoordelijk was dat het toonbrood op de tafel kwam. De zangers hadden geen andere taak dan om dag en nacht bezig te zijn met hun werk. Dat wordt heel specifiek apart vermeld. Heel interessant. Je zou haast denken dat de mensen vonden dat ze er best iets bij zouden kunnen doen. Je bent toch niet de hele dag met zingen bezig? Dat kan toch niet? Maar, nee hoor. De zangers moeten er wel dag en nacht mee bezig zijn. Dat is een teken hoe belangrijk de HERE God zang en muziek vindt. Daar moet je al de aandacht aan schenken. Want de HERE wil de hele dag geloofd en geprezen worden. En je moet ook steeds weer nieuwe muziek gaan bedenken. En er moet geoefend worden. Want niets is goed genoeg voor de HERE. Hoe mooi zal het niet geklonken hebben. Wat een precisie, wat een zuivere stemmen. Je zou het zo wel eens willen horen. Hoe zou het geklonken hebben? Weten we dat? Vast heel mooi. De mensen zullen er van onder de indruk zijn geweest. Het zal fantastisch ge­weest zijn als de tempeldienst in volle gang was en de mensen zich verheug­den over de muziek en de zang en de macht en majesteit en de pracht en praal van de tempel. Prachtig! Wat mooi! En dat alles schitterend in de zon. Het kon niet op. Want er kan toch ook niets mooier zijn dan dat alles gewijd is aan de dienst van God. Daar heb je toch ook alles voor over. Daar wil je niet op be­knibbelen. Daar word je enthousiast van. Daar schiet je gemoed vol van. Dat word je allemaal te veel. Heerlijk om te verkeren in het huis van de HERE. Geen wonder dat de psalmdichters daar ook keer op keer helemaal van ver­vuld raken. Net als wij.

Het hoofdstuk eindigt met het geslachtsregister van de Gibeonieten waar Saul van afstamt.

1 Kronieken 10:1-11:9

9 april [1]

10:1

sloegen de mannen van Israël op de vlucht voor de Filistijnen,…

10:2

en zij doodden Jonathan, Abinadab en Malkisua, de zonen van Saul.

10:4

En Saul zeide tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek mij daarmee,… Daarop nam Saul het zwaard en stortte zich erin.

10:7

waarna de Filistijnen kwamen en zich daarin nestelden.

10:10

Zijn wapenrusting legden zij neer in den tempel van hun god, maar zijn schedel hechtten zij aan de tempel van Dagon.

10:12

begroeven hun gebeente onder den terebint te Jabes, waarna zij zeven dagen vastten.

10:13

Zo stierf Saul, omdat hij de HERE ontrouw geweest was, omdat hij het woord des HEREN niet in acht had genomen, ja, zelfs de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd had,…

10:14

Daarom doodde Hij hem en deed het koningschap overgaan op David, de zoon van Isaï.

11:3

Dus kwamen alle oudsten van Israël bij de koning te Hebron, en David sloot met hen voor het aangezicht des HEREN te Hebron een verbond; daarop zalfden zij David tot koning over Israël, naar het woord des HEREN door de dienst van Samuël.

11:5

maar David veroverde de burcht Sion, dat is de stad Davids.

11:6

En Joab, de zoon van Zeruja, klom het eerst naar boven, daarom werd hij aanvoerder.

11:7

En David ging in den burcht wonen;…

11:9

En David nam steeds toe in grootheid en de HERE der heerscharen was met hem.

Een kort verhaal van Saul hier in dit boek der Kronieken. In Koningen wordt er uitgebreider over gesproken. Hier lezen we over zijn einde. Wij denken aan de strijd en bespreken de strategie en komen tot de conclusie dat Saul er wel­licht beter aan gedaan had om een andere strategie te kiezen. Echter het gaat niet om onze strategie, maar gaat er om of God er achter staat. Saul moest de strijd verliezen. Hij had de HERE God niet gevolgd. Hij was ongehoorzaam geweest. Hij had zelfs de geest van een dode opgeroepen. En dat is het einde. God gaat niet verder met de gezalfde. Want dat was hij. God had hem zelf ge­kozen. Maar je blijft wel zelf verantwoordelijk voor wat je doet. Je kunt je dan niet alles veroorloven. Het schept ook een verplichting. Je moet dan in de we­gen van God wandelen. Het is een tragisch einde. Ook Jonathan sneuvelt. Vre­selijk voor David. Hij was de boezemvriend van David. Dood op het slagveld en nog twee broers van hem. Wanneer Saul ziet dat de vijand hem in het vizier heeft, vraagt hij zijn wapendrager hem te doden, maar deze weigert. Dan stort Saul zich in zijn eigen zwaard en sterft. Vreselijk. Ze vinden hem en hakken zijn hoofd eraf en die hangt even later aan de muur van de tempel van Dagon. En zijn wapenrusting ligt erbij. De mannen van Jabes nemen de lijken mee en begraven die en daarna vasten ze zeven dagen. Een roemloos einde van Saul. De Filistijnen nestelen zich in de veroverde gebieden. Wat een afgang. Wat een tragiek. Wat kan ongehoorzaamheid aan de HERE God tragische en alom­vattende consequenties hebben. Het is, o zo, belangrijk om in de weg van de HERE te blijven. Dan ga je de goede kant uit.

David wordt koning. De HERE had hem ook al geroepen. De oudsten komen bijeen en beloven trouw aan David. Ze sluiten een verbond en David wordt in Hebron tot koning gezalfd, naar het woord dat de HERE door Samuël gespro­ken had. David trekt naar Jebus en verovert de burcht Sion. Onneembaar zei­den ze, maar Joab klimt als eerste naar boven en wordt dan ook de aanvoerder. Dappere helden. David gaat op Sion wonen. Hij versterkt de stad aan alle kan­ten. Jeruzalem ligt op een hoge berg en het ligt er prachtig. Het is een onneem­bare vesting. Het is een prachtige stad. David nam steeds meer toe in groot­heid, en de HERE der heerscharen was met hem. Dat is heerlijk. Het is heer­lijk om te weten dat je dicht bij de HERE mag blijven wonen. Vertrouw maar op Hem. Dan zal Hij je verhogen. Want wie zich voor Hem vernedert, die zal verhoogd worden. Dan gaat het niet om de verhoging dat je de belangrijkste wordt in de ogen van de mensen, maar dat je weet dat je door de HERE God in de positie waarin je zit onhoog getrokken bent en dus met Hem ook de ver­gezichten krijgt van het eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Dat is heerlijk. Daar kan niets tegen op. Je kunt dan dorpelwachter zijn, maar toch veel hoger zijn dan welke machthebber zonder God ook. Want het gaat erom dat je met God bent en dat bepaalt je positie. Heerlijk om bij die God te horen. Daar ben je voor eeuwig aan het goede adres. Kom!

1 Kronieken 11:10-47

10 april [1]

11:10

Dit zijn de aanvoerders van Davids helden,…

11:11

Dit is dan de opsomming van de helden van David: Jasobam, de zoon van Hachmoni, aanvoeder van de dertig; hij zwaaide zijn speer over driehonderd, die in één keer verslagen waren.

11:14

wisten het te behouden en versloegen de Filistijnen; een grote overwinning schonk de HERE.

11:15

Eens daalden drie van de dertig aanvoerders af naar de rots,…

11:17

O, dat iemand mij water te drinken gaf uit de put van Betlehem,…

11:19

En hij wilde het niet drinken. Dit hebben de drie helden gedaan.

11:22

en doodde daarin een leeuw.

11:23

maar hij ging met een stok op hem toe, rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer.

Het waren geen doetjes. Het waren echt helden. Dertig in getal. En dat waren de aanvoerders van David. Dat was ook wel nodig. Want toen Saul achter hem aanzat, waren de vijanden van David vele. Hij moest zich telkens verdedigen. Uit heel het land waren er sterke helden bij hem gekomen. Ze worden bij na­me genoemd en van sommigen worden de heldendaden gememoreerd. En ja, als je dat zo leest, dan moet je wel lef hebben om met gevaar voor eigen leven op de vijand af te gaan. Ze deinsden niet terug voor hun vijanden. De HERE gaf een grote overwinning, staat er dan zo tussen. David wist dat je wel moed moet hebben en niet bang moet zijn en op de vijand af moet gaan, maar dat de overwinning van God moet komen. En zo is het. De mannen die water haalden bij de bron bij de poort van Betlehem speelden met hun leven een gewaagd spel. David is er geheel van onder de indruk. Hij wilde graag het water drin­ken, maar als ze dan met het water komen, dan kan hij het niet drinken. Zo on­der de indruk is hij van de heldenmoed van deze mannen. Ze hebben hun le­ven op het spel gezet. God heeft hen beschermd. Dat moet wel. Want mense­lijk is dat toch eigelijk niet mogelijk.

Dat moeten we telkens ook zelf weer voor ogen houden. We moeten wel de strijd ingaan. We moeten niet bij de pakken neerzitten. We moeten risico’s nemen en dat kan op allerlei vlak, maar we moeten steeds weer beseffen dat ons leven en ons werken in de handen van de HERE is. We moeten Hem vol­gen en gehoorzaam zijn. Hij geeft de overwinning. Hij weet wat goed voor ons is. We zijn in zijn hand. Dat geldt elk moment van het leven. Ook het leven van David. David weet dat maar al te goed. We komen het keer op keer tegen in zijn psalmen. Hij schuilt bij de HERE. Hij weet zich daar veilig. Ook al loert de vijand op zijn leven. De HERE is zijn hulp en zijn sterkte. De HERE is groot. Wat een zegen. Wat een zekerheid. Wat een genade. Hoe kun je an­ders leven? De vijand loert aan alle kanten. Maar de enige strijd die gestreden moet worden is om de vijanden van God een toontje lager te doen zingen. En dat weten we maar al te goed. David is de man naar Gods hart en die willen ze voortdurend uit de weg ruimen. En daar steekt God een stokje voor. Hij be­schermt hem. Hij brengt hem in de druk, maar uit die alle redt Hij hem.

Wat een heldendaden. Een leeuw gedood; een boom van een man gedood met zijn eigen, een weversboom dikke, speer; drie honderd man gedood; het ter­rein niet prijsgeven met z’n drieën en de vijand ging op de loop. Ongetwijfeld zijn er nog veel meer verhalen op te sommen. Het was me wel een krachtig stel aanvoerders, onverschrokken. Dat kun je zijn als je je overgeeft aan de almacht van God. David wandelde met God en hij zag Hem als zijn Aanvoer­der. Dat geeft je kracht en overgave. Dan ga je de slag in, want met God spring je over een muur. Dat geldt ook voor vandaag. Een goede strijd ge­wenst!

1 Kronieken 12:1-13:14

11 april [1]

12:1

Ook zij behoorden tot de helden, de helpers in den strijd, met bogen uitgerust,

12:2

bekwaam om zowel rechter- als linkerhand te gebruiken bij het slingeren van stenen en het schieten met pijl en boog.

12:8

er uit ziende als leeuwen, en vlug als gazellen op de bergen:…

12:18

Heil hem die u helpt! Want u helpt uw God.

12:19

Ook uit Manasse liepen er tot David over,…

12:22

Want van dag tot dag kwamen er tot David om hem te helpen, tot het een groot leger werd, als een leger Gods.

12:29

Van de Benjaminieten, de stamgenoten van Saul, drieduizend;…

12:38

Deze allen, strijders in gelid geschaard, kwamen met een volkomen toegewijd hart naar Hebron, om David koning te maken over geheel Israël; ook al de overige Israëlieten waren één van zin om David koning te maken.

12:40

want er was vreugde in Israël.

13:2

dat zij tot ons samenkomen;

13:3

en laten wij de ark van onze God naar ons overbrengen, want wij hebben in de dagen van Saul ons om haar niet bekommerd.

13:8

En David en geheel Israël dansten uit alle macht voor Gods aangezicht, begeleid door zang en door muziek van citers, harpen, tamboerijnen, cimbalen en trompetten.

13:9

Maar toen zij bij den dorsvloer van Kidon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit om de ark te grijpen, daar de runderen uitgleden.

13:10

De toorn des HEREN ontbrandde tegen Uzza; Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestrekt; hij stierf daar voor Gods aangezicht.

13:11

David was diep getroffen, omdat de HERE zulk een zware slag aan Uzza had toegebracht;…

13:12

Te dien dage werd David bevreesd voor God, en hij zeide: Hoe zou ik de ark Gods tot mij brengen?

13:13

Daarom nam David de ark niet bij zich in de stad Davids,…

13:14

En de ark Gods bleef drie maanden bij het gezin van Obed-Edom, in zijn huis; en de HERE zegende het huis van Obed-Edom en al wat hij bezat.

Elke dag voegden zich krijgers bij het leger van David. Hij zou koning worden in de plaats van Saul. En dat zou een hele strijd worden. Het waren dappere helden. Ze worden zeer poëtisch beschreven. Ze konden stenen slingeren met beide handen. Ze zagen er uit als leeuwen, als gazellen op de bergen. Zo vlug als water dus. Zo sterk als je je maar voor kunt stellen. Het worden er totaal duizenden en duizenden. Een groot leger. Dat moet Saul ook niet zijn ontgaan. Uit elke stam kwamen er duizenden. Ze waren allen samen getrokken bij He­bron. En de HERE was met David. Dat vraagt een hele organisatie. Om van al die losse mensen een hecht leger te maken, dan moet je wel over organisatieta­lent en krijgsmanskunst beschikken. Maar dat had David wel. Als ze samenge­trokken zijn, dan houden ze krijgsraad. Heel het volk komt samen. En is grote vreugde. Er wordt gegeten en gedronken.

Dan zegt David dat hij de ark ook bij zich wil hebben. Want Saul heeft gedu­rende zijn regering niet naar de ark omgezien. Daar klopt niets van. En het lijkt goed in de ogen van het volk. Er worden nieuwe wagens gemaakt, de ark wordt erop gezet en naar de legerplaats vervoerd. Het is groot feest. Met Da­vid voorop danst het volk van grote vreugde. Wat een feest. Maar dan glijden de runderen uit en Uzza grijpt naar de ark om te voorkomen dat die er af zou vallen. De toorn van de HERE God ontbrandt, want hij heeft de heilige ark aangeraakt. En Uzza sterft ter plaatse. Grote schrik slaat op het volk. David is diep geraakt door de grote slag die Uzza is toegebracht. Hoe is het mogelijk? Uzza deed toch wat hij moest doen. Hij beschermde toch de ark om niet van de wagen te vallen? En nu dit. David wordt bevreesd voor de heiligheid van God. Hij beseft dat de HERE soeverein is. Hij kan zich de ark niet zomaar toe-eigenen, maar de ark moet hem in het gareel houden. God heeft de leiding over Davids leven en niet andersom. Het kunnen goede bedoelingen zijn ge­weest om de ark bij zich te willen hebben. Maar daarmee is niet alles gezegd. David beseft dat hij de ark niet bij zich moet willen hebben, omdat hij dat zo nodig vindt. Hij laat de ark dan ook bij het huis van Obed-Edom. De ark blijft daar drie maanden.

Saul riep de afgoden aan. Hij raadpleegde de tovenaars. Hij verliet de HERE. David wordt geroepen als de jongste, de minste van zijn broeders om tot ko­ning gezalfd te worden. Het is een hele strijd. God heeft de leiding, wij kun­nen naar Hem opzien en alles van Hem verwachten. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen. Een ding is zeker, dat God niets anders wil dan ons zegenen en in zijn Koninkrijk opnemen. Dat gebeurt temidden van een grote strijd, want de boze gaat rond als een briesende leeuw. Hoe mooi was het met Saul begonnen. En hoe snel wordt er al weer roet in het eten gegooid. Dat kan toch niet de be­doeling zijn? Alles wat God wil, wordt aangevallen door de tegenstander van God. Hij zal proberen om dat komende Koninkrijk van God zoveel mogelijk te weren. En dat gebeurt vanaf het begin van de zondeval. En dat weten we tot op vandaag toe. De zonde heerst in ons als een slagschaduw door heel het le­ven heen. We weten dat dat eens zal ophouden als Hij al zijn vijanden onder Zijn voeten heeft verslagen. En daar mogen we door Gods genade naar uit­zien. Wat een belofte. En hoe kunnen we daar naar verlangen met heel ons hart. Verlang er dan ook naar!

1 Kronieken 14:1-16:6

12 april [1]

14:2

want zijn koningschap werd hoog verheven, ter wille van zijn volk Israël.

14:10

Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult Gij hen in mijn macht geven? En de HERE antwoordde hem: Trek op, Ik geef hen in uw macht.

14:12

Zij lieten daar zelfs hun goden achter, en op bevel van David verbrandde men ze met vuur.

14:14

raadpleegde David God opnieuw, en God zeide tot hem: Trek niet op, achter hen aan; maak een omtrekkende beweging, zodat gij hen kunt aanvallen van de kant der balsemstruiken.

14:15

want dan is God vóór u uitgetrokken om het leger der Filistijnen te verslaan.

14:17

de HERE legde de schrik voor hem op alle volken.

15:1

bereidde een plaats voor de ark Gods en spande voor haar een tent.

15:12

heiligt u, gij en uw broeders,…

15:13

Want daar gij het de vorige keer niet gedaan hebt, heeft de HERE, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd, zoals het behoorde.

15:15

De Levieten nu droegen de ark Gods, met draagbomen op hun schouders, gelijk Mozes naar het woord des HEREN geboden had.

15:16

de zangers, op te stellen met muziekinstrumenten, harpen, citers en cimbalen, om luide vreugdeklanken te laten horen.

15:19

De zangers Heman, Asaf en Ethan met koperen cimbalen om muziek te maken;…

15:21

met citers, acht tonen lager, ter begeleiding.

15:24

bliezen op de trompetten voor de ark Gods;…

15:28

Geheel Israël haalde de ark van het verbond des HEREN onder gejubel en hoorngeschal, met trompetten en cimbalen, spelend op harpen en citers.

15:29

keek Michal, de dochter van Saul, uit het venster en zag koning David huppelen en dansen; en zij verachtte hem in haar hart.

16:2

zegende hij het volk in de naam des HEREN…

16:4

om de HERE, de God van Israël, te roemen, te loven en te prijzen.

16:5

Asaf was het hoofd;…

16:6

voortdurend speelden voor de ark van het verbond Gods.

David neemt toe in achting. Hij bemerkt dat de HERE met hem is. Hij bouwt zich huizen. Hij neemt ook meer vrouwen. Hij wordt een machtige koning. De Filistijnen proberen hem een kopje kleiner te maken. Ze willen overgaan tot de aanval. David roept de HERE aan. Hij vraagt of God hen in zijn macht zal geven en of hij op moet trekken. God zegt, trek op, want Ik geef hen in je macht. En zo gebeurt het. Het is dus altijd heel belangrijk dat je God aanroept in alles wat je doet. Want het is God die de overwinning geeft. Hij voert de strijd. Je moet wel gaan. Je moet je wel bewapenen. Je moet wel aan de slag. Je moet wel je krijgsplan maken. Maar je moet heel goed beseffen dat de strijd niet van jou is, maar van de HERE. Bij alles wat je in je leven doet, moet je wandelen met de HERE God. Dat is niet gelaten afwachten, omdat je er toch niets aan kunt doen. Nee, dat is actief meedoen in het plan van God. God ge­hoorzamen en in zijn wegen wandelen, zodat je doet de werken, die Hij al voor je voorbereid heeft. Dat is het geheim. Dat is de kracht. Daar word je blij van.

We zien het hier. De volgende keer raadpleegt David God weer. Maar dan is het antwoord: Trek niet op, maar maak een omtrekkende beweging. En zo ge­beurt het. God geeft dan weer de overwinning. Ze moeten wel strijden. Het gaat er hard aan toe; maar het is duidelijk dat het de strijd van God is. David moet alleen maar gehoorzamen. Daar komt het dus steeds weer op aan. God voert de strijd. En dat moet ons er toe dwingen om gehoorzaam in zijn wegen te wandelen. Hij weet wat goed voor ons is. Hij voert ons aan. Hij helpt ons. Hij is de God van hemel en aarde. Wij moeten niet denken dat wij het God wel eens even zullen vertellen. We moeten heel eenvoudig gehoorzaam zijn. Dan zijn we geen onnuttige, nietswaardige mensenkinderen. Neen. Dan wor­den we door Hem verhoogd. Dan kan Hij ons gebruiken in zijn dienst. Dan zijn we trouwe dienaren en dan zal Hij ons hoge posten geven. En zo is het. David is een man naar Gods hart. God voert Hem op grote hoogte. Hij is in aanzien bij alle omringende volkeren. Een machtige koning. De God van Da­vid is met hem.

Het wordt ook tijd dat de ark naar Jeruzalem komt. David spant een tent. De Levieten moeten zich heiligen. Wat er de vorige keer gebeurd is zit David nog in de benen. De HERE heeft een zware slag toegebracht. Dat kwam omdat ze zich niet geheiligd hadden. Ze hadden de ark op een wagen gezet. Terwijl God gezegd had dat de Levieten de ark moesten dragen met draagbomen. Het komt er bij God op aan dat je tot in details gehoorzaamt. Als God zegt, doe het zo, dan moet jij niet denken dat het anders ook wel kan. Dan kom je verkeerd uit. Dat hadden ze de vorige keer gezien. Dus, David doet het nu zoals God het heeft voorgeschreven. En dan is het groot feest. De muziek is tot in de puntjes geregeld. Het transport is geregeld. De ark komt in Jeruzalem. David gaat voorop, al huppelend en dansend. Het is fantastisch; wat een luidruchtige toe­stand is dat geweest. Wat een belang wordt gehecht aan muziek en zang. We komen hier de naam van Asaf tegen. Hij is de opperzangmeester. Hij moet het allemaal regelen. En het is geregeld, want de Levieten zijn geroepen om de HERE God te dienen en dat waren er heel wat. Ik zou willen dat ze er een op­name van gemaakt hadden. Hoe zou dat allemaal geklonken hebben. In ieder geval met veel vreugde en beweging. Het is feest. Er worden offers gebracht. En David zegent het volk in de Naam van de HERE. Hij is de Koning, Profeet. Hij zegent het volk. Iedereen eet mee. Ze maken allemaal deel uit van het gro­te feest. De ark is in de stad. David spande een tent en de ark werd daarin ge­plaatst. Wat een grote vreugde.

1 Kronieken 16:7-43

13 april [1]

16:7

Toen, op die dag, droeg David voor de eerste maal Asaf en zijn broeders op, de HERE te loven:

16:8

Looft de HERE, roept zijn naam aan,
maakt onder de volken zijn daden bekend;

16:9

zingt Hem, psalmzingt Hem,
gewaagt van al zijn wonderen.

16:11

Vraagt naar de HERE en zijn sterkte,…

16:14

zijn oordelen gaan over de ganse aarde;

16:15

Gedenkt voor immer aan zijn verbond,…

16:16

dat Hij met Abraham sloot,…

16:17

voor Israël tot een eeuwig verbond,

16:18

toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven
als het u toegemeten erfdeel.

16:21

gedoogde Hij niet, dat enig mens hen verdrukte,…

16:22

Raakt mijn gezalfden niet aan,
en doet mijn profeten geen kwaad.

16:23

Zingt de HERE, gij ganse aarde,…

16:25

Want de HERE is groot en zeer te prijzen,…

16:26

want alle goden der volken zijn afgoden,
maar de HERE heeft de hemel gemaakt;…

16:29

Buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos,…

16:31

De HERE is koning.

16:33

dan zullen de bomen des wouds jubelen
voor de HERE, want Hij komt om de aarde te richten.

16:34

Looft de HERE, want Hij is goed,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

16:35

En zegt: Verlos ons, o God van ons heil,
verzamel ons en red ons uit de volken,
opdat wij uw heiligen naam loven,
ons beroemen in uw lof.

16:36

Geprezen zij de HERE God, de God Israëls,
van eeuwigheid en tot eeuwigheid.
En al het volk zeide: Amen, en: Loof de HERE.

16:37

om bestendig dienst te doen vóór de ark,…

16:41

die met name waren aangewezen, om aan te heffen: Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Wat een feest. Wat een geweldige sfeer. Wat een lof tot God. Wat een machti­ge gebeurtenis. Dat had je toch niet willen missen? Daar word je blij van. Daar wil je bij horen. En het was allemaal tot in de puntjes geregeld. Het was één groot feest. Wat een aandacht voor de instrumenten en de muziek. Wat een detail aandacht dat alles goed verliep. Het was allemaal ook logistiek in orde. De Levieten gaven hun dienst. David had er voor gezorgd dat alles ging volgens het voorschrift, zoals God dat in zijn wetten had gezegd. Zo was het elke dag weer volgens de voorschriften. Niets mocht aan het toeval overgela­ten worden. Er was een vaste liturgie. Voor de gebeden, voor de liederen, voor de offers, voor de aflossing.

Dan wordt het lied aangeheven. Davids lofzang. Dat is één grote ode aan de macht en de Majesteit, de grootheid van de HERE God. Hij wordt in dit lied bezongen en geëerd. De HERE is groot. Hij is machtig. Looft Hem en zorg dat je Hem gehoorzaamt. Doe wat Hij zegt en dan kom je goed uit. De HERE is groot en nooit genoeg te prijzen. Hij maakt zijn sterkte bekend aan de volken. Kijk eens wat voor grote wonderdaden Hij gedaan heeft. Hij heeft dit land aan Abraham beloofd als een altijddurende belofte en het herhaalt aan Isaäk en Jakob. Daar is geen speld tussen te krijgen. Hij duldt niet dat zijn volk in de druk komt. Hij redt hen uit de benauwdheden. Hij vraagt ook om gehoorzaam­heid. Hij wil dat zijn volk Hem gehoorzaamt. Hij houdt hen de wet voor. Hij is lankmoedig en groot van goedertierenheid. Laat dit al de volken weten. Ver­kondigt zijn Naam. De HERE is koning en de hele schepping weet het. Dat is onze grote Koning en Hij zal ons richten in gerechtigheid. Hij wil ons redden uit de macht van de tegenstander. Wij moeten heel dicht bij Hem blijven. Dan gaat het goed. Hij wil ons verlossen uit boze machten. Hij redt ons. Hij leidt ons. Zijn woord is de waarheid. Zijn weg is dé weg. Het is onvoorstelbaar groot om hem te kunnen loven en prijzen. Het is een geweldig lied. Je wordt er blij van. Richt je hele zijn op God de Schepper van hemel en aarde en van ieder van ons. Dan zal je ontdekken dat je mag leven in zijn nabijheid. Hij voert je op hoge bergen waar je geweldige vergezichten hebt van zijn Almacht in jouw leven. Je staat versteld van God in je leven. Het maakt je blij en geeft je kracht. Het draagt je door dit leven. Glorie voor zijn Naam! Prijst de HERE!

1 Kronieken 17:1-18:17

14 april [1]

17:1

Zie, ik woon in een cederen paleis, terwijl de ark van het verbond des HEREN onder tentkleden staat.

17:2

Toen zeide Nathan tot David: Doe alwat in uw hart is, want God is met u.

17:4

Zo zegt de HERE: Niet gij zult Mij een huis bouwen om in te wonen,…

17:6

Waarom bouwt gij Mij niet een huis van cederhout?

17:7

Ik zelf heb u gehaald uit de weide, van achter de schapen, om vorst te zijn over mijn volk Israël,…

17:10

Ook kondig Ik u aan: De HERE zal u een huis bouwen.

17:12

Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor immer bevestigen.

17:13

Ik zal hem tot een Vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn; mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem doen wijken,…

17:14

en zijn troon zal vast staan voor altijd.

17:17

daarom hebt Gij aangaande het huis van uw knecht gesproken over de verre toekomst, en in mij een rij mensen gezien in opgaande lijn,…

17:21

En welk volk is gelijk Israël, het enige volk op de aarde, dat God Zich tot een volk ging vrijkopen,…

17:22

Gij hebt uw volk Israël voor altijd U tot een volk gemaakt, en Gij, HERE, waart hun tot een God.

17:23

doe zoals Gij gesproken hebt.

17:27

Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd.

18:6

De HERE gaf David de overwinning overal waar hij heentrok.

18:14

Toen David over geheel Israël koning was geworden, handhaafde hij recht en gerechtigheid onder zijn gehele volk.

18:17

en de zonen van David waren de voornaamsten die de koning terzijde stonden.

Het was goed bedoeld van David. Hij woonde in een prachtig paleis en de HERE in een tent. Dat kon niet zo blijven. God moest ook in zo’n huis wonen. Maar daar steekt God een stokje voor. Hij hoeft niet in een prachtig huis te wonen omdat David in zo’n huis woont. Daar gaat het niet om. God kan wel voor Zich zorgen. Dat zegt God dan ook. Heb Ik ooit gevraagd om in zo’n ce­derhuis te wonen? Ik zal Zelf een huis voor Mij bouwen. En David: Waar kom je zelf vandaan? Ik heb je achter schapen vandaan gehaald. Je hoeft je dan ook niets te verbeelden. God is het Die je leven leidt. En dat weet David ook. Hij komt onder de indruk van de woorden van God. Hij hoort dat God het koning­schap aan hem zal bevestigen van geslacht tot geslacht. Hij ziet het profetisch perspectief, dat God in de geslachten een belofte vervult. Hij ziet dat God tot zijn recht zal komen en zijn eeuwig Koningschap zal vestigen. God heeft het volk geroepen. God heeft de beloften aan Abraham gedaan. God roept zijn kinderen. Hij verdrijft de goddeloze volkeren. Hij baant Zich een weg. Hij volvoert zijn plan. Vast en zeker. Niet aan twijfelen.

David is er van onder de indruk. Hij dankt de HERE God. Hij krijgt er niet ge­noeg van. Hij ervaart dat hij te maken heeft met een heilige God. Hij looft en prijst de HERE God. Het is ook onvoorstelbaar hoe de HERE zich openbaart. Het staat er ook weer als een bemoediging naar ons toe. Het is niet zo dat het alleen maar zo was in de dagen van David. Het geldt ook vandaag. We mogen weten dat God ook in liefde naar ons, naar mij, naar u, naar jou omziet. Hij heeft zijn Zoon, de Messias, gezonden om onze zonden te vergeven en ons op te nemen in zijn heerlijkheid. Dat is het grootste wat je je kunt voorstellen. Het is een enorme stap voorwaarts in de vestiging van zijn eeuwig Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Het is geweldig. En daar mogen we uit leven. En daar kunnen we met David de HERE God voor loven en prijzen. Want dat is een zekerheid waar we niet aan kunnen twijfelen. Het is de zoveelste bevesti­ging dat wat God belooft ook gebeurt. En dan is het nu uitzien naar de komst van dat Koninkrijk, dat met kracht zal komen. Daar zal ook Israël een duide­lijke plaats in hebben. Want er is een directe band tussen wat hier staat als een eeuwige belofte en de vervulling die komen gaat. Het is niet zo, dat deze be­loften op een of andere manier zijn verdwenen met de komst van de Messias. Zijn komst is een vervulling en daar mogen we in gaan staan, samen met Da­vid en alle profeten. Het is geweldig om zo de nieuwe hemel en de nieuwe aarde te verwachten waarop gerechtigheid woont. Wat een perspectief. Ook hier weer is het zo duidelijk door God Zelf in zijn Woord bevestigd. Wat moet het voor David een indrukwekkende verschijning van God geweest zijn. Het is geweldig. En wij, ook vandaag, kunnen daarvan genieten en ons er mede in verheugen.

God zegent David. Hij legt de vijanden aan zijn voeten. Hij bevestigt inder­daad zijn koningschap tot aan de Eufraat toe. Hij brengt grote rijkdom. De volkeren weten dat de HERE met David is. Ze komen zelfs al naar hem toe. En de organisatie van zijn land en zijn huis is in goede handen. Zijn zonen zijn zijn naaste raadgevers. Hij is een groot koning.

1 Kronieken 19:1-20:8

15 april [1]

19:3

Veeleer is het, om het land te verkennen en te gronde te richten;…

19:5

Blijf te Jericho, totdat uw baard weer aangegroeid is, en komt dan terug.

19:13

De HERE doe wat goed is in zijn ogen.

19:19

en Aram wilde de Ammonieten niet weer te hulp komen.

20:1

en verwoestte het land van de Ammonieten;…

20:2

zij bevatte een kostbare steen. Die werd op het hoofd van David gezet.

20:5

die een spies had met een schacht als een weversboom.

20:6

en daar was een man van zeer grote lengte, die zes vingers en zes tenen had,…

20:7

Hij hoonde Israël en Jonathan, de zoon van Simea, Davids broeder, versloeg hem.

David brengt ook rust in de omringende landen. Hij probeert de nieuwe ko­ning van de Ammonieten tot vriend te houden maar deze vernedert hem mid­dels zijn feliciterende dienaren. Dat komt de Ammonieten duur te staan. Even­als Aram, die te hulp schoot. Joab, zegt de HERE: Doe wat goed is in zijn ogen. De HERE brengt de nederlaag toe aan Aram en de Ammonieten en Da­vid hoeft niets meer te vrezen. Ook de Filistijnen zijn opstandig. Maar God geeft de overwinning. Er is een broer van Goliath die wordt gedood. Hij had een spies als een weversboom. Ook zo’n krachtpatser. Zo’n geweldenaar. Waar komen ze vandaan? Maar ze worden gedood. Ze worden verslagen. Ook de man met zes tenen en zes vingers, vierentwintig in totaal, staat er zo gede­tailleerd bij. David bracht recht en gerechtigheid in zijn land. Er was rust. En de mensen konden hun gang gaan. Het was vrede. En hij had alle macht om ook vrede in de landen er omheen te brengen.

God was met David, want David was met God. Dat is belangrijk. Als we vrede in ons hart hebben, dan hebben we ook vrede in ons leven en kunnen we ook vrede rondom ons zelf gaan verspreiden. Want het gaat er om dat we met God leven. Er zijn zoveel mensen die denken het zonder God te kunnen doen. Maar dat is niet het geval. Het gaat erom dat we Jezus volgen op de weg, die Hij voor ons uitgestippeld heeft. Dat is recht en gerechtigheid doen. Dat is de lief­de van God uitstralen. Dat is de HERE dienen en zijn geboden onderhouden. En die geboden zijn niet moeilijk. Die geboden zijn niet te ver. Die moet je in je hart sluiten. En dan gaat God zijn gang met jou. Hij weet wat goed voor je is. Dat is toch heerlijk. Daar kunnen we mee vooruit. Zo is elk gedeelte uit Gods Woord weer een bemoediging en een oproep. Het wijst altijd op God. Het wijst altijd op de liefde van de Here Jezus. Het is verzoening van de schuld en het opstaan in het nieuwe leven met de kracht die God daarvoor geeft. Dan wordt alles om je heen in een ander daglicht gezet. Dan zie je het lijden en het leven en het geluk en alles wat je kan overkomen in het perspec­tief van de eeuwigheid, waar het paradijs weer hersteld is en waarvan we met al ons lek en gebrek, door genade, al onderdeel van mogen zijn. Door genade, want als we het zelf hadden moeten verdienen, dan was het al verloren voordat we begonnen.

1 Kronieken 21:1-22:19

16 april [1]

21:1

Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen.

21:3

Waarom moet daardoor een schuld op Israël komen?

21:5

één miljoen honderdduizend man, die het zwaard konden voeren; en Juda telde vierhonderdzeventigduizend man, die het zwaard konden voeren.

21:7

Maar deze zaak was kwaad in Gods ogen, en Hij sloeg Israël.

21:10

kies u er één van;…

21:12

òf drie jaren hongersnood, òf drie maanden vluchten voor uw tegenstanders,… òf drie dagen… de pest,…

21:14

Dus bracht de HERE de pest over Israël, en er vielen van Israël zeventigduizend man.

21:16

met in zijn hand het getrokken zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem;…

21:26

die hem antwoordde met vuur uit den hemel op het brandofferaltaar.

21:27

Toen gaf de HERE de engel bevel, zijn zwaard in de schede te steken.

22:1

Toen zeide David: Dit is het huis van de HERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.

22:5

ik wil dus voorbereidselen voor hem treffen.

22:8

Gij hebt veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd;…

22:10

Ik zal zijn koninklijke troon in Israël voor immer bevestigen.

22:13

Wees sterk en moedig; vrees niet en wees niet verschrikt.

22:16

Op dan, aan de arbeid! De HERE zij met u.

22:19

Zet nu uw hart en uw ziel erop, de HERE, uw God, te zoeken. Op dan!

Dat had God verboden. Het zit hem niet in het getal. De HERE regeert. Maar de satan keerde zich tegen Israël en zette David aan om het volk te tellen. En zo gebeurt het. David telt het volk. Dan komt de straf. David ziet in wat hij ge­daan heeft. De straf wordt gegeven. Hij kan kiezen uit drie dingen. Vreselijk. Wat een keuze. Er vallen dan zeventigduizend mensen door de pest. David weet niet waar hij het zoeken moet. Hij heeft gezondigd en om zijn zonden moeten mensen sterven. Hij roept God aan. De engel des Heren staat met ge­trokken zwaard om Jeruzalem te verwoesten, maar God zegt: Stop! Wacht even! David ziet het en roept de HERE aan. Hij moet een altaar bouwen en dan geeft de HERE vuur op het brandofferaltaar. Wat een kracht en macht van God. Daarna steekt de engel zijn zwaard in zijn schede. Het gevaar is gewe­ken. Maar het kwam heel dichtbij. God laat niet met zich spotten. De satan gaat tekeer en hij probeert steeds de dingen die niet van God zijn in ons hart te leggen, maar dan gaat het verkeerd. Zo zie je maar. Wat kan een zonde vrese­lijke gevolgen hebben Het is verschrikkelijk.

David beseft dat Gods huis gebouwd moet worden. Zo aangeslagen is hij. Hij zegt: dit altaar wat ik gebouwd heb, dat is het begin van het huis des HEREN. Maar hij mag het niet bouwen, want hij heeft veel bloed aan zijn handen en heeft grote oorlogen gevoerd. God heeft gezegd dat zijn zoon het heiligdom zal bouwen. God zal hem rust geven van alle zijden. Maar David kan haast niet wachten en begint al vast al het materiaal te verzamelen. Want de tempel van God moet mooier worden dan alle tempels van de afgoden rondom. Het is onvoorstelbaar hoeveel materiaal hij verzamelt. En hij moedigt zijn zoon Salo­mo aan om de tempel te gaan bouwen. En er zal voorspoed zijn als je je stipt aan de geboden van God houdt, zegt David. Kom aan, begin! Wees niet bang. Heb goede moed. Aan de slag. Wat een prachtig plan. Hoe belangrijk om dicht bij de HERE te blijven. Blijf in het huis des HEREN. Looft en prijst Hem! Blijf dicht bij zijn geboden, dan gaat het je goed. Dan is Hij altijd bij je. Doen! Op dan!

1 Kronieken 23:1-24:31

17 april [1]

23:1

Toen David oud geworden was en van het leven verzadigd, maakte hij zijn zoon Salomo koning over Israël,…

23:3

achtendertigduizend.

23:4

vierentwintigduizend op het werk van het huis des HEREN toezicht houden; zesduizend zullen opzieners en rechters zijn;

23:5

vierduizend poortwachters; en vierduizend zullen de HERE prijzen op de instrumenten, die ik voor het lofprijzen heb laten maken.

23:13

De zonen van Amram: Aäron en Mozes; Aäron werd afgezonderd, opdat hij voor altijd als allerheiligst geheiligd zou worden,…

23:30

en moesten voorts elke morgen en elke avond gereedstaan om de HERE te loven en te prijzen,…

24:19

Dit zijn hun dienstgroepen voor hun ambtswerk, opdat zij het huis des HEREN zouden binnengaan volgens de verordeningen, hun gegeven door hun vader Aäron, naar hetgeen de HERE, de God van Israël, hem geboden had.

Wat een orde. Alles tot in de puntjes geregeld. Met naam en toenaam ge­noemd. Het is de HERE ernst met elk persoon. Hij kijkt hen als groep aan, maar ook als een persoon die in de dienst des HEREN een taak heeft. In hun geslachten. Het wordt allemaal nauwkeurig omschreven. Het zijn verordenin­gen die de HERE Aäron gegeven heeft en zo moeten ze uitgevoerd worden. Het gaat ordelijk toe in het huis des Heren. Het moet elke dag opnieuw feil­loos lopen. Iedereen moet weten waar hij aan toe is. Zo is het de wil van de HERE. En zo komt het de eredienst in de tempel ten goede. Daar kunnen we telkens een voorbeeld aan nemen. Fantastisch om dat te zien.

We hebben de neiging om al die geslachtsregisters over te slaan. Wat zeggen ons al die namen? Dat is ook zo. Maar ze staan er allemaal in met een bedoe­ling. We komen die geslachtsregisters steeds weer tegen. Mattheüs en Lucas beginnen ook met een geslachtsregister. Ze herleiden de Messias terug naar zijn wortels. En kijk eens, het klopt. Hij zal voor altijd zitten op de troon van zijn vader David. Dat is een belofte en die belofte is waar. Wij vergeten vaak onze historie. We hebben zo weinig historisch besef. Maar het is uitermate be­langrijk dat we daarmee bezig blijven. Het is belangrijk om het telkens maar weer aan de volgende geslachten door te geven. Want we zijn allemaal onder­deel van de geschiedenis in onze geslachten. Wat het ene geslacht doorgeeft aan het volgende is heel essentieel voor dat geslacht. We lezen het ook in de wet. Wat jij als ouder doorgeeft aan de kinderen, dat blijft gevolgen hebben tot in het derde en het vierde geslacht. Daarom is het zo belangrijk hoe we de kinderen opvoeden.

Daarom hecht God eraan dat er ook zoveel orde is in de dienst des HERE. We lezen ook dat er van de zesendertigduizend, vierduizend zijn die de HERE moeten loven en prijzen met de muziekinstrumenten die David al gemaakt heeft. Dat is dus ongeveer tien procent van alle werkers die zich enkel moeten bezighouden met loven en prijzen. Elke morgen en elke avond. Dat is nog al wat. Dus op elke honderd zijn dat er tien. Dat is nog eens goed geregeld. Het was dus heel belangrijk dat de HERE werd geprezen en geloofd. We hebben te maken met een God waar we eeuwig dank aan verschuldigd zijn. Hij is onze God. Bij Hem kunnen we schuilen. Voor Hem gaan de vijanden op de loop. Hij laat ons nooit alleen. Hij is geweldig! Prijs de HERE!

1 Kronieken 25:1-26:32

18 april [1]

25:1

de zonen van Asaf, Heman en Jeduthun, die profeteerden bij het spel van citers, harpen en cimbalen.

25:3

onder leiding van hun vader Jeduthun, die bij het spel van de citer profeteerde onder het loven en prijzen van den HERE.

25:5

Deze allen waren zonen van Heman, de ziener des konings, die de woorden Gods vertolkte, om de hoorn te verhogen;…

25:7

en hun aantal bedroeg met inbegrip van hun broeders die onderricht waren in de zang voor de HERE, allen die volleerd waren: tweehonderd achtentachtig.

26:8

kloeke mannen, tot de dienst bekwaam: tweeënzestig uit het geslacht van Obed-Edom.

26:26

en zijn broeders hadden het opzicht over alle schatten van de geheiligde voorwerpen,…

26:29

waren Kenanja en zijn zonen in de buitendienst als beambten en rechters over Israël werkzaam.

26:31

en er werden dappere helden onder hen gevonden…

26:32

voor alles wat de dienst van God en de zaken van den koning betrof.

De zangers hebben een heel speciale taak. Het waren er dus vierduizend. Uit de geslachten van Asaf, Heman en Jeduthun. En ze hadden een eigen oplei­ding. Je kwam maar niet zó bij de zangers. Wat moet dat mooi geklonken heb­ben; hun instrumenten waren citers, harpen en cimbalen. Ze speelden en zon­gen niet alleen, maar ze profeteerden ook en ze legden de woorden van de HERE uit. Ze werden ook volgens een bepaalde orde van dienst ingedeeld. Er was orde in het hele huis des HEREN. Wat moet het mooi geweest zijn dat er elke morgen en elke avond muziek was in de tempel. Wat een prachtig ge­zicht. Hoe belangrijk is het niet dat er lofprijzing en eredienst is. Muziek en zegen. In de kerk moet er altijd aandacht blijven voor zang en muziek. Het moet niet een soort opvulling zijn, maar lofprijs is een wezenlijk onderdeel. Het is ook niet zonder betekenis dat (koor)zang in ons land zo’n belangrijke plaats heeft in de eredienst en in het culturele leven van Nederland. Dat moe­ten we zo houden en dat moeten we cultiveren. Heerlijk toch?

HERE God, dank U wel voor de grote genade die ons ten deel valt. Dank U voor de prachtige muziek. Dank U voor de eeuwige psalmen. Wat een heerlijk erfgoed. Daar krijg je nooit genoeg van. HERE God, we loven en we prijzen U. Dank U wel voor al uw zegen en hulp en genade. U wilt ons laten genieten van uw schatten van schoonheid. Voor U is niets te mooi. Daarom willen we U eren en loven en prijzen. Glorie voor uw Naam!

1 Kronieken 27:1-34

19 april [1]

27:1

die de koning dienden in alle zaken betreffende de legerafdelingen, waarvan er maandelijks één opkwam en een ander met verlof ging,… elke afdeling telde vierentwintigduizend man.

27:24

en Joab,de zoon van Zeruja, was wel met het tellen begonnen, maar had dit niet voleindigd, omdat hierdoor toorn Gods over Israël gekomen was.

27:31

Deze allen waren de beheerders van de have van koning David.

27:32

Jonathan, Davids oom, was raadsheer, een man van inzicht en een schrijver;…

27:33

Achitofel was eveneens een raadsheer… terwijl de Arkiet Husai des konings vriend was;… Jojada,… en Abjathar. Krijgsoverste van de koning was Joab.

Er was orde in het leger. Elke maand kwam vierentwintigduizend man op van­uit de verschillende afdelingen. En elke maand ging er een afdeling met ver­lof. Zo roteerde dat het hele jaar door. Er was een goed systeem. En over elke stam was ook een overste. Dan staat er dat de mannen onder de twintig niet waren geteld. Joab was er mee begonnen maar had het niet afgemaakt, want de toorn des Heren was over Israël gekomen.

Daarna volgt de indeling over de goederen, over elk dier en over elk gewas. Er was steeds iemand aangewezen die daar de scepter over zwaaide. Ook in eco­nomische zin heerste er orde in het huis van de koning. Het kostte heel wat om de koning te onderhouden. Daarvoor had de HERE God ook gewaarschuwd, maar ze hadden erop gestaan dat ze een koning zouden hebben. Nou, dan zùl je ook een koning hebben. Er kwamen dus twaalf maal vierentwintigduizend man op die de koning moesten dienen. Dat is in totaal zo’n driehonderddui­zend man. Dat is het leger van koning David dat in zijn huis was. Dat moest het volk opbrengen.

Dan volgen aan het slot de raadsheren van David, mannen van verstand en wijsheid en schrijvers. Dat waren de naaste medewerkers van de koning. Daarnaast was er Joab, de krijgsoverste. Hij gaat over het leger. Husai, de vriend van de koning, wordt eveneens genoemd. Het is weer opvallend dat alle namen worden genoemd. Het is voor de HERE heel belangrijk, wie wie is en wat hij doet en in welke hoedanigheid. De HERE hecht aan de taak en de ta­lenten die iemand inzet in zijn Koninkrijk. Wij denken vaak: Wat doet het er­toe? En hoe kan de HERE nu mij gebruiken? Wat voor talent heb ik eigenlijk? Ik ben een ‘nobody’. Ik ben niet belangrijk; die anderen zijn veel belangrijker. Maar zo is het niet. Voor God is iedereen belangrijk. Hij ziet de mens aan in zijn talenten. Niet wat hij niet heeft is belangrijk, maar wat hij wèl heeft. Wij doen het vaak andersom. En dat is niet goed. We moeten het zien vanuit God. De een is raadsheer en de ander dient in het leger. De een is schaapherder en de ander is de vriend van de koning. We hebben allemaal een plaats in het lichaam van Christus. De voet en het oog zijn even belangrijk. Ja, zelfs de kleinste edele delen zijn belangrijker dan andere meer opvallende. We kunnen niet zonder elkaar. Als we dat meer zouden zien, dan zou het er allemaal een beetje vriendelijker uitzien. Nu, dat kan dus vanaf vandaag. Want daar begin­nen we dus nu mee. Doen! Je zult zien dat het werkt. In de eerste plaats voor jezelf. Want je zult heel anders tegen jezelf en de anderen en de wereld aankij­ken. En daar gaat het de HERE God om. Hij kijkt tegen ons aan alsof Hij ons bijna goddelijk gemaakt heeft. Wij mogen dan ook met dankbaarheid en eer teruggrijpen en Hem loven en prijzen, zoals Hij ons gemaakt heeft. Soms is dat met beperkingen, door leeftijd of verstand of lichamelijke handicap. Maar dat is allemaal uiterlijk. Hij kijkt het hart aan. En uit het hart wil Hij de liefde, die Hij eerst gegeven heeft, zien. Dat is samenleven. Glorie voor zijn Naam! Halleluja!

1 Kronieken 28:1-21

20 april [1]

28:1

David riep te Jeruzalem samen alle oversten van Israël, de oversten der stammen, de oversten van de afdelingen die de koning dienden, de oversten over duizend, de oversten over honderd en de beheerders van alle have en vee van de koning en van zijn zonen, tezamen met de hovelingen, de helden en alle weerbare mannen.

28:2

Ik zelf had het voornemen, een huis der rust te bouwen voor de ark van het verbond des HEREN en voor de voetbank van onze God; ik heb de bouw dan ook voorbereid.

28:3

Gij moogt voor mijn naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en gij hebt bloed vergoten.

28:4

Toch heeft de HERE, de God van Israël, mij uit mijn gehele familie verkoren om voor altijd koning te zijn over Israël;…

28:8

en voor altijd geven tot een erfenis aan uw zonen na u.

28:9

want de HERE doorzoekt alle harten en doorgrondt al wat de gedachten beramen. Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden, doch indien gij Hem verlaat, zal Hij u voor eeuwig verwerpen.

28:10

Zie nu, hoe de HERE u heeft verkoren om een huis ten heiligdom te bouwen; wees sterk en doe het.

28:12

ook het ontwerp van alles wat hij in zijn geest had bedacht:…

28:19

Alles staat in een geschrift, ontvangen uit de hand des HEREN, waarin Hij mij onderrichtte aangaande de gehele uitvoering van het ontwerp.

28:20

Toen zeide David tot zijn zoon Salomo: Wees sterk en moedig, en doe het: vrees niet en wees niet verschrikt, want de HERE God, mijn God, is met u. Hij zal u niet begeven en u niet verlaten, totdat al het werk voor de dienst van het huis des HEREN gereed is.

David roept ze allemaal bijeen. Hij heeft een belangrijke mededeling te doen. En daar staan ze dan. God heeft hem opdracht gegeven de tempel niet te bou­wen. Hij heeft bloed aan zijn handen. Hij heeft wel alle voorbereidingen ge­troffen. Alles ligt klaar. En dat is evenzeer een gigantisch werk geweest. Zijn zoon Salomo krijgt de opdracht. Aan zijn huis is voor eeuwig de troon verbon­den. Het is Gods plan met dit volk. Gods plan met de wereld. Wij zien er dui­delijk doorheen het plan om de Messias geboren te laten worden. God kiest zich een volk uit om voor eeuwig te wonen. Jeruzalem is de stad van zijn wo­ning. Daar zal Hij voor eeuwig wonen. Hij heeft een plan met de wereld. God laat de mensheid niet in de steek. De mens is geboren om voor eeuwig te le­ven. Hij is nu onderworpen aan de zonde. Hij sterft. De oproep is om gehoor­zaam te zijn aan God. Dan zal Hij voor eeuwig zegenen. Het is de steeds weer­kerende, klemmende oproep. Volg de Here Jezus. Geloof in God. Hij heeft het goede met de mensen voor. Hij wil zegenen. Hij wil niet oordelen. Als je niet in Hem gelooft, dan heb je het oordeel over jezelf gehaald. Dat is toch een duidelijke en eerlijke zaak. God heeft de mensen lief. Daarom is Hij bezig om alles te herstellen. Glorie voor zijn Naam!

David heeft alles van de HERE vernomen hoe de tempel gebouwd moet wor­den. Die wordt in opzet overeenkomstig de tabernakel. God hecht eraan om alles gedetailleerd op te laten schrijven. Hij wil het precies zoals Hij wil. On­voorstelbaar wat een voorbereiding. Wat een goud. Geweldig! Het is onvoor­stelbaar wat de HERE doet. Het is een enorm werk. David zegt tegen Salomo: wees sterk en moedig en doe het werk. Het zal rust en vrede zijn in het land. En de Levieten zijn daar om het werk in de tempel te doen, zoals de HERE het bevolen heeft. Niets kan goed genoeg zijn voor de HERE. Je geeft alles wat je hebt om te dienen in de dienst des HEREN. Als God alles voor jou gedaan heeft, dan wil jij toch ook alles voor Hem doen? Glorie voor zijn Naam! Je wordt er toch steeds maar weer enthousiast van hoe de HERE voor zijn volk, voor deze wereld, voor de mensen, voor ons, voor mij, wil zorgen. Als je het gaat ontdekken dan komt elk verslag in de Bijbel, maar ook elke gebeurtenis in je leven, in een perspectief van de eeuwigheid te staan. Ziet u het al zitten? Het wordt steeds mooier.

1 Kronieken 29:1-30

21 april [1]

29:1

want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de HERE God.

29:3

Maar nu schenk ik nog bovendien, uit liefde voor het huis van mijn God,…

29:5

Wie verklaart zich nu bereid, om heden de HERE zijn gave te schenken?

29:9

Het volk verheugde zich over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de HERE;…

29:10

Geprezen zijt Gij, HERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

29:11

Van U, o HERE, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o HERE, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven.

29:12

Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken.

29:13

Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam.

29:14

Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand.

29:15

Voorwaar, wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop, HERE, onze God,

29:16

al deze rijkdom die wij bijeengebracht hebben om U een huis te bouwen voor uw heiligen naam, komt uit uw hand; U behoort het alles.

29:17

Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid – ik heb in oprechtheid mijns harten U dit alles vrijwillig gegeven; nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht.

29:18

HERE, God van onze vaderen Abraham, Isaäk en Israël, houd deze gezindheid in het hart van uw volk voor altijd in stand, en richt hun hart op U.

29:19

En geef mijn zoon Salomo een volkomen toegewijd hart, opdat hij uw geboden, uw getuigenissen en uw inzettingen onderhoudt, het alles volbrengt, en de burcht, die ik heb ontworpen, bouwt.

29:20

Toen prees de gehele gemeente de HERE, de God hunner vaderen, knielde en boog zich neder voor den HERE en voor de koning.

29:22

riepen Salomo, de zoon van David, andermaal tot koning uit…

29:25

De HERE gaf Salomo een uitermate groot aanzien bij geheel Israël…

29:27

en de tijd, die hij over Israël regeerde, was veertig jaar; in Hebron regeerde hij zeven, in Jeruzalem drieëndertig jaar.

29:28

Toen hij in goede ouderdom, verzadigd van leven, rijkdom en eer, gestorven was, werd zijn zoon Salomo koning in zijn plaats.

Wat moet dat mooi geweest zijn. Het is de moeite waard om eens alle edelste­nen te bestuderen die onderdeel van het huis van God waren. En de hoeveel­heid goud en zilver en materialen, die voor het huis des HEREN verzameld werden door David en het volk. David gaf naast, wat hij allemaal verzameld had, ook nog een grote schat uit zijn eigen huis. Daarna vraagt hij aan het volk of zij ook willen geven. En ze gaven met een gewillig hart en met grote vreug­de. Opnieuw volgt er een opsomming van de schatten, die het volk geeft. Het is je niet voor te stellen. Er komt geen einde aan. Wat een vreugde! Wat een zegen! Ze krijgen er niet genoeg van om aan de HERE, hun God te geven. Als ze het allemaal bij elkaar zien, dan worden ze nog blijer. Ze geven veel en ze worden er blij van ook. Zo gaat dat als je met een vreugdevol hart geeft; dan word je er alleen maar blij van. Als je geeft aan de ander dan heb je de eerste vreugde zelf. Je geeft niet weg. Je krijgt alleen maar terug. En dat terugkrij­gen, dat maakt je blij. Bovendien, als je het resultaat ziet, dan kun je je vreug­de helemaal niet op. Wat een geweldige hoeveelheid gaven worden ingeza­meld. Je geniet ook van wat er samen is ingebracht. Wat een vreugde! Wat een zegen! David is er verheugd over. Het is een grote schat gegeven door heel het volk. Dat wat je samen doet, dat verenigt, dat geeft eenheid.

Want het gaat ook om het huis van God. Want deze burcht is niet voor een mens bestemd, zegt David, maar voor de HERE God. Stel je voor; dan is ook niets goed genoeg voor de HERE God. Dan wil je ook wel geven. Want het is grote vreugde. Salomo, de enige die God heeft verkoren, is nog maar een ten­gere knaap. Ze helpen Salomo en de HERE God. En als al dat goud en zilver verzameld is, dan kan het niet anders, dan dat David uitbarst in een lofprijzing aan de HERE God. Dan kan het niet anders, dan dat alle dank teruggaat naar God. Alles wat ze hebben, hebben ze immers van God. En de bereidheid om te geven, die komt ook van de HERE God zelf. Zij zijn het niet die zo goed zijn. Welnee. Want als ze op zichzelf zien, dan zijn ze niet zulke braven. Neen, het is de HERE God zelf, die het willen en het werken in hun hart gelegd heeft. Heerlijk toch om dat te zeggen en te zien. Zo is alles van God. Hem komt alle eer toe. Hij is de heerser over de hemel en de aarde. Hij is de Maker van alle dingen. Hij is de Schepper van de hemel en van de aarde. Hij is God. Wij zijn bijwoners op aarde. Als God niet naar ons omgezien had, dan waren we ner­gens. Wat denken we wel, dat we zijn? Wat hebben we vaak een hoge dunk van ons zelf. We zijn zijn schepselen. Wij hebben ons zelf niet gemaakt. Hij heeft ons gemaakt. Wij zijn zijn maaksel, om Hem te loven en te prijzen tot in eeuwigheid.

Zo gaat David door. Het is een prachtig voorbeeld, om de HERE te loven en te prijzen. Hem te danken tot in eeuwigheid. Hem te loven. Wie zijn we eigen­lijk? We zijn een stofje aan de weegschaal, een zucht in de wind en we zijn er niet meer. We komen en we gaan. En toch heeft God ons bijna goddelijk ge­maakt. We zijn gemaakt naar het beeld van God. Helemaal. Psalm 8, Genesis 1 en 2. Dat is je toch niet voor te stellen. Wij nietige mensenkinderen zijn ge­maakt naar het beeld van God. God hecht er grote waarde aan, om met ieder van ons persoonlijk een relatie te hebben. En het werkt. Want het is werkelijk­heid, het is waar. We zien het voor onze ogen. We zien het hier in deze prach­tige geschiedschrijving. Wat is er hier een kracht en een momentum. Wat moet dat een groot feest geweest zijn bij die grote hoop rijkdom aan gaven. Wat kan daar een mooi huis van gebouwd worden.

Zie je de oude David en de jonge Salomo? Het volk begint ook te loven en te prijzen. Ze knielen neer voor God en voor David en voor Salomo. Ze zalven Salomo andermaal tot koning en Zadok tot priester. Wat een heilig moment. Wat een grote vreugde. Je zou er wel bij willen zijn. Het feest kan niet op. Glorie voor God! Salomo bestijgt de troon. Hij is de gezalfde van God. God heeft hem Zelf als enige uitgekozen. Het is niet Salomo die de troon bestijgt, het is de HERE God die Salomo op de troon zet. En zo is het. Wij zijn het niet zelf, die op een voetstuk staan. Het is de HERE God die ons opheft en voor zijn aangezicht plaatst en zegt: Ik heb jullie gemaakt. Jij bent naar mijn beeld gemaakt. Volg Mij! Zie naar Mij! Ik heb alles in mijn hand. Ik weet wel dat de vijanden op de loer liggen. Ik weet wel dat je het zelf ook allemaal niet kunt. Maar Ik ben er altijd. Ik bescherm je. Ik omring je. Van voren en van achteren. Zit er maar niet over in. Mijn macht en majesteit gaan boven alle problemen uit. Heerlijk toch? En eens komt er de tijd, dat alle boze machten onderworpen zijn en Ik mijn rijk van recht en gerechtigheid grondvest. Alle volken zullen zien, dat Ik de Schepper ben van hemel en van aarde. Glorie voor zijn Naam!

Vader David bidt, dat zijn zoon Salomo een volkomen toegewijd hart mag hebben, dat hij de geboden van God, zijn getuigenissen en inzettingen naarstig onderhoudt. Wat een gebed van een vader. Dat mag ons gebed zijn voor onze kinderen. Naarstig onderhouden. Dat wil zeggen, ijverig en oprecht, geen compromissen, alert zijn op de zonde, de duivel, die probeert om ons een loer te draaien. Naarstig. Dat woord moeten we erin houden. De zonde sluipt in, daar waar we een beetje beginnen te marchanderen.

David sterft. Salomo komt op de troon. Wat een feest. David is verzadigd van het leven, van zijn rijkdom en van zijn macht. Zeven jaar regeerde hij in He­bron en drieëndertig jaar in Jeruzalem. De stad van de grote Koning. De stad van God. Er moet nog een boek zijn waarin alles beschreven is. Ik zou wel willen dat het er ook nog was. Dan zouden we ons nog meer kunnen verheu­gen in de almacht van God.