Jozua 1:1-18

1 februari [2]

1:2

maak u gereed, trek over de Jordaan hier,…

1:3

Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden,…

1:5

Ik zal u niet begeven en u niet verlaten.

1:6

Wees sterk en moedig, want gij zult dit volk het land doen beërven, dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te zullen geven.

1:7

Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet overeenkomstig de gehele wet…

1:8

Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht,… want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken…

1:9

wees sterk en moedig?

1:11

want binnen drie dagen zult gij de Jordaan hier overtrekken…

1:14

en gij zult hen helpen,…

1:17

zullen wij naar u horen;…

1:18

Alleen, wees sterk en moedig!

Mozes is gestorven. Een groot man ging heen. Wat een tragiek. Geboren en in het paleis opgevoed. Daarna veertig jaar in de woestijn bij zijn schoonvader Jethro. De prins die schaapherder werd. Hij kon niet terugkeren want hij had een Egyptenaar gedood. En toen veertig jaar met het volk door de woestijn op weg naar het beloofde land. Met een weerbarstig volk. Van wie er niemand boven de twintig het land heeft bereikt vanwege hun zonden. En ook Mozes niet. Want hij heeft op de rots geslagen om water, terwijl God hem dat niet had geboden. Hij heeft Gods eer genomen. En de straf is dat hij het volk wel tot aan het beloofde land brengt, maar het volk niet zal mogen binnenleiden. Hij wordt door de HERE weggenomen vlak voordat ze het land gaan intrekken en veroveren. Mozes mag het nog wel zien, maar wordt dan door de HERE weggenomen. Wat een tragiek. Wat een teleurstelling. Wat een teleurstelling bij God. God heeft grote wonderen gedaan. Hij heeft hen met machtige hand uitgeleid. Het Pascha is de uittocht. Nu houdt Farao het niet meer als in elk gezin de eerstgeboren zoon is gedood door de engel des verderfs. In de huizen van de Israëlieten is de engel voorbij gegaan, want ze hadden bloed aan de deurposten gesmeerd. En God leidt hen door de woestijn.

Maar het is een weerbarstig volk. Tot aan het gouden kalf toe. Het is toch ver­schrikkelijk, dat op het moment dat God zelf aan Mozes verschijnt, het volk beneden aan de berg rondom een gouden kalf danst en daaraan offert. Wat moet het de HERE een verdriet doen. Dat kan toch helemaal niet. Het is vre­selijk. God is vertoornd. Hij wil er mee ophouden. Hij wil er niet mee verder. Maar dan roept Mozes tot de HERE. Het zou toch koren op de molen zijn van de volkeren als ze zouden zien dat God dit volk in de steek gelaten heeft. Nee, als u niet met ons optrekt zullen wij niet van hier gaan. Maar de straf voor al die mensen die vertrokken zijn is groot. Waarom moesten ze veertig jaar door de woestijn trekken? Omdat ze eerst allemaal in de woestijn moesten sterven. En dat duurde veertig jaar. Ze konden in een paar weken door de woestijn trekken om bij de poorten van het beloofde land te zijn. Nu zijn ze allemaal gestorven. En Mozes is weggenomen. En nu zijn het alleen Jozua en Kaleb die twee verspieders die niet twijfelden aan de macht van God, die wel het land in mogen trekken. Jozua was al niet van Mozes zijde te wijken. Hij verbleef bij Mozes in de tent. Hij wist van de HERE en de vertrouwelijke omgang. En Joz­ua werd door God aangewezen als de opvolger van Mozes. En Jozua moet zich nu gereed maken om de Jordaan over te trekken. Weer staan ze voor een onmogelijke taak. Hoe kun je deze rivier overtrekken? Een snelstromende, toen nog brede, rivier met vlak aan de overkant een vijandige bevolking die alles zal doen om deze indringers het leven zuur te maken. Want ze wisten dat dit volk van mening was dat het land waar zij woonden als het hun beloofde land was gegeven.

God duidt aan dat het land zijn volk gaat behoren. Want Hij heeft het beloofd aan hun vaderen. Dat is nu meer dan vierhonderd veertig jaar geleden. Dat is een eeuwigheid. Dat zijn vier eeuwen. Dat is een onvoorstelbaar lange tijd. God belooft het aan Abraham en aan Isaäk en aan Jakob, maar dan zijn ze ver­volgens 440 jaar in Egypte. Hoe is het mogelijk? Je zou toch de belofte verge­ten zijn. Je zou er toch niet meer in geloven. Hoe kun je het nog geloven als het er helemaal niet op lijkt dat het ooit nog eens gaat gebeuren. En het zou ook niet gebeurd zijn als God zelf niet Mozes geroepen heeft om zijn volk uit te leiden. Het was Gods plan, anders hadden ze nog in Egypte gezeten. Maar ze werden uit het diensthuis uitgeleid. En dat is een les. Het zijn Gods plannen en dat niet alleen. Het zijn Gods plannen die ons door het leven leiden. Wij zijn almaar met ons zelf bezig. Wij zullen dit en wij zullen dat. En God moet daar dan zijn zegen over geven. God voor ons karretje spannen. Maar zo werkt het niet. God leidt dit volk uit. Het is zijn plan met zijn volk. Dus niet anders­om. Hij gaat door met zijn heilsplan want zijn doel is dat door zijn uitverkoren volk en land het heil naar de wereld komt en alles weer hersteld zal worden zoals het was voordat de zondeval er was. God lijdt het meest aan de verdor­venheid der wereld. Want het is immers zijn schepping. Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. En Hij zag dat het zeer goed was. En wat is er van gewor­den. Dwars door de schone schepping heen loopt de draad van de zonde, afval en de dood. Je ziet in alles nog hoe schoon de schepping is, maar tegelijkertijd zie je de dood overal om je heen. En je ziet de schepping zuchten in al haar delen. Wachtend op de openbaarmaking van de zonen Gods. God treedt hier machtig op. Hij voert hen naar het door Hem uitverkoren land. Het door Hem uitverkoren volk met de belofte aan Abraham, Isaak en Jakob. De eeuwigdu­rende belofte. En wat eeuwigdurend is, blijft eeuwigdurend. Daar kunnen we nog zoveel theologieën op los laten, maar het blijft Gods belofte en zijn profe­tie. Kom er dus niet aan. Je zult je vingers branden en met God aan de stok krijgen. Wat God zegt, dat gaat gebeuren. Als God zegt, dat de wet zal uitgaan van Jeruzalem, dan zal dat gebeuren. Het kan lang duren, het kan kort duren, maar het gebeurt. Dan wordt er gezegd in de profeten, dat er een uittocht komt waar de uittocht uit Egypte bij in het niet valt. Dat is nog niet gebeurd. Maar het gaat wel gebeuren. Dat staat vast. En we doen er goed aan om in die ver­wachting en in die zekerheid te gaan staan.

En nu staat Jozua hier, met een weerbarstig volk. Vlak voor de Jordaan. En hij wordt opgeroepen om sterk en moedig te zijn. En even later: wees zeer sterk en moedig. Dat had hij kennelijk wel nodig, want de weerbarstigheid van het volk zal ook nu wel niet over zijn. En er ligt een zware strijd voor de boeg. En hoe komen ze deze Jordaan over. Vragen te over. En met zo’n geschiedenis van dit volk kun je dan ook van alles verwachten. Maar God belooft met Jozua te zijn, zoals hij met Mozes was. En zo is het ook vandaag. Als we dicht bij Jezus blijven leven, dan zal Hij ons ook krachtig maken. Dan zal Hij onze zwakheid te hulp komen. Dan zal Hij ons wijsheid geven. Zo is God. En daar kunnen we het mee doen. Heerlijk toch. HERE houd mij dicht bij U. Houd mijn kinderen dicht bij U. HERE openbaar het hen. En de geboden moeten we dan overpeinsen bij dag en bij nacht. Die zijn goed. Daar moeten we constant mee bezig zijn. Ga niet links of rechts, blijf in zijn wegen wandelen. Dan zal hij je paden rechtmaken. Heerlijk evangelie. Kennelijk worden we steeds weer aangevallen om niet dicht bij Jezus te blijven. Daar worden we constant voor gewaarschuwd. Dus we moeten ons inspannen, beijveren, volharden om bij Gods geboden te blijven.

Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken. Heerlijk evangelie. Heerlijk om daar mee bezig te zijn. Niets kan dan stuk. Het is de maximale bevrijding. Sidder niet en wordt niet verschrikt. Kennelijk zijn er de tegenstanders die je willen verschrikken, die je willen doen sidderen. Het kan er dus hard aan toe gaan. En dat zullen we later ook zien. Maar wees daar niet bang voor. Wees sterk en moedig. Want de HERE uw God is met u overal waar gij gaat. En zo is het. Waar we ook gaan, God is met ons. Hij laat ons nooit in de steek. Hij redt ons. Hij wil ons begeleiden en beschermen. Het kan er soms hard aan toe gaan. Maar Hij weet wat onze weg moet zijn. En Hij beschermt ons. Heerlijk evangelie. Zelfs de dood kan ons niet scheiden van de liefde van God.

En dan geeft Jozua opdracht. Bereid u teerkost, want over drie dagen zult gij de Jordaan hier overtrekken. Nou, nou. Daar moet je wel moed voor hebben. Want hoe moet dat dan? Wist Jozua dat God een wonder zou doen? Of zegt hij het in geloof? Hoe hebben de mensen gereageerd? Ze hebben hun schou­ders opgehaald. Ze hebben getwijfeld. Ze hebben het niet geloofd. Want het is een ongelovig en weerbarstig volk. Maar Jozua is sterk en moedig. Hij geeft opdracht. Hij gaat ervoor. En de stammen die in het Overjordaanse blijven wonen, daarvan moeten de weerbare mannen wel meestrijden om het land te veroveren aan de westzijde van de Jordaan. En ze beloven dat om te doen. Dat is ook een eerlijke zaak. Zij wonen daar al. Het is ook duidelijk dat dit Over­jordaanse ook tot het grondgebied van Israël behoort. Er staat zelfs tot aan de rivier de Eufraat en tot aan de zee. Dat is een enorm gebied. Daar is het ge­deelte waar ze nu over bakkeleien niets bij. We moeten in brede bijbelse ka­ders denken. Het gemillimeter waar de krant vol van staat slaat nergens op. We moeten Gods woord Gods woord laten. Het christelijke westen komt niet verder dan milimeteren. Want ze zijn de profetie kwijtgeraakt en zijn verstrikt geraakt in allerlei politiek gedoe en gevecht en verval. Maar Gods plannen falen nooit. Wees daar maar van overtuigd. Dus jullie doen er goed aan dicht bij Jezus te blijven leven. Wees sterk en moedig. Ik zal je paden recht maken. Glorie voor uw Naam. Kijk eens wat een moed Jozua heeft.

Jozua 2:1-24

2 februari [2]

2:1

neemt het land in ogenschouw en Jericho. …van een hoer, Rachab geheten,…

2:3

Lever de mannen uit,…

2:5

ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn.

2:9

Ik weet dat de HERE u het land gegeven heeft…

2:10

dat de HERE de wateren van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen,…

2:11

Toen wij dat hoorden, versmolt ons hart en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over,…

2:13

en ons van de dood redden zult.

2:14

zullen wij u dankbaarheid en trouw bewijzen.

2:18

zie, wanneer wij het land binnenkomen, moet gij dit koord van scharlakendraad binden aan het venster waardoor gij ons hebt neergelaten,…

2:23

zij vertelden hem al hun wedervaren.

2:24

Zij zeiden tot Jozua: De HERE heeft het gehele land in onze macht gegeven, ja zelfs sidderen voor ons alle inwoners van het land.

Jozua stuurt twee verspieders. Geen twaalf maar twee. Hij weet wat verspie­den is, want hij was zelf één van de twaalf verspieders. En die kwamen terug helemaal in de war. Ze hadden daar reuzen gezien. Hoe zouden ze ooit zulke mensen kunnen overwinnen? Tien zagen het niet zitten, maat twee wel. Want die wisten dat het de HERE was die de overwinning moest geven. Dat kon nooit een mens doen. En hoe had de HERE hen ook niet gezegend in de woe­stijn. Wat een wonderen gebeurden er. Alleen al het manna en de kwakkels. Die kwamen toch maar elke morgen. Dat is toch niet te geloven? En zou de HERE al die wonderen hebben gedaan om hen vervolgens in de pan te laten hakken door een stelletje reuzen? Wat een naïef denken. Het is toch Gods plan en God heeft toch de opdracht gegeven om uit het land Egypte te trekken? Dat was toch een duidelijke zaak. God laat zijn plannen toch niet varen? Daar moeten ze toch op vertrouwen. Jozua en Kaleb deden dat, maar de rest niet. Dat is uit het leven gegrepen. We geloven wel. Maar het moet ons niet tegen zitten, want dan geven we God van alles de schuld. Dan zijn we niet meer zo vroom. Waarom gebeurt dit en waarom gebeurt dat? Als God bestaat, dan hoeft Hij ons toch niet zo in de puree te laten zitten? Wat zijn er een klachten naar God opgestuurd, omdat Hij het volgens zijn onderdanen niet goed doet. Dat is toch te gek. Dat slaat toch nergens op? Daar moeten we ons van beke­ren. God heeft toch het beste voor met zijn schepping? Wie lijdt er nu het mees­te aan de zondeval? De mens was geschapen om altijd bij God te zijn. En nu heerst de dood in ons sterfelijk lichaam. We krijgen een ziekte. We vallen zo maar dood neer. We sterven allemaal. We worden geboren om te sterven. Terwijl we leven om eeuwig te leven. De bomen gaan dood, de bloem valt af. Alles vergaat. Alles is vergankelijk. Maar het zal onvergankelijkheid aandoen. Dat is gezegd. En dat gaat gebeuren. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Dat is zo en dat blijft zo. Gods beloften falen niet. Gods woord houdt stand in eeuwigheid. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. En dat woord wijst op de komst van het Koninkrijk van God. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. Dat is heerlijk. Daar mogen we uit leven en naar toe leven. Een heerlijk evangelie. Daar word je blij van. Het kan niet meer stuk. En zo gaan de verspieders op stap.

Ze komen bij Rachab de hoer. Daar overnachten ze. Dat lijkt hen een veilige plaats, maar de mannen der stad komen er achter. Maar Rachab, ook niet op haar achterhoofd gevallen, misleidt hen en laat hen de mannen achterna jagen buiten de poort. En ze doen het ook nog. Wat een verhaal. Ze laat de mannen ’s nachts met een scharlaken koord van de muur zakken en ze vluchten weg. Ze beloven, dat ze Rachab en haar huis zullen sparen als de stad valt. Wat een verhaal. Weet u dat Rachab ook in het geslachtsregister van de Here Jezus voorkomt. Kijk maar in Mattheüs 1. Rachab was de moeder van Boaz en Boaz verwekte Obed bij Ruth en Obed verwekte Isaï en die verwekte koning David. Dus Ruth was de grootmoeder van David en Rachab zijn overgrootmoeder. Daar wel eens aan gedacht? God houdt er een geslachtsregister op na, waar wij geen touw aan vast kunnen knopen. Het heil komt via hoeren en vreemde vrouwen. Ruth, de Moabitische. Nou daar hadden de Israëlieten niet veel mee op. En een hoer. Hoe is het mogelijk? Daar zouden wij toch wel een stokje voor gestoken hebben. Dat slaat toch nergens op? Daar moeten we niets van hebben. Daar moeten we het in de kerkenraad nog wel eens over hebben. Dat doen we maar niet. Dat is zo vreemd. Zijn er dan niet genoeg meisjes in de kerk? Waarom altijd zo’n moeilijke weg? En zo sluiten we de hoer en de tol­lenaar buiten. En zo laten we de weduwe en de wees verkommeren. En zo doen we niets aan hen die een scheve schaats rijden. We laten de boel de boel. We zijn zo verburgerlijkt dat we niet eens meer zien wat we doen. God is groot en nooit genoeg te prijzen. God is goed. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Wat een verhaal. Rachab weet en de hele stad weet, maar ook alle volkeren weten van dit volk waarvoor de HERE de Schelfzee heeft laten opdrogen om hen erdoor te kunnen laten gaan. Ze weten dat Farao met heel zijn leger in de Rode Zee verdronken is. Dat is nu veertig jaar geleden, maar ze weten het al­lemaal nog. En we weten wat God heeft gedaan met de volkeren in het Over­jordaanse. Ze sidderen voor dit volk, dat nu aan de overkant van de Jordaan ligt. Ze denken misschien wel, als God hen door de Schelfzee geleid heeft, dan zou het ook wel eens zo kunnen zijn dat Hij de Jordaan laat stoppen. Want ze weten inmiddels dat God alles kan. Ze sidderen. En zo komen de verspieders terug. Ze zijn vol goede moed. Want ze hebben gezien dat de volkeren sidde­ren voor de macht van de God van Israël. Ze zeggen: ‘de HERE heeft het ge­hele land in onze macht gegeven.’ Heerlijk evangelie. En als ze het land in­trekken dan moet Rachab dat rode koord buiten uit het raam over de muur laten hangen. Dat zal het teken voor de HERE zijn dat deze vrouw gered gaat worden met haar gehele familie. Wat een God. Wij kunnen allemaal gered worden door heel eenvoudig ons te laten trekken door de liefde van God. Hij wil ons redden. De redder staat altijd klaar. God is groot en God is goed. Hij wil dat alle mensen tot bekering komen. En Hij zal het doen.

Jozua 3:1-17

3 februari [2]

3:1

Toen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Israëlieten braken op van Sittim en kwamen tot aan de Jordaan,…

3:3

Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet… dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken.

3:5

Heiligt u, want morgen zal de HERE in uw midden wonderen doen.

3:6

Toen namen zij de ark des verbonds op en gingen vóór het volk uit.

3:8

zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan.

3:11

ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over de Jordaan in.

3:13

Zodra dan de voetzolen der priesters,… in het water van de Jordaan rusten, zal het water van de Jordaan afgesneden worden; het water, dat van boven komt, zal als een dam blijven staan.

3:14

Het geschiedde nu,…

3:15

dat, zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren – de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd –

3:16

het water, dat van boven afkwam, bleef staan;… Toen trok het volk over, tegenover Jericho.

3:17

Doch de priesters… bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had.

“Wees sterk en moedig” had God gezegd tegen Jozua. Hij stond op en zei te­gen het volk, dat ze zich moesten heiligen, want God zou een wonder in hun midden doen. Wist Jozua al dat God het water van de Jordaan zou stoppen, net zoals Hij bij de Schelfzee had gedaan? Hoe moest hij anders de Jordaan over­trekken? Hij had het volk gezegd, dat ze binnen drie dagen de Jordaan zullen overtrekken. Dat is sterk en moedig. Al van te voren het wonder aankondigen. Al te voren in geloof gaan staan. Er niet aan twijfelen. Gewoon gaan. God is met je. Twijfel er niet aan. En dat is waar wij last van hebben. Waar wij vol mee zitten: twijfel. We geloven, maar de twijfel zit ons in het bloed. Het is de zonde die diep is ingeslagen in ons leven. Wie twijfelt gelijkt op een golf der zee. Heen en weer geslingerd. Nooit zekerheid. Maar het geloof is de zeker­heid van de dingen, die men niet ziet. Daar moeten we in gaan staan. De vreze des HEREN is het begin van alle wijsheid. Dat is waarheid. Dat kunnen we met ons eigen verstand doorzien. We moeten het niet eerst gaan beredeneren en dan tot geloof komen. Het is andersom en daarom des te sterker. We gelo­ven en gebruiken ons verstand om eigenlijk almaar te roepen: ja, natuurlijk. God is Schepper. Dat kan ook niet anders. Hij is de Maker en wij zijn het leem. Wij kunnen niet eens leven zonder die zekerheid. Dat maakt ons vast en zeker in dit leven. Dan twijfelen we er niet aan. Dan gaan we met God over muren. We staan in het geloof.

En zo roept Jozua het volk op. De priesters moeten voorop gaan en het volk er achteraan. En als ze hun voetzolen in het water hebben gezet, dan stopt het water. Dat is ook voor de priesters een geloofszaak. Je zult maar de opdracht krijgen loop maar in het water, niet wetend wat er zal gebeuren. En nog wel met de ark. Dat is helemaal bijzonder. Want waar in de Bijbel is deze ark ver­toond? God zelf gaat voorop. Maar hebben we geloof, dat het dan ook altijd goed komt? Dat Hij ons leven leidt. Dat Hij ons nooit in de steek laat. En daar gaan ze. En wat gebeurt er. Het water wordt als een dam. En daar gaan ze droogvoets door de Jordaan heen. Midden in de Jordaan staan de priesters met de ark. En heel het volk trekt eraan voorbij. Wat een indrukwekkende over­tocht. En de Jordaan is, niet zoals vandaag dat kleine stroompje, maar een brede snelstromende rivier en zoals het er staat, hij was buiten de oevers getre­den. Het was een groot wonder. Gods wonder. En daar staan de priesters be­wegingsloos. God is in ons midden. God woont op de bodem van ons hart. God laat ons nooit in de steek. Hij is er altijd. Wij kunnen Hem verlaten en in de steek laten. Hij laat ons nooit in de steek. God is goed. Dan moeten er twaalf stenen gehaald worden. Voor elke stam één. Door twaalf mannen uit elke stam één steen halen uit het midden van de Jordaan daar waar de priesters met de ark staan. En zo gebeurt het. Jozua richt ook midden in de Jordaan de twaalf stenen op.

En dan is het verhaal, dat als je kinderen later vragen wat heeft het te beteke­nen, dat je dan het verhaal vertelt van het volk dat door de Jordaan trok. Dat het Gods grote daden zijn die het volk beschermen en dicht bij Hem willen houden. God is goed. En ze moeten de kinderen verhalen van de doortocht door de Schelfzee en de doortocht door de Jordaan. Hoe groot God voor zijn volk is. En zo komt heel het volk aan de overkant van de Jordaan tegenover Jericho. Wat een wonder. Dit is ook het verhaal, dat we onze kinderen moeten vertellen. God is groot. Want wat heeft God grote wonderen gedaan. Wat heeft Hij ons geholpen door de geschiedenis heen. Wat laat Hij ons telkens weer zien, hoe belangrijk het is om naar zijn wil te leven. Het is heerlijk om in zijn bescherming te leven. Het is heerlijk om steeds maar weer dicht naar Hem toe te kruipen want God is goed. Een heerlijk evangelie. Dat wil je alle men­sen gunnen. God is goed. God is groot. Dank U HERE. Waar zou een mens heen moeten als U hem niet zou redden?

Jozua 4:1-24

4 februari [2]

4:2

uit elke stam één…

4:3

Neem twaalf stenen op, hier midden uit de Jordaan, van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan, brengt ze met u naar de overzijde en legt ze in het kwartier,…

4:6

Wanneer uw kinderen later vragen: Wat hebben deze stenen voor u te betekenen?

4:7

daarom zullen deze stenen voor de Israëlieten tot een gedenkteken zijn voor altoos.

4:9

Ook richtte Jozua twaalf stenen op midden in de Jordaan, op de plaats, waar de voeten der priesters die de ark des verbonds droegen, hadden gestaan; en zij zijn daar tot op de huidige dag.

4:11

Toen het gehele volk de overtocht volbracht had, trok de ark des HEREN over en de priesters, voor de ogen van het volk.

4:18

Toen dan de priesters… uit het midden van de Jordaan opklommen, hadden de voetzolen der priesters zich nauwelijks losgemaakt en het droge betreden, of de wateren keerden terug naar hun plaats en stroomden als tevoren langs zijn gehele oever.

4:19

op de tiende der eerste maand…

4:23

zoals de HERE, uw God, gedaan heeft met de Schelfzee,…

4:24

opdat alle volken der aarde zouden weten, dat de hand des HEREN sterk is, en zij de HERE, uw God, al de dagen zouden vrezen.

Het is een fantastisch schouwspel. Ze zijn allemaal aan de overkant. Ook de strijdbare mannen van de stammen die aan deze kant van de Jordaan blijven wonen. Twaalf mannen moeten twaalf stenen nemen en maken daarvan een gedenkteken op de oever van de Jordaan. Waarom? Om later hun kinderen, die zullen vragen naar de betekenis van deze stenen, te kunnen vertellen wat God voor grote wonderen deed door hen door de Schelfzee en door de Jordaan te leiden. Dat moet doorverteld worden aan de kinderen van de volgende ge­slachten. Opdat zij weten van de grote daden van God in de geschiedenis. Heerlijk evangelie. God is groot. En ook midden in de Jordaan moeten twaalf stenen gelegd worden op de plaats waar de priesters met de ark stonden. En als alles klaar is trekken ook de priesters op vanuit het midden van de droog­gevallen Jordaan naar de andere kant en ze hebben nog maar net hun voetzo­len op de oever gezet of de rivier begint weer te stromen. Daar kom je toch van onder de indruk? Het volk zal begrepen hebben, dat ze te maken hebben met een grote God. Zijn daden zijn ondoorgrondelijk. Het is zijn plan. Het zijn zijn daden en zij moeten in zijn daden gaan staan. Ze moeten het van Hem verwachten en niet van hun eigen kracht. En daar gaat het telkens weer mis. We vertrouwen zo vaak op onze kracht. En dan gebeurt er wel wat. Maar ons geloof is nog groter en ons Godsvertrouwen sterker.

Waarom doet God al deze grote dingen? Opdat de volken der aarde zouden weten dat de hand des HEREN sterk is, en zij de HERE, hun God, al de dagen zouden vrezen. God doet grote wonderen. Wie heeft ooit gedacht dat, terwijl een volk van een miljoen mensen in nood met een machtig leger achter zich en een onbegaanbare zee voor zich, zou kunnen vluchten, doordat op het kritieke moment het water uiteenwijkt en het hele volk er door heen kan? Toevallig noemt men dat. En de geleerden hebben al weer bedacht dat het wel vaker voorkomt dat door een sterke wind het water wegvloeit en er een droogte ont­staat. Want het kan toch zeker niet zo zijn, dat er een God is, die het wonder doet om het water als een muur tegen te houden, opdat er een volk, zijn volk, dat in de druk zit, doorheen kan trekken? Dat kan niet waar zijn, want die ge­leerden willen alleen maar bewijzen dat er geen God bestaat en dat je dus ook niet in die sprookjes moet geloven. Maar, mijne heren, dan is het toch wel heel toevallig dat die wind er kwam toen het leger van de Farao hen bijna te pakken had. En is het niet merkwaardig, dat toen het leger van de Farao in de droogte van de zee kwam het water plotsklaps over hen heen kolkte. Of is dat ook een sprookje? Nou ja daar zullen ze ook wel weer een smoes voor hebben. In ieder geval houden ze tegen beter weten in vol dat er geen God bestaat. Daar geloven nog mensen in die bang zijn voor hun hachje. Maar wij vandaag met alle wetenschap, weten beter. Wij zoeken het zelf wel uit en wij maken de aarde wel beter. Maar waarom is er dan zoveel ellende en oorlog en geweld en waarom hebben steeds meer mensen het gevoel dat het allemaal toch niet zo snor zit? En waarom is er dan die massale roep om normen en waarden? We zijn kennelijk iets kwijt geraakt. Neen, je moet nu niet weer met God aanko­men. Dat was het verleden. Het moet iets anders zijn. Wat dan? Daar zijn we naar op zoek. Zoeken maar en volhouden. En veertig jaar na de Schelfzee vol­trekt zich hetzelfde. De Jordaan blijft staan. En het volk trekt er doorheen. Dat is toch niet te geloven? Dat kan toch helemaal niet? Dat is weer zo’n sprookje. Telkens als er iets onmogelijks is dan wordt het toverstokje weer tevoorschijn gehaald en kan God weer zijn gang gaan. Een vreemd verschijnsel. Je moet het allemaal niet zo serieus nemen. En zo praten we elkaar van God af. De moderne theologen hebben ook alle wonderen weggetheologiseerd. Een opge­stane Jezus? Neen. Verbeelding. Wonderen in het oude testament. Neen. My­thologische verhalen. Past in het antieke denken van die tijd. Wij moeten ge­loven wat we zelf ervaren. Wij kunnen God begrijpen. Het is niet God boven ons maar God in ons en door ons. Wij zullen de Bijbel wel verklaren. En zo gaat het maar verder.

Het geheim is dat God zich niet weg laat theologiseren. Wij denken dat we de Bijbel lezen, maar de Bijbel leest ons. God openbaart zich in zijn woord. Zijn leefregels zijn goed voor alle mensen. Ze zijn universeel. Ze zijn niet door ons bedacht maar ze zijn door God gegeven. De zonde heerst overal. Dat ontkent niemand. Er is overal tekort. Wij zien het om ons heen. Er is onvolkomenheid. God wil in het leven van ieder mens komen om zijn waarheid te doen kennen en om zijn liefde te ontdekken, die vrede geeft in het eigen leven en in het leven van de mensen om je heen. Dat is een heel eenvoudige zaak. Je hoeft er geen ingewikkelde dingen voor te doen. Je moet het lezen en je zult het ont­dekken en je gaat er naar leven. Hoe? Gewoon de Bijbel lezen. Zoeken naar de waarheid. Open staan voor de ontdekkingsreis van God. En je bent geen uit­zondering. Er zijn miljoenen vandaag die zo een ontmoeting met hun Schep­per krijgen en ontdekken dat er alleen door de vergeving van de zonden door­dat Messias Jezus aan het kruishout gestorven is, maar ook weer opgestaan, leven en eeuwig leven is. Een vreemd verhaal? Als je er tegen aan kijkt ja. Als je je verzet nog meer. Maar waarom zou je jezelf deze kans ontnemen wetend dat miljoenen en miljoenen er vrede en vreugde door hebben gevonden? Zelfs in de moeilijkste omstandigheden van hun leven. En wat al die nieuwlichters betreft. Er zijn zoveel verhalen dat het het allerbeste is zelf dat Woord, de Bij­bel, het grote verhaal te gaan lezen. Pas op. Want nogmaals die Bijbel leest jou en doet je ontdekken wie je ten diepste bent. Een schepsel Gods die door de genade en de liefde van God aan zichzelf ontdekt wordt. Om zo op de weg van het eeuwige leven meegenomen te worden en in vrede en vreugde te ver­langen naar dat nieuwe koninkrijk dat komt van recht en gerechtigheid. Waar we allen met reikhalzend verlangen naar uitzien. Glorie voor zijn Naam.

Jozua 5:1-15

5 februari [2]

5:1

dat de HERE de wateren van de Jordaan… had doen opdrogen,… versmolt hun hart en zij hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten.

5:2

Te dien tijde zeide de HERE tot Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, ten tweeden male.

5:4

alle krijgslieden waren in de woestijn onderweg gestorven,…

5:5

maar al het volk dat geboren was in de woestijn… had men niet besneden.

5:6

totdat het gehele volk omgekomen was,… die naar de stem des HEREN niet gehoord hadden,…

5:9

Heden heb ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld.

5:10

vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand,…

5:12

En het manna hield op,…

5:13

zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders?

5:14

Neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen.

5:15

Doe uw schoenen van uw voeten, want de grond waarop gij staat, is heilig.

Geen wonder. Alle volken zagen het niet meer zitten. Hun hart versmolt in hun binnenste. Geen wonder. Die Israëlieten hebben een God die zelfs het wa­ter van de Jordaan doet stilstaan. Ze wisten allemaal net als Rachab dat veertig jaar eerder de God ook het water van de Schelfzee had doen ophouden. Dat was al geweldig. Want wie kan het machtige leger van een Farao verslaan? Egypte stond bekend als een machtige onneembare vesting. Wat een cultuur. De piramides, de schatten, de pracht en de praal van de Farao’s. Dat was toch niet te evenaren. En de Egyptenaren verwachtten ook geen kwaad. Want er was niemand zo machtig als zij. En nu had dat verachtelijke herdersvolk die Farao in de Schelfzee laten verdrinken. En ze waren ongedeerd de woestijn ingetrokken op weg naar het beloofde land. Wat zullen die volken al die veer­tig jaar in de rats gezeten hebben. Want ze wisten vast wel dat dit volk op weg was naar het beloofde land Kanaän. Want ze waren zeker mensen die wisten van vader Jakob en zijn zonen. En de hongersnood, die hen naar Egypte dreef. Zou het in de annalen niet vermeld zijn. Dat was al weer vierhonderdzeventig jaar geleden. Misschien wisten ze er ook niets meer van. Dat lijkt een eeuw. Dat is het ook. God liet zijn uitverkoren volk zo lang in het land van hun vreemdelingschap verblijven. Waarom waren ze niet eerder teruggegaan? Ze hadden toch ook weer het land kunnen verlaten? Ze hadden toch ook weer weg kunnen trekken toen de hongersnood voorbij was? Waarom zijn ze niet teruggaan? Ze wisten toch van de belofte? Ze wisten toch van de belofte aan Abraham? Het was toch een eeuwigdurende belofte. Dan hadden ze nadat de hongersnood over was weer terug moeten gaan. Het zal toch niet zo zijn dat die hongersnood vierhonderd dertig jaar heeft geduurd? Of zou het land Gosen zo geweldig zijn geweest dat ze er met hun schaapskudden heel goed konden weiden? Het lag in de delta van de Nijl. Een vochtig gebied. Waar het gras heel goed groeit. Waar het niet moeilijk was om aan eten te komen. Dat is makkelijk boeren. Ja, de Egyptenaren hadden niet veel achting voor hen. Want een schaap was niets. Een koe dat was een heilig dier. Schaapherders waren verachtelijke mensen. Daar kun je niets mee. God is goed. God heeft het beste met zijn volk voor. En de Israëlieten konden de Egyptenaren ongetwijfeld van allerlei linnen en wol en vlas voorzien. Het zal een goede handel zijn geweest. Ze zullen het er welvarend hebben gehad. En als het je goed gaat dan blijf je zitten. Waarom zou je de problemen opzoeken? God heeft het wel gezegd, maar we blijven eerst nog lekker even zitten. We hebben nog alle tijd. En als het zover is dan zien we het wel. En het kwam zover. Want de Farao die er toen was, zag het snel groeiende welvarende Israël en werd bang dat ze hem zouden omverwerpen, dus moest er aan bevolkingsbeperking worden gedaan. Alle jongetjes dood, dan komen er geen kinderen meer bij. En dat was te veel. God riep Mozes en na tien plagen, toen de eerstgeborenen van de Egyptenaren eraan gingen, liet Farao hen gaan of beter God leidde hen uit met een sterke hand. En nu staan ze aan de overkant van de Jordaan. Het water stroomt weer. De koningen zijn bang. En je zou ook bang zijn. Want die God is sterk. Daar kan niemand tegenop.

En dan moeten alle mannen besneden worden. Er was niet meer besneden sinds de tocht in de woestijn. En al de besneden mannen waren in de woestijn gestorven vanwege de zonden die het volk gedaan had. Een tocht door de woestijn van veertig jaar. Terwijl het in tien dagen kan. Dat moet Gods hand zijn. Ze moesten gehoorzaam zijn aan de wolk en de vuurkolom. God had de leiding. God heeft altijd de leiding. God is goed. Als we in zijn wegen wande­len dan gaat het goed. Dan gaan we de goede kant op. Er kan dan van alles ge­beuren maar we moeten in Gods wil blijven. We zien het hier met het volk. Waarom zondigden ze steeds weer? Het was een hardnekkig volk. Ze deden steeds wat kwaad was in de ogen des HEREN. Dat was dom. Want ze kwamen elke keer bedrogen uit. En ze moesten rondtrekken tot de laatste was gestor­ven. Dat was dan veertig jaar verder. Veertig jaar in de woestijn. En ook Mo­zes mocht niet ingaan. Al in het begin zondigde hij. Al die jaren door de woestijn met de wetenschap dat hij het beloofde land niet zou bereiken.

Waarom waren ze gestopt om de jongetjes te besnijden? Dat was toch een op­dracht van God. Jozua krijgt de opdracht om iedereen te besnijden. En God zei: Heden heb ik de smaad van Egypte van ulieden afgewend. Het volk was voor God geheiligd. God kon met hen verder. En toen gingen ze het Pascha vieren. De herinnering aan de uittocht uit Egypte. Hoe God hen uitgeleid had. God is goed. Ze aten niet meer het manna, maar van de gewassen van het veld. Het manna hield op. Dat was toch ook een wonder. Elke dag het manna en de kwakkels en voor de sabbat een dubbel portie. Elke dag weer. Veertig jaar lang. Onvoorstelbaar. God is goed. En niet genoeg te prijzen. Nu zijn ze in het beloofde land. Het land overvloeiende van melk en honing. Het land geeft zelf de gewassen. Nu konden ze het zelf verbouwen. Maar ze moesten er ook voor aan het werk. Ze moesten wel het land veroveren. Want er moest elke dag eten op de plank komen. Het was ook een soort stok achter de deur. Wat zullen die volken wel niet gedacht hebben? Hun hart versmolt. Want ze wisten dat dit volk een God had die onmogelijke dingen mogelijk maakte. Een God die goed is voor zijn volk. Wat zou er allemaal gaan gebeuren?

Het verhaal is nog niet afgelopen. Daar staat een man tegenover Jozua met uitgetrokken zwaard. Jozua trad op hem toe. Niet bang. Wees sterk en moedig. Zijt gij een van ons of behoort gij tot de tegenstanders? Als het iemand was van de tegenstanders dan was Jozua bereid om ook zijn zwaard te trekken. Dan zou het tot een gevecht gekomen zijn. Maar de man antwoordt: Neen, ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen. Jozua valt op zijn knieën en zegt: ‘Wat heeft mijn Heer tot zijn knecht te zeggen?’ Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig. Wat een ontmoeting. Wat een zichtbaar teken van Gods aanwezigheid. Wat een God. Wat een bemoediging. God die Jozua een hart onder de riem steekt. Want wat moet Jozua daar met de gesloten poort voor zich van het onneembare Jericho, en het hele volk dat aan deze oever van de Jordaan wel allemaal niet gedacht hebben? Wat een verantwoordelijkheid. En dan komt het antwoord: “Zie, Ik geef Jericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht.” Dat is godde­lijke taal. Dat is overwinningstaal. Daar kun je de strijd mee aangaan. God gaat ons voor. God laat ons nooit in de steek. Wij moeten sterk en moedig zijn. En niet aflaten van zijn liefde en trouw. Ons nooit in de war laten bren­gen. God is altijd bij ons. Het gaat ons goed als we in het centrum van zijn wil blijven. En al deze wonderen zijn beschreven opdat wij niet in de war komen maar steeds weer opnieuw dicht bij Jezus blijven en het ook van Hem ver­wachten. Hem aanroepen en Hem prijzen en Hem verhogen en Hem proclame­ren. Te midden van een samenleving die probeert steeds meer van God af te dwalen. Niets mee te maken. Wij blijven achter koning Jezus aangaan. Kan niet stuk. Heerlijk evangelie. De strijd is des HEREN en niet de onze. Wij gaan gehoorzaam achter Hem aan. Hij geeft de overwinning. En Hij heeft de overwinning op de zonde en de dood behaald op het kruis van Golgotha toen Hij riep: “Het is volbracht!” Glorie voor zijn Naam.

Jozua 6:1-27

6 februari [2]

6:1

Intussen had Jericho de poort gesloten;…

6:2

Zie, Ik geef Jericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht.

6:3

Gij moet om de stad heen trekken, terwijl alle krijgslieden éénmaal om de stad heen gaan; zó moet gij zes dagen doen,

6:4

terwijl zeven priesters zeven ramshorens voor de ark uitdragen. Maar op de zevende dag moet gij zevenmaal om de stad heen trekken en de priesters zullen op de horens blazen.

6:5

Wanneer men op de ramshoorn de toon aanhoudt en gij het geluid van de hoorn verneemt, dan moet het gehele volk een luid gejuich aanheffen en de stadsmuur zal ineenstorten en het volk moet daarop klimmen, ieder recht voor zich uit.

6:7

en laten de gewapenden vóór de ark des HEREN uit trekken.

6:10

ja, laat er geen woord uit uw mond uitgaan tot op de dag, dat ik u zeg: Juicht! – dan moet gij juichen.

6:13

en bliezen al gaande op de horens,…

6:14

Aldus deden zij zes dagen.

6:15

alleen op die dag trokken zij zevenmaal om de stad heen.

6:16

zeide Jozua tot het volk: Juicht, want de HERE heeft u de stad gegeven!

6:17

alleen de hoer Rachab zal in leven blijven,…

6:20

Het volk dan juichte, terwijl men op de horens blies;… En de muur stortte ineen,…

6:23

en zij wezen haar een verblijf aan buiten de legerplaats van Israël.

6:26

Vervloekt voor het aangezicht des HEREN is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten.

6:27

En de HERE was met Jozua en de mare van hem ging door het gehele land.

Zie, Ik geef Jericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht. De HERE had gezegd tegen Jozua: wees sterk en moedig. Tot vier keer toe. Dat moest ook wel want er was een grote taak voor hem weggelegd. Hij was aan de zijde van Mozes geweest en had gezien hoe Mozes worstelde met de weer­barstigheid en de zonde van het volk. Hij had gezien hoe God het volk in de steek wilde laten. Want God had er genoeg van. Hij had hen zo gezegend en keer op keer lopen ze andere goden achterna. God had hen toch met sterke hand uit Egypte geleid. En kijk nu eens. Nu geloven ze niet meer dat God hen in het beloofde land brengt. Het was toch het land dat God aan hun vaderen Abraham, Isaäk en Jakob beloofd had. En ze hadden het gebeente van Jozef toch met zich mee genomen. Want dat had de onderkoning Jozef bij zijn dood zo’n 400 jaar geleden bedongen. Begraven worden in het graf van zijn vader Jakob, die hij zelf met veel pracht en praal aldaar begraven had. Jozua wist ervan. Hij moest wel sterk en moedig zijn. Hij moest het van de HERE ver­wachtten en van niemand anders. En de HERE komt hem hier tegemoet. Wat een openbaring. De man met een uitgetrokken zwaard komt op Jozua af. Jozua gaat er op af en vraagt of hij een van ons is of van de vijand. Het antwoord is: “ik ben de vorst van het heer des HEREN”. Geen wonder dat Jozua op zijn knieën valt. Dit is hem te machtig. En dan moet hij de schoenen van zijn voe­ten doen, want de grond waarop hij staat is heilig. Net als Mozes bij de bran­dende braambos toen hij zijn opdracht kreeg. Als God een opdracht geeft dan sta je op heilige grond. Dan val je op je knieën en dan luister je naar zijn stem. God is groot. We moeten dan ook letten op wat de HERE tot ons zegt. Dat is hier wel op een krachtige wijze gebeurd. Maar dat gebeurt elke dag als God spreekt door zijn woord en door zijn Geest. Daar moeten we opmerkzaam voor worden. Niets gebeurt er toevallig. God heeft met alles een bedoeling. En het gaat erom dat wij eenswillend willen worden met zijn stem. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam. En dan zegt die vorst dat de HERE Jozua; Jericho de vorst en de sterke helden in zijn macht zal geven. Wat moeten ze doen, moeten ze de strijd aangaan? Moeten ze zich machtig vertonen? Neen. Het tegendeel. De mensen van Jericho hebben de poort geslo­ten. Niemand kan er meer in of uit. Want zij verwachten een zware aanval. Ze sidderen want ze weten dat die Israëlieten een God hebben van kracht. Wat zal het worden?

En dan komt Gods opdracht. Loop eenmaal per dag om de stad heen. De ark voorop. Al de krijgslieden lopen om de stad en de zeven priesters op de rams­hoorn lopen voor de ark uit. Op de zevende dag moeten ze zeven maal om de stad heen lopen en de priesters zullen op de ramshoorn blazen. Wanneer men op de ramshoorn de toon aanhoudt en gij het geluid van de horen verneemt, dan moet geheel het volk een luid gejuich aanheffen en de stadsmuur zal in­storten en het volk moet daarop klimmen ieder recht voor zich uit. Dat is dus het krijgsplan van God. Wat moet je daar nu mee? Dat slaat toch nergens op? Daar kun je toch niet mee voor de dag komen? Wat zal het volk gedacht heb­ben? En wat zullen de krijgslieden hebben gedacht? Staan wij daar voor aap. Om de stad heen lopen. Je kwetsbaar opstellen. En de ark met de priesters en de zeven op de ramshoorn blazend voorop. Dat zal geen ontzag inboezemen aan de andere kant. Die zullen krijgsberaad houden en nagaan hoe ze deze zwakke strategie onderuit kunnen halen. Maar Jozua geeft opdracht. En daar gaan ze om de stad heen. Er gebeurt niets. De zevende dag, zeven maal. En dan, als ze zevenmaal zijn rondgetrokken en de ramshorens de toon aanhou­den, dan moeten ze allemaal in gejuich uitbarsten en de stadsmuur zal dan ineenstorten. Nu weten we achteraf dat het gebeurd is, maar ik vraag me af hoeveel echt geloofd zullen hebben dat het ook zou gebeuren. Zo zitten we toch in elkaar? En toen vast en zeker ook. We geloven alleen als we het kun­nen begrijpen en kunnen zien. Anders hebben we zo onze twijfels. Het is alsof de HERE zijn pappenheimers kent en hen keer op keer op de proef stelt. Om hen er maar weer bij te bepalen waar de kracht en de overwinning nu écht vandaan komt. Op de knieën in afhankelijkheid van God. Want de grond waarop gij staat is heilig. Doe de schoenen van uw voeten. God spreekt. Hij wil dat we ons onvoorwaardelijk aan hen uitleveren zodat Hij ons kan ge­bruiken in zijn dienst van wonderen en grote daden. Zijn kracht in onze zwak­heid. Dat is werkelijke kracht. Want tegen de kracht van God kan niemand op. Here, glorie voor uw Naam.

De gewapenden gaan eerst. Dan komen de zeven priesters met de ramshorens en dan de ark en dan de achterhoede, het volk. Elke dag weer. En dan komt de zevende dag. Zeven keer om de stad heen. De wachters op de muren van Jeri­cho die ook deze dag één tocht verwachten, zien tot hun verbazing dat ze er keer op keer omheen trekken. Wat heeft dit te betekenen? Rachab de hoer zit met haar hele familie in haar hoerenhuis op de rand van de muur. Zij weet dat de God van Israël Jericho in hun macht geeft. Ze weet dat zij dan gered wordt. Maar hoe en op welke manier, weet zij ook niet. Het is allemaal wel spannend. Ze heeft het rode koord waarmee ze de mannen over de muur heen naar bene­den heeft gelaten al die dagen al uitgehangen zoals afgesproken was als teken dat zij gered zou worden.

Jozua heeft het zeker aan het volk verteld. En ze hebben zeker het koord zien hangen en er over gesproken. Zie je wel daar hangt het koord. Dat is het huis van Rachab de hoer. Die zal gespaard worden. Daarvan zal het huis niet in­storten. Dat heeft God beloofd. Daar staan de verspieders borg voor en Jozua heeft het met de HERE bekrachtigd. Jozua heeft bevolen dat er geen woord uit hun mond komt alle keren dat ze om de stad heen trekken. Het gaat er zwij­gend aan toe. Alleen het geluid van de ramshoorn wordt gehoord. Ze mogen pas ‘juicht’ zeggen op het signaal van Jozua.

En op de zevende dag toen ze er zeven maal omheen getrokken waren riep Jo­zua: “Juicht, want de HERE heeft u de stad gegeven!” En wat gebeurt er? Dat wat de HERE gezegd heeft. Wat de HERE zegt dat gebeurt. Als de HERE zegt dat de muur valt, dan valt de muur. Als de HERE zegt dat Hij een eeuwigdu­rend verbond gesloten heeft met Abraham voor zijn land en voor zijn volk, dan gebeurt dat ook. Het kan kort duren of lang duren maar twijfel er maar niet aan. Ze kunnen vierhonderd dertig jaar in Egypte zijn geweest, maar Hij leidt ze uit naar het beloofde land. Ze kunnen nog zo weerspannig en zondig zijn, maar Hij gaat door met zijn plan. Ze zullen allen naar hun land worden teruggeroepen want Hij heeft het beloofd. De hele wereld kan tekeergaan, maar ze zullen zich deerlijk verwonden als ze zich verheffen tegen het volk van God en het land van God. God weet als de beste dat zijn volk vreselijk gezondigd heeft. Hij lijdt eronder dat ze zijn Zoon, hun Messias in de eerste plaats hebben verworpen en tot op vandaag verwerpen. Daar lijdt God aan. Maar wee je gebeente als je het lef hebt om dat volk van God dan ook nog een trap na te geven. Neen. God rekent met zijn volk af. Als wij denken daar een schepje boven op te moeten doen dan komen we bedrogen uit. Daarom is het zo belangrijk om dicht bij het woord te blijven en zijn profetisch woord des te vaster te nemen. En er niet aan te twijfelen. Want de Morgenster gaat op in uw harten. Het zal allemaal geopenbaard worden. Het wordt heel mooi. Let maar op. We zien het voor onze ogen.

Ze mogen niets meenemen, alles is in de ban, behalve het goud en zilver dat mag voor de dienst des HEREN verzameld worden. Rachab en haar hele huis worden gespaard. En zij wezen Rachab en haar huis een verblijf aan buiten de legerplaats om te wonen. En zo wordt Rachab opgenomen. En wat een wonder als we diezelfde Rachab tegenkomen in de geslachtsregisters van de HERE Jezus. Want Rachab trouwt en Boaz wordt geboren en Boaz krijgt bij Ruth, de Moabitische, een zoon Obed en zijn zoon is Isaï. En Isaï verwekt David zijn jongste die door Samuël wordt aangewezen om koning te worden in plaats van Saul die de HERE verlaat en eigen wegen ging. Twee vrouwen buiten het uit­verkoren volk die belangrijk zijn voor de stamboom van de HERE Jezus. Het is de HERE die volkeren inschakelt om zijn heil te verkondigen. Het is fantas­tisch als je daar over nadenkt. Je begint dan ook te begrijpen dat de Messias niet alleen kwam voor zijn volk, maar dat zijn volk uitverkoren is om tot heil te zijn voor heel de wereld. Opdat de wereld wete dat de HERE God is. God schiep de hemel en de aarde. God is God van de gehele aarde. En de hele aar­de zal herschapen worden zoals het was in den beginne. En zijn uitverkoren volk en zijn uitverkoren land hebben alleen de bedoeling om de Messias voort te brengen en een woonplaats van God te zijn. Vanuit Jeruzalem, de plaats waar God woont, zal eenmaal de wet uitgaan. En dat zal het brandpunt van de wereld zijn. Want alle krachten die dat kunnen verhinderen worden samenge­bald om dat tegen te werken. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Dat gaat gebeuren. God is goed, God is niet genoeg te prijzen. Wie aan deze Bijbelse, profetische werkelijkheid voorbij gaat is stekeblind en komt en profetisch en politiek en qua verwachting verkeerd uit. Het is juist de bedoeling dat we scherp zicht houden op wat het woord zegt over het verleden toen en het ethi­sche en profetische heden nu en in de toekomst.

De stad wordt genomen overeenkomstig wat de HERE had gezegd. Niemand blijft in leven. Alleen het goud en zilver wordt verzameld. Maar Achan nam toch van het gebannene en we zien meteen wat er gebeurt.

Jozua 7:1-26

7 februari [2]

7:4

...zij sloegen echter voor de mannen van Ai op de vlucht.

7:13

Sta op, heilig het volk…

7:21

ze zijn in mijn tent in de grond verborgen,…

7:26

Toen liet de HERE zijn brandende toorn varen. Daarom noemt men die plaats het dal Achor, tot op de huidige dag.

Ze denken na de eclatante wonderbaarlijke overwinning van Jericho dat Ai een fluitje van een cent is. Maar het leger wordt in de pan gehakt. Hoe kan dat nou? Wat is er gebeurd? Het was toch maar een klein stadje dat ze gemakke­lijk konden innemen. Vreemd. Wat heeft God nu in de zin? En ze zoeken het aangezicht des HEREN. Here, ach, waarom is dit gebeurd? Hebt U daarvoor dit hele volk zover laten komen om het nu al de nederlaag te laten lijden? Neen toch HERE! En dan komt de HERE en zegt: “sta op.” Wat liggen jullie daar te kermen. Heiligt het volk, want de ban is in het leger. Jullie hebben van het gebannene genomen. En zo is het. Het komt er op aan dat we niet met de mond moeten belijden en het vervolgens niet doen. Neen. We moeten ons volledig uitleveren aan God. We kunnen wel denken dat we het één en ander kunnen verbergen in ons leven, maar dan hebben we het mis. Voor God ligt alles open. Psalm 139. God is er altijd. Is dat beklemmend? Neen. Dat is be­vrijdend, want God wil dat we zijn geboden van liefde houden en ons niet in de war laten brengen door wat dan ook. God is goed. Heerlijk om zo voor Hem uit te gaan. En sterk en moedig te zijn. God geeft de overwinning. Wij, zijn knechten, moeten eenvoudig gehoorzaam achter Hem aangaan. En alles wat niet bij God hoort uit ons midden wegdoen. En dat begint heel dichtbij. Als God liefde is, hoe is het met onze liefde? Als God in actie is hoe zijn wij in actie om verlorenen te redden? Als God gebeden wil zijn dan moeten wij werk maken van onze gebeden. God is goed. Prijst de HERE.

Sta op heiligt het volk. Zo’n klein stadje Ai. En ze konden het niet innemen. Ze werden verslagen. En wat doet Jozua? Hij klaagt als het ware God aan. Hoe kunt U dat nu doen? Straks worden we helemaal verslagen en wat zullen ze dan van uw grote Naam zeggen? Sta op Jozua. Je moet mij niet aanklagen. Er is de ban in het leger. Jullie hebben gezondigd. Heiligt het volk.

En daar gaan de mannen volgens hun geslachten. En bij Achan komt het hoge woord eruit. Hij wordt aangewezen door de HERE God. Hij heeft van de buit weggenomen. En dat terwijl God gezegd had dat alles vernietigd moest wor­den. Hij verbergt het in de grond in zijn tent. En hij met heel zijn huis wordt gestenigd en met vuur verbrand. Weg er mee.

Een ernstig maar duidelijk verhaal. God kan niet met ons verder als we de zonde in ons leven houden. Wij doen alsof, maar gaan rustig door met onze zonde. En wij maar klagen, waarom dit en waarom dat. Maar wat zijn we zelf aan het doen? We kunnen allemaal de vroomste dingen er op na houden. We kunnen de boel helemaal op orde hebben. Maar we koesteren toch onze eigen zonden.

We zijn toch bezig met ons eigen ik. Eerst onze eigen zaken op orde. Eerst dit en eerst dat. En dan kunnen we eens aan God gaan denken. We moeten Gods geboden gehoorzamen. En Gods geboden zijn niet zwaar. Je moet ze gewoon houden. En het grootste gebod is de liefde. En de liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is het belangrijk dat we onze zonden uit ons leven wegdoen. En het van Messias Jezus verwachten. Hij gaf zijn leven voor onze zonden. Daarom staat er in 1 Petrus: Heiligt u dan zal de HERE tot u kunnen komen. Wederstaat de duivel en dan zal hij van je vlieden. Er is beweging in de zaak. Het is actie. Het is heiliging, grote schoonmaak. En dat is een geweldige zaak. God werkt door geheiligde mensen die hun knieën buigen voor Messias Jezus en achter Hem aangaan. Prijs de Heer.

Jozua 8:1-35

8 februari [2]

8:18

Strek de spies, die in uw hand is, uit naar Ai want, Ik geef het in uw macht.

8:26

En Jozua trok zijn hand, waarmee hij de spies uitgestrekt hield, niet in, voordat hij alle inwoners van Ai met de ban geslagen had.

8:35

En er was geen woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas aan de gehele gemeente van Israël…

Listig hebben ze Ai ingenomen. Niet met 3000 maar met 30.000 man. De HERE zegt tegen Jozua: Strek de spies die in uw hand is uit naar Ai. En Jozua houdt de spies uitgestrekt naar Ai totdat de laatste man in de ban is. De hele stad uitgeroeid. God geeft de overwinning. Het is zijn strategie.

Jozua moet nauwgezet doen wat de HERE God hem opdraagt. Trek je spies uit in de richting van Ai. En dat blijft hij doen totdat de opdracht vervuld is. Het komt er dus op aan. We moeten niet denken dat we het in eigen kracht kunnen doen. We kunnen grote krachten verwachten, want we hebben een machtige God. We moeten steeds weer doen wat God van ons vraagt. En God vraagt gehoorzaamheid aan zijn woord. Hij heeft ons die uitgebreide Bijbel gegeven om er zijn wijsheid uit te putten. En het geheim is eigenlijk heel een­voudig. Doen wat er staat. Dan gaan de vijanden op de vlucht. Dan worden steden ingenomen. Dan komt er ruimte voor de Almacht van de HERE God in ons leven. En daar gaat het in de eerste plaats om. Dat God geheiligd wordt in ons leven. Dat we Hem liefhebben met geheel ons hart. Hoe moet dat dan? Het blijft eenvoudig.

Jozua schrijft de wet op de stenen van het altaar. Het is weer een herhaling van wat ze al wisten. Maar het kan niet genoeg herhaald worden. Er is telkens weer de aanval en de verleiding om er een loopje mee te nemen. Lees het voor. Voor iedereen, de mannen, de vrouwen en de kinderen en iedereen die in je huis is.

Doen wat Hij zegt. Dat zien we ook weer hier in Ai. God zegt het en het ge­beurt. Gaan we daar tegenin dan gaat het mis. Het is zijn genade dat het nog vaak zo goed gaat. Maar van binnen is het verrot. Daarom terug naar het woord op alle terreinen. En dat weten we voor ons zelf heel goed in te vullen. We weten wat de vrucht van het vlees en de vrucht van de geest is. Heerlijk toch. Doen. En heb je er moeite mee? En wat hebben we er niet een moeite mee. Hij wil je helpen. Want in eigen kracht kunnen we het niet. Strek je hand uit naar Jezus en Hij zal je rust willen geven. Vaak zelfs tegen je eigen wil in. Wat kan onze wil toch sterk zijn. Dank U HERE, voor zoveel liefde voor mij. Ik heb U nodig. En U bent er altijd. Help mij ook weer deze dag.

Jozua 9:1-27

9 februari [2]

9:14

Hierop namen de mannen van hun teerkost, maar zij raadpleegden de HERE niet.

9:22

Waarom hebt gij ons bedrogen door te zeggen: wij wonen zeer ver van u verwijderd,…

9:23

nimmer zult gij ophouden knechten te zijn, houthakkers en waterputters voor het huis van mijn God.

“De list der Gibeonieten,” heeft men boven het stukje gezet. Eigenlijk zou er boven hebben moeten staan: “de ongehoorzaamheid aan God”. De kern van het verhaal is dat ze God niet raadpleegden. Ze geloofden hen op hun woord. Ze logen dat het eraf droop. Je kon het op je vingers natellen. Ze vroegen het zelfs nog. Maar niemand die de moeite nam om het na te speuren. Niemand die het belangrijk vond om de HERE te vragen wat te doen. En dan sluiten ze een verbond. En na drie dagen komt het al uit. Ze zijn bedrogen. Ze worden niet verdelgd. En dat terwijl God gezegd had dat alles verdelgd moest worden.

Hoe belangrijk is het weer om heel dicht bij God te blijven. Hem te raadple­gen bij al de dingen waar je mee bezig bent. Hij luistert naar je. Hij wil je de weg wijzen. En de weg die je gaat altijd aan de HERE opdragen. Begin de dag met Hem. Here wat wilt gij dat ik doen zal. Dan ga je lopen maar je loopt in de voetstappen van God. Je wilt ook niet anders. En daar waar Hij je brengt daar weet je van dat het goed is. Niet wachten tot je een stem hoort of een rechtstreekse opdracht krijgt. Dat kan ook. Maar in de meeste gevallen is het gewoon in gehoorzaamheid wandelen wat God die dag op je weg brengt. Dat is eenvoudige gehoorzaamheid. Dat is een vredestichtende en vrede ontvan­gende gedachte. Daar heb je het goed bij. Juist en vooral ook in omstandighe­den waar jij niets aan kunt doen, maar met de wetenschap dat God alle dingen doet medewerken ten goede. Wie weet wat voor uitdagende plannen God van­daag weer voor ons heeft. Of misschien ook heel eenvoudig de dingen doen die we moeten doen, ook al is het niet het mooiste wat we ons er zelf van voorstelden. Als we het uit eenvoudige gehoorzaamheid doen dan wordt zelfs dat wat ons het meest niet interessantste lijkt het mooiste van de dag. Het is immers allemaal in zijn hand en met Hem gaat het goed.

Jozua 10:1-15

10 februari [2]

10:2

toen werd men zeer bevreesd, want Gibeon was een grote stad,… en al haar mannen waren helden.

10:4

opdat wij Gibeon slaan, omdat het vriendschap gesloten heeft met Jozua…

10:8

En de HERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hen, want Ik geef hen in uw macht,…

10:10

en de HERE bracht hen voor het aangezicht van Israël in verwarring, zodat hij hun een grote nederlaag toebracht bij Gibeon,…

10:11

wierp de HERE uit de hemel grote stenen op hen, tot Azeka toe, zodat zij stierven; die door de hagelstenen stierven, waren talrijker dan die, welke de Israëlieten met het zwaard doodden.

10:12

Zon, sta stil te Gibeon en gij maan, in het dal van Ajalon!

10:13

En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijand gewroken had. Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechten? …omstreeks een volle dag.

10:14

Een dag als deze is er noch vroeger, noch later, ooit geweest waarop de HERE zó iemands stem verhoorde, want de HERE streed voor Israël.

Daar zit je dan. De Gibeonieten hebben door een list een verbond gesloten met Israël. Maar het waren volken die uitgeroeid moesten worden. Maar toen de andere vorsten die met elkaar een verbond gesloten hadden om tegen Israël te strijden dit hoorden gingen zij Gibeon belegeren om hen een kopje kleiner te maken. Als ze zich onttrekken aan de gezamenlijke actie om tegen Israël te strijden dan moet je een kopje kleiner gemaakt worden. Geen wonder. En dan wordt de stad belegerd. Maar dan komen de Gibeonieten bij Jozua en roepen zijn hulp in. Ze hebben toch een verbond gesloten met Jozua. Dus nu moet Jozua hen ook helpen. Wat zou Jozua gedacht hebben? Misschien wel dat hij het heimelijk wel goed vond dat ze in de pan gehakt werden. Want hij voelde zich zo bedrogen. Ze hadden hem er ook in geluisd. Dat zou wat hem betreft wel gewroken mogen worden. Maar de HERE zegt tegen hem dat hij niet bang moet zijn, want God zal hen in zijn macht geven. En dan trekt Jozua erop uit. En de HERE geeft verwarring in het leger van de koningen zodat ze op de vlucht slaan. Dat is toch ook bijzonder. Jozua heeft zijn leger uitgerust om te strijden, maar de HERE geeft verwarring. Hij geeft inderdaad de tegenstander in de handen van Jozua. Hij gaat vooraan in de strijd. Hij rukt op. Wij moeten achter Hem aangaan. Het is de land-, lucht- en zeemacht van koning Jezus waar wij onderdeel van zijn. God is goed. God is groot. Hij is nooit genoeg te prijzen. Het is een wonder. En alsof dat nog niet genoeg is. Als zij op de vlucht zijn dan geeft God grote stenen uit de hemel en die komen op hen neer terwijl zij vluchten. En dan staat er; ‘er stierven meer als gevolg van de hagel­stenen dan als gevolg van de slag op het slagveld.’ Dat is God. God doet din­gen die wij niet kunnen bedenken. Maar één ding is zeker: God gaat vooraan. Hij leidt je door het leven. Hij wilt dat je gehoorzaam achter Hem aangaat.

Jozua had in het vorige hoofdstuk de wet voorgelezen. En dat was geweldig, want daar stond alles nog weer eens in. Hij had het ook opgeschreven. En zo is het opgeschreven voor ons. Wij moeten het lezen en er naar leven. We moe­ten het ons eigen maken. Dan ga je er ook uit leven, dan wordt het je een lust om naar de geboden van God te leven. Dan zie je ook dat het de werkelijkheid is. Dit verhaal staat dan ook weer opgeschreven, opdat wij weten dat de HERE God is en dat de volken weten dat God de HERE God is en dat alle volken Hem zullen moeten vrezen. En dat zal gaan gebeuren. Daar staat de Bijbel vol van. Ook al zien we er niet veel van. Toch moet dat onze houding zijn in het leven. Ze kunnen nog zo tekeergaan tegen God, maar eens zullen alle volken en alle mensen moeten erkennen, dat de HERE, God is. Heerlijk evangelie. Dat moeten we uitdragen. Daar moeten we voor gaan.

En dan komt het wonder dat zijn weerga niet heeft. God is groot en God kan alles, maar de zon en de maan stilzetten? Ja ook dat gebeurt. Jozua zegt het: Zon sta stil, maan sta stil! En het gebeurt. Wat een wonder. God is groot. God gaat in op Jozua’s verzoek. Dat is je toch niet voor te stellen? De bijbelschrij­ver beseft het zelf ook. Want hij zegt dat zoiets daar voor, maar ook daarna niet meer is gebeurd. Wie kan nu de zon en de maan stilzetten? Het is toch het grote wereldgebeuren met al zijn planeten en stelsels en dat wordt even stilge­zet. Hebben we nu nog meer bewijs nodig dat God God is? Wat denken we wel in ons kleine bekrompen verstand, alsof wij God kunnen begrijpen. Neen God staat boven ons. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Hij is de potten­bakker. Hij boetseert het leem. Hij heeft er de controle over. En zo is het hier. Hij laat de zon en de maan stilstaan. Een volle dag, staat erbij. Dus je kunt er ook niet omheen. Een volle dag. En Jozua krijgt de gelegenheid om af te reke­nen met de vijanden. De HERE streed voor Israël. En daarom heeft Hij de stem van Jozua verhoord. Wat een God, die zo voor je strijdt. Hij gaat nog verder. Hij strijdt zo voor ons dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat wij eeuwig zouden leven. Want, alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem ge­looft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Dat is geweldig. De verzoe­ning van onze zonden, door het offer van de Zoon van God. Dat is een won­der. Dat is genade. Daar kunnen we nooit genoeg voor danken. Prijs de HERE.

Zo wandelen we de Bijbel door en komen steeds maar weer de grote daden van God tegen. En inderdaad ze zijn ons alle opgeschreven, opdat wij zien en geloven dat God God is en ons wil voorgaan om in de strijd in dit leven ons een veilige route te wijzen die we moeten gaan. God is groot. Volg Hem. Waarom zou je nog een dag wachten om met Hem deze weg van de eeuwig­heid te gaan. Looft Hem. Je wordt er alleen maar blij van en je wordt weer- en stressbestendig, want niets kan je dan meer scheiden van de liefde van God. Want er zijn zoveel onbegrepen en onverklaarbare dingen dat je er gek van zou worden. Maar als je het ziet vanuit Hem, die zelf zijn leven daarvoor gaf, dan word je stil en afhankelijk, want niets kan je dan scheiden van de liefde van God. Heerlijk evangelie dat ons over leven en dood heen trekt en ons nu al doet zien de vergezichten van de eeuwige liefde van God. Glorie voor zijn Naam.

Jozua 10:16-43

11 februari [2]

10:40

Aldus sloeg Jozua het ganse land,… hij liet niemand ontkomen, maar hij sloeg al wat adem had met de ban, zoals de HERE, de God van Israël, geboden had.

God gaat voor Jozua uit. Hijlaat het ganse land. De volkeren worden uitge­roeid. Niemand blijft in leven. Het is het beloofde land. Het is Gods plan met zijn volk. Ze mogen daar in vrede wonen. Ze zijn aangewezen op Gods al­macht. Van hen wordt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid geëist. Zo niet dan gaat het steeds weer verkeerd. Gehoorzaamheid aan de Schepper van ons alle­maal is de meest vanzelfsprekende zaak. Hij heeft ons gemaakt. Dus we doen er goed aan om Hem te gehoorzamen. Wij zijn het leem en Hij is de potten­bakker. Hoe zou het leem tegen de pottenbakker in kunnen gaan?

Het is daarom belangrijk om die volgorde ons hele leven aan te houden. God maakt een einde aan de ongerechtigheid. En dat gaat met mensen levens ge­paard. De zonde wordt gestraft. De volkeren worden verdelgd. Hoeveel men­sen sterven er vandaag niet vanwege hun eigen ongerechtigheid. Daar waar de zonde heerst gaat de samenleving te gronde. De mensen staan tegen elkaar op. Het wordt bloedbad op bloedbad. Alleen daar waar de gehoorzaamheid aan God heerst, daar is vrede en gerechtigheid. Daar is constant schuldbelijdenis en vergeving en verzoening. Daar is herstel en steeds weer opnieuw mogen beginnen. Het is het proces van de liefde en die doet de naaste geen kwaad. We moeten ons dan ook met hand en tand verzetten tegen de zonde, de afval die ons zo licht weer bedreigd. Telkens opnieuw moeten we ons heiligen en de zonden in ons leven wegdoen. Daar mogen we ons in verblijden. We weten dat we het zelf niet kunnen en dat we de kracht van God daarvoor krijgen. Hij wil ook vandaag hagelstenen laten regenen op onze vijanden, zodat ze terug­deinzen. Hij zendt zijn legermachten van engelen om ons te beschermen. We hebben toch een geweldig leven met al die engelen, die ons beschermen. We zijn de gelukkigste, meest bevoorrechte mensen van heel de wereld. Het kan niet stuk.

Jozua 11:1-23

12 februari [2]

11:20

Immers, de HERE had het zó beschikt, dat zij met een verstokt hart de strijd met Israël aanbonden, opdat men hen, zonder genade, met de ban slaan en hen verdelgen zou, zoals de HERE Mozes geboden had.

Het hele land wordt veroverd. Overal staan de koningen in Kanaän tegen Jozua op. Maar de HERE geeft hen in hun macht. De koningen zijn verstokt. Zij willen Israël vernietigen. Ze hebben het op hun levens gemunt. Zij willen doorgaan met hun afgodendienst. Maar God wil een geheiligd rein land. Weg moet de afgodendienst. Dat had God aan Mozes geboden. En zo voert Jozua het uit. Vele vragen kunnen vandaag de dag opkomen. Wat een bloed is ver­goten. Wat een mensen zijn vernietigd. Moest dat nu zo?

De HERE is de Schepper. Hij lijdt zelf het meest aan de zonde. Hij wil alles weer herstellen. Want dit land was beloofd aan Abraham, Isaäk en Jakob. De­ze volken zitten daar clandestien. Israël komt na 400 jaar weer terug uit Egyp­te om het in bezit te nemen. Want wat God beloofd heeft dat zal ook gebeuren. Het kan lang of het kan kort duren, maar het zal gebeuren. Zo was het toen, zo is het ook vandaag. God baant zich een weg en de Messias werd geboren. Het volk wees Hem af en zij zijn tot vandaag de dag over de hele wereld verspreid. Maar God baant zich een weg om de wereld weer te herstellen. Het wachten en werken is op zijn tweede komst. Zijn rijk van recht en gerechtigheid zal worden gegrondvest. Daar zien we naar uit. Dat gaat door strijd heen. De basis is de gehoorzaamheid aan God. We kunnen ons beter haasten om ernst te ma­ken met de geboden van God. Hoe vaak nemen we er geen loopje mee. Dan komen we verkeerd uit. Want de HERE God heeft haast. Wij doen er goed aan om ons ook te haasten. Het land is nu aan het volk van God. We gaan verder met Jozua. Een profetisch boek.

Jozua 12:1-24

13 februari [2]

12:24

samen éénendertig koningen.

God schenkt waarde aan de historie en de verslaglegging. Alle verslagen ko­ningen en de plaatsen die veroverd zijn worden nog eens op een rijtje gezet. De grote daden van God mogen genoemd en geroemd worden. De volkeren mogen weten wat God gedaan heeft. Hij doet grote dingen. Hij is niet veran­derd. Het is ons allemaal overgeleverd tot aan vandaag toe om kracht te putten uit de Almacht van God. Ook vandaag doet Hij grote wonderen. Hij heeft het grote wereldgebeuren in zijn hand. De duivel is machtig. Hij wordt de overste dezer wereld genoemd. En we moeten er niet lichtvaardig over denken. Hij heeft grote kracht. En naarmate de tijd voortschrijdt zal hij veel meer om zich heen slaan. We moeten daar heel serieus rekening mee houden. Want hij weet dat hij weinig tijd heeft. Maar het is een overwonnen vijand. De strijd is ver­der gegaan. En onze zonden zijn verzoend op het kruis van Golgotha. Daar is de grote slag gestreden. We zijn nu met het victorieleger van Koning Jezus op weg naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. We doen er goed aan om ons in slagorde op te stellen in dat leger van Koning Jezus. Dan zijn we veilig en doen we onze taak. Niet links en niet rechts kij­ken, maar ons oog alleen op Jezus gericht houden. Dan kan het nooit mis gaan. Heerlijk toch!

Jozua 13:1-33

14 februari [2]

12:1

Toen Jozua oud en hoogbejaard was, zeide de HERE tot hem: Gij zijt oud en hoogbejaard, en er is nog zeer veel land overgebleven om in bezit te nemen.

12:6

Ik zal hen verdrijven voor de Israëlieten; wijs het bij voorbaat door het lot aan Israël ten erfdeel toe,…

12:8

Tezamen met de (andere helft van de stam Manasse) hebben de Rubenieten en de Gadieten hun erfdeel ontvangen, dat Mozes hun gegeven had aan de overzijde van de Jordaan,…

Interessant. Jozua is hoogbejaard en het gehele land is nog niet veroverd. Wat is er gebeurd? Hebben ze de strijd opgegeven? Wat is er dan al die jaren ge­beurd? Hebben ze op hun lauweren gerust? Is de ernst van de opdracht van God verminderd? Hebben ze het er bij laten zitten? Het lijkt erop. Jozua moet het nog niet veroverde land door het lot aan de stammen toewijzen. God zal het in hun macht geven. Het is interessant om te zien dat het gebied der Fili­stijnen daar ook bij hoort. Wat heeft Israël een last gehad van de Filistijnen. Keer op keer. Hadden ze maar de opdracht van God direct uitgevoerd. Ze moesten alle inwoners verdrijven.

De Rubenieten en de Gadieten en de halve stam van Manasse wonen aan de overzijde van de Jordaan. Ze hebben meegevochten met de rest en nu wonen ze in het Overjordaanse. Wat opvalt is hoe nauwgezet het land verdeeld wordt. Het wordt met plaats en toenaam genoemd. God hecht waarde aan de grenzen van het land. Je kunt er de meetlat langs leggen. Je kunt het precies aangeven. Dat gold toen en dat geldt ook vandaag. Het is interessant te zien hoe de lands­grenzen van het beloofde land door de HERE God zelf zijn bepaald. Dat heeft ons iets te zeggen vandaag de dag.

Hij heeft het hen als een eeuwigdurende belofte gegeven. Dat is vandaag een moeilijke zaak. Want de omringende landen nemen dat niet. Dat was toen en dat is nu nog zo. Het gaat vandaag over de teruggave van land voor vrede. Grote verdeeldheid. We leven in apocalyptische tijden. Het zal daarbij steeds gaan over de grenzen van Israël. De wereld zal zich er steeds mee bemoeien.

Jozua 14:1-15

15 februari [2]

14:14

Daarom is Hebron het erfdeel van Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, tot op de huidige dag, omdat hij volkomen trouw gebleven is aan de HERE, de God van Israël.

14:15

En het land rustte van de strijd.

Kaleb krijgt het bergland der Enakieten waar Hebron ligt. Hij had als verspie­der de moed niet opgegeven. Hij mocht dan ook met Jozua wel het land in­gaan. Hij hoefde niet te sterven zoals allen die boven 20 jaar uit Egypte waren vertrokken. Niemand is Israël binnengegaan. Ze zijn allemaal gestorven. Wat een tragiek als de mens in zonde valt. Op zonde volgt straf. Daar kunnen we God de schuld niet van geven. Dat halen we zelf over ons heen. Wij hebben gezondigd. En daar moeten we ons van bekeren. Dat geldt keer op keer. We moeten dan ook niet moeilijk doen als we straf over ons en ons land zien ko­men. Want we hebben het toch zelf over ons heen gehaald? We hebben het zelf gedaan.

Zo gaat het ook met Israël. Het hoofdstuk eindigt met: En het land rustte van de strijd. Er is veel gevochten. Nu rust het land van de strijd. Ze hebben alle land nog niet in bezit genomen. Zoals de HERE God bevolen heeft. Daar krij­gen ze dan ook veel last van. Tot vandaag de dag. Want de Filistijnen, is het land van de Palestijnen vandaag in de Gazastrook.

We moeten daar goed rekening mee houden. Het is belangrijk dat we daar steeds zeer nauwgezet rekening mee houden. Trouw aan de geboden van God. Dan gaat het goed met je. Stom dat we het er toch steeds weer bij laten zitten. Dom.

Jozua 15:1-12

16 februari [2]

15:1

Het lot voor de stam der Judeeërs naar hun geslachten strekte zich uit tot aan het gebied van Edom, tot aan de woestijn Zin zuidwaarts, in het uiterste Zuiden.

Over grenzen gesproken. God geeft de grenzen aan. Ze komen na 400 jaar in Israël terug. Jakob heeft er met zijn kinderen gewoond. Nu krijgen ze het be­loofde land. Met meer dan een miljoen mensen trekken ze uit Egypte. Na veer­tig jaar komen ze aan.

Jozua is nu 85 jaar. Hij was 40 toen God tot hem sprak. Wat een geschiedenis. Wat een profetie. Wat God belooft gaat gebeuren. Ook al duurt het eeuwen. Wij worden slechts 60 tot 80 jaar. Wij proberen het hele gebeuren te begrij­pen. Maar wij zijn slechts een zeer beperkt onderdeel. Wij begrijpen nauwe­lijks iets van wat er in onze tijd gebeurt. Laat staan wat er door de eeuwen heen gebeurt.

We doen wel heel gewichtig, maar het past ons bescheiden te zijn. Maar hier is een boek vol waarheid en wijsheid. Hoogmoedig gaan we er vaak aan voor­bij. We hebben éérst onze eigen meningen en gedachten en zullen die dan op­leggen aan het Woord van God. God heeft het allemaal toch wel een beetje verkeerd gezien. Dat kan toch allemaal niet waar zijn. Kom, laten we de Bijbel hervertellen. Dat staat veel beter in deze tijd. En er zijn altijd heel veel dwaal­lichten die daar dan weer in willen trappen en de drukker en de herschrijver varen er wel bij.

Een vreselijke hoogmoed. Wat denken ze wel? Want als God alles met naam en toenaam, plaats en tijd zo precies aangeeft dan wil Hij daarmee zeggen dat er dwaallichten zullen komen, die steeds weer proberen om hun eigen verhaal te maken, maar daar moet je niet intrappen. Deze dwaallichten moet je juist ontmaskeren en er heel eenvoudig de geopenbaarde waarheid tegenover zet­ten. En daarmee uit. De geschiedenis en de toekomst is aan Gods kant.

Jozua 15:13-63

17 februari [2]

15:13

Aan Kaleb, de zoon van Jefunne, gaf hij een deel in het midden der Judeeërs,… Dit is Hebron.

15:17

Othniël nu, de zoon van Kenaz, de broeder van Kaleb, nam het in; en hij gaf hem zijn dochter Achsa tot vrouw.

15:19

Toen gaf hij haar de hoog- en laaggelegen bronnen.

15:47

Gaza en zijn onderhorige plaatsen en dorpen, tot aan de beek van Egypte, de Grote Zee en de kust.

15:63

De Judeeërs echter konden de Jebusieten die in Jeruzalem woonden, niet verdrijven, zodat de Jebusieten bij de Judeeërs in Jeruzalem zijn blijven wonen tot op de huidige dag.

Het wordt allemaal tot in detail beschreven. Het gaat hier over het erfdeel voor de stam van Juda. Het is het gebied waar ook Jeruzalem in ligt. Het gaat tot aan Kades Barnea, dat is de onderste punt. En dan gaat het bij de Schelfzee omhoog tot aan de Grote Zee en dan bij Gaza omhoog. Dit is dus het gebied dat erfdeel is van Juda. En zo is het voor elke stam precies omschreven. Dat is het hun door God gegeven land. Voor altoos en immer. Ze zijn wel vierhon­derd dertig jaar in Egypte geweest en ze zijn in ballingschap gegaan en tot op vandaag zijn er miljoenen onder de volkeren verspreid, maar Gods beloften blijven Gods beloften. Ze zullen allen weer terugkeren naar het land en recht hebben op dit erfdeel. Dat is Gods plan met zijn volk en zijn land. Ze zijn ver­spreid onder de volkeren vanwege hun zonde. Ze zijn de afgoden keer op keer nagevolgd en God heeft profeten gestuurd, maar ze hebben niet geluisterd. En dan moeten ze ook niet opkijken, dat ze in ballingschap gaan. En er zijn er slechts een gering aantal teruggekeerd. De rest verkoos het om te blijven bij de vetpotten van de landen waar naar toe ze verstrooid waren. En dat is tot op vandaag nog precies hetzelfde. Slechts als er grote druk is, is er dwang om terug te keren naar het beloofde land. Dat was na de Tweede Wereldoorlog toen zes miljoen Joden in het christelijke, welvarende westen waren omge­bracht in de concentratiekampen. En dat is nu, nu de Joden in Rusland het te kwaad en te arm krijgen. Maar de aliyah voor hen uit het Westen is een vaag begrip. Daar voelen ze niets voor. Huis en haard verlaten. Neen. Het is hun tijd nog niet. En misschien is dat ook wel zo. Misschien moet er eerst de door God gebrachte druk komen voordat ze hun biezen pakken. God zelf zal hen roepen.

Maar voorlopig zijn ze nu in Israël aangekomen. Kaleb krijgt een deel in het erfdeel van Juda. Hij krijgt de stad der Enakieten, de reuzen waar de tien an­dere verspieders zo bang voor waren. Hij verslaat hen. Hij verslaat ook een andere onverslaanbare reus. Of liever gezegd dat doet Othniël, de zoon van zijn broer. En als dank krijgt die de dochter van Kaleb tot vrouw. Zij vraagt nog een extra bruilofstgift en ze krijgt de hoog- en de laaggelegen bronnen. Zo wordt het land toegewezen. En de oorspronkelijke bewoners zijn verjaagd en omgebracht. God neemt bezit van zijn land. Het beloofde land.

En dan eindigt dit hoofdstuk met een trieste mededeling. Ze hebben geen kans gezien om de Jebusieten te verdrijven uit Jeruzalem. Dat slaat toch nergens op?! God had toch gezegd dat ze alle volken moesten verdrijven? Dat gold dan toch ook voor de Jebusieten. Maar die waren kennelijk te sterk. Dus die laat je er dan maar wonen. En nu wonen de Judeeërs en de Jebusieten samen in Jeru­zalem tot op deze huidige dag. Dat lijkt wel uit het leven gegrepen. God geeft ze hun land. En hoewel God wonder na wonder doet bij de Jordaan naar Jeri­cho en al die andere wonderen bij de verovering, zijn ze kennelijk het wonder kwijtgeraakt om te geloven dat God in staat is om ook de Jebusieten uit Jeru­zalem te verdrijven. Dat is een stukje ongeloof waar ze nog heel veel last van krijgen. God is goed. God geeft opdrachten die niet te moeilijk zijn om uit te voeren. Het komt er alleen op aan of we vertrouwen hebben om het met de opdracht. wees sterk en moedig; te doen. Daar gaat het om. God is goed. En nog wel in Jeruzalem. Het is de stad van God. Het is de stad van de tempel. En daar blijven de Jebusieten wonen tot op de huidige dag. Dat slaat nergens op. En zo is het gebleven. Israël is nooit radicaal geweest. En we zullen het straks zien bij de ene koning na de andere, hoe hen dat in de problemen brengt.

En we kunnen gerust zeggen tot op de huidige dag. Israël blijft in strijd met de volkeren in hun land en rondom hun land. Het is één grote haatverhouding. En er lijkt geen oplossing. De oplossing is, als God Zich machtig vertoont en alle volken moeten erkennen dat de HERE God is. Dan zullen ze zich moeten bui­gen voor de Almacht van God. Dan zullen ze nog proberen om Israël een kop­je kleiner te maken, maar dat zal niet lukken, want dan komt de HERE met al zijn engelen en dan zal dit grote leger uit de volkeren de strijd verliezen in Ar­mageddon. In het dal van Megiddo. Dat zal een strijd zijn. Zo is het beschre­ven en zo zal het gaan. Het is uitermate belangrijk om ons te verdiepen in de geschiedenis van God met zijn volk en ons te verdiepen in het profetisch woord, waar God spreekt over de nog te komen geschiedenis van zijn volk. Dat wat we daar van kunnen begrijpen, moeten we ook aannemen. Doen we dat niet, dan komen we verkeerd terecht en dan ontwikkelen we een strategie waar we hopeloos mee vastlopen. Lees je Bijbel, leef je Bijbel en maak je strategie op grond van de Bijbel. Dat is de proclamatie voor de volkeren. Heerlijk evangelie. De weg naar het eeuwige leven. Zijn koninkrijk van recht en gerechtigheid komt. Vast en zeker!

Jozua 16:1-17:18

18 februari [2]

16:4

De kinderen van Jozef, Manasse en Efraim, kregen als volgt hun erfdeel.

17:12

De Manassieten konden echter deze steden niet in bezit nemen, want de Kanaänieten slaagden erin in dat land te blijven wonen.

17:14

Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar één lot en één deel gegeven, terwijl ik toch een talrijk volk ben,…

17:18

want gij zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens en al zijn zij sterk.

De kinderen van Jozef; Efraïm en Manasse krijgen ieder een deel door het lot toegewezen. Jozef de onderkoning van Egypte, had twee zonen. Waarom in te­genstelling tot alle andere stammen hen beiden als zonen een deel wordt toe­gewezen zouden we eens na moeten gaan. God wijst hen het land aan door het lot. Ze krijgen ieder een deel toegewezen. Het wordt precies omschreven. Ik zal zien dat ik een kaart te pakken krijg waarop die verdeling staat. Als die verdeling toen gold, blijft die toch ook gelden voor de toekomst. De verloren stammen van Israël zullen dan ook weer boven water wonen en gaan wonen in het hun van Godswege toegewezen erfdeel. Precies zoals het is omschreven. Dat staat haaks op alle denken in politieke zin vandaag. Maar de politiek van vandaag heeft vaak helemaal niets te maken met Gods hogere politiek.

We hebben de profetie vergeten en vergeestelijkt. De kerk zou in plaats geko­men zijn van Israël. Maar God spreekt over eewigdurende beloften en de Here Jezus is daar de vervulling van en de volledige vervulling staat nog te komen. Het land en volk van Israël spelen daarin een centrale rol. Als de beloften ten aanzien van de komst van de HERE Jezus letterlijk vervuld zijn geworden, dan zullen de beloften ten aanzien van zijn wederkomst ook letterlijk vervuld worden.

Er is eenheid in de exegese van de Schrift. Het zal dus allemaal ge­beuren zo­als het beschreven is. We hebben de zogenaamde vervangingstheolo­gie geïn­troduceerd al in de eerste eeuwen om zo het Joodse volk van zijn eeu­wigdu­rende beloften te beroven. Maar zo ook Jezus, die van dit volk was, van zijn eeuwigdurende beloften te beroven. Hoe kunnen we een Jezus prediken, als we Hem beroven van zijn eigen profetie? Daar moeten we ons van beke­ren. Het gaat om de beloften in de schrift. Het gaat om het Woord van God.

Jozua 18:1-28

19 februari [2]

18:3

Hoelang zult gij traag blijven, om het land in bezit te nemen,…

18:10

Toen wierp Jozua voor hen het lot te Silo, voor het aangezicht des HEREN, en Jozua deelde daar de Israëlieten het land toe, overeenkomstig hun afdelingen.

18:20

Dit was het erfdeel van de Benjaminieten naar hun geslachten, met zijn grenzen rondom.

Het schiet niet op. Ze hadden kennelijk geen haast. Jozua wordt ongeduldig. Hij is ook al over de tachtig jaar, maar hij is nog even krachtig dan toen hij veertig was. Hij maant aan tot spoed. Waarom waren ze zo traag? Het ging ze kennelijk goed. Ze bleven bij hun tenten wonen. Of waren ze bang om de rest van de Kanaänieten weg te jagen? Dat had God hen geboden. Iedereen moest worden verslagen en weggejaagd. Dat was gedeeltelijk gebeurd. Dan moeten drie mannen het land in kaart brengen. En Jozua zal het lot werpen en de ove­rige zeven delen toe gaan wijzen. En zo gebeurt het. Dat schiet tenminste op. Het gaat net als de vorige keren weer heel precies. De grenzen worden heel precies omschreven. Ze weten precies waar ze aan toe zijn. Over de grenzen van hun land kunnen ze nooit ruzie krijgen. Dat staat vast. En dat staat voor altijd vast. Het is geweldig om de weg van de HERE te zien.

Wij mogen vandaag ook in de weg van de HERE gaan. In het voetspoor van koning Jezus. Dat is geweldig. Dan kennen we onze grenzen. Dan zijn we het gelukkigst. Dan zijn onze landpalen ook gezet. Blijf in het koninkrijk van Jezus en je woont veilig. Niets kan je overkomen.

Heerlijk om vanuit deze alles omvattende zekerheid te mogen leven. We gaan vandaag weer aan de slag, heerlijk. En bij alle twijfels, lek en gebrek, toch vasthouden en in Hem blijven. De goede Herder. Doe het en je zult het erva­ren. Belofte is belofte.

Jozua 19:1-31

20 februari [2]

19:9

Uit het deel der Judeeërs was het erfdeel der Simeonieten genomen. Omdat het deel der Judeeërs voor hen te groot was, kregen de Simeonieten een erfdeel in hun midden.

19:16

Dit was het erfdeel van de Zebulonieten…

19:23

Dit was het erfdeel van de stam der Issascharietren…

19:31

Dit was het erfdeel van de stam der Aserieten…

Er kon geen misverstand over bestaan. Plaatsen en geografische gegevens worden met een precisie vastgesteld, zodat de grenzen tot in details worden vastgelegd van de twaalf stammen. Simeon krijgt een stuk in Juda, omdat het stuk voor Juda te groot was. Dat is toch wel heel bijzonder. Was dat dan te groot bemeten. Of hadden ze zich vergist. Het is heel bijzonder als het over namen en geslachten en gebieden gaat. God hecht er waarde aan om alles met naam en toenaam te benoemen. Ieder kon zien wat er afgesproken was en hoe het ook zit met de familieverbanden. Natuurlijk heel belangrijk omdat de fa­milie ook rechten en verplichtingen heeft naar elkaar toe. Denk alleen maar aan de lossing.

Tot op vandaag zijn de grenzen nog duidelijk te markeren. Niet alleen voor nu, maar ook voor de toekomst. Als het volk en alle stammen uit de diaspora terugkeren, dan weten ze tenminste in welke gebieden ze hun rechten hebben. Het is uitermate boeiend om te ontdekken hoe bij de grote terugkeer, waarbij de uittocht uit Egypte in het niet valt, zoals de profeten zeggen, alles in zijn werk zal gaan. Alles gebeurt met een profetische precisie als het gaat over de vervulling. Alles op Gods tijd, maar dan ook vast en zeker zoals het door Hem is beschreven.

Jozua 19:31-51

21 februari [2]

19:51

Aldus beëindigden zij de verdeling van het land.

Ze hadden er zeer vertraagd over gedaan. Maar nu wordt de verdeling van het land dan toch achter elkaar afgemaakt. Als je aan een klus begint dan moet je het ook afmaken. Het komt er erg op aan. Het gaat hier over een opdracht van God die ze niet uitvoeren. Er wonen ook nog veel mensen in het land die ze niet uitgeroeid hebben. En God had hen dat nu juist bevolen. Ze zullen daar hun hele leven nog heel veel last mee hebben. Het begon al met de Gibeonie­ten. Die lieten Israël door een list, alsof ze van ver kwamen, een verbond slui­ten. De oorzaak was dat ze God niet raadpleegden. Ze geloofden hen op hun woord. Het gaat er dus om dat we God raadplegen bij alles wat we doen. Het gaat erom dat dat wat je begint, je ook afmaakt. Ik moet denken aan het lezen van de Bijbel. Hoe vaak hebben we ons niet voorgenomen om trouw te wor­den in het lezen van het woord. We hebben het God zelfs beloofd om ons sterk te maken. En na een bepaalde tijd zakt het weer af. We worden ontrouw.

We laten het er weer bij zitten. Dat schiet natuurlijk niet op. Daar kan God niets mee beginnen. Wat moet God met zo’n slap stelletje? Wel beloven en niet doen. En het gaat hier niet over een kleine zaak. Het gaat om de kennis waarvan Hij zegt dat het voorwaarde is voor ons voortbestaan. Hoe zouden we kunnen leven zonder de kennis van Gods woord? Hosea 4 zegt het klaar en dui­delijk. Als we het woord niet hebben dan gaat het verkeerd in het land. Dan wordt het liegen, moorden, stelen en echtbreken. Waar­om is er verloedering in het land? Heel eenvoudig, omdat het woord van God niet meer gepredikt wordt. Dan gaat het mis. Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan de ken­nis. Dat geldt voor ons zelf. Daarom lezen, lezen, lezen en nog eens le­zen. De bevordering van het lezen van de Bijbel is het belangrijkste actiemid­del dat we kunnen propageren. Dan leer je dat abortus niet bij God hoort, dat je sek­sueel niet scheef moet gaan, dat drugs zonde is, dat enz. enz. enz. De Bijbel is een goudeerlijk boek. Het wordt met naam en toenaam vermeld. Lief­de is het sleutelwoord. Eén woord zou genoeg zijn, maar we zijn zo weerbars­tig dat God een hele Bijbel geeft om ons maar niet de kans te geven om een excuus te bedenken om er zelf mee aan de haal te gaan.

Jozua 20:1-21:6

22 februari [2]

20:9

...opdat iedereen, die iemand zonder opzet gedood had, daarheen zou kunnen vluchten en niet door de hand van de bloedwreker zou sterven, voordat hij voor de gemeente zou hebben terechtgestaan.

21:2

De HERE heeft door Mozes geboden ons steden te geven om in te wonen en haar weidegronden voor ons vee.

21:3

Toen gaven de Israëlieten naar het bevel des HEREN, van hun erfdeel deze steden en haar weidegronden aan de Levieten.

Had je iemand zonder opzet gedood, dan kon je vluchten naar de vrijsteden. Daar was je veilig voor de bloedwreker. Want op moord volgde de wraak. Wie doodt zal gedood worden. Maar was de dood zonder opzet, dan kon je vluch­ten naar de aangewezen vrijsteden. Je moest het gebeurde melden aan de lei­ders in de stad. En dan was je vrij. Als de hogepriester stierf kon je veilig te­rugkeren naar je gebied.

Er komen heel wat vrijsteden. Kwam het dan zo vaak voor, dat er zoveel ste­den aangewezen moesten worden? Je zou zeggen dat één stad toch ook wel genoeg was geweest. In ieder geval was het een positieve bedoeling. Het bracht ook orde in de rechtspraak. Het heeft ook iets van weg met degene die gedood heeft. Het is emotioneel niet te verwerken voor de nabestaanden als je naaste gedood is ook al is het onopzettelijk gebeurd. Er komt een tijd tussen. En het oordeel komt dan toe aan hen in de vrijsteden die daar speciaal voor aangewezen zijn. Er is dan een objectieve rechtspraak. Er vindt toetsing plaats over de waarheid. En na de dood van de hogepriester kan de man weer terug. Dat is ook een objectief gegeven. Daar hoef je niet over te twisten. Dat is een vaststaand feit. Het is erg belangrijk dat rechtspraak objectief is en voor ieder­een te controleren. Het recht moet niet in het vage blijven hangen. Dat is ge­vaarlijk. Daar moet je heel voorzichtig mee zijn. Zoals zich nu de rechtspraak rondom euthanasie ontwikkelt is er sprake van een grijs gebied. Het is zo sub­jectief en zo moeilijk te beoordelen dat we niet moeten willen dat we dat vast­leggen in wetgeving. Het feit dat we daar vaag over willen blijven doen geeft ook aan dat we gevaarlijk bezig zijn met elkaar. Recht en rechtsspraak hoort thuis in de openbaarheid en de objectieve toetsing.

Jozua 21:7-33

23 februari [2]

21:8

De Israëlieten gaven aan de Levieten deze steden en haar weidegronden door het lot, zoals de HERE door Mozes geboden had.

21:27

De Gersonieten uit de geslachten van de Levieten verkregen uit de halve stam Manasse: Golan, de vrijstad voor de doodslager,…

Is dat niet een geweldig slot van hoofdstuk 21? “Alles is uitgekomen.” God belooft het en Hij doet het ook. Daar kunnen we van op aan. Hij beloofde het land aan zijn volk. Het duurde lang. Er gingen 400 jaren ballingschap in Egyp­te aan vooraf. Maar het volk werd met vaste hand uitgeleid. Grote wonderen gebeurden. God houdt zijn beloften. Als we alle beloften eens op een rij zetten dan zullen we verbaasd staan hoeveel het er zijn. Hij beloofde de Messias. En de Messias kwam. De zijnen hebben Hem afgewezen. Maar zijn beloften gaan door. Hij beloofde dat de tempel een bedehuis zou zijn voor alle volkeren. Ze hadden er een rovershol van gemaakt. De tempel is verdwenen, verwoest in het jaar 70. In Mattheüs 24 spreekt de HERE Jezus uit dat Hij terug zal ko­men. Hij weent over Jeruzalem. Wat een ongehoorzaamheid. Maar de beloften zijn eeuwigdurend. Het zal gebeuren. Dus het gaat ook gebeuren. Alles is uit­gekomen.

En als de beloften ten aanzien van de komst van Messias Jezus waar zijn en uitgekomen zijn zullen de beloften ten aanzien van zijn wederkomst ook uit­komen. Hij zal zijn voeten zetten op de Olijfberg die ten oosten ligt van Jeru­zalem, zegt de profeet Zacharia. En zo zal het dus ook gebeuren. Geen ver­geestelijking van de beloften. Geen vergeestelijking van de profetieën in Jesa­ja en Jeremia. Het zal uitkomen. Waaraan gaat het volk ten gronde? Aan de ongehoorzaamheid. Dat vertraagt de belofte van God. Het volk ging in balling­schap vanwege zijn ongehoorzaamheid. Dat is het probleem. Daarom zijn ze verstrooid over de volkeren. Nergens anders om. En daar zitten ze vandaag nog mee. Maar als wij al in het jaar 300 de beloften voor zijn land en volk gaan vergeestelijken en overnemen voor de kerk, de zogenaamde vervangings­theologie, dan zitten we verkeerd. Dan prediken we een leugen. En daar zullen we de wrange vruchten van plukken.

Als wij de geboden Gods aan onze laars lappen dan zullen we de wrange vruchten daarvan plukken. We plukken de wrange vruchten daar al van. Elke dag als de verloedering door ons land trekt. Daar zien we toch de ellende van? Wij hebben te maken met een kerkelijke jansalie geest. De boel komt niet in beweging. Het is verschrikkelijk. Daar moeten we wat aan doen. Dat moeten we niet nemen. We moeten uit de veren. Uit de geestelijke veren. We zijn ge­roepen om de waarheid te verkondigen. Die waarheid is niet van ons. Die waarheid is van God, Wij moeten alleen maar die waarheid proclameren. We moeten de kloof overbruggen door de waarheid te prediken. Tegen de stroom in. We moeten ons niet verdiepen hoe we aan de andere kant zo kunnen over­komen dat we geaccepteerd worden. Neen, het tegendeel. We moeten juist tegenspraak oproepen. Bekering gaat door tegenstand heen. Bekeert u, zegt de HERE Jezus. Gelooft het evangelie. De tijd is vervuld. Wij weten niet hoe we de mensen moeten bereiken. We staan vaak met de mond vol tanden tegen dat redeloos geweld. Maar het is ook een dwaasheid voor de wereld, maar een kracht Gods. Jezus Christus en die gekruisigd. Daar gaat het om.

Dank U heer. Alles is uitgekomen. U hebt het beloofd. Ik ga vandaag weer met nog meer enthousiasme aan de slag. U belooft en het gebeurt. U zegt het en het gebeurt. Dank U wel. Ik wil dat vandaag dan ook aan alle mensen doorge­ven. Prijs de Heer. Amen.

Jozua 21:34-22:8

24 februari [2]

21:40

Al deze steden verkregen de Merarieten naar hun geslachten, die nog overgebleven waren van de geslachten der Levieten.

21:41

In het geheel waren de steden der Levieten in het midden van de bezitting der Israëlieten achtenveertig in getal, en haar weidegronden.

21:42

Deze steden bestonden telkens uit een stad en de omliggende weidegronden, zo was het met al deze steden.

21:43

Zo heeft de HERE aan Israël het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven, zij namen het in bezit en gingen er wonen.

21:44

En de HERE gaf hun aan alle zijden rust, geheel zoals Hij hun vaderen gezworen had; niet één van al hun vijanden heeft voor hen kunnen standhouden; al hun vijanden gaf de HERE in hun macht.

21:45

Niet één van alle goede beloften, die de HERE aan het huis van Israël had toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitgekomen.

22:3

Gij hebt nu lange tijd, tot op de huidige dag, uw broederen niet in de steek gelaten, maar gij hebt de taak vervuld, u opgelegd door de HERE, uw God.

22:4

Welnu, keert terug en gaat naar uw tenten,…

22:5

Alleen, volbrengt zeer nauwgezet het gebod en de wet, welke Mozes, de knecht des HEREN, u geboden heeft: dat gij de HERE, uw God, zoudt liefhebben, in al zijn wegen wandelen, zijn geboden onderhouden, Hem aanhangen en Hem dienen met geheel uw hart en met geheel uw ziel.

22:8

deelt de buit, op uw vijanden behaald, met uw broederen.

De stam Levi kreeg geen eigen grondgebied. Zij waren voorbestemd om de HERE te dienen in de tabernakel. Zij kregen steden toegewezen in de erfdelen van de overige broeders. Totaal waren het achtenveertig steden. Ze kregen de stad en de weidegronden daarom heen. Ze konden dus in hun eigen levenson­derhoud voorzien. Ze moesten dienst doen in de tempel volgens een bepaald rooster. Zij waren de geestelijke leidslieden van het volk. Zij moesten de wet en de profeten onderrichten en zorgen dat het volk in de wegen des HEREN bleef wandelen. Ze waren heel belangrijk en voornaam in Israël. Ze waren zeer ingewijd in de Torah en hadden allerlei dogma’s gemaakt waaraan vol­gens hun zeggen voldaan moest worden. Het was een soort dode rite. Waar niemand nog enthousiast voor kon worden.

En dan is de verdeling rond. En dan komt er een soort conclusie. Zo heeft de HERE gedaan. En het was vrede in het land zoals Mozes had beloofd. Niet één van de vijanden heeft tegen hen kunnen standhouden. En zo is het ge­beurd. Het was een zegetocht om het beloofde land in bezit te nemen. God is goed. Ze genoten er allemaal van. Ze kregen wel tegenwerking want de schrik zat nog goed in de benen van dit volk. Maar kennelijk hebben ze weinig tegen­stand te duchten gehad. God is goed. En niet genoeg te prijzen. En God had ze veel beloofd, al met Abraham, en al die profetieën komen letterlijk uit. Wie oren heeft die hore. Jozua is er vol van. Alles is uitgekomen. Ze staan er ver­baasd bij te kijken. Vanuit menselijk standpunt is het niet mogelijk. God is goed. Maar vanuit God is alles mogelijk. En wat God beloofd heeft, dat doet Hij ook.

Dat gold toen, en dat kunnen we niet genoeg herhalen, dat als het hier waar is dat het ook waar blijft totdat Hij komt. We hoeven niet te twijfelen aan zijn zekerheden. En dat wat we ervan in de Bijbel kunnen ontdekken dat moeten we toepassen. Daar word je alleen maar beter van. Daarom is het goed om iedereen steeds maar weer naar het woord te verwijzen. Het steeds weer aan­bieden, ook al is het voor de duizendste maal. God is groot. Hij heeft het grote wereldgebeuren in zijn hand. Heerlijk evangelie. Maar het komt van God. God heeft de legers in de macht. God laat het regenen en God laat het droog zijn. Jozua had alleen maar sterk en moedig te zijn. En dat geldt voor ons allemaal. We moeten niet denken dat zo iemand er dan meteen vanaf is. Het leven is het leven. Aan ons kleeft de zonde. Wij zijn er van vergeven.

Daarom is het zo belangrijk om na te denken wat de HERE God van ons per­soonlijk maar ook als gemeenschap vraagt. Heerlijk evangelie. Het evangelie is altijd uitdelend omdat we vanuit de donkerheid van het wonder een visie krijgen. Prijs de HERE. God is goed. De stammen van het Overjordaanse, de strijders die ook mee de Jordaan waren overgetrokken op bevel van Mozes, mogen terugkeren. Zij zijn trouw geweest in de opdracht. En die trouw wil God ook belonen. Haal het goede naar voren. Haal eruit wat er in zit. Ga terug naar je volk. En onderhoud Gods geboden. Daar komt het op aan in het leven. Het kan niet genoeg herhaald worden. Leef naar de goede geboden van God. Vertrouw op Hem. Laat je niet in de war brengen. God wil je altijd helpen als je je naar Hem uitstrekt. Dat is het grote geheim. Heerlijk evangelie.

Jozua 22:9-34

25 februari [2]

22:19

Maar staat niet op tegen de HERE en staat niet op tegen ons, door u een altaar te bouwen, behalve het altaar van de HERE, onze God.

22:20

Is er niet, toen Achan,… Het was niet die man alleen, die in zijn ongerechtigheid is omgekomen.

22:26

Daarom zeiden wij: Laten wij dit doen: een altaar bouwen,…

22:27

maar het zij getuige tussen ons en u, en tussen onze geslachten na ons, dat wij de dienst des HEREN voor zijn aangezicht zullen waarnemen…

22:33

Dit nu was goed in de ogen der Israëlieten,…

De schrik zat nog in de benen. Wat krijgen we nu. Ze gaan een altaar bouwen bij de steenhoop bij de Jordaan. Dat kan niet. We hebben toch de tabernakel. Er kan geen tweede altaar zijn. Ze willen er met geweld tegen aan. Een bur­geroorlog staat te komen. Maar na overleg blijkt daar helemaal niets van. Het altaar wil alleen maar een getuige zijn dat alle stammen bij elkaar horen. Zij wonen immers in het Overjordaanse. Het lijkt net of ze er niet bij horen. Dat moeten de kindskinderen toch goed weten dat het één volk is. En daarom is het vrede. De oorlog breekt niet uit. Ze begrijpen het en zijn er blij om. Jozua heeft de stammen gezegend omdat zij al die tijd meegestreden hebben met de andere stammen om heel het land te bevrijden. Zij hebben zich ingezet voor hun broeders. Ze zijn nu op weg terug naar huis en staan vlak voor de Jordaan. Het is goed dat zij de opdracht van de HERE God hebben uitgevoerd. Daar mogen ze dankbaar om zijn. Geloofd en geprezen zijn de HERE God. Dat geldt ook voor ons vandaag. We mogen ons samen inzetten voor de dienst van de HERE. Dat wat we voor de minste onzer broeders hebben gedaan dat heb­ben we voor Jezus gedaan. Waar zullen we vandaag deze broeder en zuster ontmoeten? We komen ze vast tegen. Denk dan aan de jaren die deze stammen hebben besteed om hun broeders te helpen. En ze zijn er niet minder van ge­worden. Prijs de Heer.

Jozua 23:1-16

26 februari [2]

23:6

Weest zeer standvastig in het onderhouden en volbrengen…

23:10

want de HERE, uw God, zelf streed voor u,…

23:14

erkent nu met geheel uw hart en geheel uw ziel, dat niet één van alle goede beloften die de HERE, uw God, u gegeven heeft, onvervuld gebleven is. Alles is voor u uitgekomen. Zijnerzijds is niets onvervuld gebleven.

23:16

Wanneer gij het verbond schendt, dat de HERE, uw God, u heeft opgelegd,…

“Weest zeer standvastig.” Jozua houdt zijn laatste toespraak. En het is weer heel duidelijk en eenvoudig. God houdt zijn beloften. Hij gaf zijn geboden. Hij heeft het goede voor met zijn volk. Hij streed voor hen. Hij heeft gedaan wat Hij beloofde.

Nu is het aan het volk. Ze worden opgeroepen om zeer standvastig te zijn. Kennelijk was er gevaar dat ze zouden worden misleidt. Neen ze moeten alles onderhouden wat de HERE God beloofd had. Ze moeten niet naar links noch naar rechts afwijken. Doen ze het wel dan gaat het verkeerd. Dan zullen ze zelfs uit het land verdreven worden. Dat moeten ze niet doen. Ze moeten trouw blijven aan de geboden van God. Dan gaat het goed.

Is het niet heerlijk om steeds opnieuw hieraan herinnerd te worden. Wat een goede gaven van God. De Messias kwam. Hij gaf zijn leven. Voor ons. Opdat wij mogen leven. Hij wil ons zegenen. Hij roept ons op om trouw te blijven. Dat is een eerlijke zaak. We kunnen Hem niet de schuld geven als we Hem on­gehoorzaam zijn. En hoe vaak doen we dat niet? We mopperen. Waar­om God dit doet en dat doet. Hebben wij soms God gemaakt? Maar God heeft het goe­de voor, met ons allemaal. En in het onderhouden van zijn geboden ligt een grote verdienste. Dat begint al hier. Zijn geboden, zijn liefde en blijd­schap, tillen ons uit boven ons zelf. Zijn geboden zijn eeuwig leven. Houden we ze niet dan doen we Hem en ons zelf tekort. Dan komen we verkeerd terecht.

Jozua 24:1-33

27 februari [2]

24:13

Zo gaf Ik u een land waarvoor gij niet gezwoegd hebt,…

24:14

Welnu, vreest dan de HERE en dient Hem oprecht en getrouw;…

24:15

kiest dan heden, wie gij dienen zult:… Maar ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen!

24:16

Het zij verre van ons, de HERE te verlaten en andere goden te dienen.

24:18

Ook wij zullen de HERE dienen, want Hij is onze God.

24:24

De HERE, onze God, zullen wij dienen, en naar zijn stem zullen wij horen.

24:31

Israël diende de HERE al de dagen van Jozua…

Zo is het. Jozua herhaalt de grote wonderen die God voor het volk gedaan heeft. En dat waren grote wonderen. We zijn aan het eind van het boek Jozua gekomen. Het begon met “Weest sterk en moedig”, aan het begin van de strijd tegen Kanaän. Nu aan het einde roept Jozua het volk nog een keer bijeen. Ze hebben een land gekregen waarvoor ze niet gezwoegd hebben. God ging voor hen uit. Nu worden ze opgeroepen de HERE te dienen. Jozua legt het hen klemmend voor. En herhaaldelijk. Het kan ook niet genoeg herhaald worden. Kennelijk dreigt er telkens het gevaar om van de HERE God af te wijken. Maar nee het volk herhaalt en herhaalt: Wij zullen de HERE dienen. En op­nieuw klinkt het: “doe de vreemde goden weg”. Doe de geboden van de HERE, uw God. Jozua richt een steen op als getuige. Je kunt je niet genoeg binden aan het woord van God. We weten allemaal dat de zonde op de loer ligt. Je zit zo maar weer verkeerd. Het wordt ook keer op keer herhaald. Kiest dan heden wie gij dienen zult.

De HERE roept. Hij laat niet na om het te herhalen. Kiest dan heden wie gij dienen zult. Zet dat boven je bed. En ben je afgeweken? Dan is er een weg terug. Je moet dan weer je zonde belijden en eenvoudig de weg terug gaan en bij koning Jezus schuilen. Er is geen zonde te groot of Jezus heeft ervoor aan het kruis van Golgotha geleden. Heerlijk toch om zo met God door Jozua te wandelen. Wat een machtig boek om de machtige daden van God te zien. Er is niets veranderd. Ook vandaag trekt God voor ons uit. Er is niets veranderd. Alles is uitgekomen, staat er. Alles zal uitkomen. Want God heeft het beloofd. Prijs de Heer. Prijs de Heer. Hij is Koning. Hij is Koning. Hij is Koning. Hij komt op de wolken en elk oog zal Hem zien. Wie wil daar niet bij horen om dat eeuwige koninkrijk van recht en gerechtigheid binnen te gaan. Prijs de HERE. Weer een dag met God die niet stuk kan.