Ezechiël 1:1-28

21 september [1]

1:1

toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege.

1:3

kwam het woord des HEREN tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem.

1:4

En ik zag en zie een stormwind kwam uit het noorden, een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans; daarbinnnen, midden in het vuur, was wat er uitzag als blinkend metaal.

1:5

En in het midden daarvan was wat geleek op vier wezens; en dit was hun voorkomen: zij hadden de gedaante van een mens,

1:6

ieder had vier aangezichten en ieder van hen vier vleugels.

1:7

Wat hun benen aangaat, die waren recht; en hun voetzolen waren als die van een kalf en fonkelden als gepolijst koper.

1:8

Onder hun vleugels waren mensenhanden aan hun vier zijden.

1:9

hun vleugels waren met elkander verbonden. Zij keerden zich niet om als zij gingen; zij gingen ieder recht voor zich uit.

1:10

En wat hun aangezichten betreft, die geleken bij alle vier ter rechterzijde op die van een mens, en dat van een leeuw; bij alle vier ter linkerzijde op dat van een rund; ook hadden alle vier het aangezicht van een arend.

1:11

waarheen de Geest wilde gaan, gingen zij.

1:13

hun aanblik was als die van brandende vuurkolen, als van fakkels – zich bewegend tussen de wezens; en het vuur glansde en bliksemen schoten daaruit.

1:14

De wezens snelden heen en weer als bliksemschichten.

1:15

aan de voorzijde van alle vier, was een rad.

1:16

als de schittering van een turkoois;… alsof een er rad was midden in het rad.

1:17

zij keerden zich niet om als zij gingen.

1:18

Hun velgen waren hoog en ontzagwekkend; en bij alle vier waren deze velgen rondom vol ogen.

1:19

Als de wezens gingen, gingen de raderen naast hen;…

1:20

want de geest der wezens was ook in de raderen.

1:22

Boven de hoofden der wezens was wat geleek op een uitspansel als ontzagwekkend ijskristal,…

1:24

Als zij gingen, hoorde ik het geruis hunner vleugels als het gebruis van vele wateren, als de stem des Almachtigen: een dreunend geluid als van een leger; als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.

1:25

En een stem klonk van boven het uitspansel…

1:26

Boven het uitspansel boven hun hoofden was wat er uitzag als lazuursteen, dat de vorm had van een troon; en daarboven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante die er uitzag als een mens.

1:27

En ik zag iets schitteren als metaal; vanaf wat op zijn lendenen leek naar boven als vuur omvat door een hulsel; en vanaf wat op zijn lendenen leek naar beneden, zag ik iets als vuur omgeven door een glans.

1:28

Zoals de aanblik is van de boog, die in de regentijd in de wolken verschijnt, zo was de aanblik van die omhullende glans. Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des HEREN. Toen ik haar zag, viel ik op mijn aangezicht en ik hoorde de stem van Een, die sprak.

Als je dit zou zien dan zou je toch ook op je aangezicht vallen. Dat is te veel. Dat kan geen mens verwerken. Je wordt deelgenoot van de verschijning van de heerlijkheid des HEREN. Dat kan toch niet. Hoe kan een mens ooit de heerlijkheid des HEREN aanschouwen en leven. En dan spreekt er zelfs een stem tegen hem.

Ezechiël is de zoon van een priester. Het tienstammenrijk is in ballingschap en het is het vijfde jaar van de ballingschap. Ze zijn in ballingschap gegaan omdat het volk in zonde leefde. Kinderen werden aan de Moloch geofferd. En dat neemt de HERE niet. Dat had al in de tijd van Salomo de splitsing van het rijk Israël in tien en twee stammen tot gevolg en nu, in de tijd van Jeremia, is het volk om deze offerdienst in ballingschap. Aan deze ballingschap is die bepaalde duur verbonden omdat de Messias is beloofd en uit Juda zal voortko­men en omdat God een eeuwigdurend verbond met Abraham en zijn nakome­lingen gesloten heeft. Maar van de tien stammen is tot op vandaag niemand teruggekeerd. Wat een straf. Wat een oordeel als je de kinderen vermoord. Het is dan ook heel belangrijk dat we God serieus nemen, ook vandaag als we het over abortus hebben. We mogen daarin nooit een compromis sluiten. We moeten het oordeel niet over ons halen. Het is niet bespreekbaar. Doen we dat wel dan halen we het oordeel over ons. Want het vermoorden van de kinderen in de moederschoot is als het offeren aan de Mo­loch. Daar werden de kinderen in ieder geval nog geboren. Maar bij abortus worden ze zelfs al voor de ge­boorte uit de moederschoot gerukt. Wie heeft ooit zoiets bedacht? Je bent des doods schuldig. Het is verschrikkelijk.

Als straf op deze grote zonde is het volk in ballingschap. En dan krijgt Eze­chiël dit visioen. Het is te veel. Hij ziet gedaanten met vier gezichten. En vleugels en raderen. Hij probeert te onderscheiden wat hij ziet, maar het is een vreemde combinatie. De raderen zijn vol ogen. En ieder wezen heeft zo’n rad. En als een gedaante beweegt dan gaan ook de raderen. Ze gaan alleen maar rechtuit. Ze gaan als bliksemschichten heen en weer naar de vier richtingen. En de gedaante was als vurige kolen en bliksemschichten schoten daaruit. Dat moet een onvoorstelbare aanblik zijn. Het begon allemaal met de grote wind­vlaag uit het noorden met vuur en een zware wolk, met middenin iets wat leek op blinkend metaal. En de aangezichten van de vier wezens leken op een mens en een leeuw en op een rund en ze hadden ook allemaal het aangezicht van een arend. Hoe moet je je dat nu voorstellen? Het is wel heel bijzonder. Ook in het boek Openbaring komen we overeenkomstige beelden tegen.

Ezechiël ziet een uitspansel dat lijkt op een ontzagwekkende ijskristal. Hij ziet wezens en hoort het geruis van hun vleugels, als het gebruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige. Daarboven zag hij iets als la­zuursteen dat leek op een troon en daarboven iets als de gedaante van een mens. En hij zag de lendenen als metaal met vuur omvat en door een glans omgeven. Zoals de aan­blik is van de boog in de wolken in de regentijd, zo was de omhullende glans. Aldus was het voorkomen der verschijning van de heer­lijkheid des HEREN, staat er tot slot. Wat een heerlijkheid. Als nu die heer­lijkheid geopenbaard zou worden, zouden we er ook diep van onder de indruk raken. Het is duidelijk dat het fantastisch is. Dat het onvoorstelbaar hoog en groot en overweldigend is. Het is God die in zijn almacht en volmacht regeert en ons mensenkinderen niet in de steek laat, maar het liefst van zijn heerlijk­heid wil uitdelen. En daar mogen we ook van genieten. Want we zijn uit gena­de door Hem gekocht en betaald. Het is heerlijk om voor Hem te leven. Het is geweldig om te geloven dat Hij ons liefheeft. En weten dat Hij ons lief heeft, want Hij gaf zijn enigge­boren Zoon, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Glorie voor zijn Naam. Hij kwam voor ons. Hij verliet deze heerlijke heerlijkheid om af te dalen naar deze wereld, verloren in schuld, om de weg naar de heerlijke troon weer vrij te maken. Glorie voor zijn Naam.

Ezechiël 2:1-3:21

22 september [1]

2:1

Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, opdat Ik met u spreke.

2:2

Zodra Hij tot mij sprak, kwam de geest in mij en deed mij op mijn voeten staan en ik hoorde Hem, die tot mij sprak.

2:3

Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn;…

2:4

zelfs de kinderen zijn stug van aangezicht en verstokt van hart. Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here HERE.

2:5

En zij, of zij nu horen dan wel het nalaten – want zij zijn een weerspannig geslacht – zullen weten dat er in hun midden een profeet is geweest.

2:6

En gij mensenkind, wees niet bevreesd voor hen noch voor hun woorden,…

2:7

Maar gij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten,…

2:8

wees niet weerspannig gelijk het weerspannig geslacht; doe uw mond open en eet wat Ik u geef.

2:10

En Hij rolde ze voor mij open; zij was beschreven aan de voorzijde en aan de achterzijde; daarop waren klaagliederen geschreven, gezucht en gejammer.

3:1

Mensenkind,… eet deze rol en ga heen, spreek tot het huis Israëls.

3:3

Toen at ik die op, en zij was in mijn mond zoet als honig.

3:6

Indien Ik u tot hen zond, zij zouden naar u luisteren.

3:7

omdat zij naar Mij niet willen luisteren, want het gehele huis Israëls heeft een hard voorhoofd en een stug hart.

3:9

Als diamant, harder dan steen, maak Ik uw voorhoofd; vrees hen dan niet en wees niet beangst voor hun blik, want zij zijn een weerspannig geslacht.

3:12

geprezen zij de heerlijkheid des HEREN in zijn woonplaats –;…

3:17

Mensenkind, u heb Ik tot wachter over het huis Israëls aangesteld.

3:18

en gij waarschuwt hem niet… maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen.

3:19

Maar als gij de goddeloze waarschuwt en hij bekeert zich niet… dan zal hij in zijn eigen ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw leven gered.

3:20

En als een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet,… maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen.

3:21

Maar als gij de rechtvaardige waarschuwt, opdat hij niet zondige, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, want hij heeft zich zeker laten waarschuwen; en gij hebt uw leven gered.

Allen van groot tot klein zijn stug van aangezicht en verstokt van hart. Maar, of ze het nu horen willen of niet, ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest. De HERE verschijnt aan Ezechiël. Wat een verschijning. Een troon en een gedaante als een mens daarop. Vier wezens en een vuur­gloed, lichtglans, een regenboog. Wat een indrukwekkende gebeurtenis. De verschijning des HEREN. Daar kan niemand mee overweg. Dat is zo hoog boven ons verheven. Daar val je voor op je voeten. God komt naar de mensen toe. Dat is geweldig. De heilige en hoge God komt helemaal naar de nietige mensenkinderen toe om met hen te spreken.

Ezechiël zit in ballingschap en hij en zijn volksgenoten weten waarom ze in ballingschap zijn. Ze hebben gezondigd. En dan, zou je denken, dan komen ze wel tot hun positieven en zullen hun schuld belijden. Maar niets daarvan. Ze blijven hard van hart en stug van aangezicht. Het is nu het vijfde jaar dat ze in ballingschap zijn. Kennelijk hebben ze het er niet zo slecht, want ze gedragen zich alsof zij er geen belang bij hebben om terug te keren tot de HERE God. Dat neemt God niet. Dan stuurt Hij de profeet. Je zult maar profeet zijn voor zo’n volk. Je vertelt het ze wel, maar je weet van te voren dat ze er niets mee zullen doen. Daar ben je dus nog niet klaar mee. Maar God zegt het vele ma­len. Hij waarschuwt Ezechiël om ook zelf niet weerspannig te worden tegen deze opdracht. Zij zijn weerspannig, maar jij moet niet weerspannig zijn. Doe je mond open en spreek. Hij eet een boekrol op, die aan de voor- en aan de achterzijde met klaagliederen is beschreven, en het is als honig in zijn mond. Hij moet naar een volk dat zijn eigen taal spreekt. Niet naar een vreemd volk dat een moeilijke onbegrijpelijke taal spreekt. Neen hij moet naar zijn eigen volk. Maar ook dat helpt niet, want hun gezicht is hard. Maar wees niet bang Ik maak je gezicht als diamant. Zij zijn wel hard, maar ze kunnen niet tegen je op. Ik ben met je. Spreek wat Ik je zeg en zeg tot de ballingen: zo spreekt de HERE, of ze het nu horen willen of niet.

Toen hief de Geest Ezechiël op. Geprezen zij de heerlijkheid des HEREN in zijn woonplaats. De heiligheid van de HERE is aanwezig. Het is als de ver­schijning van de heerlijkheid des Heren bij de inwijding van de tempel. Het is een en al heerlijkheid. Wat een God. Wat een genade. En het geluid en geratel van de raderen een geweldig gedruis. Indrukwekkend. God is groot. Hij kwam bij de ballingen en daar bleef Ezechiël zeven dagen verbijsterd. Wie zou niet ver­bijsterd zijn. Je bent al verbijsterd als je op je in laat werken wat daar gebeurd is. Stel je voor. Dat zou ook nu kunnen gebeuren. God is groot. God is giste­ren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde. Hij heeft zich geopenbaard in zijn Woord om ons dit over te leveren. Om ons te leren te gehoorzamen en te doen wat Hij aan zijn knechten, de heilige profeten gezegd heeft. Prijs de HERE.

En dan gebeurt het. God spreekt opnieuw tot Ezechiël. Als je woorden van Mij hoort dan moet je waarschuwen. Het is heel eenvoudig. Als iemand zon­digt en je hebt hem gewaarschuwd en hij bekeert zich niet, dan zal hij sterven in zijn eigen zonde. Maar waarschuw je hem niet, dan zal hij ook sterven, maar van zijn leven zal ik rekenschap van jou vragen. Omdat je hem niet ge­waarschuwd hebt. En als een rechtvaardige onrecht doet en in zonde valt en je hebt hem niet gewaarschuwd, dan zal hij sterven en wat hij in rechtvaardig­heid heeft gedaan daar zal geen rekening mee gehouden worden. Maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. Maar als je hem wel gewaarschuwd hebt en hij zondigt niet meer, dan zal hij zeker leven, want hij heeft zich laten waarschuwen en gij hebt uw leven gered. Er staat dus veel op het spel. We worden wel in de klem gezet. We kunnen geen kant op en dat is maar goed ook, want we willen graag om de confrontatie heen lopen. In die val moeten we niet trappen. Waarschuwen we de ander niet dan helpen we hem in het onheil. Dan geven we hem niet de kans zich te bekeren. En dat wordt ons aangerekend. Het staat er zwart op wit. We kunnen het allemaal begrijpen. We moeten dus aan de slag. Er is geen andere weg.

Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE. Ezechiël wat staat je nog allemaal te wachten? En wat staat ons nog allemaal te wachten? Want wat door de pro­feten is geschreven, is ook allemaal geschreven voor ons, opdat wij zouden weten wat de bedoeling is van God. Hebben wij ook een hard gezicht en een stug hart? Zijn wij ook traag in het aanvaarden van wat de profeet zegt? En willen wij ook niet luisteren naar wat er vandaag allemaal mis is? Hoe is het mogelijk dat we elke dag honderd kinderen vermoorden in de moederschoot? Hoe is het mogelijk dat we de helft van de wereld in armoede laten creperen en er zelf nauwelijks iets aan doen? Hoe is het mogelijk dat we er de kantjes zo vanaf lopen? We zijn zelf ook weerbarstig in het gehoorzaam zijn aan Gods Woord. En zo kunnen we nog wel even door gaan. Het Woord van God is levend en krachtig. Het scheidt vaneen licht en duisternis. Goed en kwaad. Het komt erop aan. Moge de HERE ons zegenen door het lezen van zijn Woord. Glorie voor zijn Naam. HERE, help ons naar uw Woord te leven. Houd ons vast en dicht bij U. We hebben U zo nodig. Dank U wel voor uw oneindige liefde. Dank U voor uw grote genade, dat U, ondanks onze wankelmoedigheid, toch steeds weer uw reddende handen naar ons uitstrekt.

Ezechiël 3:22-4:17

23 september [1]

3:23

en ging naar het dal; en zie daar stond de heerlijkheid des HEREN…

3:24

Ga naar binnen, sluit u op in uw huis.

3:25

men zal touwen om u heen slaan en u daarmee binden,…

3:26

gij zult stom zijn en hun niet tot een bestraffer wezen.

3:27

Zo zegt de Here HERE. Wie horen wil, hore. En wie het nalaten wil, late het na. Want zij zijn een weerspannig geslacht.

4:1

neem u een tichelsteen, leg die vóór u en teken daarop een stad, Jeruzalem.

4:2

En breng haar in staat van belegering:…

4:3

neem u een ijzeren bakplaat…

4:4

En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls;…

4:5

En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op,… driehonderd en negentig dagen.

4:6

zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde;… veertig dagen;…

4:7

Gij zult uw blikken vast op het belegerde Jeruzalem richten,…

4:9

doe ze in een pot en maak er brood van;…

4:11

op vaste tijden moet gij dat drinken.

4:12

gij zult die koeken… bakken op de gedroogde uitwerpselen van mensen.

4:13

Aldus zullen de Israëlieten hun brood onrein eten onder de volken, naar wier land Ik hen zal verstoten.

4:15

Zie, Ik sta u toe rundermest te gebruiken in plaats van menselijke uitwerpselen; bereid dan daarop uw brood.

4:17

opdat zij aan brood en water gebrek hebben, met elkander verbijsterd staan en in hun ongerechtigheid wegkwijnen.

Nou ja, dat zal je toch maar gezegd worden. Driehonderd en negentig dagen op de linkerzij. En je wordt met touwen gebonden, zodat je je niet kunt om­draaien. Je krijgt een klein beetje eten, een klein beetje water. Daar moet je het mee doen. En je moet op een tichelsteen Jeruzalem tekenen en daarop te­kenen dat het wordt belegerd. Vervolgens moet je een bakplaat nemen en die tussen de tichelsteen en jezelf zetten. Je blik moet vast op de tichelsteen ge­richt zijn, op de belegerde stad. Je moet de stad als het ware zelf belegeren. En dan moet je nog veertig dagen op de andere zijde liggen. Je moet voor elk jaar ongerechtigheid één dag zo liggen. Want het zijn driehonderd negentig jaren ongerechtigheid van Israël en veertig jaren van Juda. Dat is toch verschrikke­lijk. Wat een lange tijd. Dat zijn hele geslachten. Wat een zonde van het volk.

En het eten moet gebakken worden op menselijke uitwerpselen. Nou dat laat­ste is meer dan Ezechiël kan verdragen. Hij heeft zich nog nooit verontreinigd. Dan staat God toe dat het geen menselijke uitwerpselen maar rundermest mag zijn. En het is allemaal zinnebeeldig. Zo zullen de Israëlieten hun brood en water onrein drinken in de landen waarheen God ze verstrooien zal. Wat een profetie. Wat een zonde van het land. Het is onvoorstelbaar. Wat een straf. Maar ook wat een ongehoorzaamheid van het volk. De straf komt niet omdat je gehoorzaam bent. De straf komt vanwege de ongehoorzaamheid. God wil alleen maar dat het de mensen goed gaat. Hij wil niet de dood van de zondaar. Hij wil dat hij leeft. Hij wil dat hij in zijn wegen wandelt. Maar doe je dit niet, dan ga je eraan. Dan is het gebeurd. Zo zal ook Jeruzalem een afgemeten hoe­veelheid voedsel en water hebben. Ze zullen het met stomme smart eten en drinken. Ze zullen met elkaar verbijsterd staan en in hun ongerechtigheid weg­kwijnen. Het komt er wel op aan.

Als wij volharden in ongehoorzaamheid, zullen we de straf over ons heen halen. Dat is niet de boze God, maar de barmhartige Vader, die zijn kinderen tuchtigt om ze weer in het gareel te krijgen. Maar soms moet het straffen wel erg hard zijn, omdat de mens vreselijk weerbarstig is. God wil het heil voor de mensen. De profeten kwamen om het volk op te roepen om zich te bekeren in het perspectief van de profetie vol van beloften van de komst van de Messias en het herstel van alle dingen. Dat gold toen, maar dat geldt ook vandaag. Be­keert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De tijd is vervuld. Gelooft het evangelie. Maar doen we dat niet, dan moeten we niet opkijken dat ramp op ramp ons treft. Dat doen we dan onszelf aan. Zo was het ook met Israël. God had hen zijn wet gegeven. Ze hadden de goede regels waarbij ze konden leven. Die regels waren geen knellende banden, neen het waren regels waarbij ze in de grootst mogelijke vrijheid konden leven. Ze waren niet te moeilijk. Ze waren niet ver weg. Ze hoefden er geen halsbrekende toeren voor uit te halen. Neen ze hadden deze woorden in hun hart om te doen. Kies dan het leven, was het devies. Glorie voor zijn Naam. Heerlijk Evangelie. Dat gold toen en dat geldt ook nu. Maar als mijn volk zich verootmoedigt en zich be­keert, dan zal Ik horen en een keer brengen in hun lot. Dan zal het weer goed gaan. Want Gods ogen doorlopen de ganse aarde om krachtig bij te staan wiens hart volkomen naar Hem uitgaat.

Ezechiël 5:1-6:14

24 september [1]

5:1

neem een scherp zwaard, dat gij gebruiken moet als het scheermes… beweeg het over uw hoofd en over uw baard; neem dan een weegschaal en verdeel de haren.

5:2

Een derde deel zult gij midden in de stad met vuur verbranden, wanneer de dagen van de belegering ten einde zijn; en een derde deel zult gij nemen en daar met het zwaard omheen slaan; en een derde deel zult gij in de wind strooien, want achter hen zal Ik het zwaard trekken.

5:3

Dan zult gij enkele van die haren nemen en die vastbinden in uw slippen.

5:4

en met vuur verbranden; daaruit zal vuur voortkomen tegen het gehele huis Israëls.

5:6

want mijn verordeningen hebben zij verworpen en volgens mijn inzettingen hebben zij niet gewandeld.

5:8

daarom zo zegt de Here HERE: Zie Ik zál u, ja Ik! Ik zal in uw midden gerichten voltrekken voor de ogen der volken.

5:10

en al wat er nog van u overblijft, zal Ik naar alle windstreken verstrooien.

5:11

omdat gij Mijn heiligdom verontreinigd hebt…

5:12

Een derde deel van u zal door de pest sterven en door de honger omkomen in uw midden; een derde deel om u heen zal door het zwaard vallen; een derde deel zal Ik naar alle windstreken verstrooien en achter hen zal Ik het zwaard trekken.

5:15

wanneer Ik aan u gerichten zal voltrekken in toorn en grimmigheid en grimmige straffen. Ik, de HERE, heb het gesproken.

6:2

Mensenkind, richt uw blikken op de bergen Israëls,…

6:4

en Ik zal uw gedoden neerwerpen vóór uw afgoden.

6:7

en gij zult weten dat Ik de HERE ben.

6:8

Maar Ik zal een rest doen overblijven, doordat enigen van u, aan het zwaard ontkomen, onder de volken zullen wonen, wanneer gij in de landen verstrooid wordt.

6:9

uw ontkomenen aan Mij denken, als Ik hun ontuchtig hart verbroken heb,… dan zullen zij van zichzelf walgen om het kwaad, dat zij in al hun gruwelen gedaan hebben.

6:10

En zij zullen weten, dat Ik, de HERE, niet zonder grond gezegd heb hun dit onheil te zullen aandoen.

6:11

Zo spreekt de Here HERE: Sla in uw hand, stamp met uw voet en roep: Wee! over al de boze gruwelen van het huis Israëls,…

6:14

waar zij ook maar wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

Je moet wel weten wat je doet als je de beloften en de wegen van de HERE veracht en zijn richtlijnen in de wind slaat. Het is niet zo dat de rampen komen omdat je zo heilig geleefd hebt. Neen, ze zijn het gevolg van de zonde. God woont in de tempel. En Hij heeft hen gezegend. Hij wilde hen een God zijn en zij beloofden Hem een volk te zijn. Maar ze hebben het heiligdom ontheiligd. De afgoden staan op elke berg. Het is verschrikkelijk. Hoe kan God nu bij zo’n volk wonen? Dat kan toch niet. God zegt dan ook: Ik zal ze. Wee! want de zonde is opgestapeld tot in de hemel. Het is afgelopen. En Ezechiël moet zijn haar afsnijden. Dat was een schande. Hij moet het in drie porties verde­len. Dan moet een deel met vuur verbrand worden en een deel verstrooid en om een derde deel moet hij zijn zwaard slaan. En zo is het ook gebeurd. Een derde deel van het volk is omgekomen in de stad, een derde deel door de pest en een derde deel is verstrooid. En de lijken liggen rond de afgodenbeelden en de altaren. God neemt het niet. De rampen komen.

Het volk heeft gezondigd. En de profeten hebben gewaarschuwd. Ze hebben opgeroepen tot bekering. Ze hebben alles gedaan om het onheil af te wenden, maar het volk heeft de profeten te spot gezet. Ze hebben ze veroordeeld. Naar hen wilden ze niet luisteren. Maar ze zullen weten dat er een profeet geweest is. Jesaja, Jeremia, Ezechiël, wees niet bang. Ik zal de woorden in je mond leggen. Ik zal je doen spreken, want Ik weet wat voor een hardnekkig volk dit is. Ik zal het zelf moeten doen. Ik zal mijn eigen Zoon moeten zenden. Want anders kan de bekering en de verzoening niet tot stand komen. Wat is de boze, de tegenstander van God sterk. Wat heeft hij een macht. Hij is de overste dezer wereld. Kijk eens waartoe hij in staat was gedurende de verzoekingen van de Here Jezus. Maar God is sterker! Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem geloofd niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Daar gaat het om. Waar komt de verzoening vandaan? Van de Zoon van God. Dat kan toch ook niet anders. Want alzo lief heeft God. God heeft ons eerst lief en daarom komt de verlossing en de verzoening door zijn Zoon. Het kan toch ook helemaal niet andersom. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Ze zullen weten dat Ik, de HERE, hun God ben. Wat zullen de volken rondom gezegd hebben, toen ze al die afgoden zagen en de ontwijding van de tempel? Waar is de God van Israël, waar is die God waarvan al die wonderen in de annalen van de volken zijn opgeschreven. Dat lijkt toch nergens op? Kijk eens hoe ze zich niets van Hem aantrekken. Het is nog erger dan wat de volken zelf doen. Ze zullen weten dat Ik, de HERE, hun God ben. Niet alleen Israël zal het weten, maar ook de volken rondom.

Toch zullen enigen aan de dood ontkomen en verstrooid worden. Daar zal God komen en hen laten zien wat ze gedaan hebben. En dan zullen ze van zichzelf walgen. Dan zullen ze inzien dat God ze niet willekeurig gestraft heeft, maar dat het gaat om zijn eer en heiligheid. God heeft zijn volk zo lief en daarom tuchtigt Hij hen als een Vader. Het kan lang duren voordat je tot dat besef komt, maar het is wel de werkelijkheid. Hoe zou God nu kunnen straffen als we zijn wil doen? God wil dat alle mensen tot bekering komen. Daar is Hij op uit. Daarom: bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De tijd is vervuld. Gelooft het evangelie. Verkondig het, dring er op aan, want spoedig is het te laat. Nu al door de oordelen heen, of straks als de bazuinen klinken en God zijn rijk vestigt, dwars door de strijd heen. Maar er zal ontko­ming zijn. Hij redt uit grote nood. Glorie voor zijn Naam. Daar kunnen we mee verder. Dat maakt je hart blij. God is liefde.

Ezechiël 7:1-27

25 september [1]

7:2

Het einde komt!

7:3

en al uw gruwelen aan u vergelden.

7:4

en gij zult weten, dat Ik de HERE ben.

7:5

Onheil op onheil! Zie, het komt!

7:7

De tijd komt! De dag is nabij! Verwarring en geen vreugdegeroep op de bergen!

7:11

Het geweld is opgeschoten tot een staf van goddeloosheid. …verdwijnen zal al hun praal.

7:13

en niemand, voor wie de ongerechtigheid zijn lust en zijn leven is, zal zich handhaven.

7:15

Het zwaard buiten, de pest en de honger binnen!

7:17

Alle handen zullen slap worden en alle knieën van water druipen.

7:19

hun zilver en goud zullen hen niet kunnen redden… want het is hun een struikelblok tot ongerechtigheid geweest.

7:20

daarvan hebben zij hun gruwelijke beelden, hun afschuwelijkheden, gemaakt; daarom zal Ik dat voor hen maken tot een voorwerp van afschuw.

7:23

Maak een keten gereed, want het land is vol bloedschuld en de stad vol geweld.

7:24

Ik zal een einde maken aan de trots der machtigen,…

7:25

Angst komt; dan zullen zij behoud zoeken, maar het is er niet.

7:26

Ramp op ramp zal komen, gerucht op gerucht zich verbreiden.

7:27

De koning zal rouw bedrijven en de vorst zal zich in ontzetting hullen en de handen van het volk des lands zullen van schrik verlamd zijn. Overeenkomstig hun wandel zal Ik hun doen, naar hun gedragingen zal Ik hen richten. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

Zo is het. Zij zullen weten dat Ik de HERE ben. Wat denken ze wel? God is de schepper van hemel en aarde. Daar kun je niet maar een beetje mee marchan­deren. Je kunt wel denken dat je dat ongestraft kunt doen. Net doen of er hele­maal geen God bestaat. Wie zou me wat? Kijk eens naar wat ik bereikt heb. Wat een welvaart. Wat een zegen. Daar heeft een God helemaal niets mee te maken. Dat hebben we zelf gedaan. Ons zilver en goud dat kan ons redden. En bovendien we hebben onze eigen goden. Wij bepalen wie er mag blijven leven en wie niet. Kleeft er bloedschuld aan onze handen? Onzin. We zijn baas in eigen buik en leven. We doen wat we willen. Zijn geboden lap­pen we aan onze laars. Kijk eens naar onze pracht en praal. Dat is het werk van onze han­den. De welvaart hebben we zelf bereikt. Zielig al die mensjes die nog denken dat God daar iets mee vandoen heeft gehad. Wat denken ze wel? Dat zijn de mensen die de welvaart tegenhouden. Ha, ha, ha! Je ziet het toch. Ze hebben niets in te brengen en van al hun onheilsprediking hebben we ook niets gezien. Ze hebben altijd van dat soort preken. In het zwart en met de kop naar bene­den. En bovendien knijpen ze zelf de kat in het donker.

En als we naar binnen kijken, dan is het inderdaad niet veel soeps. We hebben de geboden van God, maar we treden ze met voeten. Het gaat hier niet om een heidens volk. Neen het gaat in de profetie om het volk van God zelf. Al deze beschuldigingen kunnen we zo op onszelf overzetten. Hebben wij het heil Gods ontheiligd? Hoe zit het bijvoorbeeld met onze pracht en praal? We heb­ben ook onze kantelen opgetrokken. Eerst ons eigen goud en zilver en dan nog een fooi aan de HERE. Eerst onze eigen belangen en dan misschien nog eens denken aan een ander. We zijn vet geworden en we zijn noch heet noch koud. God spuugt ons uit zijn mond. Hij heeft er een gruwelijke hekel aan.

Van de relatievorming hebben we ook een potje gemaakt. We dulden homo­filie, we nemen het niet zo nauw met ontucht, de media vervuilen ons oog en onze ziel. We doen er zelf aan mee. Kinderen groeien op met onreinheid, geweld, drugs en liederlijke dopjes in hun oren, waar de meest afschuwelijke muziek­teksten doorheen brallen. Jongeren hangen zich op. Drugs en drank zijn niet uit te bannen.

Het land is vol bloedschuld en de stad vol geweld. Maak een keten gereed. God neemt het niet als kinderen in klinieken vakkundig uiteen gerukt worden en al martelend vermoord worden. Ho, ho, wordt geroepen. Kan het niet een beetje minder. Dat moet je die kinderen vragen die op de slachtbanken worden gelegd. Zij schreeuwen om leven. En wij maar een beetje roepen: Niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest. Maar de Geest van God spreekt zijn oordelen uit. Haast je, want het komt! Het einde komt! Het is genoeg. God kan het niet meer aanzien. Onheil op onheil! Maar zijn de mond- en klauwzeer, de varkenspest, de vogelpest, Aids, Sars en ook de Watersnood van toen en de dreiging van het water nu, geen oproepen tot bekering?

Hoe durven we een abortuswet tot in de perversie te perfectioneren? Hoe durven we God te tarten door zwakker wordend leven te doden? Juist op het moment dat barmhartigheid en liefde gevraagd wordt voor de oudere die we moeten eren. Ook aan het einde van zijn of haar leven. Hoe durven we de seksualiteit te grabbel te gooien, zodat onze kinderen als hoeren opgevoed worden? Hoewel de HERE God zegt dat het een gruwel is, verklaren wij dat een huwelijk tussen personen van gelijke sekse net zo legitiem is als een huwelijk tussen een man een vrouw. Dan moeten we niet opkijken dat de oordelen komen. Wat doen we met de weduwe en de wees, en wat doen we met de hongerigen, de armen, de gevangenen, de dorstigen? Wat doen we voor de minsten van hen? En dan nog niet eens gesproken over de straatprostitutie, de drugshandel, kindsoldaten, kinderarbeid, orgaanhandel van weerloze kinde­ren, enz.? Het is gruwelijk, het is afschuwelijk. Onze wandel zal aan ons ver­golden worden, al die gruwelen zullen op ons neerkomen. Nu breekt het einde aan, want God zal zijn toorn tegen ons loslaten. God zal ons richten naar onze wandel en al onze gruwelen aan ons vergelden.

Ezechiël 8:1-18

26 september [1]

8:1

en de oudsten van Juda vóór mij zaten, viel daar de hand van de Here HERE op mij.

8:2

En ik zag en zie, daar was een gedaante,…

8:3

en greep mij bij een lok van mijn hoofdhaar. …en bracht mij in gezichten Gods naar Jeruzalem,… waar het afgodsbeeld zich bevond,… dat naijver opwekt.

8:6

Maar nog meer grote gruwelen zult gij zien.

8:10

daar waren allerlei afbeeldingen van gruwelen – kruipend gedierte en beesten –…

8:12

Hebt gij gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis Israëls in het donker doen, ieder in zijn kamer met afbeeldingen?

8:16

en zij bogen zich in de richting van het oosten neer voor de zon.

8:18

Daarom zal Ik in grimmigheid met hen handelen.

Ezechiël zit met de oudsten, allen ballingen, in zijn huis en dan valt de hand van de HERE op hem. En dan wordt hij meegevoerd naar Jeruzalem en de HERE laat hem de gruwelen zien die het volk bedrijft. Het is verschrikkelijk. Alles, wat God verboden heeft, wordt bedreven, tot in de tempel toe. Verfoei­lijke afgodendienst. De afgodsbeelden staan uitdagend bij de Noorderpoort. In de voorhof wordt aan de afgoden geofferd. In de tempelkamers zijn allerlei afbeeldingen van kruipend gedierte. Zeventig mannen bewieroken de afgoden. Er zijn ook mannen met het gezicht naar de zon, om die te aanbidden. Het zijn gruwelen voor de HERE. Hoe zou Hij het ook kunnen accepteren? Hij wil dat de mensen Hem dienen. Het is toch zíjn volk. Hij is toch hun God en wat doen ze? Ze ontheiligen zelfs de plaats die God voor Zichzelf had gekozen. Ze jagen God uit zijn eigen huis. Nou dat is te gek. Het kan niet anders dan dat daar gerichten over komen. Dit kan God niet accepteren. Wat denkt zijn volk wel? God tarten? Wat beelden zij zich in? Daarmee heb je je oordeel al over je gehaald. Daar is geen twijfel aan. En die oordelen zijn verschrikkelijk. Je hebt toch zelf God verlaten.

God spreekt toch ook vandaag tot zijn knechten. Hij wil je zegenen en be­schermen. Maar als je van Hem wegloopt, krijg je problemen. Dat is niet anders. Dat spreekt vanzelf. Daar moet je je dan ook met spoed van bekeren, want anders gaat het mis. Dan spreekt de HERE ook. Het kan lang duren, het kan kort duren, maar Ik wreek Mij over zoveel goddeloosheid, zegt de HERE. Het is toch ook verschrikkelijk. Dit voorbeeld in Ezechiël is meteen een ern­stige waarschuwing voor ons, dat we ons daar verre van moeten houden. We mogen ons aan niets anders hechten dan aan God. Dus niet aan ons geld, niet aan ons goed, niet aan ons werk, niet aan ons land, niet aan onze zaak, niet aan onze auto, niet aan onze naaste en zeker niet aan iemand anders vrouw, of wat dan ook. We mogen en moeten alleen maar God liefhebben met geheel ons hart, geheel ons verstand, geheel onze ziel en met al onze krachten. Hij is onze God en Hij is Eén. Hij deelt zijn eer niet met welke afgod ook. Hij laat niet met zich spotten. God is goed. Hij wil ons niet in de steek laten. Hij roept ons in zijn barmhartigheid steeds weer op tot bekering.

Maar er komt een einde aan onze genadetijd. Hij kan de ongehoorzaamheid niet aanzien en als het oordeel komt en je roept dan, dan zal Hij niet horen. Net als de rijke man die probeert via de arme Lazarus, die in de hemel is, nog redding te vinden. Maar dat helpt niet. Het simpele antwoord luidt: ze hebben Mozes en de profeten. En wij hebben Messias Jezus en de Heilige Geest. Daar moeten we ons bij houden. Daar kunnen we alles uit leren wat we voor het leven nodig hebben. Het Woord van God is levend en krachtig. Daar vinden we de weg voor het leven. De waarden en de normen. Het is geweldig. Het is de weg. Hij is de Weg. Prijs God voor zoveel liefde.

Ezechiël 9:1-10:22

27 september [1]

9:2

en één man onder hen was in linnen gekleed en droeg een schrijfkoker aan zijn zijde;…

9:4

en maak een teken op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden.

9:5

Ontziet niet en hebt geen deernis.

9:6

moet gij doden… bij mijn heiligdom moet gij beginnen.

9:9

zodat het land van bloedschuld vol is, en de stad vol van rechtsverkrachting,…

9:11

Ik heb gedaan zoals Gij mij bevolen hadt.

10:1

En ik zag en zie, op het uitspansel boven het hoofd der cherubs was iets als lazuursteen, gelijkend op de vorm van een troon,…

10:2

vul uw handen met vurige kolen van tussen de cherubs en strooi die uit over de stad.

10:4

de voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid des HEREN.

10:13

Wat de raderen betreft, zij werden te mijnen aanhoren Werveling genoemd.

10:14

Ieder had vier aangezichten. Het eerste aangezicht was dat van een cherub, en het tweede dat van een mens, het derde als het aangezicht van een leeuw, het vierde dat van een arend.

Ja, dan komt het gericht ook echt. Dan worden er mannen met vernietigings­wapens uitgestuurd. Eén van de mannen heeft een schrijfkoker en iedereen die verdriet heeft over de afgoderij zal gespaard blijven. Aan hen moet hij een teken geven op het voorhoofd. De rest van inwoners van de stad moet uitge­roeid worden. Iedereen van jong tot oud moet gedood worden. Dat is een vre­selijke zaak. Ezechiël valt op zijn aangezicht als hij dit allemaal ziet. En hij schreeuwt het uit of God hen genadig wil zijn. Maar God zegt dat de bloed­schuld groot is. Het land is er vol van. Er heerst rechtsverkraching. Ze hadden zich moeten bekeren. Ze hadden zich kunnen bekeren, maar ze hebben het moedwillig niet gedaan. En nu is het te laat. Het oordeel komt. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God, de God van Israël. Hij is een ver­terend vuur. De mensen denken ongebreideld hun gang te kunnen gaan.

Dan ziet Ezechiël een troon boven de cherubs. Hij ziet wielen, gezichten en raderen, zoals hij die ook in de eerste verschijning zag. Tot de man, die in linnen gekleed was, wordt gezegd dat hij vurige kolen moet nemen en die over de stad uitstrooien. En dan verschijnt de heerlijkheid van de HERE boven de stad. Wat een zegen wat een indrukwekkende heerlijkheid. Het blijft Gods stad. De goddelozen zijn gestraft. God wil wonen in de stad van zijn verkie­zing. Ezechiël is onder de indruk. Hij beschrijft opnieuw de verschijning. Het is een zelfde verschijning als de eerste keer bij de rivier de Kebar. Wat heeft het allemaal te betekenen? Hij ziet duidelijk verschijningen van de HERE Zelf, in beelden en gedaanten die hij op deze manier kan beschrijven. Het is heel bijzonder. Wat een indrukwekkende aanwezigheid van God. God ver­schijnt indrukwekkend. Hij is de Heerser van hemel en aarde. Hij ziet alles. Tegen zijn macht en majesteit is niets bestand. Wie denkt met God te kunnen marchanderen komt bedrogen uit.

Wie zuchten onder zoveel ongerechtigheid en bloedschuld, waarvan het lijkt dat je er niets tegen kunt doen, hoeven niet te wanhopen. De man met het linnen kleed, met de schrijfkoker aan zijn zijde, komt langs en beschermt je en redt je uit alle nood. Je naam is geschreven in het boek des levens van het Lam. Glorie voor zijn Naam. Maak geen gemeen spel met de zonde. Keer je daar van af. Wat de mensen je ook willen beloven. Doe met hen niet mee. Ga uit van Babylon, wat dat dan ook mag zijn. Want wat niet bij God hoort, hoort bij de duivel. Het is zwart-wit. We hebben in dit hoofdstuk weer gezien hoe God tegen de dingen aankijkt. Daar moeten we ons dan ook aan houden en we hebben zijn Woord om ons steeds weer aan te toetsen. Glorie voor zijn Naam.

Ezechiël 11:1-25

28 september [1]

11:2

Mensenkind, dit zijn de mannen die ongerechtigheid uitdenken en slechte raad geven in deze stad;…

11:4

Daarom, profeteer tegen hen, profeteer, mensenkind!

11:6

Gij hebt in deze stad velen gedood en haar straten met doden gevuld.

11:8

het zwaard zal Ik over u brengen,…

11:9

Ik zal u uit haar midden weghalen, u overgeven in de macht van vreemden en gerichten aan u voltrekken.

11:13

Ach Here HERE, wilt Gij een einde maken aan het overblijfsel van Israël?

11:17

Ik zal u vergaderen uit de volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israël geven;…

11:19

Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste, en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven,

11:20

opdat zij naar mijn inzettingen zullen wandelen en naarstig mijn verordeningen onderhouden; zij zullen Mij een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn.

11:21

Maar de wandel van hen die hun hart verpand hebben aan hun afschuwelijkheden en gruwelen, zal Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van de Here HERE.

11:23

de heerlijkheid des HEREN steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt.

11:25

bracht ik aan de ballingen alles over wat de HERE mij had doen zien.

Als je ongerechtigheid en slechte raad uitdenkt over het volk, dan komt het oordeel van God en dan zal de stad vallen en de mensen zullen gedood wor­den. Slechte raad brengt een land ten val. De kennis Gods is uit het land en het wordt liegen, moorden, stelen en echtbreken. Ja, zelfs de vissen in de zee ko­men om, dat is verschrikkelijk. Dat is het oordeel. Het oordeel is dat de kennis Gods uit het land is. Hoe moet dat dan weer veranderen? Heel eenvoudig door de kennis Gods weer terug te brengen in het land. Hoe doe je dat? Heel een­voudig. Je brengt het woord van God weer terug. En hoe doe je dat? Heel eenvoudig door het te proclameren, het overal op te hangen. Er dag en nacht mee bezig te zijn. Gewoon weer op stap gaan. Pak je “paard”. Net als Wesley, die ervoor zorgde dat hij vroeg in de morgen bij de poort van de mijn was om de mijnwerkers te vertellen van de liefde van Jezus. Een heerlijker boodschap is er niet. En er zijn nog zovelen die je ook willen helpen. Het is nooit hope­loos, want God wil je helpen. Heerlijk toch?

God houdt van de mensen. Maar allen, die de mensen op het verkeerde spoor brengen, krijgen het zwaar te verduren. Hier kondigt God aan dat het zwaard over hen zal komen. Door hun slechte daden zijn velen gedood. Nu zullen ook zij gedood worden. God is genadig, maar de bedrijvers der wetteloosheid zul­len geoordeeld worden. Het kan kort duren of het kan lang duren maar er is geen ontkomen aan. Dat is niet wreed, maar dat is rechtvaardig, want het gaat erom dat we de geboden van God gehoorzamen. Daar heerst vrede over. Daar kun jij en de ander bij leven. Er zal gericht komen en de mensen zullen weten dat de Here God de HERE is. En geen ander.

Terwijl Ezechiël profeteert sterft Pelatja, de zoon van Benaja, één van de vorsten. Dat is wel een heel direct gevolg van zijn profeteren. Daar schrik je van. Dat is een directe uitvoering van het oordeel. Ezechiël, die het heel goed begrijpt, werpt zich op de grond en roept: Ach HERE, wilt Gij een einde maken aan het overblijfsel van het volk? En dan komt het antwoord. Ja, de HERE heeft ze verstrooid onder de volken en daar zijn ze ver van de HERE, maar Hij zal ze terugbrengen, omdat zij zijn volk zijn en blijven. En dan zullen ze alle afschuwelijkheden uit het land verwijderen. En Ik, de HERE God zal hen een hart van vlees geven, het stenen hart zal verwijderd worden en ze zullen een nieuwe geest in hun binnenste krijgen. Zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn. Dat is profetie van de bovenste plank. God zelf zal ingrijpen. Dat is vast en zeker.

Ezechiël en jullie gelovigen, zit er niet over in. Ik zeg het hier toch. En heb je ooit gezien dat iets wat Ik gezegd heb niet uitgekomen is? Wat Ik zeg dat doe Ik. Als je daaraan gaat twijfelen dan kom je helemaal verkeerd terecht. Ik zal hun een nieuw hart geven. Ik zal mijn wet in hun binnenste schrijven. Twijfel niet. Hoor je me, Ezechiël, en allen die na jou geboren worden. Schrijf het op, opdat iedereen mag weten dat dit de waarheid is die Ik gesproken heb. Ze zul­len om hun ongerechtigheden verstrooid worden, maar Ik zal ze in Mijn erbar­ming terugbrengen, vanuit de volken waaronder ze verstrooid zijn. Ik de HERE spreek. Maar de wandel van hen die hun hart verpand hebben aan de afschuwelijkheden en gruwelen zal Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van de Here HERE. Dat is duidelijke taal. Dat zijn woorden van de HERE, de Hoge, de Almachtige, die troont op de cherubs.

En dan stijgt de heerlijkheid des HEREN op vanuit het midden der stad en plaatst zich op de berg ten oosten van de stad. Dat is apart. Dat is de Olijfberg, waar ook de Here Jezus zijn voeten zal zetten, als Hij in macht en majesteit terugkomt om zijn rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Wat een toekomst! Daar word je enthousiast van. Wat is het toch heerlijk om je te verdiepen in het Woord van God. Daar komt geen einde aan. Het gaat erom dat je het moet lezen. Lezen, lezen en nog eens lezen. En als je leest wat er staat, en gelooft wat er staat, dan heb je wat er staat. Glorie voor zijn Naam. Hij zij geprezen. Wat een genade. Wat een almacht. Wat een zekerheid. Daar wil je toch ook bij behoren. Je wilt toch niet de werker van het kwaad zijn. De wetteloze. Daar heerst de dood. HERE dank U wel voor uw grote liefde voor mij en voor de hele wereld. Dank U dat U alles weer gaat herstellen en de werkers der wetteloosheid zult uitroeien.

Ezechiël 12:1-28

1 oktober [1]

12:2

want zij zijn een weerspannig geslacht.

12:4

naar buiten komen te hunnen aanschouwen, als iemand die in ballingschap gaat.

12:6

Want Ik stel u tot een zinnebeeld voor het huis Israëls.

12:9

heeft dat weerspannige geslacht, niet tot u gezegd: Wat doet gij?

12:13

Ik zal hem naar Babel, het land der Chaldeeën brengen,…

12:14

zal Ik naar alle windstreken verstrooien,…

12:16

en zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

12:19

hun brood zullen zij met kommer eten en hun water drinken in stomme smart – opdat hun land beroofd, van al wat het heeft, een woestenij worde vanwege de geweldenarij van allen die het bewonen.

12:22

Mensenkind, wat is dat voor een zegswijze bij u in het land van Israël: de tijd verstrijkt, maar geen enkel gezicht komt uit?

12:23

Zeg daarentegen tot hen: de tijd is nabij en de vervulling van elk gezicht!

12:26

Het woord des HEREN kwam tot mij:

12:27

Mensenkind, zie, het huis Israëls zegt: het gezicht dat hij schouwt, heeft betrekking op een verwijderde toekomst, en hij profeteert aangaande verre tijden.

12:28

Daarom zeg tot hen: zo zegt de Here HERE: geen van mijn woorden zal nog langer worden uitgesteld. Het woord dat Ik spreken zal, zal in vervulling gaan, luidt het woord van de Here HERE.

Ezechiël moet uitbeelden hoe de ballingschap eruit ziet. Hij moet een pak op zijn schouders nemen, alsof hij in ballingschap gaat. En dat doet hij. Maar hebben ze het ook begrepen? Het slaat op de vorsten van Juda en het volk van Israël. Zij zullen in ballingschap gaan en zij zullen verstrooid worden onder de volkeren. Ezechiël moet bevend zijn brood eten en het water in stomme smart drinken. Want het land zal een woestenij worden vanwege al de geweldenarij die daarin gebeurt. De steden zullen tot puin worden. Het lijkt allemaal pracht en praal. Het lijkt dat het niet zo’n vaart zal lopen. Laat Ezechiël maar. Het is wel goed als er een zwartgalllige profeet rondloopt. Het is altijd goed om de waarheid gepreekt te horen, maar bekeren, ho maar. Daar denken we niet aan. Zondag aan zondag horen we horen de waarheid. We horen dat we dit en dat moeten doen als we Gods geboden gehoorzamen. Maar we veranderen niet echt. We hebben zo onze eredienst, en o ja er zijn een paar van die doemden­kers, die het radicaal blijven zeggen. Die moeten we in ere houden, maar ze moeten ons niet te dichtbij komen, dan verstoren ze onze vredige godsdien­stige traditie. Aan die traditie is niks mis, toch? Ja, de zonde raast over de wereld, maar wat kunnen wij daar aan doen? We zijn heet noch koud. Vrese­lijk. Het is de HERE een gruwel. God zegt hier dat Hij al dat geleuter niet langer neemt. Hij voegt de daad bij het woord. Het oordeel komt. De balling­schap is onafwendbaar. Weg met het gezegde: het zal zo’n vaart niet lopen. Het zal gebeuren en met spoed.

We leven in ernstige tijden, net als in de dagen van Ezechiël God spreekt ons aan. Hij eist zijn eer op. Opdat wij weten dat Hij de HERE God is. Wat den­ken we wel? We zullen het weten, al die geweldenaars onder ons. Wat een afval. Weg met de bloedschuld. Weg met het moorden. Wat denkt u van abor­tus in deze tijd? Daar gaan we toch ook maar aan voorbij alsof het ons niet aangaat. Wat dreigt er een oordeel.

Ezechiël 13:1-23

2 oktober [1]

13:1

Het woord des HEREN kwam tot mij:

13:2

Mensenkind, profeteer tegen de profeterende profeten Israëls en zeg tot hen die naar eigen inzicht profeteren: hoort het woord des HEREN.

13:3

Zo zegt de Here HERE: Wee de dwaze profeten, die hun eigen geest volgen, zonder iets geschouwd te hebben.

13:4

Als vossen in uw bouwvallen zijn uw profeten, Israël.

13:5

Gij zijt niet op de bressen gaan staan en gij hebt geen muur opgetrokken om het huis Israëls, opdat het op de dag des HEREN zou kunnen standhouden in de strijd.

13:6

Bedrieglijke dingen en leugenachtige waarzeggerij hebben zij geschouwd, die zeggen: zo luidt het woord des HEREN – terwijl de HERE hen niet gezonden heeft;…

13:8

daarom zie, Ik zál u! luidt het woord van de Here HERE.

13:9

in het boek van het huis Israëls niet ingeschreven worden,…

13:10

vrede! zonder dat er vrede is –…

13:14

Ik zal de muur die gij met kalk bepleisterd hebt, neerhalen en ter aarde werpen,… (de stad) zal vallen en gij zult daarin omkomen.

13:15

weg is de muur en weg zijn zij die hem bepleisteren:…

13:18

Zoudt gij zielen vangen van mijn volk en uw eigen zielen in het leven behouden?

13:19

doordat gij mijn volk beliegt, dat naar leugen hoort.

13:22

daarom zult gij niet langer bedrieglijke dingen schouwen en waarzeggerij plegen; Ik zal mijn volk uit uw hand redden. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben.

Wat! Profeten die hun eigen profetieën bedenken. Ik zal ze! zegt de HERE God. Dat is wel het allerergste. Je zegt het woord van God te hebben, maar je hebt het zelf verzonnen. Je profeteert dingen, maar die heb je niet van God geschouwd. Het is je eigen waarzeggerij. Het zijn je eigen verhalen, maar je doet alsof ze van God zijn. Alsof jij het beter weet dan God. Het staat er wel zo, maar dan zeg je dat je het anders moet uitleggen. Je beliegt het volk. Je brengt ze in de war. Dit is geheel tegen Gods wil. Je zult dan ook niet komen in het boek van God. Je zult door Hem afgeschreven zijn. Je zult omkomen. Je straf zul je niet ontlopen. Als Ik, de HERE God, iets zeg, moet niemand het lef hebben om er iets anders van te maken, want dan zul je weten dat Ik de HERE uw God ben. Ik laat niet met Me spotten. Het is zwart-wit. Valse profeten, die moet je ontmaskeren en verwijderen. Deze profeten zijn als bouwvakkers die een muur vrijwel alleen uit pleisterkalk laten bestaan en die “muur” houdt natuurlijk geen stand als de stormwind en de regen er over gaan. Dat komt ook omdat de mensen en de profeten geen sterke muur hebben opgetrokken om de valse profeten buiten te houden. Dan valt de muur, ook in als er de wind van de HERE God overheen gaat en dan komt het oordeel over de valse profeten.

We moeten dan ook altijd weer terug naar het Woord van God. Niet zo maar iemand geloven, maar het altijd toetsen aan het Woord van God. Als je dat niet doet, dan loop je de kans dat de valse profeten zo maar binnen sluipen. Dat was hier bij het volk Israël, maar dat lezen we ook in de tweede brief van Petrus, waarin hij ernstig waarschuwt tegen de valse profeten en dwaalleraars. Ze maken zich een eigen uitleg en gaan daarmee op de loop. Ontmaskeren en uitspuwen is het devies. Dat gold toen en dat geldt ook nu. We hoeven alleen maar te wijzen op het gehele Woord van God. Wanneer het daar niet mee in overéénstemming is, dan moeten we het radicaal afwijzen. Er lopen nogal wat dwaalleraars rond. Het is eigenlijk heel eenvoudig. Luister er niet naar. Blijf heel eenvoudig bij het Woord van God. God is goed. Het staat hier klip en klaar. God rekent met hen af. Als dat gebeurt, dan doe je er goed aan om je er niet mee in te laten. Want anders gaat het ook met jou verkeerd. Daar wil de HERE God ons allen juist voor behoeden. Trek een sterke muur op rondom het Woord van God. Dan blijf je staande als de storm komt. Als je muur zwak en bepleisterd is, stort hij in en kom je zelf om. Omdat je zogenaamde veilig­heid gebaseerd is op een valse profetische pleisterlaag.

Ook de valse profetessen, die met allerlei waarzeggerij en toverij de mensen in hun leugenweb proberen te verstrikken, moeten we helemaal weerstaan. Wat is er niet een hokus pokus vandaag. Niet naar luisteren. Weg ermee. Radicaal, er geen compromis mee sluiten. Weg er mee. Want het kan zo maar gebeuren, dat we het hart van een rechtvaardige bedroeven en in de leugen meesleuren. Dat is gevaarlijk. Als rechtvaardige (door genade!) moeten we er zelf ook verre van blijven. Geen waaghalserij. God is God. En iedereen zal weten dat de HERE God is.

Ezechiël 14:1-15:8

3 oktober [1]

14:3

deze mannen dragen hun afgoden in het hart…

14:6

Daarom zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Here HERE: bekeert u,…

14:8

Ik zal mijn aangezicht tegen die man richten,… en hem uitroeien uit het midden van mijn volk.

14:13

wanneer een land tegen Mij gezondigd heeft… en Ik mijn hand daartegen uitstrek,…

14:14

Noach, Daniël en Job, dan zouden dezen door hun gerechtigheid slechts zichzelf redden,…

14:16

Zijzelf alleen zouden gered worden, maar het land zou een woestenij worden.

14:18

Zijzelf alleen zouden gered worden.

14:20

Zij zouden door hun gerechtigheid alleen zichzelf redden.

14:23

En gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb al wat Ik daar gedaan heb,…

15:6

zó zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.

15:7

al zijn zij aan het vuur ontkomen, toch zal het vuur hen verteren.

Zie je ze zitten. Ezechiël en de oudsten uit het volk. Maar de HERE doorziet het en zegt tegen Ezechiël: pas op, want die mannen hebben hun afgoden in hun hart. Ze komen wel bij je, maar ze dienen een afgod. Daar moet je je niet mee inlaten. Dat is tijd verknoeien. Is het ook bij ons vaak niet zo? Mensen doen zich voor alsof ze het heel serieus menen, maar ondertussen nemen ze je in de maling. God gaat daar heel radicaal mee om. Want er is maar één weg, en dat is dat je je afwendt van je afgoden en zo niet dan gaat het mes erin. Zo niet, dan haal je het oordeel over jezelf heen. Dan moet je ook niet zeuren als de oordelen komen. Je hebt ze toch zelf over je gehaald. God Zelf zal de afgodendienaars van repliek dienen. Hij zal ze uit zijn volk uitroeien. Dat is harde taal. Maar toch is het de taal der liefde. Want wie je liefhebt, die wil je niet in het ongeluk zien storten. Als de afgodendienaars, de leiders van het volk, de mensen proberen in de maling te nemen of hen van het rechte pad doen afdwalen, dan zal er radicaal ingegrepen moeten worden. Zachte heel­meesters maken stinkende wonden. Is het ook niet vaak zo dat we, om de lieve vrede wil, de boel de boel maar laten, waardoor heel veel mensen op het ver­keerde pad terecht komen en langzaam afglijden naar de afgoden. Maar wij mogen schuilen bij Hem. Je ervaart dat je op de goede Weg bent. Het komt goed.

Maar pas op. Als een land tegen God gezondigd heeft, dan zal de straf van God daarover zeker komen. Dan zal ook niets meer helpen. Waren er mannen als Noach, Daniël en Job, zelfs zij zouden niets kunnen doen, dan alleen zich­zelf redden. Omdat de zonde van het volk zo groot is dat het oordeel vast staat. En dat oordeel is verschrikkelijk. Het komt onherroepelijk. Je kunt je afvra­gen, moet dat nu allemaal wel zo radicaal? Maar de radicaliteit komt niet van God. De radicaliteit komt van de afgodendienaars, de zondige mensen. Zij zijn radicaal afgeweken van de levende God, waarvan ze heel goed wisten dat dat de weg van de vrede en de voorspoed is. Maar als je je willens en wetens van God afwendt, ja dan komt het oordeel van God. Dan zul je onder ogen moeten zien dat God niet zonder reden straft. Je hebt het zelf gedaan. Lees het in Gods Woord en in in het bijzonder in zijn geboden. De mensen zullen weten dat de HERE hun God is.

Wat is de HERE God toch creatief in het bedenken van voorbeelden. Neen het hout van de wijnstok wordt niet gebruikt om er iets nuttigs van te maken. Het is verder alleen maar bruikbaar om verbrand te worden. Zo zal de HERE God de wijnstok Jeruzalem aan het vuur overgeven. De inwoners van Jeruzalem zullen door Hem gericht worden vanwege hun zonde. Ze zullen weten dat Ik, de HERE, hun God ben. Er is geen ontkoming. De stad zal worden verwoest en het land zal in woestenij liggen vanwege de zonden die ze tegen de HERE God bedreven hebben. Wat is alles herkenbaar. Jeruzalem is verwoest en het land is een grote woestenij geworden. Profetie is profetie. God spreekt om te waarschuwen en daarna gebeurt het.

Waarom gebeurde dit alles in Jeruzalem? Omdat zij ontrouw waren aan de HERE. En dit Woord is opgeschreven ten voorbeeld. Wanneer wij de HERE God verlaten, zal ons land ook tot woestenij worden. Dan zullen de zegenin­gen verdwijnen. Dan komt Gods oordeel. Dan worden zijn waarden en normen ingeruild voor de goddeloze waarden en normen. We zien het voor onze ogen zich voltrekken. Dus bekering is een permanente noodzaak om niet in de val en de vangarmen van de boze terecht tekomen. Bekeert u want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De tijd is vervuld. Gelooft dit Evangelie, zegt de Here Jezus aan het begin van zijn prediking. Zijn boodschap was veelal dezelfde: Bekeert u. Doe het nu, vandaag is het begin van de rest van je leven. Stap in de boot van God, op weg naar de eeuwigheid en de vergeving van je zonden. Hoe? Door je over te geven aan de HERE God. Volg zijn geboden, die zijn niet zwaar. Vlucht weg van de zonde en de valse profeten. Prijst de HERE.

Ezechiël 16:1-34

4 oktober [1]

16:2

doe Jeruzalem haar gruwelen kennen…

16:5

maar gij werd weggeworpen op het veld, omdat men geen waarde hechtte aan uw leven, toen gij geboren waart.

16:6

Toen kwam Ik voorbij u, en Ik zag u trappelen in het bloed van uw geboorte en Ik zeide tot u in uw bloed: leef;…

16:8

Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here HERE; zo werdt gij de mijne.

16:13

en gij werdt uitermate schoon, ja, het koningschap waardig.

16:15

Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd, trots op uw faam,…

16:19

Zelfs is het zover gekomen, luidt het woord van de Here HERE,

16:20

dat gij de zonen en de dochters, die gij Mij gebaard hadt, genomen en ten offer gebracht hebt, hun tot spijze.

16:21

Was uw ontucht niet voldoende,… ?

16:22

Bij al uw gruwelen en uw ontucht hebt gij niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen gij naakt en bloot waart en laagt te trappelen in uw bloed.

16:30

Hoe werd gij door hartstocht verteerd,…

16:33

maar gij gaaft zelfs geschenken aan uw minnaars…

Nou nou. Dat is me een aanklacht. God die in zijn grote barmhartigheid om­ziet naar Jeruzalem. Die het kind dat gebaard en veracht was in haar bloed zag spartelen. De HERE neemt het op, verzorgt het en voedt het op, zegent het en doet het groot worden. Ze krijgt pracht en een praal. Wat een genade. Wat een zegen stroomt dit kind toe. Het wordt koninklijk. Alle mensen spreken ervan. Het kan niet op. Zo veel zegen. Wat moet de dankbaarheid groot zijn. Heer­lijk. Wat een barmhartige en genadige goedgeefse zegenende Vader. Daar kunnen we ons iets bij voorstellen. Wat een onvoorstelbare zegen heeft zij mogen ervaren. Het kan niet op.

Maar ook wij hebben door de eeuwen zoveel zegen ervaren, dat je je afvraagt: waar hebben we het allemaal aan te danken. Kijk maar om je heen. Elke dag, wanneer je opstaat, kun je God niet genoeg danken voor wat Hij aan zegen gegeven heeft. Als je om je heen kijkt dan kan het ook niet op. Wat een ellende en armoede heerst er in andere delen van de wereld. Tachtig procent van de wereldbevolking leeft in armoede en heeft slecht twintig procent van alle goederen en wij bezitten tachtig procent, als het niet meer is. Het is je niet voor te stellen. En wat doen we er mee? We vergooien die zegen. We doen alsof we het allemaal zelf hebben verdiend. We verwerpen zelfs onze kinde­ren. Want de kinderen mogen niet geboren worden. We vermoorden ze al in de moederschoot. Wat een oordeel halen we over ons heen. God zegent ons zo geweldig, maar wij gooien zelfs de kinderen, die door Hem geschapen zijn, weg. In de afvalbak. In de container van de abortuskliniek. Vreselijk.

Lees wat er in dit hoofdstuk staat nog eens goed. Want wat voor Jeruzalem, als voorbeeld van heel Israël, geldt, geldt ook voor ons. Zij heeft op eigen schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd. Zij heeft niet de HERE God ge­diend, maar zich afgoden gemaakt. Zij is niet dicht bij de HERE God geble­ven. Neen zij heeft Hem losgelaten en is haar hun eigen afgoden achterna gelopen. En wij?, wij zijn geen haar beter. Hier lezen we dat zij zelfs haar eigen kinderen als voedsel gegeven heeft aan de afgoden. Als die maar genoeg hebben. Wij doen hetzelfde. Zelfs je eigen kind was dat waard. De kinderen werden verbrand. Vreselijk. Stel je dat eens voor. Het is je niet voor te stellen. Wie kan zich voorstellen dat kinderen uit de moederschoot gerukt worden? Dacht je nu echt dat God dit neemt? Het is Hem een gruwel. Hij komt met zijn oordeel. Hij wilde ook ons volk op de benen zetten en zegenen. Maar we zijn ‘hoer’ geworden. Ontucht is er gepleegd. Met de afgoden geheuld. Met de vijand meegegaan. We doen van alles wat verkeerd is en het is onvoorstelbaar. HERE God help ons. Vergeef ons. HERE breng ons tot bekering. Zo niet, dan komt het oordeel over ons heen. HERE help! Hoe kunnen we voor U bestaan? Want het is vast en zeker, dat als wij de brutaliteit hebben om onze eigen kinderen in de moederschoot te vernietigen, wij niet moeten opkijken dat we zelf vernietigd zullen worden. Dit is geen hobby van een paar fundamentalis­tische lieden, die steeds weer terugkomen met deze oordeelsprediking. Neen, dit is profetische taal, waar de Bijbel vol mee staat en waarvan de geschiede­nisboeken eveneens getuigen. De machtige koninkrijken waar deze gruwelen bedreven werden, zijn van de aardbodem weggevaagd. Is het niet zo dat we gedetailleerd op de hoogte zijn van wat met Israël gebeurde? Ze hebben God verlaten en ze hebben zelfs hun kinderen aan de afgoden geofferd. Het gevolg was dat ze in ballingschap zijn gegaan. Ze zijn tot op vandaag onder de vol­keren verspreid. Ze zijn vervolgd en omgekomen. Ze zijn keer op keer wegge­jaagd. En ze hebben door de eeuwen heen voor een groot deel buiten hun eigen land moeten wonen. En dat allemaal omdat ze God verlieten en zelf hun kinderen aan de Moloch offerden! God weent over het onheil dat over hen kwam en ziet verlangend naar Zijn volk uit!

We moeten dan ook niet opkijken als het mis gaat. Je ziet dat het in ons eigen land ook mis gaat. We kunnen wel denken dat de welvaart en de rust eeuwig voortduren. De HERE God komt met zijn oordeel. Niet alleen over ons land, maar over de hele wereld. De apocalyptische contouren doemen op. Alleen willen wij het niet zien, omdat we liever bij de dag leven. HERE God ontferm U. HERE God help ons en red onze kinderen. Zegen hen. HERE, help.

Ezechiël 16:35-63

5 oktober [1]

16:35

Daarom, hoer, hoor het woord des HEREN.

16:36

en om al het bloed uwer zonen die gij hun gegeven hebt – daarom zie, Ik ga al de minnaars die gij behaagd hebt, bijeenbrengen,…

16:38

Ik zal u richten naar wat men met overspeelsters en bloedvergietsters pleegt te doen; Ik zal u maken tot een voorwerp van bloedige grimmigheid en naijver.

16:40

Zij zullen een menigte tegen u doen optrekken, die u zal stenigen en met zwaarden zal neerhouwen,…

16:41

Ik zal u met de ontucht doen ophouden,…

16:44

zo moeder, dochter.

16:48

Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, voorzeker, uw zuster Sodom, samen met haar dochters, heeft niet gedaan wat gij gedaan hebt, samen met uw dochters.

16:49

zonder de ellendige en de arme te ondersteunen.

16:50

Verwaten waren zij en bedreven gruwelen voor mijn aangezicht. Daarom vaagde Ik ze weg, zodra Ik het zag.

16:57

zo is het nu de tijd, waarop gij een voorwerp van smaad zijt voor de dochters van Aram en al zijn naburen,…

16:59

Ik zal u doen, zoals gij gedaan hebt, die de eed gering hebt geacht door het verbond te verbreken.

16:60

Maar Ik zal mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken, en een eeuwig verbond met u oprichten.

16:63

opdat gij de herinnering bewaart en u schaamt en gij wegens uw schande uw mond niet meer open doet – wanneer Ik voor u verzoening doe voor alles wat gij gedaan hebt, luidt het woord van de Here HERE.

Je zult maar uitgescholden worden voor hoer. Dat laat je je toch niet aanleu­nen? Wat denken ze wel en wat wordt er wel niet allemaal over je gezegd? Jij hebt zelfs hoerengeld gegeven aan je minnaars. Dat is toch de omgekeerde wereld. Maar de hartstocht was zo groot dan ze zelfs het omgekeerde deed van wat normaal is. De hoer moet zich inzetten om klanten te krijgen, maar deze betaalt haar minnaars. Dat heb je nog nooit gehoord. Maar zo erg was het ken­nelijk gesteld met de eerbaarheid in het land. Is dat niet precies de toestand van vandaag de dag? Het lijkt er wel op of alles wat God verboden heeft moet kunnen. De ontucht, de zonde wordt gestimuleerd. Het mag allemaal. Daar moet toch een einde aan gemaakt worden. Daar kan God niet mee leven. Daar komt het oordeel over. Hij zal er een einde aan maken. Dan zullen de tegen­standers gestuurd worden en die zullen het land overvallen en zullen de inwo­ners vallen en gedood, uitgeroeid worden. Dat is niet niks. De gerichten wor­den voltrokken. Het is onvoorstelbaar. Het is eigenlijk niet voor te stellen. Het door God gezegend volk.

Maar wat wil je ook. God sloot een verbond met ze, maar zij houden zich niet aan die eed; ze verbreken het. Kijk er dan niet van op als het oordeel over je komt. Dat is toch je eigen schuld. Dan moet je je eerst bekeren en dan weer tot God gaan. Je zonde belijden en vragen of het verbond hersteld mag worden. Ze hebben het zelfs erger gemaakt dan Sodom. Nou dat was erg. Ze hebben het zelfs erger gemaakt dan Samaria en daar was de afval groot. De zonden van Sodom en Samaria verbleken bij wat zij gedaan hebben. Hoe moet dat weer goed komen? Het wordt zo moeder, zo dochter. Dat is ook een uitdruk­king die wij kennen. Het gaat hier om dochters die hun moeder in de zonde, in de hoererij navolgen. Het gebeurt vaak dat wat de moeder gedaan heeft aan slechte dingen overgaat op de kinderen. We zien dat ook voor onze ogen. Je moet je kinderen opvoeden bij de vreze des HEREN, want anders gaat het verkeerd tot in het derde of vierde geslacht. Het is ontzettend moeilijk om de zaak weer in het gareel te krijgen. Daarom is opvoeding zo belangrijk. Daar moeten we niet te licht over denken. Ze hebben alleen aan zichzelf gedacht in hoogmoed en ontucht. Naar de ellendige en de arme en de verdrukte hebben ze niet omgekeken, Terwijl God gezegd had dat dat hun eerste taak moest zijn. Daarom vaagt God hen weg.

Het oordeel komt, maar tegelijkertijd zal God gedenken aan het verbond van hun jeugd. Hij zal dit verbond weer oprichten tot een eeuwig verbond. Dan zullen jullie je schamen over wat je allemaal gedaan hebt. Ik zal mijn verbond met jullie oprichten en dan zullen jullie weten dat Ik de HERE ben, opdat gij de herinnering bewaart en u schaamt, wanneer Ik voor u verzoening doe over alles wat gij gedaan hebt, luidt het woord van de Here HERE. Ja de HERE vergeet zijn verbond niet. En Hij doet verzoening ook over onze zonden. Zelf zijn we daartoe niet in staat. Hij moet het doen. En Hij heeft het ook gedaan. Hij maakte het offer van volkomen verzoening. Hij zond zijn Zoon. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Het kon ook niet anders dan dat God zelf ingreep. Want hoe kunnen wij ooit zelf boete doen voor de zonden tegen God? Daar staat toch de doodstraf op. God alleen kan ons redden en Hij doet het ook. In de Here Jezus, die het smet­teloze Lam was. Geen ander offer was in staat om verzoening te brengen. God verzoent de wereld met Zichzelf. Hij belooft het hier.

Ezechiël 17:1-24

6 oktober [1]

17:3

De grote arend… kwam naar de Libanon en rukte de top van een ceder af.

17:4

Het bovenste van de jonge takjes brak hij af en bracht het naar een handelsland;…

17:6

zo werd hij tot een wijnstok, maakte takken en schoot twijgen.

17:7

Maar er was nog een andere grote arend… En zie, de wijnstok strekte zijn wortels naar hèm uit… opdat deze hem zou drenken…

17:10

Want zie, hij is wel geplant, maar zal het gelukken?

17:12

Zeg toch tot het weerspannige geslacht: weet gij niet, wat dit betekent?

17:14

maar het verbond moeten houden om te blijven bestaan.

17:15

Maar hij kwam in opstand door boden naar Egypte te zenden,… Zou hij het verbond verbreken en ontkomen?

17:16

in Babel zal hij sterven.

17:20

Ik zal hem naar Babel voeren…

17:21

en de overblijvenden zullen naar alle windstreken uiteengedreven worden.

17:22

Zo zegt de Here HERE: Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder (een twijgje) nemen en dat in de grond zetten;… en Ik zelf zal dat planten…

17:23

op de hoge berg Israëls zal Ik het planten, en het zal takken dragen, vrucht voortbrengen en tot een prachtige ceder worden. …in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.

17:24

Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de HERE, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik de HERE, heb het gesproken en Ik zal het doen.

Een bijzondere gelijkenis. De arend die een takje van de hoogste boom op de Libanon neemt en het moet planten. En een twijgje dat gezaaid wordt op het vruchtbare land, maar het strekt zich uit naar de tweede arend. Het gaat om de koning van Babel die het volk weggevoerd heeft, maar met Zedekia een ver­bond gesloten heeft. Echter Zedekia komt in opstand en wil via een verbond met de Farao van Egypte zich losmaken van Babel. Daar komt niets van te­recht. Ook hij wordt weggevoerd en zal in Babel sterven. Het is afgelopen met het volk. Ze zijn weggevoerd. Er blijft niets van over. Daar komt bij, dat God zijn oordeel uitstort. Nu is zijn oordeel geheel en al. Het is geen volk meer. Weggevoerd vanwege hun ongehoorzaamheid. Niet aan de koning van Babel, maar aan de HERE God zelf. Ze hebben zijn verbond geschaad, verbroken. En daarom zijn ze weggevoerd. Om alle afschuwelijkheden en gruwelen die ze bedreven hebben. Dat kan niet bestaan voor Gods ogen. Als Zedekia met een zwak volkje tegen de machtige koning in opstand komt, is het helemaal afge­lopen.

Dan komt de HERE God Zelf en Hij zal Zelf van de Libanon een takje nemen uit de top van de hoge ceder en Hij Zelf zal die planten op de hoge verheven berg en het zal een prachtige ceder worden. En dan zullen alle bomen des velds weten dat Ik de nederigen verhoog en de hoge boom verneder. De sappi­ge boom zal Ik doen verdorren en de dorre uitspruiten. God heeft zijn oog gericht op de zwakken. Ook verwacht Hij van ons, dat we op Hem vertrouwen en niet op eigen kracht. We kunnen in hoogmoed denken dat wij onszelf kun­nen redden, maar dan komen wij verkeerd uit. Ook Zedekia kan wel denken een verbond te kunnen sluiten met Egypte, maar het loopt op niets uit. Hij moest vertrouwen op de HERE en dat deed hij juist niet. Dan komt de verdor­ring en dan word je weggevaagd. Zo gaat het als je ongehoorzaam bent aan de HERE God. Het kan heel wat lijken. Je kunt doen alsof je alles in de hand hebt, maar als je God verlaat, dan heb je smart op smart te vrezen. Het kan niet anders. God is goed en Hij wil dat we Hem eren. Hij laat zijn eer niet roven. Hij herstelt alle dingen. Hij plukt zelf dat takje van de hoge ceder, van de Libanon en plant dat op de hoge berg in Israël. Dat wordt een fantastische boom. En dan zullen alle bomen des velds weten dat God het doet. Hij verne­dert de hoogmoedigen en de nederigen van hart verhoogt Hij. Wat een God!

HERE help mij zo te leven. Wilt U mijn hovaardig hart inderdaad afbreken om me geheel en al aan U toe te vertrouwen. Dat is de weg die ik wil gaan. Dank U wel voor zoveel genade en liefde voor mij. Dank U HERE.

Ezechiël 18:1-32

7 oktober [1]

18:2

de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden?

18:4

de ziel die zondigt, die zal sterven.

18:6

de vrouw van zijn naaste niet onteert…

18:7

zijn brood aan de hongerige geeft…

18:9

zo iemand is rechtvaardig; hij zal voorzeker leven, luidt het woord van de Here HERE.

18:10

Maar verwekt hij een zoon die een rover is,… één dezer dingen doet –…

18:13

Hij zal niet leven. … Zijn bloedschuld rust op hemzelf.

18:17

deze zal niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader;…

18:20

De ziel die zondigt die zal sterven.

18:21

Maar wanneer de goddeloze zich bekeert… dan zal hij voorzeker leven;…

18:23

Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? … Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve?

18:25

Maar gij zegt: De weg des Heren is niet recht. … Zijn niet veeleer uw wegen niet recht?

18:26

Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet en daarom sterft, dan sterft hij om het onrecht dat hij gedaan heeft.

18:30

Bekeert u en wendt u af van al uw overtredingen,…

18:31

en vernieuw uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis Israëls?

18:32

Want Ik heb geen welgevallen aan de dood van wie sterven moet, luidt het woord van de Here HERE; daarom bekeert u, opdat gij leeft.

Een duidelijk woord. Iedereen zal sterven om zijn eigen ongerechtigheden. Het is niet zo moeder zo dochter, zo vader zo zoon. Als de vader ongerechtig­heid doet en de zoon niet, dan sterft niet de zoon om de vader. Neen als de zoon gerechtigheid doet dan zal hij leven, maar de vader zal sterven. Kenne­lijk was het zo dat de gedachte leefde dat de kinderen hebben gevolgen van wat de ouders doen. Maar de HERE God zegt: jullie moeten daarmee ophou­den, want zo is het niet. Als de kinderen in de wegen des Heren wandelen, zullen ze leven. Wat hun vader ook gedaan heeft. Maar iedere vader en ieder kind dat ongerechtigheid gedaan heeft en zich bekeert, die zal leven, omdat hij nu doet wat de HERE God zegt. Het hier genoemde rijtje van goede dingen is waard om te onthouden. Omdat het er om gaat dat je je niet met onreinheid inlaat en dat je de armen te eten geeft, enz. Het gaat dus om de naastenliefde. Om de barmhartigheid. Om de rechtvaardigheid. Om de ander uitnemender te achten dan jezelf. Je plaatst jezelf niet op de voorgrond. Je zet je in voor de naaste. Je wil geen ongerechtigheid bedrijven. Je houdt je aan de geboden van God. Want die geboden zijn goed om te onderhouden. Die geboden doe je om in leven te blijven. Als je die niet doet, zul je sterven.

Dat lijkt een erg simpele benadering, maar het is wel de waarheid. Het is ook een vanzelf sprekende waarheid. En toch zegt men dat het niet recht van God is. Er heerst kennelijk een mening dat als je als rechtvaardige afvalt van Gods geboden, het wel goed met hem zal komen. Maar het komt niet goed. Jullie denken is niet recht, zegt God. Daar zul je ook om geoordeeld worden. Want zo haal je de slagkracht uit de oproep tot radicale bekering. Er is geen tussen­weg. Doch God heeft geen welgevallen aan de dood van de zondaar, maar veeleer dat hij zich bekeert. God wil dat alle mensen tot bekering komen. Dat is zijn liefde en barmhartigheid voor ons mensenkinderen. Maar hoe kan Hij barmhartigheid betonen als de mensen willens en wetens ongerechtigheid bedrijven. Dat is onmogelijk. God is een heilig God. Het gaat verkeerd, als de geboden van God niet meer de basis van de samenleving zijn, waarbij er geen oog voor de naaste is. Dan hoor je van liegen en vloeken, van stelen en echt­breken. Dan wordt er ontucht bedreven. Men kijkt dan niet om naar de zwakke en hongerige. Maar dan worden wel de werken van de duisternis openbaar. Dat loopt uit op ondergang. Maar nogmaals: dat is niet wat God voor ons heeft bedoeld. Glorie voor uw Naam.

Dank U HERE voor al uw liefde en barmhartigheid en redding. God is groot. Hij zegt het zwart-wit. Alles begint en eindigt met Gods verlangen om zon­daars te redden. Hij heeft geen welgevallen aan de dood van wie verloren gaat. God lijdt zelf het meest aan de zonde. Hij gaf zijn eigen Zoon. Want alzo lief had Hij de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verlore ga, maar eeuwig Leven hebbe. Glorie voor zijn Naam. Daar kun je mee verder.

Ezechiël 19:1-14

8 oktober [1]

19:1

En gij, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,…

19:3

verscheuren leerde hij zijn prooi,
zelfs mensen verslond hij!

19:4

en met haken brachten zij hem
naar het land Egypte.

19:6

hij was een jonge leeuw,
verscheuren leerde hij zijn prooi,
zelfs mensen verslond hij!

19:7

Hij onteerde hun weduwen
en verwoestte hun steden;…

19:8

in hun valkuil werd hij gevangen.

19:9

naar Babels koning voerden zij hem…

19:11

Hij kreeg sterke takken:
tot heersersstaven werden zij.

19:12

Maar in toorn werd (die wijnstok) uitgerukt,…

19:14

Geen sterke tak heeft hij meer over,
geen staf tot heersen!

Hoor je ze dit klaaglied zingen. Een klaagzang. Het land ligt in dorheid. De almacht en de majesteit van het schone Jeruzalem en de tempel. Het goud en het zilver. Het is dor en woest en ligt in puin. Weg de krachtige macht en majesteit, waar alle volken rondom van onder de indruk waren. Het is afge­lopen. Ze hebben in machtswellust de weduwen onteerd. Gods geboden niet nagevolgd. En dan gaat het verkeerd. Dan komt de straf. Dan komen de vijanden. En ze worden weggevoerd.

God laat alles goed beginnen: Hoe was uw moeder een leeuwin onder de leeuwen! Ja God heeft koningen uitgekozen en het land van de belofte gege­ven. Kijk naar het rijk van David en van Salomo. Wat een machtige vorsten. Maar kijk eens wat er daarna gebeurd is. Ze gingen hun kinderen aan de Moloch offeren. Dat had vreselijke gevolgen. Want ze kregen oorlog en het werd zo koning zo volk. Dan loopt het slecht af met een land. Het is de HERE een gruwel. Die afval van vorst en volk keert steeds terug. We moeten niet meedoen met de zonde van de boze. Dan krijgen we de kous op onze kop. Dat is klip en klaar. Je kunt bijvoorbeeld ver omhoog schieten, maar als de hoog­moed je te pakken krijgt en je stelt je eigen gerechtigheid tot norm, dan gaat het mis. Dan wordt het heersen je kracht en niet het dienen. Bij alles gaat het namelijk bij God om recht en gerechtigheid. Het gaat niet om macht en maje­steit. Die worden je bovendien geschonken. Salomo vroeg om wijsheid en niet om macht. Maar de macht en de welvaart werden hem bovendien geschonken. Zo is de weg die je moet gaan.

God is groot. Hij wil je helpen. Hij zet je op het rechte spoor. Dit klaaglied is een oproep om dicht bij God te blijven leven. Om Hem aan te lopen. Om naar Hem terug te keren, als je van Hem afgeweken bent. Want het is geweldig om een welp te zijn van een moeder leeuwin en een vader leeuw. De Leeuw van Juda. Daar is het goed toeven. Daar kun je mee verder in het leven. Dat houd je op de been. Daar blijf je krachtig bij. Zelfs temidden van de strijd. Glorie voor zijn Naam.

De koningen van Israël en Juda weten wat hen allemaal is overkomen. Want ze zijn in zonde gevallen. Ze zijn weggevoerd. Ze zijn verdreven uit hun land. En ze zijn over de volkeren verspreid tot op vandaag. Wat een straf. Wat een verdriet kan je je zelf toch aandoen. Je moet heel eenvoudig bij Jezus blijven. Bij Hem schuilen. Niets meer en niets minder. Weg al die grootspraak. Weg al die eigen kracht en patserigheid. Weg je heersersstaven. Laat je koesteren door de zachte wind in de koelte van de avond, net als bij Elia. Dan spreekt God. De stem Jezus klinkt: kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal je rust geven, want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Heerlijk om zo door Hem getrokken te worden met de koorden van zijn liefde.

Ben je dan een softie? Staat dat niet haaks op de krachtige taal van de macht­hebber. Neen, het is het hol van de leeuwin, waar de Leeuw van Juda je terrein bewaakt. Waar het vrede is en rust. Waar de vijanden niet kunnen komen, want wie kan de Leeuw van Juda verslaan? Ik zou haast een lofzang maken op dit prachtige stuk, dat ons uitdrijft naar God. Om ons op de been te houden in de tijden van moeite en zorg. Wat en machtig perspectief wenkt ons. Niets kan ons scheiden van de liefde van God, in Christus Jezus. Geef je vertrouwen maar aan Hem. Probeer het maar. Het werkt. Het werkt ondanks onszelf. Glorie voor uw Naam.

Ezechiël 20:1-44

9 oktober [1]

20:3

Mensenkind, spreek met de oudsten van Israël en zeg tot hen:… Ik laat Mij door u niet raadplegen,…

20:4

Maak hun de gruwelen van hun vaderen bekend,…

20:5

Ik zwoer hun een eed, zeggende: Ik ben de HERE uw God.

20:7

verontreinigt u niet met de afgoden van Egypte

20:8

en de afgoden van Egypte verlieten zij niet,…

20:10

Ik leidde hen uit het land Egypte…

20:11

maakte hun mijn inzettingen bekend – de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven.

20:13

Maar het huis Israëls was weerspannnig tegen Mij in de woestijn;…

20:22

Maar Ik trok mijn hand terug en handelde ter wille van mijn naam, om die niet te ontheiligen ten aanschouwen van de volken voor wier ogen Ik hen had uitgeleid.

20:23

Nochtans zwoer Ik in de woestijn dat Ik hen zou verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen,…

20:26

doordat zij alle eerstgeborenen door het vuur lieten gaan –…

20:31

…– uw zonen door het vuur te laten gaan – verontreinigt gij u aan al uw afgoden, tot heden toe, en zou Ik Mij dan door u laten raadplegen, huis Israëls?

20:35

Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht.

20:37

Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond.

20:40

Want op mijn heilige berg, op de hoge berg Israëls, luidt het woord van de Here HERE, daar zal het ganse huis Israëls in zijn geheel Mij in het land dienen. Daar zal Ik behagen in hen hebben…

20:41

Als in een liefelijke reuk zal Ik behagen in u hebben, wanneer Ik u voer uit het midden der volken. Dan zal Ik u uit de landen waarin gij verstrooid zijt, bijeenbrengen en Mij aan u de Heilige betonen ten aanschouwen van de volken.

20:42

En gij zult weten dat Ik de HERE ben, als Ik u in het land van Israël brengen zal, in het land dat Ik gezworen heb aan uw vaderen te geven.

20:43

en van uzelf walgen om al de slechte daden die gij bedreven hebt.

20:44

En gij zult weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik ter wille van mijn naam niet met u doen zal naar uw verkeerde wandel en naar uw verdorven handel, huis van Israël luidt het woord van de Here HERE.

De oudsten komen bij Ezechiël om het woord van de HERE te horen. Maar ze willen net zo zijn als de volken waar ze naar toe verbannen zijn. Ze willen ook hun welvaart hebben. Ze willen genieten van hun welvaart. Blijkbaar gaat het hun goed in het land van hun ballingschap. Ze hebben kennelijk het vermogen om zich aan te passen. Maar de HERE spreekt tot Ezechiël dat Hij geen wel­behagen heeft om met hen te spreken. Hij herin­nert hen aan wat ze Hem aan­gedaan hebben in de geschiedenis. Hij had een verbond met hen gesloten. Hij zou hun God zijn. Hij redde hen door hen naar Egypte te brengen. Maar ze hebben de afgoden van Egypte gediend. Het was de HERE een gruwel. Ze hebben niet naar Hem geluisterd. Toch heeft Hij hen uit Egypte geleid. Maar in de woestijn hebben ze Hem weer verlaten en zijn de afgoden nagelopen. God wilde hen vernietigen. Maar ter wille van zijn Naam onder de volkeren wilde Hij hen sparen. Want wat zouden die wel niet over Hem zeggen. Later hebben ze hun eerstgeborenen door het vuur laten gaan. Dat was de afgoden­dienst aan de Moloch en aan de Baal. Ze hebben zijn verordeningen niet ge­houden. Hadden ze het wel gedaan, dan zouden ze daar­door leven. De vrese­lijkste zonden hebben ze gedaan. Op elke hoogte offerden zij. Ze verlieten de HERE God. Hoe kan het ook anders, als je je kinderen offert? Het is de HERE een gruwel. Daar komt onherroepelijk het oordeel over. Dat kan niet anders. God is een heilig God. Hij duldt niet dat Zijn kinde­ren, door Hem geschapen, vermoord worden. Vreselijk.

Daarom laat de HERE God zich door hen niet raadplegen. Deze oudsten komen niet naar Ezechiël om hun zonden te belijden, maar ze willen gezegend worden in hun ballingschap. God verhaalt van hun afval in Egypte, in de woestijn en later ook in het land zelf, waardoor zowel Israël als Juda in bal­lingschap moesten. Daarvoor had Hij in Egypte al gewaarschuwd. Babel is dus niet het eindstation voor het volk. Wat God zegt dat gaat gebeuren. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Dat gebeurt. En op dit ogenblik zijn ze nog steeds onder de volken verspreid. En ze zullen er lijden, omdat de haat der volken op hen rust.

Maar eens zal God hen verzamelen uit de volken, weer terwille van zijn Naam en ze zullen terugkeren naar het land van God en wonen op de heilige berg Israëls. Hij zal zich de Heilige betonen aan de volken, want aan de vaderen heeft Hij het land beloofd. En als ze dan terug zijn, dan zullen ze walgen van alle handel en wandel die ze bedreven hebben. Ze zullen weten dat Ik de HERE, hun God ben. Wat een les der geschiedenis. God laat niet met Zich spotten. Ze zullen weten dat Hij de HERE hun God is. Want ze zullen alle­maal tot de conclusie moeten komen dat de HERE, de Schepper van hemel en aarde, de God van Israël is. Hij doet het. Hij gaat door met zijn plan. Hij komt met zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde gaan komen. En alle volken zullen weten dat Ik, de HERE, hun God ben. Wat een profetie. Wat een belofte. Wat een straf op de zonde. Hoe belangrijk is het dan ook dat we leven in de liefde en de nabijheid van God. Laten we dicht bij Hem blijven. Glorie voor zijn Naam.

Ezechiël 20:45-21:27

10 oktober [1]

20:47

maar van het zuiden tot het Noorden zullen uw aangezichten erdoor verzengd worden.

20:48

En al wat leeft zal zien, dat Ik, de HERE, ze ontstoken heb;…

20:49

Toen zeide ik: Ach, Here HERE, men zegt van mij: Spreekt hij niet enkel in raadselspreuken?

21:3

Zie, Ik zál u! …uitroeien, zowel de rechtvaardige als de goddeloze.

21:7

alle handen zullen verslappen, elks geest zal versagen en alle knieën van water zullen druipen.

21:9

Zo zegt de HERE: zeg: een zwaard, een zwaard!

21:12

Schreeuw het uit en weeklaag,…

21:17

En Ik zelf zal in de handen klappen en mijn grimmigheid laten uitwoeden. Ik, de HERE, heb het gesproken.

21:20

teken een weg, opdat het zwaard kan komen tegen Rabba der Ammonieten en ook tegen Juda, naar het versterkte Jeruzalem.

21:21

Want de koning van Babel zal aan de tweesprong staan, aan het begin van de twee wegen en waarzeggerij plegen;…

21:22

In zijn rechterhand zal het lot zijn, dat Jeruzalem aanwijst, om er stormrammen op te stellen,…

21:27

Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat hij komt, die er recht op heeft en aan wie Ik het geven zal.

Er zal vuur komen en die zal de aangezichten verzengen van iedereen. Het oordeel komt over Juda. De zonden zijn opgetast tot in de hemel. En God neemt het niet langer. Ezechiël beklaagt zich dat de mensen zeggen dat hij in raadselspreuken spreekt. Nou dat is dit hoofdstuk niet. Het zwaard zal komen en zal zowel goddelozen als rechtvaardigen slachten. Het wordt uitvoerig beschreven. Een flikkerend zwaard. Gewet en scherp. Het zal een bloedbad aanrichten. De zonden zijn onvoorstelbaar. God heeft een verbond met hen gemaakt, maar zij hebben het met voeten getreden.

Ezechiël moet een wegwijzer zetten met twee routes. Dan zal de koning van Babel komen en op het kruispunt zal hij het lot werpen en waarzeggerij ple­gen. Dat is de HERE een gruwel, maar Hij zal het gebruiken. Vervolgens zal de koning van Babel optrekken tegen Jeruzalem. Hij zal het belegeren en er stormwallen tegen opzetten. Jeruzalem zal vallen. Het land zal een puin­hoop worden. Een puinhoop. Een puinhoop! Het wordt drie keer genoemd, nou dan zal het wel verschrikkelijk zijn. Dat is toch ook wat. Het zal maar van Neder­land gezegd worden. Het hele volk weggevoerd. Het bestaat gewoon­weg niet meer. Het land is een puinhoop en de mensen zijn weg. Het is toch vreselijk. Daar moet je toch niet aan denken. Maar Ezechiël heeft het geprofeteerd. En het is gebeurd. De volken zullen weten en Israël zal weten dat Ik het ben die het vuur heeft ontstoken. Dat Ik het ben die de koning van Assur stuurt. Dat Ik het ben die met gerichten over de aarde kom, omdat de volken gezondigd hebben.

God spreekt. En het gebeurt. God wil dat allen tot erkentenis der waarheid komen. Hij is God. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Maar als de mensen willens en wetens een andere weg kiezen tegen God en dus de satan volgen, dan hebben ze een probleem. Dat gold toen en dat geldt nu ook. Daarom is het zo belangrijk dat wij dicht bij Jezus blijven leven. Dat we ons uitstrekken om het land te behoeden voor het oordeel. Hoe? Door het Woord te proclameren in alle toonaarden. Op alle manieren. Met verve. Met élan. Het is ook het mooiste wat je doen kunt. God is goed. Hij wil ons zegenen. Hij roept ons. Het is tijd.

Aan het einde van dit gedeelte is er weer de belofte. Het wordt een puinhoop, maar het zal niet zo blijven. Dat kan ook niet want Gods beloften blijven eeuwig staan. Hij zal het geven aan hem die er recht op heeft. Dit zal de Mes­sias zijn. Hij zal zijn voeten zetten op de Olijfberg en op het hoogtepunt van de grote Armageddon-strijd ingrijpen. Dan zal zijn volk zien Wie ze door­stoken hebben en hun Messias aanroepen. Dan zullen alle volken erkennen dat de HERE God is. Die grote dag is aanstaande. Heerlijk om je daar naar uit te strekken. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Ezechiël 21:28-22:31

11 oktober [1]

21:28

Zo zegt de Here HERE van de Ammonieten en van hun gesmaad; zeg: zwaard, zwaard,…

21:32

midden in het land zal uw bloed stromen, en aan u zal niet meer gedacht worden, want Ik, de HERE, heb het gesproken.

22:3

Zeg: Zo zegt de Here HERE: o stad, die in haar midden bloed vergiet,…

22:7

bij u onderdrukt men de wees en de weduwe.

22:8

Mijn heilige dingen veracht gij, mijn sabbatten ontheiligt gij.

22:11

De een bedrijft een gruwelijke zonde met de vrouw van zijn naaste;…

22:12

rente en woekerwinst neemt gij en met geweld zet gij uw naaste af, maar Mij vergeet gij, luidt het woord van de Here HERE.

22:15

Ik zal u verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen,…

22:22

Zoals zilver in de smeltoven gesmolten wordt, zo zult gij daarin gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, mijn grimmigheid over u hebt uitgestort.

22:28

zij zeggen: Zo zegt de Here HERE – terwijl de HERE niet gesproken heeft.

22:29

het onderdrukt de arme en behoeftige, en de vreemdeling doet het tegen alle recht geweld aan.

22:30

Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden.

22:31

Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen – luidt het woord van de Here HERE.

Onschuldig bloed wordt vergoten. De ene na de andere zonde wordt gedaan. Heel veel op seksueel gebied. Heel veel ook door het verwaarlozen van de naaste. God straft echter niet omdat Hij er lust in heeft. Het is met groot ver­driet, omdat zijn geboden, die goed zijn voor alle mensen, met voeten getreden worden. Ze doen het zichzelf aan. Ze laten de duivel zijn gang gaan. En dat is heiligschennis. Ze maken geen onderscheid meer tussen heilig en onheilig. Ze worden door de HERE verspreid onder de volkeren. God kan het niet meer aanzien. Ze halen het oordeel over zichzelf. Hij zal met hen afreke­nen. Jeru­zalem zal vallen. Gods geduld is op.

Maar hoe zit da bij ons? We weten het allemaal heel goed. We hoeven maar om ons heen te kijken. Wat een eenzaamheid heerst er in de bejaardenhuizen. Wat een ellende onder de asielzoekers. Wat een verdriet onder de slachtoffers van onze perverse cultuur. Wat een verkrachtingen. Wat een drugsgebruik. Wat een seksuele perversie.

En wat doen we eraan? Waar blijft onze bewogenheid en liefde. Wat doen we aan de armoede in de wereld? Wij worden rijker en zij worden armer. Ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke. De welvaart druipt er van alle kanten af. Het rijke christelijke westen bezit tachtig procent van de wereldgoederen en de armen creperen. Wij staan schuldig.

Bloed wordt er vergoten. De Baäl-Molochdienst. God neemt het niet. En van­daag wordt het bloed van ongeboren kinderen vergoten. God neemt het niet. Wie had ooit gedacht dat zelfs kinderen uit de moederschoot gerukt zouden worden. Hier staat het: het oordeel vast.

Dan lezen we vers 30. God zoekt naar mensen die in de bres willen gaan staan. Maar Hij vindt er geen. Wat een tragiek. Dat is toch niet het geval met u en met mij. Het is nu de tijd, nu de tijd, nu de tijd, om op te staan. Nog is het niet te laat.

Ezechiël 23:1-49

12 oktober [1]

23:4

Ohola is Samaria en Oholiba is Jeruzalem.

23:19

Ja, zij pleegde nog meer ontucht,…

23:22

Daarom, Oholiba, zo zegt de Here HERE: Zie Ik zet de minnaars tegen u op,…

23:30

Dat zal men u aandoen wegens uw overspel met de volken, omdat gij u verontreinigd hebt met hun afgoden.

23:37

zij hebben hun ook de zonen die zij Mij gebaard hadden, tot spijze gewijd.

23:45

en bloed kleeft er aan haar handen.

23:48

En Ik zal aan de ontucht in het land een einde maken;…

23:49

En gij zult weten dat Ik de Here, HERE ben.

Je zult maar met een hoer vergeleken worden. Je zult maar, met je tot in detail beschreven zonden, te schande worden gezet. Dat zullen de kerkleiders je niet in dank afnemen. Je zult maar geroepen zijn om het zo glashelder te moeten zeggen. Daar krijg je een hoop problemen mee. Dat zul je weten. Je haalt de problemen ook zelf over je heen. Moet je het dan ook zo hard zeggen? Daar klopt toch niets van. Dat is toch verschrikkelijk. Maar Gods oordeel staat vast. Ohola en Oholiba in Nederland. Zijn wij dan anders? Ook wij hoeren er maar op los. En waar blijft ons protest? Waar horen we nog actie?

Ohola is Israël. Die is weggevoerd. Oholiba is Juda. Die hadden toch bij Israël kunnen zien wat de gevolgen van de zonde waren. Maar ze hebben nog erger gedaan. Dan moeten ze verbaasd zijn dat het oordeel van God komt. En zo is het gebeurd. Zij zijn ook in in ballingschap gegaan. Als je hoereert met de afgoden, dan neemt God dat niet.

De profeten hebben gewaarschuwd. Maar ze gingen door en laden bloed­schuld op bloedschuld. Steeds opnieuw wordt hier het woord bloedschuld genoemd. Ze offeren hun kinderen aan de Moloch. Ze persen de armen uit. Ze verwaar­lozen de wees en de vreemdeling. De perverse seksualiteit is overal. En de volken, waarmee ze hoereerden, komen en voeren hen in ballingschap.

De schrik slaat ons om het hart. We moeten het niet langer nemen. We hebben de Heilige Here God aan onze kant. De beuk erin. De brand erin. Stoppen met zondigen en je bekeren. Met haast. En vooral de profeten lezen. Niet langer denken: ik snap er niets van. Want het is glashelder. Op zonde volgt straf. Daar kan je zeker van zijn. Je haalt het zelf over je heen.

Ezechiël 24:1-27

13 oktober [1]

24:2

Mensenkind, schrijf de datum van deze dag, de dag van heden: heden heeft de koning van Babel zich op Jeruzalem geworpen.

24:6

Daarom, zo zegt de Here HERE: wee de bloedstad,…

24:9

Daarom, zo zegt de Here HERE: wee de bloedstad!

24:14

Het zal komen, en Ik zal het doen. Ik zal noch ophouden, noch sparen noch medelijden tonen. Naar uw handel en wandel zal men u richten, luidt het woord van de Here HERE.

24:17

Kerm in stilte; dodenrouw zult gij niet bedrijven;…

24:21

Ik ontheilig mijn heiligdom, uw sterkte, waarop gij trots zijt, de lust van uw ogen en het verlangen van uw ziel; uw zonen en dochters, die gij achtergelaten hebt, zullen door het zwaard vallen.

Daarom, zo zegt de Here HERE: wee de bloedstad! Het is te laat. Het is gebeurd. Het oordeel komt. De vijand rukt op. De mensen vallen door het zwaard. Het geduld van God raakt op. God doet het. Hij zal niet ophouden. Naar je eigen handel en wandel zul je gestraft worden. Er is geen houden meer aan. Je kunt wel trots zijn op je kerken en kloosters. Trots op je mooie vrome eredienst. De uiterlijkheden. En het kan niet mooi genoeg zijn. Maar het gaat eraan. Het is eigenwillige godsdienst. Niet komend uit het hart, maar het hoofd. De leidslieden hebben de mensen geknecht. Daar gaat de brand in. Het zal gebeuren. Jeruzalem zal vallen en bedrijf geen rouw. Het oordeel is verdiend. En zij zullen weten dat Ik de HERE ben!

Wat een duidelijke waarschuwing, ook voor nu. We weten het nu van te voren. God waarschuwt en als we niet luisteren zal het geschieden wat als oordeel voorzegd is. En het is ons allemaal geschreven, zegt de Here Jezus, om ons met kracht op te roepen om Hem te volgen en in zijn geboden te wandelen. Bloed vergieten is het ergste wat kan gebeuren. Onschuldig bloed vergieten. Wat een Moloch-dienst; wat een abortus-afgodsdienst. Daar volgt onherroepelijk de straf op. Het kan niet anders. Vreselijk. Vreselijk. HERE Help, HERE vergeef.

Ezechiël 25:1-17

14 oktober [1]

25:3

Omdat gij ha! geroepen hebt over mijn heiligdom, toen het ontwijd werd, en over het land Israël, toen het verwoest werd,…

25:12

Omdat Edom wraakzuchtig gehandeld heeft tegen het huis van Juda,…

25:15

door met bitter leedvermaak wraak te nemen…

25:17

En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik mijn wraak over hen breng.

Pas op. Pas op. Als je met leedvermaak de ondergang van Israël ziet, dan roep je Gods toorn op. Hij zal dat niet nemen. Het volk Israël heeft gezondigd en wordt om hun vreselijke zonden in ballingschap gevoerd. Maar pas op dat je daar niet de spot mee drijft. Of zou zeggen eigen schuld, wat dan ook. Want het is en blijft Gods uitverkoren volk. Gods wraak, toorn komt over die volken en die mensen. En die toorn is niet mals. Hun eigen land zal vernietigd wor­den. De reden daarvoor: Zij zullen weten dat Ik de HERE ben.

Dit is een waarschuwing en oproep voor ons. Spot niet met het volk van God. Het is zijn uitverkoren land en het blijft zijn uitverkoren volk. Het is het land waar de Messias werd geboren. Het is het land waar de voleinding der dingen zal plaatsvinden. Het is het land en volk waarlangs de profetie vervuld wordt. Er is eenheid in de schriften. Wat vreselijk dat we al in de vierde eeuw de profetieën voor land en van Israël enkel en alleen op de kerk van toepassing hebben verklaard. Daarmee halen we een vreselijk oordeel over ons heen. Dat staat hier. En daar moeten we niet te lichtzinnig over denken. HERE help ons. HERE, bekeer ons.

Ezechiël 26:1-21

15 oktober [1]

26:2

omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: ha! verbroken is zij,…

26:3

Zie, Ik zàl u Tyrus!

26:18

ja, de kustlanden aan de zee zijn ontzet vanwege uw ondergang.

26:21

Dan zult gij gezocht, maar in eeuwigheid niet meer gevonden worden,…

De volgende oordelen worden aangekondigd. Nu Tyrus. Spot niet met Israël. God han­delt met zijn eigen volk. Doe daar niet een schepje boven op. Daar staat een grote straf op. Tyrus zal in eeuwigheid niet meer bestaan. Dat is niet niks. Dat is een eeuwigdurende straf, omdat je Gods oogappel aangeraakt hebt. In Zacharia staat het. En het wordt op vele plaatsen herhaald.

Wat hebben wij ons door de eeuwen heen vergrepen aan het volk van God. Ze hebben Messias Jezus afgewezen en dat mag en moet ons met groot verdriet vervullen. Net als Paulus het ervoer. Maar wee je gebeente als je daar aan verbindt dat we de Joden zo maar van de ene naar de andere Holocaust moeten vervolgen. Het is een vreselijke tragiek. Voor de Joden, maar ook voor de christenen. Wat zijn de Joden vervolgd. Terwijl we ze tot jaloersheid moesten wekken. God laat niet met zich spotten. Hij laat Zich de profetie niet ontste­len. Hij is een heilig God. Hij houdt zijn Woord. Als wij soms mochten den­ken dat God het bij het verkeerde eind heeft, dan zal ons een zware straf tref­fen. En dat zie je ook. We hebben geen zicht op de profetie als we Messias Jezus van zijn eigen profetie beroven. Dat komt ons zwaar te staan.

Ezechiël 27:1-36

16 oktober [1]

27:3

Tyrus, gij dacht:
volmaakt schoon ben ik.

27:27

weg zinken zij in het hart van de zee,
op de dag van uw ondergang.

27:36

De kooplieden onder de volken fluiten u uit,
een verschrikking zijt gij geworden,
verdwenen zijt gij – voor altijd!

Denk eens aan Rotterdam. Het is een af en aan komen van schepen. Een be­drijvigheid overal. Kranen draaien en containers gaan. Vierentwintig uur per dag. De lampen brandden sterk om het proces door te kunnen laten gaan. Heel veel mensen werken er. Verdienen er hun boterham. Vele, vele goederen uit heel de wereld worden verscheept. Het is een wereldhaven. Zo’n haven was ook Tyrus. De opsomming in dit hoofdstuk liegt er niet om. De hele toenmaals bekende wereld deed Tyrus aan. Het was een welvarende stad. De rijke koop­lieden hadden er hun opslag en handelshuizen. Maar de NBG-vertalers hebben boven dit stukje gezet: Klaaglied over Tyrus.

Waarom? Omdat Tyrus zich schamper had uitgelaten over het volk van God dat in ballingschap werd weggevoerd. Dat neemt de HERE God niet. Hij straft zijn volk, maar wee je gebeente als je je daar negatief over uitlaat. Dan ga je er zelf ook aan. En dat is in het vorige hoofdstuk beschreven. Ik zal Tyrus zegt de HERE God. Dan zien we de overeenkomst met Openbaring 18. Waar in het eindoordeel de kooplieden zien dat heel hun welvaart in één uur verdwijnt. God straft de ijdele kooplieden die denken dat ze alles in handen hebben omdat ze al veel geld en goederen bezitten. Niets is minder waar. Het is het goud van satan. Het zal weggevaagd worden en alleen zij die hun gewaden gewassen hebben in het bloed van het Lam zijn behouden.

En dat betekent, zij die dicht blijven bij het Woord. Die de profetie, de profe­tie laten. Die geloven wat er staat. Die niet links en niet rechts afwijken. En die dus ook het volk van God, het volk van God laten. Ze zijn wel verbannen om hun zonden. Maar wee degene die de oogappel van God aanraakt. Ook vandaag. God zegt: Ik zal ze!

Hoe ver staan we van Openbaring 18 af. De wereld baadt in weelde. De geldmachthebbers denken dat ze alles in de hand hebben. Niets is minder waar. God blaast erin. Het oordeel komt en de volkeren sidderen. Ramp op ramp treft hen. En toch gaat de hoogmoed door. De oproep tot bekering blijft kinken. God zegt: Het einde einde der tijden is nabijgekomen. Bekeert u, voordat het te laat is! Zie maar: wat is er van Tyrus over?

Ezechiël 28:1-26

17 oktober [1]

28:2

omdat uw hart hoogmoedig geworden is…

28:9

Zult gij dan nog zeggen: ik ben een god…

28:16

door uw uitgebreide handel zijt gij vervuld geraakt
met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde.

28:18

Door uw vele ongerechtigheden,
door het onrecht bij uw koophandel,
hebt gij uw heiligdommen ontwijd.

28:22

zo zegt de Here HERE: zie, Ik zàl u, Sidon!

28:25

Zo zegt de Here HERE: Als ik het huis Israëls bijeenverzamel uit de natiën, in wier land zij verstrooid zijn, dan zal Ik Mij ten aanschouwen van de volken aan hen de Heilige betonen, en zij zullen wonen in hun land, dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb.

28:26

Zij zullen daar veilig wonen en huizen bouwen en wijngaarden planten; ja veilig zullen zij wonen, terwijl Ik gerichten voltrek aan allen uit hun omgeving, die hen veracht hebben. En zij zullen weten, dat Ik, de HERE, hun God ben.

Het oordeel over Tyrus en Sidon. Ze zullen weggevaagd worden. Wat een af­goderij om te denken dat zij een god zijn en een godenwoning bewonen. Ze hebben gespot over het onheil dat de HERE God Israël aandeed. En dat neemt Hij niet. Het is al vreselijk wat God zijn volk moet aandoen vanwege hun gru­welijke zonden. Maar als de omringende volken ook nog spotten met Israël dan wordt de heiligheid van de HERE God gekrenkt. En God straft hen. Zij zullen weten dat Ik de HERE God ben. Dat is een les voor ons allen. We hebben te maken met een heilige God, die zijn eer niet laat roven. Pas op dat we niet spotten met de allerheiligste God. Keer op keer klinkt het: Zij zullen weten, dat Ik de Here HERE ben.

Dan volgt weer de belofte, die vervuld zal worden. Ze zullen terugkeren uit de landen waarheen zij verstrooid zijn. Zijn volk zal veilig wonen. Het is alsof God over hun zonden heenkijkt en er steeds maar weer aan herinnert dat zijn volk zal terugkeren. Hij heeft het beloofd. Hij zal het ook doen. De volken zullen weten dat Ik de HERE hun God ben. God is trouw aan zijn beloften. Terwijl Hij zijn kinderen verstrooid onder de volkeren, vanwege hun zonden, zal Hij hen ook weer terugbrengen op zijn tijd. En dan zullen ze veilig wonen. En iedereen, die tegen hen tekeer is gegaan en gespot heeft met Israël, zal vernietigd worden. Dat is geen kleinigheid. Als we denken aan de eeuwen­lange Holocaust tegen de Joden door het christelijke westen, dan is de straf daarop verschrikkelijk. Tot op vandaag is de Europese Unie in zijn geheel tegen Israël. Wij, in Europa, blijven het oordeel over ons afroepen. Daar moeten we niet te gering over denken. Het gebeurde met Tyrus en Sidon, dus ook met ons, als we ons niet bekeren!

Ezechiël 29:1-21

18 oktober [1]

29:8

Daarom zo zegt de Here HERE, zie Ik breng een zwaard over u, Ik ga mens en dier uit u uitroeien,

29:9

zodat het land Egypte wordt tot een woestenij en een puinhoop, en zij zullen weten, dat Ik de HERE ben. Omdat gij gezegd hebt: Van mij is de Nijl, zelf heb ik hem gemaakt,…

29:11

het zal onbewoond blijven, veertig jaar.

29:12

Ik zal de Egyptenaren onder de volken verstrooien en hen verspreiden over de landen.

29:13

na verloop van veertig zal Ik de Egyptenaren bijeenverzamelen uit de volken,…

29:14

en hen doen terugkeren… en daar zullen zij een onbeduidend koninkrijk zijn.

Wat een profetie tegen Egypte. We zien de piramiden. We zien de machtige Nijl. Wat een cultuur. Ze zagen tegen zichzelf op. De Nijl hadden zij gemaakt. Hun goden waren de goden van die tijd. En dan komt God. Wat denken jullie wel? Ik leg de Nijl­armen droog. En jullie zullen veertig jaar onder de volken verstrooid worden. En als jullie daarna terugkeren, zullen jullie maar een on­beduidend volk zijn. Wanneer gaat dit allemaal gebeuren? Is het al gebeurd? Hebben we ooit gezien dat de Nijlarmen drooggelegd werden? Neen. Het moet dus nog allemaal gebeuren. Wat een toekomst. Wat een geweldige om­wentelingen. Het zal allemaal gebeuren. En waarom gebeurt dit allemaal? Opdat zij weten dat Ik de Here HERE ben, de God van Israël.

Nog is Israël onder de volkeren verstrooid. We doen er goed aan ons te haas­ten om bijbelgetrouw de profeten te geloven en niet langer te denken dat er geen beloften meer zijn, specifiek voor Israël. Het is allemaal Israël dat de klok slaat. Het gaat om de eer van de HERE God. Zij zullen weten dat Ik de God van mijn uitverkoren volk Israël ben. Dat staat er keer op keer. Daar kunnen we niet ongestraft om heen zeilen. Doen we dat hardnekkig wel, dan treft het oordeel van de HERE God ook ons. En hoe treft dat oordeel ons al. De afval is ontzettend groot. Het is verschrikkelijk.

Ezechiël 30:1-26

19 oktober [1]

30:2

zo zegt de Here HERE: Weeklaagt: ach, die dag!

30:10

Ja, Ik zal een einde maken aan de drommen van Egypte door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.

30:26

Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en hen verspreiden over de landen. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

Wat een profetie over Egypte. Babel zal komen en zal de schatten van Egypte wegnemen. Egypte zal een onbeduidend land worden. Weg is de grote kracht van Egypte. Farao was een monster in de ogen van God. Hij tartte God en deed alsof hij de wijsheid en de macht in pacht had. Dat was wel buiten God gerekend. Daarmee kom je in problemen. Egypte zal veertig jaar droogliggen en de bevolking wordt weggevoerd. De Nijl ligt droog. Dat gaat allemaal nog gebeuren. Dat is in eindtijd perspectief niet meer ver van ons vandaan. Men zegt dat de Assoeandam daar de voorbode van is. Alles is in gereedheid om deze ramp te laten plaatsvinden. Bovendien wat God gezegd heeft, dat gaat Hij ook doen. Dat weten wij uit de geschiedenis. En daar moet je niet mee spotten. Want God laat zijn eer niet roven. Blijf dus letten op de tekenen der tijden en zie Hij komt. De lampen brandende houden.

Nog is Israël onder de volkeren verstrooid. Het zal allemaal eens gebeuren. We doen er goed aan ons te haasten om bijbelgetrouw de profeten te geloven en niet langer te denken dat er geen beloften meer zijn, specifiek voor Israël. Het is allemaal Israël dat de klok slaat. Het gaat om de eer van de HERE God. Zij zullen weten dat Ik de God van mijn uitverkoren volk Israël ben. Dat staat er keer op keer. Daar kunnen we niet ongestraft om heen zeilen. Doen we dat hardnekkig wel, dan treft het oordeel van de Here God ook ons. En hoe treft dat oordeel ons al. De afval is ontzettend groot. Het is verschrikkelijk.

Ezechiël 31:1-18

20 oktober [1]

31:10

en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte, daarom gaf Ik hem over aan een machtige onder de volken, die hem ten volle deed naar zijn goddeloosheid; Ik verstiet hem.

31:18

Met de bomen van Eden zult gij neergeworpen worden in de onderwereld, liggen te midden van onbesnedenen, bij hen die met het zwaard gedood zijn. Zo gaat het Farao met zijn gehele mensenmenigte, luidt het woord van de Here HERE.

Assur was groot geworden. Het machtigste land in de wereld. De volkeren woonden in zijn schaduw. Ze hadden het allemaal goed. Maar toen werd Assur buitengewoon trots op zichzelf. Zo gaat het altijd. Denken dat je het zelf allemaal gedaan hebt. Je gaat verder in eigen kracht. Je wordt trots. Je denkt niet meer aan je Maker. Je laat de mensen jou vereren. Jij bent toch zo gewel­dig. En dan gaat het mis. God laat zijn eer niet roven. Hij wil dat Hem alle eer toekomt. Dat we Hem dienen en loven en prijzen. Dat we ons bewust blijven dat we alle zegen aan Hem te danken hebben. Dat we ons niet op de borst slaan. Daar moeten we ons steeds weer in onderzoeken. Want Assur, waar het hier over gaat, wordt aan Egypte (en ons) ten voorbeeld gehouden. Egypte pas op. Want anders gaat het met jouw land en jouw inwoners net als met die van Assur. Ze zullen verstrooid worden en gedood worden. Een land worden dat niets meer voorstelt.

Dus pas op. Let op de geboden van God. Dat geldt voor ieder van ons per­soonlijk en dat geldt ook voor ons land en volk. Als we denken het in eigen kracht te kunnen doen, dan komen we slecht uit. Dan zal de zonde toenemen en de haat en nijd ook. Dan zal God ons verlaten en de boze, ik gerichte mach­ten, zullen bezit nemen van ons land en volk. Dan zal de liefde verdwij­nen en de haat toenemen. Het wordt verschrikkelijk. Dan gaan we de ondergang tege­moet. En wat zien we voor onze ogen steeds meer? De goddeloosheid neemt bezit van ons land. God laat ons ondergaan in geweld en verloedering. Assur en Egypte gelden ook vandaag ons tot voorbeeld. Bekeert U want het konink­rijk der hemelen is nabij gekomen.

Ezechiël 32:1-32

21 oktober [1]

32:15

Als Ik van Egypte een woestenij maak,
als het land beroofd wordt van al wat zich daarop bevindt,
als Ik neervel allen die het bewonen –
dan zullen zij weten dat Ik de HERE ben.

32:22

Daar is Assur…

32:24

Daar is Elam…

32:26

Daar is Mesech-Tubal…

32:29

Daar is Edom,…

32:32

Want mijn schrik verspreid Ik in het land der levenden;…

Het oordeel van God gaat over de volkeren. Zij hebben zich verheven tegen het volk van God. God straft zijn uitverkoren volk om zijn zonden, maar daar hoeven de omringende volken niet nog eens een schepje bovenop te doen. God velt de hovaardige volken.

Hef een klaaglied aan over Egypte. Het wordt een woestenij. De lijken liggen opgehoopt. Het is geen lichte straf. Het is een finale vernietiging en zij zullen neerdalen in het graf, net als de andere volken die God neerslaat. God laat niet met Zijn eer spotten. Het is de schrik van God. God is niet veranderd. Ook vandaag is Hij dezelfde. De machtige Israëls. Hij regeert het grote wereldge­beuren. Het kan erop lijken dat de mens zelf in het middelpunt staat. Dat hij zijn machtige legers en organen heeft om de wereld te besturen, maar het lijkt nergens op. Het is Gods machtige arm die alles naar zijn hand zet.

Een wereld, die in eigen macht en kracht denkt de boel te regelen, komt be­drogen uit. Een wereld die God verlaat, holt naar het oordeel over zichzelf. God is de God van recht en gerechtigheid. Hij herstelt deze wereld zoals het in het paradijs was. Dat gaat door grote strijd heen, want de tegenstander van God, de duivel, de mensenmoorder van den beginne, neemt het zo maar niet. Het is de strijd, maar de overwinning door God staat vast.

Ezechiël 33:1-33

22 oktober [1]

33:4

als dan iemand wel het geluid van de bazuin hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en rukt hem weg, dan komt diens bloed over zijn eigen hoofd.

33:5

als hij zich had laten waarschuwen, zou hij zijn leven hebben gered.

33:6

Maar wanneer de wachter… niet op de bazuin blaast,… en het zwaard komt en rukt iemand van hen weg,… van zijn bloed zal Ik de wachter rekenschap vragen.

33:7

Gij nu mensenkind, u heb Ik tot wachter over het huis Israëls aangesteld.

33:10

onze zonden rusten op ons en daardoor kwijnen wij weg – hoe zouden wij dan leven?

33:11

Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?

33:19

Doch wanneer een goddeloze zich van zijn goddeloosheid bekeert en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij daarom leven.

33:20

Maar gij zegt: De weg des Heren is niet recht. Ik zal u richten, ieder naar zijn eigen wegen, huis Israëls.

33:21

De stad is gevallen!

33:25

Zo zegt de Here HERE: Gij eet (vlees) met het bloed, gij heft uw ogen op naar de afgoden en gij vergiet bloed – zoudt gij dan het land bezitten?

33:26

Gij steunt op uw zwaard, gij bedrijft een gruwel, ieder van u onteert de vrouw van zijn naaste – zoudt gij dan het land bezitten?

33:29

En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik het land tot een oord van woestheid en verwoesting maak, vanwege al de gruwelen die zij bedreven hebben.

33:32

Zij horen uw woorden, maar doen er geenszins naar.

33:33

Doch als het komt – en het komt! – dan zullen zij weten, dat er in hun midden een profeet is geweest.

Een zeer bekend hoofdstuk. In hoofdstuk 3 zagen we dezelfde aanstelling als wachter. Wordt er op de bazuin (shofar) geblazen, maar luisteren we niet, dan is het onze eigen schuld dat het oordeel over ons komt. We bekeren ons niet. Maar als de wachter niet waarschuwt, dan vallen we eveneens, maar ook de wachter treft oordeel. Het komt er dus op aan dat er geblazen wordt en dat er geluisterd wordt.

Als de zonden op ons rusten; hoe zouden we dan leven? Maar als we ons be­keren, dan zal God horen. God heeft geen behagen in de dood van de zondaar. Hij wil ons niet straffen. Hij is niet op ons oordeel uit, maar op ons behoud. Opdat we zullen leven. Maar als we zeggen de weg des Heren is niet recht, dan halen we ons eigen oordeel over ons. Dat is een duidelijke en eerlijke zaak. Dit wordt een paar keer herhaald. God is een God van recht en gerech­tigheid. Dat staat vast. Wie daar aan tornt of twijfelt, haalt zelf het oordeel over zich. God waarschuwt. Hij blaast de bazuin van het Woord der waarheid. Hij zendt zijn profeten, herders en leraars, opdat die op de bazuin blazen en waarschuwen en waarschuwen en oproepen en oproepen. Opdat we zullen leven.

Zoals we het zien in het gesprek van Jezus met Nikodemus, dan lezen we in zijn antwoord, parallel met het bekende vers uit het Evangelie van Johannes: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Dat is Johannes 3:16. En daar volgt vers 17 op: Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroor­dele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde. Vers 18: Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. Vers 19: Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Vers 20: Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; vers 21: maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn.

God is een God van recht en gerechtigheid. Hij haat het onrecht. Hij roept op tot recht en gerechtigheid. Hij wil het Licht geven aan iedereen. Ik ben het Licht der wereld. Wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wandelen. Dat is een oproep. Daar moeten we ons aan houden. Daarbij kunnen we leven. Elke dag moeten we onszelf onderzoeken waar we ons hebben te bekeren. En daar waar ons hart weer recht komt voor God, daar komt vrijheid en blijdschap. Dan kunnen we leven. Want Gods hart gaat uit naar het hart van de zondaar, opdat hij zich bekeert van zijn boze werken en opdat hij weer kan leven in vrijheid en liefde en vrede.

De stad is gevallen. Jeruzalem wordt verwoest. Met de grond gelijk gemaakt. De tempel verwoest en het gerei gaat naar Babel. Jullie dienen de afgoden, vergieten bloed – en jullie zouden het land bezitten? Zij zullen weten dat Ik, de HERE, hun God ben. En dan zullen ze weten dat er in hun midden een profeet is geweest! Zo gaat het. De profeten profeteren. Ze roepen op tot bekering. Keer op keer. Maar het volk doodt de profeten. Ze worden gezien als ordeverstoorders. De leidslieden denken dat ze de tempeldienst èn de afgeodendienst samen kunnen gaan. Wat een misvatting, wat een afgoderij. Wat ook een voorbeeld voor ons. Bekeren is het devies!

Wat een geweldige boodschap midden in een wereld die in de zonde ligt. Het is een wereld op weg naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar de pro­feten al van spraken. De Verlosser, de Messias zou komen om de zonde te verzoenen en de weg naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde te openen. Daar spreken de profeten over! Daar leven we in, daar leven we voor. Prijs de HERE. Het kan niet stuk. Gods barmhartigheden zijn ontelbaar. Elke morgen zijn ze nieuw.

Ezechiël 34:1-31

23 oktober [1]

34:2

zo zegt de Here HERE: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden!

34:3

Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet;

34:4

zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij.

34:5

Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is,…

34:6

Mijn schapen dwalen rond op alle bergen…

34:10

Zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zál die herders!

34:11

Zie, Ik zal zélf naar mijn schapen vragen…

34:13

Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van Israël,…

34:20

Zie, Ik ga zélf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen;…

34:23

Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal, mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn.

34:25

Ik, de HERE, heb het gesproken.

34:27

Veilig zullen zij in hun land leven.

34:30

En zij zullen weten, dat Ik de HERE, hun God, met hen ben,…

Met dit stuk in het achterhoofd was het een confrontatie van de bovenste plank toen de Here Jezus in Johannes 10 over de hoofden van de Farizeeën en schriftgeleerden van Zichzelf zei: Ik ben de goede Herder. Zij waren het die het volk knechtten. Daaraan vooraf gaat het stuk over de blindgeborene. Wat een herders. Zij knechtten het volk. Zij legden het wetten op die helemaal niet door God gegeven waren. In plaats van vrijheid werden ze gebonden aan regels en allerlei eigen godsdienst. Jezus kwam om vrijheid te verkondigen. Hen te bevrijden van het slavenjuk. Daar heeft God het ook over in Ezechiël 34. Wat een valse herders en leraars. Dat is de verschrikking van de leiders van het volk. Het is harde taal. Duidelijke taal. Ik zál die herders! Ik zal zelf mijn schapen weiden. De herders worden weggejaagd. God wil er niets mee te maken hebben. Hij zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere schaap. Hij zal hen uit alle landen en uit alle volken bijeenvergaderen. Hij zal hen terugbrengen naar het land dat Hij hun vaderen beloofd had. En Hij zal hen één herder geven: zijn knecht David. Veilig zullen zij in hun land wonen. En zij zullen weten dat Ik, de HERE, hun God ben. Wat een belofte, wat een zegen, wat een duidelijke taal.

Daar moeten we vandaag ook aan denken. Die schriftgeleerden die het volk knechten moeten we de wacht aanzeggen. Je kunt het afmeten aan de Schrift zelf. Dwaalleer is dwaalleer. Daar moeten we mee afrekenen. We moeten het Woord brengen en niet een compromis sluiten met onze tegenstanders. Het Woord moet recht gesneden worden. En dat Woord brengt vrijheid. Overal waar het Evangelie valselijk knechting brengt, moeten we vrijheid verkon­di­gen. Overal waar afgeweken wordt van het Evangelie daar moeten we oproe­pen tot terugkeer. Dat is een confronterende boodschap in een tijd van afval en demonische krachten die oprukken om te zoeken wat ze kunnen verslinden. Het is oorlog in de hemelse gewesten. We moeten het niet hebben over zoetige schaapjes, maar over wolven, die het gemunt hebben op het leven van de schapen. Wat een vrede om te weten dat er bescherming is in de stal van Jezus.

Dat eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid gaat komen. En de Grote Zoon van David zal voor eeuwig op de troon zitten. Prijs de HERE.

HERE God. Ik las Ezechiël 34. Ik zál die herders, zegt U daar. Wat een krach­tig woord. Dank U HERE dat U het ondubbelzinnig duidelijk zegt. Het is te begrijpen. Wat een confrontatie toen uw Zoon sprak over de goede herder in Johannes 10. Hij sprak de schriftgeleerden aan. Zij waren de valse herders. Ze waren ontzettend boos, want ze wisten waar Hij het vandaan haalde. Zij ken­den Mozes en de profeten. Zij dachten meteen aan Ezechiël 34. Die nieuwlich­ter uit Nazareth, bedoelde dus hen. Ze zullen Hem wel eens een kopje kleiner maken. Ze gaan Hem uit de weg te ruimen. Wat een confrontatie. Wat een agressiviteit. En zo gaat het altijd.

De geestelijke leiders van nu zijn net als de geestelijke leiders van toen. Met de vrijzinnige theologen moeten wij de vloer aanvegen. Ze liegen en bedrie­gen. Wat een ellende veroorzaken zij voor de gemeente. Wat een leugenaars. Wat een gemeneriken. Met Petrus moeten we die dwaalleraars ontmaskeren en aan de kaak stellen. We hoeven er niet veel voor te doen. We nemen gewoon wat er staat en kijken hoe ze leugenachtig zijn omgegaan met wat er staat. Wat een eigengereidheid en een hooghartigheid. Ze kijken meewarig neer op het volk dat de wet niet kent, op die fundamentalisten die denken dat alles bij het oude blijft. Welnee. Wij leven nu, Wij hebben de nieuwe theologie ontwik­keld. Wij weten het beter dan God. En de mensen slikken het als broodjes van de bakker. Geen wonder dat de kerken leeglopen als de mensen er een eigen godsdienstigheid op na gaan houden. Het is het einde van het christendom. Het is voorbij. Een Evangelie naar de mens zal de kerk steeds leger maken. En dat zien we voor onze ogen. Dus terug naar het Woord van God.

Ezechiël 35:1-36:7

24 oktober [1]

35:6

daar gij het vergieten van bloed niet hebt geschuwd, zal bloed u vervolgen.

35:9

Tot een eeuwige woestenij zal Ik u maken;…

35:12

Ik heb al de lasteringen gehoord, die gij tegen de bergen van Israël gesproken hebt: zij zijn verwoest, zij zijn ons gegeven om ons te voeden!

36:7

daarom, zo zegt de Here HERE, zweer Ik: voorwaar, de volken die rondom u wonen, zullen zelf hun smaad dragen.

God straft zijn volk vanwege hun zonde. De volken rondom lasteren Israël en zij zeggen: ha, zie nu eens wat die God van hen doet. Zij willen bezit nemen van het land. Maar dan breekt God los in naijver. Het is al verschrikkelijk voor God dat Hij zijn eigen volk moet straffen. Maar dat de heidenvolken rondom daarom zijn Naam lasteren, dat neemt Hij niet. Oordelen worden uitgesproken. Nu over Edom. Het zal een woestenij worden en steden zullen nooit meer bewoond worden. En zo is het gebeurd. Het is weggevaagd van de aarde. We hebben te maken met een heilige God.

Hier eindigen de gerichten van de volken rondom. De volken zullen zelf hun smaad dragen. Dat is niet gering. Het is voor ons opgeschreven, opdat het ons een les en een waarschuwing zal zijn. Hoe meer we lezen wat hier staat, hoe meer we beseffen dat we te maken hebben met een heilige God, die zelf zal zorgen dat Israël, maar ook de volken, zullen weten dat Hij de Here HERE is. We moeten denken aan de holocausten door de geschiedenis heen, waarbij Gods uitverkoren volk keer op keer is vermoord, verjaagd en van hun rechten hebben beroofd. Tot op vandaag toe. Aan het einde van het boek geschreven door Chaim Potok, antwoordt Slepak, op een vraag hoelang een Jood zich veilig en vrij voelt: Tot aan de volgende holocaust. Dat is een diepe maar vreselijke opmerking. Maar we beseffen allemaal dat het waarheid is. De holocaust van de zes miljoen Joden in de geschiedenis van ons hoog ontwik­kelde westen vond nog maar nauwelijks zestig jaar geleden plaats. Maar het antisemitisme is wereldwijd groter dan ooit te voren. We halen daarmee wereldwijd een vreselijk oordeel over ons. We zullen het verder lezen.

Ezechiël 36:8-38

25 oktober [1]

36:8

Maar gij, bergen van Israël, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk Israël, want nabij is zijn komst.

36:11

Ik zal u bevolken als vanouds en u weldoen meer dan vroeger; en gij zult weten, dat Ik de HERE ben.

36:13

Omdat men van u zegt: een mensenverslinder zijt gij, (een land) dat zijn volk van kinderen berooft,

36:14

daarom zult gij geen mensen meer verslinden en uw volk niet meer van kinderen beroven,…

36:15

Ik zal u de hoon der volken niet meer doen horen, de smaad der natiën zult gij niet meer dragen,…

36:18

Daarom stortte Ik mijn grimmigheid over hen uit vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden,…

36:20

Dezen zijn het volk des HEREN, maar toch moesten zij weg uit zijn land.

36:22

Zo zegt de Here HERE: Niet om uwentwil doe Ik het, o huis Israëls, maar om mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken…

36:23

en de volken zullen weten, dat Ik de HERE ben,…wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen.

36:24

Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land;…

36:26

een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven.

36:27

Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt.

36:28

Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn.

36:31

Dan zult gij terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze, die niet goed was, en gij zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en uw gruwelen.

36:32

Niet om uwentwil doe Ik het, luidt het woord van de Here HERE; weet dat wel! Schaamt u en wordt schaamrood over uw wandel, huis Israëls.

36:33

zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden;…

36:36

Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten, dat Ik, de HERE, herbouwd heb wat vernield was en beplant wat verwoest was. Ik, de HERE, heb het gesproken en Ik zal het doen.

36:38

zó vol zullen de verwoeste steden zijn met mensenkudden. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

Dit is toch wel geweldig. Wat heeft Israël gezondigd. Wat heeft er een bloed gevloeid in Jeruzalem. Wat zijn er een kinderen geofferd aan de Moloch. Het bloed vloeide door de straten van Jeruzalem. Vreselijk. Wat een afgoden­dienst. De HERE een gruwel. Hoe is het zover gekomen? De HERE laat zijn eer niet wegroven. Hij had het volk uit Egypte geleid. Hij had ze het land beloofd. Hij had hen beschermd tegen de vijanden. En keer op keer viel het volk af. Ze deden niet wat recht was in de ogen des HEREN. Dan komt de ballingschap. Dan komt de straf. Een vreselijke straf. Want eerst gaan de tien stammen en daarna gaan Juda en Benjamin. Het lijkt over en uit. Ze zijn in Babel. Er niets over van dat beloofde land. De volken zeggen: Hoe zit dat nu, dit was toch het door hun God beloofde land? Dat zou toch altijd van hen zijn? En kijk nu eens. Ze zijn allemaal weg en hun tempel is verwoest. Dat slaat toch nergens op. Zo wordt de Naam van de HERE God gelasterd. Gods eer is aangetast. En dan komt God met zijn straffen voor de volkeren rondom. Want zij hebben allemaal gelachen toen Israël in ballingschap ging. Ze hebben er zelfs aan meegeholpen. Ze zeiden Ha ha, kijk nou eens. Dat is dat volk met die God, die hun dit land eeuwigdurend heeft gegeven. Lees het maar na in hun boeken. Een eeuwigdurend verbond met Abraham, Isaäk en Jakob. En nu: het is een woestenij. God zal die volken. Hij laat niet met zich spotten. Ze zullen weten dat Ik de HERE ben.

Maar dan komt hier de omkeer voor het volk. Hij doet hen niet terugkeren om hen zelf. Neen, Hij doet het om zijn eigen eer. Hij ontneemt hun dan ook de gedachte dat ze recht hebben op die terugkeer. Want als je denkt aan wat ze gedaan hebben. Hoe ze bloed vergoten hebben, hoe ze de afgoden hebben nagelopen en hoe ze het recht gebogen hebben. Hoe ze weduwe en wees ver­drukt hebben evenals de arme en de nooddruftige en de vreemdeling, dan heb­ben ze alleen maar uitroeiing verdiend. Maar toch zal God hen terugbrengen vanuit de volken waarheen Hij hen verstrooid heeft. Dan komen ze terug. Alleen maar om de eer van God Zelf. Hij gaat een keer brengen in het denken van de volken, als zou die God van Israël Zich niet aan zijn eigen Woord zou houden. Hij doet het om zijn eigen eer, opdat de volken zullen erkennen dat Hij de HERE God is. Het volk in ballingschap heeft de Naam van de HERE ontheiligd, want hun verblijf daar was het bewijs voor de volken dat ze die God van Israël ook niet al te serieus hoefden nemen. En dat kan God niet heb­ben. Hij is een jaloers God en Hij laat zijn eer niet roven. Maar Hij zal Zich voor de ogen van de volken de Heilige betonen. Hij brengt zijn volk terug in het land. En dat zal in onbekeerde staat gebeuren. Ze zullen waarschijnlijk zelf versteld staan wat er allemaal gebeurt. Want Hij brengt hen terug in het land. Hij haalt hen uit de volkeren. Dat zal een grote verandering zijn. Dat zal wel iets heel opmerkelijks zijn. Hoe zal dat gaan gebeuren? Dat staat er niet bij. Het gaat gebeuren. God heeft daar zijn eigen wegen voor.

Hij zal hun ook een nieuw hart geven. Als Hij hun niet zelf een nieuw hart geeft, komt er ook niets van terecht. Hij zal hun hart van steen veranderen in een hart van vlees. Dus ze hebben een hart van steen. Dat is niet mis. Dat is nogal wat. Vreselijk. Je moet ook wel een hart van steen hebben, als je kinde­ren aan de Moloch offert. Dat kan toch helemaal niet. Dat is toch vreselijk. Ze zijn ook in de verstrooiing niet tot inkeer gekomen. Ze hebben daar niet hun zonden beleden. Maar ze zijn als hardnekkig volk doorgegaan. Onder de vol­ken hebben ze ook volop meegedaan aan het vloeien van het bloed van de kin­deren die niet mochten leven. Wat een schuld. Maar ook vandaag worden in zijn land vele kinderen in de moederschoot vermoord. Er sterven meer kinde­ren in de moederschoot dan op het slagveld in Israël. Hoe moet het de HERE een gruwel zijn? Dat zal eindigen als God zelf hen een nieuwe hart geeft. Een hart van vlees. Dan zullen ze zijn geboden naarstig onderhouden en in zijn wegen wandelen. Dan zal er geen bloed meer vloeien. De kinderen zullen ge­boren worden. Ze zullen niet meer mensenverslinders genoemd worden, kin­dermoordenaars. Maar de kinderen zullen geboren worden. Dan zullen ze terugdenken aan de gruwelen die ze vroeger bedreven hebben en ze zullen ervan walgen. Hoe is het mogelijk dat we dat gedaan hebben? Dat is je toch niet voor te stellen. Vreselijk. Wat een afval. Wat een tergen van de HERE God. Hoe is het mogelijk dat we kinderen offeren aan de Moloch, door ze in de brandende armen van de afgod te gooien? Hoe is het mogelijk dat we kin­deren in de moederschoot stuk trekken en vermoorden alsof het dood vlees was. Het zijn levende kinderen van God. Het kan niet. Het is vreselijk. Stop­pen moet dat. Stoppen. Weg ermee. Het is de HERE een gruwel. God grijpt in. Hij duldt het niet dat ook de volkeren de kinderen verslinden en vermoorden vijftig miljoen per jaar! Hij komt met zijn oordelen. Hij maakt er een einde aan. Kinderen worden geboren aan het hart van God, die roof je niet weg. Vreselijk. Dit kan niet! Stoppen!

Ook zij zullen schaamrood staan over hun wandel, het huis Israël. Dan zal God hun steden weer opbouwen en er zal weer gewas zijn op het land. Het zal weer feest worden. Ze zullen nooit meer lijden. De volkeren zullen weten dat Hij, de HERE, hun God is die Zich aan zijn woord houdt. En nogmaals het gaat niet om het volk, maar het gaat erom dat God zijn eer gaat herstellen onder de volkeren en om zijn eigen uitverkoren volk en eigen land. De duivel zal overwonnen zijn. Hij is overwonnen op het kruis van Golgotha. Niet om onze gerechtigheid, maar om de eer van God.

Daarom is het ook vreselijk dat de gelovigen uit de heidenen opnieuw het volk van God, dus ook God Zelf hebben afgewezen. Zij hebben hun eigen petra, rots gebouwd, op hun eigen dogma’s en de Naam van de HERE God onthei­ligd. Ze hebben de profetie ontkracht. Ze hebben God in het gezicht geslagen door er nog een schepje bovenop te doen en te zeggen dat er geen beloften meer zijn voor het land en het volk van Israël. Die zijn overgaan op de kerk. En de paus, de petra, zit op de troon. Hij is de afgezant van God en als hij spreekt dan is het waar. Maar het is een leugen. Het is een slag in het gezicht van God. En iedereen die deze vervangingsleer naloopt, deze vergeestelijkings theorie van de naam Israël, en niet serieus vasthoudt aan de belofte van God, die werkt Gods plan tegen. En dat zullen we weten. Dat zal ons duur komen te staan, zoals ook hier staat. Want als de volken er ook nog een schepje bovenop doen om aan Gods oogappel te komen, dan zullen ze zich deerlijk verwonden. Dat zien we voor onze ogen gebeuren. We verwonden ons al deerlijk als er zoveel leed en ellende is wereldwijd, maar ook in eigen land. God laat zijn eer niet roven.

We doen er goed aan om de profeten te lezen. En met betoon van geest en kracht dat Evangelie te brengen. Doen we het niet dan gaan we eraan. Alle glorie en lof zijn des HEREN. Wat een boodschap. Wat een God, wat een belofte, maar ook wat een oordeel op ongehoorzaamheid en afval. Laten we met walging denken aan alles waar we de eer van de HERE God tekort doen. Het is Hem een gruwel en dat moet het ons ook zijn.

Ezechiël 37:1-28

26 oktober [1]

37:1

en zette mij neer in een dal; dat was vol beenderen.

37:2

en zie, zij waren zeer dor.

37:3

Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven?

37:5

Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven;…

37:6

en gij zult weten, dat Ik de HERE ben.

37:7

en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden;…

37:8

maar geest was er nog niet in hen.

37:9

zeg tot de geest:… Kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven.

37:10

en de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger.

37:11

Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israëls. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan.

37:12

Zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls.

37:13

En gij zult weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk.

37:14

Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord des HEREN.

37:16

neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten, die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop Jozef – het stuk hout van Efraïm – en het gehele huis Israëls, dat daarbij behoort;

37:17

voeg ze dan aan elkander tot één stuk hout, zodat zij in uw hand tot één worden.

37:19

Ik… maak ze tot één stuk hout, zodat zij één zijn in mijn hand.

37:21

Zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen.

37:22

En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken.

37:23

Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zijn en Ik hun tot een God zal zijn.

37:24

En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn.

37:25

ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn.

37:26

Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn;…

37:27

Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn.

37:28

En de volken zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat.

Waar hebben we het eigenlijk over? Waarom doen we zo moeilijk? Het staat er toch. De dorre doodsbeenderen zullen weer tot leven komen. De HERE zegt het toch. Nou dan zal het ook gebeuren. Daar hoeven we niet moeilijk over te doen. Alsof we het geestelijk moeten zien. Het staat er en zo gaat het gebeu­ren. Basta. Men kan wel denken dat er niets meer van komt, maar zo is het niet. God laat zijn volk niet in de steek. Ze kunnen meer dan vierhonderd jaar in Egypte zijn, maar dan gaan ze ook weer terug naar het beloofde land. Ze kunnen zeventig jaar in ballingschap gaan, toch komt er een deel terug. En als de Messias geboren is, de lijdende knecht des HEREN, dan breekt er een nieuwe tijd aan. De tijd is vervuld, het Koninkrijk der hemelen is nabij geko­men. Gelooft het Evangelie. Dat was de centrale prediking en sindsdien is het de centrale prediking.

Maar wat is het snel mis gegaan. Al heel gauw kwam de splitsing tussen kerk en synagoge. Want de Joden moesten niets van Jezus hebben, voor hen was het een gruwel Een valse Messias. Die moest je te vuur en te zwaard bestrij­den. En dat deden ze dan ook. Er stonden drie kruisen, maar later stonden er duizenden kruisen. Toen Paulus het Evangelie verkondigde, werd hij voortdu­rende vervolgd. En dat gaat maar door. Het Evangelie van een gekruisigde Messias roept weerstand op. De duivel wil roet in het eten gooien. Die weet dat met kruis en opstanding en uitstorting van de Heilige Geest zijn strijd is verloren. Hij zal alles doen om er nog zoveel mogelijk mee te slepen, maar zijn tijd heeft hij gehad. De HERE God volvoert zijn plan. Hij komt wonen in zijn land in zijn stad bij zijn uitverkoren volk en Hij zal hen daarvoor terug brengen uit al de landen waar Hij hen naar toe verstrooid heeft. Niks vervan­gings-theologie. Geen geestelijk Israël. Het klopt niet. Het staat hier toch. Je kunt voor Israël wel allemaal kerk invullen, maar dan kom je heel moeilijk uit. Je moet de Bijbel dan wel laten buikspreken om er een touw aan vast te kno­pen. Al dat gefilosofeer hoe het allemaal zit. Het staat er toch en waarom zou je er aan twijfelen. Als je eerst een theologie gemaakt hebt om de beloften van land en volk van Israël op de kerk te laten overgaan en vervolgens probeer je wat er staat in te passen in die theologie, dan moet je je wel in erg veel kron­kels wringen om er nog een sluitend verhaal van te maken. Dat lukt ook niet. Het is daarom uitermate belangrijk om de Bijbel weer als Bijbel te nemen en de dikke korsten dogmatiek er af te krabben. Dat vraagt een enorme inspan­ning, maar het is wel de weg. Het staat hier toch.

Als het volk denkt, het is voorbij, we zijn te dor dan grijpt God in. Hij doet ze opstaan en Hij brengt ze uit alle landen. Want zij zijn zijn oogappel. Als de dorre beenderen tot leven komen en de graven zich openen zal de koning komen. Dan zal God Zelf optreden. Dan zal Hij zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid grondvesten. Als wij aan het eind van ons Latijn zijn, dan kan God ingrijpen. Hij wil dat Hij alle eer krijgt. Wij lopen zo met de eer van God weg. Dat duldt Hij niet. Ze zullen weten dat Ik, de HERE, hun God ben. Wat had het volk gezondigd. Ze waren daarvoor in ballingschap gegaan. Dat was niet de schuld van God. Neen, dat was hun eigen schuld. De profeten waren gekomen en hadden gewaarschuwd en gewaarschuwd, maar ze hadden niet geluisterd. Ze waren hardnekkig in hun zonden. Ja dan moet je ook niet op­kijken dat het verkeerd afloopt. In het jaar zeventig zijn ze opnieuw hun land uitgejaagd. Jeruzalem is gevallen en het land lag er honderden jaren woest en verlaten bij. Volkeren zijn er door getrokken. Van de tempel was niets meer over tot op vandaag toe. De eer van God is gebroken en ook vandaag zijn het de ongelovige Joden die veelal in Israël de dienst uitmaken. Er is een klein aantal orthodoxe Joden, maar die hebben niet veel in te brengen. Die verwer­pen ook vandaag nog hun Messias. Dat blijft voor hen de valse Messias van de christenen, die hen door alle eeuwen heen holocaust op holocaust gebracht heeft. Voor hen is het kruis het zwaard. En een christen-Jood is in hun ogen geen Jood. Die verliest ook het recht op terugkeer naar het land. De messias­belijdende Joden worden telkens belaagd en vervolgd. Maar hier staat het. Hij zal hen Zelf weer terugbrengen uit de volkeren waarheen zij verstrooid zijn. Hij zal hun dorre beenderen weer tot leven brengen. Hij zal hun graven openen. Het gaat gebeuren.

Vervolgens krijgt Ezechiël de opdracht om twee stukken hout te nemen. Een heel duidelijk voorbeeld. Juda en Efraïm (Israël). Het grote rijk van David en Salomo werd gedeeld omdat Salomo aan het eind van zijn dagen zijn heidense vrouwen liet offeren aan de Baäl en de Moloch. Hun kindertjes werden in de bronzen armen van de Moloch gegooid, waar ze levend verbrandden. Dat leverde de straf op van de deling van het rijk in tien en twee stammen. Maar ook die deling zal weer opgeheven worden. De twee houten worden één. Zo was het en zo zal het weer worden. God is goed. Hij houdt zich aan zijn woord. Alle Israëlieten zullen weer terugkomen. De tien stammen en de twee stammen. Hoe komt het toch dat hierover nooit gesproken wordt? Het staat er toch. We hebben het steeds over de Joden, maar er zijn nog tien stammen en die passen ook in het heilsplan van God. Daarom doen we er goed aan om de profeten nauwkeurig te lezen, om de roadmap te kunnen ontcijferen. Wij christenen hebben de profetie verwaarloosd door de eeuwen heen. Het zal ook heel wat betekenen als we echt naar de Joden toegaan schuldbelijden. Want zij zijn slachtoffer geworden van een antisemitische bijbeluitleg en een politiek die uitliep op nationaal-socialisme. Maar hier wordt alles weer hersteld. God spreekt.

En de grote Zoon van David zal voor eeuwig Koning zijn op de troon. Dat is heerlijk. Dan ben je verzekerd van veilige bewaring. God sluit met hen een vredesverbond en zij zullen voor altijd in het land wonen. Wat een zegen. Wat een God. Het is geweldig om deze letterlijke beschrijvingen ook letterlijk te nemen. We kunnen er geen tijdklok bij zetten, maar alles lijkt erop dat er spoedig een grootse beweging gaat ontstaan. God is goed. God sluit voor eeuwig een verbond met zijn volk. En David zal op de troon zitten. God wil zelf bij hen wonen. In de stad van de grote Koning. De volken zullen weten dat de HERE God is. Het volk zal dan zelf naarstig de geboden onderhouden. Dat is de motor waar alles op draait.

Het is een fantastisch hoofdstuk. God zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn. Dat is toch een duidelijke stelling. Daar kun je toch niets tussen krijgen. Dat is toch een waarheid. Je moet je in vele bochten wringen als je dat wilt vergeestelijken. Het gaat toch over Israël en Juda. Het gaat toch over de twee houten. Het gaat toch over een land waar we van weten dat God het uitverkoren heeft. Dat er eeuwigdurende beloften zijn aan Abraham. Ja er is en kink in de kabel gekomen, omdat ze God ver­laten hebben. Zij hebben de afgoden gediend. Ze hebben hun kinderen aan de Moloch geofferd. Maar hoe lang het ook duurt, het land zal hersteld worden. Hoe kun je dat beeldender voorstellen dan door van twee stukken hout één te maken. Dat is toch symbolisch voorgesteld op een manier die maar voor ener­lei uitleg vatbaar is. Hoe halen we het dan in ons hoofd om daar maar een theologie van vergeestelijking op los te laten? Als je dat durft, sla je een gat in Gods plan. Dan stel je je eigen theorie boven de wederkomst. Hoe kun je nu Messias Jezus beroven van zijn eigen profetie? Over Hem is toch geprofeteerd als de komende lijdende Messias. En Hij is toch gekomen, zoals Hij in de Schriften is voorzegd. Kijk maar naar alle teksten waarin zijn komst aange­kondigd werd. Je kunt het nakijken en wee je gebeente als je het lef hebt om aan één van de teksten te twijfelen. Dan ben je je bijbelgetrouwe predikaat kwijt. Neen dat staat vast en zeker. Wij nemen het de Joden kwalijk dat ze het niet willen zien en geloven, omdat we vinden dat het er zo duidelijk staat. Maar dan ineens als het gaat over de nog te vervullen profetie schamen we ons niet om daar de vergeestelijkingstheorie op toe te passen. Dat slaat toch ner­gens op. Als we een eenheid in exegese willen, dan staan ook de profetieën ten aanzien van de wederkomst van de Messias net zo vast als die ten aanzien van zijn eerste komst. Dat is toch logisch. Waarom zouden we dat niet ge­loven? Het geeft toch geen pas om die profetieën weg te roven van de Joden, omdat ze niet in Messias Jezus geloven. Hoe kunnen we ooit een Jood jaloers maken, als we hem eerst beroven van de profetieën die juist op hem slaat? Het zijn toch profetieën die gaan over het herstel en de terugkeer van zijn volk dat zal komen in zijn land, naar zijn stad, naar zijn basis. Het is toch God die belooft dat Hij zijn wet in hun binnenste zal leggen. Hij zal hen een hart van vlees geven. Hij zal zijn geboden in hun binnenste leggen en ze zullen zijn volk zijn. Ze zullen niet meer vervolgd worden. Ze zullen niet meer verstrooid worden en het land zal niet meer woest zijn. Het is profetie van hoop en van heil en wij maar zeggen dat die profetie niet meer geldt. Dat kan een Jood toch nooit rijmen. Hij moet in Messias Jezus van de Schriften gaan geloven, terwijl diezelfde Messias Jezus in de eerste plaats voor zijn eigen volk is gestorven. Wat willen de heren theologen nou aan met dit hoofdstuk uit Ezechiël? Wat is dan volgens hen Juda en wat is dan volgens hen Israël? En hoe moet dat dan in de toekomst? We leven in een tijd van grote spanningen. We zien de strijd samenballen in het Midden-Oosten. We weten van oorlog in regio. We zien de problemen in en rond Israël. We zien het toch voor onze ogen. Is dat allemaal toevallig? Het is toch zo dat de hele wereld gefocust is op de strijd in het Midden-Oosten. Nu dan, wordt het dan niet tijd dat we onze ogen ook exege­tisch openen en de Bijbel lezen zoals het er staat? Dan zul je ontdekken dat je ook meer inzicht krijgt in de ethische en politieke problematiek van deze tijd. Want als het volk verstrooid is onder de volken om hun zonden en hun onge­loof, zien we gelijktijdig het opleven van het antisemitisme in de wereld. We hebben holocaust op holocaust gehad en ook vandaag is er een huizenhoog antisemitisme. Niet alleen in de moslimlanden maar ook hier in West-Europa, in de Europese Unie. Het is toch verschrikkelijk, na de tweede wereldoorlog opnieuw dit verschijnsel in Europa. Maar als we aan Gods oogappel komen, dan zal dat op ons hoofd terugkomen. Ik zal die landen zegt God. Dan komt Gods toorn over ons en dat zien we. Als wij ook bloedschuld op ons laden en de kinderen met miljoenen in de moederschoot doden, omdat wij onze eigen welvaart en gemakzucht hoger achten dan Gods geboden, die ook ethisch juist zijn, dan moeten we niet opkijken dat het oordeel ons treft. Het oordeel treft ons dubbel. We richten ons tegen zijn oogappel en we laden bloedschuld op ons. Daar kan alleen maar Gods oordeel over komen. En dat zullen we zien ook. Daarom is het des te belangrijker om ons met spoed te bekeren. Daar moeten we niet halfslachtig mee zijn. Dat moet radicaal gebeuren. Daar moeten we de barricaden voor op. Wij mogen Gods water niet over Gods akker laten lopen, want dan zullen we het weten. Dan wordt het geweld op geweld en bloedbad volgt op bloedbad.

Hoe dan verder? Heel eenvoudig. Net als in de tijd van de profeten, een radicale oproep tot bekering laten uitgaan. Een radicale draai naar het licht. Een radicale afrekening met alles wat zonde is. Niets meer en niets minder. Hoe? Heel eenvoudig. Pak het Woord van God. Lees het en lees het voor. Het staat er. Dat gold toen en dat geldt nu ook. Glorie voor zijn Naam. De HERE zij geprezen. Heerlijk om met zo’n Evangelie te mogen leven. Want het kan stormen om je hoofd, maar het blijft heerlijk om je veilig te weten in de schuilplaats van de Allerhoogste. Wie wil dat niet temidden van al de stormen en het gebral en het gevaar? Dit is een verblijdend hoofdstuk. Het herstel aller dingen. Daar staat de Bijbel vol van. Je kunt het alleen ontdekken als je het ook gaat lezen. En als je het leest, dan lees jij het niet, maar je wordt gelezen: de Bijbel leest jou. Zo is het goed. Wij willen ons niet verbeelden dat we God kunnen lezen. De hoge heilige God, die in zijn grote liefde en ontferming naar ons toekomt en Zich over ons ontfermt. Daar word je blij van, met al je lek en gebrek. Als we het van onszelf verwachten, zijn we al moe als we opstaan. Wat denken we wel? We zitten zo in de put, want er komt zoveel op ons af wat we niet begrijpen. Waar we van in de war raken. Maar we klauteren er weer tegenop, als we ons op God richten.. Laat al je zorgen maar bij Hem. Dat willen de mensen niet, omdat ze alles zelf willen doen. Dan tobben ze een tijd voort. Doodvermoeiend raken ze steeds verder in de put. Om dan te ontdekken dat het vaderhart van God zo geweldig ontwapenend en bemoedigend is. Zo zonder vragen, maar eigenlijk heel eenvoudig: Kom maar bij Mij. Stel maar geen vragen. Ik stil je vragen wel. Ik geef je rust, want mijn last is licht en mijn juk is zacht. Het is toch geweldig om met zo’n boodschap te leven. Ik kan er niet over ophouden. Want zoals de profeet zegt van God: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn.

Ezechiël 38:1-23

27 oktober [1]

38:2

richt uw aangezicht tegen Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesech en Tubal;…

38:3

Zie, Ik zál u, Gog, grootvorst van Mesech en Tubal!

38:4

Ik zal u komen halen, haken slaan in uw kaken…

38:6

vele volken met u.

38:8

in de toekomende jaren zult gij optrekken tegen het land dat zich van de krijg hersteld heeft, (een volk) dat uit het gebied van vele volken bijeengebracht is op de bergen Israëls die tot een blijvende wildernis waren geworden, maar het is uit de volken uitgeleid; allen wonen zij in gerustheid.

38:9

Dan zult gij optrekken als een opkomend onweer;…

38:10

gij zult een boze aanslag beramen,…

38:12

tegen een natie die uit het gebied der volken bijeengebracht is,…

38:13

om een grote buit te maken?

38:16

In toekomende dagen zal het geschieden, dat Ik u doe optrekken tegen mijn land, opdat de volken Mij leren kennen, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u, o Gog, de Heilige betonen zal.

38:17

welke in die dagen jarenlang geprofeteerd hebben, dat Ik u tegen hen zou doen optrekken?

38:18

dan zal mijn grimmigheid opstijgen…

38:19

Waarlijk, te dien dage zal een zware aardbeving het land Israël teisteren.

38:20

Ja, beven zullen voor Mij de vissen der zee,… en alle mensen die op de aarde leven;…

38:21

het zwaard van de een zal tegen de ander zijn.

38:22

Ik zal met hem in het gericht treden door pest en door bloed; stromende regen en hagelstenen,…

38:23

Ik zal Mij groot en heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij zullen weten dat Ik de HERE ben.

Zie je ze komen. Ja ze komen. God slaat haken in hun kaken. Hij trekt ze uit het Noorden. Hij verzamelt ze om op te trekken tegen zijn land. Ze zullen komen op de bergen van Israël. Ze zullen optrekken tegen de Heilige. Een onvoorstelbaar leger. Het is onvoorstelbaar. Dat alles terwijl Israël in vrede woont op de bergen, in de dorpen. En dan ineens komt dit leger. God doet ze optrekken. Hij wil zich de Heilige betonen aan zijn volk. Het volk zal zien dat Hij de HERE, hun God is en de volken zullen weten dat de HERE God is. Wat een leger. Hoe zal het gaan. Wat gaat eraan vooraf? Hoe zullen we het weten? Wanneer zal dat zijn? In toekomende tijd zult gij optrekken tegen het land dat van de krijg hersteld is. Het volk is terug in het land. God heeft ze verzameld vanuit alle volken waarheen Hij ze verstrooid had. Ze wonen in vrede. En dan komt dit leger op de bergen van Israël. Ook zal er een grote aardbeving komen, zoals er nog nooit geweest is. De vissen in de zee schrikken ervan en de bergen zullen wankelen en alles zal instorten. Dat zal een grote aardbeving zijn! Dat kunnen we ons niet voorstellen. De hele wereld zal het weten. De aarde wankelt. Wat een ingrijpen van God. Dan zal de een de ander bestrijden en ze zullen vallen op de bergen van Israël. God zal met hen richten door de pest en door bloed, stromende regens en hagelstenen, vuur en zwavel zal op hen neerkomen. God zal hen vellen. Ze zullen bij duizenden, bij hondderd­duizenden vallen. God treedt op.

Pas op dat je niet antisemitisch bent. Pas op dat je je niet verzet tegen Gods oogappel. Je leven hangt er vanaf. We spelen met vuur. De wereld gaat tekeer tegen het volk van God. Maar God volvoert zijn plan. Hij voert hen uit de volkeren terug. Daar zien we nu al een begin van. Hoe is het mogelijk dat er al zoveel terugkomen? De Jemenitische Joden, de Ethiopische Joden, de Russi­sche Joden en nog vele Joden zullen komen. Ze zullen allemaal terugkomen. En de volkeren zullen hen terug brengen. Wie daar aan meewerken zullen gezegend worden. God is groot. Looft de HERE.

Hoe is het mogelijk dat er nog mensen zijn die zeggen dat al deze profetieën vergeestelijkt kunnen worden? Het staat er toch. Wij moeten de profeten lezen. Het is zo belangrijk, niet alleen om de toekomende tijd, maar ook voor vandaag de dag. Want zoals de profeten in hun dagen opriepen tot bekering, tot het zich afwenden van de afgoden en terug te keren naar God, zo moet deze boodschap ook nu klinken. We moeten niet onze hedendaagse afgoden achterna lopen, maar ons geheel en al richten op de HERE God. Prijst de HERE. Ook u, lezer, roepen we op tot bekering in het vooruitzicht van de wederkomst van de Messias. En dan komt alles in het teken te staan van het komende oordeel. Kies dan het leven! De dood en het leven worden ons voorgehouden. De oproep is om het leven te kiezen. Daar gaat het om. Daar moeten we ons op richten en daarom mogen we ons uitstrekken naar de HERE God. We mogen zijn Naam proclameren onder de volkeren. We mogen Hem eren en loven en prijzen. En daar word je blij van. Daar word je enthousiast van.

Hoe kan het ook anders? Want God is goed. Hij zal Zelf zijn volk verlossen. Ze zullen komen om Gods volk, zijn oogappel uit te roeien, maar dan zullen ze zien dat God zelf ingrijpt. Hij duldt het niet dat de heidenen denken hun gang te kunnen gaan. Hij Zelf zal hen daar naar toetrekken om ze dat duidelijk te maken. De volken uit het Noorden: Gog en Magog. De volken waar de HERE de Joden naar toe verstrooid had. Dat is ook het nieuwe land in het Westen, waar vanuit het Noorden de mensen naar toe getrokken zijn: Amerika. Daar wonen meer dan vijf miljoen Joden en die zullen ook terug keren. Daar lijkt het nu nog niet op, maar dat gaat wel gebeuren. God roept ze uit alle landen waarheen Hij ze verstrooid heeft. Want Hij blijft bij zijn verbond. Hij zal zich over hen ontfermen. Hij zal een keer brengen in hun lot. Hij zal het Zelf doen. Ze komen in onbekeerde staat, maar Hij zal hen een hart van vlees geven. Dan zullen ze zijn geboden volgen en dan zal het feest zijn. Heerlijk.

Wat een Evangelie en wij die geënt zijn op die stam, zullen ook tot het uit­verkoren volk behoren. Wij zijn ook het volk van God. We behoren ook tot zijn heilige natie. We zijn ook geënt op de stam, behoren ook tot het volk van Abraham. Ons gelden ook de beloften. Hij zal alles herstellen. Dat is een geheim. En we zullen nog versteld staan van wie er allemaal opgewekt worden om terug te gaan. Want waar zijn al die mensen van de tien stammen geble­ven? Waar zijn ze naar toegetrokken? En dat is nu al bijna drie duizend jaar. God zal ze zelf opwekken. Dat zullen miljoenen zijn. We zullen er nog van opkijken. Daar horen miljoenen bij die nu helemaal niet beseffen dat ze tot het volk behoren. Die zullen gaan ontdekken dat ze er ook bij horen. Dat zal ook bijzonder zijn. We weten er eigenlijk helemaal niets van, want we hebben het nooit uitgezocht waar die tien stammen gebleven zijn. Maar ze zijn natuurlijk wel ergens. Alleen hebben we er overheen gelezen. Dus we moeten eerst maar weer eens lezen wat er staat. En dan ontdek je genoeg.

Jeremia 31:31. Het Oude (Eerste) Testament, de Tenach, daar leerden juist de Joden uit. Ze kenden de profeten. Ook al leggen ze Jesaja 53 anders uit dan wij. Daar gaat het over de lijdende knecht des HEREN, waar zij, door de be­dekking die zij van Godswege hebben gekregen, de Here Jezus niet in herken­nen. En daar kwam het grote schisma uit voort tussen de Joden en de gelovi­gen in de Messias Jezus. De Messiasbelijdende Joden worden de grootste vijanden van de orthodoxe Joden. We zijn elkaar kwijt geraakt. De gelovigen uit de heidenen hebben zich de beloften voor het huis van Israël toegeëigend. Ze zijn op het verkeerde spoor geraakt. Ik zal die volken. want ze hebben in hun vuistje gelachen, omdat God zijn volk strafte. Zie je wel, zeiden ze, er klopt niets van. Hun God laat hen zelfs in de steek. En zij zeiden toch altijd dat God een eeuwig verbond met hen gesloten had? Nou daar zien we mooi niets van. Zo spreekt men ook vandaag. Wij houden helemaal geen rekening met het feit dat God echt een eeuwig verbond met zijn volk gesloten heeft. We doen alsof de volkeren het volste recht hebben om Israël te kleineren. Ze te dwingen land af te staan. Ze onder druk te zetten als het gaat om hun religieu­ze zaken. Israël wordt behandeld als ieder ander land. Ze moeten niet te vele kapsones hebben. De vijanden mogen de ene zelfmoordenaar sturen na de ander, maar wee je gebeente als Israël terugslaat. Het is een omgekeerde wereld. De moordenaar gaat vrijuit en het slachtoffer mag zich niet verde­di­gen.

Het zal alles uitlopen op die grote eindstrijd. Israël zal hersteld worden. Er komt leven in de dorre doodsbeenderen. Ze zullen weer naar hun land terug­keren. God haalt hen zelf uit alle volken waaronder zij verstrooid zijn. Vervol­gens zal Hij de vijanden met haken in de kaken slaan en ze naar de bergen van Israël trekken om de laatste strijd te voeren. Dan zal zijn volk weten dat Hij de HERE hun God is en de volkeren zullen weten dat Hij de HERE is. Het gaat om de eer van God. Glorie voor zijn Naam.

Ezechiël 39:1-29

28 oktober [1]

39:1

Gij nu, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zo zegt de Here HERE: Zie Ik zál u, Gog, grootvorst van Mesech en Tubal!

39:2

Ik zal u komen halen en u voortdrijven, u doen optrekken uit het verre noorden en brengen op de bergen van Israël.

39:3

Dan zal Ik de boog uit uw linkerhand slaan en de pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

39:4

Op de bergen van Israël zult gij vallen, gij met al uw krijgsbenden en de volken die met u zijn;…

39:6

Ik zal vuur werpen in Magog en onder hen die in gerustheid de kustlanden bewonen; en zij zullen weten dat Ik de HERE ben.

39:7

Ik zal Mijn heilige naam bekend maken onder mijn volk Israël; Ik zal mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen; en de volken zullen weten dat Ik de HERE ben, heilig in Israël.

39:8

Zie, het komt, het zal geschieden, luidt het woord van de Here HERE; dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb.

39:9

zeven jaar lang zullen zij daarmee hun vuur stoken,

39:11

Te dien dage zal Ik aan Gog een plaats geven, waar zijn graf zal zijn in Israël: het dal der doortrekkenden, ten oosten van de zee;…

39:12

Het huis Israëls zal hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang;…

39:21

Zo zal Ik mijn heerlijkheid onder de volken brengen, en zullen alle volken het gericht zien dat Ik voltrokken heb,…

39:22

Het huis Israëls zal weten, dat Ik, de HERE hun God ben, van die dag af en voortaan.

39:23

En de volken zullen weten, dat het huis Israëls om zijn ongerechtigheid in ballingschap is gegaan; omdat zij Mij ontrouw geworden waren, had Ik mijn aangezicht voor hen verborgen en hen overgegeven in de macht van hun tegenstanders, zodat zij allen door het zwaard vielen.

39:25

nu zal Ik een keer brengen in het lot van Jakob en Mij ontfermen over het gehele huis Israëls, en ijveren voor mijn heilige naam.

39:26

Zij zullen de smaad en al de ontrouw, waarmee zij Mij ontrouw geweest zijn, vergeten, wanneer zij weer in hun land wonen, veilig, zonder dat iemand hen opschrikt.

39:27

Als Ik hen uit het gebied der volken terugbreng en hen uit de landen van hun vijanden verzamel, dan zal Ik Mij voor het oog der talrijke volken aan hen de Heilige betonen.

39:28

En zij zullen weten, dat Ik de HERE hun God ben, zowel wanneer Ik hen in ballingschap wegvoer onder de volken, als wanneer Ik hen weer in hun eigen land verzamel, zonder dat Ik iemand van hen daarginds achterlaat.

39:29

En Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik mijn Geest over het huis Israëls heb uitgestort, luidt het woord van de Here HERE.

God zelf zal Gog en andere volken doen optrekken naar de bergen van Israël en daar zullen de volken vallen die een afkeer van Israël hebben. Hun gedrag is de HERE een gruwel. De HERE duldt niet dat ze zijn volk onderdrukken. Hij neemt het niet. Hij is een jaloers God. Wat denken ze wel dat ze zijn oogappel, waar Hij al zoveel verdriet over heeft gehad, ook nog een trap na kunnen geven. Het is net als een vader die zijn zoon moet straffen, omdat hij ongehoorzaam is. Maar als de buurman er dan ook nog een schepje bovenop doet, dan kan de vader dat niet hebben. Dat drijft hem helemaal dol. Hij vindt het al verschrikkelijk dat hij zijn zoon moet straffen. Dat is toch heel logisch. Zo is het met de volken die er genoegen in hebben dat het volk van God gestraft wordt. Wat laden we dan een schuld op ons als we bedenken dat in het christelijke westen, in het Hitler-Duitsland zes miljoen Joden zijn vergast. Hoe halen we het in ons hoofd om niet vol liefde voor Israël te kiezen? De wereld kijkt toe en het gebeurt opnieuw. Niemand is voor een trein met op transport gestelde Joden gesprongen om hem te doen stoppen. Ze gingen dag in dag uit. Wat een logistiek gebeuren. Ik kan er niet over uit. Dat is in het christelijke hoogbeschaafde Westen gebeurd. Ons Westen. Onze beschaving. En als het in die toen nog conservatieve beschaving kon gebeuren, dan kan het vandaag zeker in ons losgeslagen Westen gebeuren, waar de secularisatie en de norm­loosheid alleen maar is toegenomen. Vreselijk. We moeten er niet aan denken wat er nog kan gaan komen. God rekent daar mee af. Daarom zullen de volken door Hem getrokken worden naar de bergen van Israël en daar zullen ze val­len. Hij zal hun pijlen uit hun rechterhand doen vallen en de boog uit hun linkerhand.

Dan zullen de volken die de kustlanden bewonen met vuur geslagen worden. Bewonen wij ook niet een kustland? Vallen wij daar ook onder? Wij zijn wel erg antisemitisch. Wij kunnen er in principe ook onder vallen. We vallen er hoe dan ook onder, want wij zijn ook dat volk uit het Noorden. En dan de Europese Unie. Antisemitisch tot op het bot. Laten we maar heel voorzichtig zijn en onze handen niet in onschuld wassen, alsof wij er niet onder vallen. Want we hebben heel wat boter op ons hoofd. We hebben heel veel gezondigd en zijn wij ook niet hardnekkig in het ontkennen van de profetie voor land en volk van Israël?. Wij zijn een zeer hardnekkig volk. Wij hebben gezondigd. Wij staan schuldig. We moeten de profeten lezen. We moeten de Bijbel openen. Lezen wat er staat, geloven wat er staat, dan heb je wat er staat. Daar gaat het om.

Dan staat er klip en klaar: En zij zullen weten dat Ik de HERE ben. Ik zal mijn heilige Naam bekend maken onder mijn volk Israël; Ik zal mijn heilige Naam niet meer laten ontheiligen; en de volken zullen weten dat Ik de HERE ben, heilig in Israël. Zo is de cirkel rond. God is de HERE en dat zullen de volken weten. Israël zal het weten en dan weten de volken het ook. Het komt weer goed. God zal zijn macht en majesteit vestigen. Het zal duidelijk worden in die grote eindstrijd op de bergen van Israël. Dit is de dag, waarvan Ik gespro­ken heb. Glorie voor zijn Naam. Looft de HERE. Prijst zijn Naam.

Een geweldige strijd zal er zijn. Die aardbeving zal verwoestend zijn. De in­woners van Israël zullen uitgaan en de buit roven. Ze zullen zeven jaar kunnen stoken van het wapentuig dat ze vinden. Bovendien zullen ze zeven maanden alle lijken verzamelen en die begraven in het dal der doortrekkenden, dat men zal noemen het dal van Gogs menigte. Stel je voor zeven maanden lang lijken verzamelen en die begraven. Zo wordt het land geheiligd. Gereinigd. Het land moet weer rein worden. En dat zal heel precies gebeuren. De dieren van het veld en het gevogelte des hemels worden te hulp geroepen om het bloed te drinken en de lijken te eten. Zo wordt Gods heerlijkheid onder de volken ge­bracht. Denk niet dat je ongestraft tegen Gods uitverkoren volk kunt ingaan. Dat komt je duur te staan. De volken zullen zien dat de HERE dit gericht ge­bracht heeft. En het volk Israël zal weten dat zij in ballingschap zijn gegaan om hun ongerechtigheid, waardoor ze overgegeven waren aan hun tegenstan­ders. Nou dat hebben ze geweten. Vreselijk. Maar ook vreselijk voor die tegenstanders, want die halen Gods oordeel over zich.

Echter nu komt er een keer in het lot van Jakob als de HERE Zich ontfermt over het gehele huis van Israël. Het gehele huis. Dat zijn alle twaalf stammen: Israël en Juda. Het gehele huis. De twee worden weer één. De twee houten worden één. Gans Israël zal behouden worden. Paulus gaat er uitvoerig op in, in Romeinen 9 tot 11. Ze zullen de smaad en al de ontrouw, waarmee zij Mij ontrouw zijn geweest vergeten, wanneer zij weer in hun land wonen, veilig, zonder dat iemand hen opschrikt als Ik hen uit het gebied der volken terug­breng en hen uit de landen van hun vijanden verzamel. Dan zal Ik Mij voor het oog der talrijke volken aan hen de Heilige betonen.

En zij zullen weten, dat Ik de HERE, hun God ben. Ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik mijn Geest over het huis Israëls heb uitgestort, luidt het woord van de Here HERE. Zo dat is kort en krachtig, luid en duidelijk, niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Zo gaat het gebeuren. Zo is het en niet anders. Wie er iets anders van wil maken doet zijn best maar, hij zal absoluut verkeerd uitkomen. Hier staat de marsroute. Ieder doet er goed aan, om op dit kompas te varen en de strategie van hier uit te bepalen. De profetie is een oproep tot bekering voor Israël en de volkeren. Israël is om zijn zonde in ballingschap verstrooid. Maar God zal Zich de Heilige betonen voor Israël en de volkeren als Hij Zich over hen zal ontfermen. Gods Naam zij geloofd en geprezen. Wat een Evangelie. Wat een perspectief. Ook nu mag dat Evangelie klinken als een oproep tot bekering voor Israël en de volkeren. Bekeert U want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De tijd is vervuld. Prijs de HERE. De HERE zij geloofd en geprezen tot in eeuwigheid. Wat een hoofd­stukken. Wat een dynamiek. Wat een verlossing. Prijs de HERE.

Ezechiël 40:1-23

29 oktober [1]

40:2

in gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg;…

40:3

daar bevond zich een man, die er uitzag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meetroede in zijn hand; hij stond in de poort.

40:5

En zie, daar liep aan de buitenzijde een muur geheel rondom het gebouw.

40:17

Toen bracht hij mij naar de buitenste voorhof…

Ze zijn al vijfentwintig jaar in ballingschap. Dan wordt Ezechiël meegevoerd op een hoge berg in Israël en ziet hij iets als een stad. Er is een muur rondom die stad. Ook ziet hij een man met een meetsnoer en die meet de muren, poor­ten, kamers en de voorhof. Het wordt allemaal zeer gedetailleerd beschreven. Je kunt het zo nabouwen. Ezechiël gaat mee als de man aan het meten is. Hij krijgt de opdracht om het allemaal nauwgezet op te schrijven. De stad is gevallen. De muur ligt in puin en de tempel is verwoest. In het bestaan van de Joden is dat verschrikkelijk, want de tempel en de stad waren het symbool en middelpunt. Dit was de stad van God, daar was hun eredienst. Ze hadden er wel een potje van gemaakt. Ze hadden wel op elke hoogte een afgodsbeeld gezet. Ze hadden God gekrenkt, maar toch, de tempel was hun tempel ook al hadden ze er afgodsbeelden in gezet.

Ook voor ons geldt dat God het niet neemt als wij er een potje van maken. Wel een beetje christelijk, maar ondertussen doen en laten wat we zelf willen. Dat is te gek. God neemt dat niet en hier zien we dat Hij, ons ten voorbeeld, het volk in ballingschap gevoerd heeft, al vijfentwintig jaar. Hoe lang zal het nog duren, misschien is het wel voor altijd? En nu ziet Ezechiël de stad en wordt er doorheen geleid om alles precies op te schrijven. Wat zal hij gedacht hebben: Moet ik het allemaal opschrijven, omdat de stad herbouwd gaat wor­den?

Ezechiël 40:24-47

1 november [1]

40:28

Daarna bracht hij me naar de binnenste voorhof…

40:35

Vervolgens bracht hij me naar de Noordpoort;…

40:41

Er waren vier tafels aan elke zijkant van de poort:…

40:47

Daarna mat hij de voorhof; de lengte was honderd el en de breedte honderd el, een vierkant en het altaar stond vóór het huis.

De stad is al veertien jaar gevallen. De ballingschap duurt voort. Ezechiël ziet een visioen. Hij ziet een stad. De tempel. Een man meet alles heel nauwkeurig op. Het komt er kennelijk op aan dat alles gedetailleerd gebeurt. Wat heeft dit allemaal te betekenen? We hebben de oordelen over Israël gelezen. We heb­ben de oproep om wachter te zijn gelezen. Het Woord, de waarheid moet klin­ken. Er is geen discussie mogelijk. Of ze het nu horen willen of niet. Ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest. Ze zullen weten dat Ik de HERE hun God ben. En, bovendien, de volken zullen weten dat Ik de Here HERE ben. Daar eindigt zo wat elk hoofdstuk mee.

We lazen de hoofdstukken 37, 38 en 39. Het dal van de dorre doodsbeenderen, dat tot leven komt. We lazen over de laatste eindstrijd. God maakt een einde aan de vijanden van zijn uitverkoren volk. Hij vestigt zijn Rijk van recht en gerechtigheid. Het zal gebeuren. Er is éénheid in de Schrift.

In de volgende hoofdstukken wordt een zeer gedetailleerde beschrijving ge­geven van de stad en de tempel die Ezechiël in een visioen ziet. Het is als het ware de bevestiging van de beloftes die hiervoor beschreven zijn. Als er nog getwijfeld zou worden aan de vervulling dan geef Ik, zoveel jaren nadat de stad gevallen is, nog een heel duidelijk visioen. Voor hen die de tempel nog van voor de ballingschap kenden, moet het als muziek in de oren hebben ge­klonken. Het zal gebeuren! En niet alleen de herbouw van de stad en de tem­pel, maar daar bovenuit wijst het ook naar wat er door Gods ingrijpen aan het einde der tijden zal gebeuren. Het is een fantastisch vergezicht. We zullen het wel merken als we er in de volgende hoofdstukken over lezen.

Ezechiël 40:48-41:26

2 november [1]

41:4

en hij zeide tot mij: Dit is het Heilige der heiligen.

41:6

De zijvertrekken lagen in drie verdiepingen boven elkaar, in rijen van dertig;…

41:7

zo kreeg het huis een verbreding naar boven toe,…

41:14

De breedte van de voorkant van het huis en van het plein op het oosten was eveneens honderd el.

41:18

Er waren cherubs en palmen aangebracht, telkens een palm tussen twee cherubs, en iedere cherub had twee aangezichten:

41:19

het aangezicht van een mens naar de palm aan de ene kant en het aangezicht van een leeuw naar de palm aan de andere kant. Die waren aan alle kanten aan het gehele huis aangebracht.

41:20

Van de grond tot boven de ingang waren de cherubs en de palmen aangebracht, en wel aan de muur van de tempel.

41:21

De tempel had viervoudige deurposten. En de voorzijde van het heilige had hetzelfde voorkomen.

41:22

Dit is de tafel die voor het aangezicht des HEREN staat.

De tempel wordt gemeten. Heel precies en tot in alle details. Je kunt de tempel gewoon nabouwen. Vanwaar deze precieze omschrijving. Het is alsof de HERE God de bouwtekeningen wil bewaren. Na al die oordeelsprediking moet het bouwplan bewaard blijven, want de tempel is de plaats waar God bij de mensen wil wonen.

Tweemaal wordt gezegd wat het is: Dit is het Heilige der heiligen en dit is de tafel voor het aangezicht des Heren. God woonde daar. God wil dat Ezechiël het allemaal zeer nauwkeurig beschrijft. Alle details komen erop aan. Het is belangrijk voor ons om dat te weten. Kennelijk was er nog een plan voor de tempel, daarom moest Ezechiël het opschrijven. Zo zal het worden. Net als bij de tabernakel toont God alles tot in de kleinste details. Is deze tempel anders? En hoe anders is het dan? Interessant om te weten.

De hele tempel is versierd met palmen en cherubs. De cherubs hebben het gelaat van een mens aan de ene kant en dat van een leeuw aan de andere kant. Wat me opvalt is dat dubbele gezicht. Ik dacht dat de Israëlieten volgens het gebod geen gesneden beeld mochten maken van hetgeen in de hemel noch op de aarde noch dat onder de aarde is. En wat zien we hier? Een wezen, een cherub, met twee gezichten: dat van een mens en van een leeuw. Daar wordt niets van gezegd. Interessant.

Ezechiël 42:1-20

3 november [1]

42:13

De vertrekken… die langs het plein liggen, dat zijn de heilige vertrekken,… want die plaats is heilig.

42:14

Zij zullen andere klederen aantrekken en dan mogen zij naderen tot de ruimte die voor het volk bestemd is.

42:20

Langs de vier zijden nam hij de maat; er was een muur geheel rondom, vijfhonderd lang en vijfhonderd breed, om scheiding te maken tussen wat heilig en niet heilig is.

In mijn gedachten zie ik Zacharias in de tempel staan. Wat een belevenis. Wat een eer. Hij mocht dienst te doen in het Heilige. Dat was geweldig. Dat was iets heel speciaals. De priester moest de kleren afleggen, die hij in het Heilige gebruikt had en andere kleren aantrekken. Dan pas mocht hij naar het volk. Want er is een absolute scheiding tussen het heilige en het volk. Er was een grote muur rond het heilige gedeelte.

Alles is exact opgemeten en opgeschreven alsof het bouwtekeningen betreft. De HERE God is erg precies als het gaat om het heiligdom van Hem Zelf. Zo was het toch ook met de tabernakel. Het is zo omschreven dat je het zou kun­nen nabouwen. Dat gold ook voor de ark. Dat was ook een heiligdom. Daarin werd je gered. De tempel is een heiligdom. Als je je op God richt dan word je gered. Het moet allemaal zo precies worden beschreven, na de hoofdstukken waarin de grote eindstrijd wordt beschreven. Er gaan grote dingen gebeuren. Help me te begrijpen waar het hier eigenlijk over gaat.

En is het niet zo dat we vaak stukken tegenkomen waar we vragen over heb­ben. Je hoort dat heel vaak over de profeten. Dan wordt meestal gezegd: dat slaan we dan maar over. Maar dat is gevaarlijk. Dat moeten we niet doen. Want het gaat dan juist over dingen die belangrijk zijn voor de toekomst. Het wordt beschreven, zodat we ons erop voor kunnen voorbereiden. Wie van ons kan begrijpen dat hij verlangen heeft om God te dienen? God legt verlangen in ons. Dat is toch het meest onbegrijpelijke wonder dat een mens overkomt! Dan moeten we niet meteen in ons oude leventje terugvallen door alleen maar die dingen te willen lezen die we begrijpen. Voor de komst van zijn Konink­rijk moeten we vooral alles lezen en proberen te vatten, wat we vatten kunnen over de dingen die gaan komen. Om waakzaam te zijn. Hem verwachtend! Het geheim is dat we de openbaring van God lezen. En al lezend openbaart Hij Zich aan ons. Hij wil ons bekend maken dat Hij zijn beloften waar gaat ma­ken. Hij maakt ons zoveel duidelijk als nodig is voor ons heil. Geprezen zij de HERE God.

Ezechiël 43:1-27

4 november [1]

43:2

En zie de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de oostelijke richting,…

43:3

Het gezicht dat ik zag, was het gezicht dat ik gezien had, toen Hij kwam om de stad te vernielen,…

43:5

en zie, de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis.

43:7

Mensenkind, (dit is) de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid;…

43:10

opdat zij zich schamen over hun ongerechtigheden –…

43:12

Dit is de wet voor het huis:…

43:20

zo zult gij het ontzondigen en er verzoening over doen.

43:26

Zeven dagen zal men over het altaar verzoening doen en het reinigen en wijden.

43:27

en Ik zal een behagen in u hebben, luidt het woord van de Here HERE.

Ezechiël wordt meegenomen en ziet hoe de heerlijkheid van de HERE in de tempel terug komt en het huis vult. De HERE spreekt tot hem. En dan hoort hij: Dit is de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid. Dat is duidelijke taal. Dat zal dus gebeuren. Daarom moest de tempel worden opgemeten. De grond waarop de tempel gebouwd wordt is heilig. Daar mag niets onheiligs zijn. Daarom moet het ook precies opgeschreven worden, opdat het ook precies zo uitgevoerd wordt. Daarna wordt het altaar beschreven en het gebruik van het altaar. De inwijding om het te reinigen en te wijden, te ontzondigen. Dat moet precies gebeuren zoals de HERE God het omschreven heeft. God hecht aan een radicale bekering. Hij wil niet dat er een beetje halfslachtig mee omge­gaan wordt. Nee, radicaal. Gewoon doen wat God zegt. En dat is ontzondigen, heiligend en reinigend. En zijn Woord en Geest zijn altijd bij ons. We hebben het bloed van stieren en bokken niet meer nodig, want wij mogen leven vanuit het reinigende bloed van onze Here Jezus, die zijn leven voor ons gaf op het kruis van Golgotha. Dan komt het er ook op aan. Want als Hij zijn leven voor ons gegeven heeft, dan mogen wij ons buigen onder zijn liefde en almacht en ons leven heiligen en reinigen om als reine vaten zijn wil te doen. Dat is ook heel direct en simpel: de HERE God liefhebben en de naaste als jezelf. Ga bij je zelf na, waar het aan ontbreekt in je heiliging, belijd het en strek je naar vernieuwing uit. En God zal het doen.

Het is heerlijk om zo voor God te leven. Het is heerlijk om te zien dat God wil wonen bij de mensen. Het is beter dat Ik ga, zei de Here Jezus, dan kan Ik altijd bij jullie zijn als Ik de Heilige Geest, de Trooster zend. Zo is het, Jezus woont in ons. Wij zijn de tempel van de Heilige Geest. Daarom zijn deze bij­belgedeelten ook gegeven om er ons aan op te trekken. Om ons te ontzon­digen en ons aan Hem toe te wijden en ons te heiligen. Wat een heerlijk bevrijdend reinigend proces. HERE dank U wel. We kijken door een spiegel in raadselen. Maar Hij komt. We zullen zijn heerlijkheid zien. Hij zal wonen in Jeruzalem. Wat een belofte.

Ezechiël 44:1-31

5 november [1]

44:1

Toen bracht hij mij terug naar de buitenste poort van het heiligdom, die op het oosten uitzag; deze was gesloten.

44:2

En de HERE zeide tot mij: Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de HERE, de God van Israël, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijven.

44:4

ik zag, zie, de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis des HEREN;…

44:6

en zeg dan tot de weerspannigen, tot het huis Israëls: Zo zegt de Here HERE, gij hebt meer dan genoeg gruwelen bedreven, huis Israëls,… zodat zij mijn verbond schonden –…

44:9

Zo zegt de Here HERE: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan, geen vreemdeling onder de Israëlieten.

44:10

Maar wat betreft de Levieten, die zich ver van Mij verwijderd hebben, toen Israël afdwaalde – zij zijn immers van Mij afgedwaald achter hun afgoden aan – zij zullen hun ongerechtigheid dragen:…

44:13

Zij zullen tot Mij niet naderen om Mij als priester te dienen en om te naderen tot al mijn heilige, ja tot de allerheiligste dingen; maar zij zullen hun smaad dragen, en de gruwelen die zij bedreven hebben.

44:19

en andere kleden aantrekken, opdat zij door hun klederen het volk niet heiligen.

44:23

En zij zullen mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en niet heilig en het onderscheid doen kennen tussen onrein en rein.

44:24

mijn wet en mijn inzettingen zullen zij op al mijn feesttijden onderhouden en mijn sabbatten zullen zij heiligen.

44:28

Ik ben hun erfdeel;… Ik ben hun bezitting.

44:30

het beste van alle eerstelingen van wat ook,… zal voor de priesters wezen;…

Ezechiël ziet opnieuw de heerlijkheid des HEREN in de tempel. Hem wordt heel duidelijk gezegd dat alles draait om de heiligheid van God. De poort naar het oosten was gesloten, want de HERE, de God van Israël, was daardoor binnengegaan. En ook vandaag is de poort, de Gouden Poort, gesloten. Het volk, dat onbesneden van hart en lichaam is, mag niet in de tempel komen, noch vreemdelingen, want dat is de HERE een gruwel. Dat mag nooit meer gebeuren. De voormalige priesters, die het volk en de afgoden achterna gelo­pen zijn, zullen ook geen priester meer mogen zijn. Ze zullen alleen de zorg voor het huis des HEREN hebben, als eenvoudige Levieten, maar geen pries­terdienst verrichten. Hoe hebben ze het in hun hoofd gehaald. Hun zonden komen op hun eigen hoofd terecht. Dat is geen halve maatregel. De zonen van Zadok, die wel de trouw gebleven zijn in hun priesterdienst, die zullen priester zijn. Maar het zal weer volgens de regels van het heilige gaan.

Wij moeten ons ook bewust zijn van een heilig leven, dicht bij Jezus. Lees maar wat Hij zegt. Ook al begrijp je bepaalde dingen niet, laat je niet in de war brengen! Het zal je eens wel duidelijk worden. Als je maar niet de ver­keerde kant uitgaat. Hij beschermt je. Daar gaat het om. Het is fantastisch dat in deze hoofdstukken ook zo duidelijk de Here Jezus zichtbaar wordt. Ik moet denken aan de Hebreeën brief die zo sterk de overgang toont en de eenheid van de tempeldienst en de dienst aan en door de HERE Jezus. We hebben daarom vrijmoedig toegang tot de troon der genade. Want Hij heeft het offer gebracht op het kruis van Golgotha. Het is onvoorstelbaar. Wat een genade. Wat een liefde. Wie had dat ooit kunnen denken? Glorie voor zijn Naam.

Ezechiël 45:1-17

6 november [1]

45:1

zult gij de HERE bij wijze van heffing geven een heilig stuk van het land; lang vijfentwintigduizend (el) en breed twintigduizend (el); dit zal in zijn ganse omvang heilig zijn.

45:2

Hiervan zal voor het heiligdom bestemd zijn vijfhonderd bij vijfhonderd (el), een vierkant rondom,…

45:3

daarin zal het heiligdom komen te liggen…

45:4

het zal voor de priesters zijn,… als plaats voor huizen en als een gewijde plaats voor het heiligdom.

45:6

dat zal voor het gehele huis Israëls zijn.

45:8

zodat mijn vorsten mijn volk niet meer onderdrukken, maar het land overlaten aan het huis Israëls, naar hun stammen.

45:9

Zo zegt de Here HERE: Het is meer dan genoeg geweest, vorsten van Israël. Laat af van geweld en onderdrukking, handelt naar recht en gerechtigheid; ontlast mijn volk van uw afpersingen, luidt het woord van de Here HERE.

45:10

Gij zult een zuivere weegschaal hebben, een zuivere efa en een zuivere bath;…

45:13

Dit nu is de heffing, die gij (de vorst) geven zult: een zesde efa van een homer tarwe en een zesde efa van een homer gerst;

45:14

en het recht op de olie,…

45:15

Voorts één stuk kleinvee…

45:17

Maar op de vorst rust de plicht van de brandoffers,… op de feesten, de nieuwemaansdagen en de sabbatten, op al de hoogtijden van het huis Israëls. …om verzoening te doen voor het gehele huis Israëls.

Er wordt precies beschreven, hoe groot het stuk land moet zijn dat voor de HERE afgezonderd wordt voor de tempel en de plaats waar de priesters mogen wonen. Denk erom houd je eraan. De vorst moet zorgen dat er de hand aan gehouden wordt. Vijfentwintigduizend bij twintigduizend el. Het zal geheel heilig zijn.

Ezechiël ervaart het daar in ballingschap. De HERE spreekt keer op keer tegen hem. Waarom? Ook om ons het vandaag te laten lezen. Om er uit te leren. Om op de goede weg te blijven. Om mensen te zeggen waarom ze het moeten lezen. Wat God zegt is goed. Probeer het maar en je zult het ervaren. Zijn geboden zijn niet om je te knechten. Zijn geboden zijn om bij te kunnen leven. Want de geboden niet houden betekent de dood. God wil het goede voor ons. Hij weet hoe sterk de boze krachten zijn. En Hij wil ons helpen. God is goed. God wil ons zegenen. Daar moeten we van uitgaan. God wil niet dat onze zonden voortduren. Hij wil bekering. Hij zendt zijn Zoon naar deze wereld opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe! Dat is genade. God neemt de zonden van de wereld op zich. Hij wil dat ieder­een zalig wordt. Hij is een genadig God. Hij kent de macht van de zonde. Hij wil maar één ding, dat het Paradijs hersteld wordt. Daar haast Hij zich voor. En daar roept Hij ons toe op. Volg Mij. Ga niet een andere kant op, want dan kom je verkeerd uit. Volg Mij. Dan gaat je pad goed, je zult ervaren, hoe geweldig het is om te leven in de bescherming van de HERE. God is goed. Wat een genadige God.

Dan volgt een stuk over de vorst. De vorsten namen veel te veel van het volk. God geeft het hier heel precies aan. Dat en dat en zo en zoveel mag de vorst van het volk vragen. Genoeg is genoeg. De koning mag het volk niet knechten, niet leegroven. Daar moet de koning voor waken. Dat deden de koningen ken­nelijk niet. Daarom staat er: Het is meer dan genoeg geweest, vorsten van Israël, laat af van geweld en onderdrukking, handelt naar recht en gerechtig­heid; ontlast mijn volk van uw afpersingen. Dat is duidelijke taal. De koning moet het volk regeren naar recht en gerechtigheid. Het volk moet de heffing opbrengen voor de koning en de koning moet zorgen dat de eredienst goed verloopt. Hij moet zorgen dat de feesten gevierd kunnen worden. Wat is God een goede God. Hij wil het goede voor de koning en voor het volk. De koning moet zorgen voor rust en orde, recht en gerechtigheid in het land. Opdat wij een stil en gerust leven kunnen leiden.

Wat is dit boek een leerboek, een levensles. De profeten zijn geen versleten boeken. Het zijn vensters op de tijd van toen en de toekomst. Wij leven zoveel eeuwen verder. Wij weten dat de beloofde Messias gekomen is. Wij zijn ge­roepen om die Messias te volgen. Wij moeten echter in het spoor der profeten blijven, want het einde is er nog niet. De Here Jezus komt om af te rekenen met de zonde en zijn eeuwige Rijk van recht en gerechtigheid te vestigen. Wij moeten recht en gerechtigheid oefenen. Doen ze ons onrecht aan. Wij blijven in het recht. Wij zijn de kruisdragers. Wij gaan met opgeheven hoofd de toekomst van dit Rijk tegemoet. Wij zijn burgers van een hemels Koninkrijk. Heerlijk om dat te weten. Dan kan geen mens je meer eronder krijgen. Glorie voor zijn Naam. Het lijden van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus.

Ezechiël 45:18-46:24

7 november [1]

45:18

In de eerste maand, op de eerste der maand, zult gij een gave jonge stier nemen…

45:20

Evenzo zult gij doen op de zevende van de maand… en gij zult verzoening doen voor het huis.

45:21

In de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zult gij het Pascha vieren;…

45:25

Ook in de zevende (maand), op de vijftiende dag der maand, op het feest,…

46:1

De poort van de binnenste voorhof, die op het oosten uitziet, zal op de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden;…

46:2

De vorst zal van buitenaf door de voorhal der poort naar binnen gaan,…waarna hij zich zal nederbuigen op de drempel der poort,…

46:12

en nadat hij naar buiten gegaan is, zal men de poort na zijn vertrek sluiten.

46:13

Een eenjarig, gaaf schaap zult gij de HERE dagelijks tot een brandoffer bereiden;…

46:14

…– altoosdurende, vaste inzettingen.

46:18

De vorst mag echter niets nemen uit het erfdeel van het volk door het uit zijn bezit te verdringen;… opdat niemand van mijn volk uit zijn bezitting verdreven worde.

46:20

Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer koken,… opdat zij het niet naar buiten behoeven te dragen… waardoor zij het volk zouden heiligen.

Als het nieuwe jaar begint moet een zondoffer gebracht worden om het volk te ontzondigen. Je moet met een schone lei beginnen. Je moet God de eer geven. En op de zevende dag moet je het nogmaals doen voor de zonden die in on­wetendheid gedaan zijn. Je moet helemaal schoon zijn voor de HERE. En op de veertiende van die eerste maand vier je het Pascha en dat doe je zeven dagen lang. En op de veertiende der zevende maand (de dag voor het Loofhut­tenfeest) moet de koning ook een offer brengen.

De koning moet gaan naar de poort die op het Oosten ligt. Deze is alle dagen dicht, behalve de sabbatdag, dan komt de koning in de voorhal van de poort. De priesters nemen zijn offer over. Hij buigt op de drempel van de deur en verdwijnt dan weer. Wat een beeld. De koning buigt zich neer voor de troon van God. Hij bewijst Hem eer. Hij als koning van deze aarde buigt zich voor de Koning des hemels. Wat een prachtig beeld. Als de koning zich buigt voor de Schepper van hemel en aarde, zal God in de hemel zijn zegen uitstorten. Hij wil gebeden en geëerd zijn. Hij is de HERE der heerscharen. Hij is de God der goden. Het volk komt het tempelgebied binnen door de Noord- of door de Zuidpoort. Ze komen door de ene poort binnen en gaan door de andere poort weer naar buiten. Zo is het beschreven en zo moet het gebeuren.

De vorst mag ook niets nemen van het erfdeel van de anderen, omdat God het land gegeven heeft aan het volk. En de koning mag de bezitting niet roven. Dat wisten ze toch ook wel. Ja natuurlijk, want dat was allemaal beschreven. Maar kennelijk hielden ze zich daar niet aan. Daarom wordt het nog maar eens ongezouten vastgelegd.

God duldt geen half werk. Hij eist onze volledige inzet. Hij is God en wij mo­gen Hem uit liefde en dankbaarheid dienen. Dat is geen knechting. Dit is grote vreugde. Maar als we alles naar onze eigen hand denken te kunnen zetten, dan kan de HERE God ook niet veel met ons. Daar moeten we ons van bekeren. God is goed. Heerlijk Evangelie. Je moet het uit God bekijken dan krijg je een blikrichting waar je almaar enthousiaster van wordt. Glorie voor zijn Naam

Ezechiël 47:1-20

8 november [1]

47:1

Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis; zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit, oostwaarts, want de voorzijde van het huis was op het oosten; het water vloeide onder de rechter zijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar.

47:2

En Hij leidde mij door de Noordpoort en hij voerde mij toen buitenom naar de buitenste poort, naar (de poort) die op het oosten uitzag; en zie, daar borrelde water op uit de rechter zijkant.

47:3

Nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels.

47:4

Hij mat weer duizend (el) en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën. Hij mat weer duizend (el) en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen.

47:5

Hij mat nog eens duizend (el); nu was het een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden.

47:6

Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij het gezien mensenkind? Daarop deed Hij mij teruggaan langs de oever van de beek.

47:7

Toen ik terugkeerde, zie, langs de oever van de beek stonden aan weerszijden zeer veel bomen.

47:8

Hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt.

47:9

En alle levende wezens die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt (het water van de zee) gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven.

47:10

Vissers zullen erlangs staan van Egedi tot En-Eglaïm; het zal een plaats zijn om de netten uit te spreiden, en de vissen erin zullen van allerlei soort zijn, zoals de vissen van de grote zee, zeer talrijk.

47:11

Maar de moerassen en poelen ervan zullen niet gezond worden; zij zijn aan het zout prijsgegeven.

47:12

Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel.

47:13

Zo zegt de Here HERE: Dit is de grens, waarbinnen gij het land als erfdeel zult verdelen onder de twaalf stammen Israëls; Jozef ontvangt twee delen.

47:14

Gij zult het als erfdeel ontvangen, de een zowel als de ander, omdat Ik gezworen heb, dat Ik het aan uw vaderen zou geven, en dit land zal u als erfdeel toevallen.

47:15

Dit nu is de grens van het land: aan de noordzijde van de grote zee af, langs Hethlon, totdat men komt te Zedad.

47:16

Hamath, Beroth, Sibraïm, dat tussen het gebied van Damaskus en dat van Hamath ligt, en het middelste Hazer, dat op de grens van Hauran ligt,

47:17

zodat de grens loopt van de zee tot Hazar-Enon, het gebied van Damaskus, en in het Noorden noordwaarts is Hamath de grens. Dit is de noordzijde.

47:18

En de oostzijde: van tussen Hauran en Damaskus, van tussen Gilead en het land Israëls, langs de Jordaan, zult gij tot aan de oostelijke zee de grens bepalen. Dit is de oostzijde.

47:19

En de zuidzijde: zuidwaarts van Tamar tot het Twistwater van Kades, naar de beek, naar de grote zee. Dit is de zuidzijde tegen het Zuiderland.

47:20

En de westzijde: de grote zee van de grens af tegenover de weg naar Hamath. Dit is de westzijde.

Als je dit leest gaan natuurlijk je gedachten naar het laatste boek van de Bijbel waar Johannes het overeenkomstige gezicht krijgt van de beek met aan weers­zijden de bomen die elke maand vrucht dragen. Wat een beeld. Wat een toe­komst!

De Dode Zee werd de Dode Zee na de oordelen over Sodom en Gomorra. Daar was het ook verschrikkelijk. Wat een zonde, waar God het oordeel over brengt. Als er nu nog maar enkele rechtvaardigen waren. Maar het waren er nog geen tien. Lot, de neef van Abraham, wordt met vrouw en dochters uit die stad gered, hoewel zijn vrouw ook nog omkomt, omdat ze haar hart toch op die stad gezet had. Lot moest daar ook helemaal niet wonen, want het was een zondige stad. Waarom was Lot daar dan gaan wonen? Hij wist het toch. Hij was één van de notabelen. Hij kwam dus voortdurend in contact met de bewo­ners van de stad. Maar hij gehoorzaamde de mannen niet. Daarom wordt hij gered. Sinds die tijd is de Dode Zee een zoutzee. Niets kan er groeien. Maar daarvan wordt hier het einde aangekondigd. Ezechiël wordt meegenomen naar de tempel en ziet water vanaf het altaar aan de rechterkant naar het oosten weglopen en het water blijft maar stromen. De man met het meetsnoer meet de diepte en op het laatst is de stroom zo diep dat je erin kunt zwemmen. Het is water dat de zoute Dode Zee zoet maakt en het land herstelt. Wat een wonder. Er groeien bomen langs de beek en elke maand dragen ze vrucht. Vissers spreiden er hun netten uit. Heel het gebied wordt vruchtbaar. Het is fantas­tisch. Wat een genade. Het komt van God. Alle zegen komt van God. Het is een profetisch vergezicht. Want van­daag is het nog zoals het werd na Sodom en Gomorra. Het wordt nog feest.

Als we dan het laatste hoofdstuk van de Bijbel lezen zien we dat God zijn troon zal vestigen in Jeruzalem. Er zal geen duisternis meer zijn, want God zelf is het licht. We lezen het ook in Zacharia 14. Met al deze voorzeggingen kan toch niemand er meer aan twijfelen dat het ook zo zal gebeuren. Het staat er toch. Dan hebben we niets te vergeestelijken. Weg met alle vergeestelij­king. Het is de doodsteek voor alle geloof. Dan kunnen we wel alles wat ons niet uitkomt wel vergeestelijken. We raken in de war, want we moeten juist grondig houvast hebben naarmate de tijden naderen van de wederoprichting aller dingen. Daar wachten we op. Geen wonder dat de Farizeeën en de Schriftgeleerden er tegen tekeergingen. Want deze boodschap van de weder­oprichting gooide hun heilige huisjes omver.

Met het oog op de voleinding aller dingen en het herstel van het Koninkrijk van God gaat het om de oproep tot bekering, zowel in de tijd van de profeten als in onze tijd. God heeft dit alles aan Ezechiël laten zien. Hoe het volk op dat moment wordt gestraft om de zonden. Ze zijn daar in ballingschap. Maar God toont Ezechiël ook dit grandioze vooruitzicht, opdat eveneens deze be­moediging wordt vastgelegd, ook voor ons nu. Opdat wij onze richting bepa­len om dicht te blijven bij de profetie en de vervulling. We moeten ons niet in de war laten brengen. Door niets en niemand. Weg met alle afgoderij, weg met alle schiftvervalsing. Profetie is profetie! Glorie voor zijn Naam.

De grenzen van het land worden nog eens precies omschreven. Hamath bij Damaskus was de noordgrens. En de oostgrens liep vanaf de Jordaan tot aan de grote zee. En de zuidgrens tot aan Eilath. En het zal ook weer zo worden, want wat God zegt dat zal gebeuren, daar is geen twijfel over mogelijk. De wereld kan tekeergaan, maar ze doen er goed aan om de Bijbel te lezen. Dit zijn de bijbelse grenzen. En als je je daar tegen verzet dan zul je je deerlijk verwonden. Het zal allemaal uitmonden in Armageddon, als de volken optrek­ken tegen Israël. Dan zal God zelf ingrijpen. Wat heeft God geleden toen de volkeren de Joden, zijn oogappel, vreselijk vervolgden. Daar zijn we nog niet vanaf. Daar zullen we onze trekken nog van thuis krijgen. Daarom is het be­langrijk dat we ons bekeren en de vervangingsleer met huid en haar verwijde­ren. De aanklacht blijft gehoord worden dat zij Jezus gekruisigd hebben. Hoe is dat kerstlied? Zijn wij het niet Heer Jezu die U kruisten? Het zal gaan zoals het beschreven is. De volken zullen zich verharden. Ze willen Israël een kopje kleiner maken. En dan zullen ze optrekken tegen Israël. Maar dan zal het an­ders uitpakken. Dan zal de HERE God zelf ingrijpen. Dan zullen de volken beven en de Joden gaan zien wie ze doorstoken hebben. Dan zal God zijn woorden in hun hart leggen. Dan zullen ze ontdekken dat Jezus toch de Mes­sias is.

Wat een Evangelie. We moeten het maar steeds opnieuw als uitgangspunt nemen bij elke politieke discussie en nooit vergeten dat God het laatste woord heeft voor alle volkeren. Want er is maar één eindbestemming: het hemels Koninkrijk of de hel.

Ezechiël 47:21-48:35

9 november [1]

47:21

Dit land nu zult gij onder u verdelen naar de stammen Israëls;

47:22

gij zult het tot een erfdeel verloten onder u en onder de vreemdelingen die onder u vertoeven…

47:23

in de stam waarbij de vreemdeling vertoeft, daar zult gij hem zijn erfdeel geven, luidt het woord van de Here HERE.

48:8

moet de heffing liggen, die gij zult geven:… en het heiligdom zal in het midden daarvan zijn.

48:20

De gehele heffing zal vijfentwintigduizend bij vijfentwintigduizend el zijn: als een vierkant moet gij de heilige heffing bepalen met inbegrip van het bezit der stad.

48:29

Dit is het land, dat gij ten erfdeel moet verloten onder de stammen Israëls, en dit zijn hun delen, luidt het woord van de Here HERE.

48:31

de poorten der stad dragen de namen der stammen Israëls –…

48:35

De omtrek is achtienduizend (el) en de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar.

De beschrijving van de verdeling van het land wordt nauwkeurig voortgezet. Wat heeft het voor nut om dit hier zo precies te omschrijven? Het volk is immers in ballingschap. Het heeft dus betrekking op de toekomende tijd. Ook de vreemdelingen zullen een deel krijgen. Het deel van de tempel en het grondgebied voor de Levieten en van de vorst worden precies omschreven. God is een God van orde. Hij weet wat goed voor zijn volk is. God wil geëerd worden. Hij is een heilig God. De HERE der Heerscharen. Hij met al zijn engelen. Prachtig hoe het omschreven wordt.

De profetie van God eindigt met de vermelding wat de naam van de stad zal zijn: De HERE is aldaar. En zo is het. Dat zal het worden. Daar moeten we naar toe leven. Dank U HERE. Wat een toekomst. Wat een zegen. Dank U wel.

Het boek Ezechiël is uit. Een krachtige profetie. Ezechiël krijgt regelmatig te horen: je moet het ze zeggen, of ze het nu willen horen of niet. Ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest. Belangrijk zijn de hoofd­stukken 3 en 33 waar de wachter wordt aangesteld: als de wachter de vijand ziet en niet waarschuwt dan wordt de dood van zijn hand geëist. Dat liegt er niet om. We moeten wachter zijn op de muur. Als de vijand er aan komt dan moeten we waarschuwen. En de vijanden komen er aan. De tegenstander en de zonde loeren aan alle kanten. We zien het om ons heen. We kunnen het een beetje verdoezelen en een beetje christelijk doen, maar het Woord Gods moet recht worden gesneden. Het is verschrikkelijk wat de moderne theologen uit durven kramen. We moeten weer oproepen tot de geestelijke strijd. We moeten de Bijbel weer openen en lezen. Die dwaalleraars de mond snoeren. Wat denken ze wel? God is heel duidelijk.

Het volk zit in ballingschap, omdat ze ondanks de profeten en ondanks Gods geduld toch bleven zondigen. Vooral de zonde aan de Moloch was het ergste wat ze konden doen. Dan kwam Gods straf onherroepelijk. Dat was het einde. Daarom zitten ze in ballingschap. Daarom zijn ze verstrooid onder de volkeren tot vandaag toe. Maar wee je gebeente als je als omringende volkeren hen uit­lacht. En zegt: net goed! Dan haal je de toorn van God over je. God lijdt het meest aan het straffen van zijn volk. Net als een vader bij het straffen van zijn kind. Als dan de buren het kind uitlachen en pesten, dan wordt de vader nog bozer op de omstanders. Kom niet aan mijn kind. En zo is het. De omringende volkeren worden zwaar gestraft. Ze krijgen er van langs. Wat een actuele boodschap. God neemt het niet. Hij straft ieder die zijn volk uitroeit, die anti­semitisch is. En wat zien we? In deze tijd een wereld – en Europa daarbij voorop – die te hoop loopt tegen Israël. Een Nederland dat de Palestijnen in de kaart speelt. We halen het oordeel over ons heen. We zien het in de ethische verloedering in ons land. We moeten ons bekeren en ons verootmoedigen.

O HERE wek ons op. O HERE laat ons spreken. O HERE help. Het is goed om met U te zijn. We loven en we prijzen uw Naam.