Matthéüs 1:1-25

25 december [2]

1:1

Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham.

1:3

Perez en Zerah bij Thamar…

1:5

Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth,…

1:6

David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria,…

1:11

Josia verwekte Jechónia en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap.

1:16

Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt.

1:18

zwanger te zijn uit de heiligen Geest.

1:19

was hij van zins in stilte van haar te scheiden.

1:20

een engel des Heren verscheen hem in de droom en zeide:…

1:21

Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden.

1:22

Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide:

1:23

Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immánuel geven, hetgeen betekent: God met ons.

1:25

En hij gaf Hem de naam Jezus.

Wat een evangelie. Daar word je toch enthousiast van? De Messias is geboren. Aangekondigd. Niet zo maar uit de lucht komen vallen, maar van ouds her geprofeteerd. Van Abraham nu. Lees het maar in de geslachten. Het is uit de annalen te halen. Het is deel van de geschiedenis. U weet toch wel van Abra­ham? Hij kreeg de belofte van het land en het volk. En hij ging en toen Mozes, hij trok op en kwam in het beloofde land. En David, hij werd de grote koning. Hij zou de Messias uit zijn geslacht voortbrengen. Er zou geen tijd meer zijn dat geen zoon van David op de troon zou zitten, zeiden de engelen bij de geboorte van Jezus. Hij was de geprofeteerde Messias. En wat zou Hij komen doen? Hij zal Zijn volk redden van zijn zonden. Dat was wat de Here door de profeet Jesaja gesproken heeft. Uit hoofdstuk 7 vers 14. Lees het zelf maar na. Daarom zal de Here zelf u een teken geven : Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven.

Maar dan moet je het ook wel lezen. Want anders mis je het weer. En wie was zijn volk? Dat was het volk, door God uitverkoren. Dat was het volk van Israël. En die hadden nog al wat meegemaakt. Die hadden gezondigd. Die hadden de ballingschap verdiend. Die waren weggevoerd. Na zeventig jaar was slechts een deel teruggekomen. Uit Israël is nooit iemand teruggekomen. Want in het gebied van de tien stammen was een ander volk neergezet. Er zijn ontzettend veel joden verspreid over de wereld. Zo was bijvoorbeeld Paulus uit de stam van Benjamin. Zijn familie woonde in Tarsus. Het zou interessant zijn om eens na te gaan waar al die stammen zijn gebleven. Maar de belofte aan Abraham was een eeuwigdurende belofte. Dus ze moesten wel terugkeren in het land, want de Messias zou geboren worden. En nog wel in Bethlehem, want dat wisten ze heel goed. Daarom is het zo belangrijk dat er een geslachts­register is. God doet niet zo maar wat. Hij doet het door de geslachten heen en je kunt nakijken of het klopt. Nou, het klopt! Zie maar, zegt Matthéüs. Het kan soms raar gaan, want in het geslachtsregister wordt bewust een aantal namen genoemd die van vreemde huize kwamen. Sommige nazaten werden op vreemde wijze geboren. Denk eens aan Salomo. De zoon uit ontucht geboren. En dan Salmon die met Rachab, de vroegere hoer trouwde, en daaruit werd Boaz geboren en Boaz trouwde met Ruth, de Moabitische en daaruit werd Isaï, de vader van David geboren. Er zitten er in het voorgeslacht van Jezus verscheidene personen die je daar niet zou verwachten. Maar Gods beloften staan vast. En dan komt de Messias. Jozef was de erfgenaam.

Jezus was de Messias uit de Heilige Geest, uit God geboren. Hij was de Mid­delaar, Die Zijn volk kwam verlossen van de zonden. Het verhaal is nog niet af. Want de Messias zou komen om de wereld van recht en gerechtigheid te grondvesten. Het eeuwige Koninkrijk. Dat waren beloften, die oneindig her­haald worden door de profeten, bij monde van de Here God. Maar de zonden moesten verzoend worden. Er was maar een weg en dat was door de verzoe­ning van onze zonden door Messias Jezus. We hebben het hier over een lijden­de Messias, uit Jesaja 53, om dan de zegevierende overwinnende Messias te zijn.

Jozef wil weglopen. Maar de engel komt tot hem. Hij legt het uit. Hij zal Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. Jozef blijft. Wat zullen de omstanders wel niet gezegd hebben? Of is hij misschien meteen getrouwd? Hoe zal dat gegaan zijn? Het kind wordt geboren en Jozef geeft Hem de naam Jezus, zoals de engel gezegd heeft. Want eigenlijk had Hij Jakob moeten heten, naar zijn grootvader. Wat zal dat weer tot discussies veroorzaakt hebben. Jezus is gebo­ren. We zullen er meer van horen.

Het wonder is geschied. De profeten spreken en het gebeurt. De profeten spre­ken vandaag en het gebeurt. Messias Jezus zal weerkomen en dan Zijn rijk van recht en gerechtigheid grondvesten. Glorie voor Zijn Naam! Prijs de Heer! Jezus komt voor alle mensen. Predikt het aan iedereen.

Matthéüs 2:1-23

26 december [2]

2:1

zie, wijzen uit het Oosten…

2:2

Waar is de Koning der Joden, die geboren is?

2:3

ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem.

2:4

en trachtte van hen te vernemen, waar de Christus geboren zou worden.

2:5

Zij zeiden tot hem: Te Bethlehem in Judéa, want aldus staat geschreven door de profeet:

2:6

En gij, Bethlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal.

2:8

bericht het mij, opdat ook ik hem hulde ga bewijzen.

2:9

en stond boven de plaats, waar het kind was.

2:12

En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet tot Herodes terug te keren, trokken zij langs een anderen weg naar hun land terug.

2:13

en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar, totdat Ik het u zeg; want Herodes zal alles in het werk stellen om het kind om te brengen.

2:15

hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen Hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.

2:16

al de jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen,…

2:17

Toen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Jeremia, toen hij zeide:

2:18

Een stem is te Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn.

2:20

want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven.

2:23

vestigde hij zich in een stad, genaamd Nazareth, opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is, dat Hij Nazoreeër zou heten.

Beste mensen, en allen die het willen horen: ‘Luister! Ik wil jullie uitleggen aan de hand van de profeten, dat Jezus de Messias is’. De Joden moeten het allemaal horen. Want Messias Jezus kwam in de eerste plaats voor hen. En Matthéüs, een Jood in hart en nieren, gaat het uitleggen, hoor maar. Want waarom is dat verhaal van de wijzen uit het oosten opgenomen? Niet vanwege hun occulte krachten en praktijken waarom ze achter de sterren aangingen. Het waren sterrenwiggelaars. Ze probeerden de toekomst uit de sterren te vertellen. En nu wisten ze zeker dat er een Koning geboren was. Anders gaat die ster niet op de loop. En daar gaan ze. God gebruikt soms de vreemdste methodes om de waarheid duidelijk te maken. En ze komen bij Herodes. Daar schrikken ze zich lam en geheel Jeruzalem met hen. Want ja, als deze wijzen het zeggen, deze occultisten, deze sterrenwiggelaars, ja, dan moeten we het wel geloven. Dat moeten we serieus nemen. Ziet u de ironie, het goddelijke aan de kaak stellen van zoveel ongeloof? Wel de heidenen, de afgodendie­naars geloven, maar Gods Woord zelf niet.

Alle schriftgeleerden en de overpriesters gaan op zoek in de schriften wat er van waar is. Ze weten dat de Messias geboren moet worden. Hij zal toch al niet geboren zijn? Het zal hen toch niet zijn ontgaan? Hoe kan dat nou? Hij zou toch komen met macht en majesteit en de Romeinse overheersers met geweld het land uitzetten? Wat krijgen we nou, moeten een paar wijzen uit het oosten het ons komen vertellen? Dat staat volkomen haaks op hun verwach­ting. Natuurlijk zeiden ze in de schriften dat de Messias in Bethlehem geboren moet worden. Het was voor hen kennelijk geen belangrijk gegeven, wat anders zouden ze dat toch wel geweten hebben? Wij weten dat toch ook allemaal? Kennelijk was de geboorte voor hen niet belangrijk. Hoe hadden ze Hem dan wel verwacht? Hij zou opstaan. Maar hoe? De wijzen volgen de ster verder. En in plaats dat ze mee gaan, zegt Herodes dat ze het hem moeten komen vertellen. Maar een engel zegt hen terug te gaan langs een andere weg. En dat doen ze ook.

Herodes is het niet vergeten en komt tot de ontdekking dat de wijzen niet terugkomen. Dan moordt hij alle jongetjes van twee jaar en jonger uit in Bethlehem. Dat is je toch niet voor te stellen? Wat een angst. Wat een wreed­heid. Hij neemt het zekere voor het onzekere. Weg met hen. Want hij duldt geen concurrentie. Hij, Herodes, de afstammeling uit Edom, hij zal eens alle mogelijk sporen van een mogelijke Messias bij voorbaat uit de weg ruimen. Wat een tragiek. Wat een hoogmoed. Alsof de Messias zich uit de weg laat ruimen. Zo gelooft hij in die mogelijkheid. Zo angstig zijn de mensen voor de Messias. Aan de ene kant ontkennen ze alles, maar aan de andere kant voelen ze dat er ernst is.

En Matthéüs verhaalt het hier om zijn mede-Joden aan te tonen dat hier weer opnieuw profetie vervuld wordt. Jullie die zo thuis in de profeten zijn, moeten je ogen open doen, want het staat er allemaal. Kijk maar. De Messias wordt geboren in Bethlehem: ‘…want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal’.

De engel heeft het maar druk, want ook Jozef krijgt bericht om te vluchten, want Herodes zal alles doen om het Kind te vermoorden. Hij vlucht naar Egypte. Ziet u Jezus met Zijn vader en moeder naar Egypte vluchten? Op een ezel? Jezus, door de woestijn waar Zijn volk veertig jaar zwoegde na de uittocht uit Egypte? Nu is er weer een uittocht maar in omgekeerde richting. Wat een profetie. God heeft Zijn volk het land gegeven opdat de Messias geboren zou worden en ze wijzen hem af. Hij moet vluchten naar de vijand, naar Egypte. Zo klein als Hij is. Mozes weggestopt in een biezen kistje en Jezus in doeken gewikkeld, weg naar Egypte. Daar zou je uren over na kunnen denken. Daar zou je een heel boek over kunnen schrijven. Daar komt geen einde aan. Wat een profetie. Wat een heilsplan. Wat een haat van de wereld. Het druipt er aan alle kanten van af. Maar het is steeds vervulling van profetie, want de profeet Hosea profeteert in Hosea 11:1: ‘…en uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen’. En in Jeremia 31:15 zegt de profeet: ‘Zo zegt de HERE: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinde­ren, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is.’ Wat een profetie. Wat een diepe waarheid. Wat een eenheid in de schrift. Daar kan toch niemand tegenop? Dat is toch rechtstreekse exegese. Daar kan alleen maar een leugen tegenovergesteld worden om het af te wijzen.

De engel zegt: keer maar terug. Ze gaan terug. Maar de engel zegt: Ga naar Galiléa. Vestig je daar. En dat doet hij. Hij vestigt zich in Nazareth. Want ook dat is profetie, want de Schrift zegt dat Hij een Nazoreeër zou heten. En zo zijn er al weer vier profetieën in dit kleine stukje. Jezus is de vervulling der profetie. Matthéüs weet dat dit verloop haaks staat op hun verwachting. Hij moet dan ook alles doen om de Schrift zelf aan het woord te laten. Hij nodigt ze uit tot bijbelstudie. Als de occulte wijzen komen, dan gaan jullie wel aan de studie, blijf dan ook studeren om te zien of deze Jezus de Messias is. Maar wat gebeurt er. Alles wordt gedaan om vanaf het begin elk spoor uit te roeien. Alles wordt gedaan om te ontkennen, dat hier sprake is van een Messias. Moord en doodslag wordt niet geschuwd. En zo is het gebleven. Want de tegenstander van God, de duivel, is er alles aan gelegen om de leugen over Jezus waarheidsgehalte te geven. En die strijd was er al vanaf den beginne. En die strijd zal voortduren tot het einde. Want met de komst van de Messias was het einde van het rijk van de duvel gekomen. Messias Jezus was de voorwaar­de om het rijk van recht en gerechtigheid te herstellen. Want de zonde van de mensheid moest worden verzoend. Anders geen gerechtigheid. En dat kon alleen de Zoon van God. Dat was al geprofeteerd vanaf Mozes. Dat weet toch iedereen? Wat kunnen mensen blind zijn voor de eenvoudige profetische werkelijkheid.

De Joden hadden er hun eigen Messiasverwachting van gemaakt. Ook je wel voor te stellen, want door de eeuwen heen waren zij geconfronteerd met onderdrukking en vechten voor hun bestaan. En hoeveel profetieën zijn er niet dat de Messias Zijn rijk van recht en gerechtigheid gaat grondvesten? We hebben toch ook te maken met een zegevierende God? Lees maar al die gewel­dige beloften voor land en volk van Israël. Wel achthonderd keer. En als je dan ziet hoe weinig verzen dan gaan over de lijdende Knecht des Heren, dan kun je je daar ook wel iets bij voorstellen. Maar de tragiek is dat de lijdende knecht des Heren kwam voor Zijn volk, maar dat de Zijnen Hem niet aangeno­men hebben. Wat een strijd, wat een tragiek. ‘God heeft Zijn volk toch niet verstoten?’, schrijft Paulus in Romeinen 11:2. Pas op. Bega die fout niet. Want Gods beloften zijn eeuwigdurend. Want Messias Jezus zal ook terug­komen om Zijn rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten en dan zullen zij zien wie ze doorstoken hebben. Er gaan nog grote dingen gebeuren. Er zal nog veel gebeuren. De wereld zal door de eindtijd heengaan, omdat God Zijn recht en Zijn waarheid zal grondvesten. Daar staat de Openbaring vol van en dat zien we toch ook aftekenen in het grote wereldgebeuren?

Matthéüs roept zijn volksgenoten op. We moeten deze profetieën zelf ook in hun context gaan lezen. Dat zullen we doen alvorens we verder gaan. O, er is nog veel meer te zeggen. Wat toch ook een tragiek dat de kerk door de eeuwen heen wel heeft gezien dat het heil ook naar de heidenen verbreed is, maar dat de dogmatiek de beloften aan de Joden die nog niet vervuld zijn, zonder meer terzijde heeft geschoven en hen van toepassing heeft verklaard op de kerk. Waar dat vandaan komt slaat nergens op. Het is dan een dubbele leugen. De Joden geloven niet in een lijdende Messias en blijven staan op de overwinnen­de beloften van hun Messias. En de gelovigen uit de heidenen blijven bestaan bij hun lijdende Messias en ontkennen de beloften die nog gaan komen. Wat een tragiek. Wat een blindheid.

Matthéüs 3:1-17

1 februari [2]

3:2

Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

3:3

door de profeet Jesaja gesproken werd, toen hij zeide: De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt den weg des Heren, maakt recht zijn paden.

3:6

en zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen onder belijdenis van hun zonden.

3:7

Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan?

3:11

die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.

3:12

De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.

3:15

Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen.

3:16

En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen.

3:17

En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.

Matthéüs gaat verder. Hij is steeds bezig om uit de Schriften uit te leggen dat Jezus de Messias is. De verwachte Messias, volgens de Schriften. Hij haalt de teksten aan die ze allemaal kennen. En een aantal die ze waarschijnlijk nog niet in verband gebracht hebben met de Messias. Het zou interessant zijn om eens te horen hoe de Joden de Messias verwachtten. Toen, ten tijde van Jezus en ook vandaag. Johannes predikte in de woestijn de doop der bekering. En hij kondigde aan: ‘Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’. Wat dachten de Joden toen zij ‘Koninkrijk der hemelen’ hoorden? En waarom moeten ze zich bekeren? Waarvan dan? Wat was in hun gedachten? De pro­feet Jesaja had deze voorloper aangekondigd. In Jesaja 40:3: ‘Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des HEREN, effent in de wildernis een baan voor onzen God’.

Jesaja 40 is een prachtig hoofdstuk: ‘Troost, troost mijn volk’. Zie hier is uw God. Een hoofdstuk om uit het hoofd te leren. Een hoofdstuk om de komende verlossing aan te kondigen. Wat een profetie. Daar kunnen we toch niet om­heen? Daar word je toch helemaal enthousiast van? Dat kun je toch niet ver­geestelijken? Dat heeft toch betrekking op het volk van God? In de eerste plaats daarin, ook op de gelovigen uit de volkeren. Heerlijk! Toch? Wat mis­sen we ontzettend veel als we die rechtstreekse kracht voor het uitverkoren volk in het uitverkoren land losmaken. Dan missen we een volhouden, eindtijd dynamiek. Dan missen we een krachtige blikrichting op de eindtijdvervulling, waar heel de Bijbel vol van staat.

Lees vers 31: ‘…maar wie den HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat’. Nou, dan wil ik de Here wel verwachten. Want als je dat doet, dan ontvang je kracht. Dat ervaar ik nu al als ik dit opschrijf. Het komt naar je toe. Dat moet je beetgrijpen. Want er is zoveel in je leven, in het leven, dat je mismoedig maakt, dat je in de war brengt, dat je energie en kracht wegneemt. En wat kan er wat zijn, maar als we de Here verwachten, dan putten we nieuwe kracht. We worden moede noch mat. Is dat het geheim dat zij met grote problemen en ziekte, toch opgewekt kunnen blijven, omdat zij de Here verwachten? Daar wil ik bijhoren. Dat mag ook mijn kracht zijn. Dat draagt je dan door het leven heen. Lees je Bijbel, bid elke dag. Want dan ga je het steeds meer zien. Glorie voor Zijn Naam!

Wat Johannes tegen de geestelijke leidslieden durft te zeggen, liegt er niet om: ‘Adderengebroed’. Lezen we dat later ook niet bij de Here Jezus? Hij roept hen op, om vrucht voort te brengen die beantwoordt aan de bekering. Maar daarom zijn zij niet gekomen. Ze zijn gekomen om deze nieuwlichter, die vreemde man, in kameelharenmantel eens van dichtbij te bekijken. Om te zien, op welke wijze ze Hem kunnen rubriceren en zodoende in hun systeem inpas­sen en of afschrijven. Ze denken dat ze vader Abraham in hun zak hebben, maar ze hebben in werkelijkheid niets. Zij kunnen Gods heilsplan niet tegen­houden. Want God is bij machte om de kinderen van Abraham wereldwijd te maken. En zo is het ook gegaan. Want er zijn twee zonen, maar er is één zaad. De gelovigen uit de volkeren horen er helemaal bij en zijn ook kinderen van Abraham. Dat zullen we later zien.

Maar let op: ‘Hij, die na mij komt, is sterker dan ik’. Ik ben daar niets bij. Hij zal u dopen met de heiligen Geest en met vuur. Dat komt rechtstreeks van boven. Daar word je krachtig van. Dat zul je zien. Daar kan niets tegenop. Dat is krachtig. Glorie voor Zijn Naam! Heerlijk! Heerlijk! Dank U Heer, voor zoveel kracht. Dank U Heer!

De wan is in zijn hand. En wat doet de wan, die scheidt het kaf van het koren. En zij zijn dus het kaf. Het zal je maar gezegd worden. Geen wonder dat Johannes even later in de gevangenis belandt en zijn leven geeft. Dat is het lot van allen die met kracht de weg van Jezus gaan. We moeten Jezus volgen, overal waar het Lam gaat, roept Jezus ons zelf op in de Openbaring. En het Lam ging naar de verbrokenen van hart. Hij zette de gevangenen van geest vrij. Dat zijn de moeilijke plaatsen. Maar daar komt het wel op aan. Here, help ons Uw kracht te zien. Maak ons sterk om Uw weg te gaan. Verbreek de banden van de religie, de godsdienst, waar wij ook in verstrikt geraakt zijn. Help ons Uw Woord te nemen. Dank U Heer! Dank U Heer! Dank U Heer!

Wat geweldig om die stem uit de hemel te horen: ‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb’. Dat is toch geweldig? God de Vader en Zijn Zoon Jezus, onze Messias. Onze Redder, onze Verlosser. Dat is profe­tie. Dat is hemelhoog. Dank U Heer!

Matthéüs 4:1-11

2 februari [2]

4:1

Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door den duivel.

4:2

En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg hij ten laatste honger.

4:3

Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen broden worden.

4:4

Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat.

4:6

Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u, en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.

4:7

Er staat ook geschreven: Gij zult de Here, uw God, niet verzoeken.

4:9

Dit alles zal ik U geven, indien Gij U nederwerpt en mij aanbidt.

4:10

Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.

4:11

Toen liet de duivel Hem met rust en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

Dit verhaal is nogal sterk. De Geest leidde Jezus naar de woestijn om door de duivel verleid te worden. De duivel bestaat dus. De duivel is dus in gevecht met God. Jezus wordt getest en overwint. Wat een verhaal. En dat staat zo maar aan het begin van Zijn optreden. Al in het vierde hoofdstuk. Het komt ook in Marcus en Lucas voor. Het was dus een bekend verhaal. Wie heeft het verhaal verteld? Dat moet Jezus dus zelf geweest zijn, want niemand was erbij. En dan komt het verhaal. Driemaal verzocht. Natuurlijk kon Jezus van de stenen broden maken. Als je veertig dagen gevast hebt, dan heb je wel honger. Maar daar gaat het niet om.

Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord dat uit de mond Gods gaat. Dat staat dus in Deuteronomium 8:3. Jezus citeert meteen een Woord van God Zelf. En dat is ook het antwoord als de duivel je probeert te verleiden. Grijp naar het Woord. Blijf in dat Woord. Dat Woord, dat is je reddingsboei. Ook al heb je geen antwoord op alle vragen. Twijfel niet, blijf dicht bij Jezus. Want dan ben je veilig.

En toen nam de duivel hem mede naar de heilige stad. Nou, nou. Daar kan de duivel dus ook komen. De duivel heeft macht. Hij wordt de overste van deze wereld genoemd. En dat is nogal wat. De duivel is dus heel actief bezig. Hij kan alle macht geven over deze wereld. Wie gelooft dat nog? Dat is toch wel heel vreemd. Dat zou je niet verwachten. Is dat niet een beetje overdreven? We zijn wel een hele boel kwijt geraakt. We zijn het geloof in de duivel kwijt geraakt. Daar willen we niet teveel van horen. Dat is gevaarlijk, want dat geeft de duivel macht om binnen te dringen en onschuldige naïeve zielen in bezit te nemen. Te beginnen bij de jongeren. En dan komt er weer een antwoord uit de Bijbel zelf. Maar nu van de duivel. Hij is de na-aper van God. Hij draait de boel om. Hij zegt nu zelf: blijf bij het Woord: ‘Aan zijn engelen zal Hij op­dracht geven aangaande u, en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot’. Wat gemeen om het Woord van God te verdraa­ien naar zijn eigen richting. Zo verleidt hij de mensen. Want hij komt als een wolf in schaapskleren. Maar Jezus antwoord: ‘Er staat ook geschreven: Gij zult den Here, uw God, niet verzoeken’. Natuurlijk komen de engelen om Jezus op te vangen als Hij van de muur valt. Maar als je het bewust doet om God uit te dagen, dan ben je aan het verkeerde adres. Hij vraagt juist gehoor­zaamheid en geen verzoeking van God Zelf. Dat staat in de Bijbel. En we kunnen het ook allemaal voor onszelf invullen. Verzoek de Here God niet. Volg Hem! Dan komt het pas goed.

En dan komt de derde verzoeking. Hij toont Jezus alle koninkrijken der aarde. Ik zal je ze allemaal geven als je mij aanbidt. Maar Jezus zei: ‘Ga weg, satan!’ En daar begint het. Ga weg, satan! De grote verleider, de mensenmoordenaar van den beginne. Ga weg, satan! Als wij de naam des Heren aanroepen, dan gaat de duivel op de vlucht. Daar waar Jezus komt daar kan de duivel niet zijn. Jezus is de grote kracht. Daar kan de duivel niet tegen. Hem moeten we dan ook aanbidden. Want dat staat ook geschreven zegt de Bijbel: ‘De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen’. En eigenlijk staat dat op elke bladzijde van de Bijbel. Het is zo duidelijk. Het is zo simpel. Het is de waar­heid. Het is het Woord van God. Prijs de Heer! Het is waar. Het is waar. Het is waar. En daarmee zijn de verleidingen ten einde. En dat is een geweldige onderwijzing voor ons. De duivel komt met allerlei verleidelijke aanbiedin­gen. En wij marchanderen zo graag. Het kan toch geen kwaad dit en het kan toch geen kwaad dat. Maar het gaat erom, dat we leven vanuit het Woord van God. Niet wat we voor ogen hebben, maar wat van God is. God ziet het hart aan, niet de materie. Niet ons vlees. Hij wil onze gehoorzaamheid. En natuur­lijk moeten we dan God niet verzoeken. We moeten weg blijven van alle gevaar. En als we dan struikelen, dan moeten we per omgaande onze zonden belijden en terugkeren naar de Here God. Weg van het kwaad. Dan zal Hij ons voor struikelen behoeden. Heerlijk toch? En pas op: de wereld kan je met verleidelijke aanbiedingen proberen weg te houden van God op voorwaarde dat je God verlaat en de wereld en zijn begeerten aanbidt. Dat is het doel. En dat kan op velerlei terreinen. Maar pas op! Er staat een stopbord. Niet verder. Stop! Dat is het rijk van de duivel. We moeten alleen de Here God dienen en aanbidden. En helemaal niemand anders. Dan ben je veilig. Dan gaat het goed. Dan ben je op de weg. Heerlijk toch, om Gods Woord te hebben? Je kunt er oneindig uit putten en het wordt steeds heerlijker. Blijf bij het Woord! Lees het woord! Ga er niet omheen! Het is waar. Dank U Heer! De duivel druipt af. Zij die bij Jezus horen worden onaantastbaar. Zij worden beschermd door de legioenen engelen die ons omringen. Dat weten we en dat voelen we. Weg van de duivel. Het is heerlijk om te verkeren bij de Here God. Prijs Hem! Loof Hem! Dank Hem! Amen.

Matthéüs 4:12-25

3 februari [2]

4:12

Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was,…

4:14

door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide:

4:15

Het land Zébulon en het land Náftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galiléa der heidenen:

4:16

het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan.

4:17

Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

4:19

Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.

4:22

Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.

4:23

leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk.

4:24

en Hij genas hen.

Matthéüs blijft bezig om aan de hand van de Schriften uit te leggen aan de Joden dat Jezus de Messias moest zijn. Hij gaat wonen in het land van Zébu­lon en Náftali. Het Galiléa der heidenen. En meer achtergebleven gebied kun je je niet bedenken. Daar woont Hij. Hij weet dat Johannes gevangen is genomen. Hij trekt zich terug. Wat een verdriet over Johannes. Wat een haat van zijn volksgenoten. Jezus weet dat het ook Zijn deel zal zijn. Maar hier wordt weer profetie mee vervuld. Want de profeet Jesaja zegt dat er een groot licht zal opgaan vanuit deze streek. Kijk maar, het staat in Jesaja 8:23 en 9:1. Dat is profetie. Dat is de roeping. Dat zijn de vergezichten naar de Messias. Weten jullie dat dan niet? Want zij roepen: Kan er uit Nazareth iets goeds komen? Waarom lezen jullie de schriften met een doek voor je ogen? Je moet lezen wat er staat. Dan heb je wàt er staat. En dit staat er en dus is het waar. De Messias zou hier uit dit achtergebleven gebied in de openbaarheid treden. Wat een geweldige eenheid in de profetie. Voor Jood en heiden. Het wordt tijd dat ze dat gaan zien. Eenheid.

En dan begint Jezus aan zijn centrale boodschap: Bekeert u want het Konink­rijk der hemelen is nabijgekomen. En zo is het. De Messias kwam. Zijn Koninkrijk is komende. Hij is het Koninkrijk. De laatste fase is ingegaan. De grote eindstrijd gaat beginnen. Het profetisch Woord is krachtig. En het staat vast. Daar valt niet aan te twijfelen. Glorie voor Zijn Naam! En Jezus gaat al predikende rond. Hij roept Zijn discipelen. Vissers zijn het. Niet geletterden. Niet de leidslieden in de synagoge. Het is heel rijk. ‘Komt achter Mij aan en Ik zal u vissers van mensen maken.’ Er moet dus gevangen worden. De vis moet in het net. Ze moeten de boodschap van het Koninkrijk gaan horen. Ze zijn totaal op het verkeerde been gezet. Profeten gaan nu spreken. Zijn Ko­ninkrijk van recht en gerechtigheid gaat komen. Glorie voor Zijn Naam! Daar word je enthousiast van. En het worden pilaren van de gemeente. Wat denkt u van Petrus en Johannes en Andreas en Jacobus? Dat zijn wijze mannen gewor­den. Daar is de gemeente op gebouwd. Het is niet de kennis van de wereld die bouwt. Het is de kracht Gods. Niet de letter, maar de Geest doet leven. Heer­lijk toch? Wat kunnen we toch weer ontzettend veel leren. Heerlijk! En dan trekken ze rond vol van kracht en de heilige Geest. Bekeert u, want het Ko­ninkrijk der hemelen is nabij gekomen. En dan worden de zieken genezen. Want er gaat kracht van uit. En tot in Syrië, daar in het uiterste noorden, ver weg van de bewoonde wereld, gebeuren de grootst mogelijke wonderen. Wie had dat gedacht? Zo is het, opwekking breekt uit in plaatsen waar je het abso­luut niet verwacht. Toch heel apart allemaal. Ze kwamen zelfs uit Jeruzalem en Judea, de scharen, om Hem te volgen. Als je van deze genezer hebt ge­hoord, dan wil je Hem ook volgen. Het is een hele toeloop. Prijs de Heer! Waar Jezus komt daar is opwekking. We moeten Hem proclameren en oproe­pen tot bekering. Radicaal en zonder omwegen. Dat is de centrale boodschap van Jezus. En waarom het Koninkrijk der hemelen is gekomen? Er is haast. Nu kan het nog. Maar als God de deur sluit, ja, dan ben je te laat. Glorie voor Zijn Naam! Volg Hem!

Matthéüs 5:1-16

4 februari [2]

5:3

Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

5:4

Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.

5:5

Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

5:6

Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

5:7

Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.

5:8

Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.

5:9

Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

5:10

Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

5:11

Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.

5:12

Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.

5:13

Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.

5:14

Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.

5:15

Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn.

5:16

Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

Hoe kun je anders dan deze eerste teksten van de magistrale Bergrede hele­maal over te nemen. Je zou ze uit je hoofd moeten leren. Je moet ze inlijsten en ophangen. Dat moeten we maar gaan doen. We maken er een mooie poster van. Of eigenlijk, twee posters, een van de zaligsprekingen en een met de opdracht dat wij zout en licht moeten zijn.

Wat een tegenstelling. Dat wat voor de wereld niet telt, dat is juist waardevol voor God. Daar wordt Zijn Koninkrijk mee gebouwd. Zalig de zwakken. Wat moeten we daarmee? Neen, zalig de sterken. Wat een doetjes, die zwakken. Wat een doetjes, die vredestichters. Wat een doetjes, de reinen van hart. Daar kom je toch niet mee vooruit. En we moeten goed ons best doen om ook niet geïnfecteerd te zijn met dit werelds denken. We zijn vaak ook kwijt geraakt om bijbels te denken. Vanuit God te denken. De wereld bravouret maar door, maar we moeten ons op God richten. Dan gaat er pas iets veranderen en anders niet. God wil Zijn marsroute ons inprenten aan het begin van zijn pre­diking. Het is de eerste preek die we lezen na Zijn optreden. En dat is meteen raak. Geen wonder, want Hij spreekt als gezaghebbende en niet als de schrift­geleerden. Hoe spraken die dan? Die knechtten het volk. Die legden hen allerlei regeltjes op. Ze gingen gebukt onder hun harde meedogenloze dog­ma’s. We zagen dat Johannes daar ook al tegen fulmineert.

We moeten ons verheugen als ze ons vervolgen. Want dat hebben ze de pro­feten ook al gedaan. Het is de boze die de mensen in zijn greep heeft. Wij moeten ons daarover eenvoudig verheugen. Want het zijn niet die mensen maar de demonische krachten die hen te pakken hebben. Bidden en volharden. Als we Gods Woord doorlezen dan zien we dat alle eeuwen de profeten ook zijn vervolgd. Ze deden het nooit goed. Ze kwamen zelfs tegen hen in opstand. En dan vooral de mensen in de kerk die de verkeerde kant op willen. De vrijzinnigheid is agressief en intolerant. Wij moeten ons buigen voor hun visie. En ze duldden geen schriftgezag.

Maar wij moeten het zout zijn. Wij moeten het licht zijn. Als wij ons licht niet laten schijnen, dan wordt het donker, stikdonker. Dus of het licht is hangt af van of wij het licht laten schijnen, dus dan moeten we ook ons licht láten schijnen. We laten het licht schijnen voor de mensen opdat zij uw goede werken zien en uw Vader die in de hemel is verheerlijken. Dus wat is ons licht laten schijnen? Dat is goede werken doen. En wat is goede werken doen? Doen wat de Here Jezus zegt. En waar is de Here Jezus voor gekomen? Hij is gekomen voor de verbrokenen van hart. Hij wilde ons in zijn voetspoor hebben. Hij kwam voor de mensen van de zaligsprekingen. Hij kwam voor hen die vertroost moeten worden. Voor de achtergestelden. Voor hen, die gediscrimineerd worden. Enz enz. Lees Jesaja 61. Daar kwam Hij voor.

Wat een geweldige verantwoordelijkheid hebben we. Wat een bevrijdende gedachte. Wij hoeven de wereld niet te veranderen. Wij moeten gewoon ons licht laten schijnen. En het Licht is Jezus. Ik ben het Licht der wereld. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Heerlijk! Wat een zegen. Geweldig! Daar wordt je enthousiast van. Dat kan niet stuk. Hoe is het toch mogelijk, dat zoveel gedeeltes steeds weer een bemoediging zijn. Pas het toe en het werkt. Kruip uit je schulp. Laat je licht schijnen. Een klein licht maakt zelfs al een donkere kamer licht. Probeer het maar eens. En het meeste van deze is de liefde. Laat uw liefde schijnen. Je zult versteld staan. In de eerste plaats van jezelf. Want waar liefde woont, daar krijgt boosheid geen kans. En in de tweede plaats, de reactie van de ander. Want liefde ontwapent. Hoe dan ook. En liefde geeft energie. Daar zul je versteld van staan. Gewoon proberen. Nu meteen!

Matthéüs 5:17-48

5 februari [2]

5:17

Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.

5:19

doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.

5:22

Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht.

5:24

en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.

5:25

Wees vriendelijk jegens uw tegenpartij,…

5:28

Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.

5:30

want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare.

5:32

Een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk.

5:37

Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en laat het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze.

5:42

Geef hem, die van u vraagt, en wijs hem niet af, die van u lenen wil.

5:44

Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen,

5:45

opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is;…

5:46

Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij?

Het begon al meteen. Jezus hield de wet niet. Kijk, Hij doet dit verkeerd en Hij doet dat verkeerd. Ze vallen Hem erop aan. Maar dan komt dit magistrale, duidelijke antwoord. Ik ben gekomen om te vervullen. Ik ben gekomen om de wet met gezag toe te passen. Jullie hebben er een wet naar de letter van gemaakt. Maar het gaat om de toepassing van de wet naar de Geest. Zal Ik eens een paar voorbeelden noemen? Pas op, alles blijft staan. En doe je er aan af dan zal je ternauwernood het Koninkrijk kunnen binnengaan. Gij zult niet doodslaan. Oké. Maar dat begint al als je je broeder haat. Doodslag begint niet met de daad, maar in je hart. Maak het dus goed. Doe er alles aan. Laat het niet zitten. We moeten schoon schip maken. Gewoon in de praktijk toepassen. Geen gras over laten groeien. Doen! En elkaar daar ook toe opwekken.

En echtbreuk? Nou, als je een vrouw aanziet om haar te begeren, dan pleeg je reeds echtbreuk. Nou, nou. Wat wordt er dan een echtbreuk gepleegd. Vrese­lijk! Daar moeten we wat aan doen. Zeker vandaag. Wat een verleiding. En wat een verslaving. Bekeer je! Bekeer je! Want anders kom je het Koninkrijk der hemelen niet in.

Verder die hele ceremonie die er was bij het zweren. Ze hadden er een heel reglement over gemaakt. Maar Jezus haalt er een forse streep doorheen. Uw ja, zij ja, en uw nee, zij nee. En daarmee uit! Weg met jullie regels. Er is geen grijs gebied tegen leugen en waarheid. En oog om oog en tand om tand. Ja, maar bid voor je vijanden. Heb ze lief. Want ze zitten in de ban van het kwade. Ga niet de confrontatie aan. Blijf in de waarheid, maar treed hen open tegemoet. Wees dapper en wijs.

Ja, en het is logisch als je alleen maar liefhebt, die jou liefhebben, dan stelt dat ook niets voor. Het is juist de kunst om ook hen lief te hebben, die jou niet liefhebben. Wat dat geeft, breekt de weg open naar ontwapenende liefde. Dat bouwt aan een leefbare toekomst. Prijs de Heer!

Waarom moet Jezus al deze dingen zo concreet noemen? Kennelijk was in de traditie van de Farizeeën en de schriftgeleerden van allerlei opvattingen en afwijkingen binnengeslopen, die afbreuk deden aan de geestelijke betekenis van de wet. En daar gaat het om. De letter knecht, maar de Geest maakt levend. En daar moeten we ons op richten. Dan ontstaat er pas vrijheid en ruimte. Pas het allemaal maar eens op je zelf toe. Het is zo. Het zijn de sim­pele waarheden van het leven en daar gaat het om. Het evangelie is niet moei­lijk. Het is vanzelfsprekend. Als we ons laten leiden door gezond verstand dan gaat het vanzelf. Want dat wat God bedoelt, is niet moeilijk, is niet exclusief, dat is goed en goed voor alle mensen. Daar word je blij van. Dat werkt. En al het andere, dat leid je af van de weg. Daar moet je marchanderen. Daar moet je je verdedigen. Daar moet je op je hoede zijn. Daar moet je rekening houden met de mogelijkheid dat de andere terugdoet wat jij hem hebt aangedaan. De ontwapende, vergevende, onvoorwaardelijke liefde is de basis voor alle relaties. Dan blijf je op het spoor. Dan zit je op het rechte pad. Heerlijk toch? Dat is heel ontspannend. Het werkt.

Matthéüs 6:1-18

6 februari [2]

6:1

want dan hebt gij geen loon bij uw Vader, die in de hemelen is.

6:4

en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

6:5

en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen.

6:6

en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

6:8

want [God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.

6:9

Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd;

6:10

uw Koninkrijk kome, uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.

6:11

Geef ons heden ons dagelijks brood;

6:12

en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;

6:13

en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. [Want uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.]

6:15

maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.

6:18

om u niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

Dat was kennelijk de gewoonte. De geestelijke leidslieden putten zich uit om zich in hun religieuze gewoonten bij het geven van aalmoezen en het bidden en het vasten met veel publiekvertoon aan de mensen te vertonen. Kijk eens naar onze voorganger, wat doet hij geweldig veel in de offerkist. Of kijk eens hoe die bidt. En kijk nu eens hoe hij vast. Wat een goed christen. Daar moeten we een voorbeeld aan nemen. En zo was de traditie geworden. Je laat je aan de mensen zien om te laten zien hoe goed jij de geboden Gods houdt. En daar gingen ze prat op. Daar wilden ze om gezien worden. En de een deed het nog opzichtiger dan de ander. Ja, en daar gaat het nu net niet om. Want waarom geef je, waarom bid je en waarom vast je? Dat doe je toch niet voor de men­sen, dat doe je toch voor de Vader die in de hemelen is. En daar fulmineert Jezus tegen. Hij gaat er dwars op staan. Hij dweilt er de vloer mee aan. Hij staat dwars op hun religieus gedoe. Als je dit doet, dan heb je je loon reeds. Namelijk geen loon bij de Vader. Doe het in het verborgene. Uw vader die in het verborgene ziet zal het u vergelden. En hetzelfde geldt bij het bidden. En bij het vasten.

Gebruik ook geen omhaal van woorden zoals de heidenen doen. Die bidden tot hun stomme afgoden, tot ze een ons wegen. Maar Jezus zegt: Doe dat niet. Jullie moeten bidden: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.’ Kan je hen, die jou iets schuldig zijn, vergeven? Kun je dat niet, dan kan jij door de Vader ook niet vergeven worden. Dat is het bijbelse principe. Jij bent vergeven door het offer van de Here Jezus. Wie ben jij dan dat jij de ander niet kunt vergeven voor dat wat ze jou hebben aangedaan.

En zo zien we maar weer. Door heel eenvoudig het Woord van God te lezen, kom je heel wat aan de weet. Het is geweldig om te zien hoe God de eenvoudige regels van Zijn principes en Zijn scheppingsordinanties steeds maar weer herhaalt om ons bij de les te houden. Glorie voor Zijn Naam! God is groot! Hij regeert het grote wereldgebeuren. Hij is onze Leidsman, Hij is onze Rechter, Hij is onze Koning. Glorie voor Zijn Naam! Prijs de Heer!

Matthéüs 6:19-34

7 februari [2]

6:19

Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen;

6:20

maar verzamelt u schatten in den hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen.

6:21

Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

6:22

De lamp van het lichaam is het oog. Indien dan uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht zijn;

6:23

maar indien uw oog slecht is, zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien nu wat licht in u is, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis!

6:24

Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en de Mammon.

6:25

Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten [of drinken], of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding?

6:26

Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet verre te boven?

6:27

Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?

6:28

En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en zij spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.

6:30

Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in den oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?

6:31

Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?

6:32

Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft.

6:33

Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.

6:34

Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Ik kon niet anders dan dit hele stuk overtypen. Dit is een stuk om uit je hoofd te leren. En niet alleen uit je hoofd te leren maar in je hart te laten neerdalen. Dit is uit het leven gegrepen.

Want het is zo waar. We zitten veel meer vast aan onze aardse dingen dan we zelf doorhebben. Maar het is waar. Waar je schat is daar is ook je hart. En ons hart mag helemaal bij God zijn. Daar is het goed. Hier op aarde gaat het alle­maal stuk. Je ziet het om je heen, roest en verval. We worden geboren, maar als we een eindje op pad zijn dan vallen we al weer af. We gaan allemaal dood. Het sterven zit ons in het bloed. We doen er van alles aan, maar als het je tijd is dan is het je tijd. En dat is nooit mooi. De dood is de laatste prikkel. Maar die is er wel. We moeten ons dan ook geen schatten op aarde verzame­len, maar in de hemelen. Daar is het goed. En als ons hart daarop gericht is dan kijken we ook goed aan tegen de dingen die op aarde zijn. Wij doen het vaak andersom. Wij laten onze blik hoe we tegen God aan kijken, bepalen, hoe het met ons gesteld is op aarde. Stom! Niet doen, daar loop je altijd mee vast. En dan moeten we ook goed kijken. We moeten ons laten verlichten door het Woord van God. God is het Licht. En dat is ook duidelijk. De lamp van het lichaam is het oog. Daarom moeten we de boel zuiver houden, want dan kun­nen we goed kijken. En als je de boel niet zuiver houdt, dan verduister je je eigen oog. En dan wordt het wel erg duister. Als je licht hebt, moet je het niet duister maken, want waar God is, is licht. En waar Hij niet is, is duisternis. Blijf dan in het licht. En je kunt ook niet God en de duisternis dienen. Je kunt maar één Heer dienen. Je kunt maar één liefhebben. Je kunt niet God dienen en de Mammon. Je kunt niet de schat op aarde dienen en het geld. Je kunt niet twee heren dienen. Dien dan de Here, want dan heb je de juiste kijk op de dingen die gebeuren en ook op je ‘schatten’ op aarde.

Want het is toch duidelijk? God heeft alles in Zijn hand. We moeten ons dan ook niet bezorgd maken. God regeert. God ziet alles. Hij wil ons leven beheersen. Hij leidt ons door dit leven heen. Dat kan soms best stormen, maar God weet het. Het leven is meer waard dan het voedsel en de kleding. Het leven is in Gods hand. Kijk nu toch eens om je heen. De vogels en de bloemen en de leliën des velds. Wat kunnen we ons toch bezorgd maken over de dingen die er helemaal niet zijn. Kleingelovigen. Vertrouw op God. God in de hemel weet dat wij dit alles nodig hebben. En elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Dat is duidelijk. Ja, roept iedereen, dat is gemakkelijk gezegd. Maar ik heb deze zorg en ik heb geen werk. En wat moet ik nu dit en wat moet ik nu dat. Jezus kan dat nu wel gemakkelijk zeggen, maar, maar, maar, maar. Ja, dat weet Jezus ook wel. En daarom zegt Hij het allemaal zo duidelijk.

Want we zitten wat af te klagen. We zitten wat vast aan ons eigen zicht op de dingen zoals wij vinden dat het allemaal zou moeten. Maar Jezus zegt: Dat kan allemaal wel zo zijn. Maar wacht nou toch eens even. Kun jij het allemaal bepalen? Kijk toch eens om je heen. Leef toch in Mijn licht. Zet je hart op Mij. Verwacht het van Mij. Zoek toch eerst de dingen die boven zijn. Want daar moeten we het van hebben. Dat is onze blikrichting. Hier op aarde vinden wij het niet. Hier heerst de dood en de zonde. Weer je daar voor. En zie naar Mij. Samen met Mij, leid Ik je door dit leven. En jullie zijn Mij zeer kostbaar. Ik wil je helpen. Ik zal je leiden. Ook door de donkere dalen heen. Ja, zelfs door de dood heen. De dood jaagt dan geen angst meer aan. Want we hebben ons al gericht op het Koninkrijk dat komt. Dat heb Ik jullie toch net geleerd: Om te bidden. Heerlijk toch? En het is echt waar. Doe het maar. En zie je het niet meer zitten? Ik ben er en Ik zal je nooit in de steek laten. Want Ik ben Zelf het hards bezig om die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, waar gerechtigheid heerst, tot in der eeuwigheid te grondvesten.

Matthéüs 7:1-12

8 februari [2]

7:1

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt;

7:3

Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet?

7:5

Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen.

7:6

Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.

7:7

Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden.

7:9

Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om een brood vraagt, hem een steen geven?

7:10

Of als hij hem een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven?

7:11

Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.

7:12

Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.

De Bergrede is een magistrale rede. Het is een aaneenschakeling van leven gevende woorden die je recht op je voeten zetten en die je bij je positieven bepalen. Het is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en het geeft alle argumenten om goed terecht te komen en de boze te pareren. Het is een fantastische rede. Je zou hem moeten inlijsten. Matthéüs heeft het heel goed gezien. Hij is erbij geweest. De mensen hebben er nog lang over gesproken. We spreken er nog over.

Het is uit het leven gegrepen. Bij voorbeeld over dat oordelen: ‘Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt’. Nou, dat weten we allemaal. Er kan maar niet iets gebeuren of we hebben ons oordeel klaar. We hebben het als het ware in ons bloed. Het gaat vanzelf. We hebben, denk ik, niet eens in de gaten hoe automatisch we ons oordeel klaar hebben over van alles en nog wat. En het lijkt wel of we in principe altijd negatief oordelen. Als we iets zien wat we niet kennen, dan hebben we ons afkeurend oordeel al klaar. We gunnen ons niet eens de tijd en het denken om er positief over te oordelen. Het lijkt wel of de ander altijd moet vechten en zich verdedigen om zijn idee of standpunt of handelwijze of wat dan ook, te verdedigen. Daar word je moe van. We zouden een Sire-reclame moeten houden om de mensen positiever naar elkaar toe te krijgen. En ze te helpen om niet altijd met commentaar en hun oordeel klaar te staan. Dan zou de wereld er in een klap veel beter uit zien. En het is uitermate bijbels. Het heeft weer te maken met de liefde. Wat is de vervulling van de wet: Liefde. Wat werkt liefde uit? Alles. Pas het maar toe. Op liefde kun je een hele economie draaien. Pas het maar toe. Wat een voorrecht. Wat een zegen.

We leggen de meetlat bij het kleinste van een ander, maar we zien niet eens de balk in ons eigen oog. Begin daar nou eens aan, zegt Jezus. Je bent zelf ver­blind door die balk. Dat vertroebelt je zicht, je onderscheidingsvermogen. Ga nu eens met je zelf aan de slag. En als je daar een eind mee op weg bent, dan kun je de boel goed onderscheiden. Dan reageer je niet meer bot, maar dan ben je in staat om vol van liefde ook de splinter in het oog van je naaste weg te doen. Want wat denk je dat die naaste zal zeggen als hij je bezig ziet om met je te vitten. Hij zal dan zeggen: ‘Dat moet hij zeggen. Kijk eens wat voor ‘n balk hij in zijn eigen oog heeft’. En dan volgt er wat. We moeten dan zelf ons heiligen en reinigen, willen we ooit in staat zijn om anderen te helpen op de weg van Jezus te komen en te blijven.

En geef het heilige niet aan de honden en werp uw paarlen niet voor de zwijnen. Je moet met de dingen die je heilig zijn heel voorzichtig omgaan. Je moet er niet met de verkeerde mensen mee bezig gaan. Want ze hebben geen goede bedoelingen en ze zullen je terugpakken en het je afpakken en naar zich toedraaien. Je bent dan alles kwijt en ze zullen ook nog proberen om je uit de weg te ruimen. Letterlijk en soms ook figuurlijk of andersom. Het zijn wijze raadgevingen, waar we ons voordeel mee kunnen doen. Toepassen en er niet overheen lezen en overgaan tot de orde van de dag. Het zijn mensveranderen­de woorden die alleen werken als je ze ook toepast in je leven. Doe je het niet, dan kunnen deze woorden je achtervolgen. Want als je het wel geweten hebt en je doet er niets mee, dan moet je ook niet zeuren als je in de praktijk van je leven ermee vastloopt. En wat je er dan mee moet doen, is met grote haast je corrigeren en je leven indelen volgens deze woorden. Je zult ontdekken hoe geweldig bevrijdend het evangelie is. Doen!

Over het gebed is al zoveel gepraat. Daar is zoveel verwarring over. Het vol­gende stukje is heel belangrijk. Want hoe kan het nou dat je iets bidt en het is toch anders? Zou ik dan niet goed bidden? Waarom verhoort God het ene gebed wel en het andere niet? Kijk nu toch eens, nu is hij of zij toch gestor­ven, terwijl er zoveel voor gebeden is. Dat is toch niet eerlijk. Enz. enz. enz. En de vragen vermenigvuldigen zich. Hier staat een heel sterke vraag. Of welk mens onder u, zal als zijn Zoon hem om een brood vraagt, hem een steen geven? Even over nadenken. Ik ben vader. Mijn kind vraagt een brood. Ik ga naar de keuken en ik geef hem een steen. Nou, dat is belachelijk. Dat is een stomme gedachte. Dat komt toch helemaal niet in je op?. Je gaat je zoon toch niet een steen op zijn bord leggen met de bedoeling dat hij die opeet? Dat is zo bizar. Dat is zo bezijden de werkelijkheid, dat iedereen hiervan de onzin inziet. Wat is dan het antwoord op gebed? God zal je altijd antwoorden en verhoren naar wat het beste is. Daar vaar je wel bij. Je bidt dan ook als kind naar de vader, in het volste vertrouwen dat Hij je hoort en verhoort. Want ook het kind als het om een raad vraagt, weet heel zeker dat vader geen steen zal geven. Dus er is een absoluut wederzijds vertrouwen. En het kind zal ook niet opstaan tegen de vader. Want het weet dat het de vader is die boven hem staat. Wie hij kan vertrouwen. De vader-kind-relatie is de beste manier om de vraag van het gebed te beantwoorden.

En het is dan ook zo vast en zeker dat Jezus antwoord: Bidt en u zal gegeven worden. Je krijgt dus altijd het beste wat God voor je kan bedenken. Zoekt en gij zult vinden. Je moet wel zoeken en dan zul je vinden. Als je niet zoekt dan vind je ook niet. Het waait je niet aan. Je moet er wel je best voor doen. Dat is toch een eerlijke zaak? Als je twijfels hebt over de Bijbel, als je het wel weet maar niet doet. Dan moet je ook niet piepen dat je het niet vindt. Zoeken is een actief bezig zijn om iets te ontdekken dat je kunt vinden. En het geheim is dat het te vinden is. Het Woord van God ligt open en bloot beschikbaar voor iedereen. God heeft alle mensen lief. Doen dus! Zoeken! Nu!

En als je klopt. ‘Heer, laat me binnen.’ Dan wordt er opengedaan. Want God laat geen bidder staan. Je moet wel kloppen. En het geheim is dat God dat allemaal in onze harten wil werken. Als we gaan ontdekken dat we mogen en moeten denken uit onze Schepper, dan kan Hij ook doordringen in onze harten met de zegeningen die Hij voor ons in petto heeft. En dan is het ook zo, dat als wij goede gaven weten te geven, hoewel zij slecht zijn en zondig, hoeveel te meer dan onze hemelse Vader? Hij, Die geen zonde kent. Hij, Die de heilige God is. Hij kan toch niet anders dan ons het goede geven. Maar dan moeten we ons wel voor Hem verootmoedigen en ons leven heiligen en reinigen. Want anders brengen wij het in onze hartstochten door. We bidden wel, maar verbijten en vereten elkaar. Dat gaat natuurlijk niet. Dan kan Gods kracht niet doordringen. Dan lopen we vast. Toch eigenlijk allemaal heel simpel. We moeten het niet zo moeilijk maken. Dat we dan geen vragen hebben, is onzin. Want er blijven zoveel onbeantwoorde vragen over. Maar de kern is dat we onvoorwaardelijk moeten geloven dat God onze Vader altijd het goede met ons voor heeft en Hij ons die dingen geeft waarom we als kinderen het beste af zijn. ‘Here help ons, om U onvoorwaardelijk lief te hebben en op Uw Woord te geloven. Het valt soms niet mee. Maar ik vraag het U. Ik klop aan Uw deur en ik bid ervoor.’

Matthéüs 7:13-29

9 februari [2]

7:13

Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan;

7:14

want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.

7:15

Wacht u voor de valse profeten, die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven.

7:16

Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels?

7:18

Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen,…

7:19

wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

7:21

maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is.

7:22

Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd…

7:23

Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

7:24

Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots.

7:25

En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest.

7:26

En een ieder, die deze mijn woorden hoort en ze niet doet, zal gelijken op een dwaas man, die zijn huis bouwde op het zand.

7:27

En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het viel in, en zijn val was groot.

7:28

En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen versteld stonden over zijn leer,

7:28

want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden.

Als ik dit lees van de brede en de smalle weg, dan denk ik altijd aan de beken­de plaat van de brede en de smalle weg. De smalle weg is heel moeilijk en de brede weg is heel gemakkelijk. Daar heb je de feestende mensen en de smalle weg is de weg vol verleidingen en de moeilijke weg. Je krijgt haast de gedach­te dat de weg met God de moeilijkste weg is. Je wordt er ook een beetje bang van. Ik moet die plaat nog eens goed bekijken. Wat zit er achter die plaat. De Christenreis van Bunyan. Dat is een klassiek boek. Dat lazen ze allemaal. En dat lezen ze nog. En smal is de weg die ten leven leidt en weinigen zijn er die hem vinden. De duivel doet inderdaad alles om ons te verleiden. Hij probeert ons van God af te trekken. En dat doet hij op allerlei slinkse manieren.

Maar ik denk, hoe langer hoe meer dat het belangrijk is om de weg met God als een prachtige weg af te tekenen. Het is het mooiste wat je kunt hebben. Het is er vrede en rust en blijdschap en geluk en halleluja en de regenboog en alles wat je maar kunt bedenken wat goed is. Het zijn de vruchten van de geest. De brede weg is de weg vol verleidingen en verlokkingen. Het is toch geweldig in de hemel? Het is toch geweldig om op de smalle weg te zitten? Het is een prachtige weg. Het is een weg die veel hoger voert. Het is een weg die je met steeds meer blijdschap gaat, want niets kan je scheiden van de liefde van God. Natuurlijk is het een enge weg. Want het is een weg van gehoorzaamheid aan God. En als je gehoorzaamheid geleerd hebt dan wil je ook niet anders. Daar wordt je als maar blijer van. En blij, dat willen we zijn. Want wat is het grootste gebod. Gij zult de Here uw God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en uit alle krachten. Dit is het eerste goede en het grote gebod en het tweede daaraan gelijk is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten. Zo is dat. Dat kan niet stuk. Dat is wat we elke zondag horen. En dat is de waarheid. Daar worden we toch enthousiast van? Heerlijk toch?

Daarom, wacht u voor de valse profeten. Ze drommen als maar om je heen. Maar je moet je er ver van houden. Ze zijn roofgierige wolven. Ja, dat is waar. Want ze proberen je steeds van God af te trekken. Dat is een strijd. Maar een strijd in de overwinning. Want de overwinning is behaald op het kruis van Golgotha. Heerlijk toch? Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Je kunt rust vinden voor je ziel.

Je kunt toch zien dat hun vruchten de dood zijn. Wie is er nou gelukkig ge­worden van drugs en alcohol en hasj? Daar word je toch moe van? Daar ga je toch aan kapot?. Weg wezen! Dicht bij God blijven. Je ziet het aan de vruch­ten. Goede bomen brengen goede vruchten voort. Let dus op de vruchten. En je weet, iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehou­wen. Die gaat naar de hel. Die wordt verwijderd. Weg met hem. God rekent met hem af. En zit er maar niet over in. God zal je beschermen. Hij staat als een muur om je heen. Hij laat je nooit in de steek. En pas zelf op. Want je kunt wel denken dat je vroom en heilig bent, maar in je hart verbijt en vereet je je. Dat kan niet. Dat staat haaks op Jezus. En daar rekent God ook mee af. Je kunt voor de mensen wel een vroom gelaat hebben, maar als het niet echt is dan kom je ook niet in het Koninkrijk der hemelen. Je kunt zelfs boze geesten uitgedreven hebben en geprofeteerd. Maar het komt er op aan waar je hart is. Waar je hart is daar zal ook je schat zijn. Het gaat om God. En dan zal op de jongste dag gezegd hebben waar de vruchteloze boze bomen worden uitge­houwen ook gezegd worden: ‘Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid’.

Dat is duidelijke taal. Je kunt zelf kiezen. Wat wil je? De weg van God? De blijde weg? De heerlijke weg? De weg naar de hemel? De weg waarin je beschermd wordt door God? En Jezus zegt het heel zwart-wit. Let op de goede bomen die goede vruchten voortbrengen. En je moet je niet in de war laten brengen, want van goede bomen komen geen slechte vruchten. Zijn er dus slechte vruchten, dan zijn het geen goede bomen. Weg met hen. En laat je niet door de schijnheilige leidslieden in de war brengen. Blijf zelf bij het Woord van God. Je hebt zelf de openbaring. Je moet het zelf steeds toetsen.

En dan is het verhaal afgelopen. En nog eens het principe. Het gaat over bou­wen op de rots en bouwen op het zand. Nou, dat is duidelijk. Als het regent en stormt dan valt het huis ineen. En als het op de rots gebouwd is, dan kan het stromen maar dan blijft het vast staan, want het is op de rots gebouwd. En die rots is Jezus. En wie wil er tijdens de storm niet blijven staan? Toch iedereen? Je wilt toch de hele boel niet ingezakt zien? Dat is toch grote ellende? En ja hoor. God wil je je huis laten bouwen op de rots. Dat is duidelijk. En dat kan. Want Jezus is gekomen om je te helpen. Te redden. Te bewaren voor de boze mannen. Voor de duivel, die probeert je op zand te laten bouwen. En dat moet niet. Dat moet niet. En let op, je val is groot. Wat een verhaal. Wat een hou­vast. Wat een reddingsboei. Wat een anker.

Nou, de mensen zijn onder de indruk. Wie ook niet? Want ze horen woorden die ze nog nooit gehoord hebben. Indrukwekkend. Bevrijdend. Niet knech­tend. Niet naar beneden drukkend. Wat een feest. Ze stonden versteld. Is dat het evangelie? Is dat de Messias? Want Die zou komen om hen te bevrijden. Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerde. De schrift­geleerden leerden hen knechtend. Daar kwam geen vrijheid uit voort. Maar dwingend en knechtend. Daar word je niet blij van. Daar word je alleen maar moe van. En dat is nu precies het omgekeerde waar Jezus voor kwam. Hij kwam om je te bevrijden. Dank U Heer, voor zoveel liefde. En zoveel geduld. Het eeuwige leven beleef je nu al met Hem. Want Hij draagt je veilig door dit leven. Het is een weg waar je steeds blij van wordt. Heerlijk! Heerlijk!

Matthéüs 8:1-17

10 februari [2]

8:2

Here, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.

8:3

Ik wil het, word rein.

8:4

En Jezus zeide tot hem: Zie toe, dat gij het aan niemand zegt, maar ga heen, toon u aan de priester en offer de gave, die Mozes heeft voorgeschreven, hun tot een getuigenis.

8:6

Here, mijn knecht ligt thuis, verlamd, met hevige pijn.

8:7

Zal Ik komen en hem genezen?

8:8

maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen.

8:10

bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden!

8:11

Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Izak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen;

8:12

maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

8:13

Ga heen, u geschiede naar uw geloof.

8:15

En Hij vatte haar hand en de koorts verliet haar, en zij stond op en diende Hem.

8:16

Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen,…

8:17

Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.

Een lijst met wonderen. Als Matthéüs alle wonderen zou verhaald hebben dan was Hij nog aan het schrijven. Want zoals Johannes zijn evangelie beëindigt, zo is het. Al de boeken van de wereld kunnen niet bevatten alle wonderen die de Here Jezus gedaan heeft. Er komt geen einde aan. Wat zullen er een men­sen rondgelopen hebben die hierdoor genezen waren. Wat een getuigenissen. Het land zat er vol van. Wat een zegen. Wat een blijdschap in vele harten, gezinnen, gemeenschappen, dorpen en steden en organisaties. Dat is toch geweldig? Dat is pas opwekking. Daar kun je niet genoeg van krijgen. Wat een feest. Wat een zegen.

Het begint met een melaatse die genezen wordt. Zijn vraag is: Als U wilt, kunt U mij genezen’. En Jezus zegt: Ik wil het. En hij wordt genezen. Maar Jezus zegt: Zeg niet dat Ik het gedaan heb. Maar doe precies wat in de wet, in Levi­ticus 14, voorgeschreven wat een genezen melaatse moet doen. Dat was een heel ritueel. De man wist absoluut zeker dat Hij genezen was. Waarom dan nog naar de priester? Jezus wilde niet dat er ophef kwam. Want als de man weigerde naar de priester te gaan dan zouden ze Jezus beschuldigen van wets­verachting. En hoogmoed en al wat ze meer konden bedenken. Lees ook het verhaal van de blind geborene in Johannes. De bediening van Jezus moet bestreden worden. Ontkracht. Daar moest tegenin gegaan worden. Geen pro­feten worden geëerd. Ze hebben de profeten altijd al vervolgd. Kijk naar Jesaja, Jeremia, Elia. Want de profeet kwam, om op te roepen tot bekering. En dat is tegen het zere been. Want je legt de vinger op de wonde. En dat doet zeer. En zo is het ook met Jezus. Zo is het met de profeet vandaag. En zijn er dan nog profeten?

Het volgende is nog vreemder. Daar komt een heiden, die vraagt om genezing. Dat kan toch helemaal niet. En nog wel een Romein. Een hoofdman. Wat krijgen we nou? Jezus houdt Zich in met een heiden. Daar moet je met een grote boog omheen. Daar moet je zeker geen goed aan doen. Het is de bezet­ter. Het is je tegenstander. Zij verwachten een Messias die de Romeinen uit het land zou werpen. Kijk die Jezus nu eens. Jezus zegt: Zo’n groot geloof ben Ik in Israël nog niet tegengekomen. Maar deze hoofdman is er zeker van dat Jezus geneest. Net zo zeker dat hij tegen een soldaat zegt: Ga!, en hij gaat. Jezus ziet vooruit en Hij zegt: Er zullen van Oost en West en van de hele wereld buiten de Joden, mensen aanliggen met de aartsvaders in het Konink­rijk der hemelen, maar de kinderen van het Koninkrijk zelf, zullen buiten geworpen worden. God schiep immers de wereld om die te behouden. Jezus kwam voor de verzoening van de zonden van de gehele wereld. Het heil is voor de hele wereld. Maar de Messias kwam uit het uitverkoren volk. De Joden. Maar van de Joden zullen buiten geworpen worden. Daar zal het ge­ween zijn en het tandengeknars. Dat is profetie. Dat is tegen het zere been van de leiders van het volk. Want hun heil is exclusief voor de Joden. De heide­nen, die de wet niet kennen en buiten de verbonden vallen. Dat kan toch nooit goed zijn? En de knecht wordt genezen op geloof. U geschiede naar uw ge­loof. Wat een verhaal. Wat een doorbraak in het denken. Wat een revolutio­nair optreden.

En daarop volgen nog meer genezingen. De schoonmoeder van Petrus ligt op bed. Jezus vat haar bij de hand. Ze kan weer bedienen. Want ze moet helpen. En dan komen ze met de bezetenen en de ernstig zieken. Misschien wel op een ezel. Misschien wel vastgebonden. Misschien wel aan het eind van hun Latijn. We weten het niet. Maar ze komen. En Hij genas hen allen. Wat een profetie. Wat een liefde. Had Jesaja het niet gezegd, zegt Matthéüs. Opdat vervuld zou worden hetgeen de profeet Jesaja gezegd heeft: “Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.”

Nou, dat was helemaal niet in hun gedachten opgekomen. Want een lijdende Messias, dat kan er bij hen niet in. En om dat in verband te brengen met gene­zingen. Daar hadden ze nog nooit aan gedacht. Dat was onmogelijk. Maar Matthéüs wil aan zijn volksgenoten uitleggen hoe het werkelijk zit. Hij schrijft dit allemaal op om de schriften, de profetieën, toe te passen op Messias Jezus. Lees het, nu roept hij. Kijk daar staat het. Het is daarom ook zo vreselijk belangrijk dat we de eenheid van de Schrift zien. Er is geen oud en nieuw testament. Er is maar een recht doorlopende openbaring van God. Van de Alfa en de Omega. Het begin en het einde. Wat een openbaring. Prijs de Heer! Prijs de Heer! Lezen, lezen en nog eens lezen. Glorie voor Zijn Naam!

Matthéüs 8:18-34

11 februari [2]

8:18

Toen Jezus een schare rondom Zich zag, beval Hij te vertrekken naar den overkant.

8:19

En er kwam een schriftgeleerde tot Hem en zeide: Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.

8:20

En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te legen.

8:22

Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.

8:24

maar Hij sliep.

8:25

Here, help ons, wij vergaan!

8:26

Waarom zijt gij bevreesd, kleingelovigen?

8:27

Wat voor iemand is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn?

8:29

En zie, zij schreeuwden, zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons vóór den tijd te pijnigen?

8:31

Indien Gij ons uitdrijft, laat ons dan in de kudde zwijnen varen.

8:32

En Hij zeide tot hen: Gaat heen!

8:34

en toen zij Hem zagen, drongen zij er bij Hem op aan hun gebied te verlaten.

Kijk, daar kwam die schriftgeleerde. Hij wilde Jezus volgen overal waar Hij ging. Maar Jezus zag zijn hart aan. Hij wist dat die schriftgeleerde een schrift­geleerde was van het volk. Er was niets in hem om los te laten. Jezus zegt dan ook: ‘…maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leg­gen’. Hij heeft geen blijvende plaats hier op aarde. Er zit, denk ik, ook achter, dat Jezus altijd achtervolgd wordt door de systemen van de mensen, die Hem in hun dogma’s willen pakken. Hem willen vasthouden. Dat probeerden de schriftgeleerden ook. Zij deden alles om hem in hun categorie te plaatsen. En tot nu toe, paste dat niet. Ze hadden Hem afgewezen. Hij kon de Messias niet zien. Het klopte niet. Ze wezen Hem af. En deze schriftgeleerde dacht er ook te licht over. We weten niet wat deze man verder gedacht en gezegd heeft. Maar het antwoord is duidelijk. Ook voor ons. Als wij Jezus willen volgen, dan moeten we bereid zijn om Hem te volgen, overal waar Hij heen gaat. Hij gaat naar de plaatsen waar wij eigenlijk zelf niet heen willen.

En de volgende komt en zegt: Heer, ik wil U volgen, maar ik moet eerst mijn vader begraven. En Jezus geeft naar onze mening een raar antwoord. ‘Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.’ Het is toch wel een beetje te gek dat je zelfs de doden niet mag begraven. Maar ik denk, dat er staat: Jullie heb­ben eerst allerlei voorwaarden, voordat je Mij wilt volgen. Weg met die voor­waarden. Het is onvoorwaardelijk je overgeven aan Mij. Geen bedenkingen, geen eigen regels. Volg Mij, is volg Mij. Radicaal, zonder voorwaarden. En wat al het andere betreft. Dat is aan de wereld. Dat is aan de mensen die Mij niet willen volgen. Die zeggen dat ze bezig zijn met gewichtige dingen. Maar ze hebben het leven niet. Zij zijn in de dood. En laten zij maar hun zaken zelf regelen. Laat je daar niet door verhinderen om Mij radicaal te volgen. Laat de doden de doden begraven. Maar jij bent van het leven. Als jij Mij wilt volgen, laat dan alles achter je. En ga met Mij. Op de weg van het leven. En wij pro­clameren het leven tegenover de dood.

En dan komt de storm op het meer. Hèt kinderverhaal bij uitstek. Hebben we de betekenis ooit goed begrepen? Het is eigenlijk een zware preek tegen de discipelen. Want ze hebben Jezus gezien. Ze hebben Zijn grote kracht gezien. Zij weten wat Hij kan. Zij weten dat Hij hen nooit in de steek laat. Het stormt. Hij slaapt. Nou, dat slaat al nergens op. Ze kunnen het niet hebben. Here, help, wij vergaan. Ja, ze voelen de dood dreigen. En Jezus doet niets. Hebben ze zich wel onvoorwaardelijk overgegeven aan Hem? Of zitten ze nog met al hun vlees vast aan het leven en het eigen denken, hoe alles zou moeten gaan. Jezus zegt dan ook: ‘Waarom zijt gij bevreesd, kleingelovigen?’ En dat is de kerk. We moeten een groot geloof hebben, dat bergen kan verzetten. We moeten de wereld ingaan. De vijanden pareren met geloof. Met kracht. Met verve. Want God is machtiger dan elk woord van de tegenstander. Maar wat doen ook wij? Wij kruipen ook vaak in onze schulp. Wij zwijgen ook vaak. Wij weten het ook niet. Natuurlijk wordt het stil. Jezus bestraft de wind. Hij laat Zijn al­macht zien. Hij wil zeggen: Ik ben altijd bij jullie. Ik laat je niet in de steek. Zelfs al was je gestorven. Ik ben er. Ga met Mij mee, dwars door alle stormen van het leven. Want Ik ben machtiger, dan alle stormen. De boze zal proberen je eronder te krijgen. Ze hebben Mij verzocht en ze zullen het jullie ook doen. Maar weersta de boze. En Ik ben gekomen om je te helpen. Volg Mij maar, Ik laat je nooit in de steek. En natuurlijk verwonderen de mensen zich. Ze vragen zich in alle verbazing af wat voor mens dit is, dat zelfs de winden Hem gehoorzamen. Wat een tragische opmerking. Ze springen niet op en herkennen en erkennen in Hem de Messias niet. Wat voor mens is dit? Maar beste men­sen, het is geen mens. Het is jullie Messias. Zie het toch! Volg Hem! Kom naar Hem toe. Hij ìs het.

Matthéüs gaat verder. Duivels worden uitgedreven. De duivel weet wie Jezus is. Ze roepen dan ook: Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor onze tijd? Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Hoort u het? De duivels weten wie Jezus is. En zij sidderen. Ze zijn bang. Zij weten dat Hij de Messias is en zal komen om de wereld van recht en gerechtigheid te grondvesten. Hij komt. En nu zijn ze bang. Overal waar Jezus komt gaan de duivels op de vlucht. Dus wil je geen last hebben van de duivel: schuil dan bij Jezus. Heer­lijk toch? Ga met al je vragen, met al je zorgen, naar Jezus en schuil bij Hem. En Hij zal je rust geven, vast en zeker. Heerlijk toch?

De boze geesten smeken. Als U ons uitdrijft laten we dan in die kudde zwij­nen mogen gaan. Nou, dat is vreemd. Zwijnen in Israël? Dat zijn toch onreine dieren? Die mochten helemaal niet gehouden worden. Wat een afval. Wat een zonde. Wat een gevaar. God is verbolgen op de mensen die van Zijn geboden ten leven afwijken. En daar gaan de geesten in de zwijnen, die worden gek en storten van de helling af in de zee. Weg. De mensen lopen uit. Ze staan ver­baasd. Ze weten van de boze geesten. Niemand durfde bij hen in de buurt te komen. Ze leefden in de grafsteden. De dood bij de dood. Maar kijk nou eens, daar is onze nering. De boer is arm. Weg zijn de zwijnen. En wie zal dat beta­len. Nee, daar moeten ze niets van hebben. Dat gaat hen te ver. Weg met Jezus. Jezus, ga alstublieft weg. Want U tast ons brood aan. En dat willen we niet. We worden arm als we verder U Uw gang laten gaan. En zij drongen er bij Hem op aan om hun gebied te verlaten. Natuurlijk willen ze Jezus wel eens zien. Natuurlijk zijn ze onder de indruk van Zijn wonderen. Natuurlijk zijn ze blij dat die gevaarlijke boze geesten weg zijn. Maar dat weegt allemaal niet op tegen het verloren gaan van hun welvaart. Jezus mag alles doen, maar kom niet aan onze handel. En is dat niet uit het leven gegrepen? Het is zo waar als tweemaal twee vier is. Zo zitten we in elkaar. We zitten met onze vezels vast aan ons aardse bestaan. Levensgevaarlijk. Wat te denken van alle armoede in de wereld en onze weigering om er wat aan te doen? We geven hier een fooi en daar een fooi. Maar voor de rest laten we de boel maar creperen. Dat slaat toch nergens op? O Here God, wat moet U met de bezem door de zwijnenstal gaan. We hebben er niets van gemaakt. Het is vreselijk. O Here God, help!

Matthéüs 9:1-17

12 februari [2]

9:2

En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven.

9:4

Deze lastert God.

9:5

Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?

9:6

Maar, opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven – toen zeide Hij tot den verlamde: Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

9:8

die zulk een macht aan de mensen gegeven had.

9:9

zag Jezus iemand bij het tolhuis zitten,… Hij zeide tot hem: Volg Mij.

9:11

Waarom eet uw meester met de tollenaars en zondaars?

9:12

Zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn.

9:13

Gaat heen en leert, wat het betekent: Barmhartigheid wil ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

9:14

Waarom vasten wij en de Farizeeën wèl, maar uw discipelen niet?

9:15

Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten.

9:17

maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden.

En Jezus verlaat het land der Gardarénen, ten Zuid-Oosten van het meer van Galilea. De boze geesten zijn uitgedreven, maar de varkens, de have, het broodgewin, is in de zee gestort. Weg met Jezus. Kom niet aan mijn brood. Dan gaat het te ver. Goed, ik wil wel geloven, maar je moet me niet aan mijn geld komen. Maar Jezus had ook al gezegd: Je kunt niet God dienen en de Mammon. Dus: Weg met God, zeggen dan heel veel mensen. En dat is de ellende.

Hij komt weer in Kapérnaüm. En het gaat door. Ze komen met een verlamde. Hij ziet hun geloof. Dat is steeds een kenmerk. Hij ziet hun geloof. Het gaat dus bij genezing, maar bij alles wat God doet, om geloof. Als we denken: Laten we het eens proberen, dan is dat geen geloof. Of baat het niet dan schaadt het ook niet. Dat slaat nergens op. God laat zijn eer niet roven. Hij is een jaloers God. Hij laat Zijn Almacht niet delen met wie of wat dan ook. Dat is toch duidelijk? Daarom moeten we eens stoppen met al dat twijfelachtig gedoe, waar we vol mee zitten. God kan alles. Dus God kan alles. Hij is Al­machtig. Hij weet wat er moet gebeuren. Hij reageert op ons geloof. En ook op ons ongeloof. Want hij veegt er de vloer mee aan.

Hij begint de verlamde te zeggen: ‘Uw zonden worden vergeven’. Nou, daar heeft de verlamde nog al wat aan. Hij kwam om genezen te worden. Het was duidelijk dat men vond dat de verlamde of zijn ouders gezondigd moesten hebben, want anders was hij niet verlamd. Zie het verhaal van de blindgebo­rene. Wat een dwaalleer. Wat een tragiek. Je bent verlamd, je hebt een afwij­king, dus je moet een zonde hebben òf zelf òf in je familie. Het moet in ieder geval een straf van God zijn. Dat is toch te gek? Dat kan toch helemaal niet? Vreselijk! En ja hoor, daar heb je het al. De schriftgeleerden liggen op de loer. Ze zullen Jezus pakken waar ze kunnen. Zeggen: ‘Deze lastert God’. Een mens kan geen zonden vergeven. En als er al zonden vergeven zouden kunnen worden dan is het aan de schriftgeleerden en de priesters. Maar niet aan deze wonderdoener uit een achtergebleven gebied. Neen. Dat kan niet.

Maar Jezus torent daar boven uit en zegt: ‘Opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft, op aarde zonden te vergeven.’ Tot de verlamde zegt Hij: ‘Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis’. En dat gebeurt meteen. Dat is macht. Want iedereen zal toch doorhebben dat het gemakkelijker is te zeg­gen ‘Uw zonden zijn u vergeven’, dan te zeggen: ‘Neem uw matras op en wandel’. Ja, dat is duidelijk. En de mensen verheerlijken God, Die zulk een macht geeft aan mensen. Tragisch ook. Nu zien ze niet dat ze hier oog in oog staan met hun Messias. En wat zullen de schriftgeleerden tekeer zijn gegaan. Ik zie ze op een holletje naar hun collega’s lopen om de schade van wat Jezus gezegd heeft te bespreken en samen te overleggen hoe ze deze ketter het zwij­gen op kunnen leggen. Maar het verhaal is duidelijk. Matthéüs tekent hier scherp de confrontatie met de Joden. Ze willen niet zien dat Jezus hun Messias is. Wat kunnen mensen verblind zijn. Wat kunnen ze vast houden aan een verkeerde voorstelling van zaken. Hoe gaan we zelf ook niet vaak aan de meest vanzelfsprekende dingen voorbij? Bijvoorbeeld de profetie? Wat is het vanzelfsprekend om te denken en te ontdekken dat Jezus de vervulling der profetie is. En hoe gaan we daar niet aan voorbij, door alle profetieën, die nog moeten gebeuren aan de kerk toe te wijzen. Dat slaat nergens op. Dat verach­tert de profetie. En hoe je daar ook op hamert, hoe je ook probeert duidelijk te maken dat het toch vanzelfsprekend is, het blijft heel moeilijk om een heel bouwwerk van theologie daarvan te doordringen. Zo ook hier. De mensen komen wel onder de indruk van de wonderen. Maar ze erkennen daarmee nog niet dat het gaat om Messias Jezus. Tragisch. Wat missen ze een kracht en een boodschap. En wat ontnemen ze zichzelf een heil. Laat het een waarschuwing zijn.

En het volgende verhaal is al even confronterend. Jezus zegt tegen een tolle­naar: ‘Volg Mij’. Dat is toch wel het laatste wat je doet? Stel je voor dat je tegen een pooier in Amsterdam zou zeggen: ‘Volg mij’. Je laat het wel uit je hoofd. Dat zijn toch de meest slechte mensen? Dat doe je niet. Zo iemand, die dat doet, die hoort er niet bij. Neen, daar begin je niet aan. Als je dat soort dingen begint te doen, dan lig je er wel helemaal uit. En zo gebeurt het ook. En waarom moet Jezus nu ook altijd confronterend bezig zijn? Je kunt toch wel een keertje normaal doen? Je hebt ook telkens weer wat. Dat moet je niet doen. Dat is stom. Dat slaat nergens op. En zo gebeurt het ook. Matthéüs staat op en volgt Jezus. Dat is de kracht van de uitnodiging. Als Jezus zegt: ‘Volg Mij’, dan is dat met de kracht van de levensveranderende, reddende bood­schap van Jezus. Dat is onweerstaanbaar. Dan ga je. En dat is vandaag nog net zo. Waar je ook zit. Draai je om. Jezus roept u. God roept u. Jezus houdt van u.

Jezus ligt aan met vele tollenaars en zondaars. En dan heb je de poppen aan het dansen. Kijk nou eens, zeggen de leidslieden: Hij ligt aan met tollenaars en zondaars. En de roddelmachine draait op volle toeren. Nou, daar kun je zeker van zijn. Net als bij ons. Zo gauw er maar iets anders gaat dan normaal, dan staan we al klaar. Als er iets gebeurt dat wij niet kunnen rijmen, dan plui­zen wij het ook uit. Dan deugt er ineens niets meer van. Vreselijk! Maar het ontwapende antwoord van Jezus is: ‘Zij, die gezond zijn, hebben geen genees­heer nodig, maar zij, die ziek zijn’. En dan weer vanuit hun eigen profetie, waarvan Jezus de vervulling is: ‘Barmhartigheid wil Ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars. Dat wisten ze. Want ze kenden de schriften. En het zijn de schriften die van Hem getuigen. Dit kwam uit 1 Samuël 15:22 en Hosea 6:6. En als er een profetisch boek was dat ze kenden, dan was het wel Hosea. Ze worden uitgedaagd om hun eigen profetie te lezen. Het is wel weer hoog spel, want Jezus zegt dus dat Hij de vervulling is van deze profetie. En daar zijn ze nog lang niet van over­tuigd. Dat is te veel van het goede. Jezus balanceert op de rand van hun agres­sie. Maar het blijft confronterend. Want als we niet radicaal willen buigen voor het Woord van God, dan hebben we een verwarde God, een eigendunke­lijke Messiasopvatting en dan komen we nergens terecht. Matthéüs gaat door om zijn volksgenoten te bepalen bij hun eigen profetie. Zien jullie het dan niet? Hij is de Messias. Het is duidelijk. Jullie kunnen daar niet onderuit. Prijs de Heer!

En zo gaat het door. Nu weer het vasten. De discipelen van Johannes vasten wel en die van Jezus niet. Waarom houden jullie je niet aan de vastendagen? Waarom dan toch steeds weer tegen de draad in? Dan roep je toch om proble­men. Houd je dan toch aan de regels. En het antwoord is ook weer ontwape­nend en confronterend: De bruidegom is toch bij hen? Dan vast je toch niet? Dan vier je feest. Maar als de bruidegom weg is, dan is het weer tijd om te vasten. Wat een profetie. Want de bruidegom wegnemen, dat kan toch niet? Want de Messias zou toch komen om altijd bij hen te blijven en te regeren vanuit Jeruzalem. De Joden wisten van de overwinnende Jezus. Ze wilden niet aan een lijdende knecht des Heren. Daar hadden ze niet van gehoord.

Jezus brengt een nieuw evangelie. Hij stuwt de discipelen van Johannes ook een stap hoger. Blijf niet hangen in de religie van de Farizeeën. Zij drukken zware lasten op. Zij verwerpen de Messias en doen alsof ze de wijsheid in pacht hebben. Pas op! Je zet geen nieuwe lap op een oud kledingstuk. Dan scheurt het. Drink de nieuwe wijn. Je doet geen nieuwe wijn in oude zakken. Pak het nieuwe evangelie. Weg moet de oude leer van de schriftverkrachters, de eigendunkelijken, enz. enz. Maar doe nieuwe wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden. En zo is het ook. Volg Messias Jezus dan kom je goed uit. Doen! Wat een heerlijk evangelie. Daar krijg je niet genoeg van. Je leest het en je hebt het. Lees het, neem het aan en je hebt eeuwig leven. Zo simpel is het. Maar ook zo direct is het. Niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

Matthéüs 9:18-38

13 februari [2]

9:18

een overste (der synagoge) kwam tot Hem… en zeide:… leg uw hand op haar en zij zal leven.

9:22

Houd moed, dochter, uw geloof heeft u behouden.

9:24

Gaat heen, want het meisje is niet gestorven, maar het slaapt. En zij lachten Hem uit.

9:28

Gelooft gij, dat Ik dit doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Here.

9:34

Maar de Farizeeën zeiden: Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit.

9:35

En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal.

9:36

Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben.

9:37

Toen zeide Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.

9:38

Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst.

Wat een geloof. Het gaat om geloof. Jezus kan genezen. Maar geloven we ook dat Hij het kan? Wij geloven het wel. Het kan toch niet? Maar we moeten het eerst zien en dan geloven. Maar Jezus zegt: ‘…uw geloof heeft u behouden’. Het gaat dus om geloof. Wat zijn wij toch ongelovig. Wij zijn zo rationeel geworden. Wij moeten het eerst allemaal verklaren. En dan mag God daar nog wel inpassen. Maar je moet het niet te gek maken. We moeten ons bekeren van ons ongeloof, wil God nog wonderen kunnen doen. Hij moet door een harnas van ongeloof en dogma’s en theologie heen. De overste van de syna­goge kwam. Dat was hachelijk. Want hij wist hoe zijn leiders tegen Jezus waren. Maar wat wil je als je dochtertje doodziek is en je geen raad weet. Hij gaat dwars tegen de theologie in. En daar gaat hij. En dan die vrouw. Ziek, ziek, ziek al twaalf jaar. Wat een ellende. En weet: Ik hoef Hem maar aan te raken. Niet het aanraken, maar het geloof dat ze had. En dat bevestigt Jezus. Het gaat om geloof. Hij laat zich ophouden op weg naar een stervend meisje. Ze is al dood. Te laat. Waarom dan ook niet meteen gegaan? Waarom nu ook zelfs met de dood van dit meisje tegendraads zijn? Ja, ja, ze slaapt. Zo kennen we er nog een. Neen, ze is dood. We hebben het toch zelf geconstateerd? Waarom rouwen we dan al? Ze lachen Hem uit. Wat een onzin. Jezus gaat dwars tegen hen in. Hij jaagt ze weg. Vat haar hand en het meisje ontwaakt. Grote schrik, alom. Maar is er nu bekering en radicaal Jezus volgen. Neen. Neen. Neen. Weer een wonder. Wat voor wonder moet er dan nog meer gebeuren voordat de mensen op hun knieën vallen en hun leven aan Messias Jezus geven? Misschien in het volgende verhaal. De twee blinden. Zij roepen: ‘Zoon van David’. Wie heeft hen dat verteld? Zouden ze geloven dat Hij de Messias is? Die roep zal een doorn in het oog van de Farizeeën zijn geweest. Houd je toch stil. Blijven jullie daar maar zitten, maar zit niet de boel in de war te schoppen. Jullie zondaars. Want anders zat je daar niet, blind. En ook nu weer: Geloven jullie dat Ik het doen kan? En het antwoord is: ‘Ja Here. U kunt het’. Dat is taal. Heerlijk! En het antwoord is: ‘U geschiede naar uw geloof. En hun ogen gingen open’.

En zo is het ook vandaag. U geschiede naar uw geloof. Waar is ons geloof? Geloven in God, Die wonderen kan werken. Al had u het geloof als een mosterdzaadje, je zou tegen deze berg zeggen… enz. enz. En dat is de kern, het geheim. Een heerlijk geheim. Geloven in de kracht van Jezus. Geloven en geloof alleen.

Ook de boze geesten worden uitgedreven. Doofstommen spreken. Maar niets helpt. De geestelijke leidslieden zeggen: ‘Door den overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit’. Nou, nou. Hoe durven ze? Wat denken ze wel? Maar het wordt gezegd. Als het niet in het straatje van hun religie past, dan kunnen er nog zulke grote wonderen gebeuren, maar ze pikken het niet. Het wordt regelrecht naar het kamp van de vijanden overgebracht. En dan worden de meest gruwelijke dingen gezegd. Je ziet het hier. Wat een confrontatie. Wat moet Messias Jezus door een enorme deken heen van ongeloof, dogmatiek en geestelijk leiderschap. Is er vandaag aan de dag veel verschil?

Dan eindigt dit gedeelte. Een machtig Woord. Helemaal uit je hoofd leren. Ook voor vandaag. Hij trok rond. Hij leerde overal in hun synagogen en ver­kondigde het evangelie van het Koninkrijk. De tijd is nabij. Het Koninkrijk der hemelen is gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie. Het Koninkrijk der hemelen is gekomen. Dat is een radicale boodschap. De boodschap van heil. Dat staat haaks op de geestelijke boodschap van die tijd. Geen wonder dat deze nieuwlichter ook weg moet. Hij maakt onrust in ons rustige, goed georganiseerde kerkelijke leven.

Jezus ziet de scharen vermoeid en afgemat, als scharen die geen herder heb­ben. Daar word je ook doodmoe van. Daar zie je het ook niet meer zitten. Dat vreet bergen. Waar moet je nu heen? Wat moet er nu gebeuren? Vreselijk! De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Er lopen wel een heleboel men­sen. Er zijn wel arbeiders die denken dat ze arbeiders zijn. Maar dat zijn tegenwerkers. Die knechten het volk. Vreselijk! Daarom moeten we bidden dat de Heer van de oogst arbeiders uitzendt in Zijn oogst. Hij moet het doen. Hij moet de harten neigen en de arbeider uitzenden. Het gaat van Hem uit. Wij kunnen het vaak zo in het platte vlak zien. Maar alleen als het van boven komt. Als we het van God verwachten dan worden de arbeiders uitgezonden vanuit het juiste perspectief. En daar gaat het om. Wat is het toch heerlijk om keer op keer te zien dat we vanuit God ons leven moeten laten inrichten. Dan gaat het goed. Dan worden we bevrijd.

Matthéüs 10:1-23

16 februari [2]

10:1

en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.

10:6

begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls.

10:8

Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet.

10:10

want de arbeider is zijn voedsel waard.

10:11

onderzoekt wie het daarin waard is,…

10:14

verlaat dat huis of die stad…

10:15

het zal voor het land van Sodom en Gomórra draaglijker zijn in den dag des oordeels dan voor die stad.

10:16

Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven.

10:18

tot een getuigenis voor hen en voor de volken.

10:19

maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet;

10:20

want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt.

10:22

maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

10:23

voordat de Zoon des mensen komt.

Een klemmende boodschap voor ze gaan. Ze gaan in de volle autoriteit. Ze krijgen de genezende kracht van Jezus Zelf. Ga op stap! Doe het efficiënt. Ga, ieder naar de verloren stammen van het huis Israëls. Niet naar de Samaritanen of de heidenen, maar naar je volksgenoten in de verstrooiing. En als je niet welkom bent, schudt het stof van je voeten. Zo’n stad zal het moeilijk hebben in de dag des oordeels. Zelfs moeilijker dan Sodom en Gomórra. Nou, nou. Laten we dan vooral oppassen.

En dan de tekst. ’Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven’. Is het zo erg? Is dat niet een beetje overdreven? Dat valt toch nog wel mee? Maar Jezus weet wat Hij zegt. Als we onvoorwaardelijk de boodschap van Jezus brengen, dan staan we haaks op alle religie en eigenwillige godsdienst. Dan komen we in de problemen. Dan zullen ze je eruit gooien. Dan pas je niet meer in het systeem. Dan is het afgelopen. Weg met hen! Weg met die fijnen! Van wie je niets mag. En denk maar niet dat je het van je familie of je vrienden moet heb­ben. Maar wees ook niet bang. Want de Geest van God zal je te binnen bren­gen wat je spreken moet. Heerlijke rust. Volhard dus tot het einde, dan zul je behouden worden. Er zijn kennelijk zoveel mensen die onderweg afhaken. Dat hadden ze niet gedacht en niet bedoeld. En weg zijn ze. Hun kracht is verdwe­nen en ze zijn afgezakt tot de grijze middenmoot. En dat terwijl de Vader ons juist op een voetstuk wil hebben. De wolven liggen op de loer. Volhard, wees voorzichtig! Wees op je hoede! Denk niet te lichtzinnig. Pas op! De vijand ligt op de loer. Help, help, help1 Er moet ook wel goddelijke kracht aan te pas komen om al die vijanden van ons lijf te houden. Glorie voor Zijn Naam! Dank U voor die concrete waarschuwing. Als het dan allemaal gaat gebeuren, dan zijn we gewaarschuwd. Dank U Heer!

Matthéüs 10:24-11:1

17 februari [2]

10:25

Indien men aan den heer des huizes de naam Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten!

10:27

predikt het van de daken.

10:28

weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel.

10:31

Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven.

10:32

Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal ook Ik belijden voor mijn Vader…

10:34

Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

10:38

en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig.

10:40

Wie u ontvangt, ontvangt Mij…

10:42

Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.

11:1

dat Hij vandaar vertrok om te leren en te prediken in hun steden.

Je moet wel goed op de verhoudingen letten. Een knecht staat niet boven zijn heer. Als ze hem vervolgen zullen ze ook de knecht vervolgen. En als ze de heer al Beëlzebul noemen, dan ook zeker de knechten. Dat zal wat worden. Dat belooft niet veel goeds. Er wordt hier een harde tegenstand en haat ge­schilderd. Wees dus niet bang! Predik het van de daken. Laat je niet in de war brengen. En wees niet bang voor je leven. Wees veel meer bang voor je ziel en je lichaam. Ze kunnen je iets aandoen, maar je blijft van God. En zelfs al je haren zijn geteld. Wees niet bang! Je gaat vele mussen te boven. God zorgt voor je in alle omstandigheden. Het kan tegenvallen. Het kan heel moeilijk zijn. Maar God zorgt voor je. Heerlijk toch? Wat een zorg. Wat een liefde. En de mensen die je ontvangen, die ontvangen Mij. En wie Mij verloochent, die zal Ik verloochenen. Denk in de juiste volgorde. Denk vanuit Mij, dan komt het goed. Jij vertegenwoordigt Mij. Wie Mij ontvangt, die zegen Ik. Jij gaat als Mijn ambassadeur en dan komt het altijd goed. Wat ze je ook denken aan te doen.

En denk ook niet dat Ik kwam om vrede te brengen. Ik kwam om het zwaard te brengen om de mensenmoordenaar van den beginne definitief te verwijderen. En dat is een harde strijd. Op leven en dood. Het kost mijn leven om te over­winnen. En dat gaat dwars door relaties heen. Eerst God en dan de anderen. En wil je die volgorde niet, dan kom je bedrogen uit. Neem je kruis op je en volg Mij. Wil je dat niet, dan ben je Mij niet waardig. Het is een exclusieve relatie met God. Het is direct. Het is ja of nee. Denk eraan! Lees dit stuk een paar maal en je zult ontdekken welke marsroute uitgezet wordt. Rechtstreeks achter Jezus en denk erom, niet naar links en niet naar rechts. Laat de storm maar waaien. Jij volhardt tot het einde. Wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. Het is de goddelijke relatie die ons samenbindt. Daar strekken we ons naar uit. Het kan niet stuk. Het is het mooiste wat er is. Als je eenmaal die orde, die marsroute gaat ontdekken en toepassen in je leven, dan komt er een stuk innerlijke zekerheid, rust. Dan ben je uitgetild boven het aardse gewoel en blik je met Hem in de hemel waar die kroon reeds klaar ligt en Jezus zich haast om terug te komen om Zijn rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Maak al deze bevelen je eigen en ga op stap. Lerende en predikende van het komende Koninkrijk. Bekeer je!

Matthéüs 11:2-30

18 februari [2]

11:3

Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?

11:4

wat gij hoort en ziet:

11:5

blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie.

11:6

En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.

11:9

Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet.

11:10

Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal.

11:13

Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe;

11:14

en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.

11:15

Wie oren heeft, die hore!

11:17

en gij hebt niet gedanst… en gij hebt geen misbaar gemaakt.

11:18

Hij heeft een boze geest.

11:19

een vriend van tollenaars en zondaars. En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werken.

11:21

reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben.

11:23

Tot in het dodenrijk zult gij nederdalen;…

11:24

Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u.

11:25

doch aan kinderkens geopenbaard.

11:28

Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;

11:29

neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;

11:30

want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Je zult maar in de gevangenis zitten. Je hebt alles gedaan voor de aankondi­ging van de Messias. Je hebt de waarheid gesproken en nu zit je in de gevan­genis. Zou het Johannes dan toch te kwaad geworden zijn? Hij stuurt de disci­pelen op Jezus af met de vraag: ‘Zijt Gij het die komen zou?’ De discipelen waren kennelijk ook niet zo zeker. Want die gaan met de vraag. Zij hadden toch Johannes moeten kunnen overtuigen. Natuurlijk is Jezus de Messias. Zie maar. Hij doet dit, Hij doet dat. En kijk maar, het is de vervulling van de pro­fetie. Want Hij heeft Zelf allerlei profetieën aangehaald. En Hij zou ook tegengewerkt, vervolgd worden. Enz. enz. enz. Niets daarvan. Ze vragen het aan Jezus. En het antwoord is ontwapenend en veelbetekenend. Jezus haalt heel eenvoudig drie Messiaanse teksten aan uit Jesaja. Wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen. Uit Jesaja 29 vers 18, 35 vers 5 en 61 vers 1. Als je het leest dan word je alleen maar enthousiast. Want het staat er te midden van het heil dat over Israël zal komen. Gods beloften blijven waar. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Kijk maar, Johannes. Stel niet van die domme vragen. Kijk er gewoon de Schriften op na. En dat is dan ook het ant­woord aan ons. Wij begrijpen ook niet alles. Wij zien het ook niet allemaal scherp. Maar dan moeten we heel eenvoudig dicht bij het Woord blijven. Kijk, hier staat het.

En het antwoord is vermanend, verpletterend, ontwapenend: ‘En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt’. Daar kun je het mee doen. Geen aanstoot ne­men. En dat deden ze en dat doen de schriftgeleerden en dat doen de mensen vandaag aan de dag. En dat doet ook de valse theologie. Dan legt Jezus het nog eens aan de scharen uit. Ze kennen allemaal Johannes. Ze hebben ook gehoord dat hij in de gevangenis van Herodes zit. Johannes zijn ze allemaal achterna gelopen. Weten jullie eigenlijk wel wie hij is: ‘Meer dan een profeet. Deze is het, van wie geschreven staat: “Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal;”’ Lees het maar in Maleachi 3:1. Weer een tekst. Weer een profetie. Matthéüs doet een aaneenschakeling van teksten. Hij legt het zijn volksgenoten uit. Hij dwingt ze om de Schrift te lezen. En dat is nu precies wat wij ook moeten doen. De Schriften lezen en herlezen. Dan kom je achter de waarheid. Krachtige taal: Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar. Als het Koninkrijk komt, dan gaan de geweldenaars, de tegenstanders van God, te keer. Dan zullen ze proberen je te vloeren. Dan moet je wel sterk in je schoenen blijven staan. Je moet bij de profeten blijven. Je moet het heel eenvoudig aanvaarden. Hij is Elia die komen zou. En die verwachtten jullie toch allemaal? Wie oren heeft die hore. Je kunt dus horende doof en ziende blind zijn. Stom. Let op! Open je ogen en je oren.

Dan gaat Jezus het nog scherper zeggen. Jullie hebben het kunnen zien. Jullie hebben het gezien. Maar jullie willen niet horen. Jullie zeggen Johannes heeft een boze geest. Jezus is een vraatzuchtig mens, een vriend van hoeren en tolle­naars. Wat denken jullie wel? Hij kondigt het oordeel aan. Zelfs Sodom en Gomórra komen er beter van af dan Kapérnaüm, omdat zij zich niet bekeerd hebben. Ze hebben de Messias onder zich gehad. Ze hebben het gehoord. Maar ze weigeren het aan te nemen. Nou, nou, dat is zware taal. Wat zullen ze tekeer gegaan zijn. Wat zullen ze het Jezus kwalijk genomen hebben. Weer zoveel meer reden voor de geestelijke leiders om Jezus te beschuldigen en Hem ter dood te veroordelen. Ze worden steeds meer bevestigd in hun verhar­ding. Als je de waarheid zegt, dan worden de mensen boos. Daar kunnen ze niet tegen. Dan moet je de mond gesnoerd worden. Maar het is bitter hard nodig. Weg met Hem.

Voor de wijzen van de wereld is het verborgen. Maar aan de kinderkens hebt gij het geopenbaard. Dank U vader! Wat een rijk evangelie. Zodra we ons eigen verstand laten heersen over de woorden van Jezus, dan wordt het donker in ons hart. Dan gaat het niet goed. Dan wordt ons verstand verduisterd. Maar God heeft alle dingen aan Zijn Zoon geopenbaard en die Vader wil het via de Zoon openbaren. Wat een genade. Maar je moet je hart openstellen en je hoofd erbij houden. Maar niet je hoofd over je hart laten heersen.

Wat lopen er toch een mensen rond die het zouden kunnen weten, maar hun verstand, hun eigen wijsheid, staat hen in de weg. En Jezus ziet het. En met innerlijke ontferming bewogen roept Hij: Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt. Want je wordt doodmoe van je eigen geredeneer. Je eigen denken, je vragen, waar je nooit uitkomt. Want God geeft daarop het antwoord. Je stelt vaak vragen waarvan je al weet dat je ze niet beantwoorden kunt. Maar je doet alsof je ze serieus stelt. Maar in feite zit je jezelf voor de gek te houden. Wie kan nu God uitleggen? En God laat zich niet uitleggen. Want God is God en Hij openbaart Zijn waarheid via Jezus Christus aan de mensen. Hoe zou het anders kunnen? Hebben wij soms onszelf uitgevonden? Dat slaat toch nergens op. ‘Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nede­rig van hart.’ Ja, de hoge heren in de kerk zijn hooghartig. Zij denken de wijs­heid in pacht te hebben. Zij knechten het volk. Als je niet dit als je niet dat. Je moet hieraan voldoen en je moet daaraan voldoen. Anders gaat het niet goed. Maar het is andersom. Vlucht maar naar Jezus met al je lek en gebrek. En Hij geeft je rust. Want zijn juk is zacht en zijn last is licht. Het is de grote genade van God. Het is Zijn liefde. Het is Zijn genade en erbarmen. Het is Zijn kracht in onze zwakheid. Het is Zijn licht, leven, kracht. Hij is de Goede Herder, hij is het Licht der wereld. Hij is de deur. Daar komt aan Zijn liefde toch geen einde? Daar wil je toch bij horen? Vlucht naar Hem, waar je ook zit. Wat je ook denkt. Er is maar één thuishaven. Het hart van Jezus.

Matthéüs 12:1-21

19 februari [2]

12:1

Te dien tijde ging Jezus op de sabbat door de korenvelden en zijn discipelen kregen honger en begonnen aren te plukken en te eten.

12:4

waarvan hij noch die met hem waren mochten eten, doch alleen de priesters?

12:5

dat op de sabbat de priesters in de tempel de sabbat schenden zonder schuldig te zijn?

12:6

Meer dan de tempel is hier.

12:7

Barmhartigheid wil Ik en geen offerande, dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeld.

12:8

Want de Zoon des mensen is heer over de sabbat.

12:12

Derhalve is het geoorloofd op de sabbat wèl te doen.

12:14

En de Farizeeën gingen heen en spanden tegen Hem samen ten einde Hem om te brengen.

12:17

opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door den profeet Jesaja, toen hij zeide:

12:18

Zie, mijn knecht, die Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wie mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijn Geest op Hem leggen en Hij zal de heidenen het oordeel verkondigen.

12:19

Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal op de pleinen zijn stem horen.

12:20

Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven, voordat Hij het oordeel tot overwinning heeft gebracht.

12:21

En op zijn naam zullen de heidenen hopen.

Je mag op de sabbat ook geen eind lopen. Daar waren regels voor. Houd je daar dan aan. Dan heb je geen problemen. Maar als je ze overtreedt, ja, dan moet je ook niet opkijken als je er problemen mee krijgt. En kijk nou eens, nu gaan ze ook nog aren plukken en eten. Want ze hebben honger. Te gek. Ze weten toch dat ze daar problemen mee krijgen? En, ja hoor, daar gaan de schriftgeleerden al te keer. En in plaats dat Jezus nu een beetje toegeeft, gaat Hij er radicaal tegenin. Hij haalt het voorbeeld van David aan die toen hij honger had van de tafel der toonbroden at. Lees de geschiedenis in 1 Samuël 15:22. Dat was ook wel een uitzonderlijk verhaal. Dat mag je toch zo maar niet vergelijken met dit ordinaire verhaal van een stel discipelen dat op sabbat at? En dan het te vergelijken met de priester in de tempel. Ja, natuurlijk, die moesten ook op sabbat dienst doen. Maar dat is toch heel wat anders dan dat een stelletje discipelen op eigen houtje de sabbat schenden. Ze weten en wil­len niet weten dat Jezus hun Messias is. Ze vangen Hem op alle mogelijke manieren. Jezus zegt bestraffend: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande. Weet je niet dat de Zoon des mensen Heer is over de sabbat?

Het volgende gaat over genezen op sabbat. Dat kan helemaal niet. Daar kun je toch net zo goed een dag mee wachten? Maar het antwoord is dat het geoor­loofd is op sabbat goed te doen. Basta! En dat als een schaap in de put zit je hem er op sabbat ook uitgehaald zou hebben. En de verlamde steekt zijn hand uit. De Farizeeën weten nu zeker dat ze Hem uit de weg moeten ruimen. En Jezus kon het weten, want Hij wist dat ze op de loer lagen om Hem te ver­moorden. We moeten vooral niet naïef zijn. De duivel probeert met alle vrome manieren om je te verleiden. Maar het komt van de tegenstander van God.

En Jezus trekt verder. Weg uit het zicht. Overal brengt Hij dezelfde bood­schap. Bekeert u! Het is vervulling van de profetie uit Jesaja 42. Gods Zoon wordt aangekondigd. Hij zal de overwinning brengen. Hij zal je uit de treu­rende, de gevangene, troosten. Hij zet de gevangene vrij. Hij komt zoals Hij komt. Hij komt niet met geweld. Hij zal niet passen in het rijtje van de wereld­groten. Hij zal Zijn rijk van recht en gerechtigheid grondvesten. En alle volken zullen zien wie Hij is. Hij zal voor eeuwig regeren. Geen twijfel aan. De hele schrift spreekt er over. Glorie voor Zijn Naam! En op Zijn Naam zullen de heidenen hopen. Prijs de Heer! Vervulde en zich vervullende profetie. Heer­lijk om daar bij te koersen, wat dan heb je het goed.

Matthéüs 12:22-37

20 februari [2]

12:23

en zeiden: Dit is toch niet de Zoon van David?

12:24

Maar de Farizeeën hoorden het en zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste der geesten.

12:25

Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden.

12:26

En indien de satan den satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?

12:32

maar spreekt iemand tegen de Heiligen Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.

12:33

want aan zijn vrucht kent men de boom.

12:36

Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels,

12:37

want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden.

Nu komt het toch wel dichtbij. Het volk begint te roepen. Dit is toch niet de zoon van David? Dat was toch niet de Messias? De zoon van David die op de troon van zijn vader David zou zitten. Hij doet wel heel grote wonderen. Maar de Farizeeën halen nu het allerergste uit de kast. Hij drijft de boze geesten uit door Beëlzebul. Maar Jezus kijkt er dwars doorheen. Hoe kan nu een boze geest een geest uitdrijven. Dan ben je wel tegen jezelf verdeeld. Dat huis houdt geen stand. ’Maar indien Ik door den Geest Gods de boze geesten uit­drijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen.’ En wee je gebeente als je tegen het Koninkrijk bent. ‘Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit.’

Pas op, want je zondigt tegen de Heilige Geest. En dat zal je niet vergeven worden. Nu niet en in de toekomende eeuw niet. Aan de vrucht ken je de boom. Pas dan op! Aan een goede boom komen goede vruchten en aan een slechte, slechte. Een goed mens brengt goede schatten voort. Het is het een of het ander. ‘Adderengebroed, hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen?’ Het is vreselijk. Wat een vreselijke beschuldigingen om te zeggen dat Jezus de boze geesten door de boze geesten uitdrijft. Iedereen weet toch, dat deze man door de boze geesten bezeten was. En nu loopt hij gezond rond. Dan kun je toch zulke dingen niet zeggen? Maar ze zijn er zo op gebrand om te voorko­men dat Jezus tot Messias wordt verklaard, dat ze alles durven zeggen. En dat is levensgevaarlijk. Want je kunt tegen de Messias zijn, maar als je Hem ook nog begint te vervloeken, dan kom je slecht uit. Dan zondig je tegen de Hei­lige Geest. Dan ben je aan het oordeel onderworpen. Dan is er geen redding meer. Dan speel je met vuur. Dan ben je slecht. En dan blijf je slecht. Wat een duidelijk woord. En zo is het. Pas op dat je niet tegen Jezus bent. Hij komt om het licht te brengen. Hij is de grote Verlosser. Je kunt tot Hem komen met al je fouten en gebreken. Hij vangt je met open armen op. Maar wee je gebeente als je je tegen Hem verzet en Hem ook nog beschuldigt van boze geesten. Dan ben je adderengebroed. Dan heb je het oordeel over je heen gehaald. Want: ‘Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie niet bijeenbrengt, die verstrooit’. Want: ‘Naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woor­den zult gij veroordeeld worden’. Dat is toch een duidelijke zaak? Dat is dui­delijke taal. Dat is eerlijke taal. ‘Want alzo lief had God de wereld, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe.’ Wie niet gelooft, is reeds veroordeeld. Geloof alleen!

Matthéüs 12:38-50

21 februari [2]

12:38

Meester, wij zouden wel een teken van U willen zien.

12:39

dan het teken van Jona, de profeet.

12:41

want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier.

12:42

want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier.

12:45

Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. Alzo zal het ook gaan met dit boze geslacht.

12:49

Ziedaar mijn moeder en mijn broeders.

12:50

Want al wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder.

Wat schijnheilig om nu nog een teken te verlangen. Jezus had zoveel tekenen gedaan. Ze wilden het ook alleen maar om Hem te verleiden. Ze krijgen geen teken dan het teken van Jona, de profeet. De inwoners van Ninevé bekeerden zich op de prediking van Jona, doch deze schriftgeleerden en Farizeeën niet. Terwijlmeer dan Jona is hier. De koningin van het Zuiden kwam om te aan­bidden. Zij kwam om van de wijsheid van Salomo te horen. En zie, meer dan Salomo is hier. Dat zal hen de tanden hebben doen knarsen. Wat een heilig­schennis. Wat een verbeelding. Jezus windt er geen doekje om. Hij zegt het rechtstreeks. Hij weet wat in hun hart is. Het zijn dezelfde Farizeeën, het adderengebroed, de schijnheiligen, die Hem beschuldigden dat Hij met de duivel de duivel uitdrijft. Hij komt erop terug en zegt dat als de onreine geest de mens verlaat, gaat hij naar dorre plaatsen om rust te vinden, maar hij vindt die niet. Hij keert terug en vindt het huis op orde en geveegd. Leeg. Dus niet gevuld met de kracht en de liefde van God en Messias Jezus. Het zit nog vol met godsdienst en het eigen ik. Dan keert hij terug en haalt nog zeven andere boze geesten en gaat in dat huis wonen. En dat is nu nog erger dan in het begin. De boze geest kruipt steeds verder in het denken en het doen van de mens. Als je hem ruimte geeft, dan neemt hij steeds krachtiger bezit van je geest. En je komt er haast niet meer van af. Levensgevaarlijk. Pas op! Laat je niet verleiden. Laat je niet in met hen die tegen de Messias zijn. Want het wordt erger. Zo zal het gaan met dit boze geslacht. Wat een religie. Wat een ijdelheid. Wat een vreselijke godsdienst. Het gaat verkeerd. De Messias kwam in de eerste plaats voor Zijn volk. En daar zal Hij uiteindelijk ook voor komen. Dat verandert niet. God tornt niet aan Zijn beloften. Maar wat een tragiek dat ze Hem afgewezen hebben.

Het gaat niet om de vleselijke verhoudingen, het gaat om de geestelijke verhoudingen. Natuurlijk is de verhouding met gezin en familie heel wezenlijk. Maar de echte relatie, is de relatie met boven. Het gaat om je broeders en je zusters. ‘Want al wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is, die is mijn broeder en mijn zuster en moeder.’ We moeten de dingen goed op een rijtje zetten. Als we het in de geestelijke proporties zien, dan hebben we goed zicht op de werkelijkheid. Matthéüs geeft een duidelijke relatie aan.

Matthéüs 13:1-17

22 februari [2]

13:15

want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden... en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.

Goed om zo eens door de tekstverwijzingen in Jesaja, Lucas, Johannes en Handelingen te wandelen. Het is nogal een confronterende boodschap van de Here Jezus. Hij haalt een stuk aan uit de roeping van Jesaja. In die tijd heerste de zonde. De afval was groot. De kerkelijke leiders dachten dat ze de wijsheid in pacht hadden. Het is alles kerkelijk goed geregeld. Maar het Woord van God is schaars. ‘Want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren hard­horend.’ Hoe zit het vandaag? We hebben een enorme afval. We hebben een verloedering waar iedereen het over eens is.

Wij hebben de waarheid. Maar we houden die onder de korenmaat. We heb­ben onze kerkelijke zaken goed op orde. Er is geen tijd waar we beter georga­niseerd zijn dan vandaag aan de dag. Maar waar blijft het appèl? Waar blijft de actie in de samenleving? Het is angstig stil op kerkelijk erf. Waar blijft het goede zaad? Het Woord van God is niet veranderd. Het is ook vandaag nog steeds hetzelfde. We hebben het over samen op weg, we hebben het over her­vertellen van de Bijbel, we hebben het over de oecumene van het hoofd, hart en handen, we hebben het over de kloof. Maar het zaad is het Woord van God. Dat betekent dat we moeten zaaien.

Of zijn onze harten vet geworden? We willen het niet meer horen. Abortus is toch moord? Maar je moet het niet te hard zeggen. We mogen niet doodslaan, maar we slaan de kinderen met honderd per dag dood. En of we het nu weten of niet, we laten het gewoon doorgaan en doen heel voorzichtig nog eens een klein geluidje horen, maar we moeten vooral onze tegenstanders niet in de wielen rijden. Je zou ze eens kwaad kunnen maken. Drugs is een ramp. Maar waar blijft het appèl vanuit de bewogen christenen die ook in hun eigen omge­ving slachtoffers tegenkomen? De drugscultuur rukt agressief op. Niemand legt ze een strobreed in de weg. En de regering gaat rustig op de verkeerde weg verder, door van gedogen naar wiettelende gemeentebesturen te gaan. Ze lijken wel gek. Hoe halen ze het in hun hoofd? Wie steekt daar nu eindelijk eens een stokje voor? Mannen van stavast. Sta op, André, Leen, Bas, Egbert. Jullie zijn geen parlementariërs, maar staatslieden, die heel hard moeten roepen om ons land te redden. Je bent geen minderheid, maar een meerder­heid. Als jullie niet roepen gaat de hele boel naar de afgrond. We zien het voor onze ogen. Je zit daarin de autoriteit van God. Alle engelen ondersteunen jullie. God en wij zijn de absolute meerderheid. Dat was zo, dat is zo, en dat blijft zo. Ja toch?

En hoe komt het toch dat terwijl elke dag de doodsspuit door de ziekenhuizen gaat de goegemeente, lekker slapende, weigert om massaal in beweging te komen? Het blijft politiek ook zo stil. Ja, we wachten op de behandeling. Maar we weten nu toch heel zeker hoe de doodspolitici meewarig ons nog aanhoren in hoorzittingen of vergaderingen maar het eigenlijk maar lastig vonden dat we er zijn. En de KNMG, de doktersorganisatie, juicht het toe, ik heb het zelf gehoord, dat dokters niet meer strafbaar zijn als ze euthanasie plegen. aar dat is toch geen rechtspraak meer. Zien we dan niet dat de dokter moet kunnen doden en dat de rechtsspraak krom getrokken wordt? De patiënt is dood, het slachtoffer, het doelwit, de dader, de doder, de dokter, vult alle papieren in en gaat vrijuit. Die arme dokter. Je zou je toch je haren uit je hoofd schamen als dokter. Je moet toch willen dat je van alle kanten gecon­troleerd wordt of je je werk goed doet. In het bedrijfsleven moet je aan weet ik niet wat voor eisen voldoen om een keurmerk te kunnen krijgen. En we zijn er wat trots op. Maar een dokter moeten we zoveel mogelijk ongecontroleerd zijn gang laten gaan. En als nu de dokters van rechtsvervolging worden uitgeslo­ten, waarom gaan we straks de pedofielen ook niet beschermen en uitsluiten van rechtsvervolging? En vul maar in. Stelen mag toch ook wel? De dief moe­ten we beschermen. Hij zal het wel nodig gehad hebben. Zien we de nonsens van dit voorstel.

Waar blijft het hulpgeroep van de door God met waarheid begiftigde gelovi­gen? Of in ieder geval, hun leiders. Is hun hart vet geworden? Of heulen we zo heimelijk ook mee met de wolven in het bos. Want wij vinden het toch ook zo lastig om als maar op bezoek te blijven komen bij oma die toch eigenlijk ook geen zin meer in het leven heeft. Ook wij euthanaseren er lustig op los in ons denken. Ook wij zijn aangetast door het kwaliteitsvirus, de eigen rust, en het eigen genot. Ook wij willen liever het lijden afschaffen.

Matthéüs 13:18-35

23 februari [2]

13:18

Gij nu, hoort de gelijkenis van de zaaier.

13:19

Bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is: dat is de langs de weg gezaaide.

13:20

De op steenachtige plaatsen gezaaide is hij, die het woord hoort en het terstond met blijdschap aanneemt;

13:21

maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komt hij terstond ten val.

13:22

De in de dorens gezaaide is hij, die het woord hoort, en de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom verstikt het woord en hij wordt onvruchtbaar.

13:23

De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.

13:24

Het koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker.

13:25

Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg.

13:26

Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn.

13:29

Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken.

13:30

En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.

13:31

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide.

13:32

Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.

13:33

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.

13:34

en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen,…

13:35

Ik zal mijn mond open doen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is.

Een zaaier ging uit om te zaaien. Een overbekende gelijkenis. De kinderen kennen het al. We weten het van deels honderd-, deels zestig- en deels dertig­voud. Een deel viel langs de weg en de vogels kwamen en aten het op. Dat zijn zij die het Woord horen en het niet verstaan en dan komt de boef en rooft wat in het hart gezaaid is. Het komt wel in het hart, maar in dat hart komt ook de boze. En hoe uit het leven gegrepen is dit niet? Want er zijn zoveel dingen in ons hart die niet van God zijn. Het komt zo maar. Het is de strijd in ieders leven. Het is met Paulus, die zegt uit eigen ervaring: ‘Als ik het goede wil doen is het kwade nabij’. Maar God zij dank, door Jezus Christus, Hij heeft mijn zonden vergeven. Hij redt mij. Hij bepaalt mij steeds weer bij de les. Hij weet hoe krachtig de duivel is om mij steeds weer op het verkeerde been te zetten. Het is met Jacobus, die het heeft over de tong als het rad der geboorte. En het gaat door de hele Bijbel heen. Er is een permanente strijd gaande in ons leven. We moeten ons telkens weer richten op het Woord van God en ons daar mee vullen. Dan worden we weerbaar tegen de boze, rovende vogels, die steeds proberen het zaad weg te pikken. Het is alsof er een hand graan wordt rondgestrooid en dan zie je de zwerm vogels er op af komen en ze verdringen elkaar om het weg te roven op de kortst mogelijke termijn. En op een agres­sieve manier dat je er versteld van staat. Het is een uit het leven gegrepen beeld. Jezus predikt het Woord. Hij strooit het rond. En de mensen luisteren. Ze laten het ook wel in hun hart dalen, maar dan komen de andere gedachten, die overheersen en die duwen het weg. Roven het weg. Dat is de duivel. Dat is de mensenmoordenaar van den beginne. Die pakt het weg. Het is verschrikke­lijk. Het is je niet voor te stellen. God is goed, maar nooit genoeg te prijzen.

Het op de steenachtig gezaaide, is hij die het Woord hoort en het terstond met blijdschap aanneemt; maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt om der wille van het Woord, komt hij terstond ten val. Kijk eens daar staat iemand die het allemaal aanhoort en er blij van wordt. En ervaart dat het helemaal past bij zijn leven. En hij drinkt het in. En aanvaardt het en zegt er mee op stap te willen gaan. Maar dan komt de boze. En er is te veel in zijn leven waar hij ook mee bezig is. Waar hij ook over na wil denken. Wat ook wel waar zou kunnen zijn. Het nieuwe gezaaide Woord wordt toegevoegd aan alles waarmee hij ook bezig is. Het ontkiemt wel een beetje, maar als de hitte van al dat andere er ook over heen gaat, dan kan het geen wortel schieten. Het zit op rotsachtige bodem. Het kan geen wortel schieten. Dan komen de verdrukkingen en de beproevingen, want je zult dan ook bepaalde dingen niet meer willen en dat of dat niet meer moeten doen. Je moet kleur bekennen. En dan kom je in de druk. Of je krijgt moeilijkheden met de overheid of met je baas of met je buren of met je kinderen of wat dan ook. Dan kun je niet meer tegen de druk en dan ebt het weg. Het is zo goed begonnen. Het leek zo hoopvol, maar het schiet geen wortel. En dan komt hij ten val, staat er. Het is ook zo belangrijk dat je blijft volharden in het Woord. Je moet het indrinken. Het is niet zo, dat vanaf de eerste emotionele blijdschap je verder niets meer hoeft te doen. Het je hart aan de Here geven betekent een weg gaan van bekering en hobbels en volharding en strijd. Het is uit het leven gegrepen. Daarom is het ook zo verschrikkelijk belangrijk dat we in contact met jong gelovigen volharden en ze begeleiden en niet in de steek laten. Daar moeten we op voorbereid zijn. Heerlijk evangelie. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Prijs de Heer!

Het in de dorens gezaaide is hij, die het Woord hoort, en de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom verstikt het Woord en hij wordt onvruchtbaar. Ja, het is waar, maar moet ik dan mijn bedrijf eraan geven? Moet ik dan bepaalde praktijken stoppen? En hoe moet het dan met mijn relaties? Hoe moet het dan met mijn geld? Waar moet ik dan met dit heen; ik doe dit al jaren. Stop ik daarmee, dan kan het wel eens mis gaan. En straks kan ik niet meer werken en wat zouden mijn collega’s wel niet zeggen. Enz. enz. enz. We kunnen wel duizenden dingen invullen. Een ieder weet voor zichzelf wat het allemaal kan zijn. En dan wordt nog zo heel duidelijk toegevoegd het gevaar van de rijkdom. Of beter gezegd, het bedrog van de rijkdom. Daar kom je helemaal niet mee klaar. Wat kan geld je te pakken hebben. En hoe heeft geld ons niet te pakken in deze wereld? We hebben alles in geld omgezet. We hebben ons er volkomen door laten verstikken. We kunnen geen kant meer op. Het is verschrikkelijk. God is goed. Maar de zucht naar geld is het brein van alle kwaad. Dat is nog al wat. Waar zitten we allemaal aan vast? Het is onvoorstelbaar. Wat een ellende. En al die zorg en rijkdom duwt het Woord aan de kant. Eerst komt al het andere en dan komt het Woord. Het komt in de druk. En dat is als het onkruid. Het komt op en verdrukt het graan. Het kan niet vrij groeien. Daarom moeten we als het Woord gezaaid is ons ook reini­gen en heiligen en ons laten ontdekken aan het onkruid in ons leven. En daar heel direct en vol ijver steeds weer mee bezig zijn. En dat is een permanente zaak. Daar moeten we ons op voorbereiden en op voorbereid worden. Want de vogels die het graan wegpikken op de weg, proberen ook door te dringen diep in je leven.

De in de goede aarde gezaaide is hij, die het Woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoud. Dat is toch geweldig? Je hoort het Woord en je verstaat het. Je gaat er mee aan de slag. Het is niet een passieve zaak. Het Woord zet in beweging. Het daalt diep door. Je verandert. Je ontdekt dat je gedragen wordt door het offer van de Here Jezus en dat je met Hem begraven en opgewekt bent in het nieuwe leven. Je wilt ook niets anders doen dan de werken der dankbaarheid. Het is een ont­dekkingsreis. Het is een groeien in de genade en kennis van onze Here Jezus. Het is de Weg, de Waarheid en het Leven. Het is een weg, die steeds hoger voert. Dat is een ervaring. Dat is een vrede, een blijdschap, een genade. Je leeft van genade op genade. En de vruchten zijn navenant. Deels dertig-, zestig- en honderdvoudig. Het is als de gelijkenis van de talenten. Je hebt er een en je verdubbelt het. En je doet met de talenten die je hebt wat je kunt. En dat is ook een heerlijke gedachte. Je hoeft nooit meer te doen en te kunnen dan God je aan talenten gegeven heeft. Mensen zijn vaak zo onrustig. Ze denken altijd dat ze juist het geven moeten doen voor God, waar ze geen talenten voor hebben gekregen. Dat slaat nergens op. Of ze werken zich een ongeluk omdat het voor de Here is. Neen, je moet leven vanuit de rust en de vrede van God.

Het is als de Prediker zegt: ‘Eet en leef vanuit de vreugde des Heren met blijdschap des harten. Sta op in vrede en leg je hoofd in vrede neer’. Dat is een geheimenis dat je gaat ontdekken als je graaft in het Woord en je blijft in het Woord. Dat is geen methode, dat is de Weg, de Waarheid en het Leven. Jezus in mijn leven betekent, dicht bij Hem blijven, je leven laten vullen met het zaad dat steeds dieper in de akker wortel schiet. En daar komt een aar van liefde, kracht, vrede, enz uit voort, waar je zelf versteld van staat. Het is een schat in aarden vaten. Het is een wonder. De graankorrel moet sterven om wortel te schieten. En het zal eens openbaar worden als we opstaan uit het graf. Wat een wonder. Wat een genade. Wij moeten minder worden, Hij moet wassen. Vernedert u voor de Here opdat Hij u verhoogt. Dat geeft je kracht. Dat maakt je onaantastbaar. Dat verzet bergen, dan spring je met Hem over muren. Glorie voor Zijn Naam! Prijs de Here! Prachtig evangelie! Heerlijk Woord! Het kan niet stuk. Geen wonder dat Vincent van Gogh zo bezig was met de zaaier en de zon. Hij begreep het in zijn jeugd. Hij wilde van die zaaier en die zon en dat graan en dat Woord getuigen. En dat heeft hij heel zijn leven gedaan. Hij wist van het licht. Wat een diepere waarheid. Wat zit er in kunst een overstelpende kracht. God is goed. Je wordt er alleen maar enthousiaster van. Je wordt ontdekt aan een waarheid. En die ontdekking kan niemand je afnemen. God trekt je aan. Hij gaat jou lezen. Hij houd je een eerlijke spiegel voor. De spiegel van het leven van de strijd op leven en dood en van de zeker­heid van het eeuwige leven dat wordt aangeboden aan een ieder die gelooft. Hij zaait en doet het opschieten. Wij moeten ons niet tegen de zaaier verhef­fen. Want dat heeft totaal geen zin. Wat een kracht en wat een genade. De velden zijn wit om te oogsten. Glorie voor Zijn Naam!

Het gaat hier om gelijkenissen van het Koninkrijk. Het Koninkrijk der heme­len. Jezus was vlijmscherp geweest in het stuk er voor. Hij had Jesaja geci­teerd. En toen was het ook al zo. Horende doof en ziende blind. Ze waren verhard. Ze hadden de vrijheid van het Woord. God Zelf hadden ze ingeruild voor een eigenwillige godsdienst. Hun ogen waren gesloten. En God zegt zelfs dat Hij ook niet van plan is hen te genezen. Hij trekt Zich van hen terug. Het was ook vreselijk. Ze hadden ook Gods geboden met voeten getreden. Ze hadden er ook een eigenwillige godsdienst van gemaakt. Lees de profeten. En hoe boos waren ze niet op Jesaja en Jeremia? En het is niet zonder reden dat Stephanus zegt dat ze profeten die hen de waarheid kwamen zeggen, altijd gedood hadden. Dat is waar. En toen ze dat hoorden knersten hun tanden en ze stenigden hem. En Jezus konden ze ook niet langer dan drie jaar verdragen. Weg met Hem! Het is beter dat een man sterft, dan dat heel het volk in de verdrukking komt. We moeten Hem doden. Uit de weg ruimen. Kan uit Naza­reth iets goeds komen? Wat moeten we met deze nieuwlichter? Hij is niet bij Zijn zinnen. Enz. enz. En nu is het ook een heel scherpe situatie. De mensen die ronddolen als schapen zonder herder. Ik zal die herders, zegt Jezus, Eze­chiël aanhalende. Want die herders weiden Mijn schapen niet. Maar ze onderdrukken hen. Ze leven er zelf goed van en ze knechten de schapen. En als de boze dieren komen dan springen ze niet voor de schapen in de bres, maar dan gaan ze op de vlucht. De goede Herder is Degene Die om de schapen geeft. Jezus zegt: ‘Ik ben de Goede Herder’. Dat is een confronterend Woord. Want de kerkelijke leiders zijn geen goede herders. Wat denkt deze opgescho­ten jonge knaap wel? Hij komt nauwelijks kijken. En kennen we zijn vader en moeder niet?

Maar Jezus zegt: “Wie heeft, wie het woord aanneemt, die zal gegeven wor­den, maar die niet heeft, die zal alles ontnomen worden.” Als je weigert het aan te nemen, dan zal je alles kwijt raken. Want als jullie niet naar de profeten geluisterd hebben, dan zul je ook niet naar Mij luisteren. Want het waren toch de profeten die van Mij getuigden? Zij hebben Mij toch aangekondigd? En je kunt toch zelf nagaan hoe de verschijning van de Messias zal zijn? Maar als jullie er een aan de Romeinen gehangen Messias van maken, die zich voor jullie aards gerichte, eigen gerichte, machtsdenken, laat spannen, dan kom je verkeerd uit, raak je alles kwijt en zul je deze Messias tegenstaan waar je maar kunt. En zo de profetie vervullen van de lijdende knecht des Heren. Van Jesaja 53. En dat kan ook niet anders. Want dat is de vervulling van de profe­tie. Tragisch, tragisch. Maar hoort! Open je hart.

Dan komt de gelijkenis van de zaaier. En dan komt de gelijkenis van het onkruid dat de vijand zaait naast het zaad van de goede landman. Kijk eens wat er nu gebeurt? Daar komt de vijand en hij zaait onkruid tussen het zaad. En ja hoor, daar komt het op. De knechten komen verschrikt en zeggen tegen de zaaier, maar u hebt toch goed zaad gezaaid? Ja, ik heb goed zaad gezaaid maar de vijand is in de nacht gekomen en heeft dit zaad gezaaid. Wat gemeen. Wat een rotstreek. Je zult hem. En ze willen al beginnen om al dat onkruid er uit te trekken. Maar de zaaier zegt: Wacht even. Wacht even. Nog niet doen. Want je zou met het onkruid ook eens een goede plant eruit trekken. En dat is ook uit het leven gegrepen. Midden tussen het welig tierende onkruid komen ook de tere halmen op van het graan. Je ziet haast geen verschil. En inderdaad, trek je er zo maar een goed groeiende aar uit. En daar moet je voor oppassen. Want het Woord is neergedaald in de harten. Zo is er een jonge gelovige, op weg naar volwassenheid. Die ervaart ook al dat onkruid om zich heen. En hoe is dat niet uit het leven gegrepen. Maar hij wil volharden om zich niet onder te laten drukken door het onkruid. De zaaier zegt: Pas op. Laat het beide maar opgroeien. We kunnen er nu niet veel aan doen. En dan komt de oogsttijd, dan kunnen we het kaf van het koren splitsen. En dan wordt het onkruid getrokken en dan wordt het op een grote hoop gegooid en dan wordt de brand erin gesto­ken en het gaat in vlammen en rook op. En het goede graan wordt geoogst met blijdschap. En het koren wordt in de schuur bijeen gebracht. Heerlijk evange­lie. Prijs de Here! Hij is goed. Wat een evangelie. Glorie voor Zijn Naam!

Daarna gaat het verder met het mosterdzaadje. ‘Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.’ Je ziet wat er een kracht zit in een heel klein zaadje. Je denkt dat het niets voorstelt. Maar moet je eens kijken. Het wordt me toch een boom. Je kunt wel denken: ‘Het stelt niets voor. Daar kan niets uit voort­komen. Wat moeten we ermee?’ Maar zij die van mosterdzaad weten, weten wel beter. Het is niet een tuinbouwplant. Neen, het wordt een grote boom. En wat kun je er niet een zaad van oogsten. Het is onvoorstelbaar. Je kunt er een heel bos mee planten. Over vruchten gesproken. En de vogelen des hemels kunnen zelfs in zijn takken nestelen. Een heel bekende gelijkenis. Je moet geloof hebben als een mosterdzaadje. Het gaat er niet om, dat je geen groot geloof moet hebben. Het gaat erom dat je gelooft. Dat je je eigen ik inruilt voor Hem. En dan denk je dat je klein wordt en dat er niets meer van je ik, van je eigen waarde, van alles wat je bent, overblijft. Wat moet je daar nu mee? Hoe kan dat? Maar het geheim is dat je je zelf inlevert en minder wordt, en dat Hij moet wassen. Als je jezelf vernedert voor Hem. Als je ontdekt dat de kracht niet in jezelf zit, maar in Hem. Dan ga je ontdekken dat Hij met Zijn grote opdracht aan het werk kan gaan en je geloof groter wordt dan je zelfs in je stoutste dromen maar hebt kunnen bedenken. En dan is er geen haar op je hoofd die denkt dat jij daar iets aan hebt kunnen toevoegen. Neen, het is de kracht die van Hem komt. En niet andersom. God is groot! En nooit genoeg te prijzen. Wat een evangelie. Het is het evangelie van de onvoorstelbare kracht van het zaad, dat de Goede Herder wil zaaien in ons leven. Dat is Zijn Koninkrijk, dat Hij nu al wil laten zien op deze wereld. Dat is het werkelijke leven. Daar zijn we voor geschapen en voor bestemd. Heerlijk evangelie. Prijs de Here!

Het zijn maar heel gewone voorbeelden uit de praktijk. De mensen konden zich er direct in herkennen. Ze hebben zich misschien afgevraagd wat ze ermee moesten. Jezus legt het verder niet uit aan de scharen. Alleen aan Zijn discipelen. Zij hadden het eigenlijk zonder uitleg ook al moeten kunnen be­grijpen. Ze waren toch dag in dag bij Jezus? ‘Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.’ Uit het leven gegrepen. Dat deed iedere vrouw, je maakte er twintig kilo brood mee. Iedereen begreep wat er dan gebeurde. Het is als gist in het meel. Het is bederfbestendig, het doet het rijzen. Dan alleen kun je er brood van bakken. Dat is het Koninkrijk. Dat Koninkrijk breekt baan. Het is onweerstaanbaar. Het komt vast en zeker. Je doet er goed aan om te luisteren naar de woorden van Messias Jezus. Wil je er deel aan hebben, laat je dan meenemen. Wordt ook doorzuurd, zodat je klaar bent voor dat Koninkrijk. Verzet je je er tegen, dan word je eruit geduwd. Het breekt baan en je kunt er niet aan ontkomen, maar blijf je weigeren dan werk je je zelf buiten de boot. En dan moet je niet gaan verwijten dat je het niet wist of dat je er nog niet klaar voor was. Want het is aangeboden. Het was je bekend. Het is je gepredikt. Het kan niet anders, dan dat je je er tegen verzet hebt, met wat voor argumenten of theologische kronkels dan ook. Dan ben je reeds veroordeeld, omdat je niet hebt geloofd in de kracht van de Zoon van God. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem geloofd niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Zo is het en zo moet het en zo blijft het. Glorie voor Zijn Naam! Prijs de Heer! En al deze gelijkenissen zijn ook weer vervulling van de profetie. Matthéüs, die vooral voor de Joden schreef, kende de profetie maar al te goed. Hij wil het wel van de daken schreeuwen dat Jezus echt de aange­kondigde Messias is naar de Schriften. Jullie moeten alleen maar de profeten lezen om er zelf ook achter te komen. Zo moeilijk is het niet. Het is waar. Het de waarheid. Het is echt waar. Je moet het lezen en herlezen en je harde hart inleveren voor de kracht van het Woord. Dan zul je het ontdekken. Dat was voor toen, maar dat is ook voor nu. Glorie voor Zijn Naam! Prijs de Here!

Psalm 78 vers 2 zegt: Ik zal mijn mond open doen met gelijkenissen. Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is. De dichter gaat door de geschiedenis en legt Gods grote daden uit. Het is fantas­tisch. Het is onthullend. Het is prachtig. Het is de waarheid. Als je dat gaat ontdekken ben je nooit meer dezelfde. Als je het licht gaat ontdekken, dan word je steeds enthousiaster. Prachtig! Heerlijk! Daar krijg je niet genoeg van. Glorie voor Zijn Naam!

Matthéüs 13:36-58

24 februari [2]

13:36

Toen liet Hij de scharen gaan en ging naar huis. … Maak ons de gelijkenis van het onkruid in de akker duidelijk.

13:37

Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen;

13:38

de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk; het onkruid zijn de kinderen van de boze;

13:39

de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen.

13:41

De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven,

13:42

en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

13:43

Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore!

13:44

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap er over gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker.

13:45

Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parelen zocht.

13:46

Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die.

13:47

Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt.

13:48

Wanneer het vol is, haalt men het op den oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg.

13:49

Zó zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen,

13:50

en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

13:51

Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja.

13:52

Daarom is iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt.

13:54

En in zijn vaderstad gekomen, leerde Hij hen in hun synagoge,…

13:55

Is dit niet de zoon van den timmerman?

13:56

Vanwaar heeft Hij dan dit alles?

13:57

En zij namen aanstoot aan Hem. … Een profeet is alleen in zijn vaderstad en in zijn huis ongeëerd.

13:58

En Hij deed daar niet vele krachten wegens hun ongeloof.

Begrijpen wij het? Hebt gij dit alles verstaan? Ja, zeggen ze. Maar hebben ze het verstaan? Ze zijn zoekende en tastende. Uit alles wat hierna gebeurt zou je zeggen dat ze er nog niet veel van begrepen hebben. Want op het laatste den­ken ze toch nog dat Jezus het Koninkrijk hier op aarde zal gaan vestigen. Na de Hemelvaart en vlak daarvoor vragen ze nog of Hij het Koninkrijk gaat her­stellen nu. Dat is wat zo sterk in hun hoofd zit. Daar zijn ze ook bij opgevoed. Dat is hen met de paplepel ingegoten. En als je land bezet is en de gehate Romeinen je het leven op allerlei manieren zuur maken, dan wil je wel gelo­ven in een hier en nu Koninkrijk. Dan moet de Messias ook komen om hen te verlossen van de bezetter. En dat beleven ze op alle momenten. En als er dan een Messias komt, dan gaat het verlangen ook heftiger spelen. Maar het gaat om een ander Koninkrijk. Het gaat om een Koninkrijk waar de onrechtvaar­digen zullen gescheiden worden van de rechtvaardigen, en waar de zonde en de ongerechtigheid geworpen worden in de poel des vuurs. En daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Dan kan het nu wel lijken of het onkruid het voor het zeggen heeft. En hoe vaak lijkt het daar niet op? Maar dat is niet de werkelijkheid. Als Hij straks bij de voleinding der wereld komt met al Zijn engelen, dan zal Hij de zondaren verzamelen van de einden der aarde en het uit de wereld van de rechtvaardigen wegdoen. Dan zullen ze deel zijn van het Koninkrijk. En als je dit Koninkrijk wordt voorgeschoteld, dan heb je daar ook alles voor over. En dan is het een schat in de akker. Dan wil je die akker ook kopen. Ook al kost het je gehele vermogen. Want dat Koninkrijk van gerechtigheid, daar is het leven een feest. Daar heerst de zonde en de dood niet meer. Daar heb je het niet meer over de verdwijnen van de Romeinen, maar daar heb je het over het verdwijnen van de duivel uit de samenleving. Daar zal God zijn, alles in allen. Daar zal nooit meer dood en verderf zijn. Alle tranen zullen van de ogen worden afgewist. En op de straten van Jeruza­lem zal het feest zijn. Glorie voor Zijn Naam! Heerlijk evangelie. Daar gá je toch voor? Daar gooi je toch heel je eigen gedoe voor aan de kant? Dat wil je toch niet missen? Daar wil je toch ook bij horen? Glorie voor Zijn Naam! En het is als de koopman, die schone parels zocht. En als hij dan die ene schone, fantastische parel vindt, waar je enthousiast van wordt, waar je je hele vermo­gen voor wilt geven, dan verkoop je alles en koop je die parel. Dat Koninkrijk is als die mooiste parel, die wil je niet missen. Zoek en je zult het vinden. Klopt en je zal opengedaan worden. Niets meer en niets minder. Want wie zoekt, zal vinden en wie klopt zal opengedaan worden. Het Koninkrijk der hemelen wordt aangeboden aan zondaren verloren in schuld, die weten dat enkel en alleen uit genade de toegang door het offer van Jezus vrij is om toe te gaan tot het heiligdom. Wat een wonder. Wat een onverdiende genade. Wat een onverdiende zaligheid. Niet af te meten. Daar kun je wel eeuwig van zingen. Heerlijk evangelie!

En alsof het nog niet genoeg duidelijk is, komt er nog de gelijkenis van het sleepnet van de vissers. Ze laten het neer en halen het op. Er zit van alles in. En ze halen het goede eruit en slaan dat op, maar het niet bruikbare werpt men weg. En zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De rechtvaardigen zullen worden afgezonderd van de onrechtvaardigen. En die onrechtvaardigen gaan in de vurige oven. Weg met hen! Voor eeuwig. Een duidelijk verhaal. Begre­pen!? Nu is het jouw keuze, waar kies je voor? Recht of onrecht? Leven of dood, hemel of hel? Zeg het zelf maar. Je weet het verschil. Je kunt het niet ontkennen. Je wordt er zelf mee geconfronteerd. Kies dan voor het leven, opdat je leeft, jij en je gezin en je nageslacht. Hebt gij dit alles verstaan?

En als je het verstaat, dan ga je alles in een nieuw perspectief zien. Dan is alles van het verleden niet fout maar je duikt in nieuwe dingen op uit de voor­raad naast de oude dingen en je ziet het in het nieuwe geloofsperspectief, dat Jezus inderdaad de beloofde Messias is, de lijdende knecht des Heren, die komen zal om Zijn engelen te sturen, om het kaf van het koren te scheiden en het eeuwige leven aan te kondigen. We doen er goed aan om ons te haasten en ons te reinigen en te heiligen. Want Hij staat gereed om Zijn engelen te sturen. En we moeten stoppen met al ons gevraag en gejamaar en ons geheel overge­ven, onvoorwaardelijk, aan Koning Jezus. Want Zijn komst is vast en zeker. En wij, die achter Pasen en Hemelvaart staan, weten nu veel meer. En daar kunnen we nog met meer zekerheid gaan staan in dat vurige verlangen om deel te hebben aan dat Koninkrijk.

Dan gaat Jezus naar Zijn vaderstad. Naar Nazareth. En Hij spreekt in hun synagoge. En ze staan versteld van wat Hij zegt en de wonderen die Hij doet. Hoe is het mogelijk? Wat een wonderen. Vanwaar heeft Hij die krachten? We kennen toch Zijn vader en moeder? Jozef, de timmerman en Zijn broers? Die hebben dat allemaal niet. Dat kan niet goed zijn. Ze nemen aanstoot aan Hem. En Jezus zei dat een profeet in zijn vaderstad alleen niet geëerd is. De twijfel is op hun gezichten te lezen. En hij kan dan ook niet veel wonderen doen. Het gaat om geloof. Wonderen gebeuren op gelovig gebed. Wonderen gebeuren als we onvoorwaardelijk geloven in dat Koninkrijk, dat komt. Als we er alles voor over hebben om dat Koninkrijk, die parel, die akker te kopen. En hoe mankeert het daar vaak niet aan? Het is de Here niet ongelijk om veel te doen vanwege hun ongeloof. Het komt dus aan op geloven. En op geloof komen wonderen. Dat kan niet anders. Zijn er weinig wonderen, dan is er veel twijfel en ongeloof. Wat doen we daaraan? Heel eenvoudig, terug naar de Schrift en het lezen en lezen en het gaan leven en vanuit het leven tot daden overgaan. Heerlijk evangelie. Elke dag kunnen we ons daar weer in verheugen. God komt naar ons toe in Zijn Woord. Wij lezen de Bijbel niet, de Bijbel leest ons. Glorie voor Zijn Naam! God zij geprezen. Prijs de Heer!

Matthéüs 14:1-21

25 februari [2]

14:12

en zij gingen heen en berichtten het aan Jezus.

14:13

Toen Jezus dit hoorde, trok Hij Zich vandaar in het schip terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de scharen dit hoorden, volgden zij Hem te voet uit de steden.

14:16

Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten.

14:19

en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen.

Ja, je moet niet teveel zeggen, want dan pakken ze je op. Zeker als het gaat om hun persoonlijk, liederlijk leven. Herodes pleegde ontucht en Johannes ging de bak in. En het kostte hem zijn kop. Gemeen. Gemeen. Gemeen. Maar als de duivel grip heeft op je denken, als je in de ban van de hoererij bent, dan gaat de boel op hol. Dan kun je een huwelijk inzegenen en tegelijk met een andere vrouw in bed liggen. Gevaarlijk, gevaarlijk. Het is ontzettend belangrijk om rein en heilig te blijven leven. Bewaar je zelf tegen de verleidingen die je van alle kant omringen. Toen al en nu ook. Er is niets nieuws onder de zon.

Jezus trok zich terug op een eenzame plaats. Bedroefd en weg van al het ge­roezemoes. Met Zijn Vader alleen. Johannes, Zijn neef onthoofd. Wat een wereld. De mensen volgen Hem te voet. Hij wordt met ontferming bewogen. Waarom? Omdat al die mensen ronddolen als schapen zonder herder. Ze worden geknecht. Ze horen dit, ze horen dat. Maar de echte vrede en zeker­heid van God hebben ze niet in hun leven. En dat terwijl God toch in de hele wet schreef, dat de geboden Gods niet te moeilijk zijn. Dat ze ze kunnen grij­pen. Dat hen steeds weer de keuze wordt voorgehouden van het leven of de dood. De hemel of de hel. Kies dan het leven. Lees Deuteronomium 30. Het staat er. En dan Deuteronomium 6. ‘Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één! God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht.’ Dat krijg je van God. Want Hij heeft het goede voor met alle mensen. Geloof het toch! Laat je niet in de war brengen door al die mensen de zeggen dat je het niet zeker kunt weten. Dan ben je ook een schare die ronddoolt, als zonder een herder. Terwijl de goede herder vlak bij je is. Hij wil in je hart wonen.

De mensen hangen aan Zijn lippen. Ze gaan niet weg. Het wordt al gevaarlijk. En ze moeten toch eten. Jezus zegt dat ze moesten gaan zitten. Ze hebben alleen maar vijf broden en twee vissen. En dan worden daar vijfhonderd mannen mee gevoed, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Misschien in totaal wel tienduizend mensen. Er komt geen einde aan het brood. Vader openbaart Zich aan Zijn Zoon Die verdriet heeft over de dood van Johannes en zich openbaart aan deze wereld. En vandaag dus ook aan ons. Hij laat ons niet in de steek. We kunnen vervolgd worden. We kunnen het soms niet meer zien zitten. We kunnen van alles mee maken. Maar Hij is er. Kijk maar, wat deed en doet Hij niet voor wonderen. We hebben een grote en machtige God. Natuurlijk had Hij kunnen voorkomen dat Johannes onthoofd werd. Maar het gebeurde. En zo gebeurt het ook vandaag. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam en in deze hele wereld. Maar Jezus gaf Zijn Eigen leven om voor die zonde, die dood, die verbrokenheid, te sterven. Want wij allen hebben gezon­digd en verdienen de dood. Hij wil ons uit die dood redden. Ook vandaag. Hij is niet veranderd.

En willen we toch in eigen gedachten rond blijven tollen, dan lopen we gigan­tisch vast. Want Zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Als Hij de pot­tenbakker is en wij het leem. Hoe kunnen we dan ooit Zijn gedachten naar onze gedachten willen toetrekken. We hebben een beloofd, eeuwig leven voor ons. Daar kun je alleen maar enthousiast van worden. We zien nu al de won­deren. En is niet het grootste wonder dat we er zelf deel van zijn? Want wie zijn wij dat Hij naar ons omzag, om ons tot Zich te trekken? Daarom: Volg Jezus! Hij gaat ons voor. Hij deelt ons ook vandaag uit van de overvloedige broden en vissen die Hij als maar vermenigvuldigd opdat wij vrede hebben in ons hart te midden van een boos en ontaard geslacht. Dat zal anderen jaloers maken en zich doen afvragen: ‘Wat hebben die mensen toch?’ Glorie voor Zijn Naam!

Matthéüs 14:22-36

26 februari [2]

14:23

En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij den berg op om in de eenzaamheid te bidden…

14:29

Kom!

14:30

Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en begon te zinken en hij schreeuwde: Here, red mij!

14:31

Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?

Johannes is dood. Jezus ging de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Een wereld apart. Hoe staat het met mijn gebed? Neem tijd om te bidden. Dat was een versje dat bij mijn ouders en ik denk bij velen in het land aan de slaap­kamermuur hing. Neem tijd om te bidden. Hoe is het ook weer verder? Wie heeft het nog hangen? Gemeenschap met God dat is het beste wat je kunt doen; O Here God, wat is het toch heerlijk om gemeenschap met U te hebben. Wat een wonder dat u naar ons, naar mij, wilt luisteren. U bent in den hoge. U bent de God van wonderen. En dan omzien naar mij, nietig mensenkind. Niet eens met een speld in de hooiberg te vinden. En toch. Het is een onvoorstel­baar wonder. Uw ogen doorlopen de ganse aarde om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar U uitgaat. 2 Kronieken 16:9 en de hele Bijbel door. Dat is je toch niet voor te stellen en toch is het waar, want U zegt het. En zo mogen we vol vertrouwen met U meegaan. Het van U verwachten, elke dag weer opnieuw, het kan niet stuk. Het is fantastisch. En zo komt Jezus over het water aan. Petrus stapt overboord.

Maar als hij op de wind kijkt, dan zakt de moed hem in de schoenen. O Here, red mij! En daar zit hem nu juist de kneep. We kijken op de zorgen van het leven. En dan zinken we. We moeten blijven kijken op Jezus en dan houden we het hoofd boven water. Niet omdat wij dat zo goed kunnen, maar omdat God dat geeft. Hij geeft ons de kracht. Het is waar. Jezus moet dan ook maar steeds tegen ons zeggen: ‘Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?’ Waarom twijfelen we? We hebben een grote God. Hij heeft het hele wereld­gebeuren in Zijn hand. Hij volvoert Zijn plan. Het zal allemaal uitkomen. Wij hebben in Hem het eeuwige leven. We mogen ons aan Hem overgeven. En als we onze wil hebben losgelaten, dan ontdekken we dat Hij ons heeft getrokken. Hij trekt als maar aan ons. Wat wij moeten doen is eenvoudig gehoorzaam zijn.

Als Jezus zegt: ‘Kom’, dan moeten we niet allerlei smoezen verzinnen. Zo in de trant van: ‘Tsja, dat wil ik wel maar dat kan ik niet. Kijk maar wat er alle­maal aan mij mankeert. Kijk maar wat ik eerst moet opruimen. En ik kom er nooit’. Neen, we komen er nooit. Daarom is Hij juist gekomen. Hij zegt: ‘Kom’. En dan gaan we tegen onszelf in. Want hoe zouden wij ooit tot Hem kunnen naderen? En dan laat Hij ons lopen over het water. Het leven met Jezus is een groot wonder; over het water. En elke keer als we gaan twijfelen dan zakt ons de moed in de schoenen. Daar gaan we weer.

En het wonder is dat Jezus er altijd weer is om ons te redden. Hij wordt niet moede, noch mat. Wat een genade. Wat een grote liefde. Wat een perspectief voor vandaag en voor de eeuwigheid. Prijs de Heer!

Matthéüs 15:1-20

27 februari [2]

15:6

Zo hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering.

15:8

Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.

15:9

Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn.

15:18

Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein.

Je moet je handen wassen voor het eten. Dat hoor je de moeders duizendvou­dig zeggen tegen de kinderen. Voor de Joden was het een ritueel. En dat deden de discipelen niet. Waarom deden ze het niet? Waarom deden ze dat nu niet? Ze wisten dat ze er moeilijkheden met de kerkelijke hoogwaardigheidsbekle­ders mee kregen. En toch deden ze het niet. Wij staan al klaar om hen dan te kapittelen. Zo niet de Here Jezus. Hij ziet dat zij de mensen knechtten met menselijke geboden. Hij pakt ze terug met hun valse godsdienst. De wet zegt: ‘Eer uw vader en uw moeder’. Maar zij hadden een regel, dat als je het geld aan de kerk gaf dat je dan ontslagen was van die zorg. De Here Jezus is glas­hard: Huichelaars. En Hij haalt Jesaja aan. Dat liegt er niet om. Dat is klare taal. Wat zullen ze boos geweest zijn. Dat nemen ze niet. Maar Jezus veegt de vloer met ze aan.

Jezus legt het uit: Niet wat de mond ingaat is onrein maar wat de mond uit­gaat. Het lijkt gezocht. Petrus snapt het niet. Jezus zegt: ‘Zijt ook gij nog onbevattelijk?’ Jezus benadrukt dat dat wat de mond uitgaat, dat wat gezegd wordt, dat komt uit het hart. En uit het hart komen boze overleggingen. Dat liegt er niet om. Daar gaat het dus om. Hoe is het met ons hart? Je kunt er wel een godsdienstig gedrag op nahouden, maar je hart kan verre van God zijn. Dat is huichelachtig. Het gaat erom, hoe is het met je hart? Wil je God dienen met je hart? Wil je Hem eren met je mond? Het gaat om de liefde van God die Hij in je hart uitstort, die je mag delen met anderen. Dan vallen alle eigen wetjes weg. Dat geldt ook voor vandaag. Wat hebben we een eigen wetjes gemaakt. Wat kunnen we scheuringen maken om eigenzinnige dingen.

Wat is er een grote onzekerheid van het geloof op grond van een uitverkie­zingsleer die de mensen tot hun dood in onzekerheid houdt. Wat een leugen. Wat een wettische plaag. Het zijn geboden van mensen. En wee je gebeente als je er tegen in gaat. Dan ben je getekend. Je krijgt er grote moeite mee in de gemeenschap. En wat moeten we met de vervangingstheologie. Dat is een hardnekkige leugen in de kerk door de eeuwen heen. Maar als je het aanraakt, dan krijg je grote problemen. Maar het is een leugen. Het kan allemaal niet. Het is vreselijk. Het is vreselijk. Het kan allemaal niet.

De Here Jezus ging daar krachtig tegenin. Hij legt het Zijn discipelen uit. Zij zijn bezorgd om de boosheid van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Maar het antwoord is: Indien een blinde een blinde leidt zullen zij beiden in een put vallen. Het zal je maar gezegd worden. Dat neem je toch niet, als je denkt dat je het bij het goede eind hebt? Dan ga je je afzetten. Dan ga je je verzetten. Dan ga je deze nieuwlichter tegenwerken. En wat deden ze? Ze beraadslaagden hoe ze Jezus uit de weg konden ruimen. En daar waren ze zeer actief mee bezig. Waar komt het dus op aan. Wat zegt de Bijbel? Wat zijn de geboden van het hart? Waar zijn we de eigenzinnige godsdienst op gegaan? Wat zijn eigen wetjes geworden? We moeten grote schoonmaak houden. Hoe doen we dat? Met de schoffel van het Woord er zelf doorgaan. Hoe doen we dat? Heel eenvoudig. We moeten lezen wat er staat. Uw Woord is in mijn mond en in mijn hart. Gij zult de Here uw God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw verstand en met alle krachten. Het gaat dus om ons hart. Waar is uw hart? Geborgen in Jezus? Het kan dan alleen maar goed gaan.

Matthéüs 15:21-39

28 februari [2]

15:28

O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.

15:31

En zij verheerlijkten de God van Israël.

15:32

En zonder voedsel wegzenden wil Ik hen niet, zij mochten eens onderweg bezwijken.

De mensen kwamen bij bosjes. Ze gingen met hun zieken de berg op. Ze wer­den allemaal genezen. De vrouw uit de omgeving van Tyrus en Sidon, dus van buiten het land Israël, begreep het ook. De discipelen deden hun best dat ze de vrouw wegzonden. Jezus was toch niet voor de heidenen gekomen? Hij kwam in de eerst plaats voor Zijn volk. Weg met deze vrouw. Maar ze houdt vol. Ze heeft van de wonderen en tekenen gehoord. De honden eten toch ook van de kruimels der tafel? En Jezus ziet haar grote geloof. Op geloof wordt het kind genezen.

We moeten Hem geloven op Zijn Woord. Het gaat om geloof. We geloven het vaak wel. ‘Waarom zijn er zoveel ziek onder u?’ schrijft Paulus. Het gaat om geloof. De genezende kracht van het Woord zit in het geloof. We hebben zo­veel wonderen om ons heen. We hebben een Bijbel vol. En toch is ons geloof in de alomvattende kracht van God weggezakt. En we moeten het met ons verstand eerst eens zien voordat we het willen geloven. En daar gaat het mis. Daarvan moeten we ons juist bekeren. We hebben deze tekenen en wonderen ook voor ons. De Bijbel staat er vol van. We hebben toch niet meer wonderen nodig om te kunnen geloven in de genezende kracht van Jezus? Daarom moe­ten we ons bekeren, van ons ongeloof. Hij kon daar niet veel wonderen doen vanwege hun ongeloof. Ongeloof is de dood voor de gemeente.

De vrouw uit der regio van Tyrus en Sidon had een groot geloof. Dat kon niet stuk. Hij hield het vast. Hij zag haar onwrikbaar geloof. Zo’n groot geloof had Hij niet gezien. En dan wordt het kind genezen. Zij wist dat Jezus het kon doen. En daar pleitte ze op. Het gaat erom dat wij onwankelbaar geloven in de genezende kracht van Jezus. Het is aan Hem om te genezen. Het is aan ons om onwankelbaar te geloven in de alom tegenwoordige kracht van God. Dat verzet bergen. Pal daarop hebben we de tweede wonderbare spijziging. Niet te geloven. Hij kan de mensen toch niet wegsturen? Ze eten. Het zijn er vierdui­zend. Niet te geloven. Wat een wonder. Wat hebben we nog meer nodig om te geloven in de alomvattende kracht van de Here God? Het is niet te geloven. Het is niet te vatten. Het is waar. Het is fantastisch. Het is waar. We zijn blij dat het allemaal is beschreven. We worden er enthousiast van. God is niet veranderd.

Hij is ook vandaag dezelfde. Hij wil ons leiden. Hij wil ons helpen. Hij wil ons genezen. Al dat gepraat over wonderen. Wonderen en tekenen zullen de gelovigen navolgen. Wat een heerlijk evangelie. Prijs de Heer!

Matthéüs 16:1-12

1 maart [2]

16:11

Maar wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën.

16:12

Toen zagen zij in, dat Hij hun niet gezegd had zich te wachten voor de zuurdesem [der broden], maar voor de leer der Farizeeën en Sadduceeën.

Moet ik nog eens goed lezen. Ik begrijp het niet helemaal. Wat is de relatie tussen de wonderbare spijziging en de leer der Farizeeën? Ze hadden vergeten broden mee te nemen. ‘Hoe begrijpt gij niet, dat Ik u niet van broden sprak?’ Bedoelt de Here Jezus dat ze zich geen zorgen moeten maken dat ze geen broden meegenomen hadden. En dat Hij daar wel voor zal zorgen? Of bedoelt Hij het overdrachtelijk, dat ze zich niet om broden maar om de valse zuur­desem van de Farizeeën moesten bekommeren? Wat hebben de twee wonder­bare spijzigingen te maken met de leer der Farizeeën en de Sadduceeën? De tweede wonderbare spijziging komt na het twistgesprek met Farizeeën in hoofdstuk 15. Het ging daar om menselijke dogmaatjes. Jezus haalt de tekst uit Jesaja 29:13 aan: ‘Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert’.

Het zijn confronterende boodschappen. Wacht u voor de zuurdesem! Nou, dat is confronterend. Hoe moeten wij dat doen vandaag? Wat moeten we met de verkiezingstheologie die nog zoveel mensen knecht en van de bevrijding afhoudt? Wat moeten we met vervangingstheologie die ons afhoudt van een helder profetisch perspectief? Wat zou Jezus doen als Hij met de geestelijke leiders van vandaag deze theologie zou bediscussiëren? En wat zou Jezus zeggen als Hij een kerk aantreft die Gods water over Gods akker laat lopen als het gaat over ethische zaken als abortus, euthanasie en seksualiteit?

Ik zal mijn probleem met dit gedeelte uit ons bijbelplan voorleggen aan iemand als ds. Velema, die vroeger zo helder hielp bij ons bijbelplan. Het is heerlijk om elke morgen te lezen. Hoe kunnen we alle mensen helpen deze vreugde te ontdekken? Lees je Bijbel, bidt elke dag. Kleine advertentietjes in allerlei bladen misschien?

Matthéüs 16:13-28

2 maart [2]

16:16

Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!

16:17

want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is.

16:19

en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen,…

16:23

Ga weg, achter Mij, satan;… want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen.

16:24

Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.

16:25

Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.

16:27

Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden.

Een krachtig stuk. Op het ene moment prijs je Jezus, omdat het de Vader is die dat in je openbaart. Want vlees en bloed kunnen dat niet. En even later moet gezegd worden: ‘Ga weg, achter Mij, satan’. Het zit dicht bij. Dan is het vlees en bloed, de dingen der mensen die je in beslag nemen. Het gaat er dus om dat we ons zelf verloochenen en achter Jezus aangaan. Het was immers zo dat de Zoon des mensen moest lijden. Jezus legt het aan ze uit. En meteen gaat Petrus er tegen in. Het is uit het leven gegrepen.

Zo zitten we in elkaar. We luisteren niet eerst goed wat God bedoelt te zeggen. Maar pakken het meteen op zoals wij vinden dat het moet gebeuren. En dan zijn we in de greep van de vijand van God. We kunnen beter eerst goed luis­teren. En hoe gaat dat? Heel eenvoudig. Weten wat Gods geboden zijn. Zijn openbaring kennen. En dat is de Bijbel. En Hij liet ons niet als wezen achter. Hij zond de Heilige Geest. En het Woord van God is het zwaard des Geestes. Dus Hem kennen is Zijn Woord kennen. Zoals we vanmorgen ook weer bezig zijn. Het is toch geweldig om dat te weten? Wat een zegen halen we vanmor­gen al weer niet uit dit stukje? En is het niet elke dag zo? We moeten Jezus volgen. En dan is het een eerlijke zaak. We nemen ons kruis op ons. Hier vin­den we het niet. En dat weten we ook allemaal. De duivel gaat rond als een briesende leeuw, dood en verderf zaaiend. Daarom moeten we Hem procla­meren.

Want wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven? Zonder God staan we met lege handen. Er is geen toekomst. Maar de Zoon des mensen zal komen. Hij zal de aarde grondvesten van recht en gerechtigheid. Hij komt met al Zijn engelen. Hij zal een ieder vergelden naar zijn daden. Het lijkt erop dat de zonde heerst en een boel voor het zeggen heeft. Je wordt er soms angstig van. Maar, nee hoor. Het is gezichtsbedrog. We zien verkeerd. We zien als Petrus wat voor ogen is, maar we moeten op Gods daden letten. Hij komt en werkt hard om een einde te maken aan alle ellende. Hij weet hoe erg het is. Daarom moest Hij lijden en sterven. God gaf Zijn Eigen Zoon. Het is je niet voor te stellen. Voor de verzoening van de zonden, niet alleen voor die van mij, maar voor die van de gehele wereld. Het kan niet stuk. Het is het mooiste wat bestaat. Daar kun je de hele dag wel van genieten. Het is de waarheid. Geloof je het niet? Geef je over aan God. Want je kunt de hele wereld denken te bezitten, maar zonder Christus lijd je schade aan je ziel. Je kunt het weten, want het staat geschreven. Geef je over aan Koning Jezus. Doen! Vandaag nog! Vandaag begint de rest van je leven. Het is nog genadetijd.

Maar als de Zoon des mensen komt, dan komt Hij met al Zijn engelen en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. Kom dus nu mee met Jezus. Hij komt spoedig. We zullen Hem zien komen in Zijn Koninklijke waardigheid. Fantas­tisch! Het is alleen maar om steeds enthousiaster van te worden. De tijden kunnen zwaarder worden. Het kan moeilijker worden om ons heen. Maar God zal Zijn kinderen verlossen. Hij is altijd bij ons. Hij ziet ons. Hij troost ons. Hij werkt juist heel hard voor ons om die nieuwe wereld en nieuwe hemel te grondvesten. Glorie voor Zijn Naam!

Matthéüs 17:1-13

3 maart [2]

17:3

En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken.

17:5

Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb, hoort naar Hem!

17:7

Staat op en weest niet bevreesd.

17:8

Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen.

17:12

maar Ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is, en zij hebben hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden. Zó zal ook de Zoon des mensen door hen moeten lijden.

Geweldig! Ik kan er niet over uit. Mozes en Elia verschenen samen met Jezus en ze spraken met elkaar. Wat een zegen. Wat een wonder. Eeuwen worden aaneengeregen. Voor God is er geen tijd. Mozes en Elia en Jezus. Als dat vanuit het verleden gebeurt, zal dat ook vanuit het heden en naar de toekomst gebeuren. De heiligen zijn rondom ons. Ze zijn er allemaal. Het is waar wat de Openbaring zegt. We zijn niet weg. Maar alle heilige zingen met de engelen rondom de troon om de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waar gerechtigheid zal zijn. Daar zien we naar uit. Daar leven we in, daar leven we voor.

Deze verhalen zijn bemoedigingen voor ons vandaag. God laat ons niet in de steek. We zien het wel niet met onze ogen, maar alle engelen zingen rondom ons. De lucht is er vol van. Daarom is de wereld nog zo als de wereld is. God regeert het grote wereldgebeuren. De wereld is er vol van. Wat een zegen om dat met geestelijke ogen door Gods genade te mogen zien. We zouden het zelf niet kunnen zien als God het ons niet heeft geopenbaard. Prijs de Heer! En Hij openbaart het aan ons. Hij is altijd, altijd bij ons. We kunnen God ook niet zien. Het is te veel voor ons. We zijn verduisterd. Er kleeft zonde aan ons. We slaan tegen de grond. We worden bevreesd. Het overweldigt ons. Maar Jezus zegt: ‘Staat op en weest niet bevreesd’. We gaan op onze benen staan. Als we de heerlijkheid van God ervaren, dan worden we enthousiast. We kunnen er niet over op houden. Het is fantastisch.

Is het niet geweldig? Mozes en Elia komen, om met Jezus te praten. En God is er ook bij. ‘Deze is mijn Zoon, de geliefde… hoort naar Hem!’ Hoe is het mogelijk dat de grote God, die de aarde en de hemel geschapen heeft naar ons toekomt. ‘Deze is Mijn zoon, de geliefde… hoort naar Hem!’ Jezus staat vlak voor Zijn lijden en sterven. En Mozes en Elia spreken over de uitgang die Hij te Jeruzalem zal ondergaan, zegt Lucas. Ze spreken over de beloften. Ze spreken over de profetie. Ze spreken over wat God door de eeuwen gedaan heeft. Ze spreken over het lijden en het sterven. De zonde en de ellende. Maar de trouw van God gaat boven alles. De Messias moest lijden. Hij kwam om aan te kondigen het aangename jaar des Heren. Er had net zo goed ook Jesaja kunnen komen of Jeremia. Maar, dat is trouwens interessant, waarom kwamen Mozes en Elia en niet Jesaja? Heeft dat iets te maken met het feit dat Mozes en Elia door God Zelf zijn thuisgehaald. Interessant.

Maar het allerinteressantste is dat God Zich in Zijn profetische zeggingkracht openbaart. Petrus komt erop terug in zijn tweede brief. Ik heb het zelf gehoord zegt hij. Daarom acht ik het profetische Woord des te vaster. Het zal gebeuren zoals het beschreven is. Wij leven in profetische tijden. Wij leven in de ver­wachting van de wederkomst van de Messias. Het zal gaan gebeuren. We mogen het zien. En als we het met geestelijke ogen gaan zien, dan worden we alleen maar enthousiaster. Niet omdat er zoveel om ons heen is waar we altijd enthousiast over zijn. We kunnen soms moeilijke dingen meemaken. Soms blijft het altijd in ons leven een rol spelen, maar dan in het licht van de ver­schijning van Jezus op de berg. En in het licht van Zijn beloften. En in het licht van de profetie die vervuld is en dus de profetie die nog vervuld gaat worden, dan worden we alleen maar blij, dat we opgenomen zijn in de vervul­ling naar dat eeuwige koninkrijk, dat wellicht sommigen van ons in ons leven nog meemaken, maar zeker in de opstanding uit de dood zullen zien. We sterven wel, maar we zijn levend met Hem. En dat begint nu al. In Hem zijn we onsterfelijk, ook al vervalt ons aardse lichaam. Niet te geloven. Ja, niet in ons eigen denken en onze vleselijke kracht, maar wel in de kracht van Hem. Prijs de Heer!

We kunnen er weer tegen aan. Je wordt er zo enthousiast van en kunt u dat niet worden omdat zorgen uw blijdschap verduisteren? Zie dan op Jezus! Toen Mozes en Elia verdwenen, zagen zij niemand, dan Jezus alleen. En dat is het geheim. Zie op Jezus alleen! Hij heeft al het lijden, ook dat van mij en van u, neen, dat van de hele wereld op Zich genomen. De zonden zijn verzoend. En wij mogen opstaan in het nieuwe leven. We stoppen hier maar. Want we weten van geen ophouden als we de machtige daden van God in ons leven moeten verhalen. Het is toch het grote wonder dat we door genade een kind van God mogen zijn, met al ons lek en gebrek. Prijs de Heer! Hij is goed. Lezen, lezen, lezen en nog eens lezen. Want de Bijbel is geen boek, de Bijbel is Gods Woord. Het Woord van God keert nooit ledig terug. Prijs de Heer! Lees het woord! Predik het, dring erop aan!

Matthéüs 17:14-27

4 maart [2]

17:16

En ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.

17:20

Want voorwaar, ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen:… en niets zal u onmogelijk zijn.

17:21

[Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.]

17:27

zult gij een zilverstuk vinden. Neem dat en geef het hun voor Mij en voor u.

Is het niet ontmoedigend? Komt Jezus van de berg. Van die fantastische ont­moeting, die uitstorting van grote kracht. En dan zitten we zo maar weer in het platte vlak. De discipelen hebben de zieke niet kunnen genezen. Wat frustrerend. Wat een toestand. Beschamend. Jezus is even weg en de kracht is verdwenen. Jezus roept uit: ‘O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn?’ Dat is een krachtige uitspraak. Het is alsof Jezus boos en teleurgesteld tegelijk is. Hij is nu al zo lang bij hen. Hij heeft hen zoveel verteld. Hij heeft hen ingewijd in de wonderlijke kracht van God. Zij zullen het toch moeten weten? Maar ze zijn ongelovig. Hoelang moet dat nu nog duren? De man wordt genezen en de reden waarom zij niet konden genezen is: kleingeloof. En daar zijn we midden in het probleem. Het probleem is niet de wonderen, maar ons kleingeloof. Als we slechts maar een heel klein geloof hebben dan zouden we genezen. Niets zou dan onmogelijk zijn, maar dat hebben we kennelijk zelfs niet.

We geloven het wel. We moeten het eerst maar eens zien. Ons ongeloof straalt van ons af. En dan God maar verwijten dat er zoveel dingen niet genezen wor­den. Dat er zoveel verdeeldheid blijft. Dat God dit en dat zou moeten doen En daar gaan we weer. Het is altijd God die het gedaan heeft. Dat wij nauwelijks geloven of eigenlijk ongelovig zijn, dat wil er bij ons niet in. En dan hebben ook nog anderen het gedaan. Maar Jezus prikt er vlijmscherp doorheen. ‘O, ongelovig en verkeerd geslacht’. Waarom konden de wonderen niet gebeuren? Kleingeloof. En daar wringt de schoen. We moeten gaan staan en geloven in de wondere kracht van God. God zelf sprak: ‘Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, hoort naar Hem!’ Daar gaat het om. Hij spreekt. En het was er. Hij genas. Zijn kracht gaat boven alles uit. Hij wil Zijn kracht uitstorten in onze zwakheid. Voor Hem is niets te wonderlijk.

In geloof gebeuren wonderen. Wonderen en tekenen zullen ons navolgen, vast en zeker. Het staat er toch en het gebeurt toch. Het is waar, niet omdat ik het zeg of denk dat het zo is, maar het is waar, omdat het waar is. Er staat geschreven.

Matthéüs 18:1-14

5 maart [2]

18:4

Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen.

18:6

Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee.

18:10

Ziet toe, dat gij niet één dezer kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is.

18:11

[Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te behouden.]

18:14

Zó bestaat bij uw Vader, die in de hemelen is, de wil niet, dat één dezer kleinen verloren gaat.

Wij denken van boven naar beneden. Een is er de grootste, de baas, de belang­rijkste. En dat willen we allemaal graag zijn. Maar Jezus draait het om. Word de minste! Hij neemt een kind. Word als een kind! Maar dat kan toch niet? Een kind telt al helemaal niet mee in de race om de grootste, de belangrijkste. Daarom neemt hij een kind. Word als een kind! Als je in je houding, in je gedrag, in hoe je je medemens ziet, in hoe jij de leiding ziet, niet wordt als een kind, dan zit je verkeerd. Hij die zich opstelt om te dienen, om de minste te zijn, om liefde te geven, om te dienen in plaats van om gediend te worden, die is de meeste. Jezus denkt van beneden naar boven. Hij kwam om te dienen. Hij nam de straf van de zonde op Zich. En de basis van de zonde is dat we willen heersen over de ander. Ben ik mijns broeders hoeder? En we zijn tegen elkaar. We staan op. We maken ruzie. We vechten om de eerste plaats. Neen, worden als een kind.

En het geheim is, dat als je het doet, dat dan de liefde en het onderlinge begrip, de rivaliteit verdwijnt, en dat er mooie dingen tot stand komen. Dat ook de vrede gediend wordt, dat je steeds minder geneigd bent om ruzie te zoeken. Het is waar. Het werkt. En als er dan nog iets is dat je tot zonde verleid, ruk het uit! Werk eraan! Want het is beter een oog te missen dat je tot zonde verleidt, dan met twee in het hellevuur geworpen te worden. Het gaat hier dus over hel of hemel. De hemel is doen als een kind.

Er zit ook in, dat we de kleinen, de zwakken, niet tot zonde moeten verleiden. Het gaat hier ook letterlijk over de kinderen en ook de ongeboren kinderen, maar het gaat hier ook om de zwakkeren, de eenvoudigen van geest. Wee als je die verleidt. Dan komt die molensteen. Zwaarder kon de Here Jezus het ook niet aanzetten. Het is dus wel een heel serieuze zaak. Het is van levensbelang. Bekeer je, want anders gaat het niet goed! En pas op! De engelen in de hemel rukken juist uit om dat wat zwak is te beschermen en voor het aangezicht van God te pleiten. Wat een geweldige God hebben we. Daar word je toch hele­maal enthousiast van? Hoe vaak zijn we niet zwak, hebben we het niet moei­lijk? Worden we wel gepest, geknecht, lastig gevallen, overheerst en wat niet al. Dan te weten dat jouw engelen bij God voor je pleiten is een overstijgende waarheid die al het leed doet verzachten. De misdadiger wordt gestraft. Denk aan de molensteen. De situatie hoeft niet altijd te veranderen. Maar je kunt vrede vinden in het feit dat degene die je lastig valt, in feite het slachtoffer is dat zijn ondergang zeker tegemoet gaat. Voor wie je moet bidden of hij behouden mag worden. Zodra de bitterheid in je hart opkomt ben je zelf al weer het slachtoffer, want in plaats dat hij over jou heerst, vind je dat jij over hem moet heersen. Het is moeilijk, maar het komt heel nauw. En het zal niet de eerste keer zijn dat de niet wederstaande liefde van het slachtoffer de misdadiger bekeert.

Want Jezus, de Messias, is immers gekomen om het verlorene te behouden? Er kunnen honderd schapen zijn, maar als één verloren dreigt te gaan, dan laat hij alle in de steek en gaat op zoek naar dat ene schaap, dat verloren dreigt te gaan. Dat is onze houding, dat is onze taak. Op zoek naar het verlorene. Uit­rukken wat ons dwars zit, wat ons tot zonde verleidt. Vandaag mee beginnen. En bidt God om kracht. En Hij zal het geven, vast en zeker. Doe het in geloof. Het wordt een feest vandaag, in ons leven. En de naasten zullen zich verbaasd afvragen: ‘Wat hebben we toch? Hij verandert. Wat een wonder. Wie had dat ooit gedacht?’ Het leven met Jezus is een groot feest. Prijs de Heer! We gaan op stap met Koning Jezus, Die kwam om ons te dienen en ons in Zijn grote liefde draagt dwars door de dood heen.

Matthéüs 18:15-35

6 maart [2]

18:15

Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen.

18:20

Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.

18:22

Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zeven maal.

18:33

Hadt ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u?

18:35

Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft.

Als je iemand ziet zondigen, dan moet je hem onder vier ogen bestraffen. Het niet aan de grote klok hangen, maar hem behoeden voor zijn zonde. We zullen versteld staan hoeveel we dan kunnen voorkomen. Vaak zien we het wel, maar gaan niet in liefde op de zondaar af. Bang misschien om afgewezen te worden. Bang om iemand te beschuldigen. Maar het gaat niet om beschuldigen. Het gaat om een reddingsoperatie. En je gaat nooit in eigen kracht. Als we dit lezen, dan in de eerste plaats toezien op onszelf en de zonden in ons leven wegdoen. Daarover nadenken en er meteen aan denken.

En een juiste houding bepalen als iemand op ons afkomt om ons uit liefde te helpen niet te zondigen. Niet boos reageren. Maar de gemeenschap zoeken. Want waar twee of drie in de Naam van God verenigd zijn, daar is God in hun midden. We leven in de gemeenschap van God, daarom is ook de gemeente een bescherming om dicht bij Jezus te blijven. Dat is toch geweldig? Het is geen aanval, maar een bescherming. We zijn in het lichaam van Christus en dat begint al heel klein. Waar twee of drie…, dat is toch geweldig? Of niet soms?

De volgende gelijkenis over vergeven is uit het leven gegrepen. God vergeeft ons alles. Hij zond Zijn Zoon, om te lijden en ter sterven voor onze zonden. Ons is alles vergeven. Wij mogen uit genade bevrijd van zonde en schuld leven. En wat doen we? We komen de rechtzaal nog maar nauwelijks uit of we beginnen onze schuldenaars aan te pakken. God is ons vergevingsgezind, terwijl we dat absoluut niet verdiend hebben, maar wij zitten onze schulde­naars op de hielen. Hij heeft dit en zij heeft dat. Ik zal ze betaald zetten. Dan had hij ook maar niet dit of dat moeten doen. Maar nu is het te laat. Ik zal hem krijgen. Wat denken ze wel? Enz. enz. enz. We kunnen daar de dag mee vul­len. En dat gebeurt nogal eens. Levensgevaarlijk. Levensgevaarlijk. Daar zit de dood. God ziet het wel. Maar wat we van Hem ontvangen hebben, schuld­vergeving door Hem, moeten we ook aan anderen doen. En niet zeven maal, maar zeventig maal zeven maal. Daar komt geen einde aan. Dus altijd. Doen we het niet dan tasten we ons eigen heil aan. We komen verkeerd terecht. Bij de folteraars. En waar zaten die ook weer? Was dat niet de buitenste duister­nis. Dat is de wereld waar de boze macht heeft geprobeerd ons in zijn grip te krijgen. Levensgevaarlijk. Weg uit die hoek.

Moge er een broeder of zuster komen die ons wijst op onze zonde. Moge de Heilige Geest nu ons doen ontdekken waar we op dit punt verkeerd zitten. En het geheim is dat als wij ontdekt worden aan onze zonden, we gerust in de verborgenheid op onze knieën mogen gaan, nu op dit moment, om de zonden te belijden en schuld te vergeven om op te staan en naar de ander te gaan. De mensen zullen dan zien wat voor machtige God we hebben, dat zelfs wij onze zonden belijden. Als God die kracht in ons kan wekken, dan kan Hij dat bij iedereen. Wat een machtige God. En het wonder is dat als dit gebeurt, de mensen verbaasd zullen staan en zeggen, wat hebben die mensen toch? Prijs de Heer! Het was weer goed vanmorgen.

Matthéüs 19:1-15

7 maart [2]

19:1

en Hij kwam over den Jordaan in het gebied van Judéa.

19:2

En vele scharen volgden Hem en Hij genas hen aldaar.

19:3

En er kwamen Farizeeën tot Hem om Hem te verzoeken en zij zeiden: Is het geoorloofd zijn vrouw weg te zenden om allerlei redenen?

19:4

Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt?

19:5

En Hij zeide: Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn.

19:6

Zo zijn zij niet meer twee, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.

19:8

Mozes heeft u met het oog op de hardheid uwer harten toegestaan uw vrouwen weg te zenden, maar van den beginne is het zo niet geweest.

19:9

Doch Ik zeg u: Wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan hoererij en een andere trouwt, pleegt echtbreuk.

19:10

Indien voor een man de zaak met zijn vrouw zó staat, is het niet raadzaam te trouwen.

19:11

Niet allen vatten dit woord, alleen zij, aan wie het gegeven is.

19:12

Er zijn immers gesnedenen, die zo uit de moederschoot geboren zijn, en er zijn gesnedenen, die door de mensen gesneden zijn, en er zijn gesnedenen die zichzelf gesneden hebben, ter wille van het Koninkrijk der hemelen. Die het vatten kan, die vatte het.

19:13

Toen werden kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij hun de handen zou opleggen en bidden; doch de discipelen bestraften hen.

19:14

Maar Jezus zeide: Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.

19:15

En Hij legde hun de handen op en vertrok vandaar.

‘Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.’ Hoe zit het? Zijn de kinderen bestemd om ver­doemd te worden? Of gaan zij naar de hemel? Hoe zit het met ongeboren kin­deren, die geaborteerd worden? Gaan ze naar de hemel? Of zijn ze al in zonde ontvangen en geboren en zijn ze verdoemd. Of zijn alleen de kinderen van gelovige ouders gered? Daar kunnen we vele theologische bomen over opzet­ten. Daar zullen we met ons verstand nooit uitkomen. En dat is maar goed ook.

Weg met die kinderen naar Jezus. Moeders komen, opdat Hij hun kinderen de handen zou opleggen en bidden. Wat zou Jezus gebeden hebben? Waarom zouden die moeders komen om hun kinderen de handen opgelegd te krijgen? Weg met die kinderen. We zijn net bezig met Jezus om een belangrijk pro­bleem aan te snijden. Het ging over de vrouw. En waren tot de conclusie geko­men dat het beter is om niet te trouwen als een man zijn vrouw alleen maar mag wegzenden in het geval van hoererij en dan een ander trouwt. Die pleegt echtbreuk. Hoe zit dit nu weer? Gaat het erom dat de man hoererij pleegt, dan zijn vrouw wegzendt en dan een ander touwt, dat hij dan echtbreuk pleegt. Ik denk het wel. Je mag dus je vrouw niet wegzenden omdat je met een ander wilt. Dan pleeg je echtbreuk. En daar staat de doodstraf op. Dan zeggen de Farizeeën dat het dan maar beter is om niet te trouwen. Ze kwamen om Hem te verzoeken. Ze wilden Hem pakken. De vraag was: Is het geoorloofd zijn vrouw weg te zenden om allerlei redenen? Wat een rare vraag. Het antwoord is toch vanzelfsprekend: ‘Neen, natuurlijk niet’. Je gaat toch niet je vrouw wegzenden om allerlei redenen. Wat een vraag. Het was dus kennelijk wel zo dat de man het recht had zijn vrouw om een reden die hij belangrijk vond, weg te zenden. En een weggezonden vrouw had geen kans om ooit weer te trou­wen. Want dat is schande. Dan ben je een paria geworden. Dat maakte de vrouw heel kwetsbaar. Dat maakte de vrouw afhankelijk van de grillen van een man. En dat hielp ook niet, om de man in het gareel te houden als hij grillig en willekeurig en zeker niet als hij op seksgebied zijn lusten niet be­dwingt.

En zo zien we hier een uit het leven gegrepen voorbeeld. Jezus pakt het in de kern aan. Hij pakt hen op hun tere punt. En dat is steeds het geval. We moeten er niet omheen praten. We moeten tot de kern doordringen. Het is hoererij wat in je gedachten zit. Het is om je zelf een vrijbrief te geven om, om wat voor reden, je vrouw weg te sturen om maar weer een andere te nemen. Dat is je reinste leugen en hoererij. Je ziet die Farizeeën en die schriftgeleerden komen met die vrouw die op overspel betrapt is uit het Johannes evangelie. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Dat is uit het leven gegrepen. Het gaat erom dat we zondigen in woorden, gedachten en daden. Het gaat erom dat wij vol zitten met hoerige gedachten. En dat het een verlokking is. We moeten onszelf heiligen en reinigen en ons niet vroom en schijnheilig voordoen. Het meisje siddert voor die langrokken. Ze is gepakt. En ze weet zelf wel waar de schoen wringt. Maar als ze op heterdaad betrapt is waar is dan de man? Waar is de overspeler? Die hebben ze niet meegenomen. Of was dat één van hen? Die hebben ze laten lopen. Want het meisje is de schuldige. Ze moeten haar hebben. Zo is het hier ook weer. Mogen wij onze vrouwen wegzenden om allerlei redenen. Dat is dan een vraag van die langrokken. De leiders van de kerk. Ze proberen Jezus te pakken. Want deze nieuwlichter brengt roet in het eten in hun kerkelijke paradijsje. Ze hebben het net zo goed voor elkaar. Alles reilt en zeilt en nu brengt Hij de boel in de war. Neen, Die moeten ze een kopje kleiner maken. Kijk nou eens al die mensen die op Hem afgekomen zijn. En zie de grote wonderen. Hij geneest en Hij spreekt woorden van troost en bemoediging. Mensen, je hoeft niets. Het Koninkrijk der hemelen is geen tucht. Het is de bevrijding van alles wat je moet. Stort je hart maar bij Mij uit. Want God weet van jullie lijden. God wil je bevrijden, maar langs de weg van Zijn liefde en Zijn ingrijpen in jouw leven en Zijn plan om alle ongerechtig­heid weg te doen. Maar de Farizeeën hadden hen de wetten opgelegd, en wee je gebeente als je je daar niet aanhoudt. Dan ga je voor de bijl. Wat een vreemde vraag. Het antwoord is: Wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan hoererij en een ander trouwt, die pleegt echtbreuk. Neen, het is toch zo dat ook alleen als je je vrouw wegzendt omdat zij hoererij pleegt, je haar mag wegzenden. In alle andere gevallen stuur je haar weg om een reden en je trouwt met een ander, dan pleeg jij hoererij. Nou, als het zo is, dan kun je beter niet trouwen. Het is alsof ze zeggen: Met deze reden geef je de vrouw teveel zeggenschap. Zo kan je vrouw je maken en breken. Terwijl het toch zo moet zijn dat de man zijn vrouw moet kunnen overheersen. Mozes heeft wel het recht gegeven om een vrijbrief te geven. Maar dat is geen algemene vrijbrief om, om wat voor reden ook, maar een vrouw weg te zenden. Hoe kom je erbij? Het is om de hardheid van jullie harten. Het is niet omdat die vrouw zo moeilijk is, neen, het is omdat de man zo moeilijk is. En hardnekkig weigert om met zijn vrouw verder te leven. Dat wil niet zeggen dat het moei­lijk kan zijn om met een moeilijke vrouw te leven, maar dat is dan de weg die je gaat.

De vraag van de zwartjakken is geheel overbodig. Want God heeft de man en de vrouw geschapen. Dat weten ze toch zelf ook wel? En die twee werden één. Zo zijn ze dus één vlees. En wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. Simpel. Direct. Dat konden ze zelf ook wel bedenken. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen één vlees zijn. Dat is een heerlijk woord. Het is ook een bevrijdend woord. Want hoe vaak zitten ouders en schoonouders en familie tussen de relatie van man en vrouw. Dat is niet de bedoeling. Die twee zullen één vlees zijn. niet op de voorwaarde van vader en moeder of wie dan ook. Samen zijn ze één vlees. Dat is een Godsverbond. En een drievoudig snoer wordt niet snel verbroken. Je trouw met God. Het is de trouw van God aan het paar. De een­heid ontstaat in God en niet andersom. God schiep de mens en daaruit komt de vereniging voort. Het is een echtvereniging. Het zit allemaal al in de woorden. En dat weten zij, maar ook wij, maar al te goed. God is er niet vaag over. Het is duidelijk en ondubbelzinnig. God is goed. Dit verhaal is moeilijk. En als hun conclusie dan is dat als het zo staat, het maar beter is niet te trouwen. Dan hebben ze het goed door. Dan zitten ze klem. Ze wijzen daarmee de woorden van Jezus af. Want ze willen hun vrijheid behouden. Ze willen blijven heersen over de vrouw. Wat denkt deze Jezus wel? Hij gaat er niet op in.

Niet allen vatten dit woord, alleen zij aan wie het gegeven is. Dat is geen geheimtaal. Dat is een openbaring, dat ieder die het verwacht van God en van Zijn Zoon van de woorden van leven, die begrijpt het. En dat is niet zo moei­lijk. Want dat is eigenlijk het leven. Het is het vanzelfsprekende. Daar kun je mee verder. Dat is pas leven. Het is het evangelie van de bevrijding van de liefde. Van de liefde die eerst de ander ziet om samen één te zijn ook in ver­schillen en onenigheden. Het voorbeeld van de gesnedenen en de niet gesne­denen en zij die zichzelf snijden is me niet geheel duidelijk. Ik voel aan wat bedoeld wordt, maar vat het toch niet helemaal. Als ik het mag zeggen, dan worden kinderen geboren om aan het hart van God te zijn. Dan zijn er mensen die het gaan ontdekken. Neen, ik weet het niet, laat maar.

En als dan de moeders met de kinderen komen, dan is het hart van Jezus open. De moeders moeten weg. Weer die vrouwen. Laat die op hun kinderen passen en val ons niet lastig. Die vrouwen ook altijd. Lastig. Maar als je niet wordt als een kind, kun je het Koninkrijk Gods niet beërven. Dat is krasse taal. Je moet het ontvangen als een kind. Dan komt die vraag over het wegzenden van je vrouw ook helemaal niet aan de orde. Je stuurt toch de moeder van je kind niet weg? Het is toch haar kind en het kind is toch gehecht aan de moeder? Het is toch ook vlees van jouw vlees. Het is toch uit die eenheid geboren? Je kunt je vrouw helemaal niet wegsturen. Zij die gesneden zijn uit de moeder­schoot, zijn de kinderen die uit die eenheid geboren worden. Het lijkt erop. Laat die kinderen komen, verhindert ze niet. Weg jullie, maak ruim baan voor de kinderen. Zij begrijpen wat liefde is. Zij hebben een scherp gevoel van goed en kwaad. Zij leven en genieten als er liefde is. Zij krimpen ineen als er ruzie en verwijdering is. Zij hebben behoefte aan geborgenheid. Zij zoeken naar de geborgenheid van de baarmoeder. Wie heeft het ooit in zijn hoofd gehaald om kinderen uit de baarmoeder te snijden en door het riool te halen? We lijken wel gek. Hoe komen we erbij?

En Hij legde hun de handen op en vertrok vandaar. Zo is het wel genoeg. Zo kan het wel weer. Wat zullen ze knarsetandend achtergebleven zijn. Hun kerkelijk dromen was weer aardig te kijk gezet. En daar kunnen ze niet tegen. Daar zullen ze zich met hand en tand tegen verzetten. Dat nemen ze niet. Daar zal Hij nog wel van horen. En de mensen die de wet niet kennen, die moeten we nog meer in de gaten houden. We zullen die knoet er weer eens goed over gooien in de synagoge. Wee je gebeente, als er mensen zijn die achter deze nieuwlichter aanlopen. Wat denken ze wel?

Matthéüs 19:16-30

8 maart [2]

19:16

Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?

19:17

Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden.

19:18

Welke? Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven,

19:19

eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

19:20

Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog tekort?

19:21

Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, en volg Mij.

19:22

Toen de jongeling [dit] woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.

19:23

Voorwaar, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan.

19:24

Wederom zeg Ik u, het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.

19:25

Toen de discipelen dit hoorden, waren zij zeer verslagen en zeiden: Wie kan dan behouden worden?

19:26

Jezus zag hen aan en zeide: Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

19:27

Daarop antwoordde Petrus en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?

19:28

Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten.

19:29

En een ieder, die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het eeuwige leven erven.

19:30

Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.

Vreemde vraag: ‘Wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te ver­werven?’ Hij kon er Zelf het antwoord op geven: ‘Onderhoud de geboden’. Dat zeiden de Farizeeën toch? Dat was toch heel duidelijk? Hij kwam toch ook in de synagoge? Waarom naar de bekende weg vragen? Het is uit het leven gegrepen. We zijn ook expert om naar de bekende weg te vragen. We zijn expert om onze onvolkomenheden te verbergen achter dit soort vragen. Zo in de trant van: ‘Maar wat schuilt daar nu voor verkeerds achter?’ Het komt er toch niet zo op aan? Je moet ook niet te overgeestelijkt zijn, enz. enz. En deze jongeman? Kennelijk iemand die al vroeg over veel geld beschikt. Kennelijk succes in het leven. Kennelijk overmoedig. Hij had ook van Jezus gehoord en hij zal ook eens een duit in het verzoekingen bakje van Jezus doen. Het lijkt me niet zo serieus. Of misschien ook wel. Misschien had hij wel ontdekt dat geld ook niet alles is. Dat veel geld ook veel zorgen met zich meebrengt. Je weet het niet. God weet het. Maar het staat hier opgetekend opdat wij eruit leren. En dan is het antwoord: Hij denkt dat hij iets goeds moet doen om het Koninkrijk der hemelen te beërven. Te verwerven staat er. Hij wil het kenne­lijk verdienen. Je moet er wat goeds voor doen. Nou, dat kon hij wel. Geld had hij genoeg. Misschien moet je wel meer geld aan de synagoge geven. Of aan een project. Nou, dat was voor hem niet moeilijk. Hij zal het vast wel gedaan hebben. Zijn naam zal wel bekend staan bij de weldoeners. Hij vond dat hij waarschijnlijk best al veel deed. Maar Jezus ontmaskert zijn goedgeefsheid. Eén is er goed. God is goed. En niemand anders. Wij zijn niet goed. We leven uit de genade en de liefde en de barmhartigheid en de goedertierenheid en de lankmoedigheid van God. Als we daar niet uit konden leven dan waren we al lang omgekomen. Gods barmhartigheden houden niet op. Dat is de kern. Daar gaat het om. God is goed! Dat had hij nog niet begrepen. Hij dacht dat hij zelf ook wat goeds moest doen om bij God in een goed blaadje te komen. Welnee. Het enige dat we moeten doen is uit dankbaarheid leven.

Het antwoord is ontwapenend en ontnuchterend. Onderhoud de geboden. En gij zult uw naaste liefhebben als uzelve is het laatste wat Jezus zegt. Dat is niet een onderdeel van de wet, maar een samenvatting van de wet uit Leviticus 19. Dat is ook eeuwen voorgelezen in de kerk. De wet wordt voorgelezen en dan wordt gezegd: ‘En gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Aan deze twee geboden hangen de ganse wet en de profeten. Zo, dat is duidelijke taal. Inder­daad, dat heb ook ik zondag op zondag gehoord. Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Daar wel eens over nagedacht? Hoe heb ik mezelf lief? En, zo moet ik ook de ander liefhebben. Nou, nou. Dat is niet zo eenvoudig. Want ik heb nog al wat aan te merken op die ander. En dat begint al heel dicht bij in je eigen huis. De ander uitnemender achten dan jezelf. Nederigheid. Voordat je je hoofd gebogen hebt voor de ander, moet er heel wat gebeuren. God is goed! Maar nooit genoeg te prijzen. Jezus zei niet zonder reden, dat deze rijke jongeman ook zijn naaste moest liefhebben als zichzelf.

Maar Jezus, dat heb ik allemaal gedaan. Wat kom ik dan nog tekort? Hij voel­de zichzelf volmaakt. Hij kwam dus niets tekort, vond hij zelf. Hij was nogal tevreden met zichzelf, over hoe hij de geboden van God hield. En zo zijn we allemaal. We zijn nog al met onszelf ingenomen. We zijn blij dat we niet zijn zoals die anderen. Wij dit en wij dat. Maar dan treft Jezus hem in zijn zwakke punt. ‘Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij.’ Dat is toch te gek? Uitgenodigd worden om Jezus te volgen. Wie zou dat nu niet willen? Dat is toch het einde? Dat is de zekerheid om het eeuwige leven binnen te gaan. Daar zal de rijke jongeling zeker ja op zeggen. Hij wilde toch het eeuwige leven? Hij wilde toch het Koninkrijk binnengaan? Daar was hij toch mee bezig? Daar leefde hij toch voor? Daar zat hij over in. Heb ik wel alles gedaan om recht te hebben op dat Koninkrijk? Wat voor goeds moet ik nog meer doen om dat Koninkrijk te verdienen? Verdiend te hebben? En nu dit: ‘Verkoop uw bezit en geef het aan de armen’. Daar kun je wel een dik boek over schrijven. Daar komt geen einde aan. Daar zit zoveel in. Daar zit het hele evangelie in. Het gaat er immers om dat je je naaste net zo lief hebt als jezelf. Als je dan je naaste ziet creperen, dan ga je meteen aan de gang om hem te helpen. Want je wilt toch niet dat hij in die situatie blijft terwijl jij de gelegenheid hebt om hem te helpen? Dat is toch te gek? Dan ga je aan de slag met alle mogelijkheden die je hebt.

God is goed! God wil het beste voor de mensen. Een Hij heeft ons als Zijn volgelingen geroepen om in Zijn voetspoor te gaan en dat te doen dat op onze weg komt. En daar geen bedenkingen en beperkingen in aanbrengen, maar het gewoon doen. En het antwoord van de rijke jongeling is ook ontwapend: ‘Toen de jongeling [dit] woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen’. Er volgt geen woord en wederwoord meer. Jezus had hem in het hart van zijn wezen getroffen. En dat wist Jezus natuurlik ook. Hij zat vast aan zijn geld en goed. Waar zit jij aan vast? Hij ging bedroefd heen, want hij bezat veel goederen. Dat kon je toch niet vragen. Jezus, als dit de prijs is die ik moet betalen, dan is het me te hoog. Dan houdt het op. Gaat het nu echt zover? Is dat niet een beetje teveel van het goede? Je moet ook wel het schuur­tje bij het huisje laten. Je moet niet de hele boel in de war sturen. Deze man kan toch niet z’n hele bedrijf naar de knoppen helpen? En als je het geld aan de armen geeft, wat komt er dan van terecht? Weet je wel zeker dat het goed terecht komt? Er blijft zoveel aan de strijkstok hangen en de armen maken er ook maar een potje van. Kijk maar hier en kijk maar daar. Dat is wel een erg simpele probleemstelling. Neen. Dat kan niet Jezus. Hij ging bedroefd heen. Hij begreep dat hij vast zat en vast wilde blijven zitten aan zijn geld en goede­ren. En die prijs was te hoog. Dat gaat niet. En zo kan hij niet in toepassing brengen: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Hij dacht dat hij dat gedaan had. Wat ontbreekt er nu nog? En dan wordt hij ontmaskerd aan zijn eerste liefde, zijn geld en goed. Dan wordt hij ontdekt aan het feit dat Hij de Here God niet werkelijk lief heeft want hij heeft de naaste niet lief als zichzelf. Dat is toch uit het leven gegrepen? Waar zitten wij aan vast? Wat willen wij niet loslaten? Waar gaan wij de mist in? Wat zegt de wet, wat zeggen de profeten? Wat zegt de schrift? ‘Wat gij voor de minste van Mij gedaan hebt, hebt gij voor Mij gedaan.’ Dat is een heerlijk evangelie. Dat is een heerlijke gedachte. Waar liefde woont daar gebiedt de Heer Zijn zegen. Daar woont Hijzelf. Dat staat in de berijmde Psalm 133. Heerlijk evangelie. Het geheim is dat als we dat weer gaan ontdekken, dan worden we blij, dan gaan we weer aan de slag. Dan staan we versteld van wat er allemaal niet kan. Dan worden we verbaasd over wat er allemaal aan de gang is. Heerlijk evangelie. Prachtig!

Maar de omstanders zien het nu ook niet meer zitten. Jezus ziet het. Ze zijn in de war. Jezus doet er nog een schepje bovenop. Het zal voor een rijke niet eenvoudig zijn om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Eerder kruipt een kameel door het oog van een naald. Dat is natuurlijk flauwekul. Dat kan nooit. Nou, als het zo onzinnig is dan kan niemand het Koninkrijk der heme­len binnengaan. Dat snapt toch iedereen? Dat is onmogelijk. Dan zinkt de moed je in de schoenen. Daar is geen beginnen aan. Wat een teleurstelling. Is het dan echt allemaal vergeefs? Zijn we dan allemaal windmolens achterna gegaan? ‘Jezus, hoe moet dat nu verder?’ En dan komt het antwoord waar je ook niet zoveel mee opschiet, als de discipelen zeggen: Maar wie kan dan behouden worden? Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Wat moet je daar nu mee? Wij kunnen dit nooit opbrengen. Wij hebben Gods genade en liefde en zeer grote geduld bitter hard nodig om door die naald te gaan. Het is ook niet dat wij enige verdienste hebben als wij enig goed doen. Het gaat alleen om de eer van God. God wil verheerlijkt wor­den in alles wat we doen. Daar gaat het om. En niets anders. En dan wordt het leven een feest. Dan ben je niet bezig om er zelf de eer van te behalen, maar dan geef je al de eer aan God en je bent er dan zelf ook nog des te enthousias­ter van. Als je het in de goede proporties ziet, dan komt de zegen van God met bakken neerdalen en dan ga je aan de gang. Dan wil je niet anders. Dan zijn het daden uit dankbaarheid en niet omdat jij je nou eens goed wilt tonen voor God. Dat is wel een les. Dat is wel een weg. Dat is de weg van de buiging voor God en de verhoging door Hem. Het is niet een weg van droefheid. Het is een weg van steeds groter vreugde, want je gaat ontdekken dat er alleen maar droefheid is als je op je zelf ziet, maar als je op Hem ziet en op zijn opstan­ding ziet dan krijg je daar niet genoeg van. Glorie voor Zijn Naam! Prijs de HERE! God is goed.

De discipelen zijn er toch ook nog niet zo zeker van. Petrus, die meestal het lef heeft om het woord te nemen in moeilijke situaties zegt en vraagt hoe het dan met hen zit. Is het voor hen dan ook onmogelijk om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Want daar komt het toch wel op neer, als ze Jezus goed begrepen hebben. Zij hebben toch alles prijsgegeven om Jezus te volgen? Wat komt er dan van hen terecht? En Jezus geeft een verbijsterend, duidelijk ant­woord, waar we allemaal van kunnen leren. Zijn discipelen, die alles hebben prijsgegeven en Hem gevolgd, zullen bij de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon Zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten. Het gaat hier over twaalf tronen en twaalf stammen. Dat is een belofte. Dat gaat terug naar de belofte aan Abraham. Wat een profetie. Wat een vervulling van profetie. Hierover alleen al kunnen we een boek schrijven. Er is geen vervangingstheologie. Er is geen geestelijke Israël-theorie. Het gaat hier heel concreet over twaalf tronen en het heersen over de twaalf stammen van Israël. Dit zijn de woorden van Jezus. Wie durft te twijfelen aan de letterlijkheid van de woorden van Jezus? Het zijn de twaalf stammen, dus, het zijn de twaalf stammen. Het is volkomen parallel met de belofte aan Abraham en wat er in de openbaring van Jezus aan Johannes op Patmos staat. Heerlijk evangelie. God is goed!

Iedereen die zijn aardse banden opgeeft ter wille van de naam van Jezus zal vele malen meer terug ontvangen en het eeuwige leven beërven. Je ontvangt niet alleen vele malen terug in het eeuwige leven, maar ook in dit leven. Want je hebt een schat ontdekt. Je hebt een rijkdom ontdekt. Je hebt in dit leven het eeuwige leven ontdekt. En dat zijn alle gelijkenissen van het Koninkrijk. Je wilt het niet meer missen. Je wordt er enthousiast van. Je ontdekt Gods kracht in je leven. Je gaat er mee aan de slag. Heerlijk evangelie! Wat een zegen. Wat een genade. Wat weer een verbazend heerlijk stuk uit Gods Woord. Er is hoop! Er is genade! Overal waar de waarheid van dit Woord doordringt, gaat er iets gebeuren. Het kan niet anders.

Matthéüs 20:1-19

9 maart [2]

20:1

Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer des huizes, die des morgens vroeg arbeiders voor zijn wijngaard ging huren.

20:2

Toen hij het met de arbeiders eens geworden was voor een schelling ’s daags, zond hij hen in zijn wijngaard.

20:6

Waarom staat gij hier de gehele dag werkloos?

20:7

Omdat niemand ons gehuurd heeft. … Gaat ook gij in de wijngaard.

20:9

ontvingen zij ieder een schelling.

20:10

En zij ontvingen eveneens ieder een schelling.

20:13

Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij het niet met mij eens geworden voor een schelling?

20:14

ik wil deze laatste hetzelfde geven als u.

20:15

Staat het mij niet vrij om met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?

20:16

Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.

20:18

en zij zullen Hem ter dood veroordelen.

20:19

En zij zullen Hem overleveren aan de heidenen om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden.

Het klinkt ook wel redelijk. Als jij de hele dag aan het ploeteren bent en dan komt er ook nog iemand op het laatste uur van de dag en je krijgt dan allebei hetzelfde. Dat is toch niet eerlijk? Dat doet ons rechtvaardigheidsgevoel op­spelen. Dat nemen we niet. Dat vinden we maar een rare baas. Dat doe je toch niet? De volgende keer pas je wel beter op om met zo’n deal in zee te gaan. De man van het laatste uur zal wel opgekeken hebben. Hij had zeker niet verwacht om hetzelfde te ontvangen. Want hij heeft per slot van rekening maar een uur gewerkt.

Jezus legt uit wat het loon voor het volgen van Jezus is. Hij zegt: ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten’. En zo is het. Er is geen rangorde. Het gaat er om of je je hart aan de Here Jezus gegeven hebt. Het gaat erom of je tenslotte capituleert voor Koning Jezus. Dat kan lang duren of kort duren, maar het gaat erom dat je het doet. En het is als met de moordenaar aan het kruis. Die komt er op het laatste moment bij. Die heeft z’n hele leven met de boze geheuld. Maar dan komt hij tot erkentenis van de waarheid. En dan zegt Jezus: ‘Heden zult gij met mij in het paradijs zijn’. Dat klinkt gek. Hoe kan nu zo’n moordenaar, zo’n crimineel, het koninkrijk beërven? Daar moet toch wel heel wat voor gebeuren? En het is uit het leven gegrepen. We voelen ons vaak veel beter dan die moordenaar. Wij lopen al jaren in het gareel. En we hebben zo onze eigen kerkelijke dingen. We zijn goed bezig, vinden we. We hebben de boel goed op een rij. En keer op keer komen we dan de Here Jezus tegen, en vinden dat Hij de boel aardig in de war stuurt. Als het al moeilijk is dat een rijke het Koninkrijk der hemelen kan beërven, dan is de conclusie van de discipelen, maar wie kan dan het Koninkrijk der hemelen binnengaan? En als het over de echtscheiding gaat, dan komen ze tot de con­clusie dat het maar beter is om niet te trouwen. En zo gaat het steeds maar weer. Het geheim is, dat het Koninkrijk van een andere dimensie is. Het is niet zo dat je die verdient. Dat je er recht op hebt. Maar het gaat erom dat je on­voorwaardelijk je overgeeft aan Koning Jezus. Het allemaal van God verwacht en je hart niet zet op aardse goederen of zaken. Het gaat er niet om of je een braaf echtgenoot of christen bent. Het gaat erom dat je je wilt overgeven aan de geboden van God. Dan kom je in een andere wereld terecht. Dan leef je in de wereld van genade en liefde en lankmoedigheid en goedertierenheid. Dan heb je die grote schat ontdekt in aarden vaten. Dan ben je zwak om sterk te zijn. Dan kan niets meer stuk. Dan ben je ook niet jaloers op de ander. Dan verheug je je er alleen maar in dat zelfs op het laatste moment een gevallen mens gered wordt. God is goed! God wil het goede voor alle mensen.

De Here Jezus weet hoe de mens in elkaar zit. Als ook de man die slechts het laatste uur gewerkt heeft hetzelfde krijgt als hij die de hele dag geploeterd heeft, dan gaat het menselijk hart opspelen. Maar het is alsof Jezus zegt: ‘Pas op’. Het gaat er niet om wie op de eerste plaats zit. Het gaat er niet om dat je rechten hebt. Het gaat er niet om dat jij bepaalt hoe mijn rangorde is. Het gaat erom dat je leeft uit de genade, dat je deel mag hebben aan het Koninkrijk van God. En dat is genoeg. Want dan ben je gered van de komende toorn. We zijn daar vaak ver van af. Maar we zullen straks zien en dan zullen vele laatsten de eersten zijn en vele eersten de laatsten. Want God bepaalt Zelf hoe Hij met Zijn uitverkorenen omgaat. Maar het is zeker, dat, wie alles verlaat om de Here te volgen zal worden opgenomen in de hemelse gewesten. En de disci­pelen die zich ook zorgen maakten hoe het nu allemaal zal gaan, want zij heb­ben toch alles achter gelaten, zullen zitten op de twaalf tronen om de twaalf stammen van Israël te richten. En iedereen die Jezus stelt boven alles wat aards is, zal dit ervaren. Hij zal zien dat God goed is. Hij zal dan geen enkel woord uitbrengen van verongelijkt zijn, omdat hij ziet dat anderen op een hogere plaats staan dan hij. Want we zullen allen volmaakt zijn. We zullen allen zien dat God goed is en doet wat Hij wil om het ons allemaal naar de zin te maken en ons op de plaats te krijgen die Hij ons goeddunkt. En dan is het goed. Dat is liefde. Dat is genade.

En dan neemt Hij de twaalf apart. Hij vertelt hen van Zijn lijden en sterven. Ze gaan op naar Jeruzalem. Het wordt paasfeest. Ze zullen hem gevangen nemen en ter dood veroordelen. Ze zullen hem overleveren aan de heidenen. Ze zullen Hem kruisigen. Maar Hij zal ten derde dage opstaan. Ze horen het. Het is de derde keer dat Jezus het hen verteld. Ze zullen het gehoord hebben, maar niet geloofd. Want een lijdende knecht des Heren, dat staat zo ver van hun cultuur- denken af. Ze verwachten een overwinnende Messias, Die de Romeinen uit het land zal gooien. En dat is heel wat anders. Ze hebben Jesaja 53 niet willen begrijpen. Het gaat om de verzoening van de zonden van de mens. Het gaat om de relatie met God. Het gaat niet om de wereldse heer­schappij. Het gaat om het hart van de mensen. God is goed! God wil het hart. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

Matthéüs 20:20-34

10 maart [2]

20:22

Wij kunnen het.

20:26

Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden zal uw dienaar zijn,…

20:28

gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

20:34

Jezus werd met ontferming bewogen en raakte hun ogen aan, en terstond werden zij ziende en volgden Hem.

Toch wel een arrogante vraag. Waarom haar zonen aan de rechter en de linkerzijde? Jezus vraagt scherp terug. ‘Kunnen zij den beker drinken, dien Ik zal drinken?’ Een onvoorstelbaar antwoord: ‘Wij kunnen het’. Ze hebben er niets van begrepen. De anderen worden boos om zo’n vraag. Maar of zij het begrepen hebben. Niemand kan de beker drinken die Jezus moet drinken.

En weer komt Hij met een gelijkenis. De heersers der aarde komen en heersen. Maar zo onder ons niet. Wij moeten dienen. Net als Jezus. Hij is gekomen als een losprijs voor velen. Hij gaf Zijn leven. Dat is zware taal. Hebben zij het begrepen? Begrijpen wij het? Het is het omgekeerde van wat in ons zit. Wij hebben een heersersmentaliteit. Wij willen boven iemand staan. Een ander dienen? Nou, dan toch alleen als die ander mij ook dient. Er is een voortduren­de concurrentiestrijd onder de mensen. Wie kan de meeste zijn? Wie komt bovenaan de top? Daar vechten we voor. Daar stressen we ons voor af. We worden van veel dingen moe, maar kennelijk nooit om te heersen. Dan kan een kracht in ons komen waar we versteld van staan. Het lijkt of de hele wereld om ons heen zo in elkaar zit. De boeken staan er vol van. De economie is erop gebaseerd. Het gaat om de concurrentie. Het gaat om de hoogste winst. Het gaat om de ander weg te duwen. De zwakken moeten eruit. En de sterken overleven het. We zien het voor onze ogen. Het is de strijd om het bestaan. We zien het toch? En dat gaat steeds forser, steeds sterker. Daar hebben we de beurzen voor. We moeten een sterke economie hebben. We moeten het steeds beter hebben. En of daardoor nu drie-kwart van de wereld het steeds slechter krijgt, dat deert ons niet. De markt zal het winnen. Het gaat om democratie en de markt. En Amerika gaat voorop. De zwakken zijn het slachtoffer. Maar Jezus brengt een andere orde. Hij zegt dat we moeten dienen. Niet moeten heersen. En als we dienen en naar de ander toekomen, dan komt die ander naar ons toe. Dan bloeit de liefde op. Dan gaat het leven goed. Dat is de sterkste economische groei. Daar blijft de zwakke niet achter, maar daar gaat de zwak­ke mee. Daar kun je een krachtige economie op bouwen. We zijn het vergeten en we hollen naar Babylon toe. Het rijk dat ik gebouwd heb. Maar het zal in een uur weggevaagd worden, want het was op zand, op ego, op haat, op ondergang gebouwd. Kijk eens wat dit ene woord van Jezus losmaakt. Het is de basis van de Bijbel. Het moet de basis van ons leven zijn. De onvoorwaar­delijke overgave aan Jezus is dat we met heel ons leven Hem en de ander willen dienen. Prijs de Heer! We moeten een andere wereldorde maken. Gebaseerd op de dienende liefde van Jezus, Die ons ook de ander laat dienen. Gaat u voor.

Ze gaan weg uit Jericho. Jezus wordt met ontferming over de twee blinden bewogen. Het volk wil ze wegsturen. Maar Hij roept ze dichterbij. Het is het evangelie in de praktijk. Hij was immers gekomen om te dienen? En dan gaat Hij dienen. Ze worden ziende. Zij geloofden in zijn dienende kracht. En ze gaan Hem volgen. Is het niet geweldig om direct na de les van Jezus de prak­tijk te zien? Dat is ook onze weg. Geloven in Zijn dienende kracht en dan ook de mensen in nood, de zwakken, niet wegsturen, maar ze juist naar voren halen. Je zult eens zien wat er dan gebeuren gaat. Prijs de Heer!

Matthéüs 21:1-17

11 maart [2]

21:5

Zie, uw Koning komt tot u,…

21:9

Hosanna de Zoon van David,…

21:13

Mijn huis zal een bedehuis heten, maar gij maakt het tot een rovershol.

21:16

hebt gij nooit gelezen: Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid?

Het komt nu wel tot een ontknoping. Profetie wordt vervuld. Het volk is in alle staten. Dit is de profeet. Nu zal het gebeuren. Jezus op een ezelin de stad in. Dit is vervulling van profetie. Ze voelen het aan en ze weten het. Jezus geeft opdracht. En het gebeurt. Het is een groot feest. Op naar Jeruzalem. En dan komt Hij bij de tempel en veegt het tempelplein schoon. Hij is bewogen met de dingen van Zijn Vader. Ze hadden er een commercieel evangelie van gemaakt. Ze hadden geen plaats meer voor de stalletjes buiten en zo verpach­ten ze de ruimte op het tempelplein. Dat is toch praktisch. Want dan ben je vlak bij de offerplaats en hoef je niet het offer helemaal mee te slepen. Wat een gemakseredienst. Niet God dienen, maar jezelf. Hij veegt de boel in heilige verontwaardiging schoon. Maar dat gaat zo maar niet. Dat past niet in het schema van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Kan het niet een beetje rustig? Moet het nu zo? Zou je eerst niet eens rustig overleggen? Het is toch te gek? We zien het voor onze ogen. Er is geen verschil met vandaag. Samen op Weg. Dogmaatje spelen. Enz. enz. En verder de boel maar de boel laten.

Maar Jezus is niet zo. Hij was met innerlijke ontferming bewogen over de scharen die ronddolen als schapen zonder herder. Ze worden geknecht terwijl Hij komt om vrijheid aan te bieden. Vlijmscherp haalt Hij twee teksten aan, die ze uit hun hoofd kenden en ook in het verband van hun context. Daar alleen al kun je een boek over schrijven. En dat moesten we ook maar eens doen. We zijn zo ontzettend veel van de directe toepassing van de profetie kwijtgeraakt. Het is verschrikkelijk. Daar moet de beuk in. Waarheid is waar­heid. Het zou een bedehuis zijn, maar het is een rovershol geworden. Hoe durven ze het? Wat een consternatie. De schriftgeleerden zijn in de war en maken zich zorgen hoe ze de boel in de hand moeten houden. Ze roepen Hem ter verantwoording over wat de kinderen zeggen. Over wat Hij op het tempel­plein deed durven ze kennelijk niet te beginnen. Jezus geeft hen antwoord met hun eigen teksten. Uit het machtige Psalm 8:3 ‘Uit den mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest.’ Wat moeten ze daar nu op zeggen? Dat was het antwoord.

Matthéüs, die voor de Joden schreef, heeft vooral de profetie naar voren willen halen. Ook voor vandaag, om maar duidelijk te zien dat er eenheid in profetie is, in de gehele Bijbel.

Matthéüs 21:18-27

12 maart [2]

21:21

indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden.

21:22

En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen.

21:27

Dan zeg Ik u ook niet, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

Gelovig bidden. Bidden, dat gaat nog wel, maar gelovig bidden is een andere zaak. Wat is gelovig bidden? Dat is niet twijfelen. Wat is twijfelen? Dat is bidden en tegelijk denken of het wel kan. We zitten vol met twijfelend bidden. We bidden wel, maar geloven het niet. En dan werkt het niet. We zullen het eens proberen of het werkt. En dan hebben we het over gebed. Terwijl God het precies omgekeerd zegt. Bidden in geloof. Dan gebeuren er wonderen, maar we zijn verleerd te geloven dat God in staat is met wonderen te werken. We geloven niet in wonderen en tekenen. We houden hele redenaties over het bidden en over wonderen en tekenen. Maar hier staat het weer een keer. Het ging over de vijgenboom. Jezus vervloekt de vijgenboom en meteen verdorde de boom. De discipelen vragen: ‘Hoe kan dat nou?’ Jezus legt het niet uit, maar doorziet hun ongeloof. Zij geloven zo dicht bij Jezus nog niet in de kracht die van Hem uitgaat. Als Hij het zegt, dan zal het ook gebeuren, dat is God en daar moeten wij ons aan spiegelen. Hij wil ons ook in die kracht zet­ten. Dan moeten we niet lopen zeuren en doen alsof we het zelf theologisch allemaal nog eens moeten bekijken. Maar gewoon geloven wat er staat.

Als we alle teksten over gebed op een rij zetten en de wonderen die er uit voorkomen, dan staan we versteld. Het volk riep uit tot God en Hij gaf de overwinning. Hoe vaak is dat niet het geval in het oude testament? En hoe is dat ook vandaag niet het geval? We moeten onze zonden belijden en het uit­roepen tot God. Zij ogen gaan over de gehele wereld om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. Dat is toch heerlijk? Daar kunnen we toch helemaal mee verder? Prijs de Heer!

Matthéüs 21:28-46

13 maart [2]

21:31

Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods.

21:42

Hebt gij nooit gelezen in de Schriften:…

21:43

Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.

Confronterende boodschappen. De gelijkenis is duidelijk. Als de slaven gedood worden, en de zoon van de heer komt zelf en die doden ze ook, ja, dan is duidelijk dat als de heer zelf komt, dat hij de pachters een kwade dood laat sterven en de wijngaard aan andere pachters geeft die wel de vruchten op tijd geven. Wie zou de Here Jezus bedoelen? Je ziet ze denken.

En dan citeert Jezus de tekst uit Psalm 118 ‘De steen die de bouwlieden ver­smaad hebben’. Ja, die tekst kenden ze uit hun hoofd. En Jezus geeft meteen de toepassing: confronterender kon het niet. Het Koninkrijk Gods zal van u weggenomen worden. Zij zijn dus die onrechtvaardige pachters. Zij hebben dus de voorlopers gedood, de profeten. Zij worden dus aangeklaagd als moor­denaars. Hoe durft Hij? Ze zullen Hem. Maar ze durven niet, want de scharen houden Hem voor een profeet. En ze moesten niet te veel problemen hebben in het land. Anders zouden de Romeinen hen nog meer knechten, want die waren als bezetters in het land. Maar ze begrepen maar al te goed waar Jezus het over had. Hij zette hen in diskrediet. Hij diskwalificeerde hen. Zij, de leiders van het volk. Dat namen ze niet. En dan nog wel het Koninkrijk Gods aan een ander volk geven. Dat is je reinste blasfemie (godslastering). Want zij waren het uitverkoren volk. En de rest waren de heidenen die de wet niet kenden. Daar spuugde je voor op de grond. Dat minachtte je. En aan hen het Koninkrijk Gods geven. Waar staat dat? Hoe komt Hij erbij? En zo zullen ze in hun kringen Jezus hebben vervloekt en wegen hebben gezocht om Hem het zwijgen op te leggen. Reken maar!

Dat zal een heftige discussie zijn geweest. Daar zal niet veel verschil van mening over zijn geweest. Zo’n iemand, zo’n raddraaier, kun je niet hand­haven. Die maakt alleen maar veel onrust en verwarring. En ze hadden juist de boel zo goed op orde. Het volk was rustig en deed wat ze hen hadden opge­dragen. Maar de werkelijkheid was dat ze Zijn volk knechtten. Dat ze hen het zicht op de Messias hadden weggenomen. Dat ze hen in verwarring hadden gebracht. Vreselijk. En dat stelt Jezus aan de kaak. Daar gaat Hij dwars tegen in. Dat was toen het geval en dat is vandaag het geval. We moeten precies zeggen wat Jezus zegt. Hem verkondigen. En niet bang zijn, want ook vandaag aan de dag gaat dat radicaal in tegen de heersende opvatting.

Matthéüs 22:1-22

14 maart [2]

22:4

Zie, ik heb mijn maaltijd bereid,…

22:5

de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.

22:8

De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard.

22:10

en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden.

22:14

Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren

22:16

Gij ziet de mensen niet naar de ogen.

22:21

Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.

Het verhaal gaat verder. Het is uit het leven gegrepen. De Messias wil komen voor Zijn volk, maar ze vervolgden Hem; ze willen Hem doden. En nu deze gelijkenis. Je bent uitgenodigd, maar je hoofd zit elders. Hij kwam voor Zijn volk in de eerste plaats, maar zij keken de andere kant op. Ze vervolgden zelfs. En dan worden de slechten en de goeden op de kruispunten der wegen uitge­nodigd. Kom in. En als je dan toch probeert binnen te dringen dan heb je geen bruiloftskleed aan en dan ga je eruit. Zo gaat het in het Koninkrijk van God. God biedt het aan. Hij blijft roepen. Maar als jij bewust tegen dat Koninkrijk kiest, moet je ook niet denken dat je er nog recht op hebt. Dan zullen we ver­baasd staan wie we er wel zien. De goeden en de slechten op de kruispunten der wegen. Wat zal dat prachtig zijn. De tafels staan al gereed. Kom tot de bruiloft. Dat is een geweldig perspectief. Daar kun je niet genoeg van krijgen. Maar ook vandaag lopen de aanvallende godgeleerden rond om de boel in de war te sturen. Zij doen de deur van de bruiloftszaak op een kiertje open. De een onthoofdt de bruidegom en maakt er een mooi verhaaltje van. De ander maakt de drempel van verkiezing en heiligheid zo hoog dat je er nauwelijks in komt. Terwijl de bruidegom de gasten roept, staan ze buiten te roepen: ‘Jij niet en jij niet, maar wij wel’.

Pas op voor de valse herders en leraars. Zij leggen je wetten op van mensen. Maar de wijdgespreide armen van Jezus worden weer dichtgeduwd. Want zo gemakkelijk gaat het niet zeggen ze. En wee je gebeente als je het wel uitno­digend voorstelt. Dan krijg je de wind van voren. Dan ben jij de zwartepiet en ze zullen je uitsluiten waar ze maar kunnen. Maar het Koninkrijk van God breekt baan. Het is een vreugde om deze gedeelten te lezen. Jezus leest ze de les. Ook met het geld. Gemeen zijn ze. Geef de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. Met een ander antwoord hadden ze Hem proberen te pak­ken en over te leveren aan de Romeinen. Huichelaars, want ze betalen zelf ook aan de keizer. Ze zouden niet anders durven.

Matthéüs 22:23-33

15 maart [2]

22:29

Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de kracht Gods.

22:32

Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden.

Met een slag worden de Sadduceeën het zwijgen opgelegd. Zij geloofden niet in de opstanding. Vreemd dat er een stroming geleerden was die met deze gedachten in het Israël van toen rondliepen. Want dit is toch een grote dwa­ling. Dit slaat toch nergens op? Maar kennelijk hadden ze een legitieme plaats in Jeruzalem. Zij ook, zijn tegen de nieuwlichter Jezus, van Wie ze wisten dat Hij wel in de opstanding geloofde. Anders hadden ze hem deze vraag niet gesteld.

Een domme vraag. De vrouw met de zeven mannen. Hoe zit dat nu Jezus? Daarmee willen ze Hem vastzetten. Het antwoord is direct: Jullie kennen de schriften niet. Wij zijn als engelen in de hemel. Jullie praten over doden. Maar God spreekt over levenden. Hij is de God van de levende Abraham, Izak en Jakob. Wat denken jullie wel? Zo zullen we allemaal levend zijn. Jullie zitten een beetje te redeneren vanuit de dood. Maar in God zijn we levend en blijven we levend. We sterven wel in ons aardse lichaam maar zijn en blijven levend in God. Dat is het geheim. God bekijkt de dingen niet vanuit onze, maar vanuit Zijn kracht. Zijn gedachten zijn hoger dan mijn gedachten. Hij zal ons opne­men in Zijn heerlijkheid en daar zullen we zijn als de engelen. Jullie moeten je mond houden. Dwaalleraars. De mond snoeren. Stoppen met jullie geleuter. De mensen staan versteld over Zijn leer. Hoe is het mogelijk? Hoe vaak blij­ven wij ook niet in het platte menselijke vlak hangen? Hoe zit dit en hoe zit dat? Vooral mensen die een geliefde missen. Hoe zit het? Waar is hij nu? Hoe kan dat nu? Zal ik hem weerzien? Zullen we elkaar herkennen? Enz. enz enz. Jezus zegt, stop daarmee. Kennen jullie de Schriften ook niet? En de kracht van God. God is een God van levenden. Wij zullen opstaan en zijn als de engelen. Wat wil je nog meer? Dat zal een geweldige tijd zijn. Zijn, als de engelen. Dat waren de dienende geesten van God. Die geweldig sterk en vol van gerechtigheid en kracht waren. Heerlijk om daar naar uit te zien. En iedereen te ontmoeten die we gekend hebben.

Daarom is het ook zo belangrijk om iedereen te vertellen van de liefde van Jezus. Want Hij komt. Hij wil ons allemaal opnemen in Zijn eeuwig Konink­rijk. Prijs de Heer! Ik moet dan altijd denken aan dat verhaal van de verheer­lijking op de berg. Toen Mozes en Elia verschenen bij Jezus en waarbij ook Petrus, Johannes en Jakobus aanwezig waren. We zien daar de eeuwen aan­eengeregen. Mozes zoveel eeuwen eerder en Elia zoveel eeuwen later en dan de Here Jezus weer zoveel eeuwen later. Zij herkenden elkaar. Zij spraken met elkaar. En dat is de werkelijkheid. We zullen elkaar herkennen. We zullen met elkaar spreken. We zullen genieten van die eeuwige pracht en praal. Zij spra­ken op de berg over de uitgang die Jezus te Jeruzalem zou ervaren. Hij was op weg naar het kruis. De verzoening van onze zonden. Want hoe kan het ooit weer in orde komen, zonder verzoening? Wij hebben gezondigd. Mozes en Elia leidden het volk. En dan komt daar de stem van God. Deze is Mijn Zoon, de Geliefde in Wien Ik een welbehagen heb. Prachtig! Wat een evangelie! Wat een bemoediging! God draagt Zijn Zoon. Hij laat het er niet bij zitten. Hij draagt ook ons met al ons lek en gebrek. Want Hij ziet ons, Hij kent ons. Hij laat ons nooit in de steek. Zelfs als wij wel eens de verkeerde kant op denken. Prijs de Heer!

Matthéüs 22:34-46

16 maart [2]

22:34

Toen de Farizeeën gehoord hadden, dat Hij de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen,

22:35

en één van hen, een wetgeleerde, vroeg, om Hem te verzoeken:

22:36

Meester, wat is het grote gebod in de wet?

22:37

Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.

22:38

Dit is het grote en eerste gebod.

22:39

Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

22:40

Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

22:45

Indien David Hem dus Here noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?

22:46

En niemand kon Hem daarop iets antwoorden…

Hierover kunnen we wel de hele dag doorschrijven. De boeken zouden uit­puilen als we herover alles zouden opschrijven. Want dit is zo geweldig. Zo machtig. Zo overstelpend goed. Zo machtig. Zo verblijdend. Zo hoopvol. Zo richtinggevend. Zo eeuwig. Zo krachtig. Zo vol van leven, licht, waarheid, trouw, bescherming, erbarming, goedertierenheid, enz. enz enz. God is goed! De Here God komt naar ons toe in Zijn kracht. Hij stuurt ons de Messias. Daar wisten de Farizeeën ook van. Zij zijn tegen Jezus. Ze willen Hem uit de weg ruimen en hoe eerder hoe beter. Deze nieuwlichter belemmert hun theologie. Zij verachten de Messias in hun kringen. Hoe kan het ook anders, want zij zijn toch de wettige opvolgers van Mozes en de profeten? En zij zijn toch de op­volgers door de geslachten heen? Zij weten hoe het zit. En het volk dat de wet niet kende, dat moeten zij lijden en knechten. En zo gaan ze voort.

Wat is het grote gebod is hun strikvraag. Wat een sufferds. Dat weten ze toch zelf? Het feit dat ze het de Here Jezus vroegen kwam omdat ze dachten dat Hij wel zou komen met iets als, je mag wel je handen wassen op sabbat en wel aren plukken en wel dit en dat. Allemaal dingen waar zij tegen waren. En dan konden ze Hem pakken en te kijk zetten voor het volk. Maar Hij doorziet het en pakt hun grootste gebod. Uit Deuteronomium 6:4: Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één! Fantastisch toch? Daar zijn we het allemaal mee eens. Daar kun je alleen maar blij van worden. Dat is de grote waarheid. Daar drijft de hele wereld op. Daarom was Jezus er. Als de lijdende knecht des Heren. Als de Zoon van God, die de zonden van de wereld verzoent. Om dat eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Daar word je toch alleen maar enthousiast van? Dat kan niet stuk. En daar pakt Hij die valse leraars op. Hij pakt ze met hun eigen teksten. Want op de vraag hoe zij de Messias zagen is het antwoord simpel: ‘Davids zoon’. Natuurlijk. Dat is waar. Maar zij verwachtten een koningszoon, die zegevierend Jeruzalem zal binnen­komen en hen zal verlossen van de bezetter. Want daar gaat het hen om. Zij denken in het platte aardse vlak. Het moet iets zijn met handen en voeten. Iets dat zij kunnen plaatsen. En daarom past die rabbi daar uit Nazareth niet in. Kan uit Nazareth uit Galilea iets goeds komen? Nee natuurlijk. Uit het cen­trum van de macht moet de Messias komen. En dan nog wel een Rabbi die met wonderen en tekenen niet in het kielzog van de heersende clerus (geestelijk­heid) wandelt maar er een evangelie op na houdt dat volkomen tegen de regels ingaat. Dat kan helemaal niet. Daar moet een stokje voor gestoken worden. En dat doen ze dan ook. De vraag van Jezus blijft onbeantwoord. Als het de Zoon van David is hoe kan David Hem dan Zijn Heer noemen. Neen, dat kan in het platte vlak niet. Daar loop je op stuk. Daar kun je geen redenatie van maken. Dan loop je stuk in je eigen redeneringen. Ze doen er dan ook maar het zwij­gen toe. Ook zij hebben niet begrepen dat we het over God hebben. Dat Zijn gedachten hoger zijn dan onze gedachten. Dat alle kracht bij Hem ligt en dat wij van daaruit worden bekrachtigd. En niet en nooit andersom.

Daarom is dit ook weer zo uit het leven gegrepen. Je wordt er enthousiast van. Want wij zitten zo vaak in het platte vlak. We zitten zo vaak gevangen in onze eigen gedachten. We draaien maar rond in onze kop. En we zijn vaak zo theo­logisch en dogmatisch en wettisch bezig. We moeten overal een antwoord op hebben. In plaats dat we schuilen bij de Here God. Daar bij God in de hemel is het veilig. Daar komt de kracht vandaan. Daar zijn de legioenen engelen die uitgestuurd worden om ons te dienen. Nou, zo kan het wel weer. We weten onze marsroute weer.

Eigenlijk moet hier nog een stukje achteraan. Want in feite zitten wij de Here God ook steeds strikvragen te stellen. Stommerds. Zijn de antwoorden aan de Sadduceeën en de Farizeeën ons niet genoeg? De les is, dat we Hem moeten volgen in het volle vertrouwen dat Hij als Zoon van David is geprofeteerd en gekomen, ook weer terug zal komen en dat Hij ons door het leven en de tijd heen draagt en opneemt in Zijn heerlijkheid en we eenmaal zullen zien in het hemels Koninkrijk van recht en gerechtigheid, hoe het allemaal bedoeld is en we een leven hebben waar geen einde aan komt. Wat willen we nog meer? Dat moeten we van de daken schreeuwen. Prijs de Heer!

Matthéüs 23:1-22

19 maart [2]

23:3

want zij zeggen het wel, maar doen het niet.

23:4

Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren.

23:8

want één is uw Meester en gij zijt allen broeders.

23:10

want één is uw Leidsman, de Christus.

23:11

Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn.

23:13

gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat gij niet toe daarin te komen.

23:14

[Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars,…]

23:15

Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars,…

23:16

Wee u, blinde wegwijzers,…

Nu komt het er toch wel op aan. De confrontatie neemt toe. Jezus spreekt Zich uit. ‘Wee u’, klinkt herhaalde malen. Hij duldt niet dat de wet van Zijn Vader als een knoet over het volk wordt gelegd door de Farizeeën en de schrift­geleerden. Ze bedenken allerlei regels waar de mensen aan moeten voldoen, maar zelf houden ze zich er niet aan. Mensen kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven. Daar zetten ze een theologische blokkade voor. En als ze een bekeer­ling hebben, dan leggen ze hem al de geboden op. Het wordt nog erger dan in het begin. En dan dat gezeur over het zweren. Het gaat erom dat je een belofte doet voor God. Daar doet het feit dat er een goede ambiance moet zijn niets aan af. Maar je moet er geen wet van Meden en Perzen van maken. En dat doen ze wel. Al maar wetjes en regels en controle. Tot op vandaag toe.

We lopen hier tegen het einde van het leven van Jezus. Want nu is toch wel heel duidelijk dat de leiders van het volk dit niet pikken. Huichelaars. Het zal je naar gezegd worden. En waarom? Juist die dingen, die zij belangrijk vinden neemt deze nieuwlichter op de korrel. Dat maakt onrust en verdeeldheid. En dat moeten ze te allen tijde voorkomen. Stel je voor. Rust in de tent gaat voor een radicale doorwerking van het evangelie. Het is uit het leven gegrepen. ‘Wee u.’ Het ‘Wee u’, klinkt. Het gaat tegen de geestelijke leiders.

Die hebben een zeer grote verantwoordelijkheid. Als zij de mensen knechten met hun eigen wetjes, dan klinkt het ‘Wee u’. Het ‘Wee u’, door de eeuwen heen. Het evangelie is bevrijdend. Het maakt de mensen los van de banden van de knechtende werking van allerlei gebodjes. Van dit mag wel en dit mag niet. Het gebod van God is liefde. En het liefdesgebod van God volgen is Zijn geboden onderhouden. En Zijn geboden zijn niet zwaar. ‘Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg,’ lezen we in Deuteronomium 30. De keuze tussen de zegen en de vloek, spreekt boekdelen. De geboden van God zijn niet te moeilijk. Daarom moeten we ontzettend voorzichtig zijn om elkaar weer allerlei knechtende geboden op te leggen, die niet met het bevrijdende evangelie stroken. Dat was de grote tegenstelling van Jezus en de kerkelijke leiders uit Zijn tijd. Dat is ook een krachtige waarschu­wing voor ons vandaag. Wat is er toch veel eigenzinnige godsdienst. Wat is er toch een franje rond het bevrijdende geloof gemaakt. En dat terwijl het toch eigenlijk zo simpel is.

Wat zien we in eigen land? We kunnen een boek schrijven over wat we als kerken en genootschappen elkaar aandoen. De knechting is groot. Als we denken aan de ene kerk die denkt dat zij de ware kerk zijn. Als we zien dat iedereen in tongen moet spreken. Als we ruzie maken over liederen en ver­talingen. Als we de uitverkiezingsleer toch niet afschaffen. Enz. enz. En als we vrijzinnige theologie zien die er een liberale Bijbel hervertel theologie op na houdt, dan krimpt je hart ineen voor zoveel hoogmoed en ongeloof. Wat moet de Here God met zoveel ongeloof en knechting? Het is als in de dagen van Jezus. Het klinkt ook weer vandaag. We zouden daar eens directer over moeten spreken. Jezus doet dat confronterend. Radicaal. Hij neemt het niet dat de dingen van Zijn Vader zo worden gekneveld. Hij neemt het niet omdat Hij ziet hoe het volk daaronder lijdt. Zij denken dat het zo moet, omdat de gees­telijke leiders het zo voorschrijven. Maar ze ontdekken in Jezus de Verlosser, de Bevrijder, de Zaligmaker. Dat staat haaks op wat hier verteld wordt. Dat is dus revolutie in de kerk. En daar gaat het dan ook om. We moeten Jezus volgen. Zijn bevrijdende geboden gehoorzamen, dan wordt het leven een groot feest.

Matthéüs 23:23-39

20 maart [2]

23:24

Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar den kameel doorzwelgt.

23:26

reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein worden.

23:27

want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen…

23:28

Zo ook gij, van buiten schijnt gij de mensen wel rechtvaardig, doch van binnen zijt gij vol huichelarij en wetsverachting.

23:31

Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.

23:33

Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?

23:35

opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot…

23:36

Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.

23:37

...en gij hebt niet gewild.

23:39

Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!

Het ‘Wee u’ gaat door. Het lijkt wel of het steeds radicaler wordt. Witgepleis­terde graven enz. enz. Dat is dan ook wel het einde. Dat laten ze zich niet ge­zeggen. Wat heeft dat nu met liefde te maken? Dat is opstand. Dat is rebellie. Dat doe je niet. Je kunt het toch wel een beetje netjes zeggen? Je kunt het wel oneens zijn met je tegenstander, maar om zo de vloer met hen aan te vegen? Dat is vragen om je eigen onheil. Je moet het dan ook zelf maar weten. Zo spreek je toch niet over de mensen die boven je gesteld zijn? Het zijn toch de geestelijke leiders? En zegt de Bijbel niet dat je die met dubbele eer moet waardig achten? Ja hoor. Jezus gaat te ver. Je zou dat vandaag aan de dag eens moeten doen. Je krijgt de wind van voren, ook al zullen de mensen het eens zijn met wat je zegt maar niet met de manier waarop. En dan komt het oordeel. Dan ga je voor de bijl. Dan zullen de mensen niet meer voor je opkomen. Dan zal het grote stilzwijgen alleen maar toenemen. Je wilt je toch niet identifice­ren met zo’n oproerkraaier? Ja, we hebben genoten van Zijn prediking en van Zijn wonderen en tekenen. Het was geweldig om het te horen en te zien. Weet je nog van die wonderen en die genezingen? Niets was onmogelijk. We ston­den er allemaal versteld van. En we konden niet hebben dat die Farizeeën en schriftgeleerden steeds maar weer Hem probeerden vast te zetten. Vreselijk, want Jezus deed toch zo goed. Wat moesten ze nou daar steeds weer negatief over doen. Maar ja, nu gaat het toch wel te ver. Hoe vaak heeft Hij nu al het ‘Wee u’ uitgesproken? Nu worden ze ook nog zonen van profetenmoordenaars genoemd. En ze zullen er nog meer vermoorden. Jezus ziet het voor Zich.

Hij wordt met ontferming bewogen. Het gaat om Zijn volk. Hij is in de eerste plaats gekomen voor Zijn Eigen volk. Maar ze hebben Hem niet gewild. Hij had hen willen verzamelen bij Hem, zoals een hen haar kuikens vergadert. Maar ze willen niet. Ze blijven hun geestelijke leidslieden volgen. Ze maken geen radicale keuze. Ze zijn voor het compromis. Maar Jezus ziet hoe het in de toekomst zal zijn. Jezus zal gaan. Ze zullen Hem niet meer zien. Totdat ze Hem zien en roepen: ‘Gezegend Hij die komt in de naam des Here’. Dat is een groot perspectief. Ze hebben er waarschijnlijk niet veel van begrepen. Wat is dit voor vreemde taal? Maar het ging gebeuren. Wat God doet, dat gebeurt. We weten van de tragiek van het Joodse volk. Ze kwamen in opstand in het jaar 70, toen werden Jeruzalem en de tempel verwoest. De Menora, de zeven­armige kandelaar uit de tempel, is meegenomen naar Rome en een reliëf daar­van prijkt daar nog op de Titusereboog. Wat een tragiek. Wat een anticlimax. Ze hoopten op de Messias Die hen zou verlossen uit de handen van de Romeinen. En het is niet gebeurd. Een lijdende Knecht des Heren komt niet in hun woordenboek voor. Maar dat was nu juist de clou. Hij kwam voor het Zijne. Zij wezen Hem af, het heil werd verbreed naar de heidenen en zo is het wereldwijd gegaan. Overal waar het christendom doordringt, daar worden de verhoudingen beter. God is bij machte door Zijn klein volkje, machtige dingen te doen. Prijs de Heer!

Matthéüs 24:1-14

21 maart [2]

24:2

er zal hier geen steen op de andere gelaten worden,…

24:3

Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?

24:4

Ziet toe, dat niemand u verleide!

24:8

Doch dat alles is het begin der weeën.

24:12

En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen.

24:13

Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

24:14

En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.

Ze wijzen Jezus op de gebouwen van de tempel. Dat waren machtige bouw­werken. Herodes had de tempel zelfs nog verfraaid. Moet je nagaan een Edo­miet. De jodenhater. Hij kocht de gunst van het volk door de tempel te ver­fraaien. Zelfs de discipelen, die toch drie jaar bij Jezus waren, hadden nog niet door dat ze te maken hadden met een lijdende Messias, waar Jesaja 53 zo duidelijk over spreekt. Ze zaten zo vast aan een aards Israël en een aardse Messias. Wat moet dat een verdriet zijn voor Jezus.

Dan zegt Jezus dat er geen steen op de andere zal blijven. Ze vragen: ‘Wan­neer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en de voleinding der wereld?’ Ze stellen de vragen die ze allang wilden stellen. Jezus sprak immers over Zijn lijden en sterven en de voleinding. Jezus, zeg het ons nu eens con­creet. Hoe zit het nu? En dan komt de machtige, imponerende, magistrale rede over de laatste dingen.

Ziet toe dat niemand u verleide. De tegenstander van God zal alles doen om je denken te stelen. Je denken en je leven. Het is een geestelijke strijd. De over­ste dezer wereld, de satan, gaat rond als een briesende leeuw. Vreselijke dingen gebeuren. Rampen en oorlogen. Maar dit is het begin nog maar. De liefde zal van velen verkillen. De wetsverachting neemt toe. Daar waar Gods gebod uit de samenleving verdwijnt, daar komt wetsverachting. Liefde verkilt.

‘Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.’ Het gaat dus om je niet te laten verleiden en te volharden. Er zijn dus aanvallen op ons denken en doen. Je moet je niet laten verleiden. Hoe gaat dat dan? Een voorbeeld en nog wel een heel belangrijk. De tv. De grote verleider. Er komt van alles door­heen dat het licht niet kan verdragen. De zonde druipt eraf. Maar de meeste christenen zien er geen been in om de tv achter elkaar voor zichzelf en hun kinderen uit te zetten. Velen vinden dit overdreven, maar de werkelijkheid is duidelijk. Iedereen weet ook waar je het over hebt, maar wil toch doorgaan met de zonde. De tv is de grote hoerenverleider van deze tijd. En nu internet ook nog. Wie kan je controleren als je stiekem op je pc’tje onreinheid langs laat komen? Je kunt er haast niet aan ontkomen.

Maar dan volgt: Dit evangelie van het Koninkrijk moet gepredikt blijven. Dus wat moeten we doen: Dit evangelie van het Koninkrijk prediken. Dwars tegen alles en iedereen in. Aan de gehele wereld. En dan zal het einde gekomen zijn. Een heerlijke toekomst. Een ernstige waarschuwing. Volharden en je niet laten misleiden. De Bijbel op je hart en in je hoofd. Lezen en lezen. Want zalig hij die leest en het hoort. Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Geprezen zij de Heer! Voor elke keer dat het Woord opengaat.

Matthéüs 24:15-35

22 maart [2]

24:15

Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting,…

24:21

Want er zal dan een grote verdrukking zijn,…

24:22

ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort.

24:25

Zie, Ik heb het u voorzegd.

24:27

Want gelijk de bliksem komt van het oosten en het licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.

24:30

en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid.

24:31

en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen…

24:32

Leert dan van de vijgeboom deze les:…

24:35

De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

Het loopt naar een climax. Wat een klemmend evangelie. Daniël spreekt er al over. De gruwel der verwoesting. Wat zal dat zijn? Hoe moeten we dat con­creet duiden? Er komt een grote verdrukking. Wat zal dat zijn? Ter wille van de uitverkorenen wordt die ingekort. Het moet wel vreselijk zijn.

Direct daarna zal de Zoon des mensen komen. En iedereen zal Hem zien op de wolken des hemels. Kijk, daar is Hij. Als met de bliksem. Plotseling. Let op! Let op! Let op de tekenen der tijden. Als je dit alles ziet, dan weet je dat Zijn komst nabij is. Je kunt het zien aankomen. Dus laat je niet verleiden en vol­hardt tot het einde. ‘De hemel en de aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbij gaan.’

Dus waar komt het op aan? De woorden van de Here God lezen en indrinken. Er bij blijven. Je steeds weer spiegelen aan dat Woord van God. Lezen en nog eens lezen. Weg met alle boeken. Maar eerst lezen. Als je leest en leest en leest en de Bijbel dicht laat dan ben je verkeerd bezig. Dan ben je een invals­poort voor dogma’s en doctrines, dat kan een grote verleiding zijn. En lezen en herlezen. Elke dag opnieuw. Heerlijk om daar ook vanmorgen weer bij bepaald te zijn. Vergeet al mijn woorden, maar drink het Woord van God in. Elke dag opnieuw. We zullen elkaar opwekken om het Woord van God te lezen. Prijs de Heer!

Matthéüs 24:36-51

23 maart [2]

24:42

Waakt dan, want gij weet niet op welke dag uw Here komt.

24:44

Daarom, weest ook gij bereid,…

24:46

Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden.

Het wordt nog eens aangescherpt. Noach wordt er bij gehaald. We kennen het maar al te goed. Noach bouwde in honderd jaar een schip op het droge, want er komt een zondvloed. Wat zullen ze met hem gespot hebben. En Noach maar bouwen. Waar is het goed voor? Maar plotseling begon het te regenen en het hield niet meer op. Als God de deur sluit, bent u reddeloos verloren. Vreselijk! Het gaat er dus om dat je waakt en volhardt en je niet laat verleiden. De men­sen die Hem afwijzen, die gaan reddeloos verloren. Niet omdat het moet, maar omdat ze weigerden te luisteren naar de roepstem van de Heer. We zijn dan goed voor onze medeslaven. We werken alsof de Heer des huizes gaat komen.

Jezus komt weer terug op zijn gelijkenissen. Hij had het vaker over de heer en de slaven. De slaven, die de heer proberen te doden en tegen te werken. Uit het leven gegrepen. Wat hebben we toch vaak een verkeerd beeld van hoe we moeten leven. Maar hier staat het weer eens in geuren en kleuren. Als de heer des huizes dan komt, dan moeten we niet opkijken dat de heer dan boos is en hen zal straffen. Zo zal het ook zijn als de Heer komt. Hij heeft zo vaak geroepen. Zo vaak, zo vaak, zo vaak. Elke keer opnieuw.

Daarom moeten we blijven roepen. We moeten blijven oproepen tot bekering. We moeten niet verslappen. We moeten niet verslappen. We moeten niet verslappen. We moeten volharden, we moeten ons niet laten verleiden. We moeten bij het Woord blijven, want dat Woord blijft. En dat Woord is de waarheid. Dus, deze waarschuwing van Jezus is een geweldige zegen en een bemoediging, dat we nooit hoeven te twijfelen of in de war te raken. Te mid­den van alles wat gebeurt, blijven we heel eenvoudig bij het Woord van God. Het is toch geweldig? Wat een zegen om zo vandaag de dag weer in te gaan. Je krijgt er niet genoeg van.

We leven uit de genade van een gekruisigde Christus. Hij gaf Zijn leven. Hij was de Messias, Hij is de gezalfde. De profeten spraken al over Hem. Hij gaf Zijn leven als verzoening van onze zonden. Hij trad plaatsvervangend op. Hij maakte de weg weer vrij. En Hij komt. Blijf volharden! Laat je niet misleiden. Hij komt en Hij zal Zijn uitverkorenen verzamelen. En daar horen we bij als we ons leven geborgen weten door genade in Hem. Prijs de Heer!

Dat evangelie moet gepredikt worden tot het einde. Het is de oproep tot bekering. Komt, komt, komt. Dat kunnen we niet genoeg blijven roepen. Wat een verkondiging. Waar blijft de verkondiging? Heerlijk toch om dat te doen. Want je bent als maar bezig met een positieve boodschap want wie gunt de ander niet het eeuwige leven? Je biedt iets positiefs aan. Weg uit deze wereld van ongerechtigheid en op weg naar de eeuwige wereld van recht en gerechtigheid. Prijs de Heer!

Matthéüs 25:1-13

24 maart [2]

25:1

de bruidegom tegemoet.

25:6

gaat uit hem tegemoet!

25:10

kwam de bruidegom,…

25:13

Waakt dan, want gij weet den dag noch het uur.

Ziet u het voor u. Die maagden met hun lampen, het feest tegemoet. Wèl en nìet klaar. Ze wisten allemaal dat de bruidegom kwam. Maar je moet wel helemaal bereid zijn. Neem olie mee in je lamp. Wees bereid! Wees klaar! Doe geen half werk. Maak er geen potje van. Verslap niet! Denk niet: Het zal mijn tijd wel duren. Laat de olie niet thuis, want straks is er geen tijd meer om de olie te kopen. Want als de bruidegom komt, dan nodigt hij alleen hen die klaar zijn. Die Hem verwachten. Dat is toch een eerlijke zaak? Dan ben je niet te laat. Je kunt het niet duidelijker uitleggen. Zorg dat je er bij hoort. Daar is geen recept voor. Dat is duidelijke taal. En redeneer dan nu niet dat het niet eerlijk is. Neen, je weet het nu van te voren. En als je het risico neemt om de kantjes eraf te lopen, dan moet je het ook maar zelf weten.

Jezus vaart een rechte koers. Hij draait er niet om heen. Hij spreekt duidelijke taal. Hij is aan het komen, dat staat vast. Dat weten we nu nog veel meer zeker dan toen dit verhaal verteld werd. Want toen stond Hij vlak voor Zijn lijden. Wij leven na de opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest. Wij weten nog beter. Wij hebben de vervulling van de profetie nog veel sterker dan voor het lijden en het sterven. Wat een profetie wat een zeggingskracht. Wat een oproep. Wat een belofte.

Ben je klaar? Heb je je lampen brandend? Ga je de bruidegom verwachtend tegemoet? Dan haalt Hij je ook binnen. Niet omdat jij het allemaal zo goed en precies weet, maar omdat jij uit verwachting en genade waakzaam bent, want je weet de dag noch het uur. Daarom: Waak dan! Dat geldt voor elk moment van de dag, want als we dag noch uur weten dan betekent dat, dat hij elk mo­ment dat wij het niet verwachten kan komen. Dus we kunnen niet een moment uitkiezen dat we een tijdje verslappen, want dan kan Hij juist komen. Dat is de directheid van de oproep. Elk moment leven met Hem. En het geheim is dat als we dat gaan doen, dan worden we bevrijd van al de spanning die het leven in deze wereld meebrengt, want dan leven we in de schuilplaats van de Aller­hoogste waar het veilig en warm is en vol verwachting ons spoedende naar de komst van die dag. De wereld van recht en gerechtigheid. Geprezen zij Zijn heilige Naam. Wie zou dat nu willen missen? Haal ogenblikkelijk olie voor je lampen en haast je de bruidegom tegemoet. Wat een feest om elkaar in die prachtige bruiloftszaal te mogen ontmoeten.

Matthéüs 25:14-30

25 maart [2]

25:21

over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen, ga in tot het feest van uw heer!

25:24

Heer ik wist van u,…

25:27

Dan hadt gij mijn geld aan de bankiers moeten geven…

25:29

Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden,…

25:30

En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis.

Ik ben geen theoloog. Ik heb het niet verder gebracht dan economie. Deze hoofdstukken stonden voor mij op afstand. Wat is de ware uitleg. Ik doe het maar zoals ik het beleef. We zijn geschapen door de Heer. Hij geeft ons talen­ten. En we worden allemaal erbij bepaald dat we ermee moeten woekeren. We hoeven nooit meer te doen dan we aan talenten gekregen hebben. Als het er twee zijn dan is dat genoeg, zijn het er meer dan meer. Want weinig hebben we gekregen maar we zullen over veel gesteld worden in het Koninkrijk des hemels. Doen we er niets mee, omdat we denken dat we een boze God hebben, Die ons slechts straft, dan komen we verkeerd uit. Had het maar naar de bank gebracht. Het is zo gezegd. Wat je ook doet, maar woeker met dat wat je is toevertrouwd. Doe je dat niet, dan is de deur gesloten. Je hoort bij de buitenste duisternis, je hoort niet bij God Die juist ons talenten geeft en wat dat dan ook is om er onze medemens en in te eerste plaats de Here God Zelf mee te dienen. We dienen Hem dus absoluut niet als we onze talenten onder de korenmaat houden. We moeten het licht laten schijnen.

Hoe vaak zijn we toch slap en halfbakken bezig. We zetten onze talenten niet in. In het zakelijk verkeer zijn we in de weer als een idioot, wat natuurlijk ook nergens opslaat. Maar als het gaat om het Koninkrijk der hemelen, dan staan we vaak met de mond vol tanden. En daar wringt de schoen, deze gelijkenis helpt ons enorm, ontdek je talenten, laat je door niemand inpakken en ga op weg. Het wonder is dan dat het ontdekt dat het niet jouw talenten zijn, maar die van de Heer Die ze in je leven uitwerkt. En dan wordt het steeds mooier. Je hoeft niet meteen in het diepe te springen, maar je moet wel op verkenning gaan. En het wonder, zo ook nu weer, is het Woord van God. Is het niet inspirerend om vanuit deze gelijkenis onze talenten toe te passen? En twijfel je aan jezelf? Stop met die twijfel! Lees Jacobus en je zult ontdekken wat je talenten zijn. En weet wat je doet. Pas ze toe, bid de Here om een concrete toepassing, ontmoeting, communicatie. En weet je wat er dan gebeurt? De ander is veel dichter bij dan je denkt. Het is geweldig om zo’n God te hebben. Nooit krampachtig. Nooit een boze God, maar een vergevend Vader Die het Zijn ploeterende kinderen niet zwaar maakt. Het is zwaar voor hen die willens en wetens hun oordeel over zich halen door hardnekkig niet te geloven, terwijl alles om je heen niet op iets anders duidt dan het reddend bloed van Jezus Christus. Prijs de Heer!

Matthéüs 25:31-46

26 maart [2]

25:31

dan zal Hij plaats nemen op den troon zijner heerlijkheid.

25:32

zoals de herder de schapen scheidt van de bokken,…

25:34

beërft het Koninkrijk,…

25:35

Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest,

25:36

naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.

25:40

in zoverre gij dit aan één van mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.

25:46

En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.

Ik schrik ervan nu ik deze teksten overtik. Want het ‘Ik’ en ‘Mij’ in dit stuk staat met een hoofdletter. Het is dus de Here Jezus. Ik denk meteen aan die ander. Maar het gaat hier enkel en alleen om de Here Jezus. Midden in deze laatste redenen. We lezen het in andere zin ook in het evangelie naar Johan­nes. De gesprekken bij het avondmaal. Het gaat daar om de liefde. De minste. De ander helpen. Je leven inzetten voor de ander. Jezus is de grote Koning. Hij identificeert zich met de lijdende. Het gaat erom, voor wie zetten wij ons in. Zijn we bezig met onszelf? Geven we om de ander? Of is de ander sluitstuk van mijn eigen drukte? Wat kies ik?

Jezus zegt: ‘Kies niet voor je eigenzinnige godsdienst, maar kies in Mij voor de geringste Mijner broeders’. En dat begint al heel dichtbij. Als ik dit bedenk moet ik Rudy opzoeken die in de gevangenis zit. Moet ik die meneer opzoeken die zijn vrouw dreigt kwijt te raken. Zo maar een paar mensen. We moeten vanuit de liefde van Jezus, helpen. Het gaat om Hem. En dan zullen de mensen zien dat we volgelingen van Jezus zijn.

Aan de vruchten kent men de boom. Het zijn klemmende woorden zo in deze hoofdstukken. Ze hebben met elkaar te maken. Het, wee u, klonk in hoofdstuk 23. Het waakt, in hoofdstuk 24, en nu let op, dat je daden in overeenstemming zijn met je woorden. Anders gaat het verkeerd. Pas dus op. Want de Zoon des mensen komt. Hij zal richten. Dat is een eerlijke zaak. Er is geen sprake van een alverzoening, dat alle mensen bij God zullen komen. Er is sprake van recht en gerechtigheid. De groten der aarde zullen geoordeeld worden op grond van hun werken. En dat is geen opzienbarende zaak, want iedereen kan het weten. Het is eigenlijk een normale zaak. Want Johannes 3 vers 16 zegt: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren, ga maar eeuwig leven hebbe’. Maar daarop volgt in vers 18: ‘Wie niet gelooft, is reeds veroordeeld’. Het niet geloven in de Zoon is de veroordeling en dat kan ieder­een voor zichzelf haarscherp weten. Daar komt het op aan. Dus wat moeten wij doen, nu het vandaag weer het begin is van de rest van je leven? Bekeer je! Geloof in de Zoon van God en gij zult behouden worden!

Is het niet geweldig, dat we elke dag opnieuw vanuit die werkelijkheid en die zekerheid met al onze fouten en gebreken mogen opstaan om kracht te putten en onze zorgen opzij te zetten of nog beter over te geven in de handen van Hem Die ons leven leidt om met volle kracht aan de slag te gaan? Want Hij is er. Hij wil dat we onze minste broeders die druppel koud water geven. Gepre­zen zij de Heer! Heb uw ogen en hart gericht op de minste die u vandaag zult ontmoeten.

Matthéüs 26:1-25

27 maart [2]

26:2

Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des mensen overgeleverd om gekruisigd te worden.

26:4

en zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te doden.

26:8

Waartoe die verkwisting?

26:13

zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft.

26:18

De Meester zegt: Mijn tijd is nabij;…

26:24

De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat,…

26:25

Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.

Het Paasfeest is het grote feest. De uittocht uit Egypte. Het bloed aan de deurposten. Eet het staande. Want trekt uit. Morgen is het zover. Dan zal ik u uitleiden. Lees het verhaal nog eens in Exodus 12. Dit werd op grootse wijze herdacht. Want de Here God trad op. Dwars tegen alle machthebbers in.

Ook vandaag is deze God niet veranderd. Hij is ook bij machte om de Romei­nen met machtige hand uit het land te verdrijven. Stel je ook eens voor. Dit trotse volk moet aanzien dat een goddeloze bezetter hen onderdrukt. Ze heb­ben zelfs een vesting gebouwd, vlak bij het tempelplein omdat de Romeinen ook wisten dat er een sterke Messiasverwachting leefde in het religieuze geloof van de Israëlieten, zodat je maar beter op je hoede kunt zijn. Ze wisten ook dat op het grote feest, het paasfeest, sterk de Messiasverwachting leefde als zou de Messias op het feest komen. Het was een nerveuze tijd. De Romei­nen voerden versterkingen aan en de joden maakten zich op om in groten getale naar Jeruzalem te komen. De geestelijke leidslieden beraadslaagden want ze waren bang dat die Jezus zich tot Messias zou gaan verklaren. We moeten Hem uit de weg ruimen. Maar niet op het feest.

Vervolgens komt het verhaal van de vrouw met de kostbare mirre. Wat een verkwisting. Jezus wordt boos. Jullie hebben de armen altijd bij je maar niet Mij. Wat kun je beter aan Jezus geven dan heel je vermogen? Deze vrouw gaf uit liefde voor Jezus alles wat ze had. Het was in Bethanië. Zou het Martha of Maria geweest zijn? Vast wel een van hun vriendinnen. Jezus let erop, dat dit verhaal niet in het vergeetboek raakt. Want dit is een kernverhaal. Hebben we alles over voor de Here Jezus? Durven we ons leven en ons goed in handen te geven van Koning Jezus? Hebben we Hem onvoorwaardelijk lief? Here God ik heb U lief. Waar zitten de zaken die mij van u aftrekken? Waarom heb ik mijn hart nog steeds op mijzelf gericht? Het is goed om daar bij stil te staan. Want we hebben geleerd om een vroom hart te hebben. Vet van dogma’s en gewoonte, maar op de keper beschouwt, zitten we helemaal vast. Here, help ons daar uit! Geef ons de hartsgesteldheid van deze vrouw. Daar gaat het om. Help!

En dan wordt het paasfeest voorbereid. Zeg tot de man: ‘De Meester zegt: Mijn tijd is nabij’. Zou deze man geweten hebben van de aankondiging van het lijden en het sterven? Wij zetten het nu deftig boven de perikoop. Maar de discipelen begrepen er nog nauwelijks iets van. ‘De Meester zegt: Mijn tijd is nabij’. Dat is ook de centrale boodschap van Zijn prediking. Dat was de cen­trale boodschap van de prediking van Johannes. Lees Marcus 1. De tijd is nabij. Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Bekeer u en geloof het evangelie! Een boodschap van heil. Een boodschap van eeuwig leven. Gepre­zen zij de Here God. Prijs de Heer!

Maar wie zal Hem dan verraden? Ze durven zelfs te zeggen: ‘Ben ik het Here?’ Ze waren er niet eens vast van overtuigd dat ze het nooit zouden doen. Eén voor één. En dan is het Judas. Ook hij vraagt schijnheilig. En Jezus zegt als hij de hand in de schotel doopt: ‘Gij hebt het gezegd’. Wat een tragedie, uit het leven gegrepen. We zijn kennelijk niet zo zeker dat we met heel ons hart durven roepen: ‘Ik heb u lief, met heel mijn hart’. En we zijn nog schijnheilig ook, want ook Judas vraagt: ‘Ik ben het toch niet, Rabbi?’ Terwijl hij al met de 30 zilverlingen in zijn zak loopt. Schijnheilig. schijnheilig. Maar de Here God kijkt er dwars doorheen, zoals ook hier het geval is. Jezus ziet de wankel­moedigheid van Zijn discipelen, die niet zo´n rotsvast geloof hebben dat ze zeker weten dat zij het niet zijn. En Judas, die meehuichelt om niet door de mand te vallen. Want als we ontmaskert zijn aan ons eigen ik, dan is er een weg terug om te helen en krachtig op te staan, om niet mezelf, maar U te proclameren. Wat is het ook vandaag weer een machtig evangelie. Je kunt het wel van de daken schreeuwen. Het is geweldig. Het is geweldig. Prijs de Heer!

Matthéüs 26:26-46

28 maart [2]

26:26

En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide. Neemt, eet, dit is mijn lichaam.

26:27

En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit.

26:28

Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

26:29

Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op dien dag, dat ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders.

26:31

Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht.

26:34

eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen.

26:35

Zelfs al moest ik met U sterven,…

26:36

terwijl Ik heenga om daar te bidden.

26:38

blijft hier en waakt met Mij.

26:39

maar gelijk Gij wilt.

26:41

Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

26:45

en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren.

Dit stuk is te veel om in een keer te verwerken. Er gebeurt zo ontzettend veel. Elk vers is genoeg om een hele dag over te schrijven. Het avondmaal. Het Pascha. Het is een machtig eten. Er is haast. We worden uitgeleid. Het is de uittocht. Een machtig gebeuren in de geschiedenis van het uitverkoren volk. Het gaat om de beker en het brood. Een diepe betekenis. De beker der dank­zegging. Er is veel over te zeggen. Het is het bloed van het verbond. Het ver­bond van God en de Zoon van God met het volk. Een machtig getuigenis. Hier wordt de lijn doorgetrokken naar het vieren van het Pascha in het Koninkrijk van God. Dat zal een geweldige zaak zijn.

En dan Petrus. ‘Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!’ Hij acht het mogelijk bij alle anderen, maar niet bij zichzelf. De goede Petrus. Eer de haan kraait. En zo is het gegaan. We moeten heel voorzichtig zijn om ons op de borst te slaan. En zeker als we anderen erbij betrekken die wel slecht kunnen zijn, maar jij slaat je op de borst en jij doet het niet. Jezus ontmaskert zo onze hoogmoed ter plekke. Eer de haan kraait. En zo is het gebeurd. Wat een tragiek.

Profetie is vervuld. De herder wordt geslagen en de kudde verstrooid. Het staat geschreven. Ieder kan het weten. We weten het allemaal. Zo zal het gebeuren. Here God. Help ons om dicht bij U te blijven, want in eigen kracht gaan we zo weer verkeerd. Here, help!

En het volgende verhaal is ook al een grote tragedie, waar blijven we nou? Kunnen we niet eens een uur met Hem waken? Slaap nu maar door. Jezus in het diepst van Zijn worsteling. Uw wil geschiede. Wordt in de steek gelaten door een stelletje slapende discipelen. Ze snappen er helemaal niets van. Uit het leven gegrepen. Hoe vaak slapen wij niet? We moeten wakker zijn en waakzaam. Er staat dan ook zo scherp tussen: ‘…dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’. Dat is ons allen zo be­kend. Het is ons beschreven opdat we er lering en bemoediging uit ontvangen. Want het gevaar ligt elk moment op de loer. Jezus moest sterven vanwege onze zonden. Hij heeft de duivel en de dood overwonnen, maar de duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden. Daar is dit ook een onderdeel van. Wees op je hoede!

Jezus moet Zijn weg van het lijden gaan, dwars door een stelletje onvolwas­sen, niet alerte, eigen discipelen heen. Wat moet dat moeilijk zijn geweest. Maar het is Zijn weg. De herder wordt geslagen en de kudde verstrooid. Dat is ook vandaag de situatie. Jezus gaf Zijn leven en wij, Zijn volgelingen, zijn zo vaak met ons zelf bezig in plaats van eeuwig onze knieën te buigen en te dan­ken voor dat grote wonder waar we deelgenoot van mogen zijn door genade. Heerlijk toch, om dat weer scherp te zien. Het is ook o zo duidelijk, dat we zelf niet in staat zijn om onze zaligheid te verdienen. We hebben Hem vol­komen nodig. Elke dag van ons leven. We mogen en moeten steeds weer terug om te schuilen bij de opgestane Heer. Daarvoor gaf Hij ook Zijn leven. Daar­om deed Hij ook de wil van Zijn Vader. Zelf was het voor Hem een opgave tot bloedens toe. Maar de wil van de Vader. De vervulling der profetie stond op het spel.

En net zo goed als deze profetie vervuld is, mogen we uitzien naar de definitieve vervulling van de profetie als we het nieuwe Koninkrijk van God binnengaan en avondmaal met Koning Jezus en de Vader en al Zijn engelen mogen vieren. Wat een feest zal dat zijn. Geprezen zij de Heer!

Matthéüs 26:47-68

29 maart [2]

26:48

Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem.

26:52

want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.

26:54

Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?

26:56

Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten.

26:63

Maar Jezus bleef zwijgen.

26:64

Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels.

26:66

Hij is des doods schuldig.

Wat denken ze wel? Ze komen met stokken en zwaarden. Ze grijpen Hem. Weg met het zwaard, Petrus. Of denk je dat Mijn Vader niet twaalf legioen engelen kan sturen om Mij te beschermen? Natuurlijk! Maar hoe kunnen anders de schriften in vervulling gaan? Wat een profetie. Bij al dit kleine, aardse gedoe, gebeurt hier een hemels, wereldomvattend tafereel. De Messias moest komen, mens worden, lijden en sterven voor de verzoening van de schuld van de wereld. Het herstel van alle dingen.

Wat een machtig evangelie. Petrus grijpt het zwaard. Dat niet Here. Weg met het zwaard. Als je het Koninkrijk Gods wilt verdedigen met het zwaard, dan zul je er door vallen. Petrus, begrijp je nu nog niet dat dit moet geschieden? Denk toch eens na! En wat een uit het leven gegrepen situatie. Hoe vaak grij­pen we zelf ook niet naar het zwaard om je gelijk te halen. Terwijl het juist de houding moest zijn om de gestalte van een dienstknecht aan te nemen en te lijden om Christus wil. En zo is het. Als je je gelijk wilt halen met vleselijke wapenen, dan zul je er zelf door gegrepen worden. Want de legioenen engelen die ons omringen, die God altijd klaar heeft staan om zijn kinderen te bescher­men, die werken alleen met geestelijke principes.

Het hoogste geestelijke principe is, dat Jezus Zijn leven inzet voor Zijn vrien­den. Hij gingonderste weg. Wat een machtig evangelie. Wat een voorbeeld. Geen wonder dat Paulus dan uitroept in Romeinen 8 aan het slot. Als Hij dan dit voor ons gedaan heeft kan niets ons scheiden van de liefde van Christus, zelfs de dood niet. Niets niet! Horen we het? Niets niet! Ook niet wat nu weer in ons opkomt om bij te klagen of onderdoor te gaan. Wat een genezende kracht in het Woord van God. Je wordt er alleen maar enthousiast van. Here God, dank U wel!

Wat een vertoning daar, voor de Raad. Alle hotemetoten bij elkaar. Een heel voornaam gezelschap. De Hoge Raad. Zij zullen het wel weten. Tot hun grote blijdschap hebben ze Hem te pakken. En nu moeten ze Hem nog veroordelen, want het recht moet spreken. Dat is nog een hele toer. Jezus blijft zwijgen. En wat ze ook doen, ze vinden geen getuigen tegen Hem. Uiteindelijk roept de hogepriester: ‘…of zijt Gij de Christus, de Zoon van God’. En dan komt het antwoord: ‘…Gij hebt het gezegd…’ en je zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand Gods. Dit is genoeg. Het recht gaat aan de kant. We heb­ben geen getuigen meer nodig. Hij is des doods schuldig. En met zo’n iemand kun je alles doen, spugen en slaan. Daar staat de Zoon van God, midden tus­sen de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Hij is des doods schuldig. Zijn volksgenoten slaan Hem dood. Hij moet weg.

Hoe herkenbaar. Hoe vaak slaan we elkaar niet dood? Hoe vaak beschuldigen we elkaar niet? Hoe vaak verloochenen wij Jezus? Hij gaat ons voor, maar wij laten Hem links liggen. Het is toch niet voor te stellen? Terwijl Hij de opper­ste liefde wil zijn, gaan wij maar een beetje kiftend en kissebissend voort. Hoeveel tijd wordt er niet verkwanseld door hoogwaardigheidsbekleders aan onderlinge nijd en haat. Je wordt er moe van. Hier is het voorbeeld, hoe het niet moet. Het is ons beschreven om weg te vluchten van valse beloften en valse getuigenissen en verkeerde gedachten. Hier is het voorbeeld om de Here Jezus te volgen.

Matthéüs 26:69 - 27:10

30 maart [2]

26:75

Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.

27:9

Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van de geschatte, die zij geschat hadden van de kinderen Israëls,

27:10

en gaven die voor het land van de pottenbakker, gelijk de Here mij had opgedragen.

Petrus, Petrus. Wat gaat er toch om in je hoofd om het te kunnen doen? Weer ga je de fout in? Om je eigen hachje te redden doe je van die domme dingen. Hoe haal je het in je hoofd? Wat moet je ook in die hof. Eerst weglopen en dan er stiekem achteraangaan. Je wilt wel eens zien wat er allemaal gaat gebeuren. Je weet het toch? En denk je dat je daarmee je Meester kunt helpen? Zie hem nou eens staan, handenwarmend bij het vuur. En God zet hem voor aap. Hij valt door de mand. Waarom moesten ze nu uitgerekend Petrus driemaal vragen? Het is uit het leven gegrepen. En als de haan dan kraait, ja dan gaat het door Petrus heen. Hij valt door de mand. En hij laat de boel de boel. Jezus weer alleen. En hij weende bitter. Hij begreep wat hij gedaan heeft.

En kijk Judas eens. Hij wil zijn bloedgeld terugbrengen. Ja, want voor niets gaat de zon op. Hij wilde er wel voor betaald worden. En nu beseft hij wat hij gedaan heeft. Ik heb onschuldig bloed verraden. Te laat, Judas. Denk na bij wat je doet. Hij gooit het geld terug en verhangt zich. Wat een tragiek. Wat een profetie. Hoe kunnen we niet in de fout gaan. Hoe belangrijk is het niet om heel dicht bij het Woord te blijven. We zitten zo maar verkeerd.

Wat geweldig dat dwars door alles heen de oproep blijft klinken dicht bij Jezus te blijven. De gesprekken aan het avondmaal zijn o zo waar. Blijf in Zijn liefde. Daar ben je veilig. En alhoewel Jezus het zo vaak herhaald had, gaat Petrus de fout in en volhardt Judas in zijn verraad. We spelen gevaarlijk spel. Heel gevaarlijk. We zijn zo vaak aan de rand van ons eigen oordeel. En toch, Jezus blijft roepen. Hij roept. Hij roept.

Matthéüs, de apostel die dit evangelie schreef voor zijn landgenoten, herhaalt ook nu dat het al in de profetie voorspeld was. Hij citeert Jeremia in Zacharia. Het staat er heel duidelijk. Er wordt gesproken over 30 zilverlingen en over een bloedakker. Ze hadden het kunnen weten. De profetie zei het toch? Maar daar wilden ze niets van weten. Jezus is de valse Messias. En dan vliegt het weer door mijn hoofd. Als deze profetie dan letterlijk is, dan is ook de profetie die nog niet vervuld is letterlijk. Dan is de kerk niet in de plaats van Jezus gekomen. Maar dan is Jezus het Hoofd van de kerk en Zijn profetie zal ver­vuld worden, zoals Jezus het gezegd heef, zelfs de vervulling van de profetie. Er gaan grote dingen gebeuren bij de vervulling van de profetie. We hebben de kerk in plaats van Israël gesteld. Wij zijn niet het geestelijke Israël. Israël is Israël. En wij zijn geënt op de stam en wij zijn niet de stam geworden. Dus: weg met de vervangingstheologie, die dit leert. Dat is toch zo duidelijk dat we daar niet omheen kunnen. Dat moeten we van de daken blijven roepen. Matthéüs help ons om de schriften op dat punt recht te snijden. We zitten finaal verkeerd. Help, o Here God, vergeef ons! Is er nog plaats voor? Want we zijn al eeuwen op de verkeerde weg.

Matthéüs 27:11-32

31 maart [2]

27:11

Gij zegt het.

27:19

want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden.

27:21

Zij zeiden: Barabbas.

27:22

Hij moet gekruisigd worden!

27:23

Hij moet gekruisigd worden!

27:25

Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!

27:29

Wees gegroet, gij Koning der Joden!

Mijn Jezus. Mijn Jezus. Uw lijden, mijn verlossing. Hoe durf ik voor U te verschijnen? Wat een lijden. Wat een gemene opzet. Wat een ondankbaar volk. U hebt toch niets anders dan goeds gedaan. Niemand is door U bena­deeld. U hebt dag en nacht gewerkt om Uw Eigen volk te dienen. U ging rond, goed doende. En de mensen op te roepen goed te doen. Drie jaar lang. En drie jaar lang lastig gevallen door de geestelijke leiders. Want wat voor goeds kon er uit Nazareth in Galilea komen? Het Galilea der heidenen? Daar kon niets goeds vandaan komen? Dat lag boven Samaria. En dat kon niet veel soeps zijn. De achterbuurten van Israël. Ze mochten erbij horen maar ze moesten niet te veel praatjes hebben. En deze Rabbi ging rond en heel het volk ging achter Hem aan. Daar moesten ze een stokje voor steken. Wat een gemene streek.

Ze konden niet om Pilatus heen. Ze mochten zelf niemand ter dood brengen. Ze hebben hun eigen rechtspraak over hun leer. En daar konden ze zelf hun gang gaan. En dat hebben ze ook gedaan. Want ze hebben Hem schuldig verklaard. Eigenlijk konden ze ook niets tegen Hem vinden maar ze waren zo buiten zich zelf van woede dat ze hem ter dood schuldig verklaarden. Maar ze moeten langs Pilatus. En die weet ook niet wat te doen. Barabbas dan maar. En het lukt niet. Want ze roepen om de vrijlating van de grootste boef Barab­bas. En zijn vrouw droomt slecht van Jezus. Hij kan geen kant op. Hij geeft hem aan hen over. Hij moet gekruisigd worden. Kan Pilatus het doen? Krijgt hij geen problemen met zijn superieuren? Hij had zeker van Jezus gehoord. Hij was op de hoogte van de haat van de schriftgeleerden. Maar nu. Dan wast hij zijn handen in onschuld. En geeft Hem over. Hoera. Ze hebben toestem­ming om te doden wat ze willen. Hij laat Hem geselen en geeft Hem over om gekruisigd te worden.

Wat een lijdensweg. En dat alleen voor mij. Het is je niet voor te stellen. Je zult er eeuwig dankbaar voor zijn en je wel behoeden of deze Jezus, Messias Jezus, Die Zijn leven gaf voor mijn leven, ook maar om een ding lastig te vallen of tegen te staan. Je wilt toch niets anders dan gehoorzaam achter Hem aangaan? Je wilt echt alleen maar vluchten naar Hem toe als je verkeerd dreigt te gaan? Of als je in moeilijkheden zit? Of als je het niet meer ziet zitten? Hij gaf zijn leven voor ons. Ons kan dan toch niets overkomen, dat ons kan scheiden van Zijn liefde?

Wees gegroet, Gij Koning der Joden. De soldaten kunnen nu hun gang gaan met deze veroordeelde. En de Romeinse soldaten konden wreed zijn. Ze had­den ook een opstandig volk te knechten. Ze wisten hoe groot de haat was van de Joden tegen hen. Ze waren ook beducht dat elk moment een opstand kon uitbreken. Ze vonden het geweldig om met de hen bekende Messiasverwach­ting te spotten. Ze drukken een doornenkroon op Zijn hoofd. Ze doen Hem een hermelijnen mantel om. Ze bespotten Hem. Ze vieren hun overwinningsfeest. En onderweg moet Simon van Cyrene geprest het kruis dragen. Wat een tra­giek. Wat een lijden. Onverdiend, maar om mijn zonden. Stel je toch eens voor dat ikzelf die weg moest gaan. Het is toch niet te dragen? Wat een agres­sie tegen de Messias. Wat een haat van de wereld. Ze haatten de Messias Die hen het leven kan geven. De haat van de wereld, de haat van de tegenstander van God kan zo groot zijn. Het is vreselijk om je voor te stellen Hoe halen ze het in hun hoofd om zo pervers te doden. Vreselijk!

Matthéüs 27:33-56

1 april [2]

27:34

wilde Hij niet drinken.

27:35

door het lot te werpen,

27:37

Dit is Jezus, de Koning der Joden.

27:40

...red Uzelf,… en kom af van het kruis!

27:42

Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is Israëls Koning: laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem geloven.

27:46

Eli, Eli, lama sabachthani?

27:50

Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest.

27:51

scheurde van boven naar beneden in tweeën,…

27:52

en de graven gingen open…

27:54

Waarlijk dit was een Zoon Gods.

27:55

vele vrouwen… om Hem te dienen.

Hier is het dus gebeurd. Het is niet uit te beelden wat hier geschiedt. Je kunt er een film van maken, maar het blijft maar een aftreksel van wat er in werkelijk­heid is gebeurd. Het is de lijdende Knecht des Heren. Hier wordt de wereld geoordeeld. Hier valt de grote beslissing. Hier komt een breuklijn in de geschiedenis. Hier wordt verzoening geschonken. Het is verschrikkelijk. Het is je niet voor te stellen. Hier worden de machten van de hel openbaar. Hier raakt de strijd in de hemelse gewesten de top van Golgotha. Daarom werd het pikdonker. Van het zesde tot het negende uur. Op klaarlichte dag. Pikdonker. De hel komt naar beneden. Maar in de aanval op Koning Jezus is de strijd al beslecht. Hij geeft Zijn leven.

De spijkers klinken. Het bloed loopt. De pijn wordt zichtbaar. Wreed wordt er omgegaan met de gevangenen. Ze sterven levend de dood. En dan al die spot­ters, rondom Hem. Vreselijk. Eerst lopen ze achter Hem aan, maar nu zijn ze allemaal bereid om Hem te bespotten. Als ze niet meer de held in je zien, maar je verliezen, dan slaan de mensen om als een blad aan de boom. Dat gebeurt ook. Waarom kan Hij Zichzelf niet reden? En de schijnheilige schriftgeleerden roepen: ‘…laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem geloven’. Wat een huichelaars. Wat een valse leiders. Wat een, wee u, klinkt hier. Zij zijn witgepleisterde graven. Ze zijn des doods schuldig. Zij moeten bestreden worden te vuur en te zwaard. We moeten geen genoegen met ze nemen. Wat denken ze wel? Het is toch verschrikkelijk? Dat kan toch niet? Het zijn de valse leeraars die door de eeuwen heen het rijk der duisternis willen prediken. Ze wijken van het Woord af. Daar moeten we duimbreed voor wijken. Wij mogen en moeten op de kruisheuvel blijven staan en met Hem door de dood gaan om op te staan in het nieuwe leven. Je zou woedend worden op zoveel ongeloof.

Als het klinkt: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Dan is dat een roep uit de afgrond. Wij hebben gezondigd. Wij moesten daar schuldig hangen en lijden en sterven. Wij hebben God verlaten. Wij zijn des doods schuldig. Het is verschrikkelijk. Hoe durven we?

Maar God in Zijn grote liefde, wetend dat er door ons nooit verzoening zou kunnen worden gedaan, is Zelf gekomen en heeft Zijn Zoon gegeven op het kruis van Golgotha.

Er is geen grotere liefde dan Hij Die Zijn leven geeft voor Zijn vrienden. Had de Here Jezus het niet allemaal gezegd bij de gesprekken aan het avondmaal, nog maar net een goede dag geleden? Het was allemaal gezegd. En Johannes heeft het allemaal opgeschreven, opdat wij er kracht uit putten. En Matthéüs heeft het alles voor zijn volksgenoten in profetisch perspectief geplaatst. Het is een machtig evangelie om daar uit te putten.

De graven gaan open, aardbevingen. Ja, de Romeinse soldaten zeggen tenmin­ste nog: ‘Waarlijk, dit was een Zoon Gods’. De rest schrikt, maar blijft blij dat ze van deze valse herder en leraar af zijn. Wat voor tekenen en wonderen er ook geschieden, ze blijven hardnekkig ongelovig. Dat is het beeld van de eind­tijd. In de openbaring komt Gods Zoon met kracht, maar tekenen en woorden zullen hen niet doen bekeren. Zij verhardden hun hart. Het is de grote lijn door de Bijbel, het verharden van je hart. Daarom is het zo belangrijk om te schui­len in het offer van Koning Jezus. Daarbuiten zijn de wolven, die proberen je af te trekken van het licht en het leven en de waarheid. Dit is zo waar. Ieder­een kan het ervaren. Je moet steeds weer terug gaan naar de waarheid van God. Doe je dat dan kom je goed uit. Het is geen sprookje. Het is geen religie. Het is geen dogma. Neen, het is de werkelijkheid, te bereiken voor iedereen. Als het voor mij bereikbaar is geworden dan is het voor iedereen bereikbaar. Prijs de Heer!

Matthéüs 27:57-66

2 april [2]

27:57

een rijk man van Arimathéa,…

27:60

ging hij heen.

27:64

en de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste.

Hij gaat ’s avonds. Het is donker. Hij is een discipel van Jezus geworden. Hij is rijk. Misschien wil hij het voor de anderen wel helemaal niet weten. Hij is diep verslagen. Hij neemt het lichaam van Jezus en legt het in zijn nieuwe graf. Het zal een mooi graf geweest zijn, want het was een graf van een rijk man.

De laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste, roepen de overpriesters en de Farizeeën. Hij heeft gezegd dat Hij na drie dagen weer op zal staan. Stel je voor, dat zijn discipelen Zijn lichaam komen stelen. Je moet ook aan alles denken. Stel je voor. De laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste. Vreselijk toch? Dan denk je hem uit de weg geruimd te hebben, en dan zul je het nog verliezen. Pilatus zet een wacht voor het graf en verzekert het graf. We moeten geen problemen hebben. Daarom stuurt Pilatus een wacht en verzekert het graf. Dat is geregeld. Dat kan geen kwaad meer. De moordenaars kunnen nu rustig gaan slapen. Ze hebben hun zaakjes goed voor elkaar. Ze zijn trots op zichzelf dat ze alles zo in de puntjes geregeld hebben. En het is nog voor het feest. Prijs de Heer. Alles kan gewoon doorgaan. Het Pascha kan op de normale wijze gevierd worden. Ze hoeven geen opstand te vrezen. Ze hebben Hem zonder slag of stoot uit de weg geruimd. Het moest wel even met geweld gebeuren. Ze moesten er zichzelf en Pilatus wel met enige list overtuigen, maar de rechtsgang was gepleegd. Het is geschied. En ze hebben er zelf bij gestaan toen Hij de geest gaf. Hoofdstuk Jezus gesloten. Ga nu maar lekker slapen.

Wat een verhaal. Ik hoor de Matthéüs Passion. Ik hoor de Johannes Passion. Ik hoor de muziek. Ik hoor het verhaal. Wir setzen uns mit Tränen nieder. En daar eindigt het ook voor Bach. Het eindigt op Goede Vrijdag. Hij is in het graf. Hij is verdwenen. Het verhaal is verteld. Enorm indringende en inspire­rende muziek. Erbarm dich. Wat een emotie. Wat een kunst. Wat een volle kerken elk jaar weer met de Matthéüs Passion. Pasen schijnt het belangrijkste feest te zijn.

Het was de uittocht uit Egypte. Waarom moest Jezus vlak voor Pasen sterven? Wat een symboliek. Hij was de lijdende knecht des Here. Hij moest voor ons leiden. Met Zijn lijden als de uittocht uit Egypte. De bevrijding van de zonde en de dood. Nooit aan gedacht. Het was ook een uittocht. Het was de bevrij­ding. Het was de opening van de poort naar het eeuwige leven. Daaraan denken kunnen we wel de hele dag ons hele leven doorschrijven. Want dat is toch geweldig? Op het moment dat de wereld denkt het te hebben gewonnen, is er sprake van de overwinning. Heerlijk evangelie. Hoe kun je nu toch Pascha vieren met je ogen dicht en je oren toe? Het ging toch om de lijdende Knecht des Heren? Het was toch Jesaja 53? Het was toch allemaal waar. Het was een heerlijk verwachten naar de verlossing. Wat een profetische tragiek om al de beloften die voor jou zijn aan je voorbij te laten gaan. Wat een tragiek. Wat een tragiek. Terwijl Messias Jezus juist in de eerste plaats voor Zijn Eigen volk was gekomen. O Here God. Help ons, help mij, dat ik met open ogen en open oren lees en leer en geloof en toepas wat U in Uw Woord allemaal hebt gezegd voor mijn heil en het heil van de wereld. Here, dank U wel. Here, wat een zegen om met dit evangelie ook vandaag weer de wereld in te gaan. Ik kan er niet over zwijgen. Het is te mooi om waar te zijn. En het mooie is dat het nog waar is ook. Doe het maar. Pas het toe! Ga achter Hem aan! Hij is opgestaan!

Matthéüs 28:1-20

3 april [2]

28:2

er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neder…

28:6

komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft.

28:7

dat Hij is opgewekt uit de doden.

28:9

Weest gegroet.

28:10

dat zij naar Galiléa gaan, en daar zullen zij Mij zien.

28:13

Zegt, zijn discipelen… hebben Hem gestolen,…

28:18

Mij is gegeven alle macht in hemel en op [de] aarde.

28:20

En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.

Wat denken ze wel? Wat zitten ze vast in het platte vlak? Ze hebben alles geregeld. Een heuse wacht voor het graf. Zouden wij ook doen. We regelen alles. Niets kan ons gebeuren. Maar we rekenen buiten de waard. Een engel daalt uit de hemel; een aardbeving. De steen wordt weggerold. Waar is de wacht? De wacht valt in het niet, gaat op de vlucht. Erkent dat dit een macht van boven is.

Jezus staat uit de dood op. God treedt handelend op. Niet te geloven. Dat kan toch niet? Hoe kan dat nou? Dit is een sprookje. Gauw, gauw jongens. Kom binnen. Zie je nu wel, jullie moeten zwijgen en niet van die engel en die steen en die opgestane Jezus vertellen. Hier is geld veel geld. Moet je nog meer. Zeg dat ze Hem hebben gestolen. Weet je wel? Hij riep toch de onmogelijkheid tijdens zijn leven al, dat Hij na drie dagen weer op zou staan. Kan toch hele­maal niet. Houd vast jongens! En als jullie bazen jullie willen doden, omdat je van je post bent weggevlucht, geen nood, wij regelen het wel. En dit gerucht, zegt Matthéüs, is verspreid onder de Joden tot op de huidige dag. Zo is het boek toch nog gesloten? We geven de moed niet op om deze nieuwlichter definitief uit de weg te ruimen. We blijven geloven, alleen dat wat we begrij­pen. En dit begrijpen we niet, dus dit is niet de Messias die we verwachtten. Dit is een valse profeet, een oproerkraaier, een onruststoker. Weg met Hem!

De engel zegt tot de vrouwen: ‘Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft’. Wisten jullie dat dan niet meer? Jullie staan ook maar verbaasd te kijken. Maar Ik had het toch gezegd. Ik was toch drie jaar bij jul­lie. En nog is het niet duidelijk. Wat zitten jullie toch vast in je eigen denken. Wat een ongeloof, terwijl het ware geloof, de werkelijkheid, zo dicht bij is. Wat kun je vast zitten in je eigen denken. In je eigen dogma. We moeten eerst alles begrijpen voordat we het geloven. En er is zoveel dat we niet begrijpen. Maar toch willen we niet geloven dat het waar is. Hij is opgestaan. De banden van de dood zijn overwonnen. Het staat er toch? Maar ik wil het eerst zien en dan geloven. Net als de schriftgeleerden. We gaan in je geloven als je van dat kruis afkomt. Eerder niet. Maar de werkelijkheid is, en we weten dat ook heel zeker van ons zelf, dat als God dan op onze voorwaarden een wonder geeft, dat we dan nog niet willen geloven, want dan hebben we wel weer een andere smoes. Net als de leugenaars die de soldaten omkochten om te zeggen dat Zijn discipelen Zijn lichaam gestolen hadden. Wat gemeen. We deugen voor geen cent.

Daarom moest Hij lijden en sterven. Hij was plaatsvervangend voor ons. Wat een lijdensweg. Wat een tragiek. Wat een genadige God die niet meteen een eind maakt aan Zijn schepping vanwege dat stelletje halsstarrige, ongehoor­zame, eigenzinnige schepsels, die het als maar weer, tegen beter weten in, zelf willen uitzoeken en telkens met de kop tegen de muur lopen want ze kunnen het niet met hun eigen beperkte verstand rond krijgen, maar het dan toch ‘verrekken’ om het te aanvaarden, zoals het zo vanzelfsprekend en logisch is gebeurd. Want we hebben verzoening nodig willen we in deze wereld verder kunnen. En er is eeuwig leven want zo is het van den beginne geweest. Wat een evangelie, wat een rijkdom. Gebruik je verstand nu toch eens om het vanzelfsprekende niet weg te gooien.

En dan moeten ze naar de berg in Galiléa. De berg waar God en Mozes en Elia aan Jezus verschenen. Petrus en Johannes en Jacobus waren er bij. We hebben het gelezen, enkele hoofdstukken eerder. Machtig! Deze is Mijn geliefde Zoon. Ze zien Hem, maar toch weer twijfelen. Uit het leven gegrepen. We zien, maar we twijfelen. Het zal toch niet waar zijn? Het is waar! Het is waar! Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Nou, nou. Wie zegt dat? En wie bewijst mij dat het waar is? Zou het wel waar zijn? Ik moet het eerst bewezen zien. Het bewijs, dat ben Ik, zegt Jezus, en ik zeg dan: Het bewijs, dat ben ik. Want ik geloof met heel mijn hart dat het waar is dat Jezus mijn Verlosser is. Ik ben het bewijs dat Jezus leeft. Waarom neem je mij niet serieus als ik zeg een kind van God te zijn en geloof in het eeuwige leven? Waarom neem je mij niet serieus? Ben ik dan gek? Als je voor jezelf een bewijs wilt blijf dan maar vorsen en twijfelen en vragen stellen. Je krijgt pas antwoord als je je wil onderwerpt aan de wil van God om dan te ontdekken dat je nog veel meer gaat begrijpen van alles om je heen en de wereld waarin we leven en het eeuwige leven dat we dan hebben ontvangen, om dan te zien dat God bij machte is veel meer te geven dan we bidden of beseffen. Te beseffen dat Hij de macht heeft. Dat we kunnen lijden in deze wereld. Dat we geboren worden om dood te gaan, om straks de dood overwonnen te zien.

En bij alle vragen zegt Hij: ‘Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld’. Glorie voor Uw Naam! Wat voor mooier verhaal, mooiere bood­schap, mooier aanbod is er in de hele wereld? Ik daag iedereen uit deze bood­schap serieus te nemen. Hoe? Lees het. Het boek der boeken is voor ons alle­maal binnen handbereik. Laat je het links liggen, dan ontneem je je de kans om je leven te hervormen, te transformeren in een veel mooier en gelukkiger leven waaraan in dat perspectief geen einde komt. Ik kan er niet over stoppen. Hang deze tekst maar op je muur. Inlijsten en uit je hoofd leren. En vooral herhalen op die momenten dat je het moeilijk hebt. En zeker in het aangezicht van de dood.