Klaagliederen 1:1-11

11 juli [1]

1:1

Hoe zit zij eenzaam neder,
de eens volkrijke stad;…

1:2

niemand is er, die haar troost
onder al haar minnaars;…

1:3

Juda is ontvolkt door ellende…
…het woont te midden van de volken,…

1:4

De wegen naar Sion treuren,…

1:5

want de HERE heeft haar in kommer gedompeld
om haar menigvuldige overtredingen;…

1:6

Geweken is van Sions dochter
al haar heerlijkheid;…

1:7

aanschouwden de vijanden haar, en lachten
om haar ondergang.

1:8

Zwaar heeft Jeruzalem gezondigd;
daarom wordt zij gemeden als een onreine;…

1:9

ontstellend diep is zij gezonken,…

Zie, HERE, mijn ellende aan,
want de vijand is overmoedig!

1:10

ja, aanzien moest zij, hoe volken
haar heiligdom binnentraden,…

1:11

Zie, HERE, en aanschouw,
hoe veracht ik ben geworden.

Het ziet er slecht uit in Jeruzalem. De stad is verlaten. De bevolking is wegge­voerd. De dichter treurt erover. Wat was het een indrukwekkende stad. Een trotse stad. Een prachtige stad. Een stad waar alle volken jaloers op waren. Een stad waarmee je voor de dag kon komen. Het was geweldig. De feestgan­gers trekken op naar de tempel. Met reidansen en gejuich. Ze konden van verre de stad al zien op de berg Sion. En nu ligt de stad er verlaten bij.

Hoe is het toch allemaal zover gekomen? En dan komt het eruit. Juda heeft zwaar gezondigd. Het is de straf op de zonde. Terwijl God het volk zo geze­gend had, vielen zij in zonde. In welke zonde dan wel? Dat is niet zo moeilijk. Ze offerden aan de afgoden. Het dal Ben-Hinnom lag aan de muur van Jeruza­lem en daar offerden ze hun kinderen aan de Moloch. Dat is verschrikkelijk. Dat neemt God niet. Geen wonder dat de straf komt. Lees Jeremia 6 tot 8 er maar op na. De ballingschap is het gevolg. Ze zijn weggevoerd door de vijand en ze wonen nu temidden van andere volken. Dat weet de dichter maar al te goed. De vijandelijke legers zijn zelfs de tempel binnengedrongen. Dat was wel het allerergste. God had toch gezegd dat niemand daar mocht komen. Wat een heiligschennis. Wat kan het slecht aflopen met een volk als het de geboden van God tart.

En dan roept de dichter uit: Zie, HERE, mijn ellende aan, want de vijand is overmoedig! En: Zie, hoe veracht ik ben geworden. Kan de HERE dat aan­zien? Het is toch zíjn volk. Zal Hij zich niet over hen ontfermen als Hij ziet hoe de heidenen hen verachten? HERE, zie het toch! Dat wilt U toch ook niet? Help, HERE.

Lees het nog eens! Het is verschrikkelijk. God is lankmoedig. God wil het goede. God wil heil. Je moet dan wel diep gevallen zijn. Er is een einde aan Gods lankmoedigheid.

Klaagliederen 1:12-22

12 juli [1]

1:12

Raakt het u niet, gij allen die voorbijgaat?
…waarmee de HERE mij in kommer dompelde…

1:13

Hij deed mij verbijsterd staan,
ellendig de ganse dag.

1:14

Zwaar weegt het juk mijner overtredingen,…

1:15

de HERE heeft in de pers getreden
de jonkvrouw, de dochter van Juda.

1:16

want verre van mij is de trooster
die mijn ziel verkwikken zou;…

1:17

Sion strekt haar handen uit,
niemand is er, die haar troost;…

1:18

Hij, de HERE, is rechtvaardig,
want tegen zijn woord ben ik weerspannig geweest.

1:19

Ik heb geroepen om mijn minnaars,
zij lieten mij bedrogen staan.

1:20

Zie, HERE, hoe bang het mij is;…
Buiten maakt het zwaard kinderloos,
binnenshuis de pest.

1:21

dat Gij hebt doen komen de dag die Gij hadt aangekondigd –
dat zij mogen worden gelijk ik,…

1:22

Doe aan hen,
gelijk Gij aan mij hebt gedaan…

Het is inderdaad een klaaglied. De dichter weent en weent. De tranen vloeien. Want het is er erg aan toe in Jeruzalem. Het juk weegt zwaar. De vijand drukt zwaar. Heeft geen enkel respect voor haar. Niemand is er die troost. Hoe er ook geroepen wordt. Het blijft zwaar. Alle naburen zijn tegenstanders gewor­den. De HERE heeft hen opgeroepen. Zij hebben gezondigd. En daar komt nu de straf op. Dat weten ze maar al te goed. Maar nu is het te laat. Profeten zijn gezonden. Maar ze hebben niet geluisterd. De HERE is rechtvaardig. Dat weet de dichter ook. Ik ben tegen zijn woord tekeergegaan, en dan moet ik ook niet opkijken als dit de gevolgen zijn. Daarom zijn ze allemaal in gevangenschap gegaan. Ik heb wel mijn minnaars geroepen, maar die zijn niet op komen dagen.

Zijn hart is onrustig. Het is hem bang te moede. En zou jij dat ook niet zijn? Het is angstig. Je voelt je bedreigd. Het zwaard is overal. De pest dringt door in de huizen. De vijanden verblijden zich wat de HERE hen heeft aangedaan. De wens is dat de HERE ook aan de vijanden doet wat Hij aan zijn volk heeft gedaan. Laat hun boosheid ook voor het aangezicht van God komen. Want het zijn toch ook de vijanden van God. Waarom mogen die zich nu verblijden over het onheil dat de kinderen van God wordt aangedaan. Moge dat onheil ook op hun hoofd komen.

Klaagliederen 2:1-11

13 juli [1]

2:1

Hij is niet gedachtig geweest aan zijn voetbank
ten dage van zijn toorn.

2:2

Hij heeft ter aarde gestoten en ontwijd
het koninkrijk met zijn vorsten.

2:3

ja, tegen Jakob is Hij ontbrand als een vlammend vuur,…

2:4

in de tent van de dochter van Sion
heeft Hij zijn grimmigheid uitgegoten als een vuur.

2:5

en bij de dochter van Juda vermenigvuldigd
geklag en geklaag,

2:6

en in zijn grimmige toorn versmaad
koning en priester.

2:7

Zij hebben in het huis des HEREN getierd
als op een feestdag.

2:8

Voormuur en wal dompelde Hij in rouw,
tezamen zakten zij ineen.

2:9

ook vinden haar profeten
geen gezicht bij de HERE.

2:10

Het hoofd buigen naar de aarde
de jonkvrouwen van Jeruzalem.

2:11

omdat kinderen en zuigelingen versmachten
op de pleinen der stad.

Als God zijn beschermende handen aftrekt van zijn volk, dan barsten de vijan­den los om Gods volk te slaan. Ze hebben het er ook naar gemaakt, want ze hebben Gods toorn opgewekt door niet naar Gods geboden te luisteren. Ter­wijl God ze wilde zegenen, hebben ze de afgoden gevolgd. Zo wordt hier be­schreven hoe de HERE dan de bescherming van zijn volk wegneemt. Jeruza­lem is gevallen. Het lijkt erop dat de inwoners onder de volkeren zijn ver­strooid. De tempel is verwoest. De muren gevallen. Wat een ontluistering van deze eens zo prachtige stad met prachtige paleizen en een schitterende tempel. Heel de wereld sprak ervan. Wat een verschil. Wat een verwoesting. Wat een Godverlating. De dichter weent in vers 11 om de ondergang van de dochter mijns volk.

Het is uit het leven gegrepen. Want als in een samenleving de geboden van God met voeten getreden worden, dan wordt het liegen, moorden, stelen en echtbreken. Dat zien we ook om ons heen. Waar komt al dat moorden van­daan? Heel eenvoudig, omdat ons volk Gods geboden verlaat. Dan moeten we niet opkijken dat het verkeerd gaat. Dan krijgen we zinloos geweld. Dan krij­gen we goddeloosheid. Dan gaan we drugs geven aan de verslaafden. Dan wil­len we de zonde volgen en propageren. En dan krijgen we seks en onreinheid. Dag in dag uit. Het druipt van de billboards. Daar krijgen we steeds meer last van. Dan vallen er steeds meer slachtoffers. En dan moeten we ook niet opkijken dat ons land verloedert. Daarom is de oproep ook hier weer. Bekering en ver­ootmoediging. Daar komt het op aan.

Klaagliederen 2:12-22

14 juli [1]

2:12

Aan hun moeders vragen zij:
waar is koren en wijn?

2:13

Wat zal ik u voorhouden, waarmee u vergelijken,
o dochter van Jeruzalem?

2:14

Uw profeten hebben voor u geschouwd
wat ijdel was en hol,…

2:15

Over u slaan de handen in elkaar
allen die voorbijtrekken,…

2:16

Tegen u sperren honend de mond open
al uw vijanden,…

2:17

De HERE heeft volvoerd wat Hij Zich had voorgenomen,
Hij heeft in vervulling doen gaan, wat Hij gesproken heeft,…

2:18

Het hart (des volks) schreeuwt tot de Here. –
O, muur van Sions dochter,…

2:19

Sta op, kerm in de nacht
bij het begin van iedere nachtwake,…

2:20

Zie, HERE, en aanschouw
wie Gij dit hebt aangedaan!

2:21

Op de straten liggen ter aarde
knaap en grijsaard;…

2:22

Als voor een feestdag riept Gij samen…

Het is ook verschrikkelijk om aan te zien. De kinderen versmachten van de dorst. Ze gaan dood. En de vijanden zien het allemaal en lachen in hun vuistje. Ze spotten met dit eens zo trotse land. Ze zijn blij dat ze de vijand een kopje kleiner hebben kunnen maken. Het is vreselijk om het allemaal te moeten meemaken.

De HERE heeft zijn plan volvoerd. Het is niet buiten Hem omgegaan. Nee, Hij heeft het veroorzaakt. Als het volk in zonde volhardt, dan moet het ook niet klagen dat het allemaal zo verkeerd gaat. Dan heeft het volk het zelf ge­daan. Dan roept het het oordeel over zichzelf af. En dan is verschrikkelijk wat de HERE doet. We zien het hier voor onze ogen. Het is allemaal heel duidelijk beschreven. Jeruzalem is gevallen.

Daarom moet je vanuit de nood je bekeren en roepen tot God. Hij wil je red­den. Hij wil verandering en herstel. Maar dan moet er wel bekering zijn. Het geeft toch geen pas als je in de nood zit, en wel de redding wilt, maar je niet wilt richten op God. Want God is een God van liefde, maar de toorn van God laat niet op zich wachten als we volharden in de zonde.

HERE, help. Daarom moeten we altijd op de HERE blijven hopen. Ons ver­trouwen op Hem stellen. Want we hebben zo vaak een grote mond. We zullen dit en we zullen dat. God doet dit en God doet dat. Het is verschrikkelijk. Wie denken we wel dat we zijn? Want wie is het, die spreekt en het is er, wanneer de HERE het niet gebiedt?

Gelukkig, de HERE zal niet voor altoos vertoornd zijn. Hij ontfermt zich ook. Hij neemt het niet dat het recht gebogen wordt. Hij komt terug. Dat is een ge­weldige vertroosting als we in de druk zitten. We hebben de volle rust bij Hem als we bij Hem blijven schuilen. Dan zijn we veilig en komen we goed aan. Soms merken we dat al in ons leven. Wat een genade. En soms mogen we met alle last doorgaan naar het eeuwige leven. Glorie voor zijn Naam.

Klaagliederen 3:1-33

15 juli [1]

3:1

Ik ben de man die ellende heeft gezien
door de roede zijner verbolgenheid.

3:4

Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren,
mijn beenderen gebroken.

3:7

Hij heeft mij iedere uitgang versperd,
mij in zware koperen ketenen geklonken.

3:10

Hij is mij een loerende beer,
een leeuw in verborgen schuilhoeken.

3:13

Hij heeft in mijn nieren doen doordringen
de pijlen uit zijn koker.

3:16

Hij liet mij de tanden op kiezel stukbijten,
Hij drukte mij neer in het stof.

3:19

Gedenk aan mijn ellende en omzwerving,
aan de alsem en het vergif.

3:22

Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn,
want zijn barmhartigheden houden niet op,

3:23

elke morgen zijn zij nieuw,
groot is uw trouw!

3:24

Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE,
daarom zal ik op Hem hopen.

3:25

Goed is de HERE voor wie Hem verwachten,
voor de ziel die Hem zoekt;…

3:27

goed is het voor de man,
dat hij een juk in zijn jeugd draagt.

3:28

Hij zitte eenzaam en zwijge stil,
als Hij het hem heeft opgelegd.

3:31

Want niet voor eeuwig verstoot
de Here.

3:33

Immers niet van harte verdrukt
en bedroeft Hij de mensenkinderen.

Hij heeft…, Hij heeft… De dichter beseft heel goed dat de ellende en de straf van de HERE God komt. Hij gaat eronder gebukt. In alle toonaarden beschrijft hij hoe slecht hij er aan toe is. Hij is geklonken in ketenen. Hij voelt de pijlen in zijn nieren. Hij voelt de pijn overal. Het belaagt hem van alle kanten. Het is de zonde die dit veroorzaakt heeft. Hij roept dan ook in vers 19: Gedenk aan mijn ellende en omzwerving. HERE, denk aan mij. Ik wil aan U denken. En dan volgt: Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op. En zo is het. Als we op ons­zelf zien, dan maken we er niet veel van. Maar als we op God zien, dan raken we niet uitgeprezen over zijn gunstbewijzen en zijn barmhartigheden. Ze zijn niet te tellen. Elke morgen zijn zij nieuw, groot is Uw trouw.

Mijn ziel zegt, mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen. Het is een indrukwekkende ommezwaai. De schrijver zit in de ellende. Hij weet zich van God verlaten. Hij roept om erbarmen en erkent dat het goed is om in de ver­drukking te zijn. Het is terecht, want we verdienen dat we omkomen als we zien wat we aan God tekort komen. Het is enkel barmhartigheid dat we er nog zijn. De barmhartigheden van God houden niet op. Elke morgen zijn ze nieuw. Er komt geen einde aan. Daarom mogen we op Hem hopen. Elke morgen. Want als we opstaan, zijn er alweer zoveel zegeningen uitgestort, dat we ze al niet meer kunnen tellen. We zien het vaak niet zo, want we zien het eerst onze vragen en de dingen die ons dwars zitten. Maar daar gaat het dan ook om. We moeten het anders zien. We moeten het van de HERE verwachten.

Het is goed voor de man, dat hij in zijn jeugd een juk draagt. Daar moeten we wel even aan wennen. Het is om ons een toontje lager te laten zingen. Want als het ons allemaal voor de wind gaat, dan is het gevaar groot dat we God zo maar vergeten. We doen er beter aan om in stilheid het van Hem te blijven verwachten. De hoop en de genade kunnen alleen maar van de HERE komen.

Want, en dat volgt dan, niet voor eeuwig verstoot de HERE. Hij heeft droef­heid om het lijden. Hij is vol erbarmen. Hij lijdt Zelf het meeste van het lij­den. De HERE ziet het, en Hem ontgaat het onrecht niet. De HERE ziet het. Dat is goed om dat altijd voor ogen te houden. Want anders zou je de HERE nog kunnen verwijten dat Hij niets doet. En hoe vaak hebben we niet deze ge­dachte. HERE, waarom doet U niets. Waarom dit, en waarom dat. Het lijkt alsof de goddeloze het goed gaat en de volgeling van Jezus in moeite zit. Maar dat ontgaat God niet. Hij heeft onze tijden in zijn hand. Hij heeft álles in zijn hand.

Klaagliederen 3:34-66

16 juli [1]

3:34

Dat men onder zijn voeten vertrapt
alle gevangene der aarde,…

3:37

Wie is het, die spreekt en het is er,
wanneer de HERE het niet gebiedt?

3:40

Laten wij onze wegen doorzoeken en doorvorsen
en ons bekeren tot de HERE.

3:43

Gij hebt U in toorn gehuld, Gij hebt ons vervolgd,
ons meedogenloos gedood.

3:46

Tegen ons hebben hun mond opengesperd
al onze vijanden.

3:49

Mijn oog baadt in tranen, zonder ophouden,
zonder verpozen,…

3:52

Fel hebben zij mij, als een vogel, opgejaagd,
die mij vijandig zijn zonder oorzaak.

3:55

Ik roep uw naam aan, o HERE,
uit het onderste van de put.

3:58

Gij voert, o Here, mijn rechtsgeding,
Gij verlost mijn leven.

3:61

Gij hoort, o HERE, hun smaad,
al hun overleggingen tegen mij,…

3:64

Gij zult hun vergelden, o HERE,
naar het werk hunner handen.

De HERE ziet alles. Hij ziet dat het recht vertrapt wordt. Het gaat niet aan Hem voorbij. Hij lijdt het meest onder het lijden. Hij neemt het niet. Hij komt met zijn oordeel. Maar wij, wij moeten ons hart doorzoeken. We moeten ons leven heiligen en reinigen. We moeten er niet mee doorgaan. Wij moeten ons bekeren. Want wij hebben gezondigd Wij hebben het er naar gemaakt. Dan moeten we niet net doen alsof we er niets aan kunnen doen. Wij moeten schuld belijden en terugkeren tot de HERE God. Dat is toch een eerlijke zaak. We kunnen het God toch niet verwijten, als wij de gevolgen van onze eigen zonden ervaren?

Als wij ons niet bekeren, dan hult God ons in zijn toorn. Dan laat hij de vijan­den hun gang gaan. Dan komt ons gebed niet door. Want we bidden in zonde. En al onze vijanden gaan dan tekeer. Dan hebben ze geen mededogen. Ten diepste gaat het om God. We zien het allemaal voor onze ogen. We gaan er aan. Ze hebben ons opgejaagd. Ik dacht: ik ben verloren. Ik roep uw Naam aan, o HERE. Gij voert o HERE mijn rechtsgeding. Gij zegt: vrees niet. Dan komt het godsvertrouwen door. De dichter vertrouwt op de HERE, dat die zijn rechtsgeding zal voeren. Dan kun je nog in de druk zijn, maar je weet, ver­trouwt en gelooft dat God de vijanden zal maken tot een voetbank voor zijn voeten. Hoe je dan ook bespot wordt, en wat er ook gebeurt, je weet zeker dat God het in zijn hand heeft. Er kan niets gebeuren. God regeert. En niets kan er verkeerd gaan. Glorie voor zijn Naam.

Het is een fantastisch stuk. Er spreekt godsvertrouwen uit. God laat zijn eer niet roven. God spreekt en het is er. God is God, en het is goed om dat weer en steeds goed te beseffen, want we lopen er zo vaak de kantjes af. We laten ons zo vaak meeslepen in verkeerde gedachten en daden. Ja, en dan gaat het mis, want de vijand ligt op de loer om ons in de zonde, het zelfbeklag, de godverla­tenheid vast te houden. We hebben het nodig om steeds weer teruggeworpen te worden op onze werkelijke status. En dat is heel eenvoudig: de afhankelijk­heid van God, die weet van de zonde en de strijd en die ons nooit zal verlaten temidden van wat voor toestand ook.

Bovendien, het blijkt dat het goed uitwerkt, als we zo nu en dan van de weg af en in de druk met het juk dat ons dan drukt weer op het rechte spoor getrokken worden. Het is uit het leven gegrepen. Het is zo belangrijk om elke dag bij God te leven. Want inderdaad zijn het de barmhartigheden des HEREN dat we nog niet omgekomen zijn. Dat klinkt negatief maar het is een waarheid die staat. Waarom leven wij en sterven anderen? Dat is om de barmhartigheden van de HERE. Die houden niet op. In leven en sterven niet. Elke morgen zijn zij nieuw. Groot is uw trouw. Daarom kunnen we op de HERE blijven hopen. In alle omstandigheden des levens. Want Hij heeft en houdt ons leven in zijn hand, dwars door lijden en dood heen. Als we dat steeds meer gaan ontdekken, dan wordt het leven een feest, zelfs als de dood aan je probeert rukken.

Klaagliederen 4:1-22

17 juli [1]

4:1

De heilige stenen zijn weggeworpen
op de hoek van elke straat.

4:4

De tong van de zuigeling kleefde
van dorst aan zijn gehemelte;
kinderen vroegen om brood,
niemand reikte het hun.

4:6

Want de ongerechtigheid van de dochter mijns volk was groter
dan de zonde van Sodom,
dat, als in een oogwenk, ondersteboven gekeerd is,
zonder dat iemand de hand eraan sloeg.

4:9

Beter verging het hun die vielen door het zwaard,
dan die geveld werden door de honger:…

4:10

De handen van teerhartige vrouwen
kookten haar kinderen;
dezen waren haar tot spijze
bij de ondergang van de dochter mijns volks.

4:11

Ja, Hij heeft een vuur ontstoken in Sion,
dat haar grondvesten verteerde.

4:13

Het is om de zonder harer profeten,
de ongerechtigheden harer priesters,
die in haar midden vergoten
het bloed van rechtvaardigen.

4:16

De HERE Zelf heeft hen verstrooid;…

4:18

Zij belaagden ons bij elke schrede,
zodat wij over onze pleinen niet gaan konden;
ons einde was nabij, onze dagen waren vervuld,
ja, ons einde was gekomen!

4:22

Uw ongerechtigheid, o dochter van Sion, heeft een einde,
Hij zal u niet weer in ballingschap doen gaan.

Ja, het valt niet mee als je verdrukt en vernederd wordt. Het eens zo trotse volk met de tempel en Jeruzalem en alles wat de HERE gegeven had. Maar ze hebben het niet serieus genomen. Ze hebben God verlaten. Ze hebben andere goden nagelopen. Ze hebben de geboden van God niet serieus genomen. Ze hebben het recht van wees en weduwe geschonden. Ze hebben het bloed van rechtvaardigen vergoten. Daar komt straf op. Dat kun je van tevoren weten, want op de zonde staat straf. Daar moet je ook niet over klagen. Want je hebt het zelf gedaan. Want je weet heel goed wanneer je iets doet dat niet mag. Het volk heeft gezondigd. Ze weten dat God het oordeel kan afwenden, maar ze blijven in zonde volharden. Dan moet je niet opkijken dat God zijn handen van je aftrekt.

De ongerechtigheid van de zonden was groter dan die van Sodom. Nou, dat is nogal wat. Wat een gruwelijke zonden. We weten wat daar gebeurd is, in een oogwenk werd de stad omgekeerd. Het oordeel stond vast. Zo is het ook van­daag. We weten dat aan deze wereld een einde komt. God werkt om de wereld van recht en gerechtigheid te grondvesten en dan is het afgelopen met de zon­de. En iedereen die volhard heeft in de zonde, wacht het oordeel. Niet omdat hij veroordeeld wordt, maar omdat hij al veroordeeld is, omdat hij niet heeft geloofd in de enige Naam van de Zoon van God. Dat staat in Johannes 3 vers 16 tot 18. Gods Zoon kwam om de wereld te redden. En dat is vandaag nog zo.

Het is honger en bloed en zwaard en dood. De vreselijkste dingen gebeuren. Vrouwen koken hun kinderen om ze te eten. Dat is toch niet voor te stellen. En dan lezen we de tekst in vers 18. Die tekst staat aan het eind van de rails bij het monument in Westerbork: Zij belaagden ons bij elke schrede, zodat wij over onze pleinen niet gaan konden; ons einde was nabij, onze dagen waren vervuld, ja, ons einde was gekomen! Dat is een indrukwekkende tekst. In het kader van de oorlog en de vervolging van de Joden is die opnieuw letterlijk gebeurd. Wat een tragiek. En het is waar. Wij hebben de Joden vervolgd. Wij zullen onze trekken ook thuis krijgen. Dat kunnen we lezen in Zacharia.

Hier staat deze tekst temidden van de oordelen over Israël. Zij hebben God verlaten en daarom volgt dit oordeel. Zo is het hier bedoeld. Het is tragisch om te zien hoe wij ook zelf steeds weer van God afdwalen. Dan verlaat God ons. Dan kun je niets anders verwachten. Dat geldt ook voor vandaag. Als we God verlaten, dan hebben we smart op smart te vrezen. Wat een oordeel halen we ook vandaag over ons heen. God help ons. HERE ontferm U over ons land. Wij hebben gezondigd. Wij hebben de boel de boel gelaten. We leven in vreselijke tijden. HERE ontferm U over ons.

Maar ook in dit hoofdstuk eindigt het profetisch met uitzicht voor de toe­komst. Want: uw ongerechtigheden, o dochter van Sion, hebben een einde, Hij zal u niet weer in ballingschap doen gaan. Dat is het perspectief dat we mogen hebben. Dat is een eeuwigdurende belofte voor Israël. Dat is profetie die we ook vandaag serieus moeten nemen. Israël, het uitverkoren volk zal tot zijn doel komen. Worden ze vandaag zo in de druk gehouden vanwege hun afwij­zing van God en hun Messias? Je durft het haast niet hardop te zeggen met zoveel bloed aan onze handen. Maar in Gods profetisch perspectief lijdt Hij er het meest onder dat zijn eigen volk Hem verlaten heeft. HERE, ontferm U over uw volk en over ons.

Klaagliederen 5:1-22

18 juli [1]

5:1

Gedenk, HERE, wat ons is overkomen;
zie toch; aanschouw onze smaad.

5:3

Wezen zijn wij geworden, vaderloos,
onze moeders werden als weduwen.

5:5

Wij worden op de nek gezeten door onze vervolgers,
wij zwoegen, maar rust gunt men ons niet.

5:7

Onze vaders hebben gezondigd, zij zijn niet meer,
wij dragen hun ongerechtigheden.

5:11

Vrouwen verkrachten zij in Sion,
meisjes in de steden van Juda.

5:15

Verdwenen is de blijdschap van ons hart,
veranderd in rouw onze reidans.

5:17

Hierom is ons hart ziek,
hierom zijn onze ogen verduisterd:

5:18

om de berg Sion die woest ligt,…

5:19

Gij, HERE, zetelt tot in eeuwigheid,
uw troon staat van geslacht tot geslacht.

5:20

Waarom zoudt Gij ons voor altoos vergeten,
ons verlaten tot in lengte van dagen?

5:21

Breng ons, HERE, tot U weder, dan zullen wij wederkeren.
Vernieuw onze dagen gelijk van ouds!

5:22

Of zoudt Gij ons geheel en al verwerpen?
Zoudt Gij al te zwaar tegen ons toornen?

HERE, zie toch hoe we er aan toe zijn. HERE, gedenk ons. Hoe moet het ver­der? U ziet toch dat we wegkwijnen van smart. Ja, we hebben gezondigd en we hebben de straf verdiend. We treuren en we rouwen. We hebben verdriet. Want de vreugde is weg. Het leven is hard geworden. Er heerst moord en doodslag, verkrachting en ontluistering. We kunnen het niet langer verdragen. HERE, zie het toch aan. En dat is een klacht vanuit de diepte van de ellende. HERE ontferm U over ons land. Zo kan het niet verder. U moet helpen. U bent van eeuwigheid tot eeuwigheid. U kunt er iets aan doen. U verlaat ons toch niet voor altijd U ontfermt U toch over ons. HERE, help ons? HERE ontferm U over ons. Waarom zoudt Gij ons voor altijd vergeten, ons verlaten tot in lengte van dagen? Breng ons HERE tot U weder, dan zullen wij wederkeren. HERE red ons.

Dat is een gebed uit het leven gegrepen. Wat kan het er slecht aan toe gaan in een land. Het is vreselijk. Wat een ellende. HERE help ons. HERE red ons.

Hij wil ons redden. Hij wil ons heil. Hij wil ons doen terugkeren. Hij wil het onmogelijke mogelijk maken. Er is altijd hoop! God is goed. Hij lijdt onder het lijden door de zonde. Hij wil onze bekering. Er is altijd hoop. Hij redt. Daarom zijn we er nog!