Leviticus 1:1-2:16

11 augustus [1]

1:1

De HERE nu riep Mozes en sprak tot hem…

1:3

dan zal hij een gaaf dier van het mannelijk geslacht brengen.

1:4

Dan zal hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen; zo zal het, hem ten goede, welgevallig zijn, om over hem verzoening te doen.

1:9

en de priester zal alles op het altaar in rook doen opgaan als een brandoffer, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE.

2:3

En wat overblijft van het spijsoffer, is voor Aäron en zijn zonen, als het allerheiligste van de vuuroffers des HEREN.

We gaan 27 hoofdstukken lang de wetten en de offers door. Het is het belang­rijkste boek uit de Torah, want hierin wordt uitgelegd hoe wij tot de HERE kunnen naderen, nadat onze zonde scheiding had gebracht. Direct worden we erop gewezen dat alles wat we aan de HERE offeren gaaf moet zijn. En in dit geval van het mannelijk geslacht. Dan alleen zal het ons ten goede, welgeval­lig en aangenaam voor de HERE zijn. We hebben te maken met een heilig God. Je brengt iets van het beste. Het kostbaarste wat je hebt. Het offer gaat in rook op tot een liefelijke reuk voor de HERE.

Wat heeft er een bloed gevloeid daar bij het altaar voor de tabernakel. Degene die het offer brengt, slacht zelf het dier om daarna het bloed en het dode dier aan de priester over te dragen, die vervolgens het offer verder uitvoert. Het is interessant om te zien hoe dat dan gebeurt. Ook daarin zit een heiliging. Het gaat zoals de HERE geboden heeft.

Hier gaat het over de brandoffers. Alles wordt op het altaar gebracht. Het wordt verbrand. Het is een liefelijke reuk voor de HERE. Er wordt verzoening gedaan. De schuld wordt vergeven. Hij had moeten lijden, daarom legt hij zijn hand op de kop van het offerdier, maar het dier wordt geofferd in zijn plaats.

Van het spijsoffer wordt een deel gezouten en met wierook geofferd. De rest is voor Aäron en zijn zonen. Het is meel met olie, of een baksel uit de oven of van de bakplaat of uit de pan. Steeds ongezuurd, want gist is een beeld van de zonde. Wat zullen de priesters daarvan gesmuld hebben. Het was met zorg bereid. Zo zorgt God voor de Levieten.

Onze gedachten gaan uit naar de Hebreeënbrief, waar de schrijver uitlegt hoe alle offers een voorafschaduwing waren van het grote offer gebracht door de Here Jezus. Fantastisch dat Jezus het volmaakte offerlam was. Geprezen zij de HERE God. Hij nam onze zonden weg. Dank U HERE.

Leviticus 3:1-17

12 augustus [1]

3:1

een gaaf dier, hetzij van het mannelijk, hetzij van het vrouwelijk geslacht,…

3:16

En de priester zal het in rook doen opgaan op het altaar als een spijs ten vuuroffer, tot een liefelijke reuk; al het vet is voor de HERE.

3:17

Dit zij een altoosdurende inzetting voor uw geslachten in al uw woonplaatsen: gij zult volstrekt geen vet en geen bloed eten.

Het vredeoffer wordt hier besproken. Steeds moet het een gaaf dier zijn. Het kan zowel een mannelijk als een vrouwelijk dier zijn. Het mag ook een stuk kleinvee of gevogelte zijn. De nieren en het vet moeten verwijderd worden. En dat zal dan in rook opgaan tot een liefelijke reuk voor de HERE.

Dan volgt de algemene, altoosdurende inzetting: Geen vet en geen bloed eten. Wat wordt er dan door ons gezondigd! En wat staat hier: het is een altoosdu­rende inzetting. In Handelingen wordt het ook nog eens herhaald. Daar wordt echter alleen gesproken over bloed, dat de gelovigen uit de heidenen, niet zullen eten.

En ons vlees, hoe zit het daar mee? Het bloed loopt er nog uit. Wij slachten niet kosher. Maar, op de vergadering in Jeruzalem zeiden de apostelen, dat we niet van het verstikte mochten eten, geen bloed en ons moesten onthouden van hoererij. Ik denk dat we vandaag verkeerd bezig zijn met al dat bloed en dat vet wat we eten. We kunnen wel denken dat alles met de komst van de Here Jezus is afgeschaft, maar ik begin daar toch steeds meer aan te twijfelen. Het staat er toch! En het wordt tijdens de vergadering in Jeruzalem door de apos­telen herhaald.

Leviticus 4:1-26

13 augustus [1]

4:2

Wanneer iemand zonder opzet zondigt in een van de dingen die de HERE verboden heeft te doen,…

4:3

indien de gezalfde priester zonde gedaan en daardoor het volk in schuld gebracht heeft,…

4:4

hij zal zijn hand op de kop van de stier leggen..

4:6

De priester zal zijn vinger in het bloed dopen en van het bloed zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht des HEREN, vóór het voorhangsel van het heiligdom.

4:7

En de priester zal van het bloed strijken aan de horens van het reukaltaar,…

4:10

en de priester zal het in rook doen opgaan op het brandofferaltaar.

4:12

alles van de stier zal hij buiten de legerplaats brengen, op een reine plek, waar men de as stort, en hij zal hem op een houtvuur verbranden;…

4:13

Indien de gehele vergadering Israëls zonder opzet zonde gedaan heeft,…

4:22

Als een vorst gezondigd heeft en zonder opzet…

4:23

als zijn offergave een geitenbok brengen,…

4:26

Zo zal de priester over hem verzoening doen voor zijn zonde, en het zal hem vergeven worden.

Het gaat hier over zondoffers. Voor zonden zonder opzet. Het vet moet eruit. Verbrand worden op het altaar. De stier moet geofferd worden en de priester moet zevenmaal het bloed sprenkelen voor het voorhangsel en smeren aan de horens van het reukofferaltaar. Het bloed moet verzoening brengen. Het dier moet buiten de legerplaats verbrand. Weg van de HERE. Wat een beeld. Je begrijpt steeds meer de diepe betekenis die dit heeft voor de gelovigen uit de Joden, die hun Messias ontdekten en de lijn doortrokken van de verzoening door de offers en het kruis van Golgotha en het bloed dat daar gevloeid heeft. Bloed heeft een diepe betekenis. Bloed heeft altijd voor hen met heiligheid en verzoening te maken.

Het gaat hier over zonden die niet opzettelijk gedaan waren door de priester, het volk en de koning. Daar moest al een offer ter verzoening voor plaatsvin­den. Wat een heiligheid van God. Dus als we een zonde ontdekken in ons leven moeten we naar Jezus gaan en deze zonde belijden. Het bloed van Jezus reinigt van alle zonden.

Leviticus 4:27-5:13

14 augustus [1]

4:27

Indien iemand uit het volk des lands zonder opzet gezondigd heeft…

4:28

een gaaf dier van het vrouwelijk geslacht,…

5:1

Wanneer iemand zondigt, in geval hij een overluid gesproken vervloeking hoort en getuige is, hetzij hij het zelf gehoord heeft of het te weten gekomen is, dan draagt hij, indien hij het niet aanbrengt, zijn ongerechtigheid.

5:2

Of als iemand iets onreins aanraakt,…

5:4

Of wanneer iemand onbezonnen een eed uitspreekt,…

5:13

Zo zal de priester verzoening over hem doen voor de zonde die hij in een van deze dingen begaan heeft, en het zal hem vergeven worden.

Dat is ook wat. Je zondigt zonder opzet. Je doet iets waarvan je niet wist dat het zonde was. Of je hoort iemand een vervloeking uitspreken. Dan wel wan­neer je iets onreins aanraakt. Wanneer je onbezonnen een eed uitspreekt. Dan sta je schuldig. Daar moet verzoening over gedaan worden. Daar moet bloed voor vloeien, daar moet je een dier van het vrouwelijk geslacht voor nemen. Merkwaardig, nu vrouwelijk en in de eerdere hoofdstukken moest het manne­lijk of vrouwelijk zijn. En de priester zal verzoening doen en het zal hem ver­geven worden. Heb je geen kleinvee of kun je dat niet betalen, dan mag je ook twee tortelduiven nemen. De ene is voor een zondoffer en de ander voor een brandoffer. Als je dat ook niet kunt betalen, dan is een tiende efa fijn meel ook goed. Het gaat erom dat de zonde verzoend wordt.

Een vervloeking horen of uitspreken; je moet het aangeven. Doe je het niet, dan sta je schuldig. Dan moet jij verzoend worden. De HERE God neemt het hoog op. Hoe vaak laten wij het niet gaan? Er wordt wat afgevloekt. Vreselijk. Het gaat hier over vervloeking. Dat mag dus niet. Een les. Bidden voor iemand en niemand vervloeken.

Verzoening doen. Het gaat om rein en heilig te leven. We hebben te maken met een heilig God. Een verterend vuur. Onze zonden moeten verzoend worden op het altaar van het kruishout van Messias Jezus.

Leviticus 5:14-6:13

15 augustus [1]

5:16

En het heilige waartegen hij gezondigd heeft, zal hij vergoeden en daaraan een vijfde toevoegen:… en de priester zal over hem verzoening doen… en het zal hem vergeven worden.

5:17

zonder dat hij het weet, dan is hij toch schuldig en draagt zijn ongerechtigheid.

6:2

of hij heeft zijn volksgenoot iets afgeperst,…

6:5

Hij zal de volle waarde ervan vergoeden en nog een vijfde daaraan toevoegen;…

6:7

En de priester zal over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEREN, en hem zal vergeving geschonken worden, ten aanzien van elke zaak waardoor hij schuld op zich laadt.

6:9

Dit is de wet op het brandoffer. Het brandoffer zal op de vuurhaard op het altaar de ganse nacht tot de morgen blijven liggen, en het vuur van het altaar zal daarop blijven branden.

6:11

en de as zal hij brengen buiten de legerplaats, op een reine plaats.

6:13

het mag niet uitgaan.

Ja, maar dat wist ik niet. En zo zondig je tegen God. En wat je niet weet daar kun je toch ook niets aan doen. Ja dat denken wij al gauw. Maar de HERE God zegt: ook al zondig je in onwetendheid, je wordt er wel voor verantwoor­delijk gehouden. Ook dan moet je je zonde belijden en verzoening doen over die zonde. Je doet verzoening. En dat geldt dus ook vandaag. Hoe vaak komen we niet tot de ontdekking in ons leven dat, als we terugdenken, dit of dat niet goed was. Dan moeten we er alsnog vergeving over vragen. Dat komt heel nauw. Het is altijd gevaarlijk om met de niet vergeven zonden uit het verleden door te lopen. Breng ze in het licht en vraag vergeving. Het kan ook geen kwaad om eens rustig na te denken over je verleden en na te gaan of er nog zonden zijn die niet vergeven zijn. Breng ze op het altaar van koning Jezus. Hij wil vergeven en je reinigen van je zonde. Je moet daar ook voor betalen. Soms moet je terug gaan naar de ander die je dat hebt aangedaan. Je moet je zonde belijden.

Als het om zaken gaat waarin je niet eerlijk gehandeld hebt, dan moet je dat belijden en dat terugbetalen en ook nog een vijfde erbij. Het moet duidelijk zijn. Belijd elkander je zonden. Het gaat hier ook over afpersen. Je moet een redelijke prijs vragen. Denk eens aan de armoede in de wereld. Wat persen we de arme mensen af. Het is toch verschrikkelijk. Wat een armoede ten koste van onze welvaart. Wij willen niets inleveren. Dus we zorgen wel dat we er zelf beter van worden en de ander laten we creperen. Het rijkdom-armoede-probleem is één van de grootste problemen. Daar moeten we iets aan doen. Dat is een enorme schuld die we op ons laden. Hoe durven we nog verder leven. We moeten onze schuld belijden en aan de slag gaan.

Het vuur op het altaar moet blijven branden. Dag en nacht moeten de priesters het vuur brandende houden. Regelmatig moet de as worden verwijderd. Het wordt gedetailleerd beschreven. De as moet buiten de legerplaats gebracht worden op een reine plaats. Wat zal er elke dag een as zijn. Dag en nacht brandt het vuur op het altaar. Wat een symboliek. We moeten de offerdienst vierentwintig uur gaande houden. De verzoening hebben we constant nodig. Het offer van de Here Jezus geldt voor dag en nacht. Er is geen moment in ons leven dat we de verzoening van onze zonden niet nodig hebben. Het vuur brandende houden. Wat een diepgang. Wat een heilige gedachte.

Leviticus 6:14-7:10

16 augustus [1]

6:15

en al de wierook die op het spijsoffer ligt, en zo zal hij dit op het altaar in rook doen opgaan, tot een liefelijke reuk ten gedenkoffer daarvan voor de HERE.

6:16

als ongezuurde koeken zal het gegeten worden…

6:17

het is allerheiligst, evenals het zondoffer en het schuldoffer.

6:18

al wie het aanraakt, zal heilig worden.

6:22

het zal geheel voor de HERE verbrand worden.

6:23

Elk spijsoffer van een priester zal geheel verbrand worden, het zal niet worden gegeten.

6:26

op een heilige plaats zal het gegeten worden,…

6:28

dan zal dit geschuurd en met water gespoeld worden.

6:30

om in het heiligdom verzoening te doen, zal gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden.

7:2

het bloed daarvan zal men rondom op het altaar sprengen.

7:5

als een vuuroffer voor de HERE; het is een schuldoffer.

Wat zal het heerlijk geroken hebben. De wierook vulde de tempel. Het spijs­offer werd gebakken. Deze ongezuurde koeken werden gegeten door de priesters. Het is allerheiligst. Het moet op een heilige plaats gegeten worden. Het offer moet een liefelijke reuk hebben ten gedenkoffer voor de HERE. Wat een vreugde. Wat een aanbidding. Niets is ook goed genoeg voor de HERE. Zouden we niet een liefelijke geur willen zijn voor Christus. Zouden we ook niet heilig en onberispelijk willen wandelen? Hem ter eer. Dat willen we toch? Want Hij heeft ons geschapen. Hij heeft verzoening gedaan over onze zonden. Hij heeft de schuld weggenomen. Hij heeft geleden. Hij is geofferd. Wat een liefde. Wie kan grotere liefde geven dan hij die zijn leven inzet voor zijn vrienden. Dat is het ware offer.

De priester moest het allemaal zeer zorgvuldig doen. De HERE had het zo voorgeschreven. Dan was er verzoening en vergeving. Dan kon men weer verder. Dan was het weer goed tussen God en zijn volk.

De priesters mochten van de offers eten. Alleen de offers die ze zelf brachten moesten geheel met vuur verbrand worden. En ook het offer waarvan het bloed in het heiligdom gesprenkeld werd moest helemaal verbrand worden. Het vat van het zondoffer moest gebroken worden en als het van koper was dan moest het goed geschuurd worden en met water gewassen gespoeld.

Weg met alles wat aan de zonde herinnert. Het moet met wortel en tak uitge­roeid worden. Dat is toch een duidelijk signaal. Geen compromissen sluiten met de zonde. Weg met al dat gesjoemel. Zonde is zonde. En we weten het maar al te goed. Maar we willen er vaak niet aan. Lees de regels van deze wetten en je ervaart dat er geen speld tussen te krijgen is. Het gaat om je totale overgave aan de HERE God. En daar krijg je vrede op. Dan bloeit de liefde van God met de mensen en de liefde van de mensen onderling. Dan wordt het weer goed en dan kunnen we verder. Heerlijk toch. Glorie voor zijn Naam.

Nooit gedacht dat je je zo kon verheugen in deze gedeelten. Wat een God! Wat een liefde. Wat een Messias. Jezus, dank U wel. Hoe kunnen we het ooit goed maken tussen God en ons mensen? Wat een zekerheid dat met zijn komst het eeuwige koninkrijk van recht en gerechtigheid naderbij komt. Glorie voor zijn Naam. Halleluja. De hemel gaat open.

Leviticus 7:11-38

17 augustus [1]

7:18

Indien toch op de derde dag gegeten wordt van het vlees van zijn vredeoffer, dan zal hij die dat gebracht heeft, niet welgevallig zijn; het zal hem niet ten goede gerekend worden, het zal iets verfoeilijks zijn, en wie daarvan eet, zal zijn ongerechtigheid dragen.

7:20

Maar iemand, die, terwijl onreinheid hem aankleeft, vlees eet van het vredeoffer dat de HERE toebehoord, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.

7:27

Al wie enig bloed eet, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.

7:34

en geef die aan de priester Aäron, en aan zijn zonen, als een altoosdurende inzetting voor de Israëlieten.

Geen bloed en geen vet eten. Bloed is kennelijk belangrijk. Op het eten van zowel vet als bloed staat dat de eter uit zijn volksgenoten uitgeroeid moet worden. De ziel is in het bloed. De tekstverwijzingen staan erbij: Genesis 9:4; Leviticus 17:10-14; 19:26; Deuteronomium 12:16, 23; Deuteronomium 15:23; 1 Samuël 14:33. In het boek Handelingen wordt er ook speciale nadruk op gelegd, als op de vergadering in Jeruzalem gezegd wordt dat de gelovigen uit de heidenen zich moeten onthouden van het eten van het offervlees, het ver­stikte, het bloed en de hoererij. Maar vandaag eten we vlees waar het bloed in zit. We eten niet kosher. Het staat toch hier en ook in Handelingen. Moeten we dus niet meer doen. Vet mogen we ook niet eten, staat hier.

Van de vredeoffers, mogen de priesters een deel ontvangen. Dat is een altoos­durende inzetting. Zo had het volk ook de zorg voor de priesters. Wat zullen ze er lekker van gegeten hebben. En wat heeft de HERE het allemaal zorgvul­dig geregeld. Fantastisch. Wat een zorg. Wat een vrede. Wat een zegen. Prijs de Heer.

We hebben het gehad over, brandoffers, spijsoffers, zondoffers, schuldoffers, wijdingsoffers en vredeoffers. De HERE was er op uit om de zonde te verzoe­nen en uit te bannen uit het volk. Koning Jezus wil dat we ons op Hem als Hogepriester en Middelaar richten om de zonde te ontvlieden.

Leviticus 8:1-36

18 augustus [1]

8:11

Ook sprenkelde hij daarvan op het altaar, zevenmaal, en zalfde het altaar…

8:12

Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem om hem te heiligen.

8:14

en Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de stier…

8:15

Zo heiligde hij dit en deed daarover verzoening.

8:23

en Mozes nam een deel van het bloed en streek het aan Aärons rechter oorlel, aan zijn rechterduim en aan zijn rechter grote teen.

8:30

zo heiligde hij Aäron en zijn klederen en ook zijn zonen en de klederen van zijn zonen.

8:33

En van de ingang van de tent der samenkomst zult gij gedurende zeven dagen niet weggaan tot op de dag waarop de dagen uwer wijding vervuld zijn; want zeven dagen zal uw wijding duren.

8:35

opdat gij niet sterft,…

Mozes bekleedt Aäron met het kleed van de hogepriester. Hij legt de Urim en de Tummim in het borstschild. Hij geeft hem de tulband en de gouden plaat erop, de heilige diadeem. Het was een plechtig gebeuren daar bij de ingang van de tent der samenkomst. Het huis van God is klaar en de priesters worden ingewijd. Alles draait om de verzoening. De priesters treden tussen God en de mensen. We hebben te maken met een heilig God. Verzoening van de zonden moet er zijn. Dus moeten de priesters geheiligd zijn voordat ze tussen God en de mensen kunnen treden. Ze leggen hun handen op de kop van het offerdier. Krijgen bloed aan hun rechter oorlel, hun rechter duim, hun rechter grote teen. Verder bloed op de hogepriester en aan de hoornen van het altaar, rondom het altaar. Heiliging en verzoening. Wijding zeven dagen lang. Opdat gij niet sterft. Het komt erop aan. Je moet er niet lichtzinnig mee omgaan. Je moet precies doen wat er gezegd wordt. Anders komt het niet goed. Het steekt heel nauw bij de HERE God. God wil bij de mensen wonen, maar dan in alle heiligheid. Weest heilig, want Ik ben heilig.

Leviticus 9:1-24

19 augustus [1]

9:6

opdat de heerlijkheid des HEREN u verschijne.

9:7

en doe verzoening voor u en voor het volk;…

9:22

Toen hief Aäron zijn handen op over het volk en zegende het;…

9:23

Mozes nu en Aäron gingen in de tent der samenkomst, en toen zij er weer uitkwamen, zegenden zij het volk, en de heerlijkheid des HEREN verscheen aan het gehele volk.

9:24

En er ging vuur uit van de HERE en dit verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken; toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht.

Wat een moment. Er wordt voor het eerst verzoening gedaan voor het volk. Lees de brief aan de Hebreeën. Messias Jezus, de grote Hogepriester, Die verzoening doet voor zijn volk. Prachtig. Mooier kan het niet. Wat een heilig moment. Mozes en Aäron gaan de tent in en komen er weer uit. Daarna ver­schijnt de heerlijkheid des HEREN aan het gehele volk. Wat moet dat een in­drukwekkend gezicht zijn geweest. De heerlijkheid van de HERE! Ja echt, de HERE. God wil wonen bij de mensen. Hij wil je zegenen.

En dan gaat er vuur uit van de HERE en dat verteert het offer. De HERE God zelf steekt het vuur aan. Vuur uit de hemel. Als je dat ziet dan werp je je op je aangezicht. Er wordt gejuicht. God laat zijn heerlijkheid zien. Het kan niet tastbaarder. Het kan niet indrukwekkender. De HERE moet je weer oprichten wil je hier bovenuit komen. Het is zijn vuur dat het offer verteerd. Zijn heer­lijkheid verschijnt aan ons mensenkinderen. Wie zijn wij, dat Hij aan ons wil verschijnen? Maar er moet dan wel verzoening worden gedaan. We moeten onze zonden belijden en geheiligd, apart gezet, worden.

De heerlijkheid des HEREN wil ons verschijnen, als wij ons volledig laten leiden door Hem. Wat is het heerlijk om je door Hem te laten leiden. Wat zal het een indrukwekkend gebeuren zijn geweest. En dan te weten dat die heer­lijkheid van de HERE nu in ons woont, door de kracht van de Heilige Geest.

Leviticus 10: 1-20

20 augustus [1]

10:1

zo brachten zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEREN,…

10:2

zodat zij stierven voor het aangezicht des HEREN.

10:3

aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken.

10:6

Uw hoofdhaar zult gij niet los laten hangen en uw klederen zult gij niet scheuren, opdat gij niet sterft, en Hij niet toorne over de gehele vergadering;…

10:20

Toen Mozes dit hoorde, was het goed in zijn ogen.

Je moet wel doen wat de HERE zegt. Breng geen onheilig vuur in de samen­komst. Dan gaat het mis. Wat bezielde die twee zonen van Aäron? Dachten ze dat het er niet zo op aankwam? Waarom moesten ze vreemd vuur brengen in een vuurpan? Dat slaat toch nergens op. Dan komt er vuur van de hemel en dit verteerde hen, zodat ze stierven voor het aangezicht des HEREN.

Er komt vuur van de hemel ten zegen en er komt vuur van de hemel als oor­deel. Je moet dus wel heilig leven. Doen wat God zegt. Want anders gaat het mis. Een eerlijke zaak. God had het zo gedetailleerd uitgelegd en opgedragen. Dan moet je het ook doen. Aäron verliest twee zonen. Hij heeft er nog twee over. Als zij dan een offer niet op de heilige plaats eten zoals God geboden had, dan zitten ze weer in de gevarenzone. Het is dat Mozes pleit bij God, want anders waren ze ook gedood. Dan zou Aäron geen enkele zoon meer hebben gehad.

Het is toch ook verschrikkelijk. Ze zijn nog maar net begonnen. Ze zien de heerlijkheid en de heiligheid des HEREN en ze gaan al direct verkeerd. Dat is levensgevaarlijk. Het is spelen met vuur. Spelen met je leven. Ook een oproep en een waarschuwing voor ons.

Leviticus 11:1-47

21 augustus [1]

11:1

Dit zijn de dieren, die gij eten moogt van al het gedierte dat op de aarde is.

11:44

Want Ik ben de HERE, uw God; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig;…

11:45

Want Ik ben de HERE, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig want Ik ben heilig.

Het gaat hier over rein en onreine dieren. Wat wel en wat niet gegeten mag worden. Heel interessant. We moeten ons afvragen wat wij allemaal eten. We moeten daarover het verslag van de vergadering in Jeruzalem weer eens nale­zen en de openbaring aan Petrus in Joppe dat het evangelie ook aan de heide­nen verkondigd moet worden. En ook eens nagaan wat gezond en ongezond is. Bloed en het verstikte mogen de gelovigen uit de heidenen ook niet eten. Maar we doen het volop. Dat slaat dus nergens op. Wat zijn we ver afgedwaald. Er is veel over te zeggen. Heel interessant. Het gaat om het heil en het goede voedsel voor het volk. Dus ook voor ons!

Het hoofdstuk eindigt met de heiligheid van God. En dan komt de tekst die we ook vandaag in 1 Petrus 1 gelezen hebben: Weest heilig want Ik ben heilig. Dat is geen toeval, maar een krachtige bevestiging.

Jezus is gekomen. Want alzo lief had God de wereld… En daarom moeten we ons heiligen, want we behoren tot de familie van een heilige God. Het komt er dus wel op aan. En de kern is ongeveinsde broederliefde. Het gaat om de scheiding tussen rein en onrein. Het grote gebod is: Gij zult de HERE, uw God, liefhebben en uw naaste als uzelf. Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, maar de meeste van deze is de liefde. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid. Dit is het evangelie, dat ons verkondigd is en dat wij vandaag mogen en moe­ten verkondigen. Prijs de HERE.

Leviticus 12:1-13:23

22 augustus [1]

12:2

dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd der maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn.

12:3

En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden.

12:4

Drieëndertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed;…

12:5

zesenzestig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed.

12:6

Als de dagen van haar reiniging vervuld zijn, zal zij voor haar zoon of voor haar dochter een éénjarig schaap ten brandoffer;…

13:9

Wanneer de plaag der melaatsheid zich bij enig mens voordoet, dan zal hij tot de priester gebracht worden.

13:13

dat de melaatsheid zijn gehele lichaam bedekt heeft, dan zal hij de aangetaste rein verklaren; hij is geheel wit geworden, hij is rein.

De reinigingswetten worden gedetailleerd besproken. Bijvoorbeeld na een geboorte. Wat opvalt is, dat bij een jongen de vrouw zeven dagen onrein is en bij een meisjes twee weken. En bij een jongen blijft zij drieëndertig dagen in het reinigingsbloed en bij een meisje zesenzestig dagen. Waarom dit verschil? Misschien omdat de jongen zo snel mogelijk op de achtste dag besneden moet worden? Als ze onrein is dan zal ze ook geen geslachtsgemeenschap kunnen hebben. Het is ook een bescherming voor haar.

Als een kind geboren wordt moet er een offer gebracht worden. Het kind moet gereinigd worden. Verzoend, zo jong al. Een eenjarig schaap en een tortelduif. En het moest in de tempel gebeuren. We lezen hierover ook bij de geboorte van de Here Jezus.

In hoofdstuk 13 gaat het over de melaatsheid. Het is een perfect systeem om het besmettingsgevaar in de hand te houden. Quarantaine kende men toen al heel goed. Besmettelijke ziekten werden uitgebannen. Een goede zaak.

Wat zijn de wetten van God een zegen voor de mensen. Hij heeft het goede en het leven voor met de mensen.

Leviticus 13:24-46

23 augustus [1]

13:25

dan is het melaatsheid, die in de brandwond is uitgebroken, en de priester zal hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.

13:32

wanneer dan blijkt, dat de uitslag niet dieper zit dan de huid,

13:33

dan zal hij zich scheren, maar de uitslag zal hij niet scheren;…

13:34

En de priester zal de uitslag op de zevende dag bezien; wanneer dan blijkt dat de uitslag zich niet over de huid heeft uitgebreid, en het niet blijkt dat deze dieper zit dan de huid, dan zal de priester hem rein verklaren en hij zal zijn klederen wassen; hij is rein.

13:40

Wanneer het hoofd van een man kaal wordt, is hij slechts kaalhoofdig, hij is rein.

13:45

De klederen van de melaatse, die door de plaag getroffen is, zullen gescheurd zijn, zijn hoofdhaar zal hij los laten hangen en de bovenlip bedekken en roepen: onrein, onrein.

13:46

Zolang hij de plaag heeft, blijft hij onrein; hij is onrein; afgezonderd zal hij wonen, buiten de legerplaats zal zijn verblijf zijn.

De priester vervulde dus een belangrijke rol om te zorgen dat er geen besmet­telijke ziekten zouden uitbreken. Het wordt heel nauwkeurig omschreven. Melaatsheid was een gevreesde ziekte. Zeer besmettelijk. Dus was het zaak dat de ziekte ingedamd werd. De priester bezag de mogelijke patiënt. Er waren duidelijke symptomen. En als je die had dan verklaarde de priester je onrein. Was het niet zeker dan werd je zeven dagen opgesloten en als dan de plek niet verder was gegaan of er begon zwart haar te groeien, dan was je niet onrein, maar anders wel. Iedereen diende zich daaraan te houden. Het was een plicht je aan de priester te vertonen. Het was een anti-besmettingscampagne. En iedereen die het niet deed kreeg een zware straf. Eigenlijk spreekt het ook vanzelf dat je deze krasse maatregelen neemt. Indien je melaats was dan moest je, als er mensen in de buurt kwamen, heel hard roepen: Onrein, onrein. Je moest op afstand blijven, want je moest voorkomen dat er anderen besmet werden. Voor de melaatsen natuurlijk een vreselijke zaak. Maar het was de weg om besmetting in te dammen. En zolang je de ziekte had bleef je onrein en je woonde buiten de legerplaats. Niet bij de mensen. Een vreselijke ziekte die je de hele bijbelse tijd tegenkomt. Hoe je er aan komt is niet bekend. Daar zou ook wel iets over te zeggen zijn.

De Here Jezus kwam ook melaatsen tegen. Van de tien die Hij genas kwam er slechts één bij Hem terug. Hij gaf hem opdracht om zich aan de priester te vertonen op grond van wat hier staat. En de priester zal hem ongetwijfeld rein verklaard hebben. Hadden de negen anderen dat al gedaan? Waar zijn zij gebleven? Of hebben ze zo snel mogelijk een punt willen zetten achter hun vreselijke leven en er niet meer aan willen denken. Want je zult ook maar buiten de legerplaats moeten wonen. Eigenlijk in ballingschap. Want niemand wil er met je praten. Want iedereen mijdt je.

Vandaag hebben we de epidemie Aids, maar die mensen blijven gewoon onder de mensen wonen. En als je er iets van zou durven zeggen, dan word jij voor onbarmhartig uitgemaakt die die arme aids-patiënt buiten de samenleving wil sluiten. Zo lopen er heel veel besmettelijke patiënten rond. Er sterven er miljoenen per jaar. En de wereldbevolking zal met een paar honderd miljoen afnemen als gevolg van Aids. En het blijft maar akelig stil om iets aan de ziek­te te doen. Want we willen de seksuele perversie hoe dan ook vast houden. Alleen medicijnen mogen de ziekte genezen. We weigeren om de seksuele relatie te laten waar ze horen: binnen de exclusieve relatie van een huwelijk. En zolang we dat weigeren, zal deze epidemie zich over de wereld explosief gaan verspreiden. En dat zullen we weten. Miljoenen worden geïnfecteerd en miljoenen en miljoenen zullen sterven op een vreselijke manier. Het is een ramp. Het is een plaag. Net als de melaatsheid. Het is de ziekte van de per­verse samenleving.

Moge de HERE ons kastijden en doen beseffen dat we moeten terugkeren naar de God van de Bijbel die juist in de seksuele verhouding ons heeft willen beveiligen tegen de gesel van de dood. O HERE kom en help ons! Red ons. Want wij vergaan.

Leviticus 13:47-14:20

24 augustus [1]

13:55

Nadat het gewassen is, zal de priester het aangetaste bezien;…

13:58

Maar het kleed, hetzij de schering, hetzij de inslag,…

14:7

en de levende vogel zal hij in het open veld laten wegvliegen.

14:9

Op de zevende dag zal hij zijn haar afscheren… zijn klederen wassen en zijn lichaam in water baden, en hij zal rein zijn.

14:14

De priester zal een deel van het bloed van het schuldoffer nemen en dit strijken aan de rechteroorlel van hem die gereinigd moet worden en aan zijn rechterduim en aan zijn rechter grote teen.

14:20

En de priester zal verzoening over hem doen, en hij zal rein zijn.

Hij zal daar buiten de legerplaats wonen. Hij zal onrein zijn. Hij moet roepen Onrein, onrein. Het is de wet op de melaatsheid. Het is tot in de details gere­geld. Je kunt je er niet aan onttrekken. Het geldt voor iedereen. Je moet je tonen aan de priester. Het blijft gecontroleerd worden. Het is vreselijk besmet­telijk. Dus je moet alles doen om een ander niet te besmetten. En ook als je weer rein verklaard wordt, dan gaat er ook een hele ritueel aan vooraf. De priester bekijkt het heel nauwkeurig. De verklaring van de reiniging gaat ook met offers en verzoening gepaard. Je moet geheel verzoend en gereinigd wor­den voordat je weer in de gemeenschap opgenomen wordt. Er moeten twee vogels genomen worden. De één wordt geslacht en in het bloed wordt de andere gedoopt en de melaatse besprenkeld, waarna de tweede vogel mag wegvliegen. Interessant om dat eens goed te lezen. Ook goed voor vandaag.

Er zijn ontzettend veel besmettelijke ziekten. De geslachtsziekten. Die mensen lopen zonder meer rond. In een vrije seksmaatschappij worden duizenden en duizenden mensen besmet, omdat we de meest elementaire regels van het samenleven niet in acht nemen. Aan de besmetting kleeft de zonde van de schepping. Het kan je treffen, net als zovelen, maar er moet verzoening wor­den gedaan over deze zonde van de besmetting. Als je een besmettelijke ziekte hebt, dan moet je dit melden. En niet een gevaar zijn voor de ander.

Leviticus 14:21-57

25 augustus [1]

14:28

strijken aan de rechter oorlel…

14:31

en de priester zal verzoening doen over hem, die gereinigd moet worden,…

14:45

Dan zal men het huis omverhalen,…

14:54

Dit is de wet op allerlei plaag van melaatsheid, op haaruitslag,

14:55

melaatsheid van kleed en huis,

14:56

zwelling, uitslag en lichte plek –

14:57

om aan te wijzen, wanneer iets onrein of wanneer iets rein is, dit is de wet van de melaatsheid.

Er wordt zeer zorgvuldig omgegaan met besmettelijke ziekten. Als er een besmetting in het huis is dan komt de priester en dan wordt het bestudeerd. Er wordt zeven dagen later weer gekeken. Alles wordt verwijderd dat besmet is. Blijkt het vervolgens weer besmet, dan wordt het huis afgebroken. Al het puin wordt buiten de legerplaats neergegooid. Dit geldt voor iedereen. Je moet je er aan houden. Je bent verplicht om het te melden. Je hebt een besmettelijke ziekte. En uit bescherming van de medemens en jezelf moet je het bekend maken. Daar is niets aan veranderd.

Alleen staat men vandaag op het terrein van besmettingen een andere lijn voor. Heb je een besmetting, dan moet er alles aan gedaan worden dat de mens zijn privacy behoudt en niemand het te weten komt. Dokters en tandartsen zie je nu dan ook hun werk doen met plastic handschoenen aan. Je kunt nooit weten of je patiënt besmet is. En Aids, bijvoorbeeld, is erg besmettelijk. Nie­mand weet precies hoe besmettelijk het is. Een contact met bloed of speeksel of wat dan ook. Een handdruk. We zullen nog verbaasd staan hoe groot het gevaar voor ons allemaal is.

Dat men het niet als een besmettelijke ziekte publiekelijk maakt, komt omdat er achter zit dat dan ook gewezen moet worden op de gevaren van een vrije seksmentaliteit. Dat is levensgevaarlijk. Voor de samenleving. We zien dan ook al in de ontwikkelingslanden dat hele stammen en dorpen uitsterven. Men wil de koe niet bij de horens vatten. We zullen het de komende decennia in onze wereld zien. We gaan ten onder aan de wellust, ook al waarschuwt deze besmetting ons op overduidelijke wijze. Gaan we terug naar de bijbelse prin­cipes dan constateren we weer dat de geboden bedoeld zijn om ons aller leven te beschermen en een kans te geven.Twee hoofdstukken lang geeft de HERE God deze wet, Torah, op de melaatsheid. Zouden wij het dan beter weten? Een ramp trekt over de wereld.

Leviticus 15:1-33

26 augustus [1]

15:4

Elk bed waarop hij die de vloeiing heeft, ligt, is onrein,…

15:15

En de priester zal verzoening over hem doen…

15:20

Alles waarop zij in haar maandelijkse onreinheid ligt, zal onrein zijn,…

15:31

Zo zult gij de Israëlieten zuiveren van hun onreinheid, opdat zij niet in hun onreinheid sterven, wanneer zij mijn woning, die in hun midden is, zouden verontreinigen.

Opnieuw een beschermende reiniging. Bloed vloeit bij een man of bloed vloeit bij een vrouw. Zaaduitstorting bij een man. Daarna moet je je reinigen. Je bent onrein en alles wat je aanraakt is onrein. De ander moet zich er verre van hou­den. Niet met het bloed of zaad dat vloeit in aanraking komen. Doe je dat wel dan ben je onrein. Dan moet je je dus reinigen. We hebben te maken met een rein en heilig God. Dus pas op, neem er geen loopje mee. Zorg dat je rein blijft. Geen bloed van een vloeiende mens in het huis van God, opdat je niet zult sterven. Reinig je. Ga naar de priester en offer!

Het is heel praktisch en duidelijk. Ook vandaag moeten we ons reinigen van onze vloeiingen. We gaan er wel wat al te luchtig mee om vandaag aan de dag.

Leviticus 16:1-34

27 augustus [1]

16:22

Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land, en hij zal die bok in de woestijn vrijlaten.

Verzoening. De tabernakel stond te midden van de onreinheden, de ongerech­tigheden van het volk. Er moest verzoening gedaan worden. God alleen kan vergeven. En er moet geofferd worden ter verzoening van de zonden. Het wordt nauwkeurig omschreven. Aäron kan niet zomaar elke dag het heilige der heiligen binnengaan. Opdat hij niet sterve. De HERE is zo heilig, dat jij niet in zijn aanwezigheid kan zijn. Wij staan daar zo ver vanaf. Het is een wonder dat God, in zijn grote heiligheid, Zich met ons bemoeit. Heel persoonlijk. Hij woont bij de mensen. Het heilige der heiligen in de tabernakel. God had het heel precies omschreven. Zo moest het gebouwd worden. En zo moest de eredienst geregeld worden. Allemaal heel precies omschreven. Met God kun je niet marchanderen. Als God iets gezegd heeft dan moet het vanzelfsprekend zijn dat je er zo naar handelt. Anders gaat er iets helemaal fout. Dat is niet een dreiging, maar dat is een redding. Een beveiliging. Als je dat doet dan gaat het goed. Dan kun je zegen verwachten.

Aäron mag eenmaal per jaar het heilige der heiligen binnentreden. Met het bloed van de stier die geslacht is als zondoffer. Hij heeft het heilige der heili­gen vervuld met een wolk van welriekend fijngestoten reukwerk. De ark is in donkerheid gehuld en de wolk van het reukwerk onttrekt de ark aan zijn oog. Hij moet het bloed met zijn vinger sprenkelen. Wat een heiligheid. Wat een aanwezigheid van God. Wat een eerbied en ontzag wordt afgedwongen. Je hebt niet het lef om zelf het heft in handen te nemen. Je hebt te maken met de heilige God. Die is de enige die verzoening kan doen over je zonden. En je zonden worden vergeven. De bok, die de woestijn ingestuurd moet worden, die gaat de woestijn in beladen met de zonden van het volk. Weg buiten de legerplaats. De zonden moeten uitgebannen worden. Weg met de zonde. Weg met deze zondebok.

Deze grote verzoendag is een altoosdurende inzetting. Het is de dag dat het volk zich voor God gaat verootmoedigen. Je keert tot je zelf in en je keert je van je zonden af. Je gaat de goede kant weer op. Je stopt met je zonden. Je gaat vergeving vragen aan je broeder. En je viert het als een volkomen sabbat. Geen wrok, maar volkomen toewijding aan de HERE. Wat een genadige God, Die weet dat de zonde ons aankleeft, dat Hij ons in zijn grote heiligheid zo lief heeft dat Hij ons wil redden van de dood. Hij schenkt vergeving. Hij brengt de verzoening tot stand. In zijn Zoon, onze Messias, heeft Hij het volmaakte offer gebracht. Door zijn bloed zijn wij genezen. Dat is toch geweldig. Daar kunnen we weer mee verder. Dat is heerlijk. Prijs de HERE. Wat een vreugde. Wat een zaligheid. Laten we ons elke dag uitstrekken naar de HERE God die onze zonden heeft verzoend op het kruis van Golgotha. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

Leviticus 17:1-16

28 augustus [1]

17:4

maar die niet brengt naar de ingang van de tent der samenkomst,… als bloedschuld zal dat die man worden aangerekend; hij heeft bloed vergoten en die man zal uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,…

17:5

zij moeten ze brengen voor de HERE, naar de ingang van de tent der samenkomst, tot de priester, om ze als vredeoffers de HERE te offeren.

17:7

En zij zullen hun offers niet meer brengen aan de veldgeesten, die zij overspelig nalopen.

17:10

Ieder… die enig bloed eet – tegen zo iemand,… zal Ik mijn aangezicht keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien.

17:11

Want de ziel van het vlees is in het bloed… want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel.

17:14

Gij zult van generlei vlees bloed eten, want de ziel van alle vlees is het bloed; ieder die het eet, zal uitgeroeid worden.

Dat is duidelijke taal. Offeren doe je voor de HERE. Je brengt het naar de tent der samenkomst. Je offert het als vredeoffer. En daar is geen uitzondering op te maken. Doe je het niet dan moet je uit het volk uitgeroeid worden. Dat is een erge zaak, maar dat is ook een regel om je te beschermen zodat je geen dwaze dingen doet. Wie wil er nu uitgeroeid worden? Wie doet zulke rare dingen als offeren aan de veldgeesten? Je weet het van te voren. Dus je doet het niet. Het geeft ook aan dat het geen licht vergrijp is. Het is de HERE ernst. Het staat er duidelijk. Het is verboden om aan de veldgeesten te offeren. Geen vreemde zaak in die dagen, want de heidenvolken rondom en soms ook onder Israël deden niet anders. Ze hadden allerlei afgoden en leefden in angst voor allerlei goden van de natuur, die ze moesten tevreden stellen op straffe dat hen iets zou overkomen. Weg met de afgodendienst. En daar moest je wel heel sterk in zijn, want de afgoden liggen altijd op de loer om je te verleiden. God woont daar ergens ver. Je ziet Hem niet eens. Hij is zo omringt met heiligheid. Maar de afgoden hebben een beeld dat je kan zien. En het is dicht bij huis. Maar jij moet met je offer helemaal naar de tent der samenkomst. Enz., enz., enz. Wat zien we een afval onder Israël als we de Bijbel lezen. God moet wel scherpe regels stellen. Dat geldt ook voor vandaag. Er is geen ruimte voor gemarchandeer met God.

De volgende regel is om geen bloed te eten. De ziel van het vlees is in het bloed. Want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel. Dat is een duidelijke uitleg. Dat moeten we eens goed onthouden. Het is een bijbelse duiding hoe de mens in elkaar zit. De ziel van het vlees is in het bloed. En het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel. Ja daar kun je je iets bij voorstellen. Dan moet je ook geen bloed eten. Je moet het bloed dus laten weglopen. Want wat voor bloed krijg je binnen. Het gaat om de ziel en het gaat om verzoening. En verzoening hebben we allemaal nodig. We leven van verzoening. De offers moeten worden gebracht. Bloed moet vloeien. Zonder bloed geen verzoening. En verzoening is voor de mens. Voor het vlees. Ga jij dus bloed eten dan laat je je verontreinigen met bloed van de ander. Het is dan ook heel belangrijk om je hier aan te houden. Bij de vergadering in Jeruzalem over de vraag welke geboden de gelovigen uit de heidenen moeten houden, wordt heel duidelijk gesteld dat zij geen bloed mogen eten. Dat gaat terug naar dit gebod. Daar moeten we ons dus ook vandaag aan houden. Het is belangrijk te weten of wij in onze slachtmethoden ons daar ook aan houden. Wordt het bloed eerst vergoten of zit het er nog in. Het is belangrijker dan we denken.

Ook hier lezen we dat als je het niet doet dat je moet worden uitgeroeid uit het volk. Dat is geen halve maatregel. Je moet je daar van bekeren en rein worden. Je moet je wassen en je onreinheid afwassen. Het is belangrijk om deze wet te houden. Want ze komen ook terug in de eredienst voor de gelovigen uit de volkeren. We lezen er veel te veel overheen en daar hebben we schade van. Dan zullen we onze ongerechtigheid dragen!

Leviticus 18:1-30

29 augustus [1]

18:2

Ik ben de HERE, uw God.

18:3

gij zult niet doen, zoals men doet in het land Kanaän,…

18:5

de mens die ze doet, zal daardoor leven: Ik ben de HERE.

18:6

Niemand zal naderen tot zijn naaste bloedverwant,…

18:17

bloedschande is het.

18:19

En tot een vrouw in haar maandelijkse onreinheid zult gij niet naderen,…

18:20

En met de vrouw van uw naaste zult gij geen vleselijke gemeenschap hebben, zodat gij u met haar verontreinigt.

18:21

En gij zult geen van uw kinderen overgeven, om het aan de Moloch te wijden, opdat gij de naam van uw God niet ontwijdt. Ik ben de HERE.

18:22

En gij zult geen gemeenschap hebben met een, die van het mannelijk geslacht is, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw: een gruwel is het.

18:23

En met geen enkel dier zult gij vleselijke gemeenschap hebben,… schandelijke ontucht is het.

18:28

opdat het land u niet uitspuwe,…

18:29

Want ieder die iets van al deze gruwelen doet, – degenen, die ze doen, zullen uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.

18:30

Ik ben de HERE, uw God.

Het staat er toch. Wat voor discussie hebben we dan nog nodig. Geen ontucht. Blijf af van uw bloedverwant. Het wordt met naam en toenaam genoemd. De hele opsomming. Als je het zo leest dan denk je bij jezelf: waarom moet het allemaal zo precies benoemd worden? Het spreekt toch vanzelf. Blijkbaar niet, want het komt tot op vandaag voor. Ook binnen christelijke families. Dit hoofdstuk zou veel vaker gelezen moeten worden. Want er wordt wat gemar­chandeerd met seksualiteit. Het druipt van de hele samenleving af. Je kunt niet kijken of er hangt wel weer ergens een smerige poster. Je wordt van alle kan­ten seksueel verleid. Het is een enorm gevaar. De duivel weet daar gretig ge­bruik van te maken. Ik ben de HERE uw God. Dus je doet dat niet. Begrepen. Houd je er dan ook aan. Zo dat is duidelijke taal. Begrepen!

Houd je aan de verordeningen van de HERE, dan zul je daardoor leven. Dus er is ook een hoge prijs aan verbonden. Doe je het niet, dan zul je daardoor niet leven. Wie wil er nu niet leven? Dus houd je aan de geboden van God. Kies voor het leven opdat je leeft. Prijs de HERE. Je mag leven.

En dan volgt er, alsof het er een onderdeel van is, offer je kinderen niet aan de Moloch. Dat is een vreselijke zaak. Je kinderen offeren aan de Moloch. Wie haalt het in zijn hoofd, maar het kwam voor onder de heidenvolken. Je offert je kind aan de Moloch, opdat jij er beter van wordt. Het is verschrikkelijk. Je kind offeren. Levend gooien in de brandende armen van het afgodsbeeld, waar ze gillend verbranden. Wie haalt het in zijn hoofd? Dat doe je toch niet? Maar het gebeurt. De heidenvolken doen het allemaal, maar ook Israël verviel keer op keer tot die zonde. En de straf van God is vreselijk. Het rijk wordt gesplitst, ze gaan in ballingschap, ze hebben oorlogen.

Daarop volgt dan dat je als man geen gemeenschap met een andere man. Het is een gruwel. Nou daar is ook geen speld tussen te krijgen. Daar hoef je ook geen discussie over te hebben. Dat doe je niet. Het is een gruwel. Het is schan­delijke ontucht. Punt uit. En dan kan de hele samenleving van alles vinden, maar mannen hebben geen gemeenschap. Daar moet je elkaar voor behoeden. God is er heel duidelijk over. Doe je het toch, dan zul je daar de gevolgen van ondervinden. Dan moet je daar ook niet van opkijken. Je moet je ervan bekeren, wil je tenminste leven. Horen we het goed? Aan deze ontucht zijn rampen verbonden. Het kost je je leven.

Omgang met een dier is ook uit de boze. Dat doe je niet. Wie haalt het in zijn hoofd? Hoe durven we? Het is vreselijk. Kortom, verontreinig je niet op deze wijze. God vertelt het duidelijk. Hij heeft de volken, die in het land woonden er met sterke hand uit gedreven, omdat ze deze dingen deden. Pas dus op, dat jullie niet hetzelfde overkomt, dat het land ook jullie uitspuwt om deze zon­den. Want waarom zou het jullie niet overkomen? En het is ze ook overko­men. Want de tien stammen zijn vanwege hun afgoden en de offerdienst aan de Moloch uit het land verjaagd en in ballingschap gebracht. Tot vandaag zijn ze nooit teruggekomen en leven ze nog verspreid onder de volkeren. Dat is me nog al een oordeel. Als God zijn eigen uitverkoren volk niet heeft gespaard, dan moeten we zeker niet denken dat Hij ons spaart. Wat een zonde. Wat een hemeltergende afval. Wat een verslapping. Het oordeel hangt ons boven het hoofd. Bekeert u!

Leviticus 19:1-37

1 september [1]

19:2

Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig.

19:3

Ieder zal voor zijn moeder en zijn vader ontzag hebben en mijn sabbatten houden: Ik ben, de HERE, uw God.

19:9

Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, zult gij de rand van uw veld niet geheel afmaaien, en wat nog is blijven liggen van uw oogst, zult gij niet oplezen.

19:10

dit zult gij voor de armen en de vreemdelingen laten liggen: Ik ben de HERE, uw God.

19:13

Gij zult uw naaste niet afpersen…

19:15

Gij zult bij het rechtspreken geen onrecht doen;…

19:17

Gij zult uw broeder in uw hart niet haten;…

19:18

maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de HERE.

19:19

uw akker zult gij niet met tweeërlei zaad bezaaien,…

19:25

In het vijfde jaar zult gij dan de vrucht daarvan eten, opdat zij u een grotere opbrengst geven: Ik ben de HERE, uw God.

19:26

Gij zult niets met bloed eten; gij zult niet aan waarzeggerij of toverij doen.

19:28

en geen tekens in uw huid laten prikken: Ik ben de HERE.

19:30

Mijn sabbatten zult gij houden…

19:31

Gij zult u niet wenden tot de geesten van doden of tot waarzeggende geesten,…

19:32

Voor het grijze haar zult gij opstaan en aan de oude zult gij eer bewijzen en voor uw God zult gij vrezen: Ik ben de HERE.

19:34

want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de HERE, uw God.

19:36

Een zuivere weegschaal, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin zult gij gebruiken: Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte geleid heb.

Nou, bekijk het zelf maar. In hoeverre houd jij je aan deze heiligingwetten? Wees heilig, want Ik ben heilig. Waarin zijn we niet heilig? Hoe zit het met de eer aan je vader en je moeder? Hoe zit het met eerbied voor de grijze haren? Hoe zit het met de zuivere weegschaal? Hoe zit het met eerlijkheid in je zakendoen? Hoe zit het met eerbied voor de sabbat? Hoe zit het met je geloof in boze waarzeggende geesten? Ik ben de HERE, uw God. Ik ben heilig. Dus jullie moeten ook heilig zijn. Geen gemarchandeer. Het wordt allemaal heel duidelijk omschreven. Het is uit het leven gegrepen. Je kunt het zo begrijpen. En we kunnen het vandaag ook nog begrijpen. Het is niet een oud verhaal, waar we vandaag een eigen, andere verklaring bij kunnen bedenken. De zaken, die hier aan de orde komen, die gelden ook vandaag.

Hoe zit het met je verhouding tot je naaste? Hoeveel mensen mag je niet? Hoeveel mensen mijd je? Hoeveel haat je? Enz., enz., enz. Ga maar na bij jezelf. Wat een toestand. Wat een ellende. Je kunt wel vrome smoezen op­hangen, maar je kunt er niet omheen, dat je zelfs je grootste vijand moet lief­hebben. Want je moet je naaste liefhebben als jezelf. Aan deze twee geboden, God liefhebben en je naaste als jezelf, hangen de ganse wet en de profeten. Nou dat is nog al wat. Dat is de vervulling der wet zegt de Here Jezus en daar moeten wij ons dus ook aan houden. Wat zou de wereld en ons leven er anders uitzien, als we ons aan deze wetten hielden. Heerlijk toch. We weten met ons allen heel goed dat als we dit doen, we er inderdaad wel bij varen. De samen­leving ziet er dan veel beter uit. Het is de liefde die het doet. Daar moeten we ons dan ook nu naar uitstrekken, daar zit al het andere aan vast. Geen wonder dat liefde de basis is voor alle relaties. Daar waar de liefde ontbreekt gaat de relatie stuk. De meeste is de liefde!

Als je je land oogst, dan moet je de rand laten staan. Dat gold toen en dat geldt ook nu. Dat is voor de arme en de vreemdeling. We hebben ook vandaag armen, dus moeten we daar dan ook de rand voor laten staan. Zowel letterlijk als figuurlijk. En niet het allerlaatste ook nog binnen schrapen. Hoe doen we dat in de praktijk? Nou, zeg maar gewoon dat je tien procent niet voor jezelf houdt, maar overlaat aan de armen. We moeten daar praktisch mee aan de slag gaan. Hoeveel zou zijn blijven liggen? Hoeveel armen waren er toen? En hoe ging dat? Welke arme mocht dan op het veld komen? Was daar enige orde in, of ging het allemaal spontaan? De Bijbel spreekt over tienden. En dat is voor velen ook nog slechts de rand.

De vreemdeling in de poort moeten ook gunstig worden bejegend, want zij waren zelf vreemdeling in Egypte geweest en ze wisten dus hoe het voelt. Daarom moeten ze ook de vreemdeling opnemen en opvangen en helpen. Hij mocht ook van de oogst nemen. Dat geldt ook vandaag.

Een heerlijk praktisch hoofdstuk. Daar kun je niet omheen. Je moet helpen. Je moet de liefde hebben. Waarom? Omdat God ons eerst heeft liefgehad. Hij is de HERE, uw God. Daarom moeten we in zijn voetspoor wandelen. En weten we het niet zo goed, hebben we niet op alle vragen een antwoord, dan is het geheim dat we maar heel dicht bij Jezus moeten blijven. Want dan ben je veilig. Dan vraag je bij alles: Wat zou Jezus doen? Dan ga je niet verkeerd. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Leviticus 20:1-27

2 september [1]

20:1

En de HERE sprak tot Mozes:

20:2

Tot de Israëlieten zult gij zeggen: Iedere Israëliet en iedere vreemdeling, die in Israël vertoeft, die van zijn kinderen aan de Moloch geeft, zal zeker ter dood gebracht worden: het volk des lands zal hem stenigen.

20:3

Ook zal Ik mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien, omdat hij van zijn kinderen aan de Moloch gegeven heeft, om mijn heiligdom te verontreinigen en mijn heilige naam te ontwijden.

20:4

Indien echter het volk des lands oogluikend toelaat, dat die man van zijn kinderen aan de Moloch geeft en hem niet ter dood brengt,

20:5

dan zal Ik mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn geslacht keren en Ik zal hem en allen die hem in zijn overspelige verering van de Moloch volgen, uit het midden van hun volk uitroeien.

20:6

En iemand die zich tot de geesten van doden of tot waarzeggende geesten wendt, om die overspelig na te lopen – tegen zo iemand zal Ik mijn aangezicht keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien.

20:7

Heiligt u dan, en weest heilig, want Ik ben de HERE, uw God.

20:8

Zo zult gij mijn inzettingen nauwgezet in acht nemen; Ik ben de HERE, die u heilig.

20:9

Wanneer er iemand is, die zijn vader of zijn moeder vervloekt,… zijn bloedschuld is op hem.

20:10

En een man, die echtbreuk pleegt… zal zeker ter dood gebracht worden, zowel de overspeler als de overspeelster.

20:13

En een man die gemeenschap heeft met iemand van het mannelijk geslacht,… beiden hebben een gruwel gedaan, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen.

20:20

Een man die gemeenschap heeft met zijn tante –… hun zonde zullen zij dragen, kinderloos zullen zij sterven.

20:22

opdat het land, waarheen Ik u breng om daarin te wonen, u niet uitspuwe.

20:24

Ik zal het u geven om het te bezitten, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben de HERE, uw God, die u van de andere volken heb afgezonderd.

20:26

Weest Mij heilig, want heilig ben Ik, de HERE, en Ik heb u afgezonderd van de volken, opdat gij Mij zou toebehoren.

20:27

Wanneer een man of een vrouw door zich de geest van een dode laat spreken of een waarzeggende geest bezit, zij zullen zeker ter dood gebracht worden; stenigen zal men hen, hun bloedschuld is op hen.

De dienst aan Moloch is verschrikkelijk. Kinderen worden genomen en aan de Moloch geofferd. Ze worden in de brandende armen van de afgod gegooid waar ze krijsend van de pijn sterven. Het is verschrikkelijk. Het is de HERE een gruwel. Wie daar aan mee doen, moeten worden uitgeroeid. Het hele afgodssysteem moet weggedaan worden uit het volk. Ze zullen gestenigd wor­den. Weg met hen. Ze verontreinigen het heiligdom van de HERE. De HERE wil er niets me te maken hebben. Het is over en uit. Het moet met wortel en tak worden uitgeroeid. En wat doen we vandaag? We offeren onze kinderen aan de Moloch, de abortus. Ongelukje of foutje, je gaat naar de abortuskliniek en je laat het weghalen. Dat is wettelijk allemaal geregeld. Geen vuiltje aan de lucht. Wanneer je er tegen bent, dan ben je een fundamentalist. Je moet met je tijd meegaan. Het is de HERE een gruwel.

Maar de HERE God maakt korte metten met deze afgodsdienst. De mensen offerden hun kinderen om hun eigen welzijn te bevorderen. Hun drijfveer was egoïsme. Het was eerst zijzelf en dan het kindje. Zo is het vandaag ook. De eigen lusten eerst, maar niet de lasten. Indien blijkt dat het kindje een handi­cap heeft, dan kan het weggenomen worden. Het stelt alles niets voor, want je laat het toch wegnemen! Het is de HERE een gruwel.

Wat een schuld laden we op ons! Daar worden we door de HERE God op af­gerekend. Daar zijn we individueel en als volk nog niet klaar mee. Daar komt onherroepelijk het oordeel op. Net zoals met het volk Israël. Wat een ellende hebben we op de hals gehaald. Ze worden weggevaagd. Opdat het land u niet uitspuwe zegt de HERE God. En het land heeft hen uitgespuwd. Ze zijn in ballingschap gegaan. Pas in de vorige eeuw is er weer sprake van terugkeer. En wat gebeurt er weer? In Israël is er goed geoliede abortusindustrie. Dege­nen die er vandaag aan mee doen, moeten niet denken dat ze de dans ontsprin­gen. Hier staat het. En het geeft geen pas om te doen alsof dat alleen voor die tijd gold.

Dan komen strafwetten op het terrein van de seksualiteit. Er worden geen doekjes om gewonden. Het is duidelijke taal. Iedereen kan het meteen begrij­pen. Met een ander dan je eigen vrouw ga je niet naar bed. Doe je het wel dan moet je uit het volk uitgeroeid worden. Nou, nou, moet dat nu meteen zo fors. Kan het niet een beetje minder. Neen, het kan niet een beetje minder. Want je bent gewaarschuwd. Blijkbaar is het nodig om krachtig gewaarschuwd te wor­den. Het gevaar ligt kennelijk op de loer. De seksualiteit is een verleidende geest. De hoer zit in ons. De verleiding is overal. Dus hoe strenger de straf, hoe sterker kennelijk de verleiding is. We moeten er niet mee mar­chanderen. En de straf is duidelijk. Zowel de overspeler als de overspeelster moet worden uitgeroeid. Je gaat niet met de vrouw van je naaste naar bed. Je gaat niet met je tante naar bed. Je gaat niet met je dochter naar bed, enz., enz., enz. Kenne­lijk is het nodig om het allemaal zo detailleren. Zouden er mensen geweest zijn, die er een onderscheid in hebben willen aanbrengen. De HERE is hen voor. Pas op, het is allemaal overspel. Mannen gaan ook niet met man­nen. Het is een gruwel, bloedschande laden ze op zich. De hele homodiscussie is onder­deel van de seksuele reinheid waarover we moeten waken. Als we mannen met mannen laten gaan, waarom dan niet voor de andere relatievor­men waar­over ook een vloek wordt uitgesproken. Het is de HERE een gruwel.

In het nieuwe testament doet Jezus er nog een schepje bovenop. Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, pleegt reeds overspel. Toegepast op van­daag: weg met alle vunzigheid. Weg met alle hoererij in woorden, gedachten en daden. We moesten toch de HERE God liefhebben met geheel ons hart, geheel onze ziel en met geheel ons verstand en gedachten. Dat was de vervulling van de wet. Dus dat moeten we dan doen.

En waarom? Daarom: Weest heilig want Ik ben heilig. Heiligt u dan, en weest heilig, want Ik ben de HERE uw God. Heiligt u dan en weest heilig. Ik ben de HERE die u heilig. Alles wat we dan niet doen, is het ontheiligen van de hei­lige Naam van God. Dat is geen moeilijke zaak. Dat is een heilige zaak. Dan komt alles goed. Dan zijn we op de goede weg. Dan gaat het niet verkeerd. Dus dat moeten we doen. Dat zijn geen geboden zo van: je mag niet dit en je mag niet dat. Neen. Dat zijn heel eenvoudige levensgeboden die je op het rechte spoor houden. En de dreigende straf is er om je naar het rechte spoor te dringen. Niet om je te straffen. Maar juist om de straf te voorkomen. Want aan het houden van deze geboden is zegen verbonden. God heeft juist al de volken die vóór hen in het land woonden voor hen uitgedreven vanwege de gruwe­lijke zonden die ze deden. Het was hun afgodendienst. Pas dus op dat jullie niet hetzelfde overkomt en dat het land ook jullie uitspuwt. Dat is wel heel plastisch gezegd. Het land spuwt je uit. En wat is er gebeurd. Het land heeft hen uitgespuwd. Het land is in ontucht gevallen. Ze zijn eerst gesplitst in tien en in twee stammen. Al snel nadat God hen zo gezegend had. Maar Salomo liet zijn vrouwen aan de Moloch offeren en toen kwam de straf van God. En in de tijd van de profeten offerden ze weer hun kinderen aan de Moloch en toen kwam de ballingschap. Ze zijn weggevoerd. Van de tien stammen is er nooit iemand teruggekeerd. Tot op vandaag zijn ze onder de volken verspreid. Dat is verschrikkelijk. Wat een straf, wat een vervolging. Wat een holocaust. Maar ook wat een verschrikkelijke straf voor de volkeren die hen hebben vervolgd, want het blijft Gods uitverkoren volk. Het is zijn oogappel. God lijdt er zelf het meest onder. De Messias is gekomen. In de eerste plaats om het eigen volk te verlossen. Wat een zegen. En wat een tragiek dat ze Hem hebben afgewe­zen. En wat een strijd tot op vandaag.

HERE ontferm u over ons. Doe ons terugkeren naar uw geboden opdat wij leven. Zowel wij uit de volkeren als het volk en het land dat door U is verko­ren.

Leviticus 21:1-24

3 september [1]

21:1

Spreek tot de priesters… dat geen hunner zich aan een dode zal verontreinigen…

21:6

daarom zullen zij heilig zijn.

21:7

Geen ontuchtige of onteerde vrouw zullen zij huwen,…

21:8

hij zij u heilig, want heilig ben Ik, de HERE, die u heilig.

21:17

een lichaamsgebrek heeft, zal niet naderen om de spijze van zijn God te offeren,…

21:23

opdat hij mijn heiligdommen niet onheilige, want Ik ben de HERE, die hen heilig.

We hebben te maken met een heilig God. En die heilige God eist alle eer op. Hij wil dat de priester zich heiligt. Als er één is die heilig moet leven, dan is het wel de priester, want hij verricht de dienst bij God. Alles wat dicht bij God komt moet heilig zijn. Weest heilig, want Ik ben heilig. Ik heilig u. Dus het gaat van God uit. Maar God weet dat er heel veel onheiligheid is en daarom maakt Hij deze regels. De priester mag zich niet ontheiligen door een dode aan te raken. Hij moet een maagdelijke vrouw nemen. Geen weduwe. Voor de priester wordt dat extra genoemd. Hij mag ook geen gebrek hebben. Dat klinkt op het eerste gezicht niet eerlijk. Kan hij er wat aan doen dat hij een gebrek heeft. Neen, natuurlijk niet, maar het lijkt wel of God wil zeggen, een handi­cap hoort niet bij mijn schepping. In mijn heiligheid is geen handicap. Het is niet zoals Ik het bedoeld heb. Ik heb jullie geschapen naar mijn beeld. En zonder handicap. Maar de zonde is in de wereld gekomen en zo ook de dood en de handicap. De dood hoort ook niet bij mijn heiligheid. Daarom moeten jullie je niet ontheiligen met een dode. De dood is de laatste prikkel die over­wonnen moet worden.

Het is de HERE ernst om dicht bij Hem, ook zo dicht mogelijk bij het vol­maakte te leven. De HERE heiligt de gehandicapte. Hij heiligt hen in het bloed van Jezus. Juist de gehandicapte die onder de gevolgen van de zonde lijdt, mag heel dicht bij Jezus komen. Dat is toch heerlijk. Daar word je ent­housiast van. God stoot niemand af. Het feit dat de priesters geen gebrek mogen hebben, is het bewijs dat God zo snel mogelijk van alle ziekte en ellen­de af wil en dat Hij iedereen het volmaakte wil geven in zijn heiligdom. Dat is toch heerlijk. Dat geeft perspectief. Dan kan zelfs de zwaarste handicap niet in staat zijn om je van de liefde van Jezus af te houden. God is altijd bij ons. Dat is het heerlijke. Daar kunnen we mee vooruit. Daar kunnen we zelf soms niet veel van begrijpen. We begrijpen wel, dat we geboren worden om te sterven. Al hoort dat niet bij het leven. De een sterft jong en de ander oud. De een heeft dit en de ander dat. Er is altijd wat. We zitten vol met vragen en we krij­gen maar geen antwoord. Geen wonder dat er zoveel mensen zijn, die hele­maal niets van God begrijpen. Als er dan een God is dan kan Hij daar toch ook iets aan doen. Waarom doet Hij het niet? En als Hij het dan niet doet, dan geloof ik er ook niets van. Ze zien wel al die gelovige mensen, maar die lopen een drogreden na, die maken zich iets wijs.

Zo zit de wereld vol met vragende, klagende, lijdende mensen. Wat is er niet een verdriet? De dood slaat overal en altijd toe. We zijn ook zo maar aan het einde van ons verstand. Dat er meer is krijgen we niet in ons kleine hersenpan­netje, ook al doen we nog zo ons best. Hoe is het mogelijk dat bloemen boven de grond komen en bomen uitbotten? Hoe is het mogelijk? Het is als Job. Wat was hij geslagen en wat hebben ze zitten redeneren. Job ook. En wat had hij niet een redenen. Hij was een rechtvaardig man. En kijk nou eens. Dan moet je toch wel iets verkeerd gedaan hebben Job, anders kan het niet. En God komt aan het einde na al dat geredeneer van Job en zijn vrienden niet met een oor­deel of een beschuldiging. Hij stelt maar één vraag: Job heb jij soms de kroko­dil gemaakt? Nee, natuurlijk niet. Job begrijp jij hoe het nijlpaard in elkaar zit? Nee, natuurlijk niet. Nou dan. Waarom ben je dan zo eigenwijs om te pro­beren om Mij te begrijpen met je verstand? Kan de pot soms tegen de potten­bakker zeggen hoe de pot moet worden? Neen het is andersom. Ik ben de pot­tenbakker en jij bent het leem. En ik kneed de pot zoals Ik weet dat het het beste voor je is. Maar God, waarom… ? En daar gaan we weer. We zitten zo weer te redeneren. En dat is ook zo begrijpelijk. Waarom ook dit en waarom ook dat? Job, blijf maar dicht bij Mij. Ik ben je maker en Ik weet wat het is om te moeten leven met een gebroken wereld. Zo is het van de aanvang niet ge­weest. Je ziet het aan een pasgeboren baby. Dat is toch van God. Dat is toch onvoorstelbaar mooi. En toch sterven er baby’s en er zijn mismaakte baby’s. Daar kun je toch nooit mee klaar komen. God lijdt er het meest aan. Want Jezus zei, kom niet aan de kinderen, want dan kom je aan Mij. Kinderen zijn geboren aan het hart van God. Zou God er dan niet het meeste om lijden? Hij voert de grote strijd met de tegenstander, de duivel, die niets anders probeert dan te roven, te stelen en te moorden.

Geloof je niet in de duivel? Kijk maar om je heen. Wat een ellende er wordt gemaakt. God heeft beloofd dat alles weer hersteld zal worden, zoals het in het paradijs was. Er stond een kruis. Want ook mijn zonde, en wie zondigt niet, moet verzoend worden. Dat kunnen we zelf niet. Dat weet God heel goed. Hij zond zijn Zoon naar deze wereld om te lijden en te sterven, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Zo lief had Hij de wereld. Gelooft u dat? Dat is ook niet te geloven. Dat kan alleen maar van boven komen. En het komt dan ook van boven van de heilige God, die vanuit de hemel meelijdt met het lijden van de mensheid en zegt: kom maar tot Mij als je vermoeid en belast bent. Kunt u het niet geloven? Het is ook niet te geloven. Het komt je toe. Hoe? Stel je open. Lees de Bijbel en bid dat God ook in je leven wil komen. Het zijn de woorden van God die je leest. En wat God zegt en belooft dat doet Hij ook. Het geheim is dat Hij in je hart en leven komt. Daarna, als je terugkijkt, dan vraag je je verbaasd af hoe het mogelijk is dat je zo’n vanzelfsprekende waarheid niet eerder gezien hebt. Want het is zo simpel. Je bent maar één omdraai van God verwijderd. De Bijbel staat vol met mensen die je voorgingen en van mensen die de verkeerde keus maakten. De Bijbel is een openhartig eerlijk boek.

Dit moment is het begin van de rest van je leven. Nu is het moment om te kiezen. Misschien komt zo’n moment wel nooit meer terug. Waarom zou je je deze kans laten ontnemen? Je hebt zelf kunnen zien dat er bij anderen die je voorgingen veel zegen aan verbonden is, zelfs in momenten dat het hen ook niet zo voor de wind ging. HERE, wil helpen die stap te doen. Het is heerlijk om te weten dat God ook het willen en het werken in je werkt, zodat er hele­maal niets is waar je prat op kunt gaan, alsof jou de eer toekomt, dat je mag behoren tot het hemels leger van God op weg naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waar gerechtigheid is en waar we allen zullen terug zien die ons in de HERE zijn voorgegaan. Glorie voor zijn Naam. Lees je Bijbel. Maar pas op! De Bijbel leest jou, pakt jou en je bent voor je leven niet meer dezelfde. Je bent opgenomen in het eeuwig plan van God. Je hebt eeuwig leven gekregen. Glorie voor zijn Naam.

Leviticus 22:1-33

4 september [1]

22:3

terwijl zijn onreinheid nog aan hem is, die zal van voor mijn aangezicht uitgeroeid worden:…

22:9

opdat zij deswege geen zonde op zich laden en daardoor sterven, omdat zij dat ontheiligd hebben: Ik ben de HERE, die hen heilig.

22:13

maar geen onbevoegde zal daarvan eten.

22:19

het moet, zo gij welgevallig wilt zijn, gaaf wezen,…

22:20

Niets dat enig gebrek heeft, zult gij offeren;…

22:22

Wat blind is of gebroken…

22:27

Wanneer een rund of schaap of geit geboren wordt, dan zal dat zeven dagen bij zijn moeder blijven, maar van de achtste dag af en daarna zal het als een gave de HERE ten vuuroffer welgevallig zijn.

22:31

Neemt dan mijn geboden nauwgezet in acht: Ik ben de HERE.

22:32

En ontheiligt mijn heilige naam niet, zodat Ik geheiligd worde in het midden der Israëlieten: Ik ben de HERE, die u heilig,

22:33

die u uit het land Egypte deed trekken, opdat Ik u tot een God zou zijn: Ik ben de HERE.

Ja dat spreekt ook voor zichzelf. De priester moet zich er ook voor wachten offers aan te nemen van mensen die onrein zijn. Die mensen moeten niet met een offer komen maar eerst zorgen dat ze rein zijn. En als de priester het merkt, dan moet hij maatregelen nemen. Het komt er nauwgezet op aan. En dat spreekt vanzelf. Want we hebben te maken met een heilig God. Dus het is normaal dat we zorgen dat we heilig en rein voor Hem verschijnen. Daar moet de priester op toezien. God neemt het echt heel ernstig.

Alles wordt tot in detail geregeld en daar moet je je aan houden anders haal je de vloek over je heen. Wie mag er wel mee-eten en wie niet. Is de dochter getrouwd met iemand niet van het priestergeslacht dan mag ze niet mee-eten. Maar wordt ze weduwe of verstoten dan mag ze wel weer mee-eten. Aan het offer mag ook niets mankeren. Het moet een gaaf offer zijn. Spreekt ook van­zelf, want wat willen we nu? Willen we de HERE een half offer geven? Niet het beste geven van wat we hebben? Daar kan geen zegen op rusten. We komen dat in Maleachi ook weer tegen. En dat is een ernstige zaak. Hoe kun­nen we nu God afschepen met een tweederangs offer? Het wordt hier in detail beschreven. Het mag dus niet. Want Ik ben de HERE, die hen heilig. Als je er goed over nadenkt spreekt het allemaal vanzelf. Je wilt toch ook niet de konin­gin met vuile handen tegemoet treden. Je doet toch je beste pak aan. Nou dat geldt dan toch zeker ook voor de HERE God? Voor Hem nog veel meer. Hoe halen we het in ons hoofd om de HERE God zo te krenken? Wat maken we er toch vaak een potje van. God staat vaak op de tweede plaats of nog verder achter in de rij. Of helemaal nergens. Nou dat neemt de heilige God niet. Daar doen we bovendien onszelf ontzettend mee tekort. Daardoor komen we in moeilijkheden. Daar kan niet anders dan verloedering, afval en oordeel op volgen. Geen geklets. Recht toe recht aan. De HERE is heel concreet en daar mogen we blij mee zijn. Dan weten we tenminste wat we er aan hebben.

Neem deze geboden nauwgezet in acht. Ik ben de HERE. En ontheiligt mijn heilige naam niet. Zodat Ik geheiligd kan worden in het midden der Israëlie­ten: Ik ben de HERE, die u heilig, die u uit het land Egypte deed trekken, op­dat Ik u tot een God zou zijn: Ik ben de HERE. De HERE heiligt ons. En niet andersom. Het is zijn genade. Zijn liefdesoproep. Zijn wil, zijn weg. Hij heiligt ons want Hij is heilig. Hij wil bij ons wonen. Hij heeft zijn volk uit Egypte doen optrekken, omdat Hij hun God wilde zijn. Daarom moeten we God liefhebben en naar zijn geboden wandelen. En dan zullen we het goed hebben. Want bij de HERE schuilen is de beste plaats die we ons kunnen bedenken. Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, vernacht in de schaduw van de Almachtige, lezen we in Psalm 91. Heerlijk toch. Dank U, HERE God. Dank U wel, want het is waar. Het is goed toeven bij U. U wil ik eren en loven. Dank U wel. Dank U wel.

Wat zijn het toch geweldige hoofdstukken. Je zou denken, wat moet ik ermee, maar het is echt goed. Dank U wel.

Leviticus 23:1-44

5 september [1]

23:2

De feesttijden des HEREN, die gij zult uitroepen als heilige samenkomsten, zijn mijn feesttijden.

23:3

Zes dagen mag arbeid verricht worden, maar op de zevende dag zal er een volkomen sabbat zijn: een heilige samenkomst; generlei arbeid zult gij verrichten, het is een sabbat voor de HERE in al uw woonplaatsen.

23:4

Dit zijn de feesttijden des HEREN, heilige samenkomsten, die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd.

23:5

In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het pascha voor de HERE.

23:6

En op de vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de HERE, zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.

23:7

Op de eerste dag zult gij een heilige samenkomst hebben; dan zult gij generlei slaafse arbeid verrichten.

23:8

Gij zult de HERE een vuuroffer brengen gedurende zeven dagen; op de zevende dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten.

23:10

Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen,

23:11

en hij zal de garve voor het aangezicht des HEREN bewegen, opdat gij welgevallig zijt, daags na de sabbat zal de priester die bewegen.

23:14

Tot op die dag zult gij geen brood,… eten,… het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.

23:15

Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn;

23:16

tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de HERE brengen.

23:17

gezuurd zullen zij gebakken worden, eerstelingen voor de HERE.

23:21

Op deze zelfde dag zult gij een oproep doen uitgaan, gij zult een heilige samenkomst hebben, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten; het is een altoosdurende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw geslachten.

23:22

Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, dan zult gij de rand van uw veld bij de oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen: Ik ben de HERE, uw God.

23:24

In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een heilige samenkomst.

23:25

Generlei slaafse arbeid zult gij verrichten…

23:27

Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en de HERE een vuuroffer brengen.

23:28

Op die dag zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van de HERE uw God.

23:31

het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.

23:32

Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen. Op de negende van de maand, des avonds, van avond tot avond, zult gij uw sabbat vieren.

23:34

Op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor de HERE, zeven dagen lang.

23:35

Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten.

23:36

Zeven dagen zult gij de HERE een vuuroffer brengen; op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben en de HERE een vuuroffer brengen; het is een feest, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten.

23:39

Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest des HEREN vieren; op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal er rust zijn.

23:40

Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HERE, uw God, zeven dagen lang.

23:41

Gij zult het als een feest des HEREN vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.

23:42

In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen,

23:43

opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde: Ik ben de HERE, uw God.

23:44

Zo maakte Mozes de feesttijden des HEREN aan de Israëlieten bekend.

Dat is duidelijk. De feesten zijn de feesttijden des HEREN. Het zijn míjn feesttijden, zegt Hij. In dit hoofdstuk worden ze duidelijk omschreven. De data staan erbij, de duur en wat er moest gebeuren.

De Sabbat is de eerste in de serie feesttijden die genoemd wordt. Dat moet dus ook een feest zijn.

Daarna volgt het Pascha. Dat herinnert aan de uittocht uit Egypte en wordt vandaag nog gevierd. Vreemd dat het Pascha bij de Joden op de oorspronke­lijke data gevierd wordt en dat de gelovigen uit de volkeren het op een andere tijd vieren. Dat klopt toch niet. Er staat toch nergens dat we de datum moeten veranderen. Vreemd. Waar zou dat nu weer vandaan komen? We moeten er de kerkvaders maar eens op na slaan. Er was vanaf het begin strijd tussen de gelovigen uit de Joden en uit de heidenen. Het zal wel alles te maken hebben met de vergeestelijkingstheorie die tot op vandaag nog zeer weerbarstig stand houdt in kerk en kring. En wee je gebeente als je eraan komt. We hebben toch ook de zondag gemaakt in plaats van de sabbat. Waar staat dat? Wie heeft dat bedacht? Waarom niet gewoon de sabbat de sabbat laten. Dat deed de HERE Jezus toch ook. Slaat nergens op.

Tussen Pasen en Pinksteren zitten vijftig dagen. Dat is het feest van de eerste­lingen. Dan is er weer feest. De HERE gewijd. En je zult bij de oogst niet alles afromen. Je laat een rand zitten, dat is voor de arme en de vreemdeling. Die help je daarmee. Het wordt telkens weer opnieuw genoemd. De arme en de vreemdeling hebben een legitieme plaats in het land. De HERE zorgt daar­voor. En wij hebben Hem te gehoorzamen. Waar zou je het mee kunnen verge­lijken? Denk over het armoedeprobleem.

En dan het feest van de Bazuinen, het blazen van de shofar. Vervolgens de grote Verzoendag. Dat is een dag van vasten en verootmoedigen. Dan moeten we onze zonden de HERE belijden. Dat was een grote dag. Je moet het vieren. En wie denkt dat hij het niet hoeft te doen moet uit het volk uitgeroeid wor­den. Het is op de tiende van de zevende maand. Hoe zit het eigenlijk met de grote Verzoendag? Vieren wij die nog? Nee dus! Hoe durven we?

Op de vijftiende van de zevende maand begint het Loofhuttenfeest. Het Loof­huttenfeest, nooit van gehoord in onze kerkelijke traditie. Maar waar staat dan dat deze afgeschaft moet worden? En, waarom vieren wij het niet met de Joden mee? Wij zijn toch geënt op de stam? Wij zijn toch één met zijn volk? En ook de Here Jezus heeft toch nergens bevolen dat de Verzoendag en het Loofhut­tenfeest moesten worden afgeschaft? We zitten helemaal fout. Het slaat ner­gens op. Op die vijftiende dag dan vieren we zeven dagen feest want dan wordt de oogst binnengehaald. En op de achtste dag is er rust. Op de eerste dag nemen ze palmtakken en twijgen en wuiven ermee. Dan zitten ze in de eerder gemaakte loofhut. Want ze zullen zich herinneren hoe ze in hutten hebben gewoond, toen de HERE ze uit Egypte geleid heeft. Het is een her­innering. Het was ook niet niks. Ze hebben 430 jaar in Egypte gewoond, voor­dat ze er met de sterke hand des HEREN uitgeleid zijn. Ze zijn vrolijk voor het aangezicht des HEREN. Het is ook om vrolijk te zijn, want de HERE heeft hen uitgeleid. De HERE geeft hen de oogst. De HERE geeft hen het land. Het is feest. Het is het Loofhuttenfeest. Dat moeten we toch vandaag ook vieren?

We zijn de betekenis van de feesten kwijtgeraakt en zien niet meer hoe ze allemaal profetisch naar Jezus Messias wijzen. Wat zijn we toch veel van de profetie verloren. Het is goed om ons daar weer eens in te verdiepen. Het is een zegen om het Woord van God te bestuderen. Wat heb­ben we toch veel laten zitten. We moeten weer veel meer het bijbellezen bevorderen. Daar een actie van maken. Een bijbelstudieactieplan. Prijs de HERE. De HERE is groot. Dank U HERE voor zoveel liefde en zoveel zegen en zoveel vreugde. Het kan niet op. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Glorie voor zijn Naam.

Leviticus 24:1-23

6 september [1]

24:2

om voortdurend een lamp te laten branden.

24:3

voor het aangezicht des HEREN. Het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten.

24:5

En gij zult fijn meel nemen en daarvan twaalf koeken bakken,…

24:6

gij zult ze op twee stapels leggen,…

24:7

Gij zult zuivere wierook op elke stapel leggen;…

24:8

Elke sabbatdag zal hij dat steeds opnieuw gereed maken…

24:10

kregen in de legerplaats twist.

24:11

En de zoon van de Israëlitische vrouw lasterde de Naam en vloekte;

24:14

daarna zal de gehele vergadering hem stenigen.

24:17

Ook wanneer iemand enig mens doodslaat, zal hij zeker ter dood gebracht worden.

24:20

breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; hetzelfde letsel, dat hij een mens heeft toegebracht, zal hem toegebracht worden.

Het gaat verder. Er brandt in het heilige altijd een olielamp. Dag en nacht. Een altoosdurende inzetting. En er liggen ook altijd twaalf koeken in twee stapels van zes koeken met zuivere wierook daarin. Het is een verbond met God voor altoos. Elke sabbat zullen er nieuwe gelegd worden. Na die week zullen de priesters ze eten in de tent der samenkomst. Eten met God. Dat is het Avond­maal ook. Wat een verbondenheid. Wat een verbond. Het is Gods genade. Prijs de HERE. We kunnen er niet genoeg van krijgen. God doet alles om het maar goed te maken tussen Hem en ons. We denken zo vaak: o, al die geboden en al die inzettingen, dat is toch moeilijk en zwaar. Maar nee hoor. Het is een zegen. Het is licht. Het is heel dicht bij je. Het is in je hart. Om ze te doen. Wat een zegen. Wat een genade. De geboden zijn gegeven om juist dicht bij God te blijven. Het is verschrikkelijk om er vanaf te wijken. Wat voor gebod ook, het is een gebod ten leven. Je kunt kiezen. Maar van Gods kant klinkt er de voortdurende oproep: Kies dan het leven, opdat je leeft! Deuteronomium 30 is heerlijk om te lezen. God houdt je beide voor. Je kunt het zelf zien. Maar de oproep is: kies dan het leven! Heerlijk. Wat een voorrecht. Het is geweldig. Prijs de Heer.

Dan komt de vloek. Er is een twist en iemand spreekt een vloek uit. Lastert de Naam. Wat moet er gebeuren? De vloeker gaat in verzekerde bewaring. De uitspraak is: breng hem buiten de legerplaats, en stenig hem. Nou, nou. Dat is nogal wat. Op vloeken staat de doodstraf. Dat is zware taal. Maar wat wil je ook? De Naam van de Heilige lasteren. God de Almachtige. En Hem vloeken, dan haal je toch het oordeel over je heen? Dat doe je toch zelf? Het is ver­schrikkelijk. Wat een toestand. Maar het is duidelijk. Vloeken komt van de duivel. God lasteren, dan haal je de doodstraf over je. Dat kan op korte termijn zoals hier, maar ook op langere termijn. Bekeer je. Stop ermee. Blijf dicht bij Jezus, want het oordeel ligt op de loer. Pas op.

Als je iemand doodt, dan moet je ook ter dood gebracht worden. En het is oog voor oog, tand voor tand, breuk voor breuk. Hetzelfde letsel, dat jij een mens toebrengt, moet ook aan jou worden toegebracht. Dat is nogal wat. Sla jij iemand een tand uit zijn mond, dan moet jij ook een tand uit je mond geslagen worden. Dat is een vreemde zaak. En sla je iemand een armbreuk dan wordt jouw arm ook gebroken. Zou Jezus dat bedoelen? Zelfs niet meer oog om oog en tand om tand, dat we niet ook een oog of een tand moeten uitslaan, maar vanuit de liefde de andere wang toekeren, niet om daar ook op geslagen te worden, maar om de wraak om te draaien. Keer je iemand de wang toe, dan haal je de angel eruit en kan er vrede ontstaan en kan de liefde opbloeien.

Je ontdekt toch ook van alles, als je deze boeken leest. Wat is het toch eigen­lijk dom om de Bijbel niet te lezen. Gewoon weer doen. God wil je helpen. Hij komt naar je toe in zijn Woord. Het is feest als je ontdekt wie God is en hoe Hij, in zijn grote liefde, je wil helpen om op de weg te blijven.

Leviticus 25:1-28

7 september [1]

25:2

Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

25:3

Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen,

25:4

maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de HERE: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien.

25:5

het zal een jaar van rust voor het land zijn..

25:6

De sabbatopbrengst van het land zal u tot voedsel zijn:…

25:8

Voorts zult gij u zeven jaarsabbatten tellen, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarsabbatten negenenveertig jaren zijn.

25:9

Dan zult gij bazuingeschal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand; op de Verzoendag zult gij de bazuin doen rondgaan door uw ganse land.

25:10

Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren.

25:11

Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor u zijn, dan zult gij niet zaaien, en wat dan vanzelf opkomt zult gij niet oogsten en dan zult gij de ongesnoeide wijnstok niet aflezen.

25:13

In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen.

25:14

Wanneer gij iets aan uw volksgenoot verkoopt of iets van hem koopt, dan zal de een de ander niet benadelen.

25:15

Rekening houdend met de jaren na een jubeljaar, zult gij het van uw volksgenoot kopen; rekening houdend met de oogstjaren zal hij het u verkopen.

25:16

Bij een groter aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding hoger stellen; bij een geringer aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding lager stellen: want het getal der oogsten verkoopt hij u.

25:17

Gij zult elkander niet benadelen, maar voor uw God vrezen, want Ik ben de HERE, uw God.

25:18

dan zult gij veilig wonen in het land.

25:19

En het land zal zijn vrucht geven, zodat gij tot verzadiging eet en daarin veilig woont.

25:21

dan zal Ik mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden, dat het u een opbrengst geve voor drie jaren.

25:22

In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten,…

25:23

En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij.

25:24

In het gehele land, dat gij in bezit hebt, zult gij lossing voor het land toestaan.

25:25

Wanneer uw broeder verarmd is en iets van zijn bezitting heeft moeten verkopen, dan zal zijn naaste bloedverwant als losser optreden, en hij zal loskopen wat zijn broeder heeft moeten verkopen.

25:26

Wanneer iemand geen losser heeft, maar zijn vermogen wordt toereikend, zodat hij verwerft, wat hij voor lossing nodig heeft,

25:27

dan zal hij de jaren sinds de verkoop in rekening brengen, en wat nog overblijft de man terugbetalen aan wie hij het verkocht heeft, opdat hij zijn bezitting terugkrijgt.

25:28

Maar indien hij niet verwerft wat nodig is, om hem terug te betalen, dan blijft wat hij verkocht heeft, in het bezit van hem die het gekocht heeft, tot het jubeljaar: maar in het jubeljaar zal het vrijkomen, en hij zal zijn bezitting terugkrijgen.

Het land is van de HERE. Het land is niet van de mensen. Het eigendom ligt bij de HERE. Wij moeten het land dus niet uitputten. Daarom is het zevende jaar een sabbatsjaar. Dan zal het land rusten. Dan zul­len de wijnranken niet worden gesnoeid. Het land zal ook niet geoogst wor­den. De mensen zullen eten van de vorige oogst, want die zal meer opbrengen. Zelfs voor het jaar daarna, want die oogst komt pas aan het einde. Dat is interessant. Dat is een ritme waar God voor zorgt, als wij ons aan zijn geboden houden. Daar moest Israël zich aan houden. En het is niet alleen goed voor het land, maar ook goed voor de men­sen. Waarom zou de HERE God dit hebben ingesteld? Heeft het iets te maken met de bodemgesteldheid? Is dit natuurkundig nodig om het land te dienen?

Deze regelmaat van sabbatsjaren moet ook bijgehouden worden. Wanneer is het nu een sabbatsjaar bijvoorbeeld? We hebben het wel eens over iemand die een sabbatsjaar neemt. Hij neemt dan rust en gaat zich bezinnen op iets an­ders. We hebben ook de sabbat. Toen rustte de HERE God. En wij mogen, moeten ook rusten. Is er nog rust vandaag? Neen, we jakkeren maar door. We laten ons hoofd niet tot rust komen. We moeten daar verandering in brengen. We moeten de tijd nemen om de HERE God tot ons te laten spreken. En dat valt niet mee. Want we zijn helemaal verrationaliseerd. We hebben de zaak de zaak gelaten. We hebben God naast ons gezet. We treden zijn geboden met de voeten. De sabbat en het sabbatsjaar zijn scheppingsgeboden. Het zijn mo­menten dat de HERE ons en ons land in de rust wil hebben. We kunnen ons dan bezinnen waar we mee bezig zijn. Want Hij weet dat we in het zweet ons aanschijns ons brood verdienen. Als Hij deze geboden niet gegeven had dan zouden we gewoon zeven dagen per week doordraaien. Zo zitten we in elkaar. Al zou het alleen maar zijn om meer geld te krijgen. Want de zucht naar geld is de wortel van alle kwaad. Dank U HERE God dat U deze dagen van rust voor volk en land hebt ingesteld.

Verder lezen we over het jubeljaar. Dat is na zeven maal zeven sabbatsjaren, dus in het vijftigste jaar. Dan zal je met sjofargeschal rondgaan op de tiende van de zevende maand, dat is dus op de grote Verzoendag. Dan zal het land terugkomen aan de oorspronkelijke eigenaar. Je kunt het land verkocht heb­ben. Je kunt het kwijtgeraakt zijn door verarming of om wat voor reden ook. Maar in het jubeljaar komt het land weer terug aan de oorspronkelijke eige­naar. De waarde van het land in die tussentijd wordt dan ook afgemeten aan het aantal oogsten in die tussentijd. Naarmate het jubeljaar dichterbij komt, is het land minder waard en in het jubeljaar wordt het gewoon teruggegeven.

Zelfs tussen de jubeljaren in zal het land niet altijd verkocht blijven. Als je verkocht land niet zelf kunt terugkopen, dan moet je naaste het lossen. En als je al genoeg geld vergaard hebt, dan kun je het zelf kopen. Dit was de basis van de economie van het land. Het was een puur agrarische samenleving in die dagen. Dus dit jubeljaargebod was de kern van het economisch reilen en zei­len van het land. Er kon dus geen verarming optreden. Het kwam altijd weer aan de oorspronkelijke eigenaar terug. Het kwam dus weer in handen van de stam en de stamhouder, zoals de HERE God het land verdeeld had. Een inte­ressant economisch principe. Niet zo vreemd ook. Want de HERE zegt het land is niet van jullie, maar van Mij. En Ik heb jullie lief. Ik zorg ervoor dat iedereen aan zijn trekken komt. Dat wil dus zeggen, dat je niemand mag uitbuiten. Dat staat er dan ook een aantal malen. Je moet een redelijke prijs bedingen bij koop en verkoop. Je moet intussen niet op woeker uit zijn. Je gaat ook geen rente vragen. Je berekent de prijs die redelijkerwijs in verhou­ding staat tot de afstand van het jubeljaar. Het is interessant om dit eens heel concreet toe te gaan passen, om te zien waarover je het hebt als het gaat om de prijzen voor je levensonderhoud.

Voor vandaag is het belangrijk om te weten dat ook ons land niet van ons is maar van de HERE God. En net zoals de HERE God de zegen wil uitspreken over het land en over de mensen op het land, is het erg belangrijk om te zorgen dat ons economisch systeem beheerst wordt door het rechtvaardigheidsprin­cipe. Maar wat zien we? We zien een op het eigen ik gericht economisch prin­cipe van de “survival of the fittist”. Als jij kans ziet om de ander af te troeven, dan moet je het niet laten. We zien een economische samenballing van macht rondom geld. Wie arm is wordt nog armer en wie rijk is wordt nog rijker. Daar waar het ongebreidelde kapitalisme doordringt, daar is de barm­hartigheid en de liefdadigheid zoek. En dat zien we alom om ons heen. De helft van de wereldbevolking leeft in armoede, of eigenlijk nog meer en de rest van de wereld doet alsof al de welvaart hen behoort. Dat is je reinste on­rechtvaardig­heid en dat slaat nergens op. We moeten terug naar het principe van het sab­batsjaar en het jubeljaar. De grond behoort de HERE. Dus de grond behoort niet een aantal woekeraars die geld op geld en grond op grond verzamelen. Dat slaat nergens op. Het is geen enkel probleem om het recht­vaardigheids­principe ook vandaag toe te passen, want het is duidelijk dat dan iedereen er beter van wordt. God is goed. Dit onderwerp is niet geliefd in de kerken. We doen er zelf volop aan mee. We doen natuurlijk iets aan hulpver­lening via onze projecten, maar er is geen fundamentele bezinning hoe we wereldwijd onze welvaart kunnen delen. Het principe is heel eenvoudig. Abraham hoefde niets van zijn rijkdom in te leveren, maar hij wist wel dat er geen armen mochten zijn. Het gaat erom waar zet je je hart op. Delen van je rijkdom.

Leviticus 25:29-55

8 september [1]

25:29

Wanneer iemand een woonhuis verkoopt in een ommuurde stad, dan zal het recht van lossing duren tot er een jaar na de verkoop verstreken is; een jaar zal het recht van lossing duren.

25:30

in het jubeljaar zal het niet vrijkomen.

25:31

De huizen echter in de dorpen, waar geen muur om is, zullen bij het akkerland gerekend worden, daarvoor zal wel recht van lossing zijn en in het jubeljaar zullen zij vrijkomen.

25:32

de Levieten zullen een altoosdurend recht van lossing hebben.

25:34

En het weideland bij hun steden zal niet verkocht worden, want dat is hun altoosdurend bezit.

25:35

Wanneer uw broeder verarmt en zich bij u niet meer staande kan houden, dan zult gij hem – vreemdeling en bijwoner – ondersteunen, opdat hij bij u in het leven blijve.

25:36

Gij zult geen rente of winst van hem nemen, maar gij zult voor uw God vrezen, opdat uw broeder bij u in het leven blijve.

25:37

Gij zult hem uw geld niet op rente geven, noch uw voedsel tegen winst.

25:38

Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte hebt geleid, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zou zijn.

25:39

Wanneer uw broeder verarmt bij u en zich aan u verkoopt, dan zult gij hem geen slavenarbeid laten verrichten.

25:40

Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u arbeiden.

25:41

Dan zal hij van u weggaan, hij met zijn kinderen, en naar zijn geslacht terugkeren en hij zal het bezit zijner vaderen terugkrijgen.

25:42

Want zij zijn mijn knechten, die Ik uit het land Egypte heb geleid: zij zullen niet verkocht worden, zoals men een slaaf verkoopt.

25:44

Doch uw slaaf of slavin, die gij houdt, zullen zijn uit de volken rondom u; uit hen zult gij een slaaf of een slavin kopen.

25:48

één van zijn broeders mag hem loskopen;…

25:50

Dan zal hij samen met zijn koper een berekening maken van het jaar af, dat hij zich aan hem verkocht, tot het jubeljaar,…

25:54

Maar indien hij op deze wijze niet gelost wordt, dan komt hij in het jubeljaar vrij, hij met zijn kinderen.

25:55

Want de Israëlieten zijn Mij tot knechten: mijn knechten zijn zij, die Ik uit het land Egypte heb geleid; Ik ben de HERE, uw God.

Het stukje van vandaag begint met de lossing, dat is het terugkopen, van huizen. Een huis in een ommuurde stad, als die verkocht wordt, dan blijft het recht tot lossing slechts tot een jaar na de verkoop. Wordt het niet gelost dan blijft het huis in eigendom van de koper en ook in het jubeljaar komt het huis niet terug. Dit geldt niet voor een huis op het land. Een huis op het land be­hoort tot de grond en komt met het jubeljaar weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar. En de huizen van de Levieten blijven altijd hun eigendom, zij hebben een altoosdurend recht op lossing.

De HERE hecht er heel veel waarde aan hoe je met elkaar omgaat in finan­ciële zin. Hij weet hoe de mens is en hoe geld je te pakken kan hebben. Het is kort en krachtig. Je moet zorgen dat je broeder bij jou niet verarmt. Je mag hem het vel niet over de neus halen. Jij moet zorgen dat hij bij jou in leven blijft. Dus is er armoede of hongersnood, dan deel je met elkaar wat je hebt.

Dus als je een broeder in dienst hebt die zich aan jou verkocht heeft, dan moet je hem niet hard behandelen. Je mag hem geen slavenarbeid laten doen. En als hij niet eerder gelost is, dan komt hij in het jubeljaar weer vrij. Slaven koop je uit de omliggende volken. Die worden, met hun kinderen, je bezit. En die ver­erven ook aan je nageslacht. Maar je broeders die hebben het recht van lossing en die komen vrij in het jubeljaar. En dat alles omdat de HERE God hen uit Egypte geleid heeft en Hij hen in de vrijheid geleid heeft. Hij wil niet dat ze als slaven door het leven gaan. De berekening die je maakt bij lossing is afhanke­lijk van het aantal jaren dat je van het jubeljaar af bent. Als je er veel jaren vanaf bent, dan wordt het bedrag hoger. Ben je dicht bij het jubeljaar dan wordt de prijs van lossing lager, want je bent dan bijna vrij. De prijs is de waarde van het aantal jaren arbeid tot het jubeljaar. En in het jubeljaar kom je vrij. Dan ga je met je kinderen terug naar je eigen bezitting.

Zo wordt zorg gedragen dat er niemand verarmt en dat de eigendommen blijven zoals de HERE het oorspronkelijk bedoeld heeft. Een goede zaak, want als dat niet zo geregeld was dan moet je maar afwachten hoe wij elkaar in financiële zin afmaken. Het is verschrikkelijk om te zien hoe we vandaag aan de dag de mensen, in de wereld uitbuiten. Een klein aantal heeft veel geld en vergaart steeds meer en een groot aantal heeft nauwelijks iets en krijgt steeds minder. De armen worden armen en de rijken worden rijker. En zoals het mondiale financiële systeem er nu uitziet, komt daar ook nooit verandering in. Dat staat namelijk haaks op het principe van God, zoals dat hier wordt be­schreven. Wij laten de medemensen zonder blikken of blozen verarmen. En naast onze fooi doen we er ook nauwelijks iets aan. We zijn een ongebreideld kapitalisme gaan aanhangen, zonder ons te bekommeren over de armen in ons en andere landen. Natuurlijk wel in de marge met allerlei hulpprojecten en gelukkig zijn die er, maar fundamenteel economisch komt er geen verande­ring. Dat kan evenwel wel, want als we onze mogelijkheden van ontwikkeling gebruiken om de armen te helpen, dan kan er een ontzettend grote stap voor­waarts worden gezet. Het is een bijbels principe om deze kant op te gaan. Doen we het niet dan hebben we een diep geestelijk probleem, omdat we de armen niet op ons hart hebben. God neemt dat niet! Hij zal ze steeds weer op onze weg brengen.

Dank U, HERE God, dat U het zo duidelijk aan ons voorhoudt. We kunnen er niet omheen. Help ons om de weg in te slaan om hier fundamenteel een bijbelse verandering tot stand te brengen zodat we veranderingen gaan zien.

Leviticus 26:1-46

9 september [1]

26:1

Gij zult u geen afgoden maken; een gesneden beeld noch een gewijde steen zult gij u oprichten; ook een steen met beeldhouwwerk zult gij in uw land niet zetten, om u daarvoor neder te buigen, want Ik ben de HERE, uw God.

26:2

Mijn sabbatten zult gij houden en mijn heiligdom ontzien, Ik ben de HERE.

26:4

dan zal Ik u te rechter tijd uw regens geven,…

26:5

gij zult uw brood eten tot verzadiging en veilig in uw land wonen.

26:6

En Ik zal vrede in het land geven,…

26:7

En gij zult uw vijanden vervolgen,…

26:8

en honderd van u zullen tienduizend achtervolgen,…

26:9

u vruchtbaar doen zijn en u talrijk maken,…

26:12

maar Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn.

26:18

En indien gij desniettegenstaande niet naar Mij luistert,…

26:23

en u tegen Mij blijft verzetten,…

26:25

dan zal Ik de pest onder u zenden…

26:26

en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.

26:30

en Ik zal een afkeer van u hebben.

26:31

Uw steden zal Ik tot een puinhoop maken…

26:33

Maar u zal Ik onder de volken verstrooien en Ik zal achter u het zwaard trekken, en uw land zal een woestenij zijn en uw steden een puinhoop.

26:34

dan zal het land rusten en zijn sabbatsjaren vergoeden.

26:35

Al de tijd der verwoesting zal het rusten, de rust die het niet gehad heeft gedurende uw sabbatsjaren, toen gij daarin woondet.

26:38

En gij zult onder de volken te gronde gaan, en het land uwer vijanden zal u verteren.

26:39

en ook vanwege de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij, evenals dezen, wegkwijnen.

26:41

en boeten zij dan hun ongerechtigheid,

26:42

dan zal Ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaäk en ook mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken.

26:44

Maar ook zelfs, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken: want Ik ben de HERE, hun God.

26:45

Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volkeren uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE.

Geen afgoden zult gij maken. Geen gesneden beelden. De sabbatten zult gij houden en mijn heiligdom ontzien. En als je mijn geboden houdt, dan zal Ik je zegenen. Dan komt er zegen. Dan zullen de oogsten komen. Dan geef Ik je vrede. Dan zul je over­winningen behalen, die onmogelijk lijken. Honderd van u zullen tienduizend achtervolgen. Nou dat kan toch niet. Maar bij God kan het wel. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Hij zal je vruchtbaar doen zijn. Kinderen komen van de HERE. Let op. Het is geen vanzelfsprekende zaak. God wil midden tussen de mensen wonen. Hij wil ons een God zijn en Hij wil dat wij Hem een volk zijn. En dat alles omdat Hij hen uit het land Egypte geleid heeft en hun boeien heeft verbroken.

Maar…, en dan komt het. Er is een keerzijde. Als je het niet doet. Dan zal Hij je niet zegenen. Dan worden al die zegeningen omgekeerd in een vloek. En indien je ondanks de vloek die over je komt, je toch niet bekeert, dan gaat de vloek nog verder. Dan zal het land zijn opbrengsten niet geven. Je slooft je wel uit maar het leidt niet tot resultaat. Ik zal het vee uitroeien zodat uw we­gen verlaten zijn. Dan zal Ik de pest onder u zenden. Dan zal de honger ook toeslaan En als je volhardt in je zonden dan zal de HERE je zevenmaal harder tuchtigen. Dan zullen de vijanden je land veroveren en zul je aan hen uitge­leverd worden. Dan zul je weggevoerd worden en het land zal zijn sabbats­jaren krijgen, die het niet gehad heeft al de jaren dat Gods geboden niet gehouden zijn. Je zult onder de volkeren te gronde gaan. En je zult in die landen verkwijnen.

Maar, en dan komt het opnieuw, als je je zonden belijdt, dan zal Ik mijn ver­bond met Abraham, Isaäk en Jakob gedenken en Ik zal het land gedenken.

Maar ook al zijn ze in het land der vijanden, toch versmaad Ik hen niet en mijn verbond met hen zal Ik niet verbreken, want Ik ben de HERE, hun God. Maar Ik zal hun ten goede gedenken vanwege het verbond met hun voorvaderen. Want voor de ogen der volkeren heb ik hen uit het land Egypte geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE.

Keer op keer wordt dit herhaald. Het volk zondigt wel en de straf is vreselijk, maar God verlaat hen niet. Hij blijft trouw aan zijn verbond. Ze worden wel vervolgd in de landen waar ze naar toe gebracht zijn, maar God verlaat hen niet. Hij is trouw aan zijn verbond. Hij lijdt zelf het meeste onder de onge­hoorzaamheid van zijn volk. Maar zijn verbond is eeuwigdurend. Indien ze zich bekeren, dan keert Hij tot hen terug. Zelfs nog sterker, hoe dan ook, Hij zal zijn verbond niet verbreken want het is zijn eeuwigdurend verbond. Dus zelfs ondanks henzelf zal Hij hen gedenken. Hij heeft hen immers voor het oog der volken uit Egypte geleid om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE, hun God. Dat is de ondoorgrondelijke liefde van God. Wat Hij belooft dat doet Hij.

Wat kunnen we toch dom bezig zijn om van Hem af te dwalen, maar Hij houdt ons vast. Hij laat ons niet in de steek. Hij staat altijd klaar om ons weer op te vangen. En wat zijn beloften betreft. Hij deed die aan Abraham, Isaäk en Jakob. Die zijn eeuwigdurend. Hij komt klaar met zijn uitverkoren volk. Geen twijfel aan. Wat een God. Heilig is zijn Naam. Laten we Hem aanbidden en gehoorzamen. Doen we het niet, dan komen we slecht terecht. En we kunnen het Hem dan niet verwijten, want Hij heeft ons gewaarschuwd. We waren er zelf bij.

We vinden deze tegenstelling keer op keer in de Bijbel. God houdt ons het leven voor. God wil het goede met ons. God wil ons het eeuwige leven geven. Maar het is uitermate belangrijk dat wij zelf daar ook voor kiezen. Kiezen voor het leven. Niet kiezen voor de dood. De dood heerst in de wereld. De dood is de laatste prikkel die overwonnen wordt. De Zoon is in de wereld gekomen. De Bijbel is daar heel concreet en direct over. Met de zonde kwam de dood. De duivel is een concrete werkelijkheid. Het is niet een sprookje uit het paradijs. Het is de mensenmoordenaar van den beginne. Hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Het is degene die de tegenstander van God is. God is de Schepper. Hij wilde een tuin voor zich hebben waarin de mensen, die Hij naar zijn beeld schiep, zouden kunnen wonen en eeuwig leven. Het was fantastisch. Het was geweldig. Het was een feest. Het moet geweldig zijn geweest. Wanneer we in de morgen de zon zien opgaan, dan kunnen we ons verheugen over de grootheid van Gods schepping. Zie het bloempje, zie de leliën in het veld, zie de vogels, zie de bomen. Zie de schoonheid van de schepping. Je schiet er vol van.

God heerst over de schepping. Het is dan ook vanzelfsprekend dat God alles doet om het weer goed te krijgen. Maar zonde vraagt om verzoening. De boze, de duivel, kan alleen maar vernietigen. Hij is de boze macht in de hemelse gewesten. Daar voert God zijn strijd met de duivel. Vanuit het boek Job weten we weten hoe ver dat kan gaan. Bovendien, we weten uit de verzoeking in de woestijn, dat hetgeen de duivel aanbiedt, hij ook geven kan. Maar Jezus blijft bij zijn Vader. En daar ligt ook ons geheim.

Temidden van alle verleidingen, temidden van alle aanvallen, temidden van alle vragen, moeten we heel dicht bij de Here Jezus blijven en dat staat in Hebreeën 11 en 12. We lezen daar van de geloofsgetuigen. We moeten ons oog gericht houden op Jezus. Als er één is die tegenspraak heeft ontvangen, dan is het Jezus. We moeten dus op Hem zien, dan komt het goed. Hij gaf zijn leven. Hij heeft geleden voor ons, voor mij. Hij nam de zonde weg. Wat een genade. God heeft ons zo lief, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leve hebbe. Er is de vloek, maar God wil de zegen geven. Lees het ook in Deuteronomium 30. Heerlijk. Het is niet te moeilijk. We hoeven er niet voor naar de overkant van de zee. Het is heel dicht bij u in uw mond en in uw hart. En daar ligt de kern. Ons hart laten vullen met de liefde van God. Dan gaat het goed. dan zijn we op Hem en op de naaste gericht. Dan willen we God liefhebben met geheel ons hart, geheel ons verstand, geheel onze wil en met al onze krachten. En dan is het tweede gebod: je naaste liefhebben als jezelf. Het is het allermooiste wat je een mens kunt aanbieden. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Leviticus 27:1-34

10 september [1]

27:2

Wanneer iemand een gelofte aflegt, naar uw schatting van personen voor de HERE,

27:3

dan zal uw schatting zijn voor iemand van het mannelijk geslacht van twintig tot zestig jaar, – …

27:7

Indien het iemand is van zestig jaar of daarboven, indien het iemand van het mannelijk geslacht is, dan zal uw schatting zijn vijftien sikkels,…

27:8

Maar indien hij te arm is om uw schatting te betalen, dan zal men hem voor de priester stellen, en de priester zal hem schatten;…

27:9

En indien het vee is, waarvan men de HERE een offergave brengt, dan zal alles wat men daarvan de HERE geeft, heilig zijn.

27:14

Wanneer iemand zijn huis heiligt als iets heiligs voor de HERE, dan zal de priester het schatten,…

27:16

Indien iemand een deel van zijn grondbezit de HERE heiligt,…

27:18

zal de priester hem het geld berekenen overeenkomstig de jaren die nog overblijven tot het jubeljaar, en het zal van de geschatte waarde afgetrokken worden.

27:24

In het jubeljaar komt die akker terug aan hem van wie hij hem gekocht heeft, aan hem die het land oorspronkelijk in bezit had.

27:25

En al de geschatte waarde zal naar de heilige sikkel zijn: twintig gera zal die sikkel zijn.

27:26

Het eerstgeborene echter, dat als eerstgeborene de HERE toebehoort onder het vee, zal niemand heiligen, hetzij een rund, hetzij een stuk kleinvee, het is van de HERE.

27:29

Niets, dat met de ban geslagen is,… het zal zeker ter dood gebracht worden.

27:30

Ook is alle tiende van het land, van het zaad des lands, van de vrucht van het geboomte, van de HERE; het is de HERE heilig.

27:34

Dit zijn de geboden, die de HERE Mozes gegeven heeft voor de Israëlieten op de berg Sinai.

Dit is het laatste hoofdstuk van Leviticus. Het wordt allemaal gedetail­leerd geregeld. Het gaat hier om de lossing. Lossing en de daaraan ver­bonden bedragen zijn gekoppeld aan de leeftijd en de draagkracht. Het is ook hier weer dat de barmhartigheid voorop staat. Het gaat erom dat er een relatie is tussen de geloften en de lossing. Er moet serieus mee omgegaan worden. Je kunt er niet mee marchanderen. Je kunt niet zeg­gen, we regelen het zelf wel. Neen het is de HERE heilig. De HERE is in het geding. Het is belangrijk dat we met elkaar een samenleving bouwen, waar we onderling in harmonie en met duidelijke afspraken kunnen leven. Wat is God goed. De geboden van God zijn niet om het ons moeilijk te maken. Gods geboden zijn goed. Wat heeft God oog voor de moeiten en de zorgen van de mensen. En zeker die van de zwakke mensen. Zij, onder ons, die arm zijn, ziek zijn, het moeilijk hebben.

En de booswichten? Daar staat een grote straf op. Je moet niet proberen de geboden van God te tarten, doe je dat wel dan kom je verkeerd uit. Vaak wordt het leven genomen. De straf is niet radicaal om de dood van de ander te willen, maar om de ultieme poging te doen om die boos­wicht te doen beseffen, dat hij zijn eigen leven op het spel zet als hij denkt deze misdaad te doen. Overal waar je de strafmaat geringer maakt, wordt de uitdaging om de misdaad te plegen groter. We moeten niet kijken naar het slachtoffer, maar vooral ook naar de dader. We moeten alles doen om hem te redden voor zijn leven.

We zien ook weer hoe het jubeljaar bij alle berekeningen een belang­rijke rol speelt. Het eerstgeborene onder het vee behoort de HERE toe. Niemand zal het heiligen, want het is reeds van de HERE. Alles wat in de ban is, dat moet zeker ter dood gebracht worden. Het tiende van het land, het zaad, de vrucht is van de HERE. Het is de HERE heilig. Daar kunnen we het mee doen. Dat geldt toch ook voor vandaag. Maar wat moeten we daar vandaag mee? Hoe zit het met de tienden vandaag? We kunnen er nog iets van in de belastingaangifte zien, want daar mag je tot tien procent aftrekken aan giften als belastingvrij. De meeste mensen rekenen niet met deze principes. Maar het is wel zo dat er grote beloften aan verbonden zijn. Lees Maleachi. Als de mensen, ook toen in Israël, zich niet aan deze geboden houden, dan is de zonde in het land. Dan ontneemt het volk zichzelf de zegen. En zo is het dan ook bij ons. Het zou interessant zijn om bij de begroting van een kerk dit principe weer eens naar voren te halen. Het zou wel eens kunnen betekenen dat er een explosie van mogelijkheden komt. We zijn ver afgezakt wat dit gebod betreft. Maar het wordt hier wel weer genoemd. Moeten we weer eens over spreken, ook als we het over de armoede in de wereld hebben. Prijs de HERE.