2 Kronieken 1:1-2:18

22 april [1]

1:1

Salomo, de zoon van David, betoonde zich krachtig in zijn koningschap; de HERE, zijn God, was met hem en maakte hem uitermate machtig.

1:10

Geef mij thans wijsheid en kennis, dat ik voor dit volk kan uitgaan en ingaan, want wie zal dit grote volk van U kunnen richten?

1:12

zo zij de wijsheid en de kennis u gegeven; bovendien zal Ik u rijkdom, schatten en eer geven, zoals de koningen vóór u niet gehad hebben en na u niet zullen hebben.

2:1

Salomo beval een tempel te bouwen voor de naam des HEREN en een koninklijk paleis voor zichzelf.

2:5

Het huis, dat ik ga bouwen, zal groot zijn, want onze God is groter dan alle goden.

2:6

Wie zou in staat zijn om voor Hem een huis te bouwen, want de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan Hem niet bevatten. Wie ben ik dan, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, indien het niet was om voor zijn aangezicht offers te ontsteken?

2:17

Toen telde Salomo al de mannelijke vreemdelingen, die in het land van Israël waren, na de telling die zijn vader David had gehouden, en er bleken er honderddrieënvijftigduizend zeshonderd te zijn.

2:18

En hij maakte zeventigduizend van hen tot lastdragers en tachtigduizend tot steenhouwers in het gebergte en drieduizend zeshonderd tot opzichters, om het volk aan het werk te zetten.

Het tweede boek der Kronieken begint krachtig. De HERE, zijn God, was met Salomo en maakte hem uitermate machtig. Wie maakt de koning machtig? Ho­ren we het goed? De HERE God. Wie maakt ons machtig? Wie maakt ons pad? Wie richt onze voet? Wie komt alle eer toe? Salomo? Neen! Wij? Neen! Ikzelf? Neen! Nu, zeg het dan maar: de HERE God. De HERE God. De HERE God. Dat zouden we minstens eenmaal per dag moeten herhalen. Dat zouden we nooit meer mogen vergeten. Hij is het. Niet ons werk telt, maar Zijn werk telt. Tellen wij dan niet? Ja, natuurlijk. Wij tellen juist, als we het doen tot eer van Hem. Hij gaat ons voor. En zo is het in het leven van Salomo. Wat zijn wij toch vaak dom. Dan zetten we onszelf voorop en het gevolg is dat het mis gaat. Ja, we denken dat we een heel eind komen, maar het gaat zomaar mis. Daar kan geen zegen op rusten. De wereld denkt, dat ze de macht naar zich toe kan trekken. Maar het geheim is, dat van hen dan juist de macht ontnomen wordt. Want wie de Heer veracht, die gaat te gronde. Maar wie de Heer ver­wacht, die zal leven tot in eeuwigheid. We hebben een andere blikrichting. We zien op Hem. En Hij heeft het goede met ons voor. Daar gaat het om. Dan kunnen we de tijd doorkomen en zien we het zitten. We zien het zitten met Hem.

Salomo weet het. Hij gaat naar de ark en de offerplaats. Die is nog steeds niet in Jeruzalem, maar de ark is wel in het land. Daar bracht Salomo samen met het volk offers aan de HERE. En dan verschijnt de HERE aan Salomo in de nacht. Vraag Mij maar! Salomo vraagt wijsheid en kennis. Want hoe zou hij anders dit volk kunnen richten? En God geeft hem kennis en wijsheid. Als je toch zo’n kans krijgt om te vragen wat je maar wilt, wat zouden wij dan doen? Maak voor jezelf eens een lijstje, wat het eerst in je opkomt als jij antwoord mocht geven op de vraag van de HERE God. Wat staat er vaak op ons lijstje met vragen aan de HERE God? Wat bidden we al niet? Is het niet heel vaak toch op onszelf gericht? We bidden naar ons toe. We bidden niet naar God toe, maar God moet van alles voor ons doen. O God, doe dit en o God, doe dat. O God, help me hier en help me daar. O God kijk toch eens hoe moeilijk ik het heb. Ziet U het dan niet? En wat ben ik toch goed hierin en daarin. We zijn zo vaak ook nog wel aardig met onszelf ingenomen, want we doen toch ons best voor God. God moet dat dan maar belonen. Dit verhaal is toch wel erg ontnuchterend en eerlijk en radicaal. We moeten God danken en het van Hem verwachten. Hoe we in de eerste plaats Hem kunnen dienen en van daar­uit ook de ander.

Salomo bad om wijsheid om het volk van God te kunnen richten. God beloont dat gebed, beloont die houding. Daar kan Hij mee uit de voeten. En wat ge­beurt er? God beloont hem dan ook nog met rijkdom, schatten en eer. Het kan niet op. We hebben zo’n goede God dat we Hem niet genoeg kunnen loven en prijzen voor zijn grote liefde voor ons. En de grootste liefde die Hij gaf was, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem ge­looft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te behouden. Heerlijk toch! Wat een God. Daar kun je toch eeuwig voor danken. Want we weten allemaal heel goed dat wij zelf nooit onze vergeving en verzoening tot stand konden brengen. Daarom is het o zo belangrijk om Hem te danken en te loven en te prijzen. Hij is goed. Wie is er groter dan Hij die Zijn leven inzet voor zijn vrienden? Dat is God. Dat is Jezus. Zo moet onze houding zijn. Heb God lief en de naaste als jezelf. Dat is de grote evangelisatiekracht. Daar ko­men mensen door tot bekering. Dat brengt je van de duisternis tot het licht. Glorie voor zijn Naam.

Ziet u Salomo met heel het volk offeren aan de HERE? Wat een indrukwek­kend gebeuren. En wat een welvaart. Het goud en zilver en de paarden in Jeru­zalem waren overvloedig als de stenen. Dan wordt opdracht gegeven tot bouw van de tempel. De tempel moet groter zijn dan alle tempels, want God is gro­ter dan alle goden. God kan niet in een huis wonen, want Hij is groter dan de hemel en de hemel der hemelen. Wie ben ik dat ik voor Hem een huis zou bouwen, zegt Salomo. Hij ziet de grootsheid en de onmogelijkheid van zo’n opdracht. God is groter dan ons denken. God is niet in een gebouw van steen, hoe groot en mooi ook, te vatten. God is God. En Hij regeert ons en het gehele wereldgebeuren. Glorie voor zijn Naam. God is niet in een dogma, in een ge­bruik, in een traditie, in een patroon, in een cultuur, in een geschrift te vatten. Zijn openbaring komt overvloedig naar ons toe in Zijn woord en Geest. Hij is dezelfde en blijft dezelfde. Hij regeert het grote wereldgebeuren en Hij wil ons leiden in dit tranendal om ons op te nemen in Zijn heerlijk Koninkrijk van recht en gerechtigheid, dat voor eeuwig zal worden opgericht en waarheen we op weg zijn met een duizelingwekkende snelheid. Blijf zijn wegen wandelen en ga niet links of rechts.

2 Kronieken 3:1-5:1

23 april [1]

3:1

Toen begon Salomo met de bouw van de tempel te Jeruzalem op de berg Moria, waar de HERE aan zijn vader David verschenen was;…

3:3

Dit is het grondplan van Salomo voor de bouw van het huis Gods: de lengte in ellen naar de oude maat was zestig el en de breedte twintig el.

3:4

De voorhal aan de voorkant was in de lengte langs de breedte van het huis twintig el, en de hoogte honderd twintig;…

3:8

Voorts maakte hij het vertrek van het heilige der heiligen; de lengte ervan, langs de breedte van het huis, was twintig el, en de breedte eveneens twintig el;…

3:10

Hij maakte in het vertrek van het heilige der heiligen twee cherubs, beeldhouwwerk, en men overtrok ze met goud.

3:11

De vleugels der cherubs hadden een gezamenlijke lengte van twintig el; de ene vleugel van de éne was vijf el en raakte aan de wand van het huis, terwijl de andere vleugel vijf el was en aan de vleugel van de andere cherub raakte.

3:13

zelf stonden ze op hun voeten met hun aangezichten naar het huis.

3:17

en noemde de rechter Jachin en de linker Boaz.

4:1

Ook maakte hij een koperen altaar; het was twintig el lang, twintig el breed en tien el hoog.

4:4

Zij stond op twaalf runderen,…

4:18

Salomo maakte al deze voorwerpen in zeer grote hoeveelheid; het gewicht aan koper werd dan ook niet berekend.

David had het op zijn hart voor de HERE een huis te bouwen en God vertelde hem precies, hoe Hij de tempel wilde hebben. Maar David zelf mocht hem niet bouwen, dat moest zijn zoon doen, want David had bloed aan zijn handen. Uria was gevallen door de gemene list van David zodat hij met Bathseba zou kunnen trouwen. Het kostte hem zijn eerste kind van Bathseba. Vreselijk. Hij mag dus de tempel niet bouwen. We hebben te maken met een heilig en recht­vaardig God. David had het goed begrepen. “Gij zijt die man!,” zei de profeet Nathan, toen David gezegd had dat de man in het verhaal van Nathan “des doods schuldig” was. David was dus des doods schuldig. Hij verootmoedigde zich voor God. En God was hem genadig. David werd een man naar Gods hart. Wat je in je leven kan overkomen, kan je ook een man maken naar Gods hart. We moeten door schade en schande geschuurd en gelouterd worden om naar Gods wil te leven. We zijn naar zijn beeld geschapen en we moeten naar zijn beeld leven. Wat zit de zonde ons licht in de weg.

Nu is het toch zover. Het geld is al in overvloed door David opgehaald. Het volk heeft het met een volkomen toegewijd hart gegeven. En dan wordt de tempel gebouwd. Het is fantastisch. Het is echt goud wat er blinkt. Niets kan ook mooi en goed genoeg zijn voor de HERE. Ze bouwen en ze voeren het gedetailleerd uit, zoals God het bedoeld heeft. Aan de hand van de bijbelse gegevens kun je de tempel nabouwen. Het is prachtig. Wat een vreugde is het. Salomo huurt de beste mensen in. De cherubs in het heilige der heiligen raken met de vleugels aan elkaar en aan de wand. Samen twintig el, vier maal vijf el. Ze overdekken daarmee de ark van het verbond. Het is grandioos. Het goud schittert je van alle kanten toe. Er staan twee zuilen voor het huis: Jachin en Boaz. Prachtige koperen zuilen. Vijf en dertig el hoog met kapitelen van vijf el, met slingers van koper en granaatappelen erin. Er staan vijf gouden kande­laars links in de hoofdzaal en ook vijf rechts. Er staan tien tafels, vijf aan de ene en vijf aan de andere kant Wat een werk. Het is allemaal prachtig. Het huis van de HERE komt af. Alle gebruiksvoorwerpen werden ook gemaakt. Alles wordt in gereedheid gebracht en alles wordt voor de HERE zo mooi mo­gelijk gemaakt.

Je wordt er toch blij van als je dit leest. We moeten die blijdschap overzetten op vandaag. Wat is het heerlijk, om te weten, dat we in de nabijheid van de Here alleen maar gezegend kunnen worden. Alles komt van Hem. Hij regeert ons. Hij wil ons leven reinigen en heiligen. We mogen met vreugde voor Hem leven. Daar werd het volk toen blij van. Daar mogen we vandaag ook blij van worden. Dat geeft ons moed en kracht. Wees sterk en moedig, had David aan Salomo gezegd. Doe wat de Here zegt en je zult gezegend worden. Laat je door niemand in de war brengen. God is met je. En als God met je is, wie kan er dan tegen je zijn. Met God spring je over muren. Tegen de stroom van de zonde in. Dan ga je mee met de stroom van de Here God. Heerlijk om dat te weten. Ik word er steeds enthousiaster van. We moesten de tempel maar eens nabouwen.

2 Kronieken 5:2-7:10

24 april [1]

5:2

om de ark van het verbond des HEREN uit de stad Davids, dat is Sion, opwaarts te brengen.

5:9

zij is daar geweest tot op de huidige dag.

5:10

Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen…

5:13

en de HERE aldus prezen: Want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid…

5:14

want de heerlijkheid des HEREN had het huis Gods vervuld.

6:2

ik heb U ter woning een huis gebouwd, en een vaste plaats om daar eeuwig te wonen.

6:6

maar nu heb Ik Jeruzalem verkoren, opdat Mijn naam daar zijn zou, en heb Ik David verkoren, opdat hij over Mijn volk Israël zou heersen.

6:13

en hij ging daarop staan, knielde ten aanschouwen van de gehele gemeente van Israël, breidde zijn handen uit naar de hemel, en zeide: HERE, God van Israël, er is in de hemel en op de aarde geen God als Gij, die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens uw knechten welke met hun gehele hart voor Uw aangezicht wandelen;…

6:16

nimmer zal u voor mijn aangezicht een man ontbreken, die op de troon van Israël zitten zal,…

6:20

zodat Gij hoort naar het gebed dat uw knecht te dezer plaatse opzenden zal.

6:21

en wanneer Gij het hoort, zult Gij vergiffenis schenken.

6:30

…– want Gij alleen kent het hart der mensenkinderen –, opdat zij U vrezen en in uw wegen wandelen al de dagen die zij leven in het land dat Gij onze vaderen gegeven hebt.

6:32

een vreemdeling… uit verren lande en men komt bidden in dit huis,…

6:33

en doe naar alles wat de vreemdeling tot U roept, opdat alle volken der aarde Uw naam leren kennen, en U vrezen zoals Uw volk Israël, en weten dat Uw naam uitgeroepen is over dit huis dat ik gebouwd heb

6:36

Wanneer zij tegen U zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt –…

6:38

wanneer zij zich dan tot U bekeren met hun gehele hart en met hun gehele ziel…

6:40

Nu dan, mijn God, laten Uw ogen geopend en Uw oren opmerkzaam zijn op het gebed te dezer plaatse.

7:3

Toen alle Israëlieten het vuur en de heerlijkheid des HEREN op het huis zagen neerdalen, knielden zij met het aangezicht ter aarde op het plaveisel, bogen zich neer en prezen de HERE: Want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Ik had er wel bij willen zijn. Wat een indrukwekkend gebeuren. De tempel is klaar. Een prachtig gebouw. Het goud schittert aan alle kanten. Het kan niet op. Het is geweldig. Niets is goed genoeg voor de HERE. Het is een heilig moment. Dan wordt de tempel ingewijd. De ark des verbonds wordt gebracht en in het heilige der heiligen gezet. De cherubs overdekken de ark. De draag­stokken steken uit. God woont in het heilige der heiligen. Wat een eer dat God wil wonen bij de mensen. Het is onvoorstelbaar. Wat een zegen. Salomo gaat op een hoge stoel staan en knielt ten overstaan van het volk. De heerlijkheid des Heren daalt neer en vervult het huis. De priesters kunnen niet op hun voe­ten blijven staan. Hoe kunnen we ooit in de heerlijkheid des HEREN op onze voeten blijven staan. Dat is te machtig. Dat is te groot. Daar zijn wij nietige mensenkinderen niet tegen opgewassen. Dat overweldigt ons. En toch gebeurt het. Want God wil bij de mensen wonen. Heerlijk toch. Hoe is het mogelijk dat zo’n God bij zulke zondige mensen wil wonen. Wat een genade. Wat een zegen.

Salomo pleit op de beloften van God. Hij pleit op het eeuwige verbond. Hij pleit op de troon waar voor altijd een zoon van David zal zitten. Salomo pleit op de genade van God. “Als het volk gezondigd heeft en het volk bekeert zich en bad op deze plaats, HERE hoor hun gebeden en vergeef.” HERE, Gij alleen kent het hart van de mensenkinderen. Help hen als ze zich bekeren. Want uw goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

“En zelfs als een vreemdeling komt bidden HERE God, neig uw oor en doe wat ze U vragen, opdat de volken ook gaan zien dat U de God van hemel en aarde bent en U ook vrezen zoals uw volk U vreest.” Wat een wereldwijde be­tekenis van de tempel. Het gaat niet alleen om Israël, het gaat om het heil voor alle mensen. God wil wonen bij alle mensen van heel de aarde. In Jeruzalem. Hij woont daar voor eeuwig.

En Salomo bidt, dat als zij zondigen (en er is immers geen mens die niet zon­digt) dat als ze zich bekeren en bidden, God hen vergeeft. Hij smeekt God dat Zijn ogen en oren zijn op deze plaats om te horen naar het gebed van zijn volk. Heerlijk.

Dan daalt de heerlijkheid van God neer. Hij vervult de tempel. Je krijgt er kip­penvel van als je er aan denkt. Dat is toch te wonderlijk. God beantwoordt het gebed van Salomo. Het is alsof God spreekt. Hij wil erbij zijn. God wil dicht bij Zijn volk wonen. Hij wil hen zegenen en behoeden. Het wordt een groot feest. Er is muziek. Er wordt gegeten en gedronken. En de offers worden on­ophoudelijk gebracht, zeven dagen lang. Het volk is in grote vreugde en aan het eind van het feest gaan ze opgetogen naar huis om al het goede dat God aan hen bewezen heeft.

Wat een God hebben wij. Ook vandaag. Hij heeft het goede met ons voor. Hij wil ook in ons heiligdom komen. Ons lichaam is de tempel van de Heilige Geest. Hij wil in Jezus, de Messias, nog dichter bij ons zijn. Hij wil in ons hart wonen. Lees de Hebreeënbrief. Dat is de nieuwtestamentische inwijding van de tempel. Het kan niet op. Je wordt er dankbaar en gelukkig van. Die God wil bij ons wonen. Hij wil bij mij wonen. Bij mij? Ja, bij mij! Dat heb ik toch niet verdiend? Nee, dat heb je ook niet verdiend. Dat is alleen maar genade, want God weet dat alle mensen zondigen. God weet dat zijn kracht en zijn verlos­singsplan de enige mogelijkheden zijn om weer in het reine met Hem te ko­men. Dat is zijn plan met een ieder van ons. Het is geweldig om daar uit te le­ven. Dat wil je iedereen wel toeroepen. Dat moeten we dan ook doen. En dat doen we. Glorie voor zijn Naam. Het feest is pas begonnen.

2 Kronieken 7:11-8:18

25 april [1]

7:12

verscheen de HERE aan Salomo des nachts en zeide tot hem: Ik heb uw gebed gehoord…

7:14

en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen.

7:15

Thans zullen mijn ogen geopend zijn, en zullen mijn oren luisteren naar het gebed te dezer plaatse.

7:16

Thans heb Ik dit huis verkoren en geheiligd, opdat mijn naam daar zij tot in eeuwigheid; mijn ogen en mijn hart zullen daar zijn al de dagen.

7:22

Omdat zij de HERE, de God van hun vaderen, die hen uit het land Egypte had geleid, hebben verlaten, zich aan andere goden gehecht, zich voor die nedergebogen en die gediend hebben, daarom heeft Hij al dit onheil over hen gebracht.

8:16

Al het werk van Salomo kwam tot stand,… Het huis des HEREN was gereed.

Salomo’s gebed wordt verhoord. God spreekt tot hem rechtstreeks in de nacht. Het is de overbekende tekst uit 2 Kronieken 7 vers 14. Het gaat over veroot­moediging, het gaat over bidden, het gaat over Hem zoeken en het gaat over bekeren. Als er zonde is, dan is bekering nodig. Er kan geen verzoening zijn zonder bekering. Je moet je omdraaien. Er is echter geen mens, die niet zon­digt. Dat is een ontnuchterende opmerking. Dat betekent dus ook dat we ons voortdurend moeten omkeren en ons weer op God richten. Het is een perma­nente zaak. Verootmoedigen. Want wie zijn we nu helemaal zelf? We zondi­gen steeds weer, dus verootmoediging is een steeds opnieuw terugkerende zaak. Bidden horen we ook zonder ophouden te doen. Want we moeten con­stant Gods aangezicht zoeken. Luisteren naar God, zijn geboden onderhouden. Zijn we van de weg af, dan moeten we weer heel gauw naar de weg teruggaan. Dan zal Hij ons weer ondersteunen en de richting wijzen. En dan ga je je be­keren. Dat is een logisch gevolg. Je gaat het zien. Je gaat je omdraaien. Je wilt niet langer in de duisternis wandelen. Je wilt in het licht wandelen. Dan moet je wel weggaan, van de duisternis naar het licht. En het licht is bij God. Het licht is Jezus. “Ik ben het licht der wereld, wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wandelen, maar het licht des levens hebben.” Zo is het. Geloof je het niet, dan moet je het vooral proberen. Want dit moment is het belangrijk­ste van de rest van je leven. Je mag kiezen. Of beter gezegd, God wil dat je op de weg van het leven komt. Hij trekt. En wij moeten gehoorzamen en die stem volgen. Ik ben enthousiaster dan ooit. Wandelen met God is het grootste goed dat je je maar kunt indenken. Glorie voor zijn Naam. De Heer is groot.

Maar er is pest, er is afval in het land, wat moeten we doen? We moeten ons verootmoedigen. We moeten bidden, we moeten Zijn aangezicht zoeken en we moeten ons bekeren en onze zonden belijden. We kunnen niets beters doen dan ons hart leegmaken voor de HERE, zodat Hij ons gaat vullen met zijn liefde en kracht. Dat is een heerlijk gevoel. Daar vaar je wel bij. Dat is niet iets dogmatisch of saai, nee, dat is pas leven. Daar word je blij van en dat geeft je de beste initiatieven. Het is toch geweldig dat we zo’n God hebben. Ook nu zijn zijn ogen op deze plaats om te horen naar het gebed.

Ook nu blijft de belofte staan dat God wil wonen in Jeruzalem. Daar is heel wat gebeurd door de eeuwen heen. En ook vandaag zijn de Joden tegen hun eigen Messias Jezus. Er zal heel wat moeten gebeuren voordat de mensen het naar Hem uit gaan schreeuwen.

2 Kronieken 9:1-31

26 april [1]

9:5

Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en over uw wijsheid gehoord heb,…

9:6

gij hebt de roep overtroffen, die ik vernomen had.

9:8

om recht en gerechtigheid te oefenen.

9:11

Nimmer tevoren was zoiets in het land van Juda gezien.

9:19

nooit was zoiets voor enig koninkrijk gemaakt.

9:20

zilver werd in de dagen van Salomo niet van waarde geacht.

9:23

Alle koningen der aarde verlangden Salomo te zien om de wijsheid te horen, die God in zijn hart gelegd had.

9:26

Hij heerste over al de koningen, van de Rivier af tot aan het land der Filistijnen en de grens van Egypte.

9:30

Veertig jaar regeerde Salomo te Jeruzalem over geheel Israël.

Het viel alle omliggende landen op. Salomo was de machtigste en de rijkste koning van heel de toenmalige wereld. Hij regeerde met grote macht en maje­steit en wijsheid. Zijn roem ging door heel de wereld. Waar is ooit zulk een machtig en wijs koning gevonden? En rijk: onvoorstelbaar, het zilver was van geen waarde, zoveel was ervan. De koningen van rondom brachten ook nog extra schatten aan deze koning. De koningin van Scheba had er ook van ge­hoord. Zij ging bij Salomo op bezoek om het met eigen ogen te zien. Waarom zou ze eigenlijk gegaan zijn? Daar zal toch ook wel één of andere politieke re­den aan ten grondslag hebben gelegen. Ze had waarschijnlijk ook problemen waar ze geen oplossing voor had. Ze stelde allerlei vragen aan Salomo en Sa­lomo gaf haar een antwoord waar ze versteld van stond. Ze was er verbaasd over. Het is dus waar wat ik over u gehoord heb. Ze is geheel onder de indruk. Ze gaat terug naar haar land. Salomo geeft haar meer goud en geschenken mee dan ze zelf heeft mee gebracht. Wat een heil en zegen gaat er van deze wijze koning uit. Het is geweldig. Koning Salomo oefende recht en gerechtigheid uit in het land. We moeten ons daar heel veel van voorstellen. Er zou nog veel meer geschreven kunnen worden. We moeten het eigenlijk vergelijken met de andere plaatsen waar over Salomo gesproken wordt.

Maar in het laatst van zijn leven geeft hij zijn buitenlandse vrouwen dan toch hun zin dat zij ook hun kinderen aan de Moloch mogen offeren (zie 1 Konin­gen 11). Dan komt het oordeel van God en het land wordt in tweeën gesplitst. Wat een zonde. Wat een verantwoordelijkheid. God geeft deze koning zoveel wijsheid en macht en dan toch op het einde van zijn leven gaat het mis. Wat een rampzalige gevolgen heeft dat, tot vandaag toe. Het komt er zo op aan om steeds maar weer heel dicht bij het woord van God te blijven. Je moet daar niet te licht over denken. Het kan heel lang goed gaan, maar komt de verslap­ping dan is dat een gevaarlijk moment. Het is belangrijk dat we heel dicht bij Gods geboden blijven leven. Dat betekent dus dat we het woord van God in­drinken. Er mee bezig zijn, ons bij alles afvragen: wat Jezus zou doen? Heel eenvoudig, maar ook heel direct. Hoeveel lezen we in de Bijbel? Kennen we de Bijbel? Kennen we de Here God? Kennen we de Here Jezus? Kennen we Hem maar een beetje of hebben we onze kennis alleen van horen zeggen? Als we staande willen blijven, dan moeten we het woord van God dagelijks lezen. Er veel tijd aan besteden. Niet slechts een paar minuten per dag, of af en toe een keer in de kerk. Maar het overpeinzen bij dag en bij nacht.

Is dat vervelend en saai? Vergeet het maar. Het is elke keer weer een ontdek­kingsreis. Er zit een veel diepere lading achter dan we bevroeden. Maar we zullen er steeds meer van begrijpen. Daarom is het zo belangrijk dat we lezen en nog eens lezen. Daar moet je niet mee wachten, maar daar kun je elke dag mee beginnen. Ik ben soms wel een beetje achter op het rooster, maar ik moet het toch zien vol te houden. Het is heel eenvoudig: een zaak van prioriteiten stellen en persoonlijke discipline. De tegenstander van God haat het, als we het woord van God lezen en bestuderen. Daarom maakt hij ons lui en moe. Heerlijk om dit stuk te lezen. Het wordt gevolgd met een stukje over de rijk­dom van Salomo. Het houdt niet op. Het goud schittert overal. Het was prach­tig. En alles geschiedde in goede orde. Salomo regeerde vanaf de Eufraat tot aan de grens van Egypte. Wat een koninkrijk. Hij had alle volken onderwor­pen, en gedurende zijn regeringstijd van veertig jaar was het vrede en werd de tempel gebouwd. Wat moet dat een heerlijke tijd geweest zijn.

Salomo sterft en hij wordt bij zijn vader David begraven en Rehabeam wordt koning in zijn plaats.

2 Kronieken 10:1-11:23

27 april [1]

10:4

Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maak gij nu de harde dienst van uw vader en het zware juk dat hij ons opgelegd heeft, lichter; dan zullen wij u dienen.

10:7

Indien gij vriendelijk zijt… zullen zij voor altijd uw knechten zijn.

10:10

mijn pink is dikker dan mijn vaders lendenen.

10:11

maar ik zal u tuchtigen met gesels.

10:16

Wij hebben geen deel aan David, en geen erfbezit met de zoon van Isaï! Ieder naar uw tenten, Israël!

10:19

Aldus werden de Israëlieten van Davids huis afvallig tot op de huidige dag.

11:4

Keert terug, ieder naar zijn huis, want door Mij is deze zaak geschied.

11:12

En hij maakte ze buitengewoon sterk. Juda en Benjamin behoorden hem toe.

11:14

omdat Jerobeam en zijn zonen het hun onmogelijk maakten voor de HERE het priesterambt te bekleden.

11:23

Hij handelde verstandig… hij gaf hun spijze in overvloed…

Wat een toestand in de familie. Wat een ruzie. Met Salomo ging het veertig jaar goed. Maar nauwelijks is hij dood of zijn zonen maken er een rommeltje van. Jerobeam is teruggekeerd uit Egypte. Het volk vraagt of Rehabeam de herendienst milder wil maken. De oude wijze mannen zeggen: “dat moet je doen”, maar de jonge mannen waarmee hij is opgegroeid zeggen “als je dat doet, dan ben je de knecht van het volk, je moet ze aanpakken, hen de stuipen op het lijf jagen”. En zo doet Rehabeam. Mijn vader tuchtigde jullie met zwe­pen, maar ik zal het doen met gesels. Dus luisterde de koning naar de jonge mannen. Maar dan is de vlam in de pan. Er breekt opstand uit.

Het volk met Jerobeam breekt met het huis van David. Naar uw tenten. En dan is de scheuring van het rijk een feit. Alleen Juda en Benjamin blijven in han­den van Rehabeam, die zelf ternauwernood aan de dood ontsnapt en in Jeruza­lem aankomt. Wat een tragiek. Het is vervulling van profetie. Want het volk had gezondigd. Salomo had gezondigd. God breekt het rijk. Wat een tragiek. Wat kan zonde ernstige gevolgen hebben, geslachten lang. Daarom is het zo belangrijk om dicht bij het woord van God te blijven. God laat niet met zich spotten Hij laat de teugels niet vieren. Wat een zonde in het volk.

Jerobeam jaagt de Levieten weg, die komen allemaal naar Jeruzalem. Hij laat de eredienst niet toe. Dan kan het ook niet goed gaan met Israël. Wat een el­lende komt daaruit voort. Rehabeam heeft vrouwen en bijvrouwen en een heel nageslacht. Er staat dat hij verstandig handelt en er is voedsel in overvloed. Maar de tragiek is dat Gods volk tot vandaag de dag in tweeën gesplitst is. Van het tienstammenrijk is nooit iemand teruggekeerd uit de ballingschap en van het later weggevoerde tweestammenrijk eigenlijk maar slechts een klein gedeelte. Dat moest ook, want de beloften, de profetieën van God moesten vervuld worden en de Messias moest uit het huis van David geboren worden.

Daarom bestaat Israël, daarom is het zo belangrijk om dicht bij het woord van God te blijven, want dan zullen we scherper de tekenen der tijden kunnen on­derscheiden. Het is ook een teken van de eindtijd dat we het woord van God niet lezen. Het maar op zijn beloop laten en zelf steeds meer in de war raken van alles wat er om ons heen gebeurt. We moeten proclameren. We moeten er niet omheen draaien. We moeten elkaar aanvuren om het woord te lezen en te bestuderen. Er mee bezig te blijven. Dan alleen blijven we staande. We moe­ten elkaar rondom dat woord opzoeken. Het woord moet centraal staan. Want het gaat erom dat we de geboden van God houden. Die zijn ten leven. Die hel­pen ons door de tijd heen. Dan leren we Hem kennen. Dan verwachten we het van Hem. Want het is waar dat God de wereld zo lief had dat Hij Zijn enigge­boren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe.

2 Kronieken 12:1-14:1

28 april [1]

12:1

Toen Rehabeam zijn koninklijke macht stevig gevestigd had en sterk geworden was, verliet hij de wet des HEREN, en geheel Israël met hem.

12:2

Daarom geschiedde het in het vijfde jaar van koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem…

12:4

en drong door tot Jeruzalem.

12:5

gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten…

12:7

Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verdelgen,…

12:12

Ook was er in Juda nog wel iets goeds.

12:15

Er was voortdurend oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam.

13:12

Israëlieten, strijdt toch niet tegen de HERE, de God uwer vaderen, want gij zult niet voorspoedig zijn!

13:15

deed God Jerobeam en geheel Israël tegen Abia en Juda de nederlaag lijden.

Ja, zo gaat het. Je wordt machtig en rijk en dan komt het er niet meer zo op aan. Rehabeam keerde God de rug toe. Hij deed wat kwaad is in de ogen van God en heel Israël met hem. Dan gaat het ook niet goed. Dan rukken de vijan­den op. En Egypte komt tot aan Jeruzalem. Ze verootmoedigen zich. De Here wendt het onheil af, maar ze worden wel onderhorig aan de koning van Egyp­te. Die neemt alle gouden voorwerpen mee uit Jeruzalem. Wat zal dat een buit geweest zijn. En Rehabeam maakt al het gerei nu maar van koper. Wat een vernedering. Niets kon mooi genoeg zijn voor de HERE God en nu is het niet meer dan koper.

Rehabeam leeft in de vernedering. Het gaat verder mis, want zijn regering is een regering zonder God. Er staat dat er nog wel iets goeds in Israël was. Maar daar bleef het dan ook bij. Hij regeerde wel met krachtige hand, maar niet naar Gods wil. Er was ook voortdurend oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam. Wat een tragiek. Broederoorlog. Ruzie in de familie. Wat kan dat een vreselijke ge­volgen hebben. Daar moet je dan ook verre van blijven. Daar komt alleen maar narigheid van. We zien het hier. Oorlog, almaar oorlog. Wat een ellende. Zo vlak na David en Salomo, de grote koningen, nog geen eeuw verder en het is al uit met het grote rijk. De vijanden kunnen het al aanvallen en op de knieën brengen. Wat moet het God een verdriet doen. Hij heeft het allemaal zo goed bedacht. Hij heeft hun wens om een koning te hebben, vervuld. Hij heeft hen gezegend met macht en majesteit. En wat gebeurt er? Het rijk wordt in tweeën gedeeld. De broers maken ruzie. Koning Salomo offerde aan de Mo­loch. Hoe is het mogelijk? Maar kennelijk is het mogelijk. En daarom is het ook een ernstige waarschuwing voor ons. Nu kan het allemaal nog heel goed lijken en voorspoedig gaan. Maar zo kan de vijand binnendringen en roet in het eten gooien. Dicht blijven bij de woorden van God. Je daarmee bedekken en de wapenrusting aantrekken. Het woord van God is het zwaard des Geestes. Lezen en lezen en lezen en eruit leven. God gaan leren kennen door Zijn woord en door Zijn Geest en vanuit Hem leven. Er is niets mooiers. Er is niets uitdagender. Er is niets zekerder. Er is niets veiliger. Want waar Jezus is daar gaat de duivel op de vlucht. En dat moeten we hebben. Weg met de zonde om plaats te maken voor het licht van Jezus in ons leven. Glorie voor zijn Naam.

Daarna wordt Abia koning over Juda. Ook hij strijdt met Jerobeam. Maar hij strijdt ook met de HERE en hoewel het leger van Jerobeam tweemaal zo sterk is en hij ook nog een hinderlaag legt, geeft God de overwinning aan Abia en de zijnen als die Hem aanroepen, wanneer de strijd begint. Een half miljoen krijgers van Jerobeam worden gedood. Wat een strijd. God geeft de overwin­ning tegen beter weten in. Hij eist dan ook al de eer op. Jerobeam is nergens meer. Hij komt niet weer op de been en sterft. Daarna komt koning Asa en het land heeft tien jaar rust onder zijn regering.

2 Kronieken 14:2-15:19

1 mei [1]

14:2

Asa deed wat goed en recht was in de ogen van de HERE, zijn God.

14:7

nog is het land van ons, want wij hebben de HERE, onze God, gezocht, wij hebben Hem gezocht en Hij heeft ons aan alle kanten vrede gegeven. En zij bouwden voorspoedig.

14:11

Toen riep Asa tot de HERE, zijn God, en zeide: HERE, er is niemand buiten U, om de machteloze te helpen tegen de machtige. Help ons, HERE, onze God, want op U steunen wij en in uw naam zijn wij opgetrokken tegen deze menigte. HERE, Gij zijt onze God, laat toch tegen U geen sterveling iets vermogen.

14:12

En de HERE deed de Kuschieten de nederlaag lijden…

14:14

want de schrik des HEREN lag erop;…

15:2

De HERE is met u, zolang gij met Hem zijt; indien gij Hem zoekt, zal Hij zich door u laten vinden, maar indien gij Hem verlaat, zal Hij u verlaten.

15:3

Lange tijd was Israël zonder de ware God, zonder priester die onderricht gaf, en zonder wet;…

15:6

volk botste tegen volk en stad tegen stad, want God bracht hen in beroering door allerlei benauwdheid.

15:8

greep hij moed, en hij deed de gruwelen weg uit het gehele land Juda en Benjamin,…

15:12

Zij gingen een verbond aan, dat zij de HERE, de God hunner vaderen, zouden zoeken met hun gehele hart en met hun gehele ziel;…

15:16

Asa hieuw haar gruwelijk beeld stuk, verpulverde en verbrandde het in het dal Kidron.

15:17

De offerhoogten verdwenen echter niet uit Israël;…

15:19

En er was geen oorlog tot het vijfendertigste jaar der regering van Asa.

Dat is een steeds weerkerende zin: “En Asa deed wat goed was in de ogen des HEREN.” Bij een volgende koning lezen we: “En de koning deed wat kwaad was in de ogen des HEREN.” Asa deed wat goed was in de ogen des Heren. Hij deed de afgodsbeelden weg. Het koninkrijk had rust. De HERE God ze­gende de terugkeer naar zijn wet. Zijn leger bestond uit ruim een half miljoen mannen en dat van zijn tegenstander Zera uit duizend maal duizend man, dat is dus een miljoen. Hoe kun je daarop ooit de overwinning behalen? Maar Asa roept tot de HERE, zijn God. Er is niemand buiten U om de machteloze te helpen tegen de machtige. Wat gebeurt er dan: de HERE deed de Kushieten de nederlaag lijden. Ze gingen op de vlucht. Als we de HERE aanroepen en op Hem vertrouwen, dan wordt het onmogelijke mogelijk. Hier zien we het. We zien het keer op keer. We moeten de HERE aanroepen. We moeten leven vanuit de zekerheid dat Hij het kan doen en dat Hij het doet. We zijn zo vaak bezig om op onze eigen kracht te vertrouwen. Maar het geheim is dat God wil dat wij Hem de eer geven en het van Hem verwachten. Wat moeten we daar ook zelf mee? Want wie zijn we eigenlijk? Wij zijn de machteloze. Hij is de machtige. Hij zal het ook doen. Voor Hem is het geen probleem om een leger van een miljoen voor een half zo klein leger op de vlucht te laten slaan.

In het volgende hoofdstuk gaat het verder. De ziener zegt tegen de koning dat hij door moet gaan met het zoeken van de HERE. Zolang dat gebeurt zal de HERE zich laten vinden. Hij zal je niet verlaten. Maar je moet Hem wel zoe­ken. En het was ook nodig in Israël, want lange tijd was het land zonder pries­ters geweest die onderricht gaven. Dan gaat het ook mis. Want als het land geen onderricht krijgt dan gaat het fout. We zien het voor onze ogen. We moe­ten dagelijks in de Bijbel lezen. We moeten Hem zoeken. We mogen Hem dienen. Dan zal Hij zich laten vinden. Hoe? Dat kan op allerlei manieren, maar het gebeurt wel. Je moet het gewoon doen. Probeer het maar en je zult het ontdekken. Gods woord is een krachtbron. Het is geen boek. Het is een openbaring.

Als God uit het land is, dan botst volk tegen volk en stad tegen stad. Maar als God weer centraal staat, dan wordt het vrede en voorspoed. Je moet dus niet verslappen, maar krachtig doorgaan. Hij zal het doen. Dan grijp je ook moed. Dan doe je de afgoden weg. Daar kan ieder direct mee beginnen. Daar hoef je niet zo ver voor van huis. De afgod van de boosheid, het egoïsme, het zelfge­richtzijn. De afgod van de welvaart, het almaar meer willen hebben. De afgod van het compromis. Het toelaten van de dingen die niet van God zijn, zowel bij jezelf als bij je kinderen. Het lezen, zien en horen van dingen die niet van God zijn. De media zijn daar vol van. En internet is vol van onreinheid. Weg met de onreinheid op de televisie en internet.

Sluit een verbond met God dat je je daarmee niet zult inlaten. Doe het dan ook niet, houd je eraan. Sluit een verbond en begin de grote schoonmaak. Weg met het occulte. Weg met de zonde. Sluit een verbond met de HERE God. Doe het publiekelijk. Sluit je aan bij God. Het afgodsbeeld dat zijn moeder had staan, hieuw Asa aan stukken en verpulverde het in het dal Kidron. Weg met de af­goden. Verpulver het radicaal. En toch waren er nog offerhoogten over. Het was toch nog niet radicaal genoeg. Maar Asa had vrede in zijn land. God ze­gent ons pogen om Hem radicaal te dienen. Dat verhaal is een les, is een voor­beeld. Daar kunnen we ons aan optrekken. God is almachtig. Niemand kan te­gen Hem op. Hij regeert het wereldgebeuren. Hij is de God van recht en ge­rechtigheid. Hij wil ons leven geven in eeuwigheid. Daarom moeten we moed vatten en de afgoden in ons leven verbranden. Glorie voor zijn Naam!

2 Kronieken 16:1-17:19

2 mei [1]

16:3

Welnu, verbreek het verbond met Baësa, de koning van Israël, opdat hij van mij wegtrekt.

16:8

Toch heeft de HERE hen in uw macht gegeven, omdat gij op Hem gesteund hebt.

16:9

Want des HEREN ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat. … Gij hebt hierin dwaas gehandeld, want van nu af zult gij oorlogen hebben.

16:10

Toen werd Asa vertoornd op de ziener en hij zette hem in de gevangenis,…

16:12

Doch zelfs in zijn ziekte zocht Asa geen hulp bij de HERE, maar bij de heelmeesters.

16:14

en zij ontstaken voor hem een zeer groot vuur.

17:3

De HERE was met Josafat, want hij bewandelde de oude paden van zijn vader David;…

17:6

Met een moedig hart bewandelde hij de wegen des HEREN, en bovendien verwijderde hij de hoogten en de gewijde palen uit Juda.

17:9

Zij gaven onderricht in Juda en hadden het wetboek des HEREN bij zich; zij trokken al de steden van Juda rond en onderwezen het volk.

17:10

En de schrik des HEREN lag op al de koninkrijken der landen rondom Juda, zodat zij met Josafat geen oorlog voerden.

Asa Asa, wat doe je nu? De vijand komt er weer aan. En wat doet Asa? God had hem toch die geweldige overwinning gegeven? Hij had de HERE God aangeroepen. Hij had toch geproclameerd dat er niemand is dan de HERE God die de machteloze tegen de machtige kan helpen. God had hem toch de over­winning op het leger van een miljoen gegeven, terwijl hij maar een leger had van een half miljoen. Nu is er weer dreiging van de koning van Israël, maar nu stuurt Asa geschenken naar de koning van Aram met het verzoek om zijn ver­bond met de koning van Israël op te zeggen, zodat Israël niet langer Juda zal bedreigen. En zo gebeurt het. De koning van Israël wordt aangevallen door de koning van Aram en trekt weg uit Juda. Gelukkig, de bedreiging is afgewend.

Maar dan komt de ziener, en zegt: “maar Asa, wat hebt u nu gedaan, o koning? Waarom hebt u niet gesteund op de HERE, uw God? Hij heeft u toch de over­winning gegeven. U hebt het toch zelf meegemaakt. Want u weet toch dat de ogen des HEREN over de gehele aarde gaan om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat.” Ja, zo was het. en zo is het.

Waar is ons hart op gevestigd? Waar verwachten wij ons heil van? Waar slui­ten wij een verbond mee? Het zijn de ogen des HEREN waarop we moeten vertrouwen. Hij ziet alles. Hij ziet ons. Is dat niet een wonder? Wij zijn nietige mensjes en die grote God, die machtige legers laat terugdeinzen, ziet ons, ziet mij, om mij krachtig bij te staan. Dat is niet te geloven. Dat kan toch niet. Nee, dat kan in ons beperkte verstand en ons ongeloof ook niet. Daarom hebben we een boek vol met de wonderen van God. Daar komt geen einde aan. Het ene wonder na het andere. We zouden eens een overzicht moeten maken van de wonderen die God doet. Je zult versteld staan.

God is een God van wonderen. Dat heeft koning Asa zelf meegemaakt. Maar nu vertrouwt hij op zijn eigen slimheid. Dan staat er heel schrijnend, maar scherp, dat hij voortaan oorlogen zal hebben. Er staat dus heel veel op het spel. Vertrouwen we niet op God, dan zullen we oorlogen hebben. Dan zullen we ervaren dat het moeilijker gaat. Het kan een tijd lijken, dat we het allemaal onder controle hebben, maar dan gaat het mis. Waarom zijn we toch zo hals­starrig, dom en stug om het steeds maar weer in eigen kracht te proberen? Dat wantrouwen tegenover God. Waarom verwachten we het niet gewoon van Hem? We hoeven daar toch niet zo moeilijk over te doen. Hij doet er toch ook niet moeilijk over. Zijn geboden en zijn levensregels zijn toch goed voor alle mensen en ook niet moeilijk te onderhouden. Het is gewoon een kwestie van doen. En we zullen het merken. We zien het toch in de Bijbel. We zien het toch in de geschiedenis van koning Asa. Die verhalen zijn ons toch overge­leverd om er onze lessen uit te trekken. Levenslessen van geluk en vrede en toekomst en een hoop plezier. Wat ontnemen we ons toch eigenlijk een hoop vrede, geluk en plezier. Sufferds die we zijn. Bovendien, er staat steeds bij dat we moed moeten vatten om de boel in ons leven in orde te maken. Wij krijgen die moed ook, want God is met ons.

Wat koning Asa betreft loopt het niet zo goed af. Hij wordt boos en zet de ziener in de gevangenis, en hij heeft oorlogen. Hij wordt ernstig ziek. Hij sterft in ongehoorzaamheid. Het slot is dat er een groot vuur wordt ontstoken bij zijn begrafenis.

Zijn zoon Josafat wordt koning in zijn plaats. Hij wandelt in de oude wegen van koning David en het gaat voorspoedig met het land. Josafat wordt machtig en alle omringende landen zien het. Hij doet de offerhoogten weg. Hij stuurt priesters en Levieten het land in om met het wetboek van stad tot stad de men­sen te onderrichten in het woord van God. Het wordt één grote bijbelstudie in heel het land. Josafat had begrepen dat als de mensen niet meer weten waar het om gaat, dat het dan ook geen zin heeft om de wet te houden. Het gaat er­om dat de mensen weten waar de wet van God vandaan komt. Daarom moeten we almaar onderrichten. Het almaar doorgeven. Steeds weer opnieuw de vol­gende generatie de woorden van God voorhouden. Dat is een inspannende taak. Dat is een kwestie van volhouden, want er is ook een andere kracht die ons probeert af te houden van het woord van God. Dat weten we maar al te goed. Daar hoeven we niet ingewikkeld over te doen. Dat is de tegenstander van God, de duivel. Hij zal ons influisteren, dat het allemaal wel mee valt. Dat we het zelf wel kunnen. Josafat begreep beter. Hij had het bij zijn vader Asa gezien. God had hem die geweldige overwinning gegeven en er was vrede in het land, maar zodra zijn vader niet meer vertrouwde op God was het oorlog en hij stierf spoedig daarna aan een vreselijke ziekte. Nee, het geheim is, en dat wordt keer op keer bewezen, dat we heel eenvoudig moeten blijven bij het woord van God.

Daarom is het zo belangrijk om de Bijbel te lezen. Daar moet je je voor in­spannen. Daar moet je moed voor vatten. Dat moet je doen. Dat moet je wil­len. Daar moet je in volharden. Want het allermooiste wat de tegenstander van God wil, is dat we het woord niet lezen. Dan verslappen we vanzelf. Dan kan God niet tot ons spreken. Dan heeft satan meer kans om ons in de war te bren­gen. Josafat begreep het. En wij kunnen het ook begrijpen. We moeten ook weer beginnen trouw te zijn. We moeten ook het land rondtrekken om het woord van God te onderrichten. We moeten elkaar oproepen om de Bijbel te lezen. Glorie voor zijn Naam.

2 Kronieken 18:1-19:11

3 mei [1]

18:1

Toen Josafat rijkdom en eer in overvloed bezat, verzwagerde hij zich met Achab.

18:3

Ik ben als gij, mijn volk is als uw volk; ik ga met u in de strijd.

18:5

Toen riep de koning van Israël de profeten, vierhonderd man, bijeen en vroeg hun: Zullen wij optrekken…? Zij antwoordden: Trek op; God zal het in de macht des konings geven.

18:7

maar ik haat hem, omdat hij over mij nooit iets goeds, maar altijd onheil profeteert; het is Micha, de zoon van Jimla.

18:16

Ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen die geen herder hebben, en de HERE zeide: dezen hebben geen heer, een ieder kere in vrede naar zijn huis.

18:22

Nu dan, zie, de HERE heeft een leugengeest gegeven in de mond van deze profeten van u, en de HERE heeft onheil over u besloten.

18:31

Maar Josafat riep luid en de HERE hielp hem, God lokte hen van hem weg.

18:33

Een man echter spande de boog zonder bepaald doel en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het pantser.

18:34

Doch hij stierf tegen zonsondergang.

19:2

Moogt gij de goddeloze helpen en bevriend zijn met hen die de HERE haten?

19:6

want gij oefent de rechtspraak niet uit voor mensen, maar voor de HERE,…

19:11

Handelt vastberaden, de HERE zij met hem, die goed is.

Weer een geschiedenis om geweldige levenslessen uit te halen. Met Achab een verbond sluiten is een verbond sluiten met de duivel. Je moet geen vriend­schap sluiten met de vijanden van God. Dat past niet. Daar komen ongelukken van. Toch wil Josafat ten strijde gaan samen met Achab. Ze vragen de profe­ten en vierhonderd zeggen: “Ga en trek op.” Micha wordt er op verzoek van Josafat ook bijgeroepen. Die zegt ook: “Gaan”. Maar Achab zegt, dat hij eer­lijk moet spreken. Dan vertelt Micha van het gezicht van God, hoe hij mocht zien de troon van God met aan de rechter- en linkerzijde de hemelse leger­macht. Hoe gezien werd dat het volk ronddoolde als schapen zonder herder. Hoe een engel met een leugengeest Achab wist te verleiden. En zo is het ge­beurd. Wat een beeld in de hemel. De leugengeest huisde in de vierhonderd profeten. Dan gaan ze ten strijde. Josafat redt het vege lijf, want hij schreeuwt het uit tot de HERE. Achab wordt geraakt door een “verdwaalde” pijl en is gewond. Toch strijdt hij door, maar aan het eind van de dag sterft hij. Het was hem geprofeteerd, maar hij luisterde niet. Achab is gesneuveld, Josafat keert terug naar huis. God vermaant Josafat dat het geen pas maakt vrienden te ma­ken met hen die de HERE loochenen. Wat hij deed is zonde.

Maar er is ook goeds aan Josafat. Want hij deed alle hoogten weg. Hij stuurt leraars het land in om over God te vertellen. Hij benoemt rechters die recht moeten spreken naar Gods wil. Want ze spreken recht niet voor de mensen, maar voor de HERE. Wat moet er dan ook steeds weer gebeuren? We moeten de hoogten afbreken en met verve het woord brengen in het land. Overal waar we komen. Dat moeten we doen. Heerlijk toch. Daar krijg je niet genoeg van. Maar je moet het wel doen, anders dwaal je zomaar af. Dan ga je een pact aan met de vijand en dan gaat het niet goed.

Wat een les in dit stuk. Is het niet fantastisch om op elke bladzij van de Bijbel er weer bij bepaald te worden hoe geweldig het is om dicht in de nabijheid van Jezus te leven? En we zijn nog maar bij Kronieken. Er komt nog veel meer. Wat word je daar blij van. Maar je moet het wel lezen anders mis je de vreugde.

2 Kronieken 20:1-21:1

4 mei [1]

20:3

hij riep voor geheel Juda een vasten uit, en Juda kwam bijeen om hulp te zoeken bij de HERE;…

20:7

en dit voor altijd hebt gegeven aan het nakroost van Abraham, uw vriend?

20:9

wanneer wij in onze benauwdheid tot U roepen, zult Gij horen en helpen.

20:12

Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en wij weten niet wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd.

20:15

Weest niet bevreesd… want het is geen strijd van u, maar van God.

20:21

Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

20:24

en zie, het waren slechts lijken, ter aarde nedergevallen: niemand was ontkomen.

20:27

want de HERE had hen verblijd over hun vijanden.

20:37

En de schepen leden schipbreuk, zodat zij niet naar Tarsis konden varen.

Wat moeten we doen als we het niet zien zitten, als we de vijand zo krachtig tegenover ons ervaren, dat we geen uitkomst zien. Doen, wat er in dit hoofd­stuk staat. De HERE aanroepen. De vijand is dichtbij en schijnt onoverwinne­lijk. De koning schrijft een vasten uit. Heel Juda komt samen rondom de ko­ning. Wat te doen? De HERE houden aan zijn woord. De HERE loven en prij­zen. Hij heeft ons gemaakt. Hij heeft de hemel en de aarde genaakt. Hij moet de overwinning geven. Wij moeten op Hem vertrouwen. En zo is het hier ge­gaan. Het is immers een strijd des HEREN en niet onze strijd. Ga de vijanden tegemoet. Je moet wel wat doen, je moet wel actie ondernemen. Je moet niet op je stoel blijven zitten. De moedige mannen gaan voorop. Ze loven en prij­zen de HERE. Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwig­heid. Hebt u ooit gehoord van een leger dat uittrekt met lofprijzing en muziek? En de HERE geeft de overwinning. De vijanden worden verward en doden elkaar. Hoe is het mogelijk? Josafat en zijn mannen hebben geen hand uitge­stoken. Ze moesten alleen maar vertrouwen op de HERE, hun God, en zie, de overwinning kwam. Looft de HERE. Ze houden een dankstond in het Dal der Lofprijzing, bepakt en bezakt met de buit die ze behaald hebben. De HERE is goed. Er is vrede.

Maar weer het staartje. Josafat sluit een verbond met de koning van Israël om samen schepen te bouwen. Maar gelukkig verijdelt de HERE het. De schepen lijden schipbreuk. Daarom is steeds opnieuw de roep. Blijf dicht bij de HERE Jezus. Dan koers je veilig. Dan kom je in de veilige haven aan. Maar wat doen wij zo vaak? We gaan met onze zorgen en problemen niet naar de HERE. We moeten bidden en de Bijbel bestuderen. Leven vanuit de afhankelijkheid van God.

2 Kronieken 21:2-22:9

5 mei [1]

21:4

doodde hij al zijn broeders met het zwaard en ook enige oversten van Israël.

21:6

want hij had een dochter van Achab tot vrouw en deed wat kwaad is in de ogen des HEREN.

21:7

Maar de HERE wilde het huis Davids niet verdelgen, ter wille van het verbond dat Hij met David gesloten had, en omdat Hij gezegd had, dat Hij hem en zijn zonen altijd een lamp zou geven.

21:14

de HERE zal uw volk… zeer zwaar treffen;…

21:19

zijn ingewanden naar buiten,…

21:20

Hij ging heen, onbetreurd;…

22:4

Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN,…

22:7

Dat Ahazia naar Joram kwam, werd echter door Gods beschikking zijn ondergang,…

22:9

voerde hem naar Jehu en bracht hem ter dood;…

Joram werd koning. Hij vermoordde al zijn broeders en ook enkele oversten. Hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN. Maar de HERE wilde het huis van David niet verdelgen om de belofte aan David gedaan. Er was alle reden om dit huis uit te roeien, maar God deed het niet ter wille van de belof­ten. De eeuwigdurende beloften. Het ging om de komst van de beloofde Mes­sias. Er kan dus van alles gebeuren. Er kunnen vreselijke dingen in het huis van God gebeuren, maar Hij blijft zijn verbond onderhouden. Wat een on­dankbaarheid van ons. Wat een moeilijke dingen voor God.

Maar het loopt slecht af met Joram. Het rijk valt uiteen en zelf wordt hij vrese­lijk ziek. Zo ziek dat zijn ingewanden naar buiten komen. Bovendien komt er oorlog. Alles wordt van hem weggeroofd. De zonde heeft vreselijke gevolgen. Hij sterft onbetreurd staat er dan. Men begraaft hem, maar niet in het graf van de koningen. Het volk is diep in zonde gevallen. Een groep rovers, Arabieren, heeft alle koningszonen gedood, maar Ahazia bleef in leven en hij komt op de troon. Hij doet wat kwaad is in de ogen des HEREN. Hij deed wat het huis van Achab deed. Daar komt alleen maar ellende van. Zorg dat je een relatie aangaat met hen die het ook van de HERE verwachten. Je wordt van alle kan­ten aangevallen, dus je moet vooral in de relaties die je aangaat heel dicht bij God, heel dicht bij de Here Jezus blijven. Dat blijkt in de Bijbel ook keer op keer. Je ziet het hier. Het gaat zelfs enkele geslachten door.

Hij gaat dan ook samen strijden met Joram, de koning van Israël. Joram raakt gewond en Ahazia gaat op bezoek. En dat wordt naar Gods beschikking, zoals het er staat, zijn dood. Jehu die schoon schip maakt met de afgoderij, roeit het huis van Joram uit en neemt ook Ahazia gevangen, die zich verborgen had. Hij doodt ook Ahazia. En zo komt deze koning aan zijn einde. Wat een tragiek in deze koningsfamilie. Als eenmaal de zonde heeft ingevreten, dan gaat het van kwaad tot erger. Het gaat er steeds weer om of wij met een goed geweten en met inzicht gehoorzaam zijn. We moeten niet met de vijand meegaan. We moeten daar verre van blijven. Want vroeg of laat ga je voor de bijl. Je ziet het hier.

2 Kronieken 22:10-23:21

6 mei [1]

22:10

Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, maakte zij zich op en roeide het gehele koninklijke geslacht van het huis Juda uit.

22:11

Maar prinses Josabath nam Joas, de zoon van Ahazia, en voerde hem heimelijk weg…

22:12

Hij bleef zes jaar bij hen verborgen in het huis Gods, terwijl Athalia over het land regeerde.

23:11

Toen brachten zij de zoon des konings naar buiten, zetten hem de kroon op, gaven hem de Getuigenis en maakten hem koning. Jojada en zijn zonen zalfden hem en riepen: Leve de koning!

23:13

Toen verscheurde Athalia haar klederen en riep: Verraad! Verraad!

23:15

bracht men haar daar ter dood.

23:17

Het gehele volk ging naar de tempel van Baäl, zij haalden die omver,…

Een koningsdrama. Ahazia is gedood. Daar moet Athalia iets aan doen. Ze doodt het gehele koningsgeslacht van Juda. Weg met de belofte. Het hangt aan een zijden draadje. Hoe zou de HERE dat nu weer oplossen? Maar prinses Josabath, de vrouw van priester Jojada, verbergt de kleine prins Joas. Zes jaar lang. Athalia regeert en doet wat kwaad is in de ogen des HEREN. Maar dan neemt de priester Jojada initiatief. Hij bewapent de priesters en de Levieten. Hij neemt Joas en zalft hem tot koning. Athalia hoort het en roept: “Verraad! Verraad!” Inderdaad, het is verraad. Athalia wordt gevangen genomen. En ieder die het lef heeft om haar te volgen wordt gedood. Ze wordt gedood. Het is groot feest. De tempel is in ere hersteld. Het geslacht van David is weer op de troon. Er wordt schoon schip gemaakt. Het volk sluit een verbond met de HERE God. Zij zullen Hem dienen. Ze halen de Baäls neer. Ze doen de afgo­dendienst weg. Ze willen de HERE, hun God dienen. Het is groot feest in het land.

Wat een familiedrama. Je moet ook zorgen dat er geen afgodendienst in je fa­milie komt. Ze hebben zich met het huis van Achab, dat wil zeggen de afgo­dendienst, verzwagerd. Dan gaat het ook niet goed. Athalia was een slechte vrouw. Wat een ellende in het geslacht van koning David. Moet daar nu de belofte door voortgedragen worden? Wat een aanvallen op dat geslacht. Wat een zonde in dat geslacht. Maar ook nu is de HERE God zeker van zijn zaak. De grote tegenstander van God kan wel proberen om het geslacht van David uit te roeien, maar daar is God zelf om het te verhinderen.

Misschien wist Athalia van de beloften van God. Ja natuurlijk wist ze van de beloften van God. Daar zou zij wel eens een stokje voor steken. Maar dan is buiten God gerekend. Probeer nooit God voor de voeten te lopen. Dan ga je er altijd aan. Het kan een tijdje lijken, dat het je voor de wind gaat. Het is Psalm 2 waarin het grote wereldgebeuren wordt samengevat. God regeert, Hij zit op de troon. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Tegen Hem is niemand opgewassen. Het is goed om daar rekening mee te houden.

Wij zijn zelf ook vaak zo ongelovig. We zien het niet zitten. Het past niet in ons schema en we houden er zelf ook onze eigen mening op na. En voordat we die omgeruild hebben voor een volledige overgave aan de HERE God, moet er heel wat gebeuren. Maar het is ontzettend belangrijk dat we ons aan God overgeven. Het van Hem verwachten. En dicht bij zijn woord blijven leven.

Wat een verhaal. Wat kunnen we er weer veel uit leren. Het gaat erom dat we de HERE God moeten vertrouwen. Op hem hopen en met Hem rekenen. Dan gaat het goed in ons eigen leven en dan gaat het goed in ons gezin. Dan gaat het goed in het land. Glorie voor God.

2 Kronieken 24:1-27

7 mei [1]

24:1

Joas was zeven jaar oud, toen hij koning werd,…

24:2

Joas deed wat recht is in de ogen des HEREN, zolang de priester Jojada leefde.

24:8

Op bevel van de koning maakte men toen een kist,…

24:11

en zij verzamelden geld in overvloed.

24:13

zij vernieuwden het huis Gods naar het oorspronkelijk bestek…

24:18

Zij verlieten het huis van de HERE,… zodat er toorn kwam over Juda en Jeruzalem…

24:19

hoewel dezen hen ernstig waarschuwden, luisterden zij niet.

24:20

Omdat gij de HERE verlaten hebt, heeft Hij u verlaten.

24:22

Koning Joas hield de trouwe hulp, die zijn vader Jojada hem betoond had, niet in gedachtenis, maar doodde zijn zoon. En toen deze stierf, zei hij: De HERE zie het en neme wraak!

24:24

Hoewel het leger van Aram met een gering aantal mannen kwam, gaf de HERE toch een zeer talrijk leger in hun macht, omdat de Judeeërs de HERE, de God hunner vaderen, hadden verlaten.

24:25

zij sloegen hem op zijn bed dood en hij stierf.

Joas, de koning die gered was van de dood. De enige koningszoon uit het huis van David die was overgebleven. Hij werd koning toen hij zeven jaar was. De priester Jojada regeert met hem. Ze doen wat goed is in de ogen des HEREN. Het gaat voorspoedig met het land. Joas wil het huis des HEREN herstellen zoals het was. Er was vreselijk huisgehouden in het huis van God. Gerei uit de tempel des HEREN werd voor de dienst aan Baäl gebruikt. Het was onrein en er was in geroofd. Joas herstelt een jaarlijkse heffing voor de tempel. Maar het geld komt niet binnen. De priesters zien er onvoldoende op toe. Dan wordt er een grote offerkist gemaakt, waar het volk zijn geld in kan gooien. En telkens als de kist vol is, wordt die in processie naar binnen gebracht. Het geld wordt geteld en geadministreerd en dan wordt de kist weer teruggezet. Het volk ver­heugt zich en de tempel wordt herbouwd en verfraaid.

Jojada sterft, en dan begint het liedje opnieuw. Het volk van Juda wijkt weer van de HERE God af. De offerhoogten worden hersteld. Er komt toorn over Juda. De HERE zendt profeten, maar ze luisteren niet. En als Zacharia, de zoon van Jojada, opstaat en met gezag het oordeel des HEREN aankondigt, dan neemt Joas hem gevangen en doodt hem. Hij gedenkt niet de zegen die hij heeft gekregen van zijn vader Jojada. En Zacharia zegt al stervend: “De HERE zie het en neme wraak!”

En het gebeurt. Het leger van Aram komt. Niet eens met een groot leger, staat erbij, maar de HERE geeft dit leger een grote overwinning. Joas wordt ziek en er komt een samenzwering tegen hem. Hij wordt gedood op zijn bed. Hoe is het toch mogelijk dat steeds opnieuw de boze kans ziet om koningen die zo goed begonnen zijn weer uit hun trouwe dienst aan de HERE God te halen en het volk en zichzelf in de afgrond storten. Wat een tragiek toch telkens weer. Wat ook een waarschuwing. Kennelijk is de macht van de boze zo sterk dat als we niet goed op onszelf letten, we er aan gaan. We zeggen vaak: het kan de beste overkomen. En zo is het. Laten we ons niet op de borst slaan en denken dat dit gevaar ons niet bedreigt. Het gevaar ligt telkens op de loer. En het kan van alle kanten komen. Daarom, wees op uw hoede. Strijd! Volhard! Laat je niet meeslepen. Wees sterk en moedig. Beijver u daarom des te meer, om uw roeping en verkiezing te bevestigen, want als gij dit doet zult gij nimmer struikelen. Glorie voor de HERE. Daar waar Jezus in het centrum staat, gaat de vijand op de loop. Blijf dus dicht bij Jezus, want dan gaat het goed. Ook al heb je niet op alle vragen een antwoord. Glorie voor zijn Naam.

2 Kronieken 25:1-26:15

8 mei [1]

25:2

Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, maar niet met een volkomen toegewijd hart.

25:3

bracht hij de dienaren om, die zijn vader, de koning, hadden gedood.

25:7

O koning, laat het leger van Israël niet met u gaan, want de HERE is niet met Israël,…

25:8

want God heeft de macht te helpen en de macht te doen struikelen.

25:15

Waarom hebt gij van dat volk de goden gezocht, die immers hun eigen volk niet uit uw macht gered hebben?

25:16

Toen hield de profeet op en zeide: Ik bemerk, dat God besloten heeft u in het verderf te storten;…

25:17

Kom, laten wij ons met elkander meten!

25:19

Blijf thans in uw huis. Waarom zoudt gij het ongeluk tarten en ten val komen en Juda met u?

25:22

En Juda werd door Israël verslagen;…

25:23

En hij bracht hem naar Jeruzalem en brak de muur van Jeruzalem af,…

25:27

smeedde men te Jeruzalem een samenzwering tegen hem.… en daar doden.

26:4

Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN,…

26:5

Hij zocht God, zolang Zacharia leefde, die hem onderrichtte in de vreze Gods; zolang hij de HERE zocht, maakte God hem voorspoedig.

26:15

Wijd en zijd verbreidde zich zijn roem, want hij werd wonderbaar geholpen, totdat hij machtig geworden was.

Je kunt recht doen in de ogen van God, maar toch niet met een volkomen toe­gewijd hart, zoals koning Amazia. Dat is gevaarlijk. Want dan kan er zo maar iets gebeuren, dat je doet afwijken van de HERE God. Zet je hart dus op God, dan zal Hij het goed met je maken. Amazia monstert een groot leger en hij huurt ook honderdduizend man uit Israël. Maar dan zegt de profeet: “doe het niet, koning, want de HERE is niet met Israël”. De koning luistert en stuurt ze terug. Ze zijn ontzettend boos, maar de koning gehoorzaamt.

Dan trekt hij ten strijde tegen Edom. Hij verslaat ze en doodt ze. Maar tot ver­bijstering neemt hij de goden van hen mee en buigt zich voor hen neer. De profeet die hem komt waarschuwen zegt: “hoe kunt gij nu zoiets doen om de goden te nemen van een volk dat zelf niet in staat was zich door hun eigen goden te laten beschermen?” Maar Amazia wordt boos en de profeet stopt en zegt: “Ik begrijp dat God besloten heeft onheil over u te brengen.”

Dan daagt Amazia de koning van Israël uit om zich in kracht te meten. Hoe deze koning hem ook waarschuwt om niet in hoogmoed deze weg te gaan, Amazia luistert niet en hij stort zich in het oordeel dat God beschikt had, om­dat hij de goden van Edom was gaan dienen. Er komt een strijd en de HERE geeft hem in de macht van de koning van Israël. De muur van Jeruzalem wordt afgebroken, de voorwerpen worden meegenomen. Wat een vernedering.

Tenslotte wordt Amazia door een samenzwering gedood. Zo gaat het als je afwijkt van wat de HERE God belooft heeft. Opnieuw een geschiedenis met een tragische afloop. Kan er nu nooit eens een zijn die tot het einde goed gaat?

Uzzia wordt koning in zijn plaats. Hij doet wat goed is in de ogen des HEREN, zolang Zacharia leeft, die hem onderricht gaf in de vreze des HEREN. Hij wordt machtig. Hij verslaat zijn vijanden. Hij wordt een machtig man. Zijn roem gaat voor hem uit. Hij vormt een heel sterk leger. Hij is bedre­ven in de strijd. Hij ontwikkelt wapentuig. Wat zou er met deze koning gaan gebeuren? Kan hij de weelde van roem en macht verdragen? Wat gaat God met hem doen? Er stond zo duidelijk dat de HERE hem zegende, zolang Zacharia hem onderricht gaf in de vreze des HEREN. Is dat dan gestopt en ging het toen weer mis? Belangrijk is dat we onderricht worden in de vreze des HEREN, bij dag en bij nacht. Daar moeten we ons in oefenen. Dat is niet een eenmalige zaak. Dat is een constant gebeuren. Dat is niet zozeer om onze kennis te vermeerderen (al is dat ook heel belangrijk en een kern van het on­derricht), maar ook om in voortdurend in contact te blijven met het woord van God. Er zijn immers zoveel andere geluiden, die proberen om ons van God af te houden. We moeten met heel ons hart dicht bij Jezus blijven om veilig be­schut te zijn in zijn aanwezigheid.

Het woord van God is een beschermlaag om ons heen. Het is het zwaard des Geestes. Daar kunnen we alle brandende pijlen van de boze mee afweren. Er komen brandende pijlen van de boze en die kunnen we beslist afweren. Maar dan moeten we het zwaard des Geestes ook paraat hebben. Anders werkt het niet. Zo gaat het. Daarom is het zo belangrijk dat we met elkaar het woord van God bestuderen. Dank U, HERE God dat U ons telkens opnieuw eraan herin­nert om in uw Woord te blijven. Het is waar. We moeten het gewoon doen. Dan werkt het ook.

2 Kronieken 26:16-28:27

9 mei [1]

26:16

Maar toen hij machtig geworden was, werd zijn hart zo hoogmoedig,…

26:18

U komt het niet toe, Uzzia, reukwerk te ontsteken voor de HERE,…

26:19

En terwijl hij tegen de priesters toornde, brak de melaatsheid uit aan zijn voorhoofd…

26:21

Koning Uzzia nu was melaats tot de dag van zijn dood.

27:2

En hij deed wat recht is in de ogen des HEREN,…

27:6

want hij was standvastig in zijn wandel…

28:1

Hij deed niet wat recht is in de ogen des HEREN…

28:3

ja, hij ontstak offers in het dal Ben-Hinnom en verbrandde zijn zonen met vuur…

28:5

Daarom gaf de HERE, zijn God, hem over in de macht van de koning van Aram,…

28:6

doodde in Juda honderdtwintigduizend man op één dag… omdat zij de HERE, de God hunner vaderen, hadden verlaten.

28:9

Daar was echter een profeet des HEREN, die Oded heette.

28:10

Is er ook bij u geen grote schuld tegen de HERE, uw God?

28:11

want de brandende toorn des HEREN rust op u.

28:13

wij hebben toch al grote schuld, en brandende toorn rust op Israël.

28:19

Want de HERE vernederde Juda om Achaz,…

28:22

In de tijd, dat hij in het nauw geraakte, ging hij, diezelfde koning Achaz, voort met ontrouw te zijn jegens de HERE;…

28:24

hij sloot de deuren van het huis des HEREN…

Uzzia, Uzzia. Je wist het zo goed. Je was opgevoed in de vreze des HEREN. Maar nu heeft de hoogmoed je te pakken. Wat een tragiek. En wat een gevaar. Hoogmoed komt voor de val. Hoe zit de hoogmoed ons niet allen in ons bloed. We moeten daar tegen waken. Want het slaat zo maar toe. We moeten niet hoogmoedig, maar ootmoedig zijn. We moeten nederig van hart blijven. Dan kan de HERE met ons verder. Dan kan Hij ons in onze zwakheid sterk maken, we moeten een mens naar zijn hart zijn. We moeten met Hem wandelen. Het gaat in de eerste plaats om de eer van God. Daar kan toch niets tegen op. Wat een heerlijke zekerheid dat we worden opgetrokken tot God, als we nederig van hart zijn. Als we nederig van hart zijn, dan zijn we in Gods aanwezigheid en daar is het heerlijk en heilig en hoog en oneindig. Daar is het eeuwig.

Uzzia is ons ten voorbeeld. Hij probeerde het heilige te ontheiligen. God greep direct in. Hij heeft er het leven nog bij afgebracht, want de dood was voor hem heel dichtbij. Hij werd meteen melaats. Dat was zijn redding. Daarin kon hij zichzelf hervinden. Maar het kan ook zo zijn, dat we in onze hoogmoed ster­ven. Voor hen die zondigen is het koninkrijk der hemelen niet. HERE help ons om nederig van hart te worden en te blijven. Help ons, HERE God, want zon­der U kunnen we het niet.

Dan komt zijn zoon Jotham. Hij doet wat goed is in de ogen des HEREN. Hij is standvastig in zijn wandel met de HERE. Dat voorkomt een hoop onrust en gedoe. Je zult de vrede en de rust van Jezus dan ervaren. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

De volgende koning zit weer helemaal in de verkeerde hoek. Achaz. Heel, heel triest. Hij offert zelfs zijn zonen aan de Moloch in het dal Ben-Hinnom. Dat is verschrikkelijk. Het oordeel van de HERE blijft dan ook niet uit. Hij geeft hem over in de macht van de koning van Aram en de koning van Israël. Als de kinderen worden opgeofferd aan de afgoden, dan is de maat vol. Dat geldt ook voor vandaag, als we de kinderen het slachtoffer laten worden van onze welvaart of ons plezier dan is het oordeel Gods over de wereld. Dat geldt bij abortus. Hoe in de wereld hebben we kunnen bedenken dat abortus een oplossing zou zijn voor een probleem? Wat doen we de kinderen in de wereld niet aan. Het is verschrikkelijk. Kinderen worden geboren aan het hart van God. Als we de kinderen iets aandoen, dan raken we Gods hart aan. Dan kan Hij Zijn toorn niet inhouden. Juda lijdt eronder. Het is oorlog en verdriet. Dood en verderf. Als de profeet Oded Israël niet voorgehouden had, dat er onder hen ook grote zonde is en dat ze daarom de ballingen moesten terug­sturen, dan was het nog erger geweest. Want het was bekend dat de HERE niet met Israël was vanwege de grote zonden die daar bedreven werden.

Achaz probeert ook de hulp van de koning van Assur in te roepen, maar het helpt niet. Hij raakt steeds meer in het nauw. Hij probeert hulp te krijgen bij de afgoden van zijn vijanden. Hij sluit zelf de deuren van de tempel en plaatst afgodsbeelden op elke hoek van Jeruzalem. Wat een duisternis in Juda. Zou het wel ooit weer goed komen? Zo kan het toch niet erger. O HERE, kom Uw volk te hulp. Dat gold niet alleen toen, maar ook vandaag. Wat zijn ze ver weg van de verlossing die er is in U. Wat wordt er toch vreselijk geleden door Uw volk, ook vandaag. Ze zijn verstrooid en in ballingschap gegaan vanwege hun zonden, en tot vandaag zijn ze verspreid over de hele wereld en het bloed kleeft aan de handen van zoveel vijanden die hen proberen uit te roeien. Wat moet dat worden. Wat een tragiek. En toch houdt U uw verbond. Het kan ook niet anders dan dat uw tegenstander, de mensenmoorder van den beginne, alles doet om U van uw plan af te houden en allen die U willen volgen wil vervolgen en dwars zitten. Maar het geheim is en blijft dat al wie bij de HERE schuilt, niet beschaamd zal uitkomen. Bij Hem zijn we veilig en onaantastbaar.

2 Kronieken 29:1-36

10 mei [1]

29:2

Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader David gedaan had.

29:3

Hij opende in het eerste jaar zijner regering, in de eerste maand, de deuren van het huis des HEREN en herstelde ze.

29:10

Thans is het mijn voornemen een verbond te sluiten met de HERE, de God van Israël, opdat zijn brandende toorn zich van ons afwende.

29:11

Mijn zonen, weest thans niet nalatig, want u heeft de HERE verkoren om in Zijn dienst te staan, om Zijn dienaren te zijn en aan Hem te offeren.

29:17

en heiligden het huis des HEREN in acht dagen;…

29:24

om over geheel Israël verzoening te doen, want de koning had bevolen,…

29:28

De gehele gemeente boog zich neer, men zong het lied en blies op de trompetten…

29:29

Toen zij met offeren gereed waren, knielden de koning en allen die zich bij hem bevonden, en bogen zich neer.

29:30

En zij zongen de lofzang met vreugde, knielden en bogen zich neer.

29:35

Aldus werd de dienst van het huis des HEREN hersteld.

29:36

Jehizkia en het gehele volk verheugden zich over wat God Zijn volk bereid had, want onverwacht was deze zaak geschied.

Ziet u het voor u? Dat moet toch geweldig zijn geweest. Ik kan me voor stellen hoe mooi het is om een kinderbijbelplaat te maken met deze heilige ontmoe­ting. Deze heiliging en deze inwijding. Hoe is het mogelijk dat de tempel zo ontwijd was. Dat zelfs de deuren van de voorhal waren gesloten. Wat een af­goderij. Hizkia begint meteen schoon schip te maken. In zijn eerste jaar in de eerste maand. De Levieten en de priesters hebben acht dagen nodig om de hele boel schoon te maken en te heiligen. Alle rotzooi wordt eruit gegooid en ver­nietigd. De tempel wordt hersteld. De offers worden ontstoken. De dienst wordt hersteld.

Hizkia roept het volk bijeen en heiligt het. Hij roept de mensen op tot het ver­bond met de HERE God. Ziet u die plechtige samenkomst voor u? Daar staat de koning. Daar worden de trompetten geblazen. Liederen worden gezongen, gebeden opgedragen. Het is één groot feest. De koning en de priesters en heel het volk buigen zich neer en knielen voor de HERE God. Zij belijden hun schuld. Zij beloven trouw. De Here gaat opnieuw met hen beginnen. Er zijn niet genoeg priesters om alle offers afgewerkt te krijgen. De Levieten moeten helpen. Het is een onvoorstelbare vreugde. Een geweldige zekerheid bij allen om zich voortaan aan Gods geboden te houden.

Hizkia, de grote koning brengt het volk terug tot de HERE. Daar kan alleen maar zegen op rusten. Het is daarom ontzettend belangrijk, dat wij allemaal onszelf èn allen voor wie we verantwoordelijkheid dragen, brengen en dicht houden bij het Woord van God. Zijn geboden zijn geboden om bij te leven. Daar moeten we ons steeds weer op richten. Het kan zijn dat we toch afgewe­ken zijn. Dan moet de boekrol weer open. Dan moeten we weer op de knieën. Dan moeten we Jezus weer opzoeken en dicht bij Hem blijven. Daar hoeven we niet al te ingewikkeld en te moeilijk over te doen, want het is heel eenvou­dig; niets anders dan de geboden van God toe te passen in ons eigen leven en samen met anderen gemeenschap te hebben en te beseffen, dat we niet leven in een wereld zonder zonden, maar dat de duivel rond gaat als een briesende leeuw. Dat kan soms heel dicht bij zijn. Maar in alle omstandigheden moeten we Gods geboden onderhouden en dicht bij Hem blijven. Dan hebben we het goed en geeft Hij ons de energie en de richting om staande te blijven.

2 Kronieken 30:1-31:1

11 mei [1]

30:1

om voor de HERE, de God van Israël, het Pascha te vieren.

30:5

want men had het niet, zoals was voorgeschreven, algemeen gevierd.

30:6

Israëlieten, keert weder tot de HERE, de God van Abraham, Isaäk en Israël, dan zal Hij wederkeren tot de ontkomenen, die u overgebleven zijn uit de macht van de koningen van Assur.

30:8

en dient de HERE, uw God, opdat Zijn brandende toorn zich van u afkere.

30:10

lachte men hen uit en bespotte men hen.

30:14

en wierpen die in de beek Kidron.

30:15

Daarna slachtten zij het Pascha op de veertiende der tweede maand.

30:18

had zich niet gereinigd; toch aten zij het Pascha, in strijd met het voorschrift.

30:20

En de HERE verhoorde Jehizkia en genas het volk.

30:26

Er was grote vreugde in Jeruzalem, want sinds de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was iets dergelijks in Jeruzalem niet geschied.

30:27

Toen stonden de levitische priesters op en zegenden het volk, en hun stem werd gehoord; hun gebed kwam tot in zijn heilige woning, tot in de hemel.

31:1

vernielden grondig de hoogten en de altaren uit geheel Juda…

Hizkia weet dat ze ook de feesten moeten houden. Kennelijk was het Pascha niet meer gevierd. En dat terwijl het elk jaar gevierd moest worden. Het volk moest zich heiligen en reinigen en gedenken dat het door de machtige hand van God was dat zij met vaste hand uit Egypte gevoerd waren. Hizkia stuurt brieven door heel het land. Maar veel mensen lachen de boodschappers uit. Ze zitten nog met al hun vezels vast aan de afgodendienst. Maar toch komen een aantal betrouwbare lieden naar Jeruzalem en Hizkia begint de dienst van het Pascha te herstellen. Wel niet op de echte dag voor het Pascha, de veertiende van de eerste maand, maar een maand later, de dag voor mensen die in de eerste maand onrein waren (Numeri 9:9-11). Het gaat allemaal wel langzaam, want er zijn niet genoeg priesters, die zich geheiligd hebben om alle offers te bedienen. Ook heeft niet al het volk zich gereinigd volgens het voorschrift. Hizkia bidt tot God om het te vergeven, en dat doet God. God is een God van orde, maar Hij is barmhartig als het volk zijn hart op Hem gezet heeft.

Het wordt een groot feest in Jeruzalem. Er wordt zelfs besloten om het feest van zeven dagen, met zeven dagen te verlengen. De koning geeft heel veel vee om de offers te brengen en de mensen te voeden. Zoiets is sinds Salomo niet meer in Jeruzalem voorgekomen, staat er. Dat moet dus wat geweest zijn. Een machtig feest. Met veel muziek en zang en toewijding en offers en wierook en heiligheid. Een gekrioel van mensen die zingen en dansen en muziekinstru­menten bespelen. De straten van Jeruzalem zullen vol geweest zijn. Er is grote vreugde, Want het volk beseft dat ze weer op de goede weg zijn.

Als je Hem nog niet kent, geef dan nu je leven aan Jezus. Erken dat je zondig bent en dat je vergeving nodig hebt. Ga het koninkrijk van God binnen. Het is de mooiste plek op heel de wereld waar je wilt zijn. Wat een feest, om er nu al een deeltje van te zien. Glorie voor zijn Naam.

2 Kronieken 31:2-32:23

12 mei [1]

31:4

opdat dezen al hun krachten zouden kunnen wijden aan de wet des HEREN.

31:5

en zij brachten in overvloed de tienden van alles.

31:12

Trouw bracht men de heffingen, de tienden en de heilige dingen.

31:21

tot de wet en het gebod, waarin hij zijn God zocht, handelde hij met volle toewijding en was hij voorspoedig.

32:7

Weest sterk en moedig, vreest niet en wordt niet verschrikt voor de koning van Assur en de gehele menigte die met hem is, want met ons is meer dan met hem.

32:8

maar met ons is de HERE, onze God, die ons helpt en onze oorlogen voert.

32:13

Hebben soms de goden der volken van die landen hun land uit mijn macht kunnen redden?

32:17

Ook had hij een brief geschreven, waarin hij de HERE, de God van Israël, hoonde…

32:20

Maar koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden deswege en riepen naar de hemel.

32:21

Toen zond de HERE een engel, die alle krijgshelden, vorsten en oversten in de legerplaats van de koning van Assur verdelgde, zodat hij met beschaamd gelaat naar zijn land terugkeerde.

32:23

Van toen af stond hij bij alle volken hoog in aanzien.

Er waren duidelijke regels voor de eredienst voor de HERE. Die waren even­eens in de vergetelheid geraakt. Hizkia herstelt ze in ere. En het volk bracht op royale wijze hun tienden. Elk jaar opnieuw. Hizkia maakt opslagkamers waar alles in verzameld kan worden. Het werk des HEREN kan zonder problemen doorgaan. Er is geld genoeg. Zoals de HERE het had bevolen. Hizkia deelde priesters en de Levieten in. Het werk voor de HERE werd goed georganiseerd. Hizkia ging met overleg te werk. Hij zocht in alles zijn God. Daar kan niets anders dan zegen op volgen. Glorie voor zijn Naam.

Wat is dit weer een oproep om het met de regels ten leven van de HERE God nauw te nemen. Dat zijn geen knellende regels. Nee, het omgekeerde. Als je doet wat God zegt en bedoelt, dan ben je de meest vrije persoon die je je maar kunt bedenken. Dan word je voor een hoop ellende behoed. Dan gaat het je goed. Want je leeft en je schuilt en je stelt je afhankelijk van de liefde van God. Die liefde is zo groot. Is oneindig. Daar kun je alleen maar beter van worden. Halleluja.

We zien het in het volgende hoofdstuk. Sanherib, de koning van Assur rukt op. Wie kan er iets uitrichten tegen de koning van Assur? Wie is er sterker dan de koning van Assur? Niemand kan daar tegenop. Alle volken rondom zijn al aan hem onderworpen. Geen wonder dat hij er geen been in ziet om dat kleine landje Juda in te lijven. Hij voert een zenuwenoorlog. Hij laat omroepen, dat de mensen zich niet door Hizkia moeten laten misleiden, al zou zijn God San­herib kunnen beletten om het land in te nemen. Dat is toch nog geen enkele andere god van de omringende volken gelukt. Kijk zelf maar, dan weet je het. Nee, burgers van Jeruzalem bega geen domme dingen, maar geef je over aan mij.

Maar Hizkia gaat tot de tanden bewapenen. Hij herstelt de muur van Jeruza­lem. Hij stopt alle waterbronnen dicht. En hij zegt: “de koning van Assur komt met vleselijke wapenen, maar wij komen met onze God, die voor ons de oor­logen voert.” Ongetwijfeld zullen de annalen geopend zijn, van waaruit Gods grote daden zijn verteld. Wij moeten op de HERE God vertrouwen. Dat bete­kent niet dat we boel niet moeten beschermen en de bewapening niet moeten opvoeren, zodat onze vijanden, die niets van God willen weten, toch afge­schrikt worden. Dat gold toen en dat geldt ook nu. Hizkia zegt: “Weest sterk en moedig. Met ons is meer dan met hem.”

Sanherib hoont God in een brief die hij schrijft. Hij maakt God belachelijk. Wat moet dat door merg en been gegaan zijn van Hizkia en zijn mannen. Maar Hizkia en Jesaja baden tot de hemel. Dan staat daar zo plastisch: “Toen zond de HERE een engel, die alle krijgshelden, vorsten en oversten in de leger­plaats verdelgde, zodat hij met beschaamd gelaat naar zijn land terugkeerde.” Engelen bestaan. Toen en nu. We mogen gaan staan in de almacht van God. We mogen Hem aanroepen en het van Hem verwachten. We moeten alles doen wat wij kunnen doen, maar het is God die onze aanvoerder is. Niet alleen in grote oorlogen, maar ook in de gewone dingen van het alledaagse leven. We hebben een God die grote legers de aftocht laat blazen. Wij hebben een God voor wie ons probleem een peulenschilletje is. Waarom lijkt het dan zo vaak zo anders? Eigenlijk ook heel eenvoudig te beantwoorden. Omdat we niet ge­loven dat we zo’n God hebben. We denken het zelf allemaal wel te kunnen klaren en we proberen eerst zelf van alles uit en, o ja, we moeten God er ook nog bijhalen. Ja, zo werkt het niet. Zo laat God niet met zich sollen. Dan gaat het niet of het nu een groot of een klein ding is. Het gaat erom, dat we op God vertrouwen en alles van Hem verwachten. Want we hebben toch bij koning Asa gezien dat Gods ogen de ganse wereld rondgaan om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. Dat gold toen. Dat geldt ook van­daag. Het is geweldig.

Het is fantastisch dat we samen mogen strijden voor de eer van de HERE God. Want wat wordt de HERE God gehoond en getart. Wat is het vreselijk gesteld met de liefde voor God. Dat kan toch niet. Dat is toch verschrikkelijk. Het lijkt wel of de wereld God mag honen en er niets gebeurt. O, HERE God, help ons want het is verschrikkelijk gesteld. Zo kan het niet langer. Wilt U handelend optreden en uw machtige hand over ons land en ons volk en over deze hele wereld uitstrekken.

Sanherib wordt gedood. En Hizkia wordt de koning met aanzien ten overstaan van alle volken. Als de HERE op de troon zit in ons leven dan wordt het feest. Glorie voor zijn Naam.

2 Kronieken 32:24-33:25

13 mei [1]

32:24

In die dagen werd Jehizkia ten dode toe ziek. Toen bad hij tot de HERE en Hij sprak tot hem en gaf hem een wonderteken.

32:25

want hij werd hoogmoedig, zodat er toorn kwam te rusten op hem, op Juda en op Jeruzalem.

32:26

Toen verootmoedigde Jehizkia zich over zijn hoogmoed,…

32:29

want God gaf hem een zeer grote have.

33:2

Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN,…

33:6

Ja, hij deed zijn zonen door het vuur gaan in het dal Ben-Hinnom…

33:10

De HERE sprak tot Manasse en zijn volk, maar zij luisterden niet.

33:13

toen liet Hij Zich door hem verbidden, hoorde zijn smeking, bracht hem naar Jeruzalem terug en herstelde hem in zijn koningschap. En Manasse erkende, dat de HERE God is.

33:22

Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN,…

Als je ziek bent, dan bid je tot de HERE God. Hij is de grote heelmeester. Hij weet wat goed voor ons is. Natuurlijk ga je naar de dokter. Je mag alles aan­wenden voor je gezondheid. Maar de genezing geeft God. Het is heerlijk om te weten, dat je in Gods hand geborgen bent. Dan kun je ziek zijn en dat is al iets wat niet bij het paradijs behoort. Dat is een gevolg van de zondeval. Wij alle­maal zijn in zonde ontvangen en geboren derven de heerlijkheid Gods, maar Gode zij dank, door Jezus Christus is ons verzoening en redding aangeboden. We leven in deze wereld, maar we zijn niet van deze wereld. We worden ge­boren om te sterven. Zo is het van den beginne niet geweest. We zijn eigenlijk allemaal ziek van de zonde. De één heeft dit en de ander dat. God kan gene­zing geven. Voor Hem is niets te wonderlijk. De Bijbel en de geschiedenis zijn daar vol van. En God is niet veranderd. Hij wil dat de mensen genezen. Daarom moeten we er ook op vertrouwen en daar van uit gaan. Hem daarom aanroepen en met olie zalven. Je richten op God. Daar gaat het om. Niet naar kwakzalvers luisteren, maar je geheel toewijden aan God. Dan kan Hij ook iets door jou doen. Dat zien we bij Hizkia. Hij bidt tot God en God verhoort hem.

Maar dan wordt hij hoogmoedig, zodat er toorn kwam te rusten op hem, op Juda en op Jeruzalem. Ben je hoogmoedig, dan komt er toorn op je te rusten. Het is een automatisch effect. Hoogmoed hoort niet bij God. Dan verhef je je hoger dan je bent. Dan gaat het verkeerd. Maar Hizkia vernedert zich voor de HERE. Hij belijdt zijn schuld en de toorn wordt weggenomen. Je vraagt je af, waarom dat daar zo vermeld wordt. Het is kennelijk iets dat opgevallen is. Het is ook iets waar de HERE niet aan voorbijgaat. Wat kunnen we hoogmoedig zijn. Maar dan gaat het mis. Dat kan ook niet anders. Want in onze hoogmoed verheffen we ons boven anderen, verheffen we ons boven de HERE God. Dan haal je Gods oordeel over je heen. Daar moeten we niet over zeuren. Dat doen we zelf. Als het oordeel dan komt, dan staan wij zelf schuldig. God zond zijn Zoon niet in de wereld om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te behouden. Maar dan moeten we zijn geboden wel houden. Dan gaat het goed. Heerlijk toch. En zijn geboden zijn niet zwaar. Dat is pas echt leven met deze leefregels ten goede. Hizkia wordt bekend onder alle volken. God zegent hem. Het is overal zichtbaar in het land. Het is welvaart overal.

De regering van Manasse is verschrikkelijk. Hoe haal je het in je hoofd. De lijst van zijn daden is één opsomming van de dingen die God krenken. Wat denkt hij wel. Baäls in de tempel. Alles wat goddeloos is in het huis des HEREN. En in die tempel zou alleen God maar wonen en voor eeuwig, opdat God gediend zou worden. Nou, daar is niets van over. Hij offert zelfs zijn zonen in het dal Ben-Hinnom aan de Moloch. Vreselijk. Wat een regering. Daar kan niet anders dan Gods straf opvolgen. En die komt. De koning van Assur komt en Manasse wordt weggevoerd. Daarna krijgt hij berouw. Dan staat er, dat God zich laat verbidden. Manasse keert terug en zijn koningschap wordt hersteld. Hij doet de afgodsbeelden weg. Hij herstelt de eredienst in de tempel. Wel blijft het volk offeren op de offerhoogten. Van een radicale bekering is geen sprake. Hij sterft na vijfenvijftig jaar aan de regering te zijn geweest.

Amon wordt koning en hij doet wat kwaad is in de ogen des HEREN. Hij maakt de schuld steeds groter. En dan is er een samenzwering en hij wordt gedood. Wat een geschiedenis. Wat een terugkerende verleiding van de boze om de macht te grijpen en de mensen te verleiden. Het is een permanente strijd. Je moet je daar ook permanent tegen verzetten. Het is verschrikkelijk hoe de boze tekeergaat om de mensen te verleiden. Je moet echt niet denken dat de duivel stil zit. Daar moeten we ons van bewust zijn. Daarom staat er zo vaak in de Bijbel dat we moeten volharden, ons moeten beijveren, ons moeten inzetten, enz. enz. Waarom? Omdat God weet hoe groot de macht van de satan is. We zien het trouwens om ons heen. We zien toch hoeveel mensen ten on­dergaan aan drugs, aan seks, aan onreinheid, aan alcohol, aan doodslag, door abor­tus, euthanasie, geweld, enz., enz. De wereld is vol van lijden. Er schijnt geen einde aan te komen. HERE God dank U wel voor uw Woord. Want daarin wordt de weg der waarheid gewezen. Het gaat erom dat we het moeten lezen en niet verslappen. Prijs de HERE. Als je deze waarheid gaat ontdekken dan ben je nooit meer dezelfde. Glorie voor zijn Naam.

2 Kronieken 34:1-33

14 mei [1]

34:1

Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd,…

34:2

Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links.

34:5

Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem.

34:8

om het huis van de HERE, zijn God, te herstellen.

34:15

Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEREN.

34:19

Zodra de koning de woorden der wet hoorde, scheurde hij zijn klederen.

34:21

Gaat de HERE raadplegen… want groot is de gramschap des HEREN, die zich over ons uitgestort heeft, omdat onze vaderen het woord des HEREN niet in acht genomen hebben, en niet hebben gehandeld overeenkomstig al wat in dit boek geschreven staat.

34:24

Ik breng onheil over deze plaats…

34:25

omdat zij Mij verlaten hebben…

34:28

en uw ogen zullen niets zien van al het onheil,…

34:30

Hij las te hunnen aanhoren al de woorden van het boek des verbonds dat in het huis des HEREN gevonden was.

34:31

en de woorden van het verbond die in dit boek beschreven waren, zou volbrengen.

34:33

Gedurende heel zijn leven weken zij niet af van de HERE, de God hunner vaderen.

Koning Josia, de kindkoning. Hij zocht de HERE al zeer jong. Hij ging met­een over tot de daad. Hij deed de afgoden weg. Hij ging het hele land door om de afgoden weg te halen. Wat zal dat een toestand geweest zijn. Zijn grootva­der Manasse had wel een begin gemaakt, maar het volk offerde nog op de hoogten. Josia neemt die halfslachtigheid niet. Hij ziet het als één van zijn be­langrijkste taken. Wat zal dat een rumoer en oproer en verandering hebben gegeven. Want dat zal allemaal niet zachtzinnig gegaan zijn. Daar zullen de mensen aan hebben moeten wennen. Wat krijgen we nou weer. Hebben we net onze religieuze tempels op orde en komt er weer iemand die zegt: “het is niet waar, weg ermee.”

Er wordt nu ook weer geld bijeen gebracht voor het herstel van de tempel. Dat is ook een hele organisatie. Hoe is het toch mogelijk dat, terwijl God zelf zegt dat Hij voor altijd in deze tempel wil wonen, er toch steeds weer zo’n vreselij­ke afval is. Het is toch verschrikkelijk wat er allemaal in de tempel gebeurd is. En dan wordt het wetboek gevonden. Kennelijk waren ze het wetboek kwijt. Of wisten ze niet eens dat er zo’n wetboek was. In ieder geval het wordt naar de koning gebracht en aan hem voorgelezen.

De koning stuurt een afvaardiging, onder wie de priester Hilkia, naar de profe­tes Hulda. Die profeteert dat de rampspoed, die in het wetboek beschreven staat, ook zal geschieden. De mensen beseffen dat ze grote zonde hebben ge­daan. Maar Josia zal het allemaal niet hoeven meemaken. Hij zal tot zijn vade­ren verzameld worden. Wat een profetie. Hij scheurt zijn klederen en daar was ook alle reden toe. Want het oordeel op de afgodendienst, beschreven in dit boek, is radicaal en onomkeerbaar. Wat heeft de zonde toegeslagen in Juda. Koning Josia begrijpt het. Hij roept alle leiders bijeen en begint hen het hele wetboek voor te lezen. Dat zal een lange preek geweest zijn. Het is doodstil. De koning sluit een verbond. En gedurende heel het leven van Josia blijven ze de HERE dienen. Ze zijn weer teruggekeerd tot de HERE.

Wat kan een mens ver afgedwaald zijn van de liefde van God. Wat kan een mens een hoop ellende over zich heen halen. Maar God wil dat we terugkeren. Onze schuld belijden en het van Hem verwachten. Dan kan Hij Zijn zegen uitstorten over alle ziel die leeft. Glorie voor zijn Naam.

2 Kronieken 35:1-27

15 mei [1]

35:1

Daarop vierde Josia in Jeruzalem de HERE het Pascha. Men slachtte het Pascha op de veertiende der eerste maand.

35:3

Zet de heilige ark in de tempel die Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft.

35:11

en zij slachtten het Pascha, en de priesters sprengden het bloed,…

35:15

En de zangers, de Asafieten, waren op hun post overeenkomstig het gebod van David,…

35:18

Zulk een Pascha was in Israël niet gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël;…

35:19

In het achttiende jaar van de regering van Josia werd dit Pascha gevierd.

35:21

Wat heb ik met u te maken, koning van Juda? Het gaat thans niet tegen u, maar tegen het huis waarmede ik in oorlog ben, en God heeft gezegd, dat ik mij haasten moest.

35:22

hij luisterde niet naar de woorden van Necho, die uit de mond Gods kwamen, en bond de strijd aan in de vlakte van Megiddo.

35:23

Toen raakten de schutters koning Josia;…

35:24

Toen stierf hij…

35:25

En Jeremia zong een klaagzang op Josia,…

In het wetboek wordt over de instelling van het Pascha geschreven. Dat was niet meer zo gevierd sinds de dagen van Samuël. Nou, dat is een tijd geleden. Wat was er dan toch een afval gekomen in het land. Hoe hardnekkig heeft dat voortgewoekerd. Vreselijk. Wat kunnen mensen toch een ellende over zich heen halen.

De ark moet ook weer in de tempel gezet worden. Waar hebben ze die ark dan al die tijd gelaten? Hadden ze die uit de tempel gehaald? Dat was toch hei­ligschennis. Niemand mocht toch in het heilige der heilige komen. En dan wordt het Pascha weer ingesteld. Al het volk is bijeen in Jeruzalem. De koning geeft uit zijn have duizenden en duizenden runderen en groenten en lekkere dingen om het Pascha te vieren. De koning en de rijke mensen geven ontzet­tend veel offerdieren en daarmee kunnen ook ontzettend veel mensen offers brengen. Iedereen komt aan zijn trekken. Wat een feest. Het gaat almaar door. Ook de Asafieten staan voortdurend te spelen. Wat een feest. Zo’n Pascha was in lange tijd niet meer gevierd. Het was in het achttiende jaar van de regering van koning Josia. Het staat in de annalen vermeld.

Dan komt de koning van Egypte om met de koning van Babel te vechten. Hij moet daarvoor door Israël, anders kan hij deze koning niet bereiken. Hij moet dan door het dal van Megiddo. Israël ligt tot op vandaag aan de strategische handels- en oorlogsroute die van Egypte naar het noorden loopt. Wat de ko­ning van Egypte ook zegt, dat hij niet komt om te strijden tegen Josia, Josia luistert niet en de strijd begint. Josia wordt getroffen en sterft in Jeruzalem. Jeremia zingt een klaagzang en velen met hem. Tot op vandaag worden deze klaagzangen gezongen. Er is grote rouw in Jeruzalem. Deze grote vrome ko­ning is gesneuveld. Precies zoals de profetes Hulda had voorspeld. Gods we­gen zijn ondoorgrondelijk.

2 Kronieken 36:1-23

16 mei [1]

36:3

De koning van Egypte zette hem af in Jeruzalem, en legde het land een boete op…

36:4

Toen maakte de koning van Egypte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem en veranderde zijn naam in Jojakim.

36:5

Hij deed wat kwaad is in de ogen van de HERE, zijn God.

36:6

Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op en boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren.

36:9

Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN.

36:10

In het daarop volgende jaar liet Nebukadnezar hem naar Babel brengen met het kostbare gerei van het huis des HEREN. En hij maakte zijn bloedverwant Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.

36:12

Hij deed wat kwaad is in de ogen van de HERE, zijn God. Hij verootmoedigde zich niet voor de profeet Jeremia,…

36:16

verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des HEREN zich zozeer tegen Zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was.

36:17

Hij deed de koning der Chaldeeën tegen hen optrekken, deze doodde hun jongelingen met het zwaard in hun heiligdom,…

36:18

Al het gerei van het huis Gods… bracht hij naar Babel.

36:19

Zij verbrandden het huis Gods en braken de muur van Jeruzalem af; al zijn paleizen verbrandden zij met vuur en alle kostbaarheden vernietigden zij.

36:20

Ook voerde hij hen die aan het zwaard ontkomen waren, naar Babel,… totdat het koninkrijk van Perzië de heerschappij verkreeg;

36:21

om het woord des HEREN, door Jeremia verkondigd, in vervulling te doen gaan: totdat het land zijn sabbatsjaren vergoed gekregen heeft. Al de dagen die het woest lag, heeft het gerust, om zeventig jaar vol te maken.

36:23

Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot enig deel van Zijn volk behoort – de HERE, zijn God, zij met hem, hij trekke op.

Na Josia komen nog enkele koningen en dan is er de ballingschap. De ramp­spoed voltrekt zich. De drie volgende koningen doen allen wat kwaad is in de ogen des HEREN. De koning van Egypte schijnt het voor het zeggen te heb­ben na de nederlaag van Josia. Hij stelt in Jeruzalem zijn broer Eljakim aan als koning over Juda.

Dan komt Nebukadnezar en brengt de koning en het gerei van de tempel naar Babel. Zedekia, een bloedverwant van Nebukadnezar, is de laatste koning die door de koning van Babel is aangesteld. Hij verstokt zijn hart. En al zond de HERE profeten om het volk te waarschuwen en op te roepen, ze gehoorzaam­den niet. Het werd van kwaad tot erger. Dan zend God Nebukadnezar en die verwoest de tempel, breekt de muur van Jeruzalem af, verwoest de paleizen, doodt heel velen en neemt de rest mee naar Babel, evenals dat deel van het gerei en de kostbaarheden uit de tempel wat eerder nog was achtergelaten. Jeruzalem en Juda liggen verwoest.

Maar Jeremia, de profeet, had geprofeteerd dat het zeventig jaar zou duren. En als Kores, de koning van Perzië – het rijk dat het rijk van Babel opvolgt – aan de macht komt, dan roept de HERE hem om een tempel in Jeruzalem te bou­wen. Kores laat dan ook bericht uitgaan dat iedereen die deel heeft aan dit volk zich rekruteert en gereed maakt om de tempel te herbouwen. En zo ge­beurt het. De tijd totdat het land de sabbatsjaren vergoed gekregen heeft, al de jaren die het woest lag. Hoe was het ook weer? Elk zevende jaar kreeg het land een jaar rust. Dat was kennelijk niet meer gedaan. Het land was uitgeput. Die sabbatsjaren moesten ingehaald worden. Dat duurde dus zeventig jaar. En dat is ook het einde van het Babylonische rijk en de koning van Perzië is dan de heerser.

Wat gaat Gods heilsplan toch langs de wegen van de wereldpolitiek. Dat gold toen, maar dat geldt ook vandaag. Daarom is het zo belangrijk om de krant naast de Bijbel te leggen. Want er gebeuren grote dingen, die we mogen zien en ontdekken in het licht der profetie. Daar worden we alleen maar blij van. Want achter dit alles zit het grote plan van God: Het herstel van alle dingen. Het paradijs komt, daar mogen we naar uitzien. Glorie voor zijn Naam.

De Kronieken zijn uit. Wat een geschiedenis. Wat een plan van God. Hoe is het mogelijk dat God zoveel geduld kan hebben met zijn volk. Hoe is het mo­gelijk dat God zoveel geduld heeft met ons. Wij zijn ook zo vaak zwak en week. Dat heeft niets met God te maken, maar dat is het duiveltje dat ons van God probeert af te houden. We mogen en we moeten heel dicht bij Jezus blijven, dan kunnen we scherper zien en dan wordt het leven een feest. Als we niet dwars door alle ellende heen aan God blijven vasthouden, dan komen we nergens. Dank U Here Jezus, dat U door de storting van Uw bloed de weg ge­heel vrij houdt om met U in te gaan en uit de gaan.