Deuteronomium 1:1-33

17 mei [2]

1:3

In het veertigste jaar nu, in de elfde maand, op de eersten der maand…

1:7

trekt naar het gebergte der Amorieten en naar al hun naburen in de Vlakte, op het Gebergte, in de Laagte, in het Zuiderland en aan de zeekust – het land der Kanaänieten, en de Libanon tot aan de grote rivier, de Eufraat.

1:8

Zie, Ik heb dat land tot uw beschikking gesteld; trekt er binnen en neemt bezit van het land, waarvan de HERE aan uw vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob, gezworen heeft, dat Hij het hun en hun nakroost geven zou.

1:10

heden zijt gij zo talrijk als de sterren des hemels.

1:11

De HERE, de God uwer vaderen, voege er aan u nog duizend maal zoveel toe als gij nu telt en zegene u, zoals Hij u beloofd heeft.

1:15

en stelde hen als hoofden over u aan,…

1:17

Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien;…

1:19

en gingen heel die grote en vreselijke woestijn door,…

1:21

vrees niet en wees niet verschrikt.

1:22

laten wij enige mannen vooruit zenden om voor ons het land te verkennen en ons in te lichten omtrent de weg waarlangs wij moeten optrekken,…

1:25

tevens brachten zij ons verslag uit en zeiden: Het land dat de HERE, onze God, ons geven zal, is goed.

1:28

de mensen zijn groter en langer dan wij, de steden zijn groot en hemelhoog versterkt,…

1:30

De HERE, uw God, die voor u uitgaat, Hij zal voor u strijden…

1:31

hoe de HERE, uw God, u droeg, zoals een man zijn kind draagt,…

1:32

Doch ondanks dit woord geloofdet gij niet in de HERE, uw God,

1:33

die voor u uit ging op de weg om voor u een plaats te zoeken, waar gij u kondt legeren: des nachts in een vuur om u te doen zien op de weg waarlangs gij moest gaan, en des daags in een wolk.

Ze staan vlak voor de intocht over de Jordaan. Ze zijn veertig jaar in de woes­tijn geweest. Iedereen die twintig jaar of ouder was, toen ze uit Egypte getrok­ken, is gestorven. Alleen de jongeren zijn er nog. Mozes blikt terug en vertelt wat er allemaal gebeurd is. En wat is er veel gebeurd. Hij wijst op de beloften aan Abraham, Isaäk en Jakob. Hij wijst op de belofte van het land. Hij noemt het met naam en toenaam. Dat is geen vrijblijvende zaak. Dat is een eeuwig­durende belofte. Het is het uitverkoren volk en het is het uitverkoren land. Daar is niet over te twisten. Dat is vast en zeker. Dat is gezegd en dat gaat ge­beuren. Net zo als alles wat de HERE zegt, gebeurt en gaat gebeuren. Zijn Woord staat vast. Dwars door alles heen.

Het volk is gegroeid. Hun aantal is nu als de sterren aan de hemel, zegt Mozes. En moge het nog duizend maal meer worden. Hij regeert het volk via de advie­zen van zijn schoonvader Jethro, met oversten over duizend, honderd, vijftig en tien. Daarbij mag er geen aanzien des persoons zijn. Want de rechtspraak komt van God. Daar moet je niet mee marchanderen. Want dan kom je ver­keerd uit. Pas op, laat je niet misleiden. Het moeten dus betrouwbare mannen zijn. Het is interessant om dit fijnmazig netwerk te zien. Er is dus één over duizend en dan zijn er tien over honderd en twintig over vijftig en dan hon­derd over tien. Dus in een groep van duizend waren er honderd-eenendertig mensen die in een of andere vorm een leidinggevende positie hadden. Dat was hiërarchisch opgebouwd. Dat gaf wel orde op zaken. Dat maakte het wel een­voudiger. De meeste zaken werden dus onder in de piramide opgelost. Alleen de ingewikkelde zaken kwamen naar boven, en dat is toch een fantastisch principe? Dat zouden we eens meer moeten bestuderen. Kijken of we daar vandaag ook nog wat mee kunnen. Want de dominee raakt opgebrand. De kerkenraad kan geen mensen vinden en de samenleving verloedert en er is geen toezicht meer op het lokale vlak. We kunnen, denk ik, van dit overleg-principe veel leren. Moeten we doen.

Toen kwamen ze bij het land der Amorieten. Dat was een heftig volk. Dit volk moesten ze uitroeien, want dat gedeelte hoorde ook tot het beloofde land. Ze zagen er tegen op. Ze stuurden twaalf mannen vooruit om het land te verken­nen. Die zeiden dat het land dat de HERE hun God hen wil geven, goed is. Zij kwamen terug en het volk zag het niet zitten. Want er waren reuzen en hun steden waren hemelhoog versterkt. Mozes zei: “Vrees niet, want de HERE gaat voor u uit.” Zoals de HERE hen uitgeleid had en tot nu toe door de woes­tijn had geleid, is, zoals een man zijn kind draagt, met des nachts een vuur, om te zien en des daags een wolk. God had goed voor ze gezorgd. Ze wisten het allemaal, maar ze wilden niet. Ze durfden niet. Het was kennelijk teveel voor hen. En dat is ook uit het leven gegrepen. We kunnen heel lang vroom en op de goede weg zijn, maar dan ineens zien we het niet meer zitten. Dan ligt er een blok op de weg en lijkt het wel of we de moed in onze schoenen zien zak­ken. Dan zien we allerlei beren op de weg. En kijken we nog nauwelijks ach­terom om alle zegeningen te tellen. Ja, zo zitten we in elkaar. Daar komt niet veel goeds van. Mozes blikt terug en houdt het volk al deze episoden voor.

Deuteronomium 1:34-2:15

18 mei [2]

1:35

niet één van deze mannen, dit boze geslacht, zal het goede land zien,…

1:36

behalve Kaleb, de zoon van Jefunne;… omdat hij de HERE volkomen gevolgd heeft.

1:37

ook gij zult daar niet komen.

1:38

Jozua, de zoon van Nun, die in uw dienst staat, die zal daar komen; sterk hem,…

1:40

Gij echter, wendt u om en breekt op naar de woestijn, in de richting van de Schelfzee.

1:41

Wij willen optrekken en strijden,…

1:42

zeg tot hen: gij zult niet optrekken en strijden, want Ik zal niet in uw midden zijn;…

1:43

maar gij luisterdet niet…

1:44

en zij vervolgden u als bijen en versloegen u in Seïr, tot Horma toe.

2:3

gij hebt lang genoeg om dit gebergte heen getrokken, wendt u naar het noorden;…

2:4

gij gaat nu trekken door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau, die in Seïr wonen; die zullen bevreesd voor u zijn.

2:7

deze veertig jaar was de HERE, uw God, met u, gij hebt aan niets gebrek gehad.

2:9

benauw Moab niet, en daag het niet uit ten strijde,…

2:14

totdat dit gehele geslacht, de krijgslieden uit de legerplaats, gestorven was tot de laatste man, zoals hun de HERE had gezworen;…

Ondanks de goede woorden van God wilden ze niet de strijd aangaan met de Amorieten. Wat Mozes ook zei, ze weigerden. En dat terwijl de belofte van God vaststond. Ze wisten het toch? Hoe vaak was er niet gesproken over de belofte aan vader Abraham, Isaäk en Jakob. En hoe hadden ze in de vierhon­derd jaar in Egypte keer op keer gegrepen naar de beloften als een uitzicht uit de ellende waarin ze zaten. En hoe leek het niet onmogelijk, maar ze hielden er zich toch aan vast. En inderdaad, was het niet een wonder hoe ze uit het land Egypte geleid waren? Ja, het waren de grote daden van God. En nu ko­men ze bij een bergvolk, de Amorieten. En nu wilden en durfden ze niet op te trekken, terwijl God hun land beloofd had. Dat neemt God toch niet? Het is een regelrechte ontkenning van Gods beloften. Dat gaat niet. Het gevolg is dat niemand het land Kanaän zal binnentrekken. Ze zullen allen sterven in de woestijn. Ze zullen veertig jaar rondzwerven. Vreselijk. Maar het is een oor­deel op ongeloof. Op de weigering de HERE te volgen. Je wordt niet veroor­deeld, je bent reeds veroordeeld, omdat je niet gelooft. We hebben een lank­moedig God, maar je moet God niet tarten. Dan gaat het verkeerd. Dat zien we hier.

Ja, en dan willen ze ineens wèl. Ze zullen het eens laten zien. Maar dan is het te laat. Mozes zegt het nog: “De HERE zal niet in jullie midden zijn.” Maar dat houdt ze niet tegen. Ze trekken toch ten strijde. En ze verliezen natuurlijk. Want als de HERE niet in je midden is, dan ga je eraan. Je kunt nog zo’n groot leger op de been brengen, maar je gaat eraan. God trekt zich terug en de boze zal bezit van je nemen. Het is te gek. Wat een ellende. Wat een aanval. Dicht bij Jezus blijven, dat is de enige schuilplaats die je je kunt bedenken. Dan moet je dat ook doen. Juist op momenten als je zwak bent, dan moet je niet vluchten in je eigenzinnigheid, maar dan moet je dicht bij Jezus blijven. Dat zegt Hij zelf ook. Want hoeveel vragen zijn er niet altijd? Hoeveel moeiten zijn er niet? Maar je moet toch bij Jezus blijven, dan gaat het goed. Prijs de HERE! Hij redt en beschermt!

Ze moeten weer de woestijn in. Ze trekken lange tijd rond het gebergte, maar trekken dan verder langs het gebied van de zonen van Esau. Die zijn bevreesd. Maar ze mogen hen niet benauwen. En dan gaan ze langs het gebied dat is toe­gewezen aan de nakomelingen van Lot, Moab. Die moeten ze ook niet uitda­gen, maar met rust laten. Daar woonden de Enakieten en dat waren reuzen. Zo trokken ze veertig jaar door de woestijn, totdat de laatste strijdbare man was gestorven, zoals de HERE gezegd had. Hij rukte hen weg, want de hand des HEREN was tegen hen. Wat een oordeel. Ze moesten achtendertig jaar langer in de woestijn blijven dan noodzakelijk was geweest. Je moet niet denken dat je met de HERE God kunt spotten.

Als je volhardt in je zonden, dan kom je verkeerd terecht en daar moet je wel voor oppassen. Het kan lijken of er niets aan de hand is, maar God ziet het wel. Het is levensgevaarlijk om Hem niet te gehoorzamen. En dat is de red­ding. Jezus roept je. Hij zegt: “Volg Mij!” Gooi de kop niet in de wind. Volg Mij! Heerlijk toch? Daar word je blij van. Want er zijn zoveel vragen in de wereld, dat je het ook niet ziet zitten. Je wordt gek van alles om je heen. Maar we moeten daar boven uitkijken en naar Jezus te kijken. Hij trekt ons uit onze eigen gedachten, waarin we zo vaak vastlopen en Hij geeft ons uitzicht op dat eeuwige leven waar we nu al aan mogen beginnen. Dat is heerlijk. Prijs de Heer!

We zijn met Hem in de woestijn. En Hij zegt: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Volg Mij, dan zul je nimmer in de duisternis wandelen, maar het licht des levens zien. Gewoon doen! En hoe vind je dat. Lees de Bijbel! Begin bij het Johannes-evangelie. Stel je hart open en de Bijbel leest jou! Heerlijk toch? Doen! Waarom zou je het niet doen? Je leest zoveel boeken, je neemt zoveel in je op. Het is de hoogste tijd om kennis te nemen van het Boek der boeken. Doen! En bid dat je het Licht mag zien. God is dichtbij, Hij wil wonen in je leven, in je hart.

Deuteronomium 2:16-37

19 mei [2]

2:19

omdat Ik het aan de zonen van Lot tot een bezitting gegeven heb.

2:22

evenals Hij voor de zonen van Esau gedaan had, die in Seïr wonen…

2:24

Zie, Ik geef Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land in uw macht; begin met het in bezit te nemen en daag hem uit ten strijde.

2:25

Op deze dag begin Ik schrik en vrees voor u te leggen op de volken onder de ganse hemel, zodat zij voor u sidderen en beven, wanneer zij van u horen gewagen.

2:28

laat mij slechts te voet doortrekken,…

2:29

totdat ik de Jordaan overtrek naar het land, dat de HERE, onze God, ons geven zal.

2:30

want de HERE, uw God, verhardde zijn geest en verstokte zijn hart, ten einde hem in uw macht te geven, zoals dit heden het geval is.

2:33

maar de HERE, onze God, gaf hem aan ons over,…

2:34

wij lieten niemand ontkomen;…

2:36

de HERE, onze God, stelde alles tot onze beschikking.

2:37

waarvoor de HERE, onze God, ons een verbod gegeven had.

Ja, toen konden ze weer verder. De laatste man was in de woestijn gestorven. Niemand zou ingaan, omdat ze niet geloofden dat God hen zou helpen in de strijd tegen de Amorieten. Wat een verhaal. Dat is zonde. God niet vertrouwen op zijn Woord. Nu waren ze bijna veertig jaar later en waren ze ook inderdaad allemaal gestorven. En dan zegt God: Breek op en ga richting het beloofde land. Maar ga langs de gebieden, die ik aan de nakomelingen van Esau en van Lot gegeven heb. En trek nu op tegen de Amorieten. Nu is het zover. De Amo­rieten willen hen de toegang versperren. Misschien denken ze nog terug aan de vorige keer, toen ze Israël verslagen hadden. Toen het volk, in tegenstelling tot wat de HERE zei, toch de strijd met hen aangingen. Toen verloren ze jam­merlijk, want de HERE was niet met hen. Maar nu verstokte de HERE het hart van de koning om hen door te laten. En er kwam een slag, en de HERE gaf de overwinning en de Amorieten werden uitgeroeid en Israël trok verder. Ze trok­ken met succes door. Er was geen stad, die voor Israël onneembaar was. Want de HERE had de schrik over het volk op alle volkeren gelegd. Ze beefden als Israël eraan kwam. God baant een weg. God gaat voor de strijd uit.

En zo is het vandaag nog. We hoeven ons niet angstig te maken. God gaat voor. Heerlijke gedachte. De HERE gaat voor. Dank U Here, voor al uw ze­gen! Als wij gehoorzaam zijn en in het centrum van Gods wil blijven, dan ko­men we goed uit. Heerlijk toch? Wat een zegen. Wat een feest. Dank U Heer voor uw almacht, voor uw liefde, voor uw beloften. Want het is waar. U leidde het leven van uw volk. U leidt nog het leven van uw volk. U trekt uw plan. U volvoert uw plan. U neemt het op voor uw volk. U zond de Messias om de zonden der wereld op U te nemen. En nu ligt de weg vrij, die we mogen gaan. Achter U aan. Dan zijn we veilig. Dan jaagt U de vijanden weg. Ze kunnen het gemunt hebben op ons leven, op ons goed, op onze bezittingen. Maar niemand kan ons leven nemen, want we hebben het eeuwige leven. Wat een rustgeven­de gedachte. Wat een geweldige zegen. Het kan niet stuk. Heerlijk! Dank U Heer!

Deuteronomium 3:1-29

20 mei [2]

3:1

En Og, de koning van Basan, trok uit, ons tegemoet,…

3:2

Doch de HERE zeide tot mij: Vrees hem niet, want Ik geef hem met zijn gehele volk en zijn gehele land in uw macht,…

3:6

Wij sloegen ze met de ban,… mannen, vrouwen en kinderen.

3:7

Maar al het vee en de buit uit de steden roofden wij voor ons.

3:8

van de beek Arnon af tot de berg Hermon,…

3:12

gaf ik het aan de Rubenieten en aan de Gadieten;

3:13

en de rest… gaf ik aan de halve stam Manasse…

3:18

maar toch zult gij aan de spits van uw broeders, de Israëlieten, gewapend naar de overzijde trekken: alle weerbare mannen.

3:19

ik weet, dat gij veel vee hebt…

3:20

dan moogt gij terugkeren, ieder naar de bezitting die Ik u gegeven heb.

3:21

En aan Jozua gebood ik toentertijd:… zó zal de HERE aan alle koninkrijken doen, waar gij naar toe trekt; gij zult voor hen niet vrezen, want de HERE, uw God, is het, die voor u strijdt.

3:25

Laat ik toch naar de overzijde mogen trekken en het goede land zien, dat aan de overkant van de Jordaan ligt,…

3:26

Maar de HERE was tegen mij verbolgen om uwentwil en hoorde niet naar mij; de HERE zeide tot mij: Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak.

3:27

Beklim de top van de Pisga… zie met uw ogen in het rond, want de Jordaan hier zult gij niet overtrekken.

3:28

Maar geef Jozua uw bevelen, sterk hem en bemoedig hem, want hij zal aan de spits van dit volk naar de overzijde trekken en dit het land doen beërven, dat gij zult zien.

De verdere volken, de koning van Basan, wordt verslagen. Dat was wat, want zijn steden waren versterkte steden met hoge muren. Echter de Here God gaf hem in hun macht. En er bleef niemand over en zo ging het met de volgende volkeren. Het waren sterke volkeren met grote mensen en grote legers. Maar er bleef niemand over. God was mét hen. En als God mèt je is, dan kan er niets verkeerd gaan. God gaat vooraan en wij doen er goed aan achter Hem aan te gaan. Dan komen we goed uit. Glorie voor Zijn Naam!

Het in bezit genomen land wordt aan de Rubenieten en de Gadieten gegeven en aan de halve stam van Manasse. Waarom aan hen? Ze hadden veel vee en deze landstreek was goed voor het vee. Maar de strijdbare mannen moesten wel eerst met hun broeders de Jordaan overtrekken om ook de andere volkeren te verslaan en het gebied in hun bezit te nemen. En zo gebeurt het. Daarna mochten ze pas teruggaan.

Jozua krijgt de mededeling: Je hebt gezien wat de HERE met de koningen heeft gedaan. Vrees niet, want de HERE zal dit ook doen met alle koninkrij­ken, waar gij naar toe trekt. Gij zult voor hen niet vrezen, want de HERE, uw God, is het, die voor u strijdt. Dat is toch opnieuw een bevestiging. Natuurlijk moeten we niet met een boekje in een hoekje gaan zitten, omdat de HERE voor ons strijdt en wij toch niets kunnen doen. Neen, we moeten tot de tanden bewapend zijn en alle voorbereidingen treffen. Want de boze tegenstander zal alles doen om je op je zwakke plek te treffen. Dus wees op je hoede! Maar denk niet dat jij de strijd voert. Verwacht het van de HERE. Hij gaat voor ons uit. Hij voert de strijd. Hij geeft de overwinning. Dus zoek zijn aangezicht voor, gedurende en na de strijd. Verwacht het altijd van Hem. God weet hoe groot de kracht van de tegenstander, de satan, is. Dus er is ook niemand anders die de overwinning kan geven, dan God Almachtig. Dat is een vanzelfspreken­de zaak. Dat moeten we ons steeds maar opnieuw inprenten, want anders lo­pen we steeds met onze kop tegen de muur. En zijn we nu nog niet genoeg met onze kop tegen de muur gelopen om eindelijk te ontdekken dat we de goede deur moeten nemen? Jozua wordt bemoedigd. Hij krijgt het te horen. Je hebt het gezien hoe het zit: God zal voor je strijden en de overwinning komt. Zo zal God ook doen met alle koninkrijken, die je nog moet overwinnen. En dat zijn er nog al wat. Gij zult voor hen niet vrezen, want de HERE uw God is het Die voor u strijdt.

Heerlijk wat een zekerheid. Dat is het refrein, de cadans waarop de geschiede­nis gaat. “De HERE zal voor u strijden en gij zult stil zijn.” We mogen ons le­ven vervolgen. We mogen in gehoorzaamheid onze weg vervolgen. We zullen strijd hebben, maar we moeten er altijd van uitgaan dat Hij voor ons zal strij­den. Wij, zijn dienstknechten, staan gereed. Maar wij verwachten het geheel en al van de HERE. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE! Dank U HERE!

Dan komt de herhaling van de trieste geschiedenis van Mozes. Mozes had met zijn stok tegen de rots geslagen in plaats van ertegen te spreken. Hij wist nog dat er zo de eerste keer water uitkwam. Het zal nu ook wel weer zo gaan. Maar zo gaat het niet. Je mag God niet voor de voeten lopen. Pas op! We kun­nen van God geen repeterende breuk maken. Neen, neen, neen. Pas op! Want God laat zijn eer niet roven. Het gevolg is dat Mozes het beloofde land niet zal zien. Dat is natuurlijk vreselijk. Mozes vraagt het hier nog eens. Maar God wordt boos op Mozes. Hij mag er niet meer over spreken. God heeft het ge­zegd en dan is het uit. Dan staat het vast. Kom je er op terug, dan tart je God dan tast je zijn heiligheid aan. Mozes mag op de bergtop klimmen en in het rond kijken en het land zien. Maar dat is dan ook alles. Hij moet Jozua moed inspreken, want Jozua zal aan de spits van het volk gaan en hen het beloofde land inbrengen. En zo heeft God het besloten en zo zal het gaan. We hoeven aan alles wat God beloofd heeft niet te twijfelen. Wat Hij zegt, dat doet Hij.

Daarom is het ontzettend belangrijk dat we vast en zeker vasthouden aan de beloften die God in zijn Woord gegeven heeft. En dat zijn er nog al wat. Hoe vreselijk is het niet, terwijl heel de Bijbel vol staat met de eeuwigdurende be­lofte, dat God een volk uitkiest en een land en een stad: Israël en Jeruzalem, maar dat we al eeuwen hardnekkig vasthouden aan de valse theologie dat er voor het land en het volk van Israël geen aparte beloften meer zouden bestaan. Dat is toch een leugen. Daar loop je toch mee vast. Het is onvoorstelbaar dat we vandaag aan de dag nog zo kortzichtig zijn. We krijgen een totaal verte­kend beeld van het werk van God toen en in deze tijd. Daar moeten we ons voor waken. Hoe houden we dan het spoor? Door heel eenvoudig te lezen wat er staat en daar dan ook niet aan te tornen. We zullen dan de spannende din­gen van de dag begrijpen en ontdekken dat de HERE nog steeds zijn beloften gestand doet. Gaan we op één punt twijfelen dan valt alles om. Want waarom zou dat andere dan wel waar zijn? Het zekere is dat alles wat God beloofde in de voorbije geschiedenis ook precies zo is uitgekomen en dan zal het voor de toekomst ook zo zijn. Glorie voor zijn Naam!

Deuteronomium 4:1-40

21 mei [2]

4:1

Nu dan, o Israël, hoor de inzettingen en de verordeningen, die ik u leer na te komen, opdat gij leeft en opdat gij het land binnengaat en in bezit neemt, dat de HERE, de God uwer vaderen, u geven zal.

4:2

Gij zult aan wat ik u gebied, niet toedoen en daarvan niet afdoen, opdat gij de geboden van de HERE, uw God, onderhoudt, die ik u opleg.

4:6

Onderhoudt ze dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie.

4:8

En welk groot volk is er, dat inzettingen en verordeningen heeft zo rechtvaardig, als heel deze wet, die ik u heden voorleg?

4:9

maak ze aan uw kinderen en kindskinderen bekend:…

4:10

opdat zij leren Mij te vrezen alle dagen, dat zij op de aardbodem leven, en opdat zij het hun kinderen leren.

4:12

er was alleen een stem.

4:13

En Hij maakte u het verbond bekend, dat Hij u gebood te houden, de Tien Woorden,…

4:19

en laat u niet verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen,…

4:20

om voor Hem te zijn tot een eigen volk, zoals dit heden het geval is.

4:24

Want de HERE, uw God, is een verterend vuur, een naijverig God.

4:26

dat gij zeker spoedig zult omkomen in het land,…

4:27

de HERE zal u onder de natiën verstrooien en gij zult met een klein getal overblijven onder de volken,…

4:29

En dan zult gij daar de HERE, uw God, zoeken en Hem vinden, wanneer gij naar Hem vraagt met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

4:30

dan zult gij u bekeren tot de HERE, uw God, en naar Hem luisteren.

4:31

Want de HERE, uw God, is een barmhartig God, Hij zal u niet verlaten noch u verderven en Hij zal niet vergeten het verbond met uw vaderen, dat Hij hun onder ede bevestigd heeft.

4:33

Heeft ooit een volk een goddelijke stem gehoord, sprekende uit het midden van het vuur, zoals gij die gehoord hebt, en het leven behouden?

4:34

zoals de HERE, uw God, om uwentwil dit alles in Egypte voor uw ogen gedaan heeft?

4:38

om u in hun land te brengen en het u ten erfdeel te geven, zoals dit heden het geval is.

4:39

Weet daarom heden en neem het ter harte, dat de HERE de enige God is in de hemel daar boven en op de aarde hier beneden, er is geen ander.

4:40

Onderhoud dan zijn inzettingen en zijn geboden, die ik u heden opleg, opdat het u en uw kinderen na u wèl ga en opdat gij lang leeft in het land, dat de HERE, uw God, u geven zal voor altijd.

Ze staan nu echt vlak voor de intocht in het land. Wat een reis; veertig jaar. En Mozes herhaalt nogmaals al de wetten die de HERE God hen gegeven heeft. Hij roept ze op om die naarstig te onderhouden. Want als ze dat doen, dan zul­len de volkeren zien wat voor wijsheid en rechtvaardigheid er leeft bij hen. Hoe geweldig het is dat ze hun God dienen Die hen zo zegent. Want de woor­den van God hebben ze van God Zelf gehoord in de stem op de berg. Wie heeft dat ooit gehoord van alle omringende volkeren? Ze kregen de Tien Woorden om die te onderhouden. Mozes hamert er nogmaals op dat ze niets, maar dan ook niets moesten uitbeelden om dat te aanbidden en geloof aan te hechten. Dat deden de heidenvolken, maar God koos Zich uit al die volken een apart volk uit om Hem te dienen. Dus weg van de afgoden. En het kan niet ge­noeg gezegd worden. Blijf uit de buurt van de afgoden. Maak u geen gesneden beeld! Want we aanbidden zo maar beelden en andere afgoden. Waak u daar voor! Houd rechte koers, dan kom je veilig aan!

En herinner je kinderen wat de HERE aan machtige daden gedaan heeft. Het is belangrijk om terug te kijken welke grote dingen de HERE gedaan heeft. Daar moeten we aan vasthouden. Dat moeten we altijd voor ogen houden. Prijs de HEER! Vergeet het niet. Want als je het vergeet, en je zondigt, dan zal God je onder de volken verstrooien en dan zal er maar een klein deel overblijven. En in dat vreemde land, met de vreemde goden, zul je aan God terugdenken en dan zal Hij je roepen. Dan zal Hij Zich ontfermen, want God is een barmhartig God. Want als je je bekeert, dan zal God naar je horen. Denk toch aan de grote dingen die God gedaan heeft. Hij laat zijn volk nooit in de steek. Hij wil altijd bij hen zijn. Want wat heeft die God toch niet over gehad om zijn volk uit Egypte te leiden. Dan moet je toch wel een heel bijzondere band hebben. Dan moet je het wel zien zitten. Maar dan moet je ook gehoorzaam zijn en luiste­ren. Dat ben je dan wel verplicht, want anders loopt het verkeerd af. God heeft hen uitverkoren, dan moeten ze Hem ook gehoorzamen. Hij gaat voort. Ge­hoorzaam zijn geboden, want dan kom je goed uit! Doe je het niet, dan is het je eigen schuld, dat het verkeerd gaat. Glorie voor zijn Naam! Halleluja!

Onderhoud de geboden opdat het je welga en je kinderen ook. Wat een hoofd­stuk met krachtige beloften en waarschuwingen. Uit het leven gegrepen. Dat moeten wij ook doen. Glorie voor zijn Naam!

Deuteronomium 4:41-5:33

22 mei [2]

4:41

Toen zonderde Mozes drie steden af aan de overzijde van de Jordaan, in het oosten, opdat een doodslager, die zijn naaste onvoorbedacht gedood had,… daarheen zou vluchten,… in het leven kon blijven.

4:44

Dit nu is de wet, die Mozes de Israëlieten voorlegde.

4:46

aan de overzijde van de Jordaan,…

5:1

opdat gij ze leert en naarstig onderhoudt.

5:2

De HERE, onze God, heeft met ons een verbond gesloten…

5:5

en Hij zeide:

5:6

Ik ben de HERE uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.

5:7

Gij zult u geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

5:8

Gij zult u geen gesneden beeld maken van enige gestalte, die boven in de hemel of onder op de aarde is…

5:9

Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen en aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten,

5:10

en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

5:11

Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt.

5:12

Onderhoud de sabbatdag, dat gij dien heiligt, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft.

5:13

Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen,

5:14

maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij;

5:15

want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de HERE, uw God, geboden de sabbatdag te houden.

5:16

Eer uw vader en uw moeder, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en het u wèl ga in het land, dat de HERE, uw God, u geeft.

5:17

Gij zult niet doodslaan.

5:18

En gij zult niet echtbreken.

5:19

En gij zult niet stelen.

5:20

En gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

5:21

En gij zult niet begeren uws naasten vrouw, gij zult uw zinnen niet zetten op uws naasten huis, noch op zijn akker, noch op zijn dienstknecht, zijn dienstmaagd, zijn rund, zijn ezel, noch op iets, dat van uw naaste is.

5:22

Deze woorden heeft de HERE tot uw gehele gemeente gesproken op de berg, uit het midden van het vuur, de wolk en de donkerheid, met luider stem, en Hij voegde daaraan niets toe. Hij schreef ze op twee stenen tafelen en gaf mij die.

5:26

Want welke sterveling is er, die de stem van de levende God heeft horen spreken uit het midden van het vuur, zoals wij, en die in leven is gebleven?

5:27

breng gij dan alles aan ons over wat de HERE, onze God, tot u spreekt; dan zullen wij het horen en doen.

5:28

het is goed, alles wat zij gezegd hebben.

5:29

Och, hadden zij steeds zulk een hart om Mij te vrezen en om al mijn geboden te onderhouden, opdat het hun en hun kinderen voor altoos wèl mocht gaan!

5:31

opdat zij die nakomen in het land, dat Ik hun geven zal om het in bezit te nemen.

5:32

wijkt niet af, naar rechts noch naar links.

5:33

Heel de weg, die de HERE, uw God, u geboden heeft, zult gij gaan, opdat gij leeft en het u wèl ga en gij lang woont in het land, dat gij in bezit zult nemen.

Zo staan ze dus voor de Jordaan. En Mozes bereidt zich voor om de woorden van de HERE door te geven. Wat een machtige vergadering zal dat geweest zijn. We hebben het over een volk van meer dan één miljoen mensen. Stel je dat eens voor. Wat een groot aantal. Niemand die uit Egypte trok is er meer bij. Die zijn allemaal gestorven. Ze staan voor een gigantische opgave. Nu gaan ze het beloofde land binnentrekken. En God spreekt tot hen de woorden. Mozes herhaalt eerst dat op Horeb God de Tien Geboden gegeven heeft. Dat was een geweldige openbaring. De berg stond in vuur en vlam en de stem kwam met een machtig geluid. Toen kwam Mozes met de Tien Woorden, ge­schreven op twee tafelen. Dat moet een machtig moment geweest zijn. Stel je dat eens voor. Al die mensen daar onder aan die berg. Wat een massa. En ze horen God. Niet voor te stellen. En dan worden de Tien Geboden herhaald. Je kunt ze ook niet vaak genoeg herhalen. Want het zijn de Tien Geboden. Het is de grondwet van God. Doe dat en je zult leven. Daar is niets verkeerds bij. Dat zijn geen vage woorden. Dat is concrete taal. Dat kan zelfs een kind begrijpen. Daar kun je een verkiezingsprogramma van maken. Want de Tien Geboden zijn universeel. Als je deze toepast in je dagelijks leven, dan gaat het veel be­ter. Want het zijn woorden ten leven. Als je niet gelooft, dan kun je nog erken­nen dat de toepassing van deze geboden werkt. Eigenlijk ook heel vanzelfspre­kend want de geboden zijn zo goed. Het gaat om het Woord van God en niet om je eigen ideeën. Daar moeten we ontzettend voor oppassen.

Lees de geboden, pas ze toe en je zult zien dat het werkt. Iedereen moet ze op de tafel van zijn hart schrijven en eruit leven. We moeten ze weer herontdek­ken. Want het is zo waar. Je kunt er op leven. Je wordt er enthousiast van, want als je ze doet, dan gaat het goed in je leven. En je hoeft er niet voor te vechten, want het zijn de geboden zelf die hun werk doen. Wij hebben alleen maar gehoorzaam te zijn. Prijs de Heer! Dank U HERE, dat we ook vandaag mogen putten uit de rijkdom van uw belofte. Het houdt niet op.

Het volk is diep onder de indruk. Ze beloven te doen wat God zegt. Ze moeten weer naar hun tenten. Mozes blijft achter, want hij zal de lange wet van God doorgeven. En wij moeten ze leren en doorgeven. Wij moeten ze onze kinde­ren inprenten. Er altijd mee bezig zijn. Daar moet je discipline voor opbren­gen. Dan komt het goed. Maar we moeten het dan ook doen. Prijs de HERE!

Deuteronomium 6:1-25

23 mei [2]

6:1

Dit nu is het gebod, dit zijn de inzettingen en de verordeningen, die de HERE, uw God, bevolen heeft u te leren om die na te komen in het land, waarheen gij zult trekken om het in bezit te nemen,

6:2

opdat gij de HERE, uw God, vreest door al zijn inzettingen en geboden te onderhouden, die ik u opleg,…

6:4

Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!

6:5

Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht.

6:6

Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn,

6:7

gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.

6:8

Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn,

6:9

en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.

6:12

neem u er dan voor in acht, dat gij de HERE niet vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft.

6:15

opdat de toorn van de HERE, uw God, niet tegen u ontbrande en Hij u van de aardbodem verdelge.

6:16

Gij zult de HERE, uw God, niet verzoeken, zoals gij bij Massa gedaan hebt.

6:18

gij zult doen wat recht en goed is in de ogen des HEREN,…

6:21

dan zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte, maar de HERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid;…

6:23

om ons te brengen in het land dat Hij aan onze vaderen onder ede beloofd had, en ons dit te geven.

6:24

opdat het ons altijd wèl zou gaan en Hij ons in het leven zou behouden, zoals dit heden het geval is.

En daar gaan we dan. Mozes begint aan de geboden van God. Het zal een lan­ge verhandeling worden. Ze zijn alle gebaseerd op de Tien Geboden van God. Dat was de openbaring van God Zelf bij de Horeb. Mozes heeft het nog een keer verteld in het vorige hoofdstuk. En de opdracht was dat deze geboden naarstig moesten worden onderhouden, wil het volk een stil en gerust leven leiden in het land dat de HERE God aan de vaderen Abraham, Isaäk en Jakob beloofd had. Al deze geboden en inzettingen moeten van geslacht op geslacht worden overgedragen aan de kinderen en de kleinkinderen. Het zijn geboden bij welke je kunt leven, dus het is ook heel belangrijk, dat je ze aan de kinde­ren doorgeeft en ze zelf voorleeft. Dat is heerlijk. Dat is eerlijk.

Maar de kern is vers vier: “Hoor, Israël: de HERE is onze God de HERE is één!” Daar is alles op gebaseerd. Geen afgoden. Geen menselijke redenerin­gen. Neen, alleen vertrouwen op de HERE. Hij is één! Let daar op, en laat je niet misleiden. Want de HERE is een jaloers God. In de Tien Geboden wordt dat heel krachtig omschreven. Denk erom! Wijk er niet van af!

Nu, dan is het logisch dat je die God wilt liefhebben met geheel je hart, met geheel je verstand, met al je kracht, dus met heel je wezen. Op Hem wil je ver­trouwen. Met Hem wil je het leven door. Als je op Hem vertrouwt, dan kun je er tegen aan. Dan ben je kritiek- en probleembestendig. Want er gaat niets boven de HERE. Heerlijk toch! Dat neemt alle twijfel en alle eigen redenatie weg. Er is maar één God. En daar moet je op vertrouwen. Niet jij vertrouwt op God, maar die ene God openbaart zich aan jou, nietig mensenkind, die ook maar het flauwste benul heeft van de Almacht van God. Wie haalt het in z’n hoofd om ook maar één moment het idee te hebben dat hij God zou kunnen begrijpen? Ze hebben het bij de Horeb gezien. De openbaring van God ging met zoveel macht en majesteit, vuur, donder, bazuingeschal en bliksem ge­paard dat het volk vluchtte naar Mozes en smeekte of hij voor hen wilde spre­ken, want God is een verterend vuur. Wat een grote genade, dat Die God in Zijn grote liefde naar ons toe wil komen.

Dus wat moet je doen? Die geboden, die liefde, die kracht, die oneindige lank­moedigheid, die moet in je hart zijn. Dat moet je jezelf inprenten. Daar moet je helemaal uit leven. Dat moet je leren. Dat moet je je kinderen inprenten. Daar ben je de hele dag mee bezig. Dat is geen bijproduct, maar dat is het cen­trale thema dat heel je leven beheerst. Heerlijk toch! Daar krijg je niet genoeg van. Wat een genade. Denk erom! Je moet niet verslappen. Je moet bij de les blijven. En let op, als het je dan goed gaat, dan moet je niet vergeten dat God je getrokken heeft uit het vreselijke Egypteland, met grote kracht en tekenen en wonderen. Dan moet je de HERE God niet vergeten. Zullen jullie daar op letten?

En jullie moeten ook geen andere goden achterna lopen. Die zijn er ontzettend veel bij de naburige volken. God is een jaloers God. Hij neemt het niet als jul­lie andere goden nalopen. Daar komt het oordeel van. Dan zul je het merken. Pas op, dat de toorn van God niet ontbrandt en Hij je wegvaagt. Nou, nou, dat is nogal een zwaar oordeel. Een ernstige waarschuwing. Maar zo is het ook. Als God alles voor je heeft gedaan en als Jezus de zonden verzoend heeft, dan wil je toch ook niet anders dan schuilen bij het kruis van Jezus? Dan is het niet jouw verdienste, maar enkel genade van God die jouw getrokken heeft door zijn liefde tot dat ontoegankelijk licht.

Wat heeft God niet gezegend! Hij heeft alle vijanden voor het volk verjaagd. God geeft de overwinning. Wat een God! Dat moet je je kinderen voorhouden. De geboden van God zijn niet te zwaar. Ze zijn in je hart en in je mond. God heeft grote tekenen gedaan en Hij heeft ons gebracht naar het beloofde land. Vertel je kinderen daarvan en ze zullen begrijpen dat we uit overstelpende dankbaarheid voor zoveel overstelpende liefde niet anders willen dan Hem volgen op onze wegen door het leven. Het kan niet anders. En als wij de gebo­den en inzettingen vol ijver en plichtsbesef onderhouden, dan zullen we zien dat God ons zal zegenen. Dat kan niet anders. Laten we eens zien wat er gebeurt.

Deuteronomium 7:1-26

24 mei [2]

7:1

en Hij voor u uit vele volken verdreven zal hebben,… talrijker en machtiger dan gij,...

7:2

gij zult met hen geen verbond sluiten en hun geen genade verlenen.

7:4

en de toorn des HEREN tegen u zou ontbranden en Hij u weldra zou verdelgen.

7:5

hun altaren zult gij afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun gewijde palen omhouwen, en hun gesneden beelden met vuur verbranden.

7:6

Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is: ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.

7:7

veeleer zijt gij het kleinste van alle volken.

7:9

opdat gij zoudt weten, dat de HERE, uw God, de enige God is, de trouwe God,…

7:10

maar aan ieder persoonlijk van hen die Hem haten, oefent Hij vergelding door hem te gronde te richten;…

7:12

jegens u het verbond en de goedertierenheid zal bevestigen,…

7:13

Hij zal u liefhebben, zegenen en talrijk maken;…

7:14

er zal geen onvruchtbare zijn onder uw mannen of vrouwen, noch onder uw vee.

7:19

zó zal de HERE, uw God, doen aan alle volken, voor welke gij bevreesd zijt.

7:21

want de HERE, uw God, is in uw midden,…

7:24

niemand zal tegen u stand houden, totdat gij hen verdelgd hebt.

7:25

want het is een gruwel voor de HERE, uw God.

Je kunt het beter van te voren zeggen, waar het op staat. De HERE zal de vol­keren voor jullie uitdrijven. Het zijn machtiger volken dan jullie zijn, maar de HERE geeft de overwinning. Hij heeft een belofte gemaakt en Hij houdt zich aan zijn Woord. Je moet je dan ook niet verzwageren met dit volk. Houd je helemaal afzijdig. Je zou eens van God afgetrokken kunnen worden. Doe al hun afgodsbeelden weg. Breek alles af. Maak schoon schip. Let op dat je dat doet. Het is verboden. Alles ligt onder de ban.

De HERE had u lief. Hij koos u uit. Niet omdat jullie het machtigste volk wa­ren, veeleer het kleinste. Maar met machtige hand heeft God jullie uitgeleid uit Egypte. Zo lief had Hij jullie. Vergeet het niet! Daarom moet je de HERE, uw God liefhebben. Doe je het niet, dan zet je je zelf buiten de bescherming van God. Dan zal Hij je verdelgen. Dus je moet de geboden onderhouden. Het komt er erg op aan. Speel er niet mee! Het is menens. Dan zul je gezegend worden. Je zult vruchtbaar zijn en ook je vee. De oogsten zullen goed zijn. En als je denkt, de volken zijn machtiger en groter, dan moet je steeds terugden­ken aan wat de HERE aan de Egyptenaren gedaan heeft. Dat was Gods werk en dit is ook Gods werk. Denk eraan dat je niet verslapt of bang wordt. Want de HERE, uw God, is nu ook in jullie midden. Hij zal het doen. Twijfel niet! Hij zal hen langzaam aan in jullie bezit geven. Je zult ze uitroeien en wegja­gen. En je zult al hun afgoden wegdoen. Pas op dat je dat grondig doet.

Het is een verhaal waar je op kunt bouwen. Het is de overtuigende trouw van God. Hij geeft de voorbeelden aan waar je het uit kunt afleiden. Want welke toonbeelden van zijn macht heeft Hij niet in Egypte getoond! Dat weten ze nog maar al te goed. Dat moet je ook blijven vertellen aan je kinderen. Want dat is God. En zo zal Hij jullie ook het beloofde land geven. Niet omdat jullie zo dapper en krachtig zijn, maar omdat Hij de overwinning geeft. Daar moet je op gaan staan. Dat moet je je steeds weer te binnen brengen. Kennelijk komt de angst en de twijfel steeds weer op, maar dan toch terug naar af. Dicht bij God, dicht bij Jezus blijven, want Hij heeft het gedaan. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

En pas op: Je niet mengen met de afgodendienaars. Blijf er vandaan! Doe weg alles wat tot de tegenstander van God behoort. Pas op, want je bent zo geïn­fecteerd. Heilig en onberispelijk leven. Dat spreekt eigenlijk allemaal vanzelf. Want je weet dat dit het vrije, echte leven is, waar geen angst en zorg op zijn plaats zijn, maar alleen maar geborgenheid bij God de Vader. Die doet wat Hij beloofd heeft en ook zal gaan doen wat Hij beloofde. Het eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid waarnaar we mogen verlangen. Het komt zeker! Blijf dus standvastig staan! Het is waar en het is vast en zeker. Glorie voor zijn Naam!

Deuteronomium 8:1-20

25 mei [2]

8:2

Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden.

8:3

dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat.

8:4

Het kleed dat gij draagt, is niet versleten en uw voet is niet gezwollen in deze veertig jaar.

8:5

Erken dan van harte, dat de HERE, uw God, u vermaant,…

8:7

Want de HERE, uw God, brengt u in een goed land,…

8:9

waarin gij niet in armoede uw brood zult eten,…

8:10

en de HERE, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf.

8:11

dat gij de HERE, uw God, niet vergeet…

8:13

ja, al wat gij hebt, zich vermeerdert, uw hart zich niet verheffe, en gij de HERE, uw God, vergeet,…

8:17

Zeg dan niet bij uzelf: mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven.

8:18

Maar gij zult aan de HERE, uw God denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven, ten einde het verbond gestand te doen, dat Hij uw vaderen gezworen heeft – zoals dit heden het geval is.

8:19

ik betuig heden tegen u, dat gij voorzeker zult omkomen;

8:20

evenals de volken die de HERE doet omkomen om uwentwil, zult ook gij omkomen, omdat gij naar de stem van de HERE, uw God, niet wildet luisteren.

God doet grote daden. Dat is geweldig. Kijk toch eens wat er allemaal gebeurd is. Machtig! Er is niets waar het mee te vergelijken is. Hij heeft hen die veer­tig jaar in de woestijn op de proef gesteld. Om te zien of ze Hem werkelijk willen dienen. Dat is een zegen geweest. Want ze kregen manna. Want niet al­leen bij brood zal de mens leven, maar van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat. Je kunt eten wat je wilt, maar als je leeft in ongehoorzaamheid aan God dan komt er niets goeds van terecht. Dan leef je niet. Je moet en je mag leven uit God. Zoek eerst zijn Koninkrijk en het andere zal u bovendien ge­schonken worden. En je weet dat je kleed niet is versleten en je voet niet ge­zwollen. Wat een wonderen.

God brengt jullie in een goed land. Het is onvoorstelbaar wat een zegen ze te­gemoet gaan. Vruchtbaar zijn en zeer goede oogsten hebben. Je zult er ver­steld van staan. Water genoeg, olijfolie, alles is er. Je zult de HERE loven en prijzen om het goede land dat Hij jullie geeft. Wat een toekomst. Maar pas op, als je welvaart vermeerdert en vermeerdert, dat je niet hoogmoedig wordt en bij jezelf gaat denken, dat jij het allemaal zelf bij elkaar gebracht hebt. Ver­geet nooit dat het de HERE is geweest, die jullie met krachtige hand uit Egyp­te geleid heeft. Pas op! Hoogmoed komt voor de val. Je moet God ernstig ne­men. Hij laat zijn eer niet roven. God heeft je het vermogen gegeven. Het komt niet uit onszelf. Dat moet je je heel goed bedenken. Pas op! Want anders roof je de eer van God en dan kom je verkeerd terecht. Als je de HERE ver­geet, dan zul je omkomen, omdat je naar de stem van God niet luistert. Dat is duidelijke taal. Dan moet je ook niet vreemd opkijken, als je van de HERE afvalt en andere goden achterna loopt, dat je dan in het oordeel en de ellende komt. Je haalt het toch zelf over je. Je hebt het toch gelezen. Het staat er toch op zoveel wijzen en zoveel keren. En het is toch ook vreselijk ondankbaar. Want God heeft grote wonderen gedaan. Hij brengt jullie in een land over­vloeiend van melk en honing. Daarom, let op deze woorden: Blijf dicht bij God, gehoorzaam Zijn geboden en onderhoudt ze naarstiglijk. Toen, maar ook nu. Gods geboden zijn goed. Heerlijk!

Deuteronomium 9:1-10:11

26 mei [2]

9:1

Hoor, Israël! Gij zult heden over de Jordaan trekken om het gebied in bezit te nemen van volken, die groter en machtiger zijn dan gij,…

9:2

een groot en rijzig volk, Enakieten,…

9:3

Weet dan heden, dat de HERE, uw God, zelf voor u uit gaat als een verterend vuur;…

9:4

Zeg niet… wegens mijn gerechtigheid heeft de HERE mij dit land in bezit doen nemen;…

9:5

maar wegens hun goddeloosheid drijft de HERE, uw God, deze volken voor u weg en om het woord gestand te doen, dat de HERE uw vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob, gezworen heeft.

9:6

gij zijt immers een hardnekkig volk.

9:7

zijt gij weerspannig geweest tegen de HERE.

9:8

Vooral bij Horeb hebt gij de HERE vertoornd, ja, zó vertoornd werd de HERE op u, dat Hij u wilde verdelgen.

9:12

Toen zeide de HERE tot mij: sta op, daal haastig van hier naar beneden, want uw volk, dat gij uit Egypte geleid hebt, heeft het verdorven;… zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.

9:14

Laat Mij begaan, dat Ik hen verdelg…

9:16

gij had u een gegoten kalf gemaakt…

9:17

toen greep ik de twee tafelen, wierp ze met beide handen weg en verbrijzelde ze voor uw ogen.

9:18

Daarna wierp ik mij voor de HERE neder,…

9:19

Want ik vreesde de toorn en de grimmigheid,… Maar ook ditmaal hoorde de HERE naar mij.

9:21

verbrandde het met vuur, vergruizelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof gestoten was; en het stof wierp ik in de beek, die van de berg afvloeit.

9:23

gij geloofdet Hem niet en luisterdet niet naar zijn stem.

9:24

Weerspannig waart gij tegen de HERE, zolang ik u ken.

9:28

opdat het land, waaruit gij ons geleid hebt, niet zegge: omdat de HERE hen niet kon brengen in het land… heeft Hij hen uitgeleid om hen te doden in de woestijn.

10:1

en maak u een houten ark;…

10:2

en gij zult ze in de ark leggen.

10:4

En Hij schreef op de tafelen met hetzelfde schrift als de eerste maal, de Tien Woorden, die de HERE op de berg tot u gesproken had…

10:5

en ik legde de tafelen in de ark,…

10:6

daar stierf Aäron en daar werd hij begraven,…

10:8

Toen zonderde de HERE de stam der Levieten af om de ark van het verbond des HEREN te dragen,…

10:9

de HERE is zijn erfdeel, zoals de HERE, uw God, tot hem gezegd heeft.

10:11

ga, trek op aan de spits van het volk, opdat zij in het land komen en het in bezit nemen, waarvan Ik hun vaderen gezworen heb, dat Ik het hun geven zou.

Het is een volk van reuzen. De Enakieten. Het is een sterk volk. Hoe kunnen ze het veroveren? Maar vrees niet, want de HERE, uw God, zal voor u uit­gaan. Maar denk niet, als het voorspoedig gaat, dat ze uitgedreven zijn omdat jullie zo rechtvaardig zijn. Neen, in tegendeel, ze worden uitgedreven om hun goddeloosheid. Denk erom, dat je je niet verheft. Dat is ook uit het leven ge­grepen. We willen de HERE nog wel danken, als Hij ons uit de problemen haalt, maar als het ons dan weer voor de wind gaat, dan vergeten we dat Hij ons leven leidt en ons de voorspoed geeft. Pas op!

God weet dat het een hardnekkig volk is. Al die veertig jaar zijn ze hardnekkig geweest. Denk aan de verschillende voorvallen. Bijvoorbeeld aan het gouden kalf. Dat is toch verschrikkelijk geweest. Terwijl Mozes bij God op de berg is, maken ze een gouden kalf. Dat is toch het uiterste. God wil hen verdelgen. Daar was ook alle reden voor. Het is toch te gek voor woorden? Dat kan toch helemaal niet? God is verschrikkelijk boos en wil hen verdelgen om met Mo­zes een nieuw begin te maken. Mozes ziet het kalf en gooit de stenen aan gru­zelementen. Hij verpulvert het gouden kalf en gooit het in het water van de beek. Hij pleit bij God om het volk toch niet te verdelgen, want wat zouden de Egyptenaren wel zeggen? Die zeggen dat het God niet gelukt is en dat Hij hen uitgeleid heeft om hen te verdelgen. Denk Here God, aan de beloften aan de vaderen. Mozes smeekt de HERE om genade. En dan worden voor de tweede keer de Tien Woorden opgeschreven. Mozes moet ze bewaren in de ark, die hij gemaakt heeft.

Aäron sterft. De Levieten worden apart gezet om voor de ark te zorgen. Zij hebben geen erfdeel, want de HERE is hun erfdeel. De HERE zal dus ook voor hen zorgen. De HERE verdelgt zijn volk niet. Ook nu luisterde de HERE naar Mozes. De HERE liet zich verbidden. Zo is de HERE, als wij onze zon­den belijden en het naar Hem uitroepen, dan zal Hij horen en Zich ontfermen en de zonden vergeven en weer een nieuw begin maken. De HERE is groot. Hij laat ons niet in de steek. Dat is toch geweldig? Dat is de HERE, barmhar­tig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij wil niet de dood van de zondaar, maar veeleer dat hij zich bekeert. Dat is de permanente roep. Van­daar de Tien Woorden, die zijn er als bescherming voor de mensen. Wij zou­den er allang een eind aan gemaakt hebben, als de mensen zo hardnekkig en zondig zijn. Maar God is toch genadig. Dank U HERE, dat U ook voor mij die genade betoond hebt. Prijs de HERE!

Deuteronomium 10:12-11:32

27 mei [2]

10:14

Zie, van de HERE, uw God, is de hemel, ja, de hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is;…

10:15

en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volken uitverkoren, zoals dit heden het geval is.

10:16

Besnijd dan de voorhuid uws harten en weest niet meer hardnekkig.

10:17

Want de HERE, uw God, is de God der goden en de Here der heren, de grote, sterke en vreselijke God, die geen partijdigheid kent noch een geschenk aanneemt;

10:18

die wees en weduwe recht doet en de vreemdeling liefde bewijst door hem brood en kleding te geven.

10:21

Hij is uw lof en Hij is uw God,…

11:7

want uw ogen hebben heel het grote werk gezien, dat de HERE gedaan heeft.

11:8

Onderhoudt dus heel het gebod, dat ik u heden opleg, opdat gij sterk zijn moogt…

11:11

Maar het land, waarheen gij trekt om het in bezit te nemen, is een land van bergen en dalen, dat water drinkt van de regen des hemels;

11:12

een land waarvoor de HERE, uw God, zorgt; bestendig zijn de ogen van de HERE, uw God, daarop gericht, van het begin des jaars tot het einde.

11:14

dan zal Ik de regen voor uw land op zijn tijd geven, de vroege en de late regen,…

11:16

zodat gij afwijkt, andere goden dient en u voor hen nederbuigt.

11:17

en Hij zou de hemel toesluiten,…

11:18

Maar gij zult deze mijn woorden in uw hart en in uw ziel leggen;…

11:19

Gij zult ze uw kinderen leren en daarover spreken,…

11:20

gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis…

11:21

zó lang leeft, als de hemel boven de aarde staat.

11:23

dan zal de HERE al deze volken voor u wegdrijven,…

11:24

Elke plaats die uw voetzool betreedt, zal van u zijn; van de woestijn af tot de Libanon, van de rivier af, de rivier de Eufraat, tot de westelijke zee toe zal uw gebied zich uitstrekken.

11:26

Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor:

11:27

zegen, wanneer gij luistert naar de geboden van de HERE, uw God, die ik u heden opleg;

11:28

maar vloek, indien gij naar de geboden van de HERE, uw God, niet luistert…

11:32

dan zult gij naarstig onderhouden al de inzettingen en de verordeningen, die ik u heden voorhoud.

Het gaat als een cadans. Als je de HERE God vreest, dan zullen jullie geze­gend worden. De HERE dienen. Hij heeft jullie uitverkoren. Hij heeft jullie met machtige hand uitgeleid. Hem moet je dienen. Daar is zegen aan verbon­den. Want God is machtig. Hij bezit de hemel en de hemel der hemelen en Hij heeft de aarde gemaakt en alles wat daarop woont. Machtig en sterk. De vol­keren die jullie moeten veroveren zijn sterker, maar God gaat voor jullie uit. Daarom moet je de weduwe en de wees onderhouden en de vreemdeling, want jullie zijn zelf vreemdeling geweest. Hij is jullie lof. Kijk maar wat de HERE voor jullie gedaan heeft. Er komt geen einde aan. Hij leidde jullie uit Egypte. Hij is niet partijdig. Hij gaat vooraan. Ga achter Hem aan. Jullie hebben de grote werken van God gezien. God brengt jullie in een land overvloeiende van melk en honing. Er is water. Het is er vruchtbaar. Het is een geweldig land. En als je de geboden onderhoudt, dan geeft hij de vroege en de late regen. Dan zullen de oogsten goed zijn. Want de geboden van God zijn goed. Maar als je de geboden niet onderhoudt en loop je andere goden na, dan komt het oordeel. Dat oordeel haal je zelf over je. Daar kun je niemand de schuld van geven. Wat had je anders van God verwacht? Je moet deze woorden in je hart leggen. Je moet je hart besnijden en je hardnekkigheid opgeven. Je moet zacht wor­den, dan gaat het goed. Dat moet je echt doen. Probeer het maar. Het werkt, omdat het van God komt. Dat gold toen en dat geldt nu. Dus blijf bij de gebo­den van God. Je weet het nu. Je moet ze leren en onderhouden. Je moet er met je kinderen over spreken. Je moet het altijd weer in de praktijk toetsten. Maak het zichtbaar! Laat het zien! Het is Gods weg. Het zijn de levenswoorden. God houdt de zegen en de vloek voor. Als je in het land bent, dan moet je de gebo­den naarstig onderhouden. Niet links en niet rechts. Volg de geboden van God, dan zal God jullie zegenen. Dat kan niet anders. Prijs de HERE!

Deuteronomium 12:1-32

28 mei [2]

12:2

Gij zult alle plaatsen volkomen vernietigen, waar de volken, wier gebied gij in bezit neemt, hun goden gediend hebben, op hoge bergen en heuvels en onder elke groene boom.

12:3

en hun naam van die plaats doen verdwijnen.

12:5

Maar de plaats, die de HERE, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan.

12:7

en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt, waarin de HERE, uw God, u gezegend heeft.

12:11

alles brengen, wat ik u gebied,…

12:12

gij zult u verheugen voor het aangezicht van de HERE, uw God,…

12:17

In uw woonplaatsen zult gij de tiende van uw koren niet mogen eten,…

12:18

Maar voor het aangezicht van de HERE, uw God, zult gij ze eten,…

12:21

verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, te ver voor u is,…

12:28

opdat het u en uw kinderen na u voor altoos wèl ga, wanneer gij doet wat goed en recht is in de ogen voor de HERE, uw God.

12:30

en dat gij hun goden niet zoekt, zeggende: hoe dienden deze volken hun goden? zo wil ik het ook doen.

12:31

Niet alzo zult gij de HERE, uw God, dienen; want al wat de HERE een gruwel is, wat Hij haat, doen zij voor hun goden; zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij voor hun goden met vuur.

12:32

gij zult daaraan niet toedoen, noch daarvan afdoen.

Zolang jullie op de aardbodem leven, moeten jullie de geboden en de inzettin­gen van de HERE, jullie God, onderhouden. Dat is een opdracht. Daar is ze­gen aan verbonden. Dat was toen, dat was door heel de bijbeltijd heen, maar dat is ook zo vandaag. Dat is een altijd geldende belofte. Dat is een verbond dat God geeft. Wat een geweldige God. God verbindt aan wat Hij zegt: zegen.

Daarom moesten ze alles vernietigen van de volkeren die ze voor zich uit ver­dreven. Want hun huizen en hun gebied waren vol met afgoderij. Het moest helemaal schoongemaakt worden. Weg ermee. Helemaal en grondig. Dat geldt vandaag ook nog. Alles zit vol met de vreselijkste afgoden. Die proberen je leven binnen te dringen en je het leven zuur te maken. Dat is een permanente bedreiging en daar moet je je van afwenden. Daar moet je schoon schip mee maken. Pas op! Pas op! De bedreiging is er steeds weer.

God kiest een plaats uit waar ze de HERE hun God mogen en moeten aanbid­den. Niet op alle plaatsen, maar op die ene plaats. Die ene plaats zal God voor hen uitzoeken. Daar zullen ze hun offers en hun tienden en hun eerstelingen naar toe brengen. Daar zijn ze veilig. Dat is de plaats van de eredienst.

Ze mogen het vlees van de dieren voor de HERE bestemd alleen eten op die ene plaats waar ze het voor de HERE gebracht hebben. Als ze er te ver vanaf wonen mogen ze het ook eten, daar waar ze wonen. Het wordt heel precies en heel duidelijk omschreven. Het is een precieze zaak. Het komt er bij de HERE God altijd op aan. Het is niet een beetje zus en een beetje zo. Neen, het is pre­cies. Het is, zoals God het wil. Prijs de Heer! Alleen het bloed dat mag niet gegeten worden. Je eet niet de ziel van het dier. Dat moet je laten wegvloeien, ook op de plaats, die ene plaats, die de HERE kiest om Hem te dienen. De dieren worden geofferd en het bloed vloeit weg.

En denk eraan, als jullie eenmaal in het land wonen, moet je je niet laten ver­leiden om eens na te gaan hoe de volken, die jullie verdreven hebben, hun goden dienden. Doe het niet. Want alles wat zij deden om hun goden te dienen is de HERE een gruwel. Hij haat dat. Ja, zelfs hun zonen en hun dochters, verbrandden zij voor hun goden met vuur. En weer opnieuw klinkt het: Al wat Ik u gebied, zult gij naarstig onderhouden; gij zult daaraan niet toedoen, noch daaraan afdoen.

Deuteronomium 13:1-14:2

29 mei [2]

13:1

Wanneer onder u een profeet optreedt of iemand, die dromen heeft, en hij u een teken of een wonder aankondigt,

13:2

en het teken of het wonder komt, waarover hij u gesproken heeft met de woorden: laten wij andere goden achterna lopen, die gij niet gekend hebt, en laten wij hen dienen –

13:3

dan zult gij naar de woorden van die profeet of van die dromer niet luisteren; want de HERE, uw God, stelt u op de proef om te weten of gij de HERE, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

13:5

Die profeet of dromer zal ter dood gebracht worden, omdat hij afval gepredikt heeft van de HERE,… Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen.

13:6

u in het geheim wil verleiden en zegt: laten wij andere goden gaan dienen,…

13:9

maar hem zeker doden;…

13:10

Gij zult hem stenigen, zodat hij sterft,…

13:11

en men zal niet opnieuw zulk een wandaad in uw midden doen.

13:13

Er zijn snode mannen uit uw midden voortgekomen, die de inwoners van hun stad tot afval gebracht hebben door te zeggen: laten wij andere goden gaan dienen,…

13:16

zij zal altoos een puinhoop blijven en niet herbouwd worden.

13:18

want dan luistert gij naar de stem van de HERE, uw God, om al zijn geboden te onderhouden,…

14:1

Gij zijt kinderen van de HERE, uw God; gij zult uzelf om een dode geen insnijdingen toebrengen, noch het haar boven uw voorhoofd wegscheren;

14:2

want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is, en u heeft de HERE uitverkoren om Hem een eigen volk te zijn uit al de volken, die op de aardbodem wonen.

Pas op! Pas op! Er komen steeds weer mensen die proberen je van het Woord van God af te brengen. Daar moet je ontzettend goed voor oppassen. Als er profeten opduiken, die je wonderen aankondigen en die wonderen gebeuren met de woorden: “Laten we andere goden aanbidden,” dan moet je daar niet in geloven, want de HERE stelt je op de proef, of je de HERE God inderdaad met heel je hart en met heel je ziel liefhebt. Die profeet moet je uitroeien. Al­les van hem moet helemaal weg. En als een broeder of wie ook van je familie in het geheim komt om andere goden aan te gaan hangen, dan moet je hem ook uit je midden wegdoen. Dat moet grondig gebeuren en er moet niets van blijven zitten, want het is levensgevaarlijk. Het kost je je heil. Weg met die broeder of wie dan ook. Geen aanzien des persoons. Als er in een stad afval komt en andere goden worden gevolgd, dan moet je die stad, dat gebied, met de grond gelijk maken. Het wordt een puinhoop en die puinhoop mag nooit weer herbouwd worden. Dat is duidelijke taal.

God weet de kracht van de verleiding, de valse profetie, de afval, de kracht ervan. Hij waarschuwt dan ook keer op keer. Je vraagt je af, waarom moeten daar zoveel woorden aan gespendeerd worden? Kennelijk is het nodig, want anders zou het er niet staan. Het is gevaarlijk om je in te laten met die valse herders. Je moet er ver uit hun buurt blijven. Het kan allemaal mooi klinken, maar het is levensgevaarlijk. Weg ermee! Niet mee bemoeien. Het is een be­scherming voor je. En als het toch dicht bij je komt, dan moet je staande blij­ven. Het is ook een beproeving, of je inderdaad met heel je hart en met heel je ziel de HERE God wilt dienen, door zijn geboden en zijn inzettingen te onder­houden. Kortom, wees op je hoede. Je bent gewaarschuwd en een gewaar­schuwd man telt voor twee.

Deuteronomium 14:3-29

1 juni [2]

14:3

Gij zult niets eten, dat een gruwel is.

14:6

elk dier, dat gespleten hoeven heeft –… en herkauwt onder de dieren,…

14:7

omdat zij wel herkauwen maar geen gespleten hoeven hebben;…

14:8

Ook het zwijn, omdat het wel gespleten hoeven heeft, maar niet herkauwt; onrein zal het voor u zijn. Van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij niet aanraken.

14:9

al wat vinnen en schubben heeft,…

14:12

niet eten zult: de arend, de lammergier en de zeearend;…

14:21

of gij moogt het aan een buitenlander verkopen, want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is. Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

14:22

stipt vertienen, jaar op jaar.

14:23

opdat gij de HERE, uw God, uw leven lang leert vrezen.

14:25

en dat geld bij u steken en naar de plaats gaan, die de HERE, uw God, verkiezen zal,

14:26

en gij zult dat geld besteden… en gij zult daar voor het aangezicht van de HERE, uw God, eten en u verheugen, gij met uw huisgezin;

14:27

ook de Leviet, die binnen uw poorten woont, zult gij aan zijn lot niet overlaten, want hij heeft geen bezit of erfdeel met u.

14:28

Na verloop van drie jaar zult gij alle tienden van uw opbrengst in dat jaar brengen en in uw poorten neerleggen;

14:29

dan zullen de Leviet, omdat hij bezit noch erfdeel met u heeft, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, komen en eten en zich verzadigen – opdat de HERE, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet.

Rein en onrein. Het wordt hier met naam en toenaam beschreven. Het gold alleen voor Israël, want ze mogen de onreine dieren aan de buitenlander ver­kopen. Maar zelf niet eten, want zij zijn een volk, dat de HERE, hun God, hei­lig is. Het heeft dus met heiliging te maken. Dieren die gespleten hoeven heb­ben en herkauwen, mogen ze eten. Wat heeft dat herkauwen ermee te maken? Het zal erom gaan, dat er geen verkeerde delen die achterblijven in het vlees van de dieren, in terechtkomen. Bij een varken kun je je dat heel goed voor­stellen en bij een roofvogel ook. Ze eten aas. Een koe herkauwt vier keer. God wil ons een heilig leven gunnen. Wij zijn heilig, want Hij is heilig. Het komt er dus op aan. We moeten in ons leven rein en heilig leven. God hecht daar aan. Dat geldt dus ook voor het eten. Vandaag doen we daar weinig mee. We eten alles. Maar het zou beter zijn om daar toch acht op te geven. Want deze wetten zijn niet alleen geboden voor het volk maar het zijn ook gezondheids­wetten. Ieder weet dat varkensvlees niet gezond is. Daarom is het beter, ook vandaag, om het niet te eten.

Ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest en daar moeten we zuinig op zijn. Dat is heel belangrijk. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Het is goed de wegen van de HERE nauwgezet te volgen. In Handelingen 10 lezen we zien over een laken met de dieren, dat uit de hemel neerdaalt waarmee dit gebod wordt opgeheven. En dat het evangelie aan alle volken gepredikt gaat worden. Ik heb sterk het gevoel dat alle onreine dieren ook te maken hebben met de reinheid van God. We kunnen er beter ook vanaf blijven en er blijven genoeg reine dieren over om ons mee te voeden. De gezondheid wil ook wat. Het is geen wet van Meden en Perzen, maar het is toch wel goed om je eraan te houden. God is een God in alle details; Hij houdt ervan om ook ons lichaam op peil te houden. Nou, als we daar over beginnen, dan zijn we nog niet klaar. We hebben er vandaag aan de dag maar een potje van gemaakt. Kijk maar naar je zelf of kijk om je heen. Dat kun je met goed fatsoen in de meeste ge­vallen geen tempel noemen.

Onze opbrengsten moeten stipt vertiend worden, jaar in jaar uit. Gij zult het eten op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal, opdat gij de HERE, uw God, uw leven lang leert vrezen. Ze zonderen dus de tienden af om het op een heilige plaats de HERE te geven en er van te eten, opdat ze heel dicht bij God blijven wonen. We leren Hem te vrezen, ons leven lang. Het gaat er dus niet om dat wij de tienden geven. Het gaat erom dat wij de HERE, onze God, ons leven lang leren vrezen. Nou, de oogst komt elk jaar terug. Het is jaar in jaar uit. Dus telkens word je er weer bij bepaald dat het gaat om de eer van God in je leven. Het gaat er dan ook juist niet om je te richten op je geld en goed. Want de tiende is wel tien procent van de winst die je weggeeft. En daar gaat het nu juist om. We moeten ons hart niet op ons geld zetten, maar op de HERE. We moeten Hem vrezen en eren. En we eren Hem met ons geld en goed. En samen met Hem en zijn dienstknechten, de Levieten, genieten we ervan. We delen dan ook weer in onze gaven. Dat is het heerlijke. Je geeft eigenlijk niets weg, want je deelt zelf ook in de vreugde van je eigen gave. Dat is een heerlijk evangelie. Glorie voor zijn Naam! God is groot.

God denkt ook aan alles. Als de plaats die de HERE aanwijst te ver is om met al de have daar naar toe te trekken, dan maak je het te gelde, neemt het geld mee, koopt dan ter plekke wat je maar wilt kopen om het de HERE te wijden en je geniet ervan met je gezin en de Leviet die zelf geen geld of goed heeft. Delen is zegenen. God is goed! En na verloop van drie jaar zul je al je tienden in de poort leggen en de Leviet, de vreemdeling, de weduwe en de wees, zul­len komen en eten en zich verzadigen, opdat de HERE uw God, u zegene in al het werk dat uw hand doet. Glorie voor Uw Naam! Dat is toch geweldig? Daar waar de HERE regeert, daar is geen armoede. Daar worden we allemaal opge­roepen om de arme te helpen. En dat is nog al wat. De tiende geven, dat is tien procent. Als we tien procent geven dan is de armoede voorbij. Daar zullen we van opkijken. Wie heeft wel eens doorgerekend wat er gebeurt als de tienden weer gaan functioneren zoals het hier omschreven is? Het zal een wereldwijde revolutie geven in kerk, kring en samenleving. Want dat betekent, dat elke tien personen iemand kunnen vrijstellen voor het evangelie. Dat is een explosie aan mankracht. Dat is geweldig. God is goed. Wat een goede organisator is God. Hij heeft het niet op geld gemunt, maar Hij wil dat alle mensen aan hun trekken komen. Hij roomt eerst de kop eraf om ons te behoeden, dat we ons geld in plaats van ons leven dienen, en Hem eren en loven en prijzen. God is groot en genadig. Een les om bij te leven.

Deuteronomium 15:1-23

2 juni [2]

15:1

Na verloop van zeven jaar zult gij een kwijtschelding doen plaats hebben.

15:2

En dit is de wijze van kwijtschelding: iedere schuldeiser zal hetgeen hij aan zijn naaste leende, kwijtschelden; hij zal zijn naaste en zijn broeder niet tot betaling dwingen, omdat men een kwijtschelding voor de HERE heeft afgekondigd.

15:3

Een buitenlander moogt gij tot betaling dwingen,…

15:4

Er zal echter geen arme onder u zijn, want de HERE zal u gewis zegenen in het land, dat de HERE, uw God, u als erfdeel in bezit zal geven,

15:5

indien gij maar aandachtig luistert naar de HERE, uw God, door heel dit gebod, dat Ik u heden opleg, naarstig te onderhouden.

15:6

Wanneer de HERE, uw God, u zegent, zoals Hij u beloofd heeft, dan zult gij aan vele volken lenen, maar zelf zult gij niet ter leen ontvangen; gij zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.

15:7

Wanneer er onder u een arme mocht zijn, een van uw broeders, in een van uw woonplaatsen, in het land, dat de HERE, uw God, u geven zal, dan zult gij uw hart niet verstokken noch uw hand gesloten houden voor uw arme broeder,

15:8

maar gij zult uw hand wijd voor hem openen en hem met mildheid lenen, voldoende voor wat hem ontbreekt.

15:9

Neem u er voor in acht, dat in uw hart niet de lage gedachte opkomt: het zevende jaar, het jaar der kwijtschelding, nadert – waardoor gij onbarmhartig wordt jegens uw arme broeder, en gij hem niets geeft, zodat hij tegen u tot de HERE roept en gij u bezondigt.

15:10

Gij zult hem met mildheid geven en uw hart zal niet verdrietig zijn, wanneer gij hem geeft, want ter wille daarvan zal de HERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat gij onderneemt.

15:11

Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied ik u aldus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land.

15:12

zich aan u verkoopt, dan zal hij u zes jaar dienen, maar in het zevende jaar zult gij hem vrij laten weggaan.

15:13

zult gij hem niet met lege handen laten gaan;…

15:14

van datgene waarmee de HERE, uw God, u gezegend heeft, zult gij hem geven.

15:15

Gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in het land Egypte, en dat de HERE, uw God, u bevrijd heeft;…

15:17

dan zult gij een priem nemen, en die door zijn oor in de deur steken, opdat hij voor altijd uw dienstknecht zij.

15:19

Alle eerstelingen van het mannelijk geslacht,… zult gij de HERE, uw God, heiligen;…

15:20

zult gij ze jaar op jaar eten op de plaats die de HERE verkiezen zal, gij met uw huisgezin.

15:23

Alleen zijn bloed zult gij niet eten;…

Het sabbatsjaar is een heerlijke gedachte. God is goed! Het is een bescherming voor woeker en geldzucht. Het is een bescherming, zodat ook hij die achter­blijft, die niet mee kan komen, die verarmd is, kan blijven leven. Je moet de arme helpen. Dat is niet een mogen, maar een moeten. En je moet het met mildheid doen. Je moet je hand wijd open doen. Je moet niet verstokt zijn. Je moet ook niet de arme hard vallen en hem dwingen om het terug te geven. Je moet er geen voorwaarden aan verbinden. Je moet ook niet denken dat je hem vlak voordat de zeven jaar verstrijken, dwingen kunt om het terug te betalen, omdat het sabbatsjaar er aan komt, waarin je het kwijt moet schelden. Je moet een ruim hart hebben. Wat een bevrijdende gedachte. Armen zullen er altijd zijn. Daar moet je rekening mee houden en je moet de armen niet laten ver­kommeren. Je moet hem helpen. Dat is uit het leven gegrepen. Wij zijn zo vaak gierig. We denken zo vaak dat het zijn eigen schuld is dat hij arm is. Hij heeft dit niet gedaan, hij heeft dat niet gedaan. Had hij maar dit, had hij maar dat. Moet hij maar niet zo stom zijn. Waarom heeft hij niet dat baantje geno­men? En hij had toch het geld beter kunnen beheren? En zo richten we het le­ven van de arme in in plaats van hem voort te helpen. We mogen hem lenen. Neen, we moeten hem lenen. We moeten de arme redden. Want armen zullen er altijd zijn, maar onder u zal er geen arme zijn die crepeert, opdat de HERE je zegent en je zelf gezegend wordt van al het goede dat ook van Hem komt. Je zult dan zelf aan de volken lenen, en zelf niet van de volken leven. Je zult je niet afhankelijk maken van de volkeren. Je mag een buitenlander wel tot beta­ling dwingen. Die valt niet onder het gebod van het sabbatsjaar. Het gaat om de bescherming van de kinderen Gods. Dat is de regel. Dat is het gebod. Zo blijft iedereen in Israël in leven. En komt er geen chronische verarming. Dat betekent natuurlijk niet dat de arme er een potje van moet maken. Het geldt naar twee kanten. Hij zal zich ook moeten inzetten om het geld teug te geven. Het moet een eerlijke zaak blijven, opdat de HERE hem ook zegenen kan. Want het geld kan dan wel in het sabbatsjaar kwijtgescholden zijn, maar als hij niet oppast, kan hij daarna zo weer in armoede vallen. En dan is hij er nog niets mee opgeschoten.

En met de slaven is het net zo. In het zevende jaar komt hij vrij, die zich aan je verkocht heeft. Het kan nooit langer duren dan zeven jaar. En je moet de slaaf ook nog ruim meegeven van de zegen die je van God ontvangen hebt. Hij heeft per slot van rekening zes jaar voor je gewerkt. Het zevende jaar is het sabbatsjaar. De slaaf die nu vrij is, moet ook de kans krijgen om voor zichzelf te beginnen. Je moet je altijd herinneren dat de HERE, je God, je uit Egypte land bevrijd heeft, waar je vierhonderd dertig jaar dienstknecht geweest bent. Daarom moet je dit gebod houden. God wil niet een eeuwigdurende slavernij. Hij wil bevrijding. Hij wil verzoening. Maar als de slaaf en zijn gezin bij je willen blijven, omdat hij liefde voor jou en je huis heeft gekregen, dan mag dat. Dan neem je een priem en slaat die bij de deur door zijn oor. Hij zal dan zijn leven lang je dienstknecht zijn. Dat kan ook een bescherming zijn. Want als je het goed hebt en de verhoudingen zijn goed, dan kun je een fantastisch leven hebben als slaaf. Geen zorgen, maar wel geborgenheid.

De eerstelingen van je vee zijn de HERE geheiligd. Je zult het jaar op jaar eten op de plaats die de HERE verkiest. Het zal gaaf vee zijn. Het moet gehei­ligd zijn. Geen tweederangs gave. Geen kreupel dier. God neemt geen genoe­gen met tweederangs offers. God op de eerste plaats in je leven. Geen gemar­chandeer. Niet eerst jezelf en dan God. God is goed, maar laat niet met zich spotten. De HERE is heilig, dus wij moeten ook geheiligd leven. Het komt er erg op aan. Pas op dat je niet met de HERE spot. We hebben te maken met een heilige, genadige God. Hij is vol liefde, barmhartigheid, ontferming en gena­de, maar blijf heilig en onberispelijk voor zijn aangezicht. Wat een levensge­boden. Doe je dit, dan zal Hij je zegenen in alles wat je onderneemt. Hoor je het goed? Je zult gezegend worden in alles wat je onderneemt. En wie wil er nu niet gezegend worden? Ga voor God, want God gaat eerst voor jou. Prijs de HERE!

Deuteronomium 16:1-20

3 juni [2]

16:1

Neem de maand Abib in acht en vier het Pascha ter ere van de HERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.

16:3

Gij zult daarbij geen gezuurd brood eten; zeven dagen… brood der verdrukking, want overhaast zijt gij uit het land Egypte getrokken; opdat gij al de dagen uws levens de dag van uw uittocht uit het land Egypte gedenkt.

16:4

en van het vlees, dat gij in de avond op de eerste dag slacht, zal niets de nacht overblijven tot de morgen.

16:6

Maar op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen,…

16:7

dan zult gij in de morgen de terugreis aanvaarden en naar uw tenten gaan.

16:8

en op de zevende dag zal er een feestelijke vergadering zijn ter ere van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen.

16:9

Zeven weken zult gij tellen: van dat de sikkel voor het eerst in het staande koren geslagen wordt, zult gij zeven weken beginnen te tellen.

16:10

Dan zult gij het feest der weken vieren ter ere van de HERE, uw God,…

16:12

Gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte…

16:13

Het loofhuttenfeest zult gij zeven dagen vieren, wanneer gij de opbrengst hebt ingezameld van uw dorsvloer en van uw perskuip.

16:14

Gij zult u verheugen op uw feest, gij met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, met de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen.

16:15

want de HERE, uw God, zal u zegenen in heel uw oogst en in al het werk uwer handen, zodat gij waarlijk vrolijk kunt zijn.

16:16

Drie maal per jaar zal ieder die onder u van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de HERE, uw God, verschijnen op de plaats die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, op het feest der weken en op het loofhuttenfeest.

16:17

ieder naar zijn vermogen, naar de zegen dien de HERE, uw God, u gegeven heeft.

16:20

Gij zult alleen gerechtigheid najagen – opdat gij moogt leven en het land bezitten, dat de HERE, uw God, u geven zal.

Het Pascha vieren, omdat God hen met een machtige hand uit Egypte geleid heeft. Zeven dagen ongezuurde broden eten, brood der verdrukking. Want, wat waren ze verdrukt in Egypte. En hoe lang. Vierhonderd dertig jaar. Stel je voor. Reken dat eens terug in onze geschiedenis, dan kom je terecht in de peri­ode van de tachtigjarige oorlog. Dan zou je denken: dan is toch wel alle hoop vervlogen. Waren er nog mensen, die dachten aan het beloofde land? Was er nog wel hoop, dat het ooit eens goed zou komen? En dan wordt Mozes geroe­pen. Hij moet het volk uit het land leiden. Dat kan toch helemaal niet. Hoe kun je ooit tegen de machtige Farao opstaan? En toch, God leidt zijn volk uit. Dat zullen ze gedenken, elk jaar weer. Op de wijze zoals God het heeft voorge­schreven. Want ze mogen nooit vergeten, dat God het was, Die hen met mach­tige hand uitleidde. En dat God Zich zal blijven ontfermen over zijn volk. Een belofte blijft een belofte. Dat zal gebeuren. De vervulling is zeker. Zelfs al duurt het vierhonderd dertig jaar.

Het Pascha moet gevierd worden op de plaats, die de HERE God zal aanwij­zen. We weten allemaal waar dat is. Dat is Jeruzalem. De stad Gods. Daar moeten ze jaarlijks naar toe trekken en daar moeten ze offeren en met de hele familie het Pascha vieren. Dat is jaarlijks een grote drukte. Wat een mensen in Jeruzalem. En wat vloeit er een bloed. Het is dan ook niet zonder reden dat uitgerekend op Pascha Messias Jezus gekruisigd is. Het is geweldig hoe alle feesten naar Jezus wijzen. Hij is aan het hout gehangen op het moment dat in tempel de lammeren voor het Pascha geslacht werden. Hij stond op op de dag van het feest van de eersteling, de eerste dag van de nieuwe week na het Pascha, vallend in de periode van ongezuurde broden. Hij stierf voor onze zonden. Het volmaakte Paaslam: Pesachlam. Hij Die de zonden der wereld wegnam.

Geen wonder dat daar verzet tegen kwam. Het lukte de duivel om de lijdende knecht des Heren weg te moffelen in het nationale en dogmatische denken van de geestelijke leiders van die tijd. Het zou een zegevierende Messias moeten zijn, die de Romeinen weg zou jagen en een Israël zou vestigen, dat zou heer­sen over alle volken. Dat was toch voorzegd in de profeten. Het paste niet in hun denken over de Messias om te denken aan een lijdende knecht des HEREN van Jesaja 53. Maar dat is de centrale boodschap van Pasen.

Het is de verzoening door het bloed van Jezus, dat aan de deurposten in Egyp­te gesmeerd werd, zodat de engel des doods voorbijging. Want in feite zijn wij allen des doods schuldig. Maar Gode zij dank, door Jezus Christus zijn wij verlost door de verzoening van onze zonden op het kruis van Golgotha, door het volmaakte offer, het bloed van de HERE Jezus. Doet dit tot mijn gedach­tenis. Wat een feest. Wat een eeuwig Pasen. Hoe zou het anders ooit weer goed kunnen komen? Hij leidt ons uit het diensthuis van de wereld in het eeuwige Koninkrijk van God. Je wordt uitgeleid. Het is de uittocht. Het is de uittocht uit de zonde. Heerlijk evangelie. Glorie voor zijn Naam!

Gedenk het op dat precieze tijdstip. Je zult het eten in de avond en de volgen­de morgen aanvaard je de terugreis naar je steden. Wat zal dat elk jaar een drukke nacht geweest zijn in en rond Jeruzalem. Wat een feest. Wat een offer. De tempeldienst draait op volle toeren. Dan zul je zes dagen ongezuurde bro­den eten, het brood der verdrukking als je weer thuis bent en op de zevende dag zal er een feestelijke bijeenkomst zijn ter ere van de HERE, uw God. Dan zul je geen werk doen.

Dan, zeven weken later, zul je het feest der weken vieren, naar de mate van de gaven van deze zegen die de HERE je gegeven heeft. Je zult je verheugen voor het aangezicht van de HERE. Het is feest. Want het is de oogst. Het is om dankbaar voor te zijn. God heeft ons weer op onvoorstelbare wijze geze­gend. God is goed. Daar mag je feest om vieren. Daar moet je feest om vieren. Het is een gebod. Feesten moet. Ook de Leviet deelt mee. Je zult gedenken dat je een dienstknecht bent geweest in Egypte. En nu ben je vrij. De HERE heeft je vrij gemaakt. En dat vier je, want daar kun je eeuwig dankbaar voor zijn.

Het loofhuttenfeest zul je zeven dagen vieren, wanneer je de opbrengst van het land en de dorsvloer hebt ingezameld. Zeven dagen zul je het vieren met de weduwe en de wees, de Leviet en de vreemdeling in de poort. Met iedereen. Hij heeft het werk van je handen gezegend en daar mag je vrolijk over zijn. God is goed en niet genoeg te prijzen.

Dus drie maal per jaar trokken ze naar Jeruzalem: het Pascha, het Feest der Weken en het Loofhuttenfeest. Een altoosdurende inzetting. Niet aan tornen. Altijd doen. Wat is er op tegen. Waarom zou je het veranderen. Het zijn toch feesten van God en niet van de mensen?

De rechtspraak moet recht zijn. Je mag het recht niet buigen, er is geen aan­zien des persoons en je mag de zaak niet verdraaien. Je zult alleen gerechtig­heid najagen en anders niet. Hoe kan God anders je land zegenen? Hij zal dat doen als je gerechtigheid oefent.

Deuteronomium 16:21-17:20

4 juni [2]

16:22

Gij zult u ook geen gewijde steen oprichten, hetgeen de HERE, uw God, haat.

17:1

Gij zult voor de HERE, uw God, geen rund en geen stuk kleinvee slachten, waaraan een gebrek is,…

17:3

die andere goden gaat dienen en zich daarvoor nederbuigt,…

17:5

en gij zult ze stenigen, zodat zij sterven.

17:6

Op de verklaring van twee of drie getuigen zal de ter dood veroordeelde ter dood gebracht worden;…

17:7

Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen.

17:9

zij zullen u hun rechterlijke uitspraak aanzeggen.

17:14

Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de HERE, uw God, u geven zal, dit in bezit genomen hebt en daarin woont, en gij dan zoudt zeggen: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij hebben,

17:15

dan zult gij over u de koning aanstellen, die de HERE, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u aanstellen; geen buitenlander, die uw broeder niet is, zult gij over u mogen aanstellen.

17:16

Maar hij zal niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugvoeren om zich veel paarden aan te schaffen; want de HERE heeft tot u gezegd: Op deze weg zult gij nooit meer terugkeren.

17:17

Ook zal hij zich niet vele vrouwen nemen, opdat zijn hart niet afwijke; ook zal hij zich niet te veel zilver en goud vergaren.

17:18

Wanneer hij nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust.

17:19

Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de HERE, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden,

17:20

opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, temidden van Israël.

Duidelijke taal. Geen gewijde paal. Kennelijk was er wel steeds de behoefte of de dreiging om een gewijde paal neer te zetten. God moet dus wel een waarschuwing geven. Want de vijanden lagen op de loer. Later, als blijkt dat ze niet alle vijanden het land uitgejaagd hebben, zullen we zien dat ze dan inderdaad worden verleid. Wat toch een vreselijke toestand. Wie is een God als God. En dan toch regelmatig verleid worden door de afgoden? Dat slaat toch nergens op? God is goed. Maar Hij eist zijn eer op. Gewijde stenen, ge­wijde palen. Het is de HERE een gruwel. Laat dat eens en voor altijd duidelijk zijn. Afgoderij, het is de HERE een gruwel. Laat je er niet mee in. Blijf er ver van!

En als je de HERE offert, dan moet je het beste geven wat je hebt. Je mag geen kreupel dier geven. Gebeurde dat dan? Dat doe je toch niet? Maar kenne­lijk gebeurde het. God wil het beste. Dat spreekt ook vanzelf. Geef het beste! Laat je niet verleiden om tweederangs offers te geven. Het is de HERE een gruwel. We lezen het keer op keer. De HERE heeft geen welgevallen aan zul­ke offers. God is groot. Maar Hij is een heilig God. Hij eist volkomen overga­ve en volkomen toewijding. Geen vroomheid zonder inhoud. Geen lauwe ere­dienst. Geen compromis. Maar radicaal evangelie. God is goed! Let op!

En als je je aan de afgoderij overgeeft, dan moet je wel weten dat je dan met de dood in de schoenen loopt. Als je gesnapt wordt, dan moet dat kankerge­zwel uit het volk gebannen worden. Je kunt niet op twee gedachten hinken in de gemeente van God. Je moet het Woord zuiver houden en daar moet je voor waken. Zodra je ontdekt dat er met het Woord gemarchandeerd wordt, dan moet je in actie komen. Gods Woord is de waarheid en dat Woord kan zich­zelf wel verdedigen. Wij moeten alleen maar gehoorzaam luisteren en alle geluiden tegen dat Woord moeten we uitzuiveren, wegjagen, niet dulden.

Als het gaat om geschillen, dan is het ook simpel. Je gaat naar de Levieten en die leg je het voor. Zij doen dan een uitspraak. Het enige dat je moet doen is, om het gehoorzaam uit te voeren. Ook al ben je het er niet mee eens. Dan moet je het toch uitvoeren. Gewoon doen. Doe je het niet, dan loop je met de dood in de schoenen. Het is harde taal. Maar het is uitermate belangrijk om het Woord recht te snijden in de gemeente. Daarom is het zo belangrijk, om altijd heel dicht bij het Woord van God te blijven. Wij hoeven het niet te ver­dedigen. Het Woord van God verdedigt zichzelf. Begin niet te argumenteren, maar lees gewoon wat God zegt. Dat is alles en dat maakt het ook eenvoudig.

Het stuk over de koning is ook heel interessant. Waarom moet het volk een koning hebben? Ze hebben toch God? Ze hebben toch zijn geboden? Ze kun­nen toch hun hele samenleving inrichten volgens de geboden van God? Maar God zegt: Àls jullie dan toch een koning willen, omdat alle andere volken om jullie heen ook een koning hebben, dan is het goed om een koning te kiezen uit jullie broeders. Niet een koning uit een ander volk. Hij moet bovendien niet veel paarden willen hebben. Hij mag het volk ook niet terugbrengen naar Egypte. Want de belofte is, dat zij nooit zullen terugkeren naar het land van waaruit de HERE God hen met vaste hand had uitgeleid. De koning moet zijn volk leiden en niet zijn eigen ik en zijn rijkdom en macht willen vergroten. Hij moet ook niet veel vrouwen hebben, want hij zou zijn hart daar eens op kun­nen zetten. Dat is heel belangrijk. Het hart op je vrouwen zetten is heel ge­vaarlijk. God in de eerste plaats. Dat is altijd het belangrijks. Dat geldt ook voor de koning. Dat geldt voor iedereen. Zet je hart op God. God eist de hele eer op.

En als de koning dan op de troon zit, dan is het heel belangrijk dat hij een af­schrift heeft van deze wet. Hij moet zich een afschrift laten maken. Het is ken­nelijk essentieel dat de koning een afschrift van de wet bij zich in het paleis heeft. Dat is het eerste wat genoemd wordt, zodra de koning op de troon zit. God is goed! God wil dat de koning vanaf het begin op de hoogte is van hoe goed het is om vanuit God te regeren. De wet is ook bij de levitische priesters, die hebben de taak om het Woord van God zuiver te bewaren. Die moeten het volk ook bij het Woord van God houden. Maar voor de koning geldt heel spe­ciaal, dat hij de Wet ook in het paleis moet hebben. Hij moet het bij zich heb­ben en hij moet daarin lezen. Het gaat er niet om om een gesloten Bijbel te hebben, maar een Bijbel waaruit hij moet lezen. En waarom moet hij eruit le­zen? Om te leren de HERE, zijn God, te vrezen. Hoe leer je de HERE God te vrezen? Door zijn Woord te lezen. Door eruit te leven. Door het bij dag en bij nacht te overdenken. En het geheim is, dat wijzelf eigenlijk niet de Bijbel le­zen, maar de Bijbel “leest” ons. God komt naar ons toe in zijn Woord. Hij weet ook wat we nodig hebben.

Het is opvallend dat God, door het lezen van zijn Woord ons dingen te binnen brengt, die we in de praktijk van ons leven juist op dat moment nodig hebben. Het is verrassend dat we daar steeds weer bij bepaald worden. God is geen sta­tische God, die uit zijn Woord zijn bevelen op ons afvuurt. Neen, Hij is een liefdevolle, heilige God, Die in zijn Woord, vol van liefde en bewaring en be­scherming, ons op de weg van de gerechtigheid en de waarheid en het recht wil houden. Het is een wegwijzer in ons leven. En wie heeft dat nu meer nodig dan de koning en allen die in hoogheid gezeten zijn. Want God is goed. Hij weet dat we in zonde ontvangen en geboren zijn. Hij lijdt Zelf het meest aan het lijden in deze wereld. Hij gaf zijn Zoon om te lijden en te sterven aan het kruis voor de verzoening van onze zonden. Wat een genade. Die God wil dat het Woord in het paleis is en dat de koning er dagelijks uit leest, opdat de ko­ning niet zichzelf, maar de HERE leert vrezen. Wat een genade. Wat een be­scherming voor de koning en dan ook voor heel het volk. Zo koning, zo volk. De koning wil dan ook al de geboden met instemming naarstig onderhouden en dan gaat het goed met het land. Dan zal hij zich niet verheffen boven zijn broeders, maar hij weet zich één met hen om het land en het volk te dienen. Je zult eens zien, wat er dan aan welvaart en welzijn zich ontwikkelt, want dan zet je je in voor iedereen van de hoogste tot de laagste, van de zwakste tot de sterkste.

Het is goud wat er zit in het Woord van God. Koningen, die hebben geregeerd en geleefd volgens dit Woord van God, die hebben het geweten. Het was een grote vreugde. Het was een wonder. God is goed. Heerlijk evangelie. God ze­gent dat, opdat hij lange tijd koning mag blijven en waakt dat hij en het volk niet afwijken naar links noch naar rechts en de zegen ontdekken. En zijn ko­ningschap zal overgaan op zijn zonen. Er zit zegen in de geslachten van de koningen, die de HERE dienden. Wat een evangelie. Wat een Woord van God. Zo mogen we bidden voor de koningen en hoog geplaatsten, opdat zij naar de wil en het Woord van God regeren, opdat wij als onderdanen een stil en gerust leven mogen leiden. God is goed. En nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam!

Wat een zegenrijk verhaal. En, zo koning, zo volk. Een volk dat de Bijbel leest. Het Woord van God op zijn hart draagt. Eruit leest en ernaar leeft. Dat volk zal gezegend zijn. Dat is de oplossing van alle problemen. Dan komen de zaken weer in de juiste proporties te staan. Dan kunnen we weer verder. Het is een wegwijzer naar vrede en liefde, rechtvaardigheid en gerechtigheid. Dan werken de vruchten van de geest en dan acht de een de ander meer uitnemend dan zichzelf, enz., enz., enz.

Deuteronomium 18:1-22

5 juni [2]

18:1

van de vuuroffers des HEREN en Diens erfdeel zullen zij eten,…

18:2

de HERE is zijn erfdeel, zoals Hij hem beloofd heeft.

18:3

men zal de priester geven de schouder, de beide wangstukken en de maag.

18:4

De eerstelingen van uw koren, uw most en…

18:5

opdat hij voor de HERE zou staan…

18:9

dan zult gij niet leren doen naar de gruwelen van die volken.

18:10

Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar,

18:11

geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt.

18:12

Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg.

18:15

Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de HERE, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren.

18:18

Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied.

18:20

Maar een profeet, die overmoedig genoeg is om… die profeet zal sterven.

18:22

als een profeet spreekt in de naam des HEREN en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de HERE niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen.

Een vol hoofdstuk. Het begint met de Levieten. Ze hebben geen erfdeel zoals de andere stammen. Dat had God geboden. Maar ze zijn het erfdeel des HE­REN. Ze zullen eten van vuuroffers des HEREN en Diens erfdeel. Ze eten van de tafel des HEREN. Zo heeft Hij het beloofd en zo zal het gebeuren. En dan komen de offers en zij hebben recht op de schouder en de beide wangen en de maag. Ze mogen er van eten. En ze zullen ten overvloede hebben. Want de offers zijn er elke dag. En elke dag is er dus te eten. Zij zijn uitverkoren om voor de HERE te staan en dienst te doen. Dat is plaatsvervangend voor hen. En ze zullen de eerstelingen van hun oogst en hun most (ongegist vruchten­sap) en hun schapen en hun wol brengen. De tienden. Ze zullen altijd genoeg hebben. Het tiende deel voor een van de twaalf broers. Met tien man kun je als je vandaag de tiende geeft dus een man vrijstellen. Dat principe geldt nog steeds. Als we het over de eerstelingen en over de tienden hebben, dan bete­kent dat dat op elke tien gelovigen er één vrijgezet kan worden. Die kan zich dan geheel afzonderen voor de dienst des HEREN. En dat is geweldig. Want er moet aandacht zijn voor de eredienst en de lofprijzing van onze God. We moeten daarin geleid worden. Dat vraagt organisatie. Daar moeten mensen voor zijn. Dat kun je niet op de bonnefooi doen. Dat kun je ook niet in je vrije tijd doen; dat moet geregeld en georganiseerd worden. En wat was de ere­dienst in de tempel georganiseerd? Er waren heel nauw omschreven regels voor wat ieder moest doen. God heeft het allemaal laten vastleggen en ze moesten zich er aan houden.

Ook heel nauwkeurig was omschreven wat de Levieten dan allemaal moesten ontvangen van het volk. Van hun andere broeders. Als ze woonden in de ste­den, dan bezaten ze de weidegronden om het dorp. Daar konden ze vee hou­den. Meestal schapen. Lees het maar na. En vandaag is het al niet anders. De Levieten moeten overeenkomstige inkomsten hebben als de mensen in hun omgeving, maar ze hoeven ook niet meer. Hoe zit dat vandaag met onze vast­gestelde traktementen? Ik zie veel voorgangers in weelde baden, dikke auto’s, dure kantoren en dat allemaal van de tienden die zij, en dan zeg ik, afgetrog­geld hebben. De gemeente komt samen en daar is een heleboel georganiseerd. Dat vraagt aandacht. Dat vraagt tijd. Daar moet je mensen voor vrij zetten. Daar moet je tijd aan besteden. Je moet alle taken die moeten gebeuren op een rij zetten en daar dan de tijd bij zetten, die daarvoor nodig is en dan bekij­ken hoe je het allemaal moet organiseren. En in principe is het zo, dat op elke tien gemeenteleden er één vrijgesteld kan worden om het werk te kunnen doen. Reken maar na hoeveel krachten er dan beschikbaar komen in een ge­meente van zeg twee honderd man. Dat is een krachtig leger, dat op stap kan om het Woord van God te proclameren in het dorp en de stad waar je woont. Je moet eens nagaan hoe het in je eigen gemeente zit. Wat zou daar moeten veranderen om de toestand zoals hier omschreven voor elkaar te krijgen? On­mogelijk? Flauwekul! Als het niet eens een keer uitgerekend is, laat staan gebeurd is, dan kun je er ook geen oordeel over vellen. We zijn waarschijnlijk heel veel kwijt geraakt van dit Bijbels denken in deze tijd. Maar het is nooit te laat om er weer naar terug te keren. Glorie voor zijn Naam!

Het volgende stuk is ook glashelder. Als ze gekomen zijn in het land, dat de HERE hun God, hun geven zal, dan moeten ze de gruwelen in dat land weg doen. Ze moeten er niet aan beginnen. Het is de reden dat de HERE deze vol­ken voor hen verdrijft. Want het is te gruwelijk om te beschrijven, wat voor vreselijke dingen die allemaal uithalen. Weg met die volken. Weg met die gruwelen. Luister goed.

Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan. Wat? Zijn zoon of dochter door het vuur laten gaan? Welke idioot doet dat? Dat kan toch niet waar zijn? Moeten ze daarvoor ge­waarschuwd worden? Kennelijk was dat nodig. Het was gewoonte bij de hei­dense volken, dat ze hun kleine kinderen aan de afgod Moloch offerden. Ze wierpen hun kinderen in de brandende armen van deze afgod, om zo hun ze­gen en heil af te smeken. Deze goden eisten kinderoffers, onschuldig bloed. En hoe meer bloed er vloeide, hoe meer ze gezegend zouden worden door deze goden. Het is verschrikkelijk. Dat kan toch niet? Maar toch is het waar. En daar moet het volk voor gewaarschuwd worden. Vreselijk. Kinderoffers. Daar moet je toch niet aan denken, maar het is wel zo. Later lezen we dat het volk Israël toch in deze zonde vervalt. Eigen kinderen offeren aan de afgod Moloch. Onschuldig bloed vergieten. God gruwt van het vergieten van on­schuldig bloed. Dat neemt hij niet. Dat zien we door de hele Bijbel. Het rijk wordt in tien en twee stammen gesplitst omdat Salomo zijn vrouwen toestem­ming gaf hun kinderen aan de Moloch te offeren. En in de tijd van Jeremia worden de kinderen weer geofferd en maakt God er korte metten mee en heel het volk wordt naar Babylon verbannen. En tot vandaag zijn ze over de gehele wereld verspreid van wege deze zonde.

Maar ook vandaag offeren we de kinderen aan de Moloch. Het kind komt ons niet uit. We denken aan ons eigen heil en we laten nu zelfs kinderen uit de moederschoot rukken om maar van dat probleem af te zijn. Wie heeft zo iets ooit bedacht? Afgodendienst. Onschuldig bloed wordt vergoten. God neemt het niet. God schept het leven en wij roven het weg. Dat neemt God niet. Dat is je reinste afgoderij. Het oordeel komt. Abortus is het apocalyptisch eindoor­deel. Vandaag doden we wereldwijd vijftig miljoen kinderen per jaar aan deze afgoden. Het is verschrikkelijk. Hoe kunnen we daar mee leven? Het kan niet. Je moet wel weten wat je doet als je de afgoden volgt. Als je onschuldig bloed vergiet. Vreselijk! God is genadig en barmhartig, Hij heeft geen lust aan de dood van de zondaar, maar veeleer dat hij zich bekeert. Maar bekeer je je niet, dan is dat het oordeel. God is goed! Volg Hem! Hij schrijft deze waarschuwin­gen op, niet om je te veroordelen, maar om je te redden.

Onder u zal niemand worden gevonden die waarzeggerij doet. Dat is ook dui­delijk. Geen occultisme. Je niet begeven in de wereld van het paranormale. Dat is de wereld die de duivel gebruikt om strijd te voeren tegen de mensen. We hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten; de machten in de lucht. Doe dan de geestelijke wapen­rusting aan. Het Woord van God, dat is het zwaard des Geestes. Dus niet ver­der dan het Woord, buiten en boven het Woord, daar is de wereld waar God je beschermd tegen de boze, de macht van de satan. Het paranormale bestaat. Zie maar de tovenaars aan het hof van de Farao. En wat zien we niet een occultis­me en een hekserij vandaag. God zegt: Blijf er vanaf! Want anders word je ge­pakt door deze demonen, die je in bezit nemen. Levensgevaarlijk! Weg ermee! Blijf bij mijn Woord! Begeef je je toch in die wereld, dan word je door die wereld gepakt. Hoe waar is dit niet? Ieder die in deze occulte wereld gezeten heeft, weet ervan te vertellen. En daar waar het occulte bezit neemt, daar wordt Jezus weggeduwd. De enige bescherming is de proclamatie van Jezus. Want waar Jezus verschijnt, daar gaat de duivel op de vlucht. In Marcus lezen we dat een bezetene begint te schreeuwen en roept: “Zijt gij gekomen om ons voor onze tijd te verdelgen? Ik weet wel wie Gij zijt: de Heilige Gods.” De duivel kent de macht van Jezus en siddert. Proclameer de macht van Jezus en de duivel gaat op de vlucht. Doe het zelfs tegen je eigen gevoel in. Want de duivel is zo listig om je proclamatie in de kiem te smoren. Weg met alle tove­rij en waarzeggerij. Hoe opzienbarend het ook is. En kom je mensen tegen die zeggen dat het van God is, dan moet je hen heel eenvoudig wijzen op deze tekst. En daar geen discussie over beginnen. Hier staat het. Punt uit! Ze moe­ten ermee stoppen, en bidden of ze ervan bevrijd mogen worden. Radicaal:
Geen wichelaar;
Geen uitlegger van voortekenen;
Geen tovenaar;
Geen bezweerder;
Niemand die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt;
Niemand die doden raadpleegt.

Je mag het zeggen. Kan het nog duidelijker gezegd worden. Het wordt uitvoe­rig opgesomd, want je mocht eens proberen er een vinger tussen te krijgen. Neen. Afblijven en wegwezen. Het is de HERE een gruwel. Je moet je daar verre van houden. Hoor je het. Geen spelletje spelen. En zie je iemand ermee spelen. Zie je kinderen ermee aan de gang. Bid dat ze ervan bevrijd worden. Niet toelaten. Ook niet een beetje zo laten, bevrijd ze ervan. En kom je het later tot de ontdekking, dan moet je ze vrij bidden van die machten. Want ze kunnen je leven belasten. De duivel is listig en zal alles proberen om je vast te houden, je leven lang. God is goed. God wil je geheel bevrijden. Door het bloed van Jezus. Glorie voor zijn Naam!

Niet naar de tovenaars luisteren. Maar God geeft het volk een profeet uit hun midden, naar hem moeten ze luisteren. En dat is zo. Als je dit leest dan is het eerste dat je denkt: Het gaat hier over profetie, het gaat hier over Jezus, en dat zal ook zo zijn. Want Jezus is gekomen om ons de woorden van God te leren. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Luister naar zijn stem. Hij is de weg der waarheid. Wandel je op die weg, dan wandel je op het pad van het Koninkrijk der hemelen. Wij kunnen niet in de aanwezigheid van God zijn, want God is een verterend vuur. We sterven als we in zijn nabijheid zijn. Dat heeft Mozes op de berg ervaren. Daarom zond Hij de Profeet, de Messias. Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen en hij zal alles zeggen wat ik hem ge­bied. En zo is het gegaan. En Jezus ging en God zond de Heilige Geest, opdat Die altijd bij ons zou zijn. Dat is een heerlijke gedachte. Hier gaat het al over het vervullen van het heil. God is goed. Hij laat ons niet als wezen achter. Hij wil wonen in ons hart. Hij wil ons de woorden van de Vader te binnen bren­gen. Wat een heerlijk evangelie. En luister je niet naar de woorden van de HERE God, dan moet je het zelf maar weten. Dan zul je ervaren dat God je daar rekenschap van zal vragen. Dat is toch een eerlijke zaak? Dat kun je God toch niet verwijten? En hoe vaak gebeurt dat niet? Waarom gebeurt dit en waarom gebeurt dat? God had dit moeten doen en God had dat moeten doen. Het zit zo maar in ons. Een verwijtende gedachte. Als God God is, waarom is er dit dan gebeurd? Enz., enz.

En, wat belangrijk is. God zendt profeten. Maar er zijn ook profeten die in hun eigen naam spreken. Die overmoedig zijn en woorden als van God uitspreken. Hoe kun je nu weten welke profeet echt een profeet is? Nou, heel simpel. Kijk of uitkomt wat de profeet zegt. Komt het niet uit dan is het een valse profeet. Je moet dan niet naar hem luisteren, je niet met zo iemand inlaten. Hij is een valse profeet. Weg met hem! Duidelijke taal. Taal om bij te leven. Bescher­mend en vermanend. Onderzoek jezelf of er gaten in je leven zijn, waardoor je de boze ingang geeft om je in de war te brengen. We denken soms: “Wat moe­ten we met al die hoofdstukken in deze boeken?” Maar je ziet maar weer hoe we gezegend worden met deze woorden. God is goed!

Deuteronomium 19:1-21

6 juni [2]

19:1

uitgeroeid heeft en gij hun gebied in bezit genomen hebt…

19:2

dan zult gij drie steden afzonderen…

19:3

opdat iedere doodslager er heen kan vluchten.

19:4

als hij zijn naaste zonder opzet gedood heeft…

19:5

en het ijzer schiet van de steel…

19:9

nog drie steden aan deze drie toevoegen,

19:10

opdat geen onschuldig bloed vergoten worde… en opdat geen bloedschuld op u kome.

19:14

Gij zult de grensscheiding van uw naaste,… niet verleggen…

19:15

op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak vast staan.

19:18

en blijkt, dat de getuige een vals getuige is en dat hij een valse aanklacht tegen zijn broeder heeft ingediend,

19:19

dan zult gij hem doen, zoals hij zijn broeder dacht te doen.

19:21

Gij zult hem niet ontzien; leven om leven, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.

Zelfs dat wordt geregeld. De vrijsteden. Als je iemand heb gedood, maar niet expres, dan mag je vluchten naar een van de drie vrijsteden. Daar ben je vei­lig. Daar kunnen de wrekers je niet achtervolgen. Want het kan gebeuren dat je in het bos bent om hout te hakken en de bijl vliegt uit je hand en doodt je buurman. Dan ben je niet schuldig. Maar je moet wel vluchten naar de vrij­stad. En indien het gebied van Israël vergroot wordt, dan moeten ze er nog drie vrijsteden bij kiezen. Het land wordt zo verdeeld, dat iedereen precies weet naar welke vrijstad hij moet vluchten. Als je geen haat koestert en ie­mand sterft door jouw schuld, dan moet je naar de vrijstad vluchten. Maar als je iemand haat en doodt, dan ben jij ook des doods schuldig. Dat alles opdat er geen onschuldig bloed vergoten wordt. God heeft een gruwel aan het vergieten van onschuldig bloed. Wat is dan het offeren van de kinderen aan de Moloch een vreselijke bloedschuld. Dat neemt God niet. Bloedschuld, daar kan dan alleen het oordeel op komen. Als er schuld is, dan moet er verzoening gedaan worden. Dan moet er ook bloed vloeien: het bloed van de offergaven. Verzoe­ning door bloedstorting. Dat is duidelijk. Dat is de manier die God kiest. En Messias Jezus, de Zoon van God, is het volmaakte Offerlam. Hij neemt de zonden der wereld weg. Hij laat ons niet in de steek. We kunnen altijd vluch­ten naar Hem. Bij Hem zijn we veilig geborgen in God. Een heerlijke, rustge­vende, veilige gedachte. Het komt goed. God is goed. Maar als er iemand doodt uit haat en hij vlucht naar de vrijstad, dan is hij wel des doods schuldig. Zo moet gij het bloed van de onschuldige uit Israël wegdoen, opdat het u wel ga. Duidelijke taal. Ook voor vandaag.

Het volgende is ook een gouden regel. Je mag de grenspaal van je naaste niet verleggen. De steen die de scheiding aangeeft kun je gemakkelijk een paar meter of een paar honderd meter verleggen. Maar het kadaster van God is precies. Je laat het liggen. Je komt er niet aan. Dat is een gebod. Je neemt het eigendom van je naaste niet. Het is ieders erfdeel, door de HERE gegeven en daar blijf jij af.

En als iemand je beschuldigt, dan is dat niet genoeg. Want pas op het getuige­nis van twee of drie staat een zaak vast. En als je een geschil hebt, dan ga je naar de priester en hij zal uitspraak doen. En je verbindt je van te voren om de uitspraak te eerbiedigen. Maar wordt er een valse aanklacht tegen je geuit, dan zal met de aanklager gedaan worden wat hij jou probeerde aan te doen. Zo zal het kwaad uit uw midden worden weggedaan. Je past wel op om dan een kwaad woord te uiten, want het kan op je eigen hoofd terecht komen. Je zult zo iemand niet ontzien. Want het is leven voor leven. Oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. Beschuldig jij iemand vals, dan zul jij ge­straft worden met dat waarvoor jij de ander beschuldigde. Jij beschuldigt vals, dan krijg jij hetzelfde op je dak. Dat is duidelijke, ontnuchterende taal. Maar Jezus zegt dan, dat de meest ontnuchterende houding is, dat terwijl de ander verwacht, dat hij veroordeeld wordt voor de haat die hij tegen jou heeft, dat jij in plaats van je recht op te eisen, hem je wang aanbiedt, om nog eens een klap van hem te krijgen. Dan sta je wel ontnuchterd te kijken. Je bent in een haat conflict gewikkeld, je verwacht de klappen, de straf en de ander biedt je zijn wang aan om nog een klap te ontvangen. Dat is de liefde. Dat is de ontwape­nende liefde. Dat is de angel halen uit het conflict. Dat is de weg gaan die Jezus gaat. Het is de bedoeling, dat door het offer van Jezus en de genade waarin wij mogen leven, we opgetrokken worden in de school van de ontwa­penende en onvoorwaardelijke liefde en leren te leven uit die liefde en van die liefde te delen. God is goed.

Deuteronomium 20:1-20

7 juni [2]

20:1

dan zult gij daarvoor niet vrezen, want de HERE, uw God, is met u, die u uit het land Egypte heeft gevoerd.

20:3

Hoor, Israël! Gij staat thans vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, vreest niet, wordt niet angstig en siddert niet voor hen,

20:4

want de HERE, uw God, is het, die met u gaat om voor u te strijden tegen uw vijanden, ten einde u de overwinning te geven.

20:5

Wie heeft een nieuw huis gebouwd,…

20:6

En wie heeft een wijngaard geplant,…

20:7

En wie heeft een vrouw ondertrouwd, maar haar nog niet gehuwd?

20:8

Wie is bevreesd en week van hart?

20:10

dan zult gij ze de vrede aanbieden.

20:13

en gij zult al haar mannelijke inwoners slaan met de scherpte des zwaards.

20:16

Maar uit de steden van déze volken, die de HERE, uw God, u ten erfdeel zal geven, zult gij niets wat adem heeft, in leven laten,…

20:18

opdat zij u niet leren te doen naar al de gruwelen, die zij voor hun goden doen, zodat gij tegen de HERE, uw God, zoudt zondigen.

20:19

want zijn de bomen in het veld mensen,…

20:20

om een belegeringswal te bouwen…

Ook als er oorlog wordt gevoerd, gelden er wetten. En het belangrijkste voor Israël is, dat zij heel goed beseffen, dat zij het niet zijn die de strijd voeren, maar dat de HERE, hun God, aan het hoofd van het leger staat. Zij moeten dus niet bang zijn, want het is de HERE, hun God, Die hen met machtige hand uit Egypte geleid heeft, die vooraan gaat en de overwinning zal geven over legers die veel groter zijn dan hun leger. Daar staat de Bijbel vol van. Het is de strijd van koning Asa, het is de strijd van koning Josafath. Het is niet onze strijd, roept dan de Leviet, maar het is de strijd des HEREN. Wij moeten gehoor­zaam zijn en vertrouwen op de HERE God. Denk steeds maar weer terug hoe God jullie met machtige hand uit het onoverwinnelijke Egypte heeft geleid. Dat was toch ook niet mogelijk? Want wie durft er zijn hand te verroeren te­gen het machtige Egypte? Maar het is toch gebeurd. God doet wonderen. Als God blaast, gaat het leger op de vlucht. Maar je moet wel sterk en moedig zijn. Je moet wel gaan in de kracht des HEREN. En daarom moet vlak voor de strijd de priester naar voren treden en het volk toespreken. Je hart moet niet week worden, je moet niet sidderen, want de HERE, uw God, zal voor u strij­den, teneinde u de overwinning te geven.

Dan moeten de opzieners door het volk gaan. En als je een huis aan het bou­wen bent, of je hebt een wijngaard geplant, of je staat op het punt te gaan trouwen, dan mag je weer naar huis. En ook zij die toch nog week van hart zijn, mogen uit het leger naar huis gaan. Want die zouden eens de anderen aan kunnen steken. En dat is gevaarlijk.

Wanneer ze dan een stad naderen, dan moeten ze hen eerst de vrede aanbie­den. Wordt dat aanvaard, dan zal deze stad hen onderhorig zijn. Wil de stad niet, dan beleger je de stad en neemt die in. De mannelijke inwoners worden gedood, maar de vouwen en de kinderen zijn je onderhorig. Dat geldt voor de steden ver weg, maar de steden die tot het erfdeel behoren, daarvan moet alles wat leeft uitgeroeid worden, want de inwoners zouden jullie eens verleiden om de gruwelen te doen die zij doen. Dat wordt o zo vaak herhaald. De men­sen worden gedood vanwege hun gruwelen. We weten dat daar steeds het of­feren van de kinderen aan de Moloch toe behoorde. Dat is de HERE een gru­wel. Daar wil de HERE zijn volk voor behoeden. Dat moet niet gebeuren. God is goed. Hij wil ons beschermen. Hoe halen we het in ons hoofd om kinderen uit de moederschoot te rukken. Het zijn toch medeburgers. Dat kan toch niet. Toch gebeurt het. Wij denken dat het de gewoonste zaak van de wereld is. We doen alsof het een gepasseerd station is. Vreselijk! Wat een oordeel halen wij over ons.

Wat de bomen in het veld betreft, die moet je laten staan. Geen tactiek van de verschroeide aarde. Zijn de bomen soms mensen? Neen. Je mag van de vrucht eten. Alleen de bomen die geen vrucht dragen, die mag je gebruiken om een belegeringswal te bouwen.

Zo zien we dat God er aan hecht om ook in de strijd, ons de marsrichting aan te geven. Het gaat erom dat we beseffen, dat de strijd niet van ons is, maar dat het de strijd des HEREN is. We hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de boze machten in de hemelse gewesten. Het gaat om de strijd van God en de duivel. Wij moeten ons tot het uiterste inzetten, om de boze machten buiten de deur te houden. Dat is een harde strijd, want de boze pro­beert ons steeds weer onderuit te halen. Maar we hoeven daar niet onder ge­bukt te gaan, want we hebben de overwinning in Christus. Hij heeft onze zon­den aan het kruis weggedragen door voor ons tot zonde te worden. Wat een liefde. Wat en genade. Daar krijg je nooit genoeg van. God is goed! Dank u HERE! Hoe zouden we anders kunnen leven?

Deuteronomium 21:1-22:4

8 juni [2]

21:1

zonder dat men weet wie hem gedood heeft,...

21:3

En de oudsten van de stad die het dichtst bij de vermoorde gelegen is…

21:4

en daar in het dal de jonge koe de nek breken.

21:7

Onze handen hebben dit bloed niet vergoten…

21:8

Doe verzoening voor uw volk Israël,…

21:9

Zo zult gij het onschuldig bloed uit uw midden wegdoen,…

21:11

en gij ziet onder de gevangenen een vrouw, schoon van gestalte,…

21:12

dan zult gij haar in uw huis brengen;…

21:13

en in uw huis blijven om haar vader en moeder een volle maand te bewenen;… en haar huwen,…

21:14

Hebt gij geen behagen meer in haar, dan zult gij haar laten gaan,… gij moogt haar in geen geval voor geld verkopen;… want gij hebt haar gedwongen.

21:16

dan mag hij,… aan de zoon der beminde niet het eerstgeboorterecht geven ten nadele van de zoon der niet-beminde, de eerstgeborene.

21:17

deze is de eersteling van zijn kracht: hem behoort het eerstgeboorterecht.

21:18

Wanneer een man een weerbarstige, weerspannige zoon heeft, die naar zijn vader en moeder niet wil luisteren,…

21:19

dan zullen zijn vader en moeder hem grijpen en naar de oudsten van zijn stad brengen,…

21:21

Dan zullen alle mannen van zijn stad hem stenigen, zodat hij sterft. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen; geheel Israël zal dit horen en vrezen.

21:22

en hij wordt ter dood gebracht…

21:23

dan zal zijn lijk gedurende de nacht niet aan de paal blijven,… want een gehangene is door God vervloekt en gij zult het land dat de HERE, uw God, u als erfdeel geven zal, niet verontreinigen.

22:1

gij zult het zeker aan uw broeder terugbrengen.

22:2

en het zal bij u blijven, totdat uw broeder het zoekt;…

22:3

zo zult gij doen met elk verloren voorwerp,…

22:4

gij zult ze voorzeker met hem weer ophelpen.

Het wordt een heel wetboek. Het zijn alle regels om de universele waarden en normen van God zuiver te houden. Als je je aan deze universele regels houdt, dan gaat het goed tussen de mensen, dan wordt er optimaal samen gewoond en dan gaan we de weg van de vrede en de liefde. Dan heerst er welzijn en wel­vaart. Want je zet je in om met elkaar een samenleving op te bouwen, waarin iedereen het goed heeft. Dat is goed. Dat is de weg die we moeten gaan.

Het begint met de moord op iemand, zonder dat de dader gevonden wordt. Dan zal er toch verzoening gedaan moeten worden en de priesters van de dichtstbijzijnde stad hebben de plicht een jonge koe de nek te breken. Zo zal het onschuldig bloed worden weggedaan. God duldt niet het vergieten van onschuldig bloed.

Een jonge vrouw, de dochter van de gedode vader en moeder in wie je beha­gen hebt, die mag je trouwen. Ze moet in je huis worden opgenomen. Ze mag haar ouders bewenen. Als later geen behagen meer in haar hebt, dan mag ze gaan. Je mag haar zeker niet verkopen, want je hebt haar gedwongen. Dat is een bescherming voor het meisje, de vrouw.

Als je twee zonen hebt bij twee vrouwen en de ene vrouw bemin je en de an­dere niet of minder en die heeft de eerstgeborene, dan mag je die zijn eerstge­boorterecht niet afnemen. Je moet hem gewoon het dubbele deel geven. Het is goed dat het hier beschreven staat. Want God kent het eerstgeboorterecht en je moet niet je eigen subjectieve liefdesgevoelens laten bepalen hoe daarmee om te gaan. God blijft vasthouden aan zijn regels en recht, dwars tegen jouw lief­desgevoelens in. Dat is maar goed ook. Want liefde kan blind maken en de ergste gevolgen hebben.

En die zoon die ondanks alles wat zijn vader en moeder proberen, weerbarstig en ongehoorzaam is, die moet ook oppassen. Want, als zij ten einde raad zijn, wordt hij gebracht naar de oudsten van de stad. Dan wordt hij gestenigd. Dat is toch wel verschrikkelijk. Dan moet het toch wel heel erg zijn. Wat een schande, zo’n zoon. Ook wel een vreselijke straf. Dat is een goed afschrik­kingsmiddel, zowel voor de ouders als voor de zoon. God duldt duidelijk geen rebellie in de gezinnen. Je hebt als ouders de plicht om naar je vermogen de kinderen op te voeden en in het gareel te houden. En als kind heb je ook een verantwoordelijkheid. Het gaat hier niet om een klein kind, maar om een zoon, die zelf ook zijn verstand kan gebruiken. Er zijn dus grenzen aan het je ontruk­ken aan je ouderlijk gezag.

Als iemand de doodstraf krijgt en hij wordt aan een paal gehangen, dan moet hij er voor de nacht af. Je gedachten gaan meteen naar het kruis. Jezus moest er voor de nacht af. Voor de sabbat. Hij moet dezelfde dag nog begraven wor­den. Want een gehangene is door God vervloekt. Wat een vloek. Jezus door God vervloekt? Hij moest de onderste weg gaan. Hij moest lijden voor mijn en onze zonden. Hoe is het mogelijk? God wil niet dat we het land dat hij hen als erfdeel gegeven heeft, verontreinigen. Dat is nogal wat.

Indien iemand iets verloren is en jij vindt het, dan moet je er voor zorgen dat het weer bij de eigenaar terug komt. Als een dier van een ander neervalt, dan moet je meteen helpen om het weer op de poten te krijgen. Allemaal regels die op zich vanzelfsprekend zijn, maar toch goed om ze eens neer te schrijven, want het is goed om er steeds maar weer bij stil te staan dat God wil dat we Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden, maar dat we ook de naaste liefhebben als onszelf. Daarbij zit ons zondig lichaam ons steeds in de weg, zodat we er steeds aan herinnerd moeten worden, hoe God het ook maar weer wil. En wanneer we dan gehoorzaam zijn, dan zullen we zelf de vruchten daar in de eerste plaats van plukken. Want wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dank U HERE, voor uw woorden en regels. We kunnen er alleen maar beter van worden.

Deuteronomium 22:5-30

9 juni [2]

22:5

Een vrouw zal geen mansklederen dragen en een man geen vrouwenkleed aantrekken,…

22:7

de moeder zult gij in elk geval laten wegvliegen,…

22:8

aan uw dak een borstwering maken, opdat gij geen bloedschuld over uw huis brengt, als er iemand af valt.

22:9

Gij zult uw wijngaard niet met tweeërlei zaad bezaaien…

22:10

Gij zult niet ploegen met een rund en een ezel tezamen.

22:11

Gij zult u niet kleden met een kleed van tweeërlei stof, wol en linnen tezamen.

22:12

Gij zult u gedraaide snoeren maken aan de vier hoeken van het kleed, waarmee gij u bedekt.

22:14

maar bij de echtelijke gemeenschap bevond ik, dat zij geen maagd was –…

22:16

maar hij heeft een afkeer van haar gekregen,…

22:17

maar dit zijn de bewijzen van de maagdelijkheid van mijn dochter. Daarbij zullen zij het kleed vóór de oudsten der stad uitspreiden.

22:19

omdat hij een slechte naam aan een Israëlitische maagd bezorgd heeft;…

22:21

en de mannen van haar stad zullen haar stenigen,…

22:22

Wanneer een man betrapt wordt, terwijl hij gemeenschap heeft met een vrouw, die gehuwd is, dan zullen zij beiden sterven:…

22:24

omdat zij in de stad niet om hulp geroepen heeft, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste onteerd heeft.

22:27

het ondertrouwde meisje heeft om hulp geroepen, maar er was niemand, die haar te hulp kwam.

22:29

en zij zal hem tot vrouw zijn, omdat hij haar onteerd heeft;…

22:30

Een man zal de vrouw van zijn vader niet nemen noch het dek van zijn vader opslaan.

Een vrouw zal geen mansklederen dragen en een man geen vrouwsklederen. De kleding vandaag is dan wel een afwijking van deze tekst. De mode is een onderwerp waar de boze aardig in tekeer kan gaan. De mode is vooral gericht om de seksuele kant van de vrouw en ook steeds meer van de man te bena­drukken. De lengte van de rokken. De uitsnijding in de hals, de wijze waarop de piercings uitdagend zichtbaar moeten zijn. Er kan niet iets gebeuren of het erotische, sensuele moet naar voren komen. Dat wordt hier afgestraft. Dat moet je niet doen. Een les voor vandaag. Dat moeten we niet doen. Daar moe­ten we ons verre van houden. Dat heeft niets met niet modieus te maken. Dat heeft te maken met gezond verstand, waarbij je elkaar beschermt tegen de ver­leiding die altijd weer op de loer ligt.

Het vogelnestje uithalen, maar de moeder vogel laten gaan, heeft iets teders. En de belofte is, opdat gij lang leeft in het land. De moeder moet je laten gaan. En op het dak van je huis een borstwering bouwen, want je moet er niet af kunnen vallen zodat er bloedschuld op je rust. Wat een voorzorg. Wat een be­scherming.

En niet ploegen met een rund en een ezel tezamen. Wat heeft dat te beteke­nen? Iets met rein en onrein samen. En een kleed ook niet maken van wol en linnen. Waarom niet? Interessant.

De huwelijkswetten zijn heel duidelijk. Als je iemand trouwt, maar je hebt een afkeer van haar en je roept: “ja, maar ze was geen maagd toen ik haar trouw­de,” dan volgt er een hele ceremonie. Dan moeten de ouders met de bewijzen van haar maagdelijkheid naar de priesters. Wat zijn dan die bewijzen? Hoe gaat dat? Wie kan het bewijzen en hoe bewijs je dat? En als ze wel maagd was, dan moet de man haar bij zich houden. Hij moet een boete betalen, want hij heeft de naam van een Israëlitische maagd een slechte naam bezorgd. En dat is schande. Wat een toestand. Op die manier wordt de zaak in het gareel gehouden en een man zal wel oppassen om zo de boel in de war te sturen. Maar is het wel waar, dan wordt het meisje gedood. Zo zult gij het kwaad uit u midden wegdoen. Geen hoererij in Israël. En ook geen hoererij in ons midden. Weg met de zonde. Wat een bescherming. Wat een ellende als je je niet aan de liefdesgeboden van God houdt. God is goed. Blijf bij zijn regels en het gaat je goed. Als je overspel pleegt, dan word je gedood, zowel de man als de vrouw. Een ondertrouwd meisje, dat overspel pleegt, wordt met de man ook gedood. Maar als het in het veld plaats vindt dan sterft zij niet, want ze heeft vast om hulp geroepen, maar er was niemand. Als je een maagd aanrandt, dan krijg je een boete van vijftig zilverlingen en dan moet je met het meisje trouwen. En je houdt de relatie met je vader en met je moeder helemaal zuiver. Het moet ken­nelijk nog genoemd worden omdat er lieden waren die het in hun lijf hebben om zoiets toch te doen. En dat mag niet. Dat is verboden. God is goed. En nooit genoeg te prijzen.

Wat een hulp om in het rechte spoor te blijven. Wat een ellende komt er voort als we van het pad der echte liefde afwijken. En wat zit ons land vol van on­tucht en oneer. Het is verschrikkelijk. God neemt het niet. God ziet hoe de mens Zijn liefdesschepping te grabbel gooit. De mens heeft zich er zelf mee. Hij gaat eraan. Wat komen er niet een problemen als deze liefdesgeboden van God met voeten getreden worden. Daar komt alleen maar ellende van. Zit je op de verkeerde weg en dat kan tegenwoordig al heel snel met televisie en internet: Keer terug! Ga de weg met God! Een heerlijk evangelie.

Deuteronomium 23:1-25

10 juni [2]

23:1

of wie het mannelijk lid is afgesneden, zal niet in de gemeente des HEREN komen.

23:2

Een bastaard zal niet in de gemeente des HEREN komen; zelfs zijn tiende geslacht zal niet in de gemeente des HEREN komen.

23:4

en omdat zij tegen u Bileam, de zoon van Beor… gehuurd hadden om u te vervloeken.

23:7

De Edomiet zult gij niet verafschuwen, want hij is uw broeder. De Egyptenaar zult gij niet verafschuwen, want gij zijt vreemdeling geweest in zijn land.

23:8

De kinderen, die hun in het derde geslacht geboren worden, mogen in de gemeente des HEREN komen.

23:13

gij zult bij uw uitrusting een schopje hebben…

23:14

daarom zal uw legerplaats heilig zijn, zodat Hij niets onbehoorlijks bij u ziet en Zich niet van u afwendt.

23:15

Gij zult een slaaf, die van zijn meester naar u gevlucht is, niet aan zijn meester uitleveren;…

23:16

gij zult hem niet hard behandelen.

23:17

Er zal onder de dochters van Israël geen aan ontucht gewijde vrouw zijn, en er zal onder de zonen van Israël geen aan ontucht gewijde man zijn.

23:19

Gij zult van uw broeder geen rente nemen…

23:20

Van de buitenlander moogt gij rente nemen,…

23:21

Wanneer gij de HERE, uw God, een gelofte doet, zult gij er niet mee talmen haar in te lossen…

23:23

Wat over uw lippen gegaan is, moet gij stipt volbrengen;…

23:24

dan moogt gij om u te verzadigen druiven eten, zoveel gij wilt, maar gij moogt ze niet ergens in meenemen.

Waar je zo al niet aan denken moet. Het is de HERE er veel aangelegen dat alles in goede orde geschiedt. Hij denkt aan alle dingen waar de mensen de grootst mogelijk problemen over kunnen maken. En wat kunnen mensen een drukte maken over niets. Ik denk dat er nog wel een heel dik boek bijgemaakt zou kunnen worden om alle mogelijke situaties om ruzie over te krijgen, te re­gelen. Maar het is opvallend, dat als je al deze regelingen ook toepast op ande­re situaties, dat het gaat om vanuit liefde en vrede ten opzichte van je naaste te handelen. Je mag aren plukken en druiven eten in het veld van je naaste. Maar je mag ze niet meenemen of de sikkel erin slaan. Je kunt daar heel veel ruzie over maken. Wat doet die ander aan mijn koren? Laat hij afblijven van mijn druiven. Kijk eens hoe hij zich vereet. Maar het principe is, dat je niet de an­der berooft, maar dat je verzadigd wordt. Er blijft immers genoeg over. Jij mag het ook doen bij de ander. Als je op weg bent, dan hoef je geen druiven mee ten nemen, want je komt er onderweg genoeg tegen. Je moet echter geen zak meenemen om ze in te stoppen, want dan begint het er op te lijken, dat je het doet om ze te stelen of je naaste te benadelen. Wat een regel. Wie zou daar aan gedacht hebben?

Geen ontucht in het land. Geen aan ontucht gewijde vrouw en ook geen man. Die mogen er toch helemaal niet zijn. Het is de HERE, uw God, een gruwel. Je mag ook geen hoerenloon in de tempel brengen. Weg met al het hoeren­dom. Weg met al het onreinheid-gebeuren. En weg met alle zonde op seksueel ge­bied of het nu om mannelijke of om vrouwelijke zonden gaat. Weg ermee!

Wanneer je een gelofte doet, dan moet je je haasten om die te volbrengen. Je bent niet verplicht om een gelofte te doen. Maar als je het doet, dan moet je hem houden. Dus pas op wat je zegt. Wees voorzichtig met dingen te zeggen en niet te doen. Duidelijke taal. Zeker nodig om er een regel van te maken, want er wordt wat beloofd en je houdt je er niet aan. Pas op! Zeg alleen din­gen die je ook gaat doen. God ziet het. En Hij houdt je er aan. Een eerlijke zaak. God is een heilig God. Met Hem kun je geen loopje nemen.

De economie komt ook weer om de hoek kijken. Van je broeder neem je geen rente. Het sabbatsjaar en het jubeljaar en de opdracht dat er niemand bij u ver­armt, volgen hierop. Van de vreemdeling mag je rente vragen. Maar niet van je broeder. Opdat de HERE, uw God, u zegene in alles wat gij onderneemt in het land, dat gij in bezit gaat nemen.

Een gevluchte slaaf moet je niet terugzenden. Een vreemde zaak. Die slaaf is toch van die ander. Maar je moet hem ook niet hard behandelen. Kennelijk is hij gevlucht, omdat zijn vorige heer hard is geweest. Dat het geen harden was. En heren kunnen hard zijn. Dat is ook een opdracht voor de harde heer. Wees niet hard, wees rechtvaardig, wees goed voor je slaaf, want hij zou eens weg kunnen lopen. En de heer waar hij naar vlucht, heeft zo ook een opdracht.

Het schopje is ook een praktische zaak. Er moet reinheid zijn in de legerplaats. Dat is ook belangrijk. Zorg dat je uitwerpselen onder het zand komen. Want God wil reinheid in de legerplaats. Het gaat om God. Want de HERE wandelt door de legerplaats om u te redden van uw vijanden, daarom zal uw leger­plaats heilig zijn, zodat Hij niets onbehoorlijks bij u ziet en Zich niet van u afwendt. Het gaat dus niet in de eerste plaats om reinheid voor ons, zodat wij er geen last van hebben. Neen, het gaat om God Die voor ons strijdt en ons de overwinning wil geven. Hij wil dat er reinheid en zuiverheid heerst zodat Hij bij ons kan blijven en Hij Zich niet hoeft af te wenden. Daar is heel veel over te zeggen. Het gaat om God. God zal voor u strijden en gij zult stil zijn. Het is niet jullie strijd, maar het is de strijd des HEREN. Vergeet dat nooit!

Een bastaard mag niet in de gemeente komen en een ontmande ook niet. En een Ammoniet en een Moabiet ook niet. God wil heiligheid in de gemeente. Geen gerommel. Omdat ze Bileam hebben gebruikt om het volk een slag toe te brengen, zijn zij vervloekt. Dat zullen ze heel de geschiedenis lang weten. Maar de Egyptenaar zullen ze niet haten, want ze zijn daar als vreemdeling geweest. En een Edomiet is hun broeder, die mogen ze ook niet haten.

Je moet wel weten wat je tegenover het volk van God doet. Want je kunt er danig last van krijgen. Je kunt wel denken dat je het volk van God tegen kunt werken, het tot last wilt zijn, maar Gods wegen zijn hoger dan onze wegen. Je kunt er mee vastlopen. Want het gaat erom dat Gods plan niet gedwarsboomd mag worden. Ook al gaat dat tegen je eigen denken in. Dat gold toen, dat geldt ook nu. Het gaat om het komende Koninkrijk. Daar moeten we ons naar uit­strekken. En daar moeten we ons ook naar richten in het zicht op het profeti­sche woord. We mogen Gods volk niet tegenwerken. Ze hebben gezondigd. Dat weet God ook. Maar wij moeten hen zegenen. Hen koesteren om der va­deren wil. Wat zijn we ver afgedwaald van het simpele profetische woord, dat Hij zal zegenen wie het volk van God zegent. Dat is werkelijkheid toen, en dat is werkelijkheid nu. Als de Moabieten en de Ammonieten tot op vandaag niet in de gemeente des HEREN mogen komen, dan is dat nogal een oordeel. Pas op dat wij niet in hetzelfde oordeel vallen. Als wij ontkend hebben dat er voor het volk van God beloften blijven, omdat God ze als eeuwigdurende beloften gegeven heeft, dan moeten we niet opkijken dat we onze trekken daarvan ook thuiskrijgen. Want God laat niet met zich spotten. En als we hardnekkig ons niet bekeren, dan zullen we weten waar we onze straf verdienen.

Deuteronomium 24:1-22

11 juni [2]

24:1

als hij haar geen genegenheid toedraagt, omdat hij iets onbehoorlijks aan haar gevonden heeft, en hij een scheidbrief geschreven en haar dien overhandigd heeft, waarna hij haar uit zijn huis heeft weggezonden;…

24:2

en de vrouw van een ander geworden is,…

24:4

dan zal de eerste echtgenoot, die haar weggezonden heeft, haar niet opnieuw tot vrouw mogen nemen, nadat zij verontreinigd is geworden…

24:5

Wanneer iemand pas een vrouw gehuwd heeft, zal hij in het leger niet uitrukken… gedurende één jaar zal hij vrijgesteld zijn ten behoeve van zijn huis, en de vrouw die hij gehuwd heeft, verheugen.

24:6

Men zal de handmolen of de bovenste molensteen niet tot pand nemen, want dan neemt men het leven tot pand.

24:7

en hem als slaaf behandelt en verkoopt, dan zal die dief sterven.

24:9

Gedenk wat de HERE, uw God, aan Mirjam gedaan heeft…

24:10

Wanneer gij van uw naaste enige schuld te vorderen hebt, zult gij zijn huis niet binnengaan om een pand van hem weg te nemen.

24:12

Indien hij een arm man is, zult gij u niet te ruste leggen in wat hij u als pand gaf;

24:13

gij zult hem dat pand bij zonsondergang teruggeven, opdat hij zich in zijn eigen mantel te ruste legge en u zegene. Zo zal het u tot gerechtigheid zijn voor de HERE, uw God.

24:14

Gij zult de arme, behoeftige dagloner niet hard behandelen, hetzij hij behoort tot uw broeders, hetzij tot de vreemdelingen, die zich in uw land, in uw steden zullen bevinden.

24:16

ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden.

24:17

Gij zult het recht van vreemdeling en wees niet buigen; ook zult gij het kleed der weduwe niet tot pand nemen.

24:18

Gij zult gedenken, dat gij in Egypte slaaf geweest zijt, en de HERE, uw God, u daaruit bevrijd heeft; daarom gebied Ik u dit te doen.

24:19

Wanneer gij de oogst op uw akker binnenhaalt en een garve op de akker vergeet, dan zult gij niet teruggaan om die weg te halen; voor de vreemdeling, de wees en de weduwe zal die zijn – opdat de HERE, uw God, u zegene in al het werk uwer handen.

24:20

Wanneer gij uw olijven afslaat, zult gij de takken niet nog eens afzoeken; voor de vreemdeling, de wees en de weduwe zal dit zijn.

24:21

Wanneer gij de oogst van uw wijngaard inzamelt, zult gij niet nog eens een nalezing houden; voor de vreemdeling, de wees en de weduwe zal dit zijn.

24:22

Gij zult gedenken, dat gij in het land Egypte slaaf geweest zijt; daarom gebied ik u dit te doen.

De echtscheiding. Wat God samengevoegd heeft scheide de mens niet. Mozes heeft u met het oog op de hardheid uwer harten toegestaan om uw vrouwen weg te zenden, maar van den beginne is het zo niet geweest. Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk gepleegd. Daar­om zal een zoon zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen één vlees zijn. Het gaat hier om de scheidbrief. Het gaat erom dat je aan je vrouw iets onbehoorlijks hebt ontdekt. Dat wist je dus niet van te voren. En je ontdekt het. Wat kan dat zijn? Want echtbreuk past echt niet in de Bijbel. In de wet van God. Daar wordt verder niet veel over gezegd. Behalve als de Farizeeën bij Jezus komen om hem over de echtscheiding te spreken. Het kwam dus kennelijk voor in die tijd, dat men nogal snel met een scheid­brief zwaaide. De vrouw was haar leven als vrouw niet zeker. Ze moet wel heel goed oppassen, anders dreigde er voor haar een scheidbrief. En waar moest ze dan heen? Jezus ontmaskert dat hanengedrag van de mannen, die de vrouw niet op de plaats, waar God haar heeft geplaatst, lieten. De vrouw werd als een handelsobject, een lustobject gezien. Maar zo is het in de beginne niet geweest. Hij schiep de vrouw tegenover de man. De man krijgt de vrouw om haar als broos vaatwerk te behandelen. De vrouw is van de man, zoals Chris­tus het hoofd van de gemeente is. Dat is de plaats van de vrouw. Dat is een hoge heilige plaats. Dat is een plaats van eer. Want, zoals Christus de gemeen­te heeft liefgehad, zo moet ook de man zijn vrouw liefhebben. Dat is andere koek dan een scheidbrief. Het gaat om het kostbaarste wat je van God gekre­gen hebt.

Als die vrouw dan weg is en de vrouw van een ander wordt en deze scheidt ook van haar of hij sterft, dan mag haar eerste man haar niet terugnemen. Je moet wel weten wat je doet. Het is onherroepelijk. Dus je kunt het niet zo maar doen. Het moet echt heel ernstig en serieus zijn. Want je stuurt haar voor haar en jou leven voor altijd weg.

Als je pas getrouwd bent, dan ben je vrijgesteld van het leger. Dan moet je je wijden aan je vrouw. Je moet haar verheugen. Het huwelijk is bij God in grote ere. Je moet het koesteren. Je moet alle tijd besteden om aan elkaar te hechten. Je moet de kans benutten om samen kinderen te krijgen. God is goed. God heeft de liefde op het oog. God is goed. Wij moeten dan ook altijd de liefde centraal houden. Weg met alle gekissebis en alle liefdeloosheid binnen het huwelijk. Wij mannen moeten onze vrouw koesteren met haar karakter en haar eigenaardigheden. We moeten haar begrijpen en haar in haar vrouwelijkheid eren. We moeten haar op handen dragen en haar in haar zwakheid tegemoet komen. Het komt er helemaal op aan. God heeft oog op de zwakheden. God heeft oog voor de zonde. Hij wil ons daarvoor behoeden. Heerlijk evangelie! God is goed! Daarom moeten we het evangelie toepassen in ons leven en aan onszelf ontdekt worden, daar waar we de mist in gaan.

Wat de melaatsheid betreft: Zorg dat je de voorschriften nauwgezet in acht neemt. Denk aan wat God met Mirjam deed toen zij melaats werd. Het is erg belangrijk dat je besmettelijke zieken uit je midden wegdoet. Je moet ze af­zonderen. Het is levensgevaarlijk om deze besmettelijke zieken onder je te laten wonen. God heeft het zo geregeld en houd je eraan.

Het volgende gaat weer over de naaste. Wat heeft God het toch gedetailleerd opgedragen. Hoewel het logisch is dat je de handmolen en de bovenste molen­steen niet tot onderpand neemt. Hoe kan anders die arme in zijn levensonder­houd voorzien? Dan dwing je hem tot armoede en honger en misschien wel de dood. Wat je ook doet, je moet hem in ieder geval de mogelijkheid geven om in leven te blijven en uit zijn armoede te komen. Je moet een ander niet bero­ven en dan verkopen. Dan ben je een dief en dan word je gestraft. En als je van je naaste iets te vorderen hebt, dan zul je dat niet nemen, maar hij moet het je geven. Wanneer hij arm is, dan zul je het pand voor de avond terugge­ven want hij moet de gelegenheid hebben om in zijn eigen mantel zich te ruste te leggen. Dat is gerechtigheid voor de HERE. Dan kan de HERE je zegenen. Dat willen we toch allemaal? Glorie voor zijn Naam!

Je moet de behoeftige zijn dagloon uitbetalen. Je moet de zon er niet overheen laten gaan. Het is belangrijk dat je er steeds op toeziet, dat hij in leven blijft en ook vooruit kan komen. Dat is de wil van God. Je moet steeds bedenken, dat je zelf ook slaaf bent geweest in Egypte en dat de HERE God je daar uitgeleid heeft. Je leeft zelf ook van genade, laat dan de ander ook leven.

Dan weer in vers 16: Ieder zal om zijn eigen zonden gedood worden. Dus geen straf voor de hele familie. Jij zondigt en jij wordt ter dood gebracht. En niet je kind en niet je familie. Het gaat ook opnieuw over het recht van de weduwe, de wees en de vreemdeling. Dat recht zul je niet buigen. Je zult ook je akker niet nalezen. Je zult de oogst niet extra afslaan. Je zult het laten aan de vreem­deling, de wees en de weduwe. Wat een God, Die juist het zwakke op het oog heeft. Het is geweldig. Wij zullen de ander wel uitbuiten. Wij zullen hem het licht niet in de ogen gunnen. Wij zullen de boel wel oplichten. En ons verrij­ken. Maar God is goed. Hij beschermt ons om niet in zonde te vallen en Hem te volgen. Want op zonde volgt de straf. Daar gaan we kapot aan. Daar komen we niet mee klaar. En steeds maar weer de herhaling. Bedenk toch dat je zelf in slavernij geweest bent in Egypte. En Wie heeft je daar uitgeleid? De HERE God. Dus gehoorzaam Hem. Gun ook je naaste de kans. Gun ook hem om uit de ellende te komen. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam!

Deuteronomium 25:1-19

12 juni [2]

25:2

dan zal, indien de schuldige slagen verdiend heeft, de rechter hem doen neerliggen en hem in zijn tegenwoordigheid een aantal slagen doen geven in overeenstemming met zijn schuld.

25:3

Veertig slagen zal hij hem doen geven,…

25:4

Gij zult een dorsende os niet muilbanden.

25:5

en één van hen sterft zonder een zoon na te laten,… haar zwager zal gemeenschap met haar hebben, haar tot vrouw nemen en zo het zwagerhuwelijk met haar sluiten.

25:6

En de eerstgeborene, die zij baren zal, zal op naam van de gestorven broeder staan, opdat diens naam uit Israël niet uitgewist worde.

25:9

hem zijn schoen van de voet trekken, hem in het gelaat spuwen en aldus betuigen: Zo zal men de man doen, die het huis van zijn broeder niet bouwt.

25:10

En onder Israël zal zijn naam luiden: Het huis van de ontschoeide.

25:11

en grijpt hem bij zijn schaamdelen,

25:12

dan zult gij haar hand afkappen;…

25:13

geen tweeërlei gewicht hebben,…

25:14

geen tweeërlei efa hebben…

25:15

gij zult een volle en zuivere efa hebben, opdat gij lang leeft in het land, dat de HERE, uw God, u geven zal.

25:16

Want ieder die deze dingen doet, ieder die onrecht doet, is de HERE, uw God, een gruwel.

25:17

Gedenk wat Amalek u gedaan heeft op uw tocht, toen gij uit Egypte getrokken waart;

25:18

hoe hij u onderweg tegenkwam en al de zwakken in uw achterhoede afsneed, terwijl gij vermoeid en uitgeput waart, en hoe hij God niet vreesde.

25:19

Als dan de HERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden rondom u in het land, dat de HERE, uw God, u ten erfdeel geven zal om het te bezitten, dan zult gij de herinnering aan Amalek onder de hemel uitwissen; vergeet het niet.

Veertig slagen en niet meer. Dat is het maximum. Dan is de eer van de man niet gekrenkt. Straf is verdiend, maar je moet de broeder niet verachtelijk ma­ken door hem murw te slaan. Straf is een eerbiedwaardige zaak. God weet wat er in het hart van de mens zit. Hij beschermt hem tegen zichzelf.

De zwager moet met de vrouw van zijn overleden broer trouwen. Want het be­zit moet in de familie blijven. Zijn vrouw mag niet buiten de familie trouwen. Als de zwager het niet wil, dan staat hij te schande. Hij wordt dan de ont­schoeide genoemd. Voor het oog van de mannen in de poort zal de vrouw zijn schoenen van zijn voeten trekken en hem in het gezicht spuwen. Want het is schande, als een broer weigert met de vrouw van zijn overleden broer een zwagerhuwelijk aan te gaan.

En denk erom, heb een zuivere maat en een zuiver gewicht. Zo niet, het is de HERE een gruwel. Wat wordt er veel gestolen, omdat het juist een grammetje meer of minder is. We zijn zo slim. Daar zit de winst, zeggen we dan. Maar daar zit het venijn. Het is de HERE een gruwel. Pas dus op! Je doet zo maar mee. Vergeet niet dat Amalek moet uitgeroeid worden. Vergeet het niet. Ze hebben Israël vreselijk aangevallen in de woestijn. God is het niet vergeten. Dat was laf en gemeen. En het komt er nu op aan, dat als het volk straks in rust en vrede woont, dat ze de Amalekieten moeten uitroeien. Niet één mag overblijven. De straf is uitgesproken. Het kan kort duren, het kan lang duren, maar de straf komt. We zien zo vaak dat de onrechtvaardige nog jaren door­leeft, terwijl terwijl de belaagden creperen van de ellende. Dan kunnen we tot God roepen en ons onbegrip ventileren. Hoe is het mogelijk dat de onrecht­vaardige zwelgt in het geld en de schoonheid en leeft als een god in Frankrijk, maar wij met moeite het hoofd boven water houden. Hier zien we hoe God erover denkt. Hij is het niet vergeten. Hij weet de onrechtvaardige te vinden. Hier is het heel concreet. God zegt: Roei ze uit, niet nu, maar straks als je rustig in het land woont. De Amalekieten zijn het misschien al lang vergeten. Misschien is er wel een andere generatie overheen gegaan. Maar God heeft de zonden van hun vaderen niet vergeten. Zij hebben het uitverkoren volk vrese­lijk tegengestaan op hun vermoeide reis door de woestijn. En dat neemt God niet. God vergeet de zonden niet. God vergeeft als er schuldbelijdenis is. Dan vergeeft God de zonde, doet de zonde weg en denkt er nooit meer aan. Maar tot die tijd schreeuwt de zonde tegen het oordeel. God is barmhartig, genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij wil niet de dood van de zon­daar, maar veeleer dat de zondaar zich bekeert en zich verootmoedigt en buigt voor God, zodat er vergeving en verzoening kan zijn door het bloed van het Lam, Dat geslacht is voor de zonden van de wereld, niet alleen voor de onze, maar voor die van de gehele wereld. Glorie voor zijn Naam!

Deuteronomium 26:1-19

13 juni [2]

26:1

Wanneer gij komt in het land, dat de HERE, uw God, u ten erfdeel geven zal en gij het in bezit neemt en daarin woont,

26:2

dan zult gij van de eerstelingen van alle vruchten… in een mand doen en naar de plaats gaan, die de HERE, uw God, verkiezen zal…

26:5

Daarna zult gij voor het aangezicht van de HERE, uw God, betuigen: Een zwervende Arameeër was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot en machtig en talrijk volk.

26:7

en de HERE hoorde onze stem en zag onze ellende, moeite en verdrukking.

26:9

Hij bracht ons naar deze plaats…

26:10

ik breng de eerstelingen van de vrucht van het land, dat Gij, HERE, mij gegeven hebt.

26:12

gereed gekomen zult zijn met het afzonderen van alle tienden uit uw opbrengst, dan zult gij ze geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, opdat zij eten en zich verzadigen in uw steden.

26:14

ik heb geluisterd naar de stem van de HERE, mijn God,…

26:15

en zegen uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven hebt – zoals Gij onze vaderen onder ede beloofd hebt – een land vloeiende van melk en honig.

26:16

Heden beveelt u de HERE, uw God, deze inzettingen en verordeningen na te komen;…

26:19

dan zal Hij u verheffen tot een lof, een naam en een sieraad, boven alle volken die Hij geschapen heeft en dan zult gij een volk zijn, geheiligd aan de HERE, uw God, zoals Hij gezegd heeft.

Het is bijna zover. Ze gaan straks het beloofde land in. Dan wordt het grote feest gevierd. Ze waren meer dan vierhonderd jaar in Egypte geweest en veer­tig jaar in de woestijn. En nu zal het gebeuren. Wat een enerverende toestand. Hoe zal het worden? God put Zich uit om alle geboden en verordeningen te geven. Hij wil zijn volk behoeden voor de zonde. Hij heeft ze zo lief dat Hij geboden ten leven geeft. Hij weet hoe machtig zijn tegenstander is, die er al­leen op uit is om zijn kinderen te doden. God schiep de mens, maar de duivel wil ze meteen weer wegroven. De zonde heerst in ons menselijk lichaam. Als ik het goede wil doen, is het kwade nabij, zegt Paulus. Ik, ellendig mens. Maar Gode zij dank, door het offer van de Here Jezus ben ik gekocht en betaald door het bloed van de Here Jezus.

Daarom worden er nog een aantal laatste geboden gegeven. Je zult van de vruchten van de eerstelingen nemen en die brengen naar de plaats die de HERE wijzen zal. Dan zul je zeggen, dat het God is Die je uit Egypte geleid heeft. Dat je genadig bent in de dienst van Hem en dat je deze vruchten afzon­dert voor de HERE God. Je weet wat het is om slavenarbeid te verrichten. Je hebt de knoet in Egypte ervaren. Dat was een hard leven. En God heeft je daarvan bevrijd. God deed grote tekenen en wonderen en Hij leidde hen uit naar dit land. Dit land, overvloeiende van melk en honing. Het beloofde land. Dan zul je de eerstelingen neerzetten in het huis van God. En je zult je neer­buigen voor de HERE God. Hij wil het goede voor zijn volk. Zelfs na vierhon­derd jaar. Het zal heerlijk zijn. God is goed! Wanneer je dan je tienden hebt geteld, dan zul je die bestemmen voor de Leviet, de weduwen en wees en de vreemdeling. Ik heb de geboden van God opgevolgd. Ik heb geluisterd naar de woorden van de HERE God. God zondert mensen af. God leidt ons leven. Hoe is het mogelijk? Daarom HERE God, zie neder uit uw heilige woning en ont­ferm U over het volk. Wees het genadig en laten de broeders samen uw Naam groot maken, maak ons trouw in de tienden. Want de weduwen, de wezen en de vreemdelingen hebben het moeilijk en die moet je helpen. Het hart van God gaat uit naar hen die moeilijk hebben. Hij wil daar zijn, waar de nood is. God is goed! Hoe belangrijk is het dat we omzien naar weduwen en wezen die alle­maal het nodige te verwerken hebben gekregen. Dan zal Hij vanuit de hemel neerzien op Zijn volk en hen zegenen in het land vloeiende van melk en ho­ning. God is goed!

De oproep klinkt opnieuw. God heeft hen zo geweldig gezegend. We mogen wandelen in het licht van de Here Jezus. Dat is pas leven. Dat heeft de HERE God geboden. Daar moeten we ons aan houden. Dan zult gij een volk zijn, geheiligd in de HERE. Dan zal Hij u verheffen boven alle volken die Hij ge­schapen heeft en dan zult gij een volk zijn, geheiligd aan de HERE, uw God, zoals Hij gezegd heeft.

Deuteronomium 27:1-26

14 juni [2]

27:1

Onderhoud heel het gebod, dat ik u heden opleg –…

27:2

zult gij grote stenen oprichten,

27:3

die met kalk bestrijken en daarop na uw overtocht al de woorden dezer wet schrijven –…

27:4

op de berg Ebal oprichten…

27:6

Van onbehouwen stenen zult gij het altaar van de HERE, uw God, bouwen,…

27:9

Heden zijt gij geworden tot het volk van de HERE, uw God.

27:12

zullen zich op de berg Gerizim opstellen om het volk te zegenen: Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin.

27:13

En op de berg Ebal zullen zich opstellen om te vervloeken: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.

27:15

Vervloekt is de man, die een gesneden of gegoten beeld maakt,… En het gehele volk zal antwoorden: Amen.

27:16

Vervloekt is hij, die zijn vader of moeder veracht.

27:17

Vervloekt is hij, die de grensscheiding van zijn naaste verlegt.

27:18

Vervloekt is hij, die een blinde op een verkeerden weg leidt.

27:19

Vervloekt is hij, die het recht van vreemdeling, wees en weduwe buigt.

27:26

Vervloekt is hij, die de woorden van deze wet niet metterdaad volbrengt. En het gehele volk zal zeggen: Amen.

Daar staan ze dan. Mozes heeft de woorden van de HERE God doorgegeven. Ze staan allemaal opgeschreven. Wanneer ze door de Jordaan aan de overkant gekomen zijn, dan moeten ze de stenen op de berg Ebal met kalk wit maken en daarop al de woorden van de wet schrijven. Ze moeten het zich te binnen blij­ven brengen. Ze moeten ze herhalen en er steeds weer bij bepaald worden. Ze moeten ook een altaar oprichten om de HERE, hun God, te eren en zich te ver­heugen. Want ze zijn heden het volk van de HERE God geworden. Ze moeten luisteren naar de woorden van God. Zijn geboden onderhouden. Dat is ere­dienst.

Dan moet de ene helft van het volk bij de berg Gerizim staan om het te zege­nen en de andere helft bij de berg Ebal om te vervloeken. Zes stammen op de ene berg en zes stammen op de andere berg. De ene om te zegenen de ander om te vervloeken. Daarna worden er een paar geboden herhaald. En ieder die deze zonden doet is vervloekt. En het gehele volk antwoordt: Amen. Ze mo­gen zich geen gesneden of gegoten beeld maken. Ze mogen hun vader of moe­der niet vervloeken. Ze mogen de grensscheiding niet verleggen. En het volk zegt: Amen. Wie deze dingen doet is vervloekt. En de seksuele zonden worden ook genoemd. Het is de HERE een gruwel. Ze zijn vervloekt, als ze zich eraan te buiten gaan en het gehele volk zegt: Amen. Het komt er echt op aan. Schrijf het op de met kalk beschilderde stenen. Pas op dat je de geboden van God houdt. Dan komt het goed. Dan is het vrede en veilig. Dan heerst de liefde. Dan kun je goed samenwonen. Dan gaat het goed. God is goed en nooit ge­noeg te prijzen. Heerlijk evangelie. Prijs de HERE! Vervloekt is hij die het recht van de vreemdeling, wees en weduwe buigt. De plaats van de vreemde­ling, wees en weduwe is heel belangrijk. Wat is het steeds opnieuw een ont­dekking om de meest voorkomende geboden te herhalen. We zitten soms zo maar op het verkeerde been. Hoe vaak moet de HERE God niet hetzelfde her­halen in Zijn Woord? Het wordt in alle toonaarden verteld. In alle vormen worden dezelfde principes uitgewerkt.

De Bijbel is een praktisch, uit het leven gegrepen boek. Het doet je jezelf ont­dekken. Als het ene voorbeeld niet zo op jou van toepassing is, dan kom je wel een ander tegen. Het is de openbaring van God aan de mensen. Het is een goddelijk boek voor de mensen in de praktijk. Volg je Gods geboden, dan heb je vrede en blijdschap. Wijk je ervan af, dan zul je ontdekken dat je verkeerd terecht komt. Het is heel zwart-wit. Het is heel simpel. Volg de geboden van God. Denk erover na. Herhaal ze. Lees je Bijbel, bid elke dag! Opdat je groe­ien mag. Het gaat om geestelijke groei. Het gaat niet in de eerste plaats om kennis. Het gaat in de eerste plaats om te ontdekken welke kracht van God komt, om je de volharding te geven in je leven. Het is een leerboek. Het is een levensboek.

En steeds maar weer opnieuw is het belangrijk om te beseffen, dat wij de Bij­bel niet lezen maar dat de Bijbel ons leest. God leest ons en Hij opent ons hart en Hij maakt duidelijk wat de weg is. Kies dan het leven, opdat je leeft. En zeg net als het volk: Amen, als je de waarheid, als je de verordeningen en de geboden van God hoort. Amen. Het is vast en zeker. Amen. Ik ga met God!

Deuteronomium 28:1-44

15 juni [2]

28:1

naarstig onderhoudt, dan zal de HERE, uw God, u verheffen boven alle volken der aarde.

28:3

Gezegend zult gij zijn in de stad en gezegend op het veld.

28:4

Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw bodem en de vrucht van uw vee:…

28:7

De HERE zal uw vijanden, die tegen u opstaan, verslagen aan u overleveren.

28:8

De HERE zal over u de zegen gebieden in uw schuren en in alles wat gij onderneemt; Hij zal u zegenen in het land dat de HERE, uw God, u geven zal.

28:10

Dan zullen alle volken der aarde zien, dat de naam des HEREN over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen.

28:12

om op zijn tijd de regen voor uw land te geven…

28:15

Maar indien gij niet luistert naar de stem van de HERE, uw God,… dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen:…

28:19

Vervloekt zult gij zijn bij uw ingang en vervloekt bij uw uitgang.

28:22

De HERE zal u slaan met tering, koorts, brand,…

28:25

De HERE zal u verslagen aan uw vijanden overleveren,…

28:28

De HERE zal u slaan met waanzin, verblinding en verstandsverbijstering,…

28:29

gij zult op uw wegen niet voorspoedig zijn, maar bij voortduring slechts verdrukt en beroofd worden, zonder dat iemand u redt.

28:32

Uw zonen en dochters zullen aan een ander volk worden overgeleverd,…

28:34

Gij zult waanzinnig worden vanwege het schouwspel, dat uw ogen zullen zien.

28:36

De HERE zal u en de koning, die gij over u hebt aangesteld, naar een volk voeren dat gij niet kendet,…

28:37

en een spotrede onder alle volken, naar wier land de HERE u wegvoert.

28:43

Steeds meer zal de vreemdeling in uw midden u te boven gaan, terwijl gij al dieper zinkt.

28:44

hij zal hoofd zijn, en gij staart.

Nou, nou. Wat een zegeningen als je Gods geboden onderhoudt. Dat is wel ge­weldig. Dat wil toch iedereen? Je kunt niet gemakkelijker gezegend worden. Wat een voorrecht. Wat een vrede. Wat een liefde. Dan roep je ook allemaal wel: Amen! Gezegend zult gij zijn bij uw ingang en gezegend bij uw uitgang. De oogst zal goed zijn. Je kinderen. Gezegend zul je zijn in de stad en geze­gend zul je zijn op het land. Aan alle kanten zegen. Het is een herhaling van alles wat steeds weer gezegd is. Aan het onderhouden van Gods geboden is zegen verbonden. God kan het niet genoeg herhalen. Daar was ook alle reden voor, want de veertig jaar daarvoor had God hen op onvoorstelbare wijze ge­zegend. Hij had hen met vaste hand uit Egypte geleid. En wat een wonderen waren daar aan voorafgegaan. Eerst de wonderen voor de Farao. Ja, de tove­naars konden ook grote wonderen doen. De boze, de tegenstander van God, kan ook heel wat bovennatuurlijke dingen doen. Mozes toonde een wonder, maar de occulte tovenaars ook. Maar wanneer de eerstgeborenen gedood wor­den, dan moet de duivel bakzeil halen. We moeten ons niet vergissen in de trucs, die ook de duivel uit kan halen, om ons van God af te trekken.

Als ze dan in de woestijn zijn, dan vallen ze steeds weer terug. Als ze dorst hebben en denken om te komen, dan roepen ze, dat ze beter in Egypte hadden kunnen blijven. Ze waren vierhonderd dertig jaar in Egypte geweest. Stel je eens voor. Dat is een onvoorstelbaar lange tijd. En nu willen ze weer terug ter­wijl God hen naar het beloofde land wil leiden.

Mozes herhaalt, herhaalt, herhaalt. En dat is ook een les voor ons. We moeten niet denken dat, als we één keer de Bijbel gelezen hebben, we het dan wel we­ten. We moeten door herinnering wakker gehouden worden, zegt Petrus. En ook Paulus herhaalt en herhaalt. Steeds opnieuw moeten we bij de les gehou­den worden. En hoe doen we dat? Heel simpel: lees, lees, lees! Dan gaat het goed. Dan weet je waar de weg is. Dan weet je waar de zegen is. Dan zullen je vijanden afdruipen. En zo is het. De Here zal voor u strijden en gij zult stil zijn. De strijd is niet van ons, de strijd is des HEREN. Roep tot de HERE in uw nood en Hij zal u antwoorden. De HERE zal je als een heilig volk zien. Het gaat er niet om, dat je je kunt meten met de andere volkeren, met de ande­re mensen, maar dat je je geborgen weet in de almacht van God. Dan zullen de mensen zien waar het om gaat. Dan willen ze je tegenwerken, maar dat kan niet, want God houdt je op de been. Ze zullen zien, de machtige hand van God in je leven. Je moet dan de geboden van God houden en niet naar links noch naar rechts afwijken.

Maar indien gij niet luistert….!!! Dan wordt alles, zelfs uitgebreider, nog eens herhaald en het tegenovergestelde aangezegd. Nou, nou. Dat is niet mis. Dan zul je geen oogst hebben, enz., enz. En het één na het andere wordt genoemd. Dan zul je geen zegen ontvangen.Dat is toch vreselijk? Dat wil je toch niet? Vers na vers wordt aaneengeregen om al die ellende te noemen, die je zult meemaken als je je niet houdt aan de geboden van God. Ja, zelfs nog erger, want het gaat over tering, koorts, brand, ontstekingen, droogte, brandkoren en honigdauw. Nou, zo kan het wel, dacht ik. Moet er nog meer ellende over je worden uitgestort? Nee toch zeker?

De HERE zal u verslagen aan uw vijanden overleveren. De overwinning staat op het spel. Zweren, builen, uitslag en schurft. Vreselijk. Dat waren de plagen in Egypte. En zal daar het volk mee getroffen worden? Nee toch zeker? Maar het staat er wel. Wat een ellende. Je denkt een vrouw te hebben, maar een an­der zal haar nemen. Je slacht een rund, maar een ander zal het eten. Gij zult waanzinnig worden van het schouwspel dat uw ogen zullen zien. Jij spant je in om het hoofd boven water te houden en het breekt je bij de handen af. Wat een leven. Daar word je toch ook gek van? En de HERE zal je uit het land wegvoeren en je zult andere koningen dienen. En je zult tot een spotreden worden onder de volkeren waar de HERE je naar toe voert. Je zult wel zaaien, maar je zult niet veel oogsten. Steeds meer zal de vreemdeling in uw poort de overhand krijgen. Je bent niet meer baas in eigen land. Wat een ellende is er verbonden aan het niet houden van de geboden van God. Wat een waarschu­wing. We moeten het niet weer een beetje bagatelliseren, maar het heel ernstig nemen. Het gaat hier over het uitverkoren volk van God. Dat volk is on ten voorbeeld gesteld. De HERE behoede ons om van Zijn Woord af te wijken. Daarom is het zo verschrikkelijk belangrijk om het Woord van God te lezen en er in te blijven en het je eigen te maken. Je erin verlustigen. Het is je leven. Prijs de HERE! Hij is goed.

Deuteronomium 28:45-68

16 juni [2]

28:45

Al deze vervloekingen zullen over u komen,… omdat gij niet geluisterd hebt naar de stem van de HERE, uw God,…

28:48

Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelgd heeft.

28:49

De HERE zal tegen u doen aanrukken een volk, dat van verre komt, van het einde der aarde, zoals een arend aanzweeft: een volk, waarvan gij de taal niet verstaat, een hardvochtig volk,…

28:52

ja, het zal u in het nauw brengen in al uw steden,…

28:57

zal zij die in het geheim eten, in de benardheid en benauwdheid, waarmede uw vijand u in uw steden kwellen zal.

28:58

en gij u niet dezen heerlijke, geduchte Naam, de HERE, uw God, vreest, dan zal de HERE u en uw nageslacht ongemeen zwaar tuchtigen met felle, aanhoudende slagen en boze, aanhoudende ziekten.

28:62

Met weinigen zult gij overblijven, terwijl gij talrijk geweest zijt als de sterren des hemels – omdat gij niet geluisterd hebt naar de stem van de HERE, uw God.

28:64

De HERE zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere: aldaar zult gij andere goden dienen,…

28:65

Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool; de HERE zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel.

28:67

Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen –…

28:68

gij zult daar aan uw vijanden als slaven en slavinnen te koop aangeboden worden, maar er zal geen koper zijn.

Er komt geen einde aan de vervloekingen. Het zal toch niet waar zijn? Het is je toch niet voor te stellen. Als het volk niet de geboden van God houdt, dan zullen al deze plagen over hen komen. En het lijkt erop dat God het keer op keer herhaalt en het nog een schepje erger maakt om hen ervan te doordringen, niet de verkeerde weg te kiezen. Had God niet veertig jaar met dit volk getobd in de woestijn? Ze waren hardnekkig en boos en ongelovig. God had hen alles gegeven, maar zij waren keer op keer vol ongeloof en haat tegen God en zijn knechten Mozes en Aäron. Er komt er ook niet één, behalve Jozua en Kaleb, in het beloofde land. Ze sterven allemaal. Zelfs Mozes niet, die op de rots sloeg terwijl God hem dat niet gezegd had. God moet het wel heel duidelijk zeggen en hen de schrik op het lijf jagen, want anders geloven ze het niet. Zullen ze het nu geloven?

We weten inmiddels beter. Ze hebben keer op keer de Baäls gediend en hun kinderen aan de Moloch geofferd. Ze zijn verdeeld in tien en twee stammen en ze zijn in ballingschap gegaan en ze zijn over de hele wereld verspreid. Dat wordt hier al aangekondigd. Als ze God verlaten dan worden ze verbannen. De Here had er welbehagen aan om hen wèl te doen, maar als ze Hem verla­ten, dan zullen ze worden weggerukt uit het land dat ze straks in bezit gaan nemen. Ze zijn nog niet eens in het land of deze dreiging wordt al uitgespro­ken. De HERE zal u verstrooien onder alle natiën, van het ene einde der aarde tot het andere. Gij zult onder die volken geen rust vinden, noch een rustplaats voor uw voetzool. En hoe waar is dat niet? Hoe zijn ze niet verspreid onder de volkeren en hoe zijn ze niet vervolgd! Tot op vandaag toe. Profetie van de bo­venste plank. God wil hen zegenen, maar ze kiezen voor het oordeel. Ziekten en kwalen en rampen en oorlogen en hongersnoden. Ze eten elkaar op. Ze zijn slap en ziek en er zit geen karakter meer in. Arm en verlaten. Alle vervloekin­gen komen over hen. God wil hen zegenen, maar ze vallen in het oordeel. Stom. Stom. Stom. Zij moeten luisteren. Wij moeten luisteren. Het is allemaal opgeschreven om hen, maar ook ons, te waarschuwen.

We worden gedrongen om het Woord van God te lezen. Lezen helpt om ons erbij te bepalen dat het God ernst is met zijn geboden. Hij wil het beste voor de mensen. Hij wil niet de dood van de mens, maar het leven. Het doet Hem het grootste verdriet om dit allemaal te zeggen. Want de zegen wil Hij geven. En de zegen geeft Hij ook. Want het is één en al zegen als we de geboden van God houden. Dat is pas leven. Maar als je deze geboden niet houdt, dan zal God hen ongemeen zwaar tuchtigen. Alle kwalen die ze in Egypte meemaak­ten, zullen hen ook treffen. En dat is verschrikkelijk. Als het morgen is, dan hoop je dat het avond is en als het avond is dan hoop je dat het morgen is. Wat is het een uit het leven gegrepen stuk. Wat kunnen we hier de geschiedenis van het Joodse volk inzien. Wat een tragiek door de eeuwen heen. Wat hebben ze geleden en wat lijden ze nu. Ze kunnen geen kant op in de holocausten van de wereld. Wat een vernietiging, wat een discriminatie. En het komt keer op keer op. Moeten we dan zien dat dat een vervulling is van de profetie? Hoe ziet de Joodse orthodoxie deze gedeelten in het licht van de tijd waarin we nu leven? Het staat er toch. En ze zijn toch over de volkeren verspreid vanwege hun ongeloof. En de overgrote meerderheid is niet gelovig. Ze leven als de heidenen en dat zal de HERE toch een gruwel zijn? We moeten Gods oogap­pel niet aanraken, maar het is de diepe tragiek dat zij en de HERE God en hun eigen Messias Jezus niet zien en erkennen. Ze zijn er zelfs fel tegen. Dat is ook te begrijpen, want door de eeuwen heen zijn wij het geweest, die de eeu­wigdurende beloften voor het uitverkoren volk hebben gestolen en van toepas­sing verklaard op de kerk. Maar de beloften voor de Joden blijven eeuwig be­staan. God houdt zich aan zijn Woord.

Wat moet het God verdrieten dat Zijn volk zo ver is afgeweken. Tot op van­daag toe. Want ze keren terug, maar het overgrote deel in ongeloof. Geen God en geen Messias. Wat moet God daarmee? Zou er ooit een weg zijn, dat ze gaan zien wie ze doorstoken hebben? God zegt dat Hijzelf zal ingrijpen en zijn wet opnieuw in hun hart zal leggen. Ze zullen er zelf niet toekomen. Hij moet het Zelf weer herstellen. Eerst door zijn eigen Zoon, opdat een ieder die in hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. En dan komen om Zelf zijn wet in hun binnenste te leggen, opdat zij zien Wie ze doorstoken heb­ben. Wat een machtige daad van God. God weerstaat de duivel en herstelt het Koninkrijk der hemelen. Wat hebben we daar toch vaak weinig zicht op. Maar hier staat het al. God komt tot zijn doel. Hij houdt ze beide voor de zegen en de vloek. Natuurlijk om de zegen te kiezen. Maar zie, ook het gapende gat van de afgrond van de zonde. Blijf er vandaan! Ga er niet naar toe! Heilig en rei­nig je lichaam en geest. God wil je beschermen. Hij redt je door de donkere kant van de wereld heen. Totdat Hij komt. En dan zal de hele wereld weten dat God, de God is, de HERE der heerscharen voor wie alle knie zich zal bui­gen. Heerlijk om daaruit te leven en vanuit die verwachting je ogen op te slaan naar de bergen. Glorie voor God!

Deuteronomium 29:1-29

17 juni [2]

29:2

Gij hebt alles gezien…

29:4

Doch de HERE heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag.

29:5

Veertig jaar liet Ik u door de woestijn trekken; de klederen die gij droegt, zijn niet versleten evenmin als de schoenen aan uw voeten.

29:6

Brood hebt gij niet gegeten, wijn of bedwelmenden drank niet gedronken – opdat gij zoudt weten, dat Ik de HERE, uw God, ben.

29:9

Onderhoudt dan naarstig de woorden van dit verbond, opdat gij voorspoedig alles volbrengen moogt wat gij doet.

29:10

Allen staat gij heden voor het aangezicht van de HERE, uw God:…

29:14

Niet met u alleen sluit Ik dit verbond en dit met een vervloeking bekrachtigd verdrag;

29:15

maar zowel met ieder, die zich hier bij ons bevindt en heden staat voor het aangezicht van de HERE, onze God, als met ieder, die heden hier niet bij ons is.

29:18

Laat er daarom onder u geen man of vrouw, geen geslacht of stam zijn, wier hart zich nu van de HERE, onzen God, afwendt om de goden dezer volken te gaan dienen; laat er onder u geen wortel zijn, die gif of alsem voortbrengt.

29:23

dat hij niet bezaaid wordt en niets laat uitspruiten en er geen gewas uit opschiet, zoals toen Sodom, Gomorra,…

29:24

dan zullen alle volken zeggen: Waarom heeft de HERE zo met dit land gedaan?

29:25

Omdat zij verlaten hebben het verbond van de HERE, de God hunner vaderen, het verbond dat Hij met hen gesloten had toen Hij hen uit het land Egypte leidde,

29:26

en omdat zij andere goden zijn gaan dienen…

29:28

de HERE heeft hen in toorn en grimmigheid en grote verbolgenheid uit hun land gerukt en hen weggeslingerd naar een ander land, zoals dit thans het geval is.

29:29

De verborgen dingen zijn voor de HERE, onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer wet volbrengen.

Jullie weten toch heel goed hoe de HERE jullie gezegend heeft? Schoenen en kleding niet zijn versleten in de woestijn. Wat een wonder. Veertig jaar lang. Dat kan toch niet? En toch was het zo. De HERE heeft de vijanden voor jullie verdreven. Denk daar aan. Maar hebben ze het begrepen? Mozes stelt hen allen voor het aangezicht des HEREN. En dan wordt het verbond gesloten. Houd je aan dit verbond, opdat het je welga. Dit verbond is een met een vloek verzegeld verbond. Want als je het niet doet, dan dreigt er een vreselijke vloek. Een eerlijke zaak. Als je een verbond sluit dan moet je je aan de voor­waarden houden. Die ene voorwaarde was om je te houden aan de geboden van God. God Zelf had ze gegeven. Wat is er dankbaarder, dan dat je je aan de geboden van God houdt? Dat is toch het allermooiste? Denk er maar eens over na. Het komt je allemaal ten goede. Bovendien is er praktische zegen aan ver­bonden op alle terreinen van je leven. Wat wil je meer? Het is grote vreugde om in de dienst van de HERE te staan. Je volkomen afhankelijk te weten en je in te zetten voor de zaak van de HERE God.

Daar staan ze dan allemaal voor de HERE God. Niemand uitgezonderd en ze sluiten het verbond. Niemand kan er omheen. Het is gebaseerd op het eeuwig­durende verbond met Abraham, zijn knecht. Zijn nakomelingen zijn door Egypte heen gegaan, maar het verbond blijft het verbond. Dat staat als een huis. Dat is vast en zeker. Wat een heerlijk houvast.

Maar houden ze zich niet aan de wetten ten leven, dan hebben ze ze ingeruild voor de wetten van de dood. Dat is levensgevaarlijk. Dan zullen er plagen ko­men, dan is het als in de dagen van Sodom en Gomorra. Nou, nou. Dat was een vreselijke straf. Dat wordt hier zo maar even genoemd. Maar het staat er wel. We doen er goed aan om daar niet overheen te lopen. We moeten opstaan en gehoorzaam zijn.

Als het volk ontrouw is en de andere volken zeggen: Wat is dit voor toorn van de God van Israël? Dan is het antwoord: Omdat ze de HERE hebben verlaten en het verbond dat Hij gesloten had, hebben verbroken. Ze hebben zich voor andere goden neergebogen. Daarom is de HERE ontstemd en komt Hij met zijn oordeel. Dat kan toch niet anders? Op zonde volgt de straf. Daarom moet telkens opnieuw de oproep tot bekering klinken. Daarom sleurt de HERE hen uit het land. Hij slingert het volk eruit. Zijn eigen uitverkoren volk. Wat moet Hij dan wel met ons, gelovigen uit de volken, doen, als we ontrouw zijn? Wat de HERE geopenbaard heeft, dat weten we. We weten wat God heeft gezegd. Er zijn verborgen dingen van God. Die weten we niet. Maar dat wat geopen­baard is, dat weten wij en onze kinderen. Daar moeten en mogen we uit put­ten. Daar moeten we ons aan houden. Daar kunnen we ons aan meten. Als we de woorden van de wet volbrengen, dan gaat het ons goed. Heerlijk evangelie. Prachtig toch? Wat hebben we een geweldige God. Een boek om bij te leven. Een eerlijk boek. Er wordt nergens doekjes omheen gebonden. Doe je het, dan heb je leven. Doe je het niet, dan haal je je de vervloeking op je hals. Het staat er klip en klaar beschreven. Zeg nu zelf, als je het naast elkaar legt, dan kan toch niemand ontkennen, dat het verreweg het beste is om de zegen te pakken en te gehoorzamen aan de geboden ten leven. Daarom, bekeer je als je op die andere weg zit. En zit je, door genade, op de weg, blijf dan heel dicht bij Je­zus, want Hij wijst je de weg. Dan ben je veilig. Dan schuil je in de schuil­plaats van de Allerhoogste. Heerlijk toch? Wat een veilig gevoel. Wat een veilige haven. En zeker van een behouden aankomst. Glorie voor zijn Naam!

Deuteronomium 30:1-20

18 juni [2]

30:2

en wanner gij u dan tot de HERE, uw God, bekeert… gij en uw kinderen,…

30:3

Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken,…

30:4

zal u vandaar bijeenbrengen…

30:5

en Hij zal u weldoen en talrijker maken…

30:6

zodat gij de HERE, uw God, liefhebt met geheel uw hart…

30:10

wanneer gij u tot de HERE, uw God, bekeert met geheel uw hart en met geheel uw ziel.

30:11

Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg.

30:12

Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?

30:13

En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?

30:14

Maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen.

30:15

Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade:

30:16

doordat ik u heden gebied de HERE uw God, lief te hebben door in zijn wegen te wandelen en zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, opdat gij leeft en talrijk wordt en de HERE, uw God, u zegene in het land, dat gij in bezit gaat nemen.

30:17

Maar indien uw hart zich afwendt en gij niet luistert doch u laat verleiden en u voor andere goden nederbuigt en hen dient,

30:18

dan verkondig ik u heden, dat gij zeker te gronde zult gaan; niet lang zult gij leven in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit gaat nemen.

30:19

Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht,

30:20

door de HERE, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land, waarvan de HERE uw vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob, gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou.

De zegen en de vloek zijn het volk voorgehouden. Maar mochten ze gezon­digd hebben en de vloek is over hen gekomen en God heeft hen over de gehele aarde uit het land geslingerd en ze verstrooid onder de volken, zoals één van de vloeken luidde, en zij bekeren zich met geheel hun hart en geheel hun ziel, dan zal God horen en hen van de einden der aarde terugbrengen naar het land van waaruit zij verdreven zijn. Dan zal Hij opnieuw de zegen over hen uitstor­ten, zoals Hij beloofd heeft. En de HERE, uw God, zal het hart van hen besnij­den en het hart van hun nakroost, zodat zij de HERE hun God liefhebben met geheel hun hart. Wat een profetie.

We hebben gezien dat ze vanwege hun zonden uit het land zijn verwijderd. Tot op de dag van vandaag zijn ze onder de volkeren verstrooid. Maar als ze zich bekeren, zullen ze terugkeren. En ze keren terug. God Zelf zal zijn wet in hun harten leggen. En ze zullen door Hem gezegend worden. Wat een profetie. Je wordt er stil van. Wat moet het volk dan toch ver zijn afgeweken, dat ze deze profetie niet hebben gehoorzaamd. Waarom zijn ze dan toch steeds zo ver afgeweken? Wat is de tegenstander van God machtig. Hoe venijnig kan die toch het hart van de mens in de war brengen. God heeft het zo duidelijk geschreven. Het staat er allemaal zwart op wit. Dan zou je toch denken dat je je wel drie keer bedenkt voordat je in de fout gaat? Maar toch. Ze gaan in de fout, keer op keer. Wij ook! En dan zou je denken, dat als de vloek dan over hen komt, dat ze zich met grote spoed zullen bekeren. Maar het tegendeel is het geval. Ze verharden zich. Ze zijn weerspannig tegen God. En daarom zijn ze over de wereld verstrooid tot op vandaag toe. Wat een oordeel. Maar de belofte blijft ook. God zal hun hart besnijden en dat van hun nakroost en dan zal de zegen weer komen. God is goed! Hij laat Zijn volk niet in de steek.

Wij moeten heel dicht bij Jezus blijven. Wij moeten niet in de wegen van de boze gaan wandelen. Want dat is niet alleen maar een keuze. Dat is een grote verleiding. Het is een zuigende werking. Het is alsof het vanzelf gaat. Het zijn de influisteringen van de boze die ons steeds weer van het rechte pad van God willen aftrekken. Maar het is de weg van de dood. Daar gaat het niet goed. De Bijbel staat vol over deze boze weg. Wat een ellende is daar al uit voortgeko­men. En dat zal doorgaan. Daarom klinkt op elke bladzijde de oproep om met God te gaan. Hij zal je paden recht maken. Hij geeft je de kracht om staande te blijven. Hier staat het weer zwart op wit. Wat een profetische zeggingskracht. Wat moet God een verdriet hebben dat zijn kinderen steeds weer van Hem afdwalen.

Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk. Zo is het ook. Het is heel simpel. Maar het is zo simpel, dat we er steeds weer aan voorbij gaan. Dat is het probleem. We hoeven er niet voor naar de overkant van de zee. Je hoeft niet op te stijgen naar de hemel. Dit Woord is in je mond en in je hart. Wat is er in je mond en in je hart? Dit Woord. Of is er een ander woord in je hart. Kijk zelf maar. Onderzoek je zelf. Wat is er in je hart? We weten het maar al te goed. Is het de vrucht van de Geest of zijn het de vruchten van het vlees. En wat die vruchten zijn, dat weten we maar al te goed. Daarbij moeten we niet naar een ander kijken. Denk maar aan je zelf. Wat is er niet in orde in je relatie tot de HERE God? Daar gaat het om. Vaak uit zich dat er ook in dat er wat scheef zit in je relatie met je naaste. Gij zult de HERE, uw God, lief­hebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand en de naaste als jezelf. Daarom is dit het grote gebod van de liefde. Als je de geboden van God doet, dan zul je leven. Jij en je naaste en je nakroost. Tot in lengte van dagen. Het is een heerlijk evangelie. Het is het evangelie van de liefde. Wie wil daar nu niet bij behoren? Het is fantastisch om die weg te gaan. Want er is zegen aan verbonden. Ga met God, dan ga je goed!

Heerlijk evangelie. God zal je zegenen in het land waar jullie naar toe gaan. Want aan het onderhouden van de geboden van God, daar is zegen aan ver­bonden. Dat hebben we nu al zo vaak gehoord en dat weten we ook vanuit wat God heeft geopenbaard. Maar doe je het niet, staat er dan weer: Ik houd je he­den de zegen en de vloek voor, het leven en de dood. Kies dan het leven, opdat je leeft, gij en uw nageslacht, opdat het u welga, in het land dat de HERE, uw God, u geven zal. Doe je het niet, dan zul je niet lang leven in het land dat Ik u geven zal. En zo is het ook gegaan. Luisteren naar de stem van de HERE God is een waarborg voor een langdurig leven in het land, waarvan de HERE, uw vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou. Dat is de belofte en die belofte staat er nog steeds. Het is een eeuwigdurende belofte. En die belofte wordt vervuld. Ze zijn dan nu uit het land verstrooid over alle volkeren, maar ze zullen terugkeren en God Zelf zal zijn wet in hun binnenste leggen op die grote dag als het volk en het land in grote nood is. Dan zal Hij komen en zijn voeten zetten op de Olijfberg en ze zullen zien Wie ze doorstoken hebben en ze zullen erkennen dat de HERE hun God is en Jezus hun Messias. Wat een dag zal dat zijn. Het was nooit zo tot me doorgedrongen dat deze profetie al zo verankerd is in deze woorden van Mozes. Glorie voor zijn Naam! Ook voor ons vandaag. Het komt erop aan dat ik, wij, leven vanuit de liefde van God. En ons steeds weer voor ogen houden, waar je voor kiest. De opdracht, de roep is: Bekeer je en keer je naar de keuze voor het leven. Wend je af van het kwade, de keuze van de dood. Dat is de voortdurende op­roep en de voortdurende strijd. Maar God wil je dat geven, want zijn woorden zijn in je mond en in je hart. Wat is er nu in je mond en in je hart?

Deuteronomium 31:1-30

19 juni [2]

31:2

Ik ben nu honderd en twintig jaar oud; ik kan niet meer uitgaan of ingaan, en de HERE heeft tot mij gezegd: de Jordaan hier zult gij niet overtrekken.

31:3

Jozua zal voor u uit overtrekken, zoals de HERE geboden heeft.

31:6

Weest sterk en moedig, vreest niet en siddert niet voor hen, want de HERE, uw God, zelf gaat met u; Hij zal u niet begeven en u niet verlaten.

31:7

Wees sterk en moedig, want gij zult met dit volk komen in het land, waarvan de HERE hun vaderen gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou, en gij zult het hen doen beërven.

31:8

vrees niet en word niet verschrikt.

31:10

Na verloop van zeven jaar, op de bepaalde tijd van het jaar der kwijtschelding, namelijk het Loofhuttenfeest,…

31:11

zult gij deze wet ten aanhoren van geheel Israël voorlezen.

31:13

en opdat hun kinderen, die er niet van weten, het horen en de HERE, uw God, leren vrezen – al de tijd, dat gij leeft in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen.

31:14

Toen gingen Mozes en Jozua in de tent der samenkomst staan.

31:15

En de HERE verscheen in een wolkkolom, en de wolkkolom stond aan de ingang der tent.

31:16

zij zullen Mij verlaten en mijn verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb.

31:17

Te dien dage zal mijn toorn tegen hen ontbranden,…

31:18

Doch Ik zal te dien dage mijn aangezicht volkomen verbergen…

31:20

Want Ik zal hen naar het land brengen, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, vloeiende van melk en honig; zij zullen eten en verzadigd en vet worden, maar zij zullen zich tot andere goden wenden en die dienen;…

31:22

Toen schreef Mozes dit lied op en leerde het de Israëlieten.

31:26

Neemt dit wetboek en legt het naast de ark des verbonds van de HERE, uw God, opdat het daar tot getuigen tegen u zij.

31:27

Want Ik ken uw weerspannigheid en hardnekkigheid.

31:30

Toen sprak Mozes ten aanhoren van de gehele gemeente van Israël de woorden van dit lied ten einde toe.

Mozes weet dat hij niet de Jordaan zal overtrekken. Hij is nu honderd twintig jaar oud. Hij had op de rots geslagen voor water, maar de HERE had hem dat niet opgedragen. Je moet dus niet voor de HERE uitgaan. Je moet blijven bin­nen zijn geboden. Niet zeggen: “De HERE spreekt,” als de HERE niet gespro­ken heeft. Je moet fijngevoelig zijn en de HERE horen. Jozua zal voor u uit­trekken. Wees sterk en moedig! Want de HERE zal voor jullie strijden. Hij zal jullie niet verlaten. Het is niet jullie strijd, maar het is de strijd des HEREN. Daar gaat het om. We moeten achter onze Aanvoerder aangaan. Doen wat Hij zegt. Hij kent de strategie. Wij moeten sterk en moedig zijn. Want onze Aan­voerder is onoverwinnelijk. Wat een fantastische zekerheid. Daar kan toch niemand tegen op. Dat is vast en zeker. Glorie voor zijn Naam!

Wat een heerlijke gedachte. De HERE Zelf zal voor ons uittrekken. Dat was toen zo en dat is ook nu zo. Dat is de normale weg. Dat is het normale christe­lijke leven. Heerlijk evangelie. Vrees niet en word niet verschrikt. Dat mag je er wel bij zeggen, want als je ziet wat er soms op je afkomt, dan slaat de schrik om je hart. Wat een geweld. Wat een bombarie. Maar laat je niet in de war brengen. God is groter dan welk groot probleem ook. Wat bij jou onmoge­lijk is, dat is bij God een peulenschilletje. God kan oneindig veel meer doen dan wij bidden of beseffen. Dat is onze God. Dat is mijn God. Heerlijk evan­gelie. Ik moet sterk en moedig zijn. Dank U HERE!

Mozes heeft de gehele wet opgeschreven. En elke zeven jaar moet de wet wor­den voorgelezen. Dat gebeurt op een bepaalde tijd op het Loofhuttenfeest. God wil dat de mensen eraan herinnerd worden. We moeten ons de woorden inprenten. We moeten er aan herinnerd worden en het is ook belangrijk voor onze kinderen, want die weten het nog niet. Die moeten we het vertellen. En elke zeven jaar is er weer een nieuw geslacht. Als kinderen zeven zijn, dan kunnen ze het al heel goed begrijpen. Eigenlijk al eerder. Je moet dan ook vroeg met de opvoeding beginnen. Daar doe je goed aan. Want kinderen ne­men heel scherp op wat er in hun omgeving gebeurt. Ze observeren. Ze reage­ren. Kleine potjes hebben grote oren. Ze luisteren mee. Ze zijn leergierig. Je staat versteld wat ze allemaal al weten. Daarom is het ontzettend belangrijk wat je ze leert en wat er in hun omgeving gebeurt. Wat zien en wat horen onze kinderen? Daarom moet de wet voorgelezen worden. Daarom moeten we het onze kinderen inprenten. Daarom zijn we verantwoordelijk voor de opvoe­ding. Daar moeten we werk van maken.

Dan volgt de tragiek in het leven van Mozes. Hij weet dat ze toch zullen afval­len. Hij weet hoe ze hem, maar vooral de HERE God, hebben behandeld de af­gelopen veertig jaar in de woestijn. En waarom zullen ze dan niet afvallen als ze in het beloofde land zijn? Hij noemt het dan ook. Hij waarschuwt hen. Daarom schrijft Mozes een brief opdat er een getuige tegen hen zal zijn, als ze in zonde zijn gevallen en de HERE God hen heeft verlaten. En tegen Jozua zegt hij: “Wees sterk en moedig,” want hij zal het volk in het land brengen na­dat de HERE God hun vaderen onder ede gezworen had. Toen Mozes al die woorden uitgesproken had, moest het wetboek in de ark gelegd worden, naast de ark des verbonds, opdat het daar als een getuige tegen u zij. Dan moeten ze alle oudsten bijeen roepen, omdat Mozes hen een lied gaat laten horen. Want hij weet dat ze na zijn dood verderfelijke dingen gaan doen. Wat een tragiek. Deze oude man, honderd twintig jaar oud, die zoveel heeft meegemaakt. Aan het einde van zijn leven moet hij constateren, dat ook na zijn dood ze wel weer ongehoorzaam zullen zijn en veel rampen over zich heen halen. Wat een tragiek. Wat een weerbarstig volk. Wat moet God er een verdriet van hebben. Hoe moet dat nu verder? God is goed. Wat moet God toch een geduld hebben met zo’n stelletje ongeregeld op aarde. Wat moet het een geweldige geeste­lijke strijd zijn in de hemelse gewesten. Wat zal de overste der duisternis alles doen om de kinderen van God kapot te krijgen. Wat heeft hij nog een macht. Maar God zit op de troon. Hij zond de Messias om de zonde te verzoenen. Want waar schuld is, is straf. en verzoend worden. God is een rechtvaardig God. Hij neemt de straf op Zich. Hij zal zijn volk leiden en inwijden. Hij zal het voor hen opnemen als ze uiteindelijk in de grote druk komen. Ze kunnen het zelf ook niet. Dan zal Hij hun wet in hun binnenste leggen. En dan zullen ze hem volgen en dan zal de wet uitgaan van Jeruzalem. Wat een heerlijk evangelie. Glorie voor zijn Naam! Mozes, de man Gods.

Deuteronomium 32 1-25

20 juni [2]

32:1

Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken,
en de aarde hore naar de woorden van mijn mond.

32:2

Mijn leer druipe als de regen,
mijn rede druppele als de dauw,
als regenbuien op het jonge groen,
en als regenstromen op het kruid;

32:3

want ik zal de naam des Heren uitroepen;
geeft grootheid onze God,

32:4

de Rots, wiens werk volkomen is,
omdat al zijn wegen recht zijn;
een God van trouw, zonder onrecht,
rechtvaardig en waarachtig is Hij.

32:5

Verderfelijk hebben tegen Hem gehandeld,
die zijn zonen niet zijn, maar een schandvlek,
een verkeerd en vals geslacht.

32:6

Vergeldt gij op deze wijze de HERE,
gij dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, die u geschapen heeft,
die u gemaakt heeft en toebereid?

32:7

Gedenk aan de dagen van weleer
let op de jaren van geslacht na geslacht;
vraag uw vader, dat hij het u meedele,
uw oudsten, dat zij het u zeggen.

32:8

Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde,
toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde,
heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld
naar het aantal der zonen van Israël.

32:9

Want des HEREN deel is zijn volk,
Jakob het Hem toegemeten erfdeel.

32:10

Hij vond hem in een land van steppen,
in een woest land van gehuil in de wildernis.
Hij beschutte hem, lette op hem,
bewaarde hem als zijn oogappel.

32:11

Als een arend, die zijn broedsel opwekt,
over zijn jongen zweeft,
zijn wieken uitspreidt, er een opneemt
en draagt op zijn vlerken,

32:12

zo heeft hem de HERE alleen geleid,
en geen vreemde god stond hem terzijde.

32:13

Hij deed hem rijden over de hoogten der aarde,
en eten de opbrengst van het veld;
Hij deed hem honig zuigen uit de rots,
en olie uit het keihard gesteente.

32:14

Boter van runderen en melk van kleinvee,
met vet van lammeren;
en rammen van Basan en bokken,
met het vetste der tarwe;
en druivenbloed dronkt gij, schuimende wijn.

32:15

Toen werd Jeschurun vet, en sloeg achteruit
– vet werdt gij, dik en vet gemest –
en hij verwierp God, die hem gemaakt had,
hij minachtte de Rots van zijn heil.

32:16

Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden,
met gruwelen krenkten zij Hem;

32:17

zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn,
aan goden, die zij niet hebben gekend,
nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren,
voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden.

32:18

De Rots, die u verwekt heeft, hebt gij veronachtzaamd
en vergeten de God, die u heeft voortgebracht.

32:19

Toen de HERE dat zag, heeft Hij hen verworpen,
omdat Hij gekrenkt was door zijn zonen en dochteren;

32:20

Hij zeide: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen
en zien, wat hun einde wezen zal,
want zij zijn een verkeerd geslacht,
kinderen, die geen trouw kennen.

32:21

Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is,
zij krenkten Mij met hun ijdelheden.
Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken
door wat geen natie is,
door een dwaas volk zal Ik hen krenken.

32:22

Want een vuur is in mijn toorn ontstoken,
het brandt tot in de diepten van het dodenrijk;
het verteert de aarde met wat zij opbrengt
en verzengt de grondvesten der bergen.

32:23

Ik zal rampen over hen ophopen,
al mijn pijlen tegen hen afschieten.

32:24

Als zij uitgeput zijn van honger en
verteerd van koortsgloed en dodelijke ziekte,
dan zal Ik de tanden der wilde dieren tegen hen loslaten,
met het venijn van wat schuifelt in het stof.

32:25

Buitenshuis zal het zwaard verdelgen,
en binnenskamers de ontzetting:
jongeling zowel als maagd,
zuigeling en grijsaard.

Wat een lied. Dat liegt er ook niet om. Hoe kan het volk zo stom zijn. Wat overkomt hen een ellende. Hoe gaan ze er niet onder gebukt. Ze hebben een rots gevonden, maar het is geen rots. Ze zijn hoogmoedig geworden en denken het zonder God te kunnen. Ze zijn als de heidenvolken, die goden hebben van hout en steen. Ze doen mee met het bloedige occultisme en de afgodendienst. Hun hele leven is een zuchten en een hijgen, achter de afgoden aan. Het doet de Here verdriet. Maar ze zullen het dan ook weten. God drijft de spot met de­ze afgoden. Waar zijn ze nu als zijn volk ze nodig heeft?

Maar Hij is een genadig God. Hij ontfermt zich over zijn volk. Ze zijn immers zijn oogappel. Hij heeft hen uitverkoren. Hij is hun Rots. Hij zal hen niet ver­stoten. Ze mogen terugkomen, als ze hun hart naar Hem uitstrekken. En Hij legt zijn wet in hun harten. We hebben te maken met een genadig en een lank­moedig God. Hij kan het niet aanzien dat zijn volk er zo onderdoor gaat. Hij hoort naar hun hulpgeroep. Hij zegt dan: Waarom doen jullie dan ook zo stom? Je weet toch dat er geen God buiten Mij is. Dat er geen God is, die de wegen van Mij zo duidelijk tot heil voor het volk verkondigt? Het is als dauw in de morgen. De woorden van God dalen neer en zijn zeer vruchtbaar. Het is een fantastisch lied. Mozes is al heel oud. Het is nu vlak voor zijn sterven. Het is zijn testament. Een mooier testament had hij niet kunnen schrijven. God is de Rots.

Wie de Rots is, dat weten we allemaal. De Here Jezus. Hij is de Rots waarop we bouwen. Dit lied is een profetisch lied. Het is een lied met een vergezicht. Het is een lied om blij van te worden. Het is een lied om door gewaarschuwd te zijn.

Wij zijn geen haar beter dan het volk Israël. Wij laten ons hart zo maar vet worden. We zitten ook zo maar andere goden achterna. We worden ook zo maar verleid. Eén verkeerd woord en de boel is al weer mis. Een verleidelijke film en we zijn al weer bezig met hoererij. Een grote tegenvaller, en we geven God de schuld. En geld. Ach geld. Daar bulken we toch van? En wij zijn maar bezig met het vergaren van meer. We doen net of ons leven ervan afhangt. En delen met een ander. Ho maar. We geven hoogstens iets van onze welvaart en dan ook nog maar een klein beetje. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Maar de oproep klinkt:
Er is geen God, behalve Mij.
Ik dood en doe herleven,
Ik verbrijzel en Ik genees
Weg met al ons eigen denken.
Terug naar die God.
Die altijd bij ons is.
Die Zijn Zoon zond,
opdat een ieder die in Hem gelooft
niet verloren ga
maar eeuwig leven hebbe.

Fantastisch. Wat een genade, wat een zekerheid, wat een toekomst. Daar wil­len we ons leven mee vullen. Daar zijn we blij mee. Daar gaan we achteraan. Hij verzoent zijn land, zijn volk. Profetische woorden ook voor vandaag aan de dag. Hij heeft ons geënt op de stam. Gelovigen uit de volkeren. Wat een eer. Wat een perspectief. Wat een genade. Kom, Here Jezus, ja kom spoedig. Heerlijk om zo de dag in te gaan. Of ons leven te vervolgen. Er is kracht in het bloed van Jezus. Hij is onze Rots. Bouw je huis dan op die Rots.

Deuteronomium 32:26-52

21 juni [2]

32:26

Ik zou gezegd hebben: Ik zal hen wegblazen,
een einde maken aan hun gedachtenis onder de stervelingen,

32:27

indien Ik de hoon van de vijand niet gevreesd had,
dat hun tegenstanders het zouden misverstaan
en zeggen: onze hand was verheven,
niet de HERE heeft dit alles gedaan.

32:28

Want zij zijn een volk, dat elk begrip mist,
en er is bij hen geen inzicht.

32:29

Indien zij wijs waren, zouden zij dit verstaan,
zij zouden op hun einde letten.

32:30

Hoe zou één er duizend kunnen najagen
en zouden twee er tien duizend op de vlucht kunnen drijven,
als niet hun Rots hen verkocht
en de HERE hen prijsgegeven had.

32:31

Want hun rots is niet als onze Rots;
onze vijanden mogen zelf oordelen.

32:32

Waarlijk, hun wijnstok stamt uit de wijnstok van Sodom
en uit de wijngaarden van Gomorra;
hun druiven zijn giftige druiven,
bitter zijn hun trossen.

32:33

Hun wijn is slangenvenijn
en wreed addervergif.

32:34

Is het niet bij Mij weggeborgen,
verzegeld in mijn schatkamers?

32:35

Mij komt de wraak toe en de vergelding
tegen de tijd, dat hun voet zal wankelen,
want de dag van hun verderf is nabij,
snel komt nader wat over hen is beschikt.

32:36

Want de HERE zal recht doen aan zijn volk
en Zich ontfermen over zijn knechten;
wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is,
van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben,

32:37

dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden,
– de rots, waarbij zij schuilden –

32:38

die het vet van hun slachtoffers aten,
de wijn van hun plengoffers dronken?
Laat hen opstaan om u te redden,
zodat gij bescherming vindt.

32:39

Zie nu, dat Ik, Ik het ben,
daar is geen God, behalve Mij,
Ik dood en doe herleven,
Ik verbrijzel en ik genees,
en niemand is er die redt uit mijn macht.

32:40

Voorwaar, Ik hef mijn hand ten hemel
en zeg: Zo waar Ik in eeuwigheid leef:

32:41

als Ik mijn bliksemend zwaard wet,
en mijn hand grijpt naar het gericht,
dan zal Ik wraak oefenen aan mijn tegenstanders,
en vergelding brengen over wie Mij haten.

32:42

Ik zal mijn pijlen dronken maken van bloed,
en mijn zwaard zal vlees verslinden:
het bloed der verslagenen en der gevangenen,
de harige hoofden der vijanden.

32:43

Jubelt, gij natiën, om zijn volk,
want Hij wreekt het bloed van zijn knechten,
Hij oefent wraak aan zijn tegenstanders
en verzoent zijn land, zijn volk.

32:47

Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen.

32:50

en sterf op de berg,…

32:51

omdat gij ontrouw jegens Mij geweest zijt te midden van de Israëlieten, bij de wateren van Meriba bij Kades in de woestijn Zin, en gij Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten.

Het lied van Mozes. Een krachtig getuigenis. Er is geen God, behalve Mij. En zo is het. Dat is duidelijke taal. Daar is het volk achter gekomen. Ze hebben God op alle manieren verlaten. Ze zijn steeds weer tegen God ingegaan. Maar ze zijn steeds bedrogen uitgekomen. Ze hebben het geweten. Wat een ellende hebben ze zich op hun hals gehaald. En dat terwijl God hen door een machtige hand uit het land Egypte bevrijd heeft. Brood was er en vlees was er. De schoenzolen versleten niet. Alles was geregeld. En toch.

Nu is Mozes aan het einde van zijn leven. Hij zal het land niet binnengaan. Hij moest wel veertig jaar met het volk door de woestijn, maar hij mocht het land niet binnengaan. Net als iedereen die in de woestijn moest sterven. Niemand zal het land binnengaan, behalve Kaleb en Jozua. Zij waren de verspieders die het wel zagen zitten. Maar de rest stierf in de woestijn. De veertig jaren waren dus een groot graf. Pas toen iedereen gestorven was, konden ze het land bin­nengaan. Alleen Mozes moest nog sterven. Hij was ontrouw geweest bij Meri­ba. In plaats van tegen de rots te spreken, sloeg hij tegen de rots. Hij had eer­der op de rots moeten slaan, maar die tweede keer had hij er alleen tegen moe­ten spreken. En dat deed hij niet. Hij liep God voor de voeten. Dat kan niet. Gods heiligheid is groot. Het komt er echt op aan. Dat blijkt maar weer. Je moet heel nauwkeurig naar de stem van God luisteren. Hij heeft het goede met ons voor. We moeten daarom luisteren, niet om bang te zijn, maar omdat Hij het beste met ons voor heeft. Hij wil ons door de klippen van ons bestaan lei­den. Hij wil ons helpen om tegen onze zonden en tekortkomingen te strijden. Hij weet dat we het steeds weer fout doen. Maar Hij staat klaar, als we onze zonden belijden, om ons te vergeven. Want we hebben te maken met een gena­dige en barmhartige God. Daar gaat het om. Mozes heeft dat begrepen. Zijn laatste lied staat er vol van. Hij zal er verdriet van gehad hebben, dat uitgere­kend hij niet het beloofde land in mocht gaan, maar hij had vrede in God. Daar gaat het ook met ons om vandaag. God is Dezelfde. Hij is er om ons te helpen. Leg je oor te luisteren naar wat Hij te zeggen heeft.

Deuteronomium 33:1-29

22 juni [2]

33:2

De HERE is gekomen van Sinaï…

33:3

Ja, Hij heeft de volken lief; al zijn heiligen – in uw hand zijn zij, aan uw voeten legeren zij zich, vangen iets op van uw woorden.

33:4

Mozes heeft ons de wet geboden, een bezit voor de gemeente van Jakob.

33:5

Hij werd Koning in Jeschurun, toen de hoofden van het volk bijeenkwamen, de stamhoofden van Israël alle tezamen.

33:6

Ruben leve, en sterve niet,…

33:7

Hoor, HERE, de stem van Juda en breng hem tot zijn volk;…

33:8

Van Levi zeide hij:…

33:11

Zegen, HERE, zijn kracht en zie het werk zijner handen…

33:12

Van Benjamin zeide hij: De beminde des HEREN…

33:13

Van Jozef zeide hij: Zijn land zij door de HERE gezegend met de kostelijkste gave des hemels,…

33:17

Dit zijn de tienduizenden van Efraïm en dit zijn de duizenden van Manasse.

33:18

Van Zebulon zeide hij: Verheug u, gij Zebulon, over uw tochten, en gij, Issaschar, over uw tenten.

33:19

Volken zullen zij roepen tot de berg; daar zullen zij offers brengen naar de eis, want zij zullen gezoogd worden met de overvloed der zeeën en met de meest verborgen schatten van het strand.

33:20

Van Gad zeide hij: Geprezen zij Hij, die voor Gad ruimte maakt…

33:21

het heeft de gerechtigheid des HEREN en zijn gerichten ten uitvoer gebracht met Israël.

33:22

En van Dan zeide hij: Dan is een leeuwenwelp, die uit Basan te voorschijn springt.

33:23

En van Naftali zeide hij: Naftali is verzadigd van het welbehagen en vervuld van de zegen des HEREN; neem het Meer in bezit en het Zuiden.

33:24

Van Aser zeide hij: Gezegend zij Aser onder de zonen; hij zij bemind bij zijn broeders, en hij dope zijn voet in olie.

33:26

Daar is niemand als God, o Jeschurun; Hij rijdt langs de hemel als uw helper en in zijn hoogheid over de wolken.

33:27

De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Omdat Hij de vijand vóór u verdreef en zeide:

33:28

Verdelg! daarom woonde Israël veilig en bleef de bron van Jakob ongestoord in een land van koren en most; ja zijn hemel sprenkelt dauw.

33:29

Welzalig zijt gij, Israël; wie is aan u gelijk? Een volk, verlost door de HERE, die het schild uwer hulp en het zwaard uwer hoogheid is. Daarom zullen uw vijanden veinzen u hulde te brengen, en gij zult op hun hoogten treden.

God spreekt. Hij sprak en het was er. God sprak en het volk kon droogvoets door de Rode Zee. God sprak en er was manna. God sprak door Mozes. Hij heeft de wet, de geboden en de inzettingen gegeven. God is goed. Want de geboden Gods zijn om bij te leven. De geboden beschermen ons tegen de bo­ze. Tegen de tegenstander van God, die alleen maar probeert om roet in het eten te gooien. Maar God regeert. Hij sprak en het is er. En dat boek heeft Hij aan het volk gegeven. De zonen van Jakob. God heeft gesproken in de wonde­ren. God spreekt in de wolkkolom en de vuurkolom. God sprak op de Sinaï. God spreekt als zij maar willen luisteren. Zijn stem is duidelijk te horen. Het is opgeschreven. Het is opgeschreven tot ons heil. Glorie voor zijn Naam! Een heerlijk evangelie. We moeten er uit leven. Er ìs uit te leven. Gewoon doen! De woorden van God zijn een bezit ten leven. God weet er alles van. Want Hij regeert het grote wereldgebeuren. Geloof je het niet, dan doe je je zelf tekort. Het is logisch dat het zo is. Want probeer maar eens iets anders. Het is de waarheid. Laat het dan ook zien. God is groot.

De beloften voor de zonen. Eén voor één. God heeft een plan met de stammen. Ze worden alle twaalf bij naam genoemd. Er wordt een profetie over hen uit­gesproken. Dat is toch niet mis. Daar moeten we ons aan houden. Ze krijgen allemaal een zegen mee. Dat is een zegen, die we ook door mogen trekken naar vandaag. Waar zijn al die afstammelingen gebleven? Ze moeten er dus nog wel zijn, want ze mogen dan verstrooid zijn onder de volken, toch moeten ze wel herkenbaar zijn. Dan eindig het hoofdstuk, dat er ook niemand is dan Jeschurun. Het is Gods zegen en bescherming. De eeuwige God is machtig. Wat kunnen wij daar tegenover doen? Het is Zijn plan dat Hij zijn kracht en zijn liefde en concrete hulp ook uitstort in onze levens en dat we gehoorzaam aan zijn roepstem één en ander dan ook heel praktisch invullen. Daar gaat het per slot van rekening om.

De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Daar kun je wel de hele nacht over door mijmeren. En onder u zijn eeuwige armen, wat een veiligheid, wat een wonder. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. God is gekomen om ons te redden. Dat is het verzoenende bloed van de Here Jezus. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE. Dat is de zegen voor Israël. Dat is de zegen voor de zonen van Jakob. Dat zijn de afstammelingen naar de stammen. Dat is wel vierhonderd zeventig jaar nadat Jakob met zijn zonen in Egypte kwam. Dus het is ook aannemelijk dat al de twaalf stammen zichtbaar zullen worden op de dag dat de HERE verschijnt. Het gaat erom dat we God eren en prijzen, Hem loven en psalmzingen voor eeuwig en altoos. Want Hij heeft het gedaan. Daarom gaan de vijanden op de vlucht. Ze doen er maar beter aan ook. Want God in zijn toorn zal al deze goddeloosheid uitbannen. Zijn volk verlost door de HERE. En als de HERE verlost, dan is er ook niets tegen bestand. Dan gebeurt het gewoon. Wat een heerlijke gedachte. Wat een heerlijk houvast. Wat een troostende gedachte. God is groot. Blijf bij Hem!

Deuteronomium 34:1-12

23 juni [2]

34:1

Toen beklom Mozes uit de velden van Moab de berg Nebo, de top van de Pisga, die tegenover Jericho ligt, en de HERE liet hem het gehele land zien: Gilead tot Dan toe,

34:2

het gehele Naftali, het land van Efraïm en Manasse, het gehele land van Juda tot aan de achterste zee,

34:3

het Zuiderland en de Streek, het dal van Jericho, de Palmstad, tot Zoar toe.

34:4

En de HERE zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Isaäk en Jakob onder ede beloofd heb met deze woorden: aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw ogen laten zien, maar gij zult daarheen niet overtrekken.

34:5

Toen stierf Mozes, de knecht des HEREN, aldaar in het land Moab, volgens des HEREN woord.

34:6

En Hij begroef hem in een dal in het land Moab, tegenover Beth-Peor, en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag.

34:7

Mozes was honderd twintig jaar oud, toen hij stierf; zijn oog was niet verduisterd en zijn kracht was niet geweken.

34:8

En de Israëlieten beweenden Mozes in de velden van Moab dertig dagen lang, totdat de dagen van de rouwklacht over Mozes ten einde waren.

34:9

Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de geest der wijsheid, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Daarom luisterden de Israëlieten naar hem en deden zoals de HERE Mozes geboden had.

34:10

Zoals Mozes, dien de HERE gekend heeft van aangezicht tot aangezicht, is er in Israël geen profeet meer opgestaan –

34:11

getuige al de tekenen en wonderen, die de HERE hem heeft opgedragen te doen in het land Egypte aan Farao, aan al zijn hovelingen en aan zijn gehele land,

34:12

en getuige al het machtsbetoon en al de schrikwekkende grote daden, die Mozes ten aanschouwen van heel Israël gewrocht heeft.

Zien we Mozes de berg beklimmen? De berg wordt met naam en toenaam ge­noemd. We weten dus waar de berg is. De HERE laat Mozes het beloofde land zien. Hij wijst aan waar de verschillende stammen zullen gaan wonen. Hij ziet het helemaal. Het is een geweldig gezicht daar vanaf de berg. Maar de HERE zegt tegen Mozes, dat hij het land niet zal binnengaan. Dat wist Mozes al. Want de HERE had het hem heel duidelijk gezegd toen Mozes met de stok tegen de rots sloeg, toen het volk weer zat te klagen. In zijn boosheid dacht Mozes dat het wel weer net zo zou zijn als de vorige keer, slaan op de rots, zodat er water uitkomt. Maar zo werkt het niet. God is goed. God wil je hel­pen, maar je moet God niet voor de voeten lopen. Daar gaat het om. God kan alles. Maar Hij laat zijn eer niet roven. En Mozes heeft het begrepen. Wat er ook gebeurt, je moet wachten totdat God spreekt. Je moet niet in eigen kracht aan de gang gaan. Hoe de situatie ook is. Dat is een sterke waarschuwing. En het is ook allemaal beschreven, opdat wij er uit zouden leren. Het is wel een harde les. En Mozes moest met die wetenschap al die jaren met dit murmure­rende volk door de woestijn, wetende dat hij ook zelf het beloofde land niet zou bereiken. Wetende dat niemand die uit Egypte was vertrokken, het beloof­de land zou beërven. Ze stierven allemaal in de woestijn. Behalve Jozua en Kaleb. Want dat waren de twee verspieders die het wel aandurfden om dat land te veroveren. In tegenstelling tot de tien anderen, die allemaal zeiden dat het een land was, dat ze nooit zouden kunnen veroveren. Wat een tragiek van het volk. Ze waren allemaal onder de wolk. Ze waren allemaal door God zo wonderbaarlijk uit het land Egypte gered. En nu. Nu komt er niemand in het beloofde land. Ze moesten wachten tot de laatste was gestorven.

Maar ondanks alles is en blijft dit het land dat de HERE onder ede aan Abra­ham, Isaäk en Jakob beloofd heeft. Het is een geweldig land. Het is een gewel­dige belofte. God houdt zijn belofte. Ook al zijn ze vierhonderd en dertig jaar in Egypte geweest. Ook al zijn ze honderden jaren over de wereld verspreid geweest. Belofte is belofte. God houdt zijn belofte. Wie zijn wij om te denken dat God zijn beloften niet zou houden? Wat God beloofd heeft, dat doet Hij. Hij beloofde de Messias, en na eeuwen en eeuwen werd de Messias geboren. En nu weer eeuwen later is zeker dat de Messias wederkomt op de wolken des hemels om zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Dat is zeker. Dat gaat gebeuren. God is goed!

Mozes sterft en de HERE God zelf begraaft hem in een dal van Moab. Nie­mand weet waar zijn graf is. God heeft hem begraven. Wat een eer dat God Zelf je begraaft. Mozes de man Gods. Er is na Mozes niet meer een profeet opgetreden, die God van aangezicht tot aangezicht gezien heeft, getuige de tekenen en de wonderen, die de HERE hem opgedragen heeft te doen in het land Egypte en de grote daden, die de HERE ten aanschouwen van heel Israël gewrocht heeft. Zo is het. Wat een machtige daden. Het is onvoorstelbaar. Dat is God. Hij spreekt en het is er. Het is geweldig om te zien wat God allemaal doet. Je wordt er blij van. Je komt er van onder de indruk. Dat is God. Dat is zijn macht en majesteit. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam!

Jozua, de zoon van Nun, was vol van de geest der wijsheid, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Daarom luisterden de Israëlieten naar hem en de­den zoals de HERE Mozes geboden had. Jozua was steeds in de nabijheid van Mozes, als de HERE tot hem sprak. Hij heeft het allemaal gezien. Nu moet Jozua het volk het beloofde land binnenleiden. Wees sterk en moedig, had Mozes door de HERE gezegd. Dat is ook wel nodig. Want nu komt het er op aan, als ze het land intrekken en oog in oog komen te staan met die machtige volkeren waar je de schrik van in de benen krijgt. Want het is een land met sterke steden. Dat zal nog een harde dobber worden. God is met je, en Hij strijdt voor je, maar je moet de strijd wel aangaan. Daarom is het belangrijk dat we heel dicht bij God blijven leven. In alle facetten van ons leven. Want het is de HERE God Die ons leven leidt. Hij wil ons zegenen en beschermen. Hij wil ons leven leiden. Hij is altijd met ons. Daar gaat het om. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Dan zal Hij ons geven wat goed voor ons is. Ook al begrijpen we het niet. Ook al zien we een hoop dingen niet. God is goed! En nooit genoeg te prijzen.

Geloofd en geprezen zij de HERE! Wat een voorrecht om dit boek als leer­boek te hebben. Laten we het onszelf inprenten. Laten we het de kinderen inprenten. Want God is goed. HERE dank U wel voor zoveel zegen en genade. Prijs de Heer!