Numeri 1:1-54

11 september [1]

1:1

De HERE sprak tot Mozes… in de tent der samenkomst…

1:2

Neem het aantal op van… allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd,

1:3

van twintig jaar oud en daarboven,…

1:21

de getelden van de stam Ruben waren zesenveertigduizend vijfhonderd.

1:23

de getelden van de stam Simeon waren negenenvijftigduizend driehonderd.

1:25

de getelden van de stam Gad waren vijfenveertigduizend zeshonderd vijftig.

1:27

de getelden van de stam Juda waren vierenzeventigduizend zeshonderd.

1:29

de getelden van de stam Issachar waren vierenvijftigduizend vierhonderd.

1:31

de getelden van de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizend vierhonderd.

1:33

de getelden van de stam Efraïm waren veertigduizend vijfhonderd;…

1:35

de getelden van de stam Manasse waren tweeëndertigduizend tweehonderd.

1:37

de getelden van de stam Benjamin waren vijfendertigduizend vierhonderd.

1:39

de getelden van de stam Dan waren tweeënzestigduizend zevenhonderd.

1:41

de getelden van de stam Aser waren eenenveertigduizend vijfhonderd.

1:43

de getelden van de stam Naftali waren drieënvijftigduizend vierhonderd.

1:45

Dus waren al de getelden der Israëlieten, naar hun families, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in Israël,

1:46

al de getelden waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig.

1:49

Slechts de stam Levi zult gij niet tellen, …

1:50

maar stel gij de Levieten over de tabernakel der getuigenis… zij zullen daarbij dienst doen en zich rondom de tabernakel legeren.

1:51

maar de onbevoegde, die nadert, zal ter dood gebracht worden.

Ze zijn uit Egypte getogen, ze zijn uit het diensthuis uitgeleid. Door de mach­tige hand van God. Vierhonderd dertig jaar in het land Egypte. Je zou haast denken: van de beloften aan vader Abraham gedaan, komt niets meer terecht. Als je zo vastgeroest zit in het land, zo ingeburgerd, zo je hele hebben en hou­den vast in dit land, dan is er geen wrikken meer aan. Maar dan komt God en Hij beweegt het hart van de Farao, die bang wordt, dat dit volk van schaapher­ders hem zal overvleugelen. Daar moet hij iets aan doen. Hij moet ze een kop­je kleiner maken! De jongetjes worden gedood. Maar dan roept God Mozes. Die is al jaren bij zijn schoonvader in de woestijn. Die heeft zich verzoend met de situatie. Hij zal nooit meer terugkeren, hij is ook al tachtig jaar. En dan wordt hij geroepen. Wat een verhaal. Wat een weg. En het gebeurt. Dan gaan ze naar Farao. Let my people go – laat mijn volk gaan. Daar moet heel wat voor gebeuren. Als dan uiteindelijk de eerstgeborenen gedood worden is het zover. “Eet het paaslam met haast en ga. Ga vlug.”

Nu zijn ze al weer twee jaar in de woestijn. En dan zegt God: “Tel de Israëlie­ten van twintig jaar en daarboven.” Het gebeurt precies, zoals God gezegd heeft, Het blijken er zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig te zijn. Dat is een groot aantal. En alles wat oud en jong was en de vrouwen zijn daar niet eens bij. Het is ver over de miljoen geweest. Een volk van ver over de miljoen in de woestijn, hoe kan dat ooit goed komen? De Levieten worden niet geteld. Zij moeten zich rondom de tabernakel opstellen. Dat moeten zij altijd doen. Zij moeten voor het huis van God zorgen. Een opdracht. Niemand anders mag dat doen, anders moet hij ter dood gebracht worden.

God hecht eraan dat er geteld wordt. Hij heeft het oog op alle stammen. Hij wil niet dat er met ook maar iemand lichtzinnig wordt omgegaan. Hij hecht aan de voortgang in de geslachten. Hij ziet ze allemaal hoofd voor hoofd. “Tel ze één voor één.” We komen dat veel vaker tegen. Dan worden de geslachtsre­gisters vastgelegd. God wil door de geslachten heen werken. Hij heeft de Messias beloofd en daarom moeten de geslachten vastgelegd worden. Het heil loopt via de geslachten. Daarom is het zo belangrijk, dat ouders hun kinderen in de vreze des HEREN opvoeden. Je kunt daar niet vroeg genoeg mee begin­nen. Je moet dat serieus nemen. Je kunt het niet serieus genoeg nemen. Het is heerlijk om je kinderen dicht aan de voeten van Jezus op te voeden. Glorie voor zijn Naam.

Numeri 2:1-34

12 september [1]

2:2

De Israëlieten zullen zich legeren ieder bij zijn vendel onder de veldtekenen van hun families; op een afstand zullen zij zich rondom de tent der samenkomst legeren.

2:3

Aan de oostzijde, aan de kant waar de zon opgaat, zal het vendel van de legerplaats van Juda zich legeren…

2:5

Naast hen zal de stam Issachar zich legeren.

2:7

Voorts de stam Zebulon:…

2:9

Al de getelden van de legerplaats van Juda waren honderdzesentachtigduizend vierhonderd naar hun legerscharen. Zij zullen het eerst opbreken.

2:10

Het vendel van de legerplaats van Ruben zal aan de zuidzijde zijn,…

2:12

Naast hem zal de stam Simeon zich legeren.

2:14

Voorts de stam Gad:…

2:16

Al de getelden van de legerplaats van Ruben waren honderdeenenvijftigduizend vierhonderd vijftig naar hun legerscharen. Zij zullen in de tweede plaats opbreken.

2:17

De tent der samenkomst nu, de legerplaats der Levieten, zal te midden van de legerplaatsen opbreken;…

2:18

Het vendel van de legerplaats van Efraïm… zal aan de westzijde zijn.

2:20

Naast hem de stam Manasse:…

2:22

Voorts de stam Benjamin:…

2:24

Al de getelden van de legerplaats van Efraïm waren honderdachtduizend éénhonderd, naar hun legerscharen. Zij zullen in de derde plaats opbreken.

2:25

Het vendel van de legerplaats van Dan zal aan de noordzijde zijn,…

2:27

Naast hem zal de stam Aser zich legeren:…

2:29

Voorts de stam Naftali:…

2:31

Al de getelden van de legerplaats van Dan waren honderdzevenenvijftigduizend zeshonderd. Zij zullen naar hun vendels het laatst opbreken.

Er was orde. De HERE had het precies zo gezegd. Hoe zou dat de eerste twee jaar zijn gegaan? Kennelijk was het nodig dat er een ferme regeling voor kwam. Ze worden allemaal genoemd. Ze worden een precieze plaats aangewe­zen. Zo moet het en zo zullen jullie je legeren. De tabernakel met de Levieten midden tussen deze twaalf stammen. Het worden vier legereenheden van elke drie stammen. Ze moeten na elkaar opbreken. Dat is orde. Dat is een strategie. Daar kun je een leger mee op pad sturen. Het had ook met verdediging te maken. Ze moesten erop voorbereid zijn dat ze aangevallen werden. Het was geen pais en vree in de woestijn. God is een God van orde. Hij legert hen naar zijn orde. Hij geeft het precies aan. Je zou zeggen: God bemoeit zich met de­tails. Dat kunnen de mensen toch zelf ook wel bedenken? Ja, natuurlijk. Maar God houdt het zelf in de hand. Hij laat het niet uit de hand lopen. Hij wil dat het zo gebeurt als Hij het zegt. En ze voeren het uit.

De hele woestijnreis is het overeenkomstig de opdracht van God gegaan. En daar komen we op een belangrijk punt. De geboden van God zijn goed om bij te leven. Het is een vreugde om in de wegen van God te wandelen. Dat zijn geen knechtende geboden. Dat zijn geboden van liefde en regelmaat en toe­komst, geboden van vrede en blijdschap. Er is de klad gekomen in de geboden, als zouden we dit niet mogen en dat ook niet. Maar zo is het niet. God wil dat we gaan zien, dat we zijn liefdesgeboden mogen volgen, omdat Hij het goede met ons voor heeft. Houd je ze niet, dan kom je verkeerd uit. Maar dat heb je dan ook aan jezelf te danken. Dat is niet goed. Dat is slecht. Dat is verkeerd. God wil liefde. God wil onze vrede. God wil ons geluk. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Hoe? Dat weten we maar al te goed. We moeten zijn gebo­den volgen. Zo was het toen en zo is het nu ook. Doe wat God zegt, dan komt het goed. Ga met God, dan ga je goed. Probeer het maar en je zult het ontdek­ken. Hij geeft je kracht. Hij wil je uitleiden. Wat een heerlijke gedachte te midden van alle verwarring. Heerlijk!

Numeri 3:1-39

13 september [1]

3:1

Dit nu waren de nakomelingen van Aäron en Mozes…

3:4

Nadat Nadab en Abihu voor het aangezicht des HEREN gestorven waren in de woestijn Sinaï, toen zij vreemd vuur voor de HERE brachten…

3:10

doch de onbevoegde, die nadert, zal ter dood gebracht worden.

3:11

En de HERE sprak tot Mozes:

3:12

Zie, Ik zelf neem uit de Israëlieten de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen der Israëlieten, die het eerst uit de moederschoot voortkomen, opdat de Levieten mijn eigendom zijn,

3:13

want alle eerstgeborenen zijn mijn eigendom. …heiligde Ik Mij alle eerstgeborenen in Israël,…

3:15

Tel de Levieten… van één maand oud en daarboven,…

3:21

dit waren de geslachten der Gersonieten.

3:22

Hun getelden… waren zevenduizend vijfhonderd.

3:23

De geslachten der Gersonieten legerden zich achter de tabernakel aan de westzijde.

3:25

de zorg voor de dakbedekking, het voorhangsel voor de ingang van de tent der samenkomst,

3:26

de gordijnen van de voorhof en het voorhangsel voor de ingang van de voorhof.

3:27

dit waren de geslachten der Kehathieten.

3:28

Hun getelden… waren achtduizend zeshonderd:…

3:29

De geslachten der Kehathieten legerden zich langs de tabernakel aan de zuidzijde.

3:31

Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, het heilige gerei,… het voorhangsel…

3:32

Het opperste hoofd nu der Levieten was Eleazar, de zoon van de priester Aäron, die het opzicht had over hen, die de zorg hadden voor het heilige.

3:33

dit waren de geslachten van Merari.

3:34

Hun getelden… waren zesduizend tweehonderd.

3:35

Zij legerden zich langs de tabernakel aan de noordzijde.

3:36

de zorg voor de planken van de tabernakel, zijn balken, zijn pilaren, zijn voetstukken,…

3:38

Voorts legerden zij zich vóór de tabernakel aan de oostzijde, vóór de tent der samenkomst aan de kant, waar de zon opgaat,…

3:39

Al de getelden der Levieten… waren tweeëntwintigduizend.

Het geslacht van Levi wordt toebedeeld om de HERE te dienen, in plaats van alle eerstgeborenen. Die waren de HERE wel heilig, want de HERE had hen geheiligd, toen de engel des verderfs langs de huizen in Egypte ging. Nu zijn de Levieten de HERE heilig. God regelt de zaken tot in de details. De Levie­ten hebben de taak om de dienst te verrichten in de tabernakel. Ze worden ook geteld. Nu ieder van één maand en ouder. Ze liggen naar de geslachten van hun kinderen langs de tabernakel. Ze hebben allemaal een bepaalde taak voor een bepaald gedeelte van de tent der samenkomst. Het is allemaal precies ge­regeld. We zien weer hoeveel waarde God hecht aan het feit dat alles ordelijk verloopt. Niets is goed genoeg voor de HERE. Het is ook zijn heiligdom. Ga je daar mee marchanderen, dan kom je verkeerd uit, zoals ook de twee zonen van Aäron, die stierven toen ze met vreemd vuur offerden. En wie ook maar het lef had om de tent der samenkomst te naderen, terwijl hij daar niets te ma­ken had, die moest gedood worden. Is dat wreed? Nee, dat is uiterste bescher­ming. Want je zou het eens in je hoofd kunnen krijgen om zoiets te doen! Je zou het wel uit je hoofd laten, want je wist wat de consequenties zijn. Dat gold toen. Dat geldt ook vandaag. God roept ons Hem te volgen. Hij belooft ons een eeuwig leven. Een leven dicht bij Hem. Maar wijzen wij dat leven af, dan moeten we ook niet vreemd opkijken dat we verkeerd terecht komen. God is een rechtvaardig God. Hij heeft het gemunt op het léven van de mensen. Er is de dood en er is het leven. Maar Hij wil dat we het leven kiezen.

Heel de dienst in de tabernakel is erop gericht om dicht bij God te blijven, op­dat we niet op het verkeerde spoor terecht komen. Het is geweldig om zo’n tabernakel midden in de legerplaats te hebben, want dan word je er steeds aan herinnerd om bij de les te blijven. Want hoe gemakkelijk dwalen we niet af! En dan zie je de tabernakel en dan weet je weer op Wie je je moet richten. Maar als ze van de HERE afgeweken waren, dan kwam er de ellende. Dan moet er weer eerst verootmoediging en schuldbelijdenis komen om de zaak weer in het gareel te krijgen. Maar wat is het toch verschrikkelijk dat er dan inmiddels wel heel veel zijn omgekomen. God is groot. Hij wijst de weg. Kies deze weg en je zult ontdekken dat het de weg is. Er is geen andere weg. Pro­beer het maar en je zult het ontdekken. De Jezus-weg. We hebben een Bijbel vol om te ontdekken en te lezen en te ervaren dat daarin de weg te vinden is die je door dit leven leidt tot in eeuwigheid! Glorie voor zijn Naam.

Numeri 3:40-4:20

14 september [1]

3:40

Tel alle mannelijke eerstgeborenen der Israëlieten van één maand oud en daarboven…

3:43

bleken bij telling te zijn tweeëntwintigduizend tweehonderd drieënzeventig.

3:46

Als losgeld voor de tweehonderd drieënzeventig eerstgeborenen der Israëlieten, die het getal der Levieten te boven gaan,

3:47

zult gij voor ieder per hoofd vijf sikkels nemen,…

4:4

Dit zal de dienst der Kehathieten in de tent der samenkomst zijn: de zorg voor de allerheiligste dingen.

4:5

en het bedekkend voorhangsel afnemen, en daarmee de ark der getuigenis bedekken;…

4:11

en de draagstokken aanbrengen.

4:15

dan zullen daarna de Kehathieten binnengaan om het te dragen; zij zullen echter het heilige niet aanraken, want dan zouden zij sterven.

4:16

En Eleazar… heeft het toezicht op de olie voor het licht, het welriekende reukwerk, het dagelijkse spijsoffer en de zalfolie; hij heeft het toezicht op de gehele tabernakel en alles wat daarin is, zowel het heilige als zijn gerei.

4:18

Laat de stam van de geslachten der Kehathieten niet uitgeroeid worden uit de Levieten.

4:19

Maar dit zult gij voor hen doen, opdat zij blijven leven en niet sterven, wanneer zij de allerheiligste dingen naderen. Aäron en zijn zonen zullen naar binnengaan en hun een plaats aanwijzen, ieder bij hetgeen hij te doen of te dragen heeft.

4:20

Maar zij zullen niet naar binnen gaan, zodat zij het heilige ook maar voor een ogenblik zien, want dan zouden zij sterven.

De mannelijke Levieten van één maand en ouder worden uitgewisseld tegen de eerstgeborenen van de Israëlieten. Het blijken er bijna evenveel te zijn: tweeëntwintigduizend tweehonderd drieënzeventig. Voor de rest wordt een losgeld betaald, zodat er evenwicht is. Zo zijn de eerstgeborenen van de Israëlieten vrij en zijn alle Levieten in het vervolg in de plaats van de eerstge­borenen van de Israëlieten. Wat een regeling. Wat een zorg. Wat een visie.

Het is goed geregeld. De Kehathieten hebben een speciale taak om bij het op­breken alles, wat tot het heilige behoort, in goede orde reisklaar te maken. Ze bedekken alles met klederen en de draagstokken worden aangebracht. Het staat er allemaal fantastisch bij. Het volk trekt niet op als niet ook de hele ta­bernakel meegenomen kan worden. De Kehathieten moeten het heilige inpak­ken, alles tweemaal omwikkelen. Dat is een heel bijzondere opdracht. Want ze mogen het heilige onder geen enkele voorwaarde ook maar even zien, want dan zouden ze sterven. Vandaar dat de zonen van Aäron meegaan en hen pre­cies aanwijzen wat ze moeten doen en dragen, om te voorkomen, dat ze ook maar een glimp opvangen van het heilige en zouden sterven. Wat een zorg van God. We hebben een liefdevolle Vader, die bij de mensen wil wonen.

Kijk nu toch eens! De HERE woont te midden van zijn volk. En Mozes spreekt met Hem. Hij wil wonen bij de mensen. Hoe is het mogelijk! Wie kan daar nu bij? God wil wonen bij de mensen. Daar kun je je geen voorstelling van maken. Toch is het zo. De HERE geeft heel scherpe aanwijzingen over het heilige. Dat mag niemand zien. Dus de Kehathieten hebben een gevaarlijke verantwoordelijkheid. God wil ook die dreiging wegnemen. Aäron moet precies aangeven wat de Kehathieten moeten doen, dan komen ze er veilig doorheen. Zo niet, dan missen ze heel veel. Want het is een Godswonder, dat alles zo goed gaat. God neemt de scherpste voorzorgsmaatregelen, opdat niets verkeerd gaat. Wel nodig in deze verwarrende tijd. Glorie voor zijn Naam.

Numeri 4:21-49

15 september [1]

4:22

Neem ook het aantal op van de Gersonieten…

4:23

van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud…

4:25

zij zullen dragen de tentkleden van de tabernakel…

4:26

de gordijnen van de voorhof…

4:29

Wat de Merarieten betreft,…

4:31

En dit is hun taak in het dragen… zijn balken, zijn pilaren,…

4:36

tweeduizend zevenhonderd vijftig;…

4:37

dit waren de getelden van de geslachten der Kehathieten,…

4:40

tweeduizend zeshonderd dertig.

4:41

van de geslachten der Gersonieten,…

4:44

drie duizend tweehonderd.

4:45

Dit waren de getelden van de geslachten der Merarieten,…

4:46

Al de getelden,…

4:48

waren achtduizend vijfhonderd tachtig.

Ook de Gersonieten en de Merarieten krijgen een speciale taak om delen van de tabernakel af te breken, mee te nemen en ook weer te plaatsen. Het is echt een bouwplan. Het is een aannemersbedrijf. Je moet het ook goed regelen. Want als je dan ergens aankomt en je moet alles weer opbouwen, dan moet je het ook in goede orde doen. Dat moet je van te voren gepland hebben, anders wordt het een rommeltje. God regelt het allemaal. Dat is opmerkelijk. Je zou zeggen: Dat kon Mozes toch ook zelf met Aäron wel uitzoeken en regelen? Maar nee, God zelf geeft al deze voorschriften heel gedetailleerd. Je zou haast denken dat God het Mozes en Aäron niet toevertrouwt. Maar dat is een beetje te vrij gedacht. We moeten zeker weten dat God het allemaal goed geregeld wil hebben. Het is trouwens ook de plaats van zijn eigen woning. Dan kun je het ook niet goed genoeg regelen.

Het is opvallend dat het hier gaat om werkers van de stam de Levi van dertig tot vijftig jaar. Alleen die deden dienst in de tabernakel. Dat worden de Levie­ten. De jongeren hadden nog geen taak. En de ouderen waren ook niet meer in dienst. Het komt er ook hier op aan dat ze allemaal weer geteld worden. Totaal zijn het er achtduizend vijfhonderd tachtig. Weer komt het aan op het precieze aantal. Alles wordt geteld. God is gehecht aan de laatste persoon in de telling, net zoveel als aan de eerste of de middelste. Elk persoon is waardevol voor God. Dat is een diepe gedachte. We zijn voor God geen groep, maar een per­soon waar zijn hart naar uitgaat. Hij ziet het hart aan.

Het is ook geweldig hoe dat doorgetrokken wordt. Want de HERE Jezus zegt: Het is beter voor jullie dat Ik heen ga, want dan kan Ik altijd bij jullie wonen, in je hart. De tabernakel van vandaag, dat zijn wij. De Hebreeënbrief schrijft daar over. Het is toch niet voor te stellen dat wij de tempel van de Heilige Geest zijn; dat Christus woning in ons wil maken? Heerlijk, wat een zegen. Wat een geweldige gedachte. Wat een voorrecht. Je kunt er niet over uit. La­ten we dan vrijmoedig toegaan tot de troon der genade. We hebben vrij baan. De weg is vrijgemaakt door het kruis van Golgotha, waar Hij de zonde op zich genomen heeft en onze zonden eens en voor altijd zijn vergeven. Glorie voor zijn Naam. Prijs de Heer. En dat is hier allemaal begonnen. God kiest zich een volk uit. We kunnen daar voor altijd Hem voor danken. Hoe genadig is de HERE. Hoe geduldig en lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij doet ons niet naar onze ongerechtigheden. Want Hij is een vergevend God, barm­hartig en genadig. Hij wil niet dat de zondaars omkomen, maar zich bekeren en behouden worden. Wat een evangelie! Dat mogen we uitbazuinen. God is groot!

Numeri 5:1-31

16 september [1]

5:2

dat zij uit de legerplaats wegzenden alle melaatsen, allen die een vloeiing hebben en allen die onrein zijn door aanraking van een lijk;…

5:3

opdat zij hun legerplaats niet verontreinigen, daar Ik toch in hun midden woon.

5:6

en daardoor ontrouw wordt tegenover de HERE, zodat hij een schuld op zich laadt,

5:7

dan zullen zij de zonden belijden,…

5:8

dan zal de schuld… aan de HERE vervallen, ten bate van de priester,…

5:10

alleen wat hij de priester geeft, zal voor deze zijn.

5:13

en een ander met haar geslachtsgemeenschap zal hebben gehad,…

5:14

of wanneer de geest der jaloersheid over hem komt,…

5:15

dan zal die man zijn vrouw tot de priester brengen…

5:17

en de priester zal van het stof dat op de vloer van de tabernakel ligt, nemen en het aan het water toevoegen.

5:18

terwijl in de hand van de priester zal zijn dat bittere water, dat de vloek brengt.

5:21

doordat de HERE uw heup doe invallen en uw buik doe opzwellen,…

5:22

Daarop zal de vrouw zeggen: Amen, amen.

5:24

en hij zal de vrouw het bittere water, dat de vloek brengt, te drinken geven,…

5:27

en zij aan haar man ontrouw is geweest… en die vrouw tot een vloek onder haar volk zal zijn.

5:28

Heeft de vrouw zich echter niet verontreinigd en is zij rein, dan zal zij ongestraft blijven en zwanger kunnen worden.

5:31

De man zal vrij zijn van ongerechtigheid, maar de vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.

De HERE woont in de legerplaats en dus moet de legerplaats rein zijn. Me­laatsen moeten worden weggezonden en ook zij die een vloeiing hebben of die een lijk hebben aangeraakt. Dat is een opdracht. Besmetting moet geen plaats hebben onder de bewoonde wereld. Het is belangrijk om ze buiten de bewoon­de wereld af te zonderen. Dat is de opdracht van God. Maar het is ook de be­scherming voor de mensen. Pas op voor besmetting. Dat is alle eeuwen door zo geweest. Melaatsheid is een verschrikkelijke ziekte. In de bijbelse tijden kwam het veelvuldig voor. Vandaag is de ziekte steeds meer uitgebannen. Maar men is nog steeds bang voor nieuwe uitbraken.

Over de vergoeding van schuld wordt ook alles goed geregeld. Als je een zon­de hebt begaan en je bent je naaste iets schuldig, dan moet je dat met een vijf­de extra vergoeden, wil je van je schuld af zijn. De belijdenis van de schuld gaat daaraan vooraf, maar dan ga je het ook materieel regelen. Dat is de weg die gegaan moet worden.

De wet op de jaloersheid is wel heel speciaal. Vrouwen, die met ander man­nen omgaan, zijn de HERE een gruwel. Soms weet de man het niet, maar komt de geest der jaloersheid in hem op. Dan kan hij met zijn vrouw naar de pries­ter gaan. De priester neemt water en vermengt dat met stof van de vloer van de tabernakel. Dat is wel een beetje vreemd. De vrouw moet dat papje opdrinken. Ze moet ook een eed afleggen dat ze heilig wandelt. Ze zegt daarop: Amen, amen. Het is een eed voor de HERE God, dus je moet wel weten wat je doet. De vrouw moet dus dat bittere water drinken. Als het water opzwelt in haar buik en haar heupen vallen in, dan is dat de straf op haar zonde. Ze zal geen kinderen meer kunnen krijgen. Dat is een verschrikkelijke straf. Dat is ook de straf op de zonde. Het is ook een ernstige waarschuwing om niet vreemd te gaan. God is een wrekende God. God is liefde, maar ga jij zijn liefde te grab­bel gooien, dan moet je ook geen zegen van God verwachten. Dan wacht je de vloek. Op seksueel gebied zit er ontzettend veel verkeerd. God wil reinheid in de gemeente. En daar ziet Hij op toe. De vrouw die rein is, zal wel kunnen baren. Dit is de wet op de gevallen van jaloersheid. Daarvan wordt dan de man ook genezen. Hij moet daarna ook niet langer jaloers zijn, maar zijn vrouw in liefde aanvaarden. Soms kan jaloersheid zeer hardnekkig zijn. Daarom is deze wet genezend. Je komt van je jaloersheid af. Ga naar de voorganger. Laat je redden van je jaloersheid. Doe er niet aan mee. En vrouwen, geef geen aanlei­ding. Wees heilig en rein. Laat je niet verleiden. Wees standvastig. Wat is er een verleiding! Wat is er een zonde! Doe er niet aan mee. Bied weerstand. Stop ermee. God is groot. Wat een God, die op zoveel dingen uit het leven let en er maatregelen voor neemt! Gods wetten beschermen je tegen verkeerd gaan. Glorie voor zijn Naam! God is groot.

Numeri 6:1-21

17 september [1]

6:2

een bijzondere gelofte wil afleggen, de nazireeërgelofte, om zich aan de HERE te wijden,

6:3

dan zal hij zich van wijn en bedwelmende drank onthouden… en geen druiven eten, noch verse noch gedroogde.

6:5

zal geen scheermes over zijn hoofd komen;… zal hij heilig zijn,…

6:7

noch… mag hij zich, na hun sterven, verontreinigen, want het nazireeërschap zijns Gods is op zijn hoofd.

6:12

de voorafgaande tijd zal niet meetellen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.

6:18

Dan zal de nazireeër vóór de ingang van de tent der samenkomst het hoofdhaar van zijn nazireeërschap afscheren… en het in het vuur onder het vredesoffer werpen.

6:20

het zal een heiligheid voor de priester zijn, met de beweegborst en de hefschenkel. Eerst daarna zal de nazireeër wijn mogen drinken.

Als je de HERE een gelofte doet, dan ben je daar ook aan gebonden. Zo is er bijvoorbeeld de wet op het nazireeërschap. Het is heel precies omschreven. Hij/zij mag geen wijn drinken. Niets, dat van de wijnstok is, mag worden ge­geten. Zelfs geen gedroogde druiven. Hij/zij is de HERE gewijd. En hij of zij moet het haar laten groeien. Ook mag geen dode worden aangeraakt. Want hij/zij moet de HERE heilig zijn. Men mag zich niet verontreinigen. Als men zich toch heeft verontreinigd, bijvoorbeeld doordat een dode aangeraakt is, dan moet het haar geschoren worden en een offer gebracht worden. Dan be­gint de periode overnieuw. De tijd, die al de HERE gewijd was, telt niet mee. Als de tijd van de gelofte vervuld is, dan gaat hij naar de priester en offert overeenkomstig het voorschrift. Dan mag het haar geschoren worden en wordt het met het offer verbrand. Daarna mag men weer wijn drinken. Dan is de periode van de gelofte voorbij.

Het gaat erom dat je de HERE heilig bent. Als je een gelofte doet aan de HERE, dan moet je je daar ook aan houden. Dan moet je daar niet mee mar­chanderen. Je doet een gelofte of je doet het niet. Dat mag ook zichtbaar zijn voor de mensen. Die mogen het weten. Het is als het ware een bescherming, een sociale controle. Ze kunnen aan je zien dat je de HERE heilig bent, dat je een gelofte gedaan hebt. Ze weten dat het je ernst is en ze houden je eraan. God hecht eraan, om het allemaal heel gedetailleerd te beschrijven. Het is de wet op het nazireeërschap. Het is een wet. Het is hier beschreven. Je moet het zo en zo doen. Dat zijn geboden om ons te beschermen. Het is zo vaak zo dat we geboden zien als iets negatiefs. Als iets van: “je mag niet dit en je mag niet dat.” Dat is ook zo. Maar ze worden ons positief gegeven, om er mee te kun­nen leven. Want het niet houden van de geboden, leidt tot allerlei ellende. Ga ze stuk voor stuk maar na. Gij zult niet doodslaan. Wat een ellende als je het wel doet. Gij zult niet echtbreken. Wat een ellende als je het wel doet. Gij zult niet stelen. Wat een ellende als je het wel doet. Blijf bij de geboden van de HERE. Dan gaat het je goed. Er is een belofte aan verbonden. Er is zegen aan verbonden. Het is een veiligheid. En als je een gelofte aan de HERE doet, zorg dan dat je je er ook aan houdt. Dat is de betekenis van het nazireeërschap. We komen het later tegen in de Bijbel. Je mag er voor jezelf vandaag ook wel een bepaald uiterlijk kenmerk aan verbinden. Je mag het ook vasten noemen. Je mag het verbinden aan een bepaalde gebeurtenis. Het is de HERE een zegen. Wat zijn de geboden van God goed! Je bent geneigd om deze gedeelten van de Bijbel over te slaan. Wat moet je met al die wetten? Maar worstel je je er doorheen, dan ontdek je zoveel zegen. Alle woord van God is goed om te on­derwijzen.

Numeri 6:22-7:47

18 september [1]

6:22

De HERE nu sprak tot Mozes:

6:23

Spreek tot Aäron en zijn zonen: Zó zult gij de Israëlieten zegenen:

6:24

De HERE zegene u en behoede u;

6:25

De HERE doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;

6:26

De HERE verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.

6:27

Zo zullen zij mijn naam op de Israëlieten leggen, en Ik zal hen zegenen.

7:1

Op de dag nu , dat Mozes gereed was met het oprichten van de tabernakel, zalfde en heiligde hij die met al zijn toebehoren,…

7:2

die aan het hoofd van de getelden stonden;…

7:8

naardat zij voor hun dienst behoefden,…

7:11

En de HERE zeide tot Mozes: laat op elke dag één vorst zijn offergave voor de inwijding van het altaar brengen.

7:17

Dit was de offergave van Nachson, de zoon van Amminadab.

7:24

Op de derde dag de vorst der Zebulonieten,…

7:37

Zijn offergave bestond uit één zilveren schotel, honderd dertig sikkels in gewicht, en één zilveren springbekken van zeventig sikkels naar de heilige sikkel, beide gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, tot een spijsoffer;

7:38

één schaal van tien sikkels goud, gevuld met reukwerk,

7:39

één jonge stier, één ram en één éénjarig schaap tot een brandoffer;

7:40

één geitenbok tot een zondoffer;

7:41

en tot een vredeoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf éénjarige schapen. Dit was de offergave van Selumiël, de zoon van Zurisaddai.

Wat een ceremonie! Daar zie je het volk met al hun wijdingsoffers naar de tent der samenkomst komen. Het wordt één groot offerfeest. De offers bran­den. Het rookt de hele dag. God regelt het zo, dat niet alles in één keer komt. Maar God zegt: “Laat elke dag één stam de wijdingsgave voor het altaar brengen.” Dan is er weer orde. Nu kunnen de Levieten het aan. Wat zal dat een groot feest geweest zijn. Je ziet, dat het volk graag de gaven afzondert. God woont in hun midden. Ze weten, dat ze met een heilige God te maken hebben. Dat hebben ze zo vaak ervaren. En het is een God die zegent. Hij draagt, via Mozes, dan ook aan Aäron en zijn zonen de zegen op. Het is de zegen die we nog elke zondag in vele kerken kunnen horen. Het is de HERE God die die zegen oplegt. “De HERE zegene u en behoede u; de HERE doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de HERE verheffe zijn aange­zicht over u en geve u vrede.” Dat is toch geweldig! We staan daar veel te weinig bij stil. Het is de HERE die zijn zegen, zijn vrede, zijn genade en zijn licht geeft. Het komt van Hem. We denken daar veel te weinig bij na. We ne­men het als vanzelfsprekend aan. Het wordt een sleur. Zo gaat het nu eenmaal in de kerkdienst.

Als je het leest in de context waarin het allemaal is ontstaan, dan zie je het anders. Het is een heilig moment. Het volk ligt in de woestijn. De tabernakel is gebouwd exact overeenkomstig de opdracht van de HERE. En nu wordt die ingewijd. Dan moeten Aäron en zijn zonen de zegen op het volk leggen. Je wordt er stil van. Die hoogheilige God, die woont in de hemel, komt naar ons toe en legt ons zijn zegen op. Daar word je warm van. Daar kom je van onder de indruk. Dat is inderdaad de genade van Hem. Want hoe kunnen we voor God bestaan? En toch is het zo. Jezus woont zelfs in ons hart. Hij wil bij de mensen wonen. Hij wil zelf in ons wonen. Hij wil altijd bij ons zijn. Hij vult ons hart en ons leven met genade en vrede. Hij doet zijn aangezicht over ons lichten. Hoort u dat? Zijn aangezicht over ons lichten! Gods aangezicht? Ja, Gods gezicht. Hoe kunnen we voor Hem bestaan? Laten we onze knieën in aanbidding voor Hem buigen. Dat is het mooiste wat je kan overkomen. God is goed. God zegent ons. HERE, dank U wel. Dat is de kracht waarmee wij door het leven kunnen gaan. Daarom willen wij U onze offergaven brengen en U aanroepen en U eren en loven en prijzen. Want U hebt het gedaan. Geloofd en geprezen zij uw Naam.

Numeri 7:48-89

19 september [1]

7:84

Dit was de wijdingsgave voor het altaar op de dag dat het gezalfd werd, geschonken door de vorsten van Israël: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren springbekken, twaalf gouden schalen,

7:85

honderd dertig sikkels zilver elke schotel, en zeventig elk springbekken; al het zilver der vaten bedroeg tweeduizend vierhonderd sikkels, naar de heilige sikkel;

7:86

twaalf gouden schalen gevuld met reukwerk,…

Het wordt allemaal per stam genoemd. Maar elke stam geeft hetzelfde. Je zou zeggen: Dat kun je dan toch ook wel in één keer zeggen? Maar nee. Per stam wordt precies opgegeven wat ze geven. Het is het wijdingsoffer voor het al­taar. Ze geven het twaalf dagen op een rij. Niet alles tegelijk, maar elke dag komt er een stam, die het geeft. Dan is er ook elke dag genoeg voor het offe­ren. Wat zal dat een heerlijke reuk zijn geweest. Je zult van verre hebben kun­nen ruiken dat er geofferd wordt. Het is het heerlijke reukwerk. Dat zijn wij helemaal kwijtgeraakt. Wij denken dat het niet meer nodig is. Maar het heeft toch wel een bepaalde plaats. Wat kan er nu lekker genoeg voor de HERE ruiken? Het hele huis moet vol zijn van de heerlijkheid des Heren.

Wat een bedrijvigheid. Het is alles ter ere van God. Dan wil je ook wel je goud en je zilver geven. En wat een goud en een zilver was dat samen! Het kon niet op. Twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren springbekken, twaalf gouden schalen. Te gek! Wat een goud en een zilver. En dat allemaal voor de HERE. De HERE is groot. Hij is goed. Je kunt Hem nooit genoeg eren en prijzen. Want alle zegen komt van Hem. Hij wil bij ons wonen. Hij heeft het allemaal tot in de details geregeld. Hij weet wie we zijn. Hij weet dat we zon­der Hem ook niet kunnen leven. Hij weet hoe de boze tekeer gaat en probeert ons onderuit te halen. Hij neemt ons bij de hand en leidt ons door de woestijn van deze wereld. Hij wil ons behoeden voor struikelen. Daarom heeft Hij het allemaal zo concreet gezegd. Niet links en niet rechts kijken. Blijf heel dicht bij Mij. Kijk eens naar het midden van de legerplaats. Daar staat mijn taberna­kel. Daar woon Ik. Daar moeten jullie je blik op vestigen. Daar gebeurt het. Als je daar je blik op vestigt, dan komt het goed. Want dan ben je op Mij ge­richt. Doe wat Ik zeg en je zult leven.

Buiten de legerplaats, daar is het onveilig. Daar heerst de tegenstander. De gevallen engel. En Ik weet hoe machtig die is. Daar moeten jullie de strijd niet mee aanbinden. Daar moet je je niet mee bemoeien. Dat is de strijd, die Ik voer. Jullie moeten heel eenvoudig blijven in het centrum van mijn wil. Niets meer en niets minder. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Prijs de Heer voor zoveel genade. Hij is dan ook genadig. Hij spreekt de zegen uit: “De HERE zegene u en behoede u; de HERE doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de HERE verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.” Het is niet voorwaardelijk. Het is gunnend en gevend. Hij geeft de vrede. Het komt van Hem. Wij kunnen daar niets aan toe of af doen. Het komt van één kant. En daarom moeten we ons hart opheffen naar Hem toe. Doe het dan! Het is zo. Niet omdat ik of iemand het zegt, maar omdat het de universele waarheid is, die ons wil zetten op het pad der gerechtigheid. De HERE is groot en nooit genoeg te prijzen. Prijs de HERE.

Numeri 8:1-26

20 september [1]

8:2

Wanneer gij de lampen opstelt, moeten de zeven lampen haar licht doen vallen op de voorzijde van de kandelaar.

8:4

was hij gedreven werk;…

8:7

sprenkel op hen ontzondigingswater, daarna moeten zij een scheermes over hun gehele lichaam laten gaan en hun klederen wassen, opdat zij gereinigd worden.

8:8

en een tweede jonge stier zult gij nemen tot een zondoffer.

8:10

dan zullen de Israëlieten de Levieten de handen opleggen,

8:11

en Aäron zal de Levieten bewegen als een beweegoffer…

8:12

Nadat de Levieten hun handen op de kop van de jonge stier gelegd hebben,…

8:18

en Ik nam de Levieten in de plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten,

8:24

iemand van vijfentwintig jaar oud en daarboven zal komen om zijn taak te verrichten…

8:25

en op vijftigjarige leeftijd zal hij van het dienstwerk ontslagen zijn,…

8:26

Al zal hij zijn broeders in de tent der samenkomst bij het vervullen van hun taak behulpzaam mogen zijn,…

Het komt er erg op aan. Je moet wel geheiligd zijn, als je dienst doet in de ta­bernakel. De Levieten waren afgezonderd in plaats van alle eerstgeborenen van de andere Israëlieten. De eerstgeborenen waren de HERE heilig, want Hij was aan de huizen voorbijgegaan in Egypte, toen Hij daar de eerstgeborenen sloeg. Overal waar bloed aan de deurposten zat, ging de engel des doods voor­bij. En daarom zijn de eerstgeborenen der Israëlieten geheiligd. Ze zijn de HERE heilig. En die zijn gelost door de Levieten. Die doen dienst in de tem­pel. Ze moeten dus geheiligd zijn. Zij moeten met ontzondigingswater gewas­sen worden. Ze moeten al hun lichaamshaar afscheren. Ze moeten hun kleren wassen. En dan moeten er twee jonge stieren geofferd worden. Alle Israëlieten moeten samenkomen, als deze wijding plaats vindt en zij moeten de handen op de Levieten leggen. En de Levieten moeten de handen op de kop van een stier leggen. Het moet duidelijk zijn, dat de HERE ernst maakt met zijn heiligdom. Ieder die daarbij betrokken is, moet zich heiligen. Daarom mag er ook nie­mand anders bij betrokken zijn, want dan gaat het mis. Als iemand anders dan de Levieten zich in de tabernakel durft te begeven, dan is de dood het gevolg. God laat niet met zich spotten. Hij wil in een heilig huis wonen. En daar zorgt Hij zelf voor. Daar stelt Hij zijn regels voor op. Mag God misschien? Het is toch zijn huis? Het gaat toch om Hem?

Het is heerlijk om te zien, hoe God zijn kinderen wil zegenen. Hij is genadig en barmhartig. Hij wil alle mensen zegenen. Want alle mensen zijn zijn schep­selen. Hij heeft de hele wereld op het oog. Daar kun je niet omheen. God is goed. Hij kan niet genoeg geprezen worden. Het is geweldig. God is groot. Dank u HERE voor alle zegen en genade. U heiligt uw dienstknechten. U helpt hen door de woestijn. U laat hen niet in de steek. Wat een zegen. Wat een genade. Wat een liefde en eindeloos geduld. HERE, dank U wel.

De Levieten deden dienst vanaf hun vijfentwintigste. Tot die tijd zagen ze het hun vader en hun broers doen. En ze hoorden de verhalen van hun opa’s. Elk detail werd gememoreerd. Want alle details waren belangrijk. Het was belang­rijk dat de lampen voor de kandelaar stonden en hun licht lieten schijnen op de kandelaar. Die schitterde dan ook in het schijnsel van de lampen. Die kande­laar was van gedreven goud. Dat had God zo bepaald. En die kandelaar moest goed zichtbaar zijn. Het is weer een detail, maar dat mag niet over het hoofd worden gezien. God is goed. En nooit genoeg te prijzen. Wat een genade.

Als de Leviet vijftig jaar is, dan hoeft hij geen dienst meer te doen in de tem­pel. Dan mag hij nog wel helpen, maar doet geen dienst meer. Je doet dus maar vijfentwintig jaar dienst in de tempel. De rest van je leven ben je helper om de dienstdoende Levieten te ondersteunen. Dat is een prachtige gedachte. Ook al sta je niet meer in de schijnwerpers, je werk is nooit ten einde, want je blijft de anderen helpen in de dienst van de HERE. In de dienst van de HERE is er geen concurrentie of naijver. Ieder die zijn werk doet, doet het als voor de HERE. De een doet dit en de ander doet dat en het is allemaal goed en vol vreugde. Want alles is nodig om het tot stand te brengen.

Numeri 9:1-23

1 januari [2]

9:5

en zij vierden het Pascha in de eerste maand, op de veertiende dag der maand in de avondschemering,…

9:17

En zo vaak als de wolk van boven de tent optrok, braken daarna de Israëlieten op,…

9:18

Op het bevel des HEREN braken de Israëlieten op, en op het bevel des HEREN legerden zij zich;…

Het Pascha moet gevierd worden tot een altoosdurende inzetting. God had het geboden. En het moest letterlijk uitgevoerd worden. Het Pascha dat de HERE Jezus en zijn discipelen vierden was het Pascha zoals de HERE dat had inge­steld. Het wordt hier bij de Sinaï nog eens herbevestigd. Het moet gevierd worden met de vreemdelingen erbij. Iedereen moet het vieren. Het is een op­dracht.

Wat een spanning. De HERE leidt zijn volk met machtige hand uit Egypte. Na 430 jaar en na jaren van onderdrukking. Er moeten tien plagen aan vooraf gaan, voordat de Farao overstag gaat. De Here Jezus viert het laatste avond­maal met zijn discipelen. We zien de lijn dat Messias Jezus verzoening doet voor de zonden. Hij leidt ons uit het diensthuis van de zonde.

Wij zijn met ons Avondmaal wel erg veel kwijt geraakt van de oorspronkelij­ke inzetting. Als wij het vandaag aan de dag vieren, en wij scharen ons in de gemeenschap met het uitverkoren volk, dan moeten we ook de opdracht van de HERE God serieus nemen en het vieren, zoals Hij het heeft ingesteld. We vie­ren het natuurlijk, zoals we het nu vieren op onze manier, omdat we niet meer geloven dat de beloften van God nog voor zijn volk en zijn land gelden. Dat is het gevaarlijkste wat we kunnen doen. We moeten daar eens goed over naden­ken en de consequenties trekken. Wat zijn we veel kwijt geraakt. Waar komt de oorsprong van het Avondmaal vandaan? Wanneer is het een sacrament ge­worden?

God gaat met zijn volk mee. Het werd veertig jaar in de woestijn. Ze trokken op als de wolkkolom optrok. En ze legerden zich als de wolkkolom neerdaal­de. Het was heel duidelijk. Elke morgen keken ze wat de kolom deed. Des nachts was het de vuurkolom. Het was de letterlijke aanwezigheid van God. God sprak. Soms bleven ze kort, soms bleven ze lang. Ze deden wat de kolom deed. Wat God besliste. Hoe vaak zullen ze niet gedacht hebben: “Wanneer gaan we nu eens rechtstreeks naar het beloofde land?” Wat een les van God. Zijn aanwezigheid in ons leven is ook heel concreet. Hij is er, Hij ziet ons. Hij is concreet aanwezig. Het gaat erom, dat wij met Hem wandelen en zijn gebo­den houden. Dan gaat het ons goed. Dan hebben we vrede in ons hart. Dan kunnen we alle stormen aan.

Numeri 10:1-36

2 januari [2]

10:3

Geeft men op beide een stoot, dan…

10:4

Geeft men op één een stoot, dan…

10:10

Ook op uw vreugdedagen, op uw feesten en op uw nieuwemaansdagen zult gij een stoot op de trompetten geven bij uw brandoffers en vredeoffers, zij zullen u dienen om u voor het aangezicht van God in gedachtenis te brengen; Ik ben de HERE uw God.

10:34

En de wolk des HEREN was overdag boven hen, wanneer zij uit de legerplaats opbraken.

10:35

Wanneer nu de ark opbrak, zeide Mozes: Sta op, HERE, opdat uw vijanden verstrooid worden en uw haters van uw aangezicht wegvluchten.

10:36

En wanneer zij bleef rusten, zeide hij: Keer weder, HERE, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.

De trompetten klinken tot vandaag in het leger. Het volk wordt bijeen geroe­pen. Ik denk aan Joël 2: Blaast de bazuin. Ik denk aan het leger dat uittrekt. De trompetten klinken, want de HERE is onze God. Hij beschermt ons. Hij wil ons veilig leiden. Laten we naar zijn stem horen.

Het volk trekt door de woestijn. Het trekt op in orde. Het wordt precies aange­geven. Het is fantastisch hoe de HERE alles in goede orde doet. De centrale plaats heeft de tabernakel, die voorop gaat. Dat zien we ook later als ze ron­dom de muren van Jericho trekken. De aanwezigheid van de HERE God staat centraal. Hij doet het. Hij beheerst het grote wereldgebeuren. Wij mogen en moeten rustig achter Hem aan gaan. De wolkkolom trekt voor ze uit. Waar de wolkkolom gaat, daar gaat het volk ook. Kijk, die kant gaat God op. Wat heeft het ons te zeggen? Pas op dat je niet uit de pas loopt, want dan kom je ver­keerd terecht. Daar gaan ze. En Mozes, de man Gods, bidt voor de bescher­ming van zijn volk, zoals een goede leider doet. Prijs de Heer.

Numeri 11:1-35

3 januari [2]

11:14

Ik alleen kan de zorg voor dit gehele volk niet dragen: dat is mij te zwaar.

11:20

totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt – omdat gij de HERE hebt veracht,…

11:23

Zou de hand des HEREN te kort zijn?

11:29

och, ware het gehele volk des HEREN profeten,…

11:31

Toen stak er een wind op, door de HERE gezonden; die voerde kwakkels aan…

Wat een volk! Weerbarstig. Zondig. De HERE ontsteekt vuur aan de rand van het legerkamp. Ze kermen het uit. Ze worden verbrand. Dan roept Mozes tot de HERE God en het vuur dooft. God hoort. God verhoort. Maar in het vol­gende stuk gaan ze gewoon verder. Nu hebben ze geen vlees te eten. Ze jam­meren. Liever waren ze bij de knechtende Egyptenaren gebleven. Moet je na­gaan! Ook Mozes ziet het niet meer zitten. Het wordt hem allemaal te zwaar. Hij klaagt tegen God. Is er dan niemand meer over? Dan geeft God een oplos­sing, maar dan twijfelt hij er nog aan. Maar God zegt: “Zou de hand des HEREN te kort zijn?” Mozes zal het zien.

Eerst kiest hij zeventig mannen uit op wie de Geest des HEREN neerdaalt, zo­dat hij het werk kan delen. Je hoeft niet boven je kracht te werken. Je moet juist blijven binnen de talenten en de kracht die de HERE God je gegeven heeft. Hij zal wel anderen zenden om dat te doen wat jij niet meer aankunt. Of Hij heeft een heel ander plan. Zit er nooit over in. Wat kunnen de mensen toch gestresst zijn. Het werk komt niet af. We mogen opstaan en de HERE danken voor wat we deze dag weer mogen gaan doen. Niet meer en niet minder. We hoeven ons door niets en niemand in de war te laten brengen, op stang te laten jagen, of overwerkt te laten worden. Want de HERE geeft ons de kracht voor vandaag. Elke dag heeft immers genoeg aan zijn eigen kwaad. Hij is er altijd. Hij ondersteunt ons. Hij is bij ons. Stop de stress. Stop de overspanning. Ten diepste is het eigenlijk hoogmoed. Alsof de toekomst van onze inzet afhangt! Of het er in de eeuwigheid toedoet of wij ons werk afkrijgen, zoals wij het overwerkt en in eigen kracht denken te moeten doen! Het is heerlijk om in de rust van de HERE onze dagen te vullen.

De kwakkels komen. De HERE voert ze aan. Als gekken vliegt het volk er op af. Het vlees tussen de tanden. Het komt hun neus uit. Dan worden ze ziek. Wat wil je ook! Je vreet er veel te veel van. Te gulzig. Velen sterven. Zo gaat dat. De HERE geeft het wonder. Hij laat ze in hun eigen zwaard vallen. Ze kunnen zich niet eens beheersen. Ze vallen aan en ze vallen. Wat een les. Wat een waarschuwing. Blijf in Hem.

Wat zijn we vaak ondankbaar. Als we kijken op de wonderen die de HERE in ons leven doet, dan halen we het niet in ons hoofd om op God te mopperen. Het grootste wonder is dat Hij naar mij heeft omgezien en dat Ik een kind van God ben. Wat wil je nog meer? We hebben uit genade het eeuwige leven. We zijn deel van dat eeuwige koninkrijk van God, waar gerechtigheid woont. Dat is toch geweldig. Dat kan niet meer stuk. En dan alle zegeningen die we bo­vendien ontvangen. Gods barmhartigheden houden niet op. Elke morgen zijn ze nieuw. Daar mogen we uit leven. Daar moeten we uit leven. Dat is een blijdschap die niemand je af kan nemen. Dat is een zekerheid, waarmee je door diepe dalen kunt.

Mozes zit op God te mopperen. Wat moet hij met zo’n weerbarstig volk. Hij heeft het toch niet uitgekozen? Wat moet God toch een verdriet hebben over zijn knecht Mozes. God hield toch de wateren van de Rode Zee vast, zodat ze gered werden? God gaf toch het water? God gaf toch het manna? En nu nog niet tevreden!

Numeri 12:1-13:33

4 januari [2]

12:3

Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op de aardbodem.

12:10

Toen nu de wolk van boven de tent geweken was, zie, Mirjam was melaats als sneeuw;…

13:28

Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar;…

13:30

Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren.

Jaloezie in hoofdstuk 12. Kom niet aan de man Gods. Levensgevaarlijk. God zelf koos Mozes uit. Mirjam en Aäron spreken slecht over hem. God spreekt alleen door Mozes en zij betwisten dat. God roept ze samen. Mirjam wordt melaats. Ze moet buitengesloten worden. Zeven dagen lang.

Het is levensgevaarlijk om de mannen van God voor de voeten te lopen. Zegen hen die geroepen zijn. We zijn hen dubbele eer verschuldigd. God zal niet al­tijd zo direct optreden als in dit geval, maar het is wel de werkelijkheid dat God met zijn engelen heel concreet invloed heeft in onze situatie. Opnieuw is er de opdracht en de oproep om heilig en onberispelijk te wandelen, want God ziet het. Hij is dichtbij. Hij woont in ons hart door de Heilige Geest. Hij ziet alles. Prijs de Heer.

De geschiedenis van de tien verspieders spreekt boekdelen. “We kunnen het volk niet verslaan. Ze zijn te sterk.” Maar Kaleb zegt: “We kunnen het.” Waarom moesten die verspieders gestuurd worden? God had toch beloofd hen het land te geven? Als je het in eigen kracht doet, dan is er geen beginnen aan. Ze zijn te sterk. Er wonen er te veel. We kunnen het niet. Er komt grote ver­deeldheid. Wat een ellende. Kaleb zegt: “Wij zullen het zeker kunnen ver­meesteren.”

Numeri 14:1-38

5 januari [2]

14:4

Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren.

14:8

Indien de HERE welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen…

14:16

Omdat de HERE dit volk niet kon brengen naar het land dat Hij hun onder ede beloofd had, daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht.

14:20

Op uw bede schenk Ik vergeving.

14:22

en die Mij nu reeds tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben,…

14:23

Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien.

14:34

Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar, opdat gij weet wat het betekent, als Ik mij afkeer.

14:35

In deze woestijn zullen zij hun einde vinden en daar zullen zij sterven.

14:37

deze mannen, die een kwaad gerucht over het land verspreid hadden, stierven door een plaag voor het aangezicht des HEREN.

Het is de tiende keer dat het volk zich tegen de HERE verzet. Nu is het afgelo­pen. God wil er een einde aan maken. Hij heeft hen gered uit Egypte, grote wonderen gedaan en wat zegt het volk? “Laten we terugkeren naar Egypte!”

De verspieders komen terug. Allen zeggen: “Neen, het gaat nooit.” Alleen Jozua en Kaleb geloven in Gods belofte. Je zult zo’n volk toch! Maar Mozes pleit voor het volk. Wat zullen de Egyptenaren wel zeggen, als het volk toch vernietigd wordt! God verhoort, maar de straf is duidelijk en vreselijk. Nie­mand die Egypte verliet zal in het land komen. Ze zullen allen sterven. Ze zullen veertig jaar in deze woestijn ronddolen. Voor elke dag van de verspie­ding één. Wat een straf. Vreselijk! Alleen Jozua en Kaleb mogen ingaan en allen die een kwaad gerucht verspreid hebben sterven meteen.

God laat niet met zich spotten. Je moet wel weten wat je doet. Twijfel nooit aan Gods belofte. De straf is dat we voor elke dag dat we het land verspied hebben, we een jaar in de woestijn moeten blijven. Wie tegen God is, verliest zijn leven! We hebben te maken met een heilig God. Hij is genadig, barmhar­tig, rechtvaardig en groot van goedertierenheid, maar Hij duldt niet dat er te­gen Hem wordt gerebelleerd. Hij geeft liefde en eist gehoorzaamheid. Toen, maar ook vandaag. Het is een verhaal uit het leven gegrepen. HERE, help ons. Houd ons vast.

Numeri 14:39-15:21

6 januari [2]

14:40

want wij hebben gezondigd.

14:42

Trekt niet op, want de HERE is niet in uw midden…

14:44

Toch waagden zij het de bergtop te beklimmen,…

14:45

Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten die dat gebergte bewoonden, naar beneden, versloegen hen en dreven hen terug tot Horma toe.

15:10

tot een liefelijke reuk voor de HERE.

15:19

wanneer gij van de spijs des lands eet, de HERE een heffing geven.

15:20

De eerstelingen van uw gerstemeel zult gij, in de vorm van een koek, als heffing geven;…

Alleen Jozua en Kaleb zullen in het land komen. Wat een vreselijk oordeel. Het was al de tiende maal dat het volk tegen God opstaat. God is het gemur­mureer beu. Niemand die het land verlaten heeft, zal in het land komen. Ze zullen veertig jaar rondzwerven, totdat de laatste gestorven is en dan pas zul­len ze in het land trekken. Wat een straf. Daar was toch alles om begonnen? Ze zouden toch naar het beloofde land gaan? En nu dit! Als Mozes alles wat de HERE gezegd heeft doorgegeven heeft, dan zien ze wat ze gedaan hebben. Ze komen tot de conclusie, dat ze zwaar gezondigd hebben. Dan trekken ze naar het gebergte. Maar dat moeten ze nu juist niet doen, want de HERE had gezegd dat ze richting Schelfzee moesten trekken, want de Amalekieten lagen tegenover hen. Maar hoe Mozes ook zegt dat de HERE niet met hen is, ze trekken toch uit, richting gebergte. En dan vallen de Amalekieten hen aan en ze verliezen natuurlijk de strijd. Ze worden gedood. Ze worden teruggedreven.

Het is ook zo heel simpel. Je moet heel eenvoudig doen, wat de HERE zegt. Dan gaat het goed met je. Dan kom je goed terecht. Doe je dat niet, dan komt je geluk, je heil, je bescherming in gevaar. Hoe kunnen ze dit nu doen? Ze roepen allemaal: “we hebben gezondigd,” en als reactie daarop trekken ze op naar het gebergte, waarvan de HERE gezegd had, dat ze dat niet moesten doen! Wat zijn ze toch weerbarstig. Maar wat is het ook uit het leven gegre­pen. Want zitten we niet allemaal zo in elkaar? We doen alsof we vroom zijn, maar ondertussen houden we onze verkeerde gewoonten vast. Dat moeten we niet doen. Dat slaat nergens op. God is geen marionet, waar je mee kunt sol­len. Hij is de HERE in de hemel. Hij is hoog verheven. Hij wil ons zegenen en leiden. Wij mogen enkel en alleen zijn wil doen. God is goed.

Als jullie in het land, dat de HERE beloofd heeft, zijn aangekomen en je doet een offer, dan moet je er een spijsoffer bij doen van een bepaalde hoeveelheid. Dat wordt er speciaal bij gezegd. Het moet zo en zo veel zijn. Voor elk offer wordt het nauwkeurig omschreven. Het is de spijze, die de priester krijgt om te leven. Want de Levieten waren afgezonderd om de HERE te dienen. Maar het volk moest de Levieten onderhouden. Zij deden dienst in de tempel en zij zijn hun loon waard. Deze wet geldt zowel voor de Israëliet als voor de vreem­deling, die bij hen vertoeft. Er wordt nog aan toegevoegd: als jullie in het land gekomen zijn, dan moet je van de eerstelingen van het gerstemeel een heffing geven voor de HERE in de vorm van een koek. En dit zal een altoosdurende inzetting zijn. Wat een zegen. Alles komt van de HERE. De HERE geeft de vruchtbaarheid. Het is zijn schepping, het is zijn wonder. Wij kunnen zaaien, maar Hij moet de wasdom geven. Dat is geweldig. Want wat een zegen ont­vangen we niet. We mogen dankbaar zijn voor zoveel zegen. En dat geldt ze­ker in het land waarin wij wonen. We mogen Hem loven en prijzen voor zo­veel zegen. Daarom is het zo belangrijk, dat we dicht bij Hem blijven leven. Leef dicht bij Hem. Volg zijn geboden, opdat het u welga in het land, dat de HERE uw God u geven zal.

Numeri 15:22-41

7 januari [2]

15:26

Het zal aan de gehele vergadering der Israëlieten vergeven worden,… want het was onopzettelijk over het gehele volk gekomen.

15:30

Maar wie iets met voorbedachten rade doet,… die zal uit zijn volk worden uitgeroeid,…

15:32

betrapten zij iemand die op de sabbatdag aan het houtsprokkelen was,…

15:35

Toen zeide de HERE tot Mozes: Die man zal zeker ter dood gebracht worden;…

15:39

Dat zal u dan tot een gedenkkwast zijn; als gij daarnaar ziet, dan zult gij al de geboden des HEREN gedenken en die volbrengen zonder uw hart of uw ogen te volgen, dat gij u daardoor tot overspel zoudt laten verleiden,

15:40

opdat gij gedenkt en volbrengt al mijn geboden en heilig zijt voor uw God.

De geboden van de HERE zijn niet zwaar. De offergave zal een liefelijke reuk voor de HERE zijn. En van de eerstelingen geven we natuurlijk aan de HERE. Voor een onopzettelijke zonde moet een offer gegeven worden, maar er is ver­geving. Maar voor een opzettelijke zonde volgt de dood. En de sabbatdag, die willen we houden uit vreugde en dankbaarheid. Maar wie die dag bewust niet houdt moet uitgeroeid worden.

Die gedenkkwasten kunnen ook geen kwaad. Want we moeten steeds weer getrokken worden naar de geboden van God. Dan blijf je op koers. Dan geden­ken en volbrengen we de geboden van God en zijn we heilig voor Hem. Het is uit het leven gegrepen. We moeten geholpen worden om ons te concentreren op de HERE God. Het zou heel goed zijn om vandaag ook een soort gedenk­kwasten te hebben. Elke keer als we deze zien of voelen, weten we: we moe­ten dicht bij God blijven. We zouden eens tot overspel kunnen komen. Als je deze “kwasten” zichtbaar draagt, ben je ook een zichtbare getuige. Veel Jood­se mannen, ook Messiasbelijdende, dragen onder hun kleren een hemd met de tzitzit, die ze vaak onder de gewone kleren uit laten komen. Dus het kan wel. Vandaag proberen o zoveel christenen zich anoniem te houden. Gevaarlijk. Waar zijn uw en mijn gedenkkwasten? Waarom hebben we ze afgeschaft? Het was toch goed?

Numeri 16:1-50

8 januari [2]

16:3

Waarom verheft gij u dan boven de gemeente des HEREN?

16:14

Wij komen niet.

16:16

verschijnt morgen voor het aangezicht des HEREN, gij en zij en Aäron!

16:24

Trekt u terug uit de omgeving van de woning van Korach, Dathan en Abiram.

16:31

Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen,

16:32

en de aarde opende haar mond en verzwolg hen…

16:41

De volgende dag morde de gehele vergadering der Israëlieten tegen Mozes en Aäron,…

16:48

Toen hij tussen de levenden en de doden stond, hield de plaag op.

16:49

En zij, die gestorven waren door de plaag, waren veertienduizend zevenhonderd,…

Dat is me een geschiedenis. Nu is ook een deel van de Levieten in opstand. God sprak en vaagde ze weg met hun huis. Een rebellie tegen God is bij voor­baat verloren. God regeert. En Hij volvoert zijn rechtvaardig plan. Vreselijk om op te staan tegen God. Je gaat er aan. Nu of in de eeuwigheid. Vandaag is het begin van de rest van je leven. Gelooft in God. Nu kan het nog. Evangeli­satie. Nu.

Dan komt de volgende morgen het volk ook weer klagen. Mozes heeft het volk gedood! Dat nemen ze niet! God komt met zijn plaag en er sterven duizenden. Aäron doet met haast verzoening over de zonden en de plaag houdt op. God haat de zonde.

Het is allemaal heel duidelijk. Opstand tegen God moet je met de dood beko­pen. Of nu al òf straks op de jongste dag. Dat is de oproep aan alle mensen om je te bekeren, je om te keren naar God toe. Daar dus maar meteen aan begin­nen. Er geen gras over laten groeien. God ziet alles. Dus je kunt beter open kaart met Hem spelen en je zonden belijden en wegdoen en met Hem verder gaan. Dan kom je goed uit.

Veel mensen vinden dit wrede verhalen. Het is ook gruwelijk. Maar wat doet men ook niet tegen God! Ze zijn ongehoorzaam tegen Gods uitdrukkelijke be­vel. Het is verschrikkelijk. Je wordt niet veroordeeld, maar je bent veroordeeld als je de Zoon van God afwijst. Haast u!

Numeri 17:1-13

9 januari [2]

17:10

En de HERE zeide tot Mozes: Breng de staf van Aäron terug vóór de getuigenis, om bewaard te worden tot een teken voor de wederspannigen, zodat gij aan hun gemor een einde maakt… opdat zij niet sterven.

God doet het ene wonder na het andere. Maar er gaat geen hoofdstuk voorbij of ze morren weer tegen de HERE. Welke tekenen moet de HERE God nu dan nog geven, om hen van hun gemor af te helpen? De bloeiende staf is opnieuw een teken. De staf van degene die bloeit, zal de leiding hebben. En Aärons staf bloeit. Nu is het duidelijk. Nu hebben jullie geen excuus meer.

Je oog gericht houden op de bloeiende staf van Aäron. Je oog gericht houden op Messias Jezus. Hij helpt je erdoorheen. Hij behoedt je voor struikelen. Hij is de alfa en de omega. De eerste en de laatste. Geen gemor als je je oog ge­richt houdt op Jezus. Fantastisch!

Opnieuw uit het leven gegrepen. Wat hebben we een geduldige God. Hoe lang moet Hij het nog met ons uithouden? Wat zitten we vaak te morren. Wat ge­ven we God vaak de schuld. Wat hebben we een zelfbeklag. Waarom ik dit en waarom ik dat? Maar de zegeningen minimaliseren we. Het probleem over­heerst alles en God zien we niet meer. Wat moet God toch met ons aan. Je zult er toch moe van worden. Hij heeft het volste recht om een einde te maken aan die armetierige, mopperende troep. Maar wat gebeurt er? Jezus pleit en bidt voor ons, zoals Mozes en Aäron deden voor het volk. En we kunnen geen be­tere voorspraak bij de Vader hebben dan zijn eigen Zoon.

Maar adeldom verplicht. Dan ook stoppen met morren en zeuren. Want als we stoppen, dan komt er een explosie van energie vrij, die ons de ruimte geeft om ons te richten op God; om te leven in zijn dienst. Prijs de HERE, want Hij is goed. En daar krijg je niet genoeg van. Het is goed om dicht bij de HERE te leven. De bloeiende staf van Aäron is een bewijs van de aanwezigheid en de almacht en de barmhartigheid van de HERE God. We gaan in zijn voetspoor verder.

Wat zijn we toch dom. Wat ontnemen we onszelf toch een grote vreugde. Wat zijn we toch weerbarstig. HERE, help! HERE, vergeef! HERE, treed op! HERE, doe iets! HERE, gebruik mij in uw dienst! HERE, dank U wel dat U me er weer zo duidelijk bij bepaalt. Wat is het toch heerlijk om uw woord te lezen en ervan te genieten. Doen, elke dag!

Numeri 18:1-32

10 januari [2]

18:7

als een dienst, die een geschenk is, geef Ik u uw priesterambt;…

18:15

Alles, wat het eerst uit de moederschoot voortkomt van al wat leeft, hetgeen zij de HERE aanbieden, zowel van mensen als van dieren, zal voor u zijn; alleen zult gij de eerstgeborenen der mensen loskopen…

18:19

een altoosdurend zoutverbond is het voor het aangezicht des HEREN voor u en uw nakomelingschap.

18:20

Ik ben uw deel en uw erfdeel onder de Israëlieten.

18:21

Wat nu de Levieten betreft, zie, Ik geef hun alle tienden in Israël als erfdeel, een vergoeding voor de dienst die zij verrichten, de dienst van de tent der samenkomst.

18:26

dan zult gij daarvan als een heffing voor de HERE een tiende van de tiende brengen,…

De stam van Levi heeft geen erfdeel onder Israël. Aan hen is het priesterambt gegeven als een geschenk, staat vermeld. Alleen zij mogen naderen tot het heiligdom. De heffing voor hen is een tiende. Daarvan zullen zij leven. Van de tienden die zij ontvangen, moeten ze ook weer een tiende geven voor de dienst des Heren. En wel het beste. Het was goed geregeld bij God, zijn dienst kwam nooit tekort. En iedereen deed het. Een altoosdurend zoutverbond was het. Een verbond, dat niet verbroken kon worden, waarbij degenen, die dat ver­bond sloten zout aten. Aan alle offers moesten de priesters zout toevoegen, als zinnebeeld van de vastheid van Gods verbond.

Alle eerstgeboren dieren behoorden aan de HERE. De reine dieren werden ge­offerd en de onreine losgekocht. Ook de eerstgeborenen van de mensen wer­den aan de HERE gewijd en ook die werden losgekocht. Maar het principe is duidelijk. De HERE behoort alles. En wij mogen leven door zijn genade. We behoren Hem toe. Hij is onze Schepper. Hij is onze Maker. We moeten Hem eren en dienen en danken en loven en prijzen dat Hij ons heeft geschapen en ons onderhoudt.

We moeten onze erediensten niet verzaken. Het is belangrijk om gemeenschap te hebben. We moeten ook onze tienden geven. Daar kan de dienst des HEREN mee gezegend worden. Daar wordt Gods werk mee gerund. Daar komen we met z’n allen niet aan toe. Als dat zou gebeuren, dan zou in één klap de kas meer dan verdubbeld worden. We zouden eens moeten uitrekenen, wat dat voor consequenties zou hebben voor de uitbreiding van het evangelie. Maar het principe is duidelijk. De HERE heeft vrijgestelden voor zijn dienst. Om de dienst aan Hem als een geschenk te kunnen uitvoeren. En Hij wil ge­diend worden. Daarom is het belangrijk om van onze inkomsten te geven, ook al zijn die gering. We kregen eens ds. Galbraith uit Amerika op bezoek en die vertelde dat, ook al kreeg hij als student maar een kwartje, dat hij toch weer tien procent daarvan voor het werk van de HERE gaf. Het gaat er niet om of je veel hebt en dan pas geeft. Het gaat erom dat je geeft van wat je hebt. Een principe om eens goed over na te denken. En er dan vervolgens ook naar te handelen. Wat anders heb je er nog niets aan. Moeten wij ook zelf doen.

Numeri 19:1-20:1

11 januari [2]

19:5

Daarna zal men de koe voor zijn ogen tot as verbranden;…

19:9

opdat zij voor de vergadering der Israëlieten bewaard blijve ter bereiding van het water der reiniging; het is een middel tot ontzondiging.

19:17

en daarop in een vat levend water gieten.

19:20

Maar iemand die onrein geworden is, en zich niet laat ontzondigen, die zal uit de gemeente uitgeroeid worden, omdat hij het heiligdom des HEREN verontreinigd heeft; er is geen water der reiniging op hem gesprengd, hij is onrein.

We hebben te maken met een heilige God. Hij wil heiliging en reinheid. De as van de koe moest bewaard blijven en het water werd met de as vermengd ter ontzondiging. Wat onheilig is moet weg, moet weer heilig worden. Dat is een heel secure zaak. Daar moet je niet te licht over denken. Wil je je niet laten reinigen, dan ben je onrein. Dan moet je zelfs uit het volk verwijderd worden, uitgeroeid. Moet het dan zo streng? Kan het niet een beetje minder? Neen. Want als we de rotte appel in de mand laten, dan gaat de hele boel rotten. Dus je moet alles wat met de onreinheid in aanraking gekomen is, reinigen. Maar als je bezig bent met reinigen, dan word je daardoor zelf ook onrein. Dan ben je ook onrein tot de avond.

Reiniging is voor de HERE God heel belangrijk. Als het dan voor Hem zo be­langrijk is, dan doen we er heel goed daar serieus werk van te maken. En het is beter om ons te haasten om onszelf te onderzoeken daar waar we onheilig le­ven. We weten het vaak maar al te goed. Daarom: reinig u en heilig u. In het Nieuwe Testament gaat het ook steeds om de heiliging. We kunnen wel een mooi verhaal ophangen en er vrome smoezen op na houden, maar als we wei­geren om ernst te maken met de heiligheid van de HERE God en in zonde blij­ven voortleven, dan zitten we fout.

Welke zonden dan? We hebben toch allemaal zonden? Ja, dat klopt. We leren dat we de geboden Gods moeten bewaren. Dat is liefde. En de liefde, dat is een geweldige opgave. Een geweldige zegen. Daar kunnen we allemaal mee vooruit. Als we op dit moment tot onszelf inkeren en overzien daar waar we de liefde niet betrachten, dan zijn we voorlopig nog niet klaar. Daarom is dit stuk een oproep om meteen, en niet straks, tot onszelf in te keren en ons te be­keren. Je zult ontdekken dat dat een grote bevrijding is.

Het is telkens weer opnieuw een reinigende werking als we het Woord van God lezen. Het is geweldig. Het was vanmorgen weer een verkwikking en een oproep. Prijs de HERE.

Numeri 20:2-29

12 januari [2]

20:8

spreek dan in hun tegenwoordigheid tot de rots, dan zal hij haar water geven;…

20:11

Daarop hief Mozes zijn hand op en sloeg de rots met zijn staf tweemaal, en er kwam veel water uit…

20:12

Aangezien gij op Mij niet vertrouwd hebt en Mij ten aanschouwen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land, dat Ik hun geef.

20:18

Maar Edom zeide tot hem: Gij zult niet door mijn gebied gaan, anders trek ik met het zwaard u tegemoet.

20:28

En Mozes liet Aäron zijn klederen uittrekken en bekleedde daarmee zijn zoon Eleazar. Toen stierf Aäron daar op de top van de berg,…

De HERE spreekt en let dan goed op wat Hij zegt. Je kunt een hele troep mor­rend volk tegenover je hebben, maar laat je er niet door imponeren. Je kunt soms gebukt gaan onder de druk die op je uitgeoefend wordt. Je wordt er gek van. Zenuwachtig. En onrustig. Je gaat niet opletten en je maakt nog meer fouten. Ik denk ook dat Mozes aardig onder druk stond. Wat nu weer! God verschijnt aan hem en wijst hem de oplossing: Neem je staf en spreek tot de rots! En wat doet Mozes? Hij slaat tot tweemaal toe op de rots. Dan ga je de fout in. Waar zit de fout? De fout zit erin dat hij niet op de HERE vertrouwd heeft. God zei: spreek tot de rots. Maar Mozes dacht waarschijnlijk aan de vorige keer, toen hij op de rots moest slaan. Luister, luister. Doe wat God zegt en geeft er niet je eigen invulling aan.

Als God wat zegt, dan doet Hij het ook. Hij roept ons. Hij zorgt voor ons. Hij is altijd bij ons. En dan moeten we daarop vertrouwen. Hoe kan God ons nu helpen als we almaar aan zijn beloften twijfelen? En klagen? ‘Waar bent U? Waarom dit en waarom dat?’ We zitten vol klagen en vragen. We vertrouwen zo vaak niet op God. En dan zien we het hier. Mozes zal het beloofde land niet ingaan. Dat is zwaar. Dus pas op. God zorgt voor ons.

Aäron sterft. Ook hier heeft God de regie in handen. Aäron gaat de berg op. Mozes laat hem zijn klederen uittrekken, om ze aan Eleazar aan te doen. En Aäron sterft. Hij moet ook wel sterven, want Aäron zou het volk het land niet binnenbrengen, vanwege de zonde. Maar God regelt de overgang. Hij heeft een eeuwigdurend verbond met zijn volk. En Hij houdt zich aan de beloften. Eleazar wordt hogepriester in zijn plaats.

Wat is het enerzijds tragisch om te zien dat deze grote mannen niet het volk mogen binnenleiden. Ze hebben zoveel meegemaakt en dan moet hen dit over­komen. En toch… Het komt er dus steeds op aan. Het is ook veel beter om streng en nauwgezet de geboden Gods te bewaren. Dan zit je goed en dan blijf je goed. Dat moeten we doen. Elke keer opnieuw.

Ze mogen niet door Edom. Ze buigen af. Het broedervolk laat hen niet door. Jakob en Ezau, het blijft het oude liedje. Het loopt ook niet zo goed af met Edom. Dat lezen we later. Wij komen ook onze vijanden tegen die ons niet door willen laten, de voet dwars willen zetten. Maar dan is en blijft het devies: rechtdoor en niet afbuigen. Dicht blijven schuilen bij het Woord van God. Heerlijk, toch? Daar is het toch ook goed schuilen! Nu en voor de eeuwigheid. Wat willen we nog meer? En onze hogepriester Messias Jezus waakt over ons. Lees ook Psalm 91.

Numeri 21:1-30

13 januari [2]

21:5

Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd? Om in de woestijn te sterven?

21:6

Toen zond de HERE vurige slangen onder het volk; die beten het volk, zodat er velen van Israël stierven.

21:8

Maak een vurige slang en plaats die op een staak; ieder die daarnaar ziet, wanneer hij gebeten is, zal in leven blijven.

21:25

En Israël nam al de steden in en ging wonen in alle steden…

21:29

Wee u, Moab; verloren zijt gij, volk van Kamos!

En daar gaan ze weer. Waarom, waarom, waarom? Ze hebben het goed, ze hebben eten, manna en kwakkels, hun schoenzolen slijten niet. En toch! Al dat flauwe voedsel. Het is verschrikkelijk. Wat een gemopper. God raadpleegt Mozes niet, maar Hij stuurt vurige slangen en velen sterven. O ja, dan zijn ze er wel weer vlug bij, om te zeggen dat ze gezondigd hebben. De vurige kope­ren slang op een staak. En als je daarnaar kijkt, sterf je niet. Een vurige slang op een staak in de blinkende zon. Dat zal er ook vurig uitgezien hebben. Inte­ressant om te zien hoe God zijn eigen methode heeft om het volk tot zijn zin­nen te brengen.

Ze moeten opkijken naar de slang die hen doodde. God geeft de verlossing aan, maar we moeten het van Hem verwachten. Het is geen goedkope zaak. Het is een zeer ernstige zaak. Wij zondigen keer op keer. Maar zonde moet geboet worden. Dat kunnen we niet zelf, daar gaan we onder gebukt. Daar sterven we aan. Als wij niet blijven kijken naar Messias Jezus die aan het kruis onze zonden verzoende, dan komen we nergens. Zolang we naar Hem kijken en vanuit Hem leven en steeds maar weer beseffen dat Hij letterlijk door zijn leven te geven onze zonden op zich nam, dan beseffen we ook dat we uit dankbaarheid moet leven. Niet zo nu en dan, maar altijd. En het geheim is: wij hoeven dat niet in eigen kracht, maar we ontvangen het van Hem zelf. Hij is de kracht. Het is immers de HERE God die zelf de staak laat opheffen. Er is ontkoming, genezing. Kom!

En dan trekken ze op. Van plaats naar plaats. Omtrekkende beweging. Het volk cirkelt om Moab. Volken worden verslagen. Land wordt in bezit geno­men. Ze gaan wonen in de steden, die ze veroverd hebben. Interessant. Mocht dat eigenlijk wel? Hoe zit dat?

Je voelt: er gaat iets gebeuren. Ze zijn op weg naar het beloofde land. Het wordt spannend. Ondertussen sterven de mensen, die optrokken uit Egypte. Want niemand van hen boven de twintig zou het land beërven. God wacht tot de laatste gestorven is. En de jongeren onder de twintig zijn inmiddels de krachtige helden geworden, die de strijd moeten leveren.

Numeri 21:31-22:21

14 januari [2]

22:6

want ik weet: wie gij zegent, die is gezegend, en wie gij vervloekt, die is vervloekt.

22:7

Toen gingen de oudsten van Moab en van Midian, met het waarzeggersloon bij zich, op weg,…

22:9

God nu kwam tot Bileam…

22:12

Gij zult met hen niet medegaan, gij zult dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.

22:20

ga met hen mede, maar alleen het woord, dat Ik tot u spreken zal, zult gij volbrengen.

Het volk is gelegerd bij de rivier tegenover Jericho. Bileam, de waarzegger, is bekend tot in het paleis van de koning. Wat hij zegt, dat gebeurt. Wie hij ver­vloekt, die wordt vervloekt. Bileam is een gevaarlijk man. De koning ziet maar één weg om dat volk te verslaan, indien Bileam het vervloekt.

Maar God grijpt in. In de hemelse gewesten is Hij de baas. Bileam weet dat maar al te goed. Hij heeft zich gemengd in die hemelse gewesten en is een speelbal van de machten. God zegt: blijf daar vandaan, want daar voer ik de strijd met de duivel. Die duivel probeert de mens van God af te trekken. Dat was met Bileam gelukt. Het is juist de enige bescherming om de geestelijke wapenrustig aan te trekken en in de bescherming van God te blijven. De open­baring van God, zijn Woord, is het zwaard des Geestes. En met het schild des geloofs kun je al de brandende pijlen van de boze afweren. Dat is de bescher­ming tegen de boze machten. Nou, die wapenrusting moet je dan ook aandoen. Wij strijden niet, maar het Woord strijdt.

God komt bij Bileam in de nacht en hij weet het maar al te goed: tegen God is niet tegen te strijden. Het is het Woord van God. Wie kan dat tegenhouden? Hij weigert mee te gaan. Hij kan het volk niet vervloeken. God sprak. De tweede keer gaat hij mee, maar zal alleen spreken, wat God hem te spreken geeft. En daar gaat hij. Het is een aangrijpende geschiedenis. Het is fantastisch om hier een uit-de-praktijk-van-alle-dag-verhaal te zien. De duivel gaat rond en probeert de mensen in zijn macht te krijgen. Ook nu lopen de waarzeggers bij bosjes rond en proberen de mensen te verleiden. De horoscopen vinden we overal. De paranormale winkeltjes schieten als paddestoelen uit de grond. We zien het aan alle kanten. Ze zijn zeer agressief tegen al die ‘domme’ christe­nen, die denken dat een oud boek de waarheid is. Zij weten beter. Terwijl ze zelf, tegen Gods wil in, de bovennatuurlijke wereld induiken als dé waarheid, ontkennen ze de andere bovennatuurlijke wereld van God. Leugenaars zijn het. Levensgevaarlijk. Af blijven!

Numeri 22:22-41

15 januari [2]

22:22

Maar de toorn des HEREN ontbrandde,…

22:23

Toen de ezelin de Engel des HEREN op de weg zag staan,…

22:28

Nu opende de HERE de mond der ezelin,…

22:31

Toen opende de HERE de ogen van Bileam;…

22:34

indien het kwaad is in Uw ogen, wil ik wel omkeren.

22:38

Het woord, dat God in mijn mond zal leggen, zal ik spreken.

Bileam gaat op weg. Op zijn ezelin. De HERE wordt vertoornd. God stopt de ezelin. Tot drie maal toe. Bileam slaat de ezelin. De ezelin spreekt. Bileams ogen worden geopend. De Engel spreekt: Zie Ik ben uitgegaan als een tegen­stander, want deze weg voert bij Mij ten ondergang.

Bileam gaat. Hij zegt alleen de woorden te spreken die God hem te spreken geeft. Balak offert op de hoogten. Het feest gaat door. De heidenen gaan door in hun overmoed. Het volk moet vervloekt worden. Met al hun geld zullen ze in staat zijn om God te vervloeken. De waarzeggers van de wereld halen ze erbij. Ze houden geen rekening met God of gebod. Wat denken ze wel. God in de hoge lacht.

Numeri 23:1-30

16 januari [2]

23:8

Hoe zal ik vervloeken, die God niet vervloekt? Hoe zal ik verwensen, die de HERE niet verwenst?

23:12

Zal ik niet nauwgezet spreken, wat de HERE in mijn mond legt?

23:19

God is geen man dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben.

God houdt zijn woord. Het zijn gevleugelde woorden geworden. Hoe zal ik vervloeken, die God niet vervloekt? Bileam weet maar al te goed, dat hij niet tegen God in kan gaan. De occultisten weten van de almacht van God. Zij we­ten dat ze met heel gevaarlijke dingen bezig zijn. Het is het rijk van de duivel. Daarom is het zo belangrijk om steeds maar weer Gods woord te proclameren. Daar waar Gods woord komt, gaat de boze op de vlucht. Het is het zwaard des Geestes. Voor al onze vijanden en ook voor ons zelf. Gods woord brengt aan het licht wat licht en duister is.

Dat werkt. Probeer het maar. Er zit ook kwaad in ons: ongeloof, verkeerde dingen. Daar moeten we geen genoegen mee nemen. Daar moeten we tegen vechten. Daar wil God ons bij helpen. Zo heerlijk praktisch. Je kunt het direct toepassen. Probeer het maar. We zijn vaak zo stom om het maar op zijn be­loop te laten. Het zal zo’n vaart niet lopen. Nou, in het verhaal van Bileam leren we anders. Het is een zaak op leven en dood. We kunnen er niet mee marchanderen. We moeten het heel serieus nemen. Daar gaat het om.

Bileam moet het volk zegenen in plaats van het te vervloeken. De waarzegger is in de macht van God. Je kunt beter zo snel mogelijk weggaan uit de wereld van de boze, de duisternis, de duivel, en vluchten en schuilen bij Jezus, want daar ben je veilig. Daar wordt het licht. En wie de getuigenissen leest van de ex-occultisten weet maar al te goed dat het zo is. Weg bij de duivel. Dicht bij God. Al lijkt het soms het omgekeerde, laat je geen zand in de ogen strooien. Wie bij God schuilt, heeft het goed, zelfs in de bangste strijd. Daar staat de Bijbel vol van. Ga niet mee met de machtige koning Balak, die je koeien met gouden horens belooft.

Numeri 24:1-25

17 januari [2]

24:5

Hoe goed zij uw tenten, o Jakob, uw woningen, o Israël!

24:9

Gezegend, die u zegenen; en die u vervloeken, vervloekt!

24:17

een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël,…

24:23

Wee! wie zal leven, als God dat tot stand zal brengen?

Balak is boos. Tot driemaal toe heeft hij het geprobeerd. Hij stuurt Bileam weg. Bileam profeteert de ondergang van Moab en de grootheid van Israël. God is almachtig. Het is zijn volk. De Messias zal voortkomen uit dit uitver­koren volk, dat woont in het uitverkoren land. Wie hen zegent, zal gezegend worden, wie hen vervloekt, zal vervloekt worden. We hebben het aan het ver­haal van Bileam gezien. De engel des Heren staat daar met getrokken zwaard. Ga niet verder, want je komt om door het zwaard van de engel, door het zwaard des Geestes. Sta je op tegen Gods woord, dan kom je verkeerd uit. Want Gods woord is levend en krachtig. Het scheidt vaneen wat van God is en wat niet van God is. Denk niet dat je daar lichtzinnig mee om kunt gaan. Het is gevaarlijk. Ga met volle kracht vooruit, achter God aan.

Het volk dat God uitverkoos, dat moeten we zegenen. Onafhankelijk of het nu Gods wil doet of niet. Je zou ze soms vervloeken, want wat is het een ondank­baar en weerbarstig volk. God zegent ze geweldig en ze vallen keer op keer in de zonde. Je zult ze toch! Dat is geen gekke gedachte. Want dat denkt God ook. Wat moet Hij met zo’n volk? En ze worden om hun zonden dan ook ge­straft. Want op zonde volgt schuld en moet er verzoening gedaan worden. Je kunt niet ongestraft tegen God in gaan. Daar moet je heel goed rekening mee houden. Maar het blijft Gods volk. Bileam zag het in slagorde liggen en sprak de profetie uit. En dat geldt vandaag nog. Pas op dat we het volk van God ze­genen en niet vervloeken. Wat hebben we dat laatste tijd veel gedaan. Geze­gend zullen worden, wie hen zegenen.

Door de eeuwen heen zijn de Joden in de naam van Jezus vermoord tot op vandaag toe. We zetten hen weer onder druk in de politiek van vandaag. We proberen te duwen en te trekken om hen land af te nemen. De haat is ontzet­tend groot. Ze zitten als het ware weer in een getto, met alle vijanden tot de tanden gewapend vlak om hen heen, klaar om hen de zee in te drijven. De haat is vreselijk. Ze moeten zichzelf tot de tanden bewapenen, want niemand zal hen te hulp komen als ze worden aangevallen. Het is en blijft Gods volk, want de Messias kwam voor zijn volk en Hij komt om zijn rijk te vestigen, zodat de wet kan uitgaan van Jeruzalem. Dat staat geschreven en dat moet gepredikt. Lees het zelf maar.

Numeri 25:1-18

18 januari [2]

25:1

begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moab.

25:8

Toen hield de plaag over de Israëlieten op.

25:11

heeft mijn toorn van de Israëlieten afgewend, doordat hij met een ijver voor Mij in hun midden heeft geijverd, zodat Ik de Israëlieten in mijn ijver niet heb verdelgd.

God doet grote wonderen voor het volk. Het verhaal van Bileam is een krach­tig bewijs van Gods trouw. En wat doet het volk? Ze gaan ontucht bedrijven met de vrouwen van Moab. Dat neemt God niet. Er sterven duizenden, die on­tucht pleegden. Ze moeten allemaal gedood worden. God in zijn heilige ijver neemt het niet, dat zijn eer gekrenkt wordt. Toen Pinehas, de zoon van Elea­zar, de zoon van Aäron, met ijver de zonde had uitgeroeid, hield Gods toorn op. Het staat er heel direct.

We moeten ons dus verzetten tegen de zonde. We moeten ons verzetten tegen afgoderij en ontucht. We moeten ons inzetten voor de geboden van God. We moeten heel goed rekening houden met de ijver van Gods toorn. God duldt de zonde niet. Hij wil er korte metten mee maken. Hij ziet naar ons, die zeggen Hem te kennen, of wij met heel ons hart en alle krachten de zonde willen uit­roeien in de samenleving, te beginnen in ons eigen leven.

Hoe zit het met ons? Is de liefde centraal in ons leven? Vandaag kunnen we opnieuw een begin maken met de grote opruiming in ons leven. Ieder kan zo zijn eigen lijstje maken om opnieuw te beginnen. Belijdt elkander uw zonden. God trekt voor ons uit. Jezus is onze leidsman. Dan gaan we ook in de samen­leving ons inzetten voor de grote schoonmaak. Dat begint doordat we het licht laten schijnen, dat in ons leven is gekomen door de genade van God. Dan gaan de andere mensen zien, dat God er is. Dan komt Hij met zijn zegen en wil op­nieuw beginnen.

God is blij als wij ons inzetten voor zijn geboden. God is blij als wij ons beij­veren. De Bijbel staat daar vol van. We weten ook zelf maar al te goed, dat de boosheid altijd op de loer ligt. De zonde heerst in ons en in de wereld. Van den beginne is het zo niet geweest. Dat weten we ook. Dat kunnen we met ons verstand doorzien. Het is verbazingwekkend dat we zo door Numeri gaande, zien hoe allerlei zaken, waar wij vandaag aan de dag ook mee te maken heb­ben, aan de orde komen. Er is geen verschil. Ook vandaag worden we verleid door ontucht. Daar moeten we ons tegen verzetten. Steeds opnieuw. God zij geprezen.

Numeri 26:1-65

19 januari [2]

26:2

Neemt het aantal der gehele vergadering der Israëlieten op, van twintig jaar oud en daarboven…

26:5

Ruben was Israëls eerstgeborene;…

26:7

en hun getelden waren drieënveertigduizend zevenhonderd dertig.

26:12

De zonen van Simeon,…

26:14

tweeëntwintigduizend tweehonderd.

26:15

De zonen van Gad,…

26:18

veertigduizend vijfhonderd.

26:19

De zonen van Juda…

26:22

zesenzeventigduizend vijfhonderd.

26:23

De zonen van Issaschar,…

26:25

vierenzestigduizend driehonderd.

26:26

De zonen van Zebulon,…

26:27

zestigduizend vijfhonderd.

26:28

De zonen van Jozef, naar hun geslachten waren Manasse en Efraïm.

26:29

De zonen van Manasse…

26:34

tweeënvijftigduizend zevenhonderd.

26:35

Dit waren de zonen van Efraïm,…

26:37

tweeëndertigduizend vijfhonderd.

26:38

De zonen van Benjamin,…

26:41

vijfenveertigduizend zeshonderd.

26:42

Dit waren de zonen van Dan,…

26:43

vierenzestigduizend vierhonderd.

26:44

De zonen van Aser,

26:47

drieënvijftigduizend vierhonderd.

26:48

De zonen van Naftali,…

26:50

vijfenveertigduizend vierhonderd.

26:51

Dit waren de getelden der Israëlieten: zeshonderdéénduizend zevenhonderd dertig.

26:54

is dit groot, dan zult gij het erfdeel groot maken, is dit klein, dan zult gij het erfdeel klein maken;…

26:55

Evenwel zal het land door het lot verdeeld worden;…

26:57

En dit waren de getelden der Levieten,…

26:62

En hun getelden waren drieëntwintigduizend, allen van het mannelijk geslacht, van één maand oud en daarboven, want zij werden niet samen met de Israëlieten geteld, omdat hun onder de Israëlieten geen erfdeel werd gegeven.

26:64

Onder hen bevond zich niemand van hen, die door Mozes en de priester Aäron geteld waren, toen dezen de Israëlieten in de woestijn Sinaï telden,

26:65

want de HERE had van hen gezegd: Zij zullen voorzeker in de woestijn sterven. En van hen was niemand overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun.

Wat een zonde. Er sterven duizenden, omdat zij zich hebben laten verleiden door de vrouwen van Moab. De plaag houdt op als inderdaad bekering volgt. Op zonde volgt schuld. En schuld moet verzoend worden. De straf volgt. Als je je niet bekeert, dan haal je zelf het oordeel over je heen. Dat is ook een eerlijke zaak. Daar heb je zelf schuld aan. Daarom is het zo belangrijk, dat je jezelf heiligt voor de HERE. We hebben te maken met een heilig en jaloers God. Hij duldt de zonde niet. Als Hij zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, wat willen wij dan nog in de zonde blijven. Niet doen. De Bijbel staat vol van straf op de zonde. Van hardnekkigheid en het oordeel. Dat moeten we God niet verwijten maar ons zelf met onze harde harten en onze harde koppen.

Het volk wordt geteld. Eén voor één. Geslacht na geslacht. Precies en opvol­gend de zonen van Jakob en Jozef. Het zijn er nogal wat. Maar toch ook weer niet zoveel als veertig jaar ervoor. Het hadden er veel meer kunnen zijn. Allen zijn in de woestijn gestorven. Van de eerste telling bij de Sinaï zijn er na veer­tig jaar alleen Jozua en Kaleb over en Mozes. De rest zal het beloofde land niet ingaan. Dat was de straf die God uitsprak op de zonde. Dat is nogal een straf. Ze gaan op reis naar het beloofde land en niemand zal het beërven van hen die uit Egypte vertrokken zijn. Daarom konden ze ook pas ingaan toen de laatste gestorven was. Kijk, daar sterft er weer één. Als je eraan denkt, dan slaat de schrik je om je hart. Waar zijn we mee bezig? Wat moeten we doen? Wij staan schuldig. Wij hebben gezondigd. Wij moeten ons bekeren. Wij moeten de zonden niet dulden. Wij moeten ons uitstrekken naar God. Wij moeten bidden en smeken dat het oordeel wordt afgewend. O HERE, help. O HERE, vergeef. Help, HERE God, help.

Het zijn de mannen vanaf twintig jaar. Dus de vrouwen en de kinderen moeten we daar nog bij optellen. Het zijn er wel een paar miljoen geweest die daar tegenover Jericho in het land van Moab lagen om over te steken naar het be­loofde land. Geen wonder dat de volkeren bang waren. Ze zagen het gevaar al aankomen. Ze waren zeker op de hoogte van dit volk, dat almaar door de woestijn trok. Met lekker morgenvoedsel en lekker avondvoedsel. Die moes­ten wel een heel bijzondere God hebben. Want dat was nog nooit gebeurd. Ze zwalkten door de woestijn. Ze hoefden zich geen zorgen te maken over eten. Maar ze kwamen ook nooit in het land, waarnaar ze op weg waren. ‘Gek eigenlijk,’ dat moeten de mensen wel gedacht hebben. Net zo gek als tegen­woordig. Al die Joden die terug gaan uit de volkeren naar Israël. Met dat land­je moet toch wel wat aan de hand zijn. Dat kan niet anders. Vreemd, vreemd, daar moeten we toch meer van weten. De Bijbel is een wonderlijk, fantastisch boek. Het heilsplan voor de wereld. Bekeer je, voordat je de boot mist. God roept u.

En dan de Levieten, die werden afzonderlijk geteld. Niet vanaf twintig jaar, maar vanaf één maand en ouder. Dat is ook apart. Die gingen ook niet in het leger. Waarom die vanaf één maand? Weet ik niet. Wel heel apart. Ik denk dan: dat geldt vanaf de geboorte. Vanaf de besnijdenis en de reiniging daarna. Zij hebben geen erfdeel. Zij woonden onder de stammen. Hoe zou dat eigen­lijk gegaan zijn? Interessant, zo’n volkstelling. Er zitten meer interessante as­pecten aan dan je zo op het eerste gezicht denkt.

Numeri 27:1-23

20 januari [2]

27:3

Onze vader is in de woestijn gestorven, hoewel hij niet behoorde tot de bende, die tegen de HERE samenspande, tot de bende van Korach, maar om zijn eigen zonde is hij gestorven, en hij had geen zonen.

27:4

Geef ons bezit onder de broeders van onze vader.

27:5

Toen bracht Mozes haar rechtsvraag voor het aangezicht des Heren.

27:7

gij zult het erfdeel van haar vader op haar doen overgaan.

27:11

dan zult gij zijn erfdeel geven aan de naaste bloedverwant uit zijn geslacht, opdat die het bezitte.

27:13

Als gij het aanschouwd hebt, dan zult ook gij tot uw voorgeslacht vergaderd worden,…

27:14

omdat gij… mijn bevel om Mij voor hun ogen bij het water te heiligen, weerstreefd hebt.

27:17

opdat de vergadering des HEREN niet zij als schapen die geen herder hebben.

27:18

Toen zeide de HERE tot Mozes: Neem u Jozua…

27:20

en leg op hem van uw heerlijkheid,…

27:22

En Mozes deed, zoals de HERE hem geboden had,…

Hoe zit het met het erfrecht van de families waarvan de man overleden is er er geen zonen zijn? De vrouwen komen er zelf mee. De HERE hoort het en neemt een beslissing. Het erfdeel zal op zijn dochters overgaan. Heeft hij geen dochter, dan zal het overgaan op zijn broer. Heeft hij geen broer, dan zal het gegeven worden aan de broer van zijn vader. Is ook dat niet het geval, dan aan de naaste bloedverwant. Zo blijft het erfrecht in de familie. De dochters zijn dus niet uitgesloten. Zij erven ook mee, als het niet in de lijn der mannen mo­gelijk is. Een teken dat de plaats van de vrouw belangrijk is. Interessant om te zien dat de dochters er zelf mee kwamen. Zij zagen een lacune in het erfrecht. Dat moest worden veranderd. En God deed het zo. Dit moest een inzetting blijven voor het volk Israël.

Dan komt de opvolging van Mozes. Ook Mozes zal het beloofde land niet bin­nentrekken. Hij wist daarvan. God had het zelf gezegd. Al heel vroeg in de woestijnreis ging het mis. God had gezegd: Spreek tot de rots om het water tevoorschijn te doen komen. Maar hij sloeg erop. Er kwam wel water. Maar het was tegen de wil van God. Het wordt hier nog eens herhaald. God had zich willen heiligen voor zijn morrende volk. Hoe, dat weten we niet precies. Maar het wordt geen routine om, als het volk mort om water, dan maar tegen de rots te slaan. We hebben te maken met een heilig God. God herhaalt het hier nog eens. Dat is de reden dat Mozes het land niet mag binnen gaan. Hij mag vanaf de berg het land zien, maar mag er niet binnengaan. Wat een verdriet. Wat een teleurstelling. Zou Mozes er ooit mee klaar gekomen zijn? Zo’n weerbarstig volk al die jaren leiden en zo geroepen te zijn tot dit werk. En dan het eind­doel op een haar na niet bereiken. Het is wel weer een teken, dat we te maken hebben met een heilig God. Dat komen we de hele Bijbel door tegen.

God kiest zich een opvolger. Dat wordt Jozua. Dat was ook wel te verwachten. Het waren Jozua en Kaleb, die als verspieders wel het geweldige zagen van het beloofde land. Die niet bang waren voor de reuzen en de onmogelijkheid om het in te nemen. Zij mogen het land beërven. En Jozua wordt de leider van het volk. Alle andere mannen van twintig jaar en ouder waren in de veertig jaar dat ze door de woestijn trokken, gestorven. Nu pas konden ze het land intrekken. Ze moesten wel veertig jaar rondtrekken zodat die generatie hele­maal was uitgestorven. Het is wel bijzonder. De oudste man die dus nu leefde was niet ouder dan zestig jaar. Er waren dus geen oude mannen. Die waren allemaal gestorven met Mozes als laatste. Dat betekent dat er krachtige man­nen waren die ook wel de strijd aandurfden en aankonden met de vijand aan de overzijde van de Jordaan.

Jozua wordt ten aanschouwen van heel het volk als leider aangesteld. Hij wordt voor de priester Eleazar geleid, gezegend en ingewijd. Het volk heeft een nieuwe leider. Een leider met visie. Een leider met moed. Lees het boek Jozua. De strijd kan beginnen. Alles wordt in gereedheid gebracht. Glorie voor de naam van God. Wij mogen leven onder de genade en de zegen van een heilige God. We moeten heel dicht bij Hem blijven schuilen. Hij beschermt ons. Hij is altijd bij ons. Pas op, laat je niet verleiden om van Hem weg te lopen. Want dan kom je gegarandeerd verkeerd uit. Dat zien we door de hele Bijbel heen. Glorie voor zijn naam. Lees je bijbel, bid elke dag, opdat je groe­ien mag.

Numeri 28:1-31

21 januari [2]

28:3

Dit is het vuuroffer, dat gij de HERE brengen zult: twee gave éénjarige schapen per dag als dagelijks brandoffer;

28:4

het ene schaap zult gij des morgens bereiden, het andere schaap zult gij in de avondschemering bereiden.

28:5

Daarbij een tiende efa fijn meel tot een spijsoffer, aangemaakt met een vierde hin gestoten olie.

28:7

pleng een plengoffer van bedwelmde drank in het heiligdom voor de HERE.

28:8

een vuuroffer van liefelijke reuk voor de HERE.

28:10

op elke sabbat boven het dagelijks brandoffer…

28:11

En bij het begin uwer maanden… twee jonge stieren, één ram, zeven gave éénjarige schapen;…

28:15

En één geitenbok zal tot een zondoffer voor de HERE bereid worden…

28:16

En in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zal het Pascha voor de HERE zijn.

28:17

Op de vijftiende dag dier maand zal er een feest zijn; zeven dagen lang zullen ongezuurde broden worden gegeten.

28:18

Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst zijn, gij zult generlei slaafse arbeid verrichten.

28:22

Voorts één bok als zondoffer om over u verzoening te doen;…

28:25

En op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben,…

28:26

En op de dag der eerstelingen… op uw feest der weken,…

28:30

om over u verzoening te doen.

Het zal de HERE een liefelijke reuk zijn. Elke dag opnieuw. In de morgen en ook bij het afsluiten van de dag. Het is een vuuroffer, een liefelijke reuk voor de HERE. We hebben te maken met een liefelijke God. Hij neemt ons bij de hand. Hem zullen we dan ook eren. En we offeren Hem een liefelijke reuk. Ruik toch eens! Ook vanmorgen komt de liefelijke geur van de HERE weer vanuit zijn heiligdom naar ons toe. Het is fantastisch om zo de dag te begin­nen. We brengen onze lofoffers elke dag aan de HERE. Dat is toch geweldig om de dag mee te beginnen? Dat is geen knellend gebod, maar dat is grote vreugde. Wat een voorrecht om elke dag opnieuw in het heiligdom tot Hem te naderen om de dag met Hem te beginnen. Want er kan alleen maar zegen van Hem uitgaan. Grote vreugde.

De omstandigheden kunnen zwaar zijn. Hoe was het niet met het volk. Ze la­gen voor de Jordaan. De vijand lag, tot de tanden gewapend, aan de overkant te wachten op de strijd. En daar moesten zij naar toe. Door de Jordaan. Grote obstakels overal op de weg. Maar de HERE baant hun een weg. Een weg van strijd. Maar een weg van overwinning naar overwinning. Dat kan niet zonder het dagelijkse vuuroffer. Dat kan niet zonder de verzoening van onze schuld. Elke eerste van de maand geurde dat met extra lofoffers boven het dagelijkse offer. Alsof het niet op kan. En dan de bok als verzoening.

Het Pascha komt daar nog weer bovenop. De herdenking van de grote bevrij­ding uit het diensthuis Egypte, door de machtige hand van God. Het wordt een feest van zeven dagen. Een feest met een heilige en plechtige samenkomst. Je kunt zo’n grote dag van God ook niet zo maar laten voorbij gaan. Daar moeten we een groot en heilig feest van maken. Ook nu weer de bok ter verzoening. Want er moet ontzettend veel verzoend worden. Wat teistert de zonde, de dui­vel, dit leven op aarde. Daar moet een einde aan komen. We kunnen alleen maar verder als er verzoening is. En de verzoening door het bloed van de die­ren. Toen, maar nu door het bloed van Messias Jezus. Dat is toch geweldig. God gaf zijn eigen Zoon. Hij alleen kon de ware verzoening tot stand brengen. Het is elke dag feest als we onze lofoffers tot een liefelijke reuk voor Hem brengen. Prijs de Heer.

Wat is het toch een prachtig bouwwerk, waarop de Heer ons leven bouwt. Hij leidt de weg. Hij geeft de route aan. Hij houdt ons in zijn bescherming. We mogen het elke morgen zelf ruiken door het offer aan Hem. Leef dan elke dag, wat er ook voor omstandigheden zijn, in het verlangen om dicht bij die God te zijn en te blijven. Hij geeft je de kracht vast en zeker. Hij leidt ook ons uit de duisternis naar het ruime leven met Hem. Glorie voor zijn Naam.

Numeri 29:1-40

22 januari [2]

29:1

En in de zevende maand, op de eerste dag der maand, zult gij een heilige samenkomst hebben,… het zal een jubeldag voor u zijn.

29:5

om over u verzoening te doen,…

29:7

Op de tiende dag dezer zevende maand zult gij een heilige samenkomst hebben en u verootmoedigen,…

29:12

En op de vijftiende dag der zevende maand… dan zult gij zeven dagen feest vieren voor de HERE.

29:13

dertien jonge stieren,…

29:17

Op de tweede dag twaalf jonge stieren,…

29:32

Op de zevende dag zeven stieren,…

29:35

Op de achtste dag zult gij een feestelijke vergadering hebben,…

29:39

Dit zult gij voor de HERE op uw feesten bereiden…

Wat een feest. Wat een offers. Het is allemaal tot eer en lof en dank aan God. Het is een liefelijke reuk voor de HERE. Het is aan Hem gewijd. Hem komt ook alle dank toe. Het gaat om de zegen, die we van de HERE ontvangen. Hij toch leidt ons leven. Hij toch leidt het volk door de woestijn. Gaan ze met Hem, dan komen ze goed uit. Gaan ze op eigen wegen, dan gaat het verkeerd. Niet dat God dat wil, maar ze zijn ongehoorzaam. Ze zijn weerspannig. Dat zien we ook telkens weer in de Bijbel. Maar met God gaan we goed. Daarom geeft Hij al deze voorschriften. En bij de feesten worden die extra offers gege­ven. Hoe meer, hoe mooier. Het is een grote vreugde. Het is almaar blijd­schap. Het is blijdschap in verzoening. Wat een zegen. We denken vaak, dat we onder de zonden gebukt moeten gaan. Dat is ook zo. Maar in het offer, de verzoening ligt de redding. Daarom kunnen we met opgeheven hoofd voort en met grote kracht verder om God te loven en te prijzen.

Als we afgeweken zijn, dan is ons offer ook niet veel waard. Dan is het maar een armetierig gedoe. Maar als we het weer zien zitten, dan belijden we onze zonden en dan haasten we ons om de HERE offers te brengen. Daar zijn de Levieten voor. Daar is de eredienst voor. Daar zoeken we elkaar om de HERE te loven en te prijzen. Daar is het vreugde. Daar is het goed toeven. Daar is het een liefelijke reuk voor de HERE. Glorie voor zijn Naam. Wat is het toch ge­weldig om op elke bladzijde van de Bijbel bemoedigd te worden door Gods woord. Dat wil je alle mensen wel in bazuinen. Heerlijk voor zijn Naam. Dank U, HERE God, dat U ons Uw boek geeft vol met aanmoedigingen om U offers te brengen met een liefelijke reuk. Wat ruikt het hier lekker. Dank U, HERE.

Numeri 30:1-16

23 januari [2]

30:2

dan zal hij zijn woord niet schenden;…

30:5

en de HERE zal het haar vergeven, want haar vader heeft haar weerstaan.

30:8

die zij door een onbezonnen uitspraak op zich genomen heeft, ongeldig gemaakt; en de HERE zal het haar vergeven.

30:12

haar man heeft ze ongeldig gemaakt…

Hoe zit het met de geloften? Heel eenvoudig. Als een man een gelofte doet, dan is hij daaraan gehouden. Een man een man, een woord een woord. Daar is geen speld tussen te krijgen. Daar moeten we met elkaar op kunnen rekenen. Prijs de Heer. Dat is woord tegen woord. Dat kan geschreven en ongeschreven zijn. Een mondelinge afspraak geldt tot vandaag als een geldende overeen­komst. Zeker als het tussen getuigen is gehoord en vastgelegd. We moeten er met elkaar van op aan kunnen, dat, wat we tegen elkaar zeggen, ook zal wor­den uitgevoerd Als we daar niet meer van uit kunnen gaan, dan wordt het een grote chaos. We zien in landen, waar dit principe niet is ontwikkeld, dat de hele boel ook constant spaak loopt, niet opschiet, grote problemen ontstaan en wat dies meer is.

Is de vrouw of de dochter in huis en doet die een gelofte en de vader of de man gaat daar niet tegen in, dan is hij ook mede verplicht om deze tot uitvoer te brengen. Maar heeft hij het tegengesproken, ondanks dat de vrouw of de dochter de gelofte heeft gedaan, dan geldt de gelofte niet meer. Dan is hij er niet aan gebonden. Dit is een algemene regel. Ieder weet daarvan en iedereen kent ook de consequenties. Heeft de man de vrouw of de dochter wel weer­staan, dan geldt het allemaal niet meer. Zo zien we dat de vrouw beschermd is door de man. Als de man in wijsheid beslist, dat het niet kan, dan redt hij zijn vrouw. En de HERE zal het haar niet aanrekenen. Wat een mooie gedachte. God is een God van orde en bescherming voor de vrouw. De man is daartoe de eerst geroepene. Hij weet wat goed voor hem en zijn vrouw is. Dan moet hij daar ook naar handelen. Dat is de nauwgezetheid waarmee de HERE God de onderlinge verhoudingen geregeld wil zien. Dat geldt ook voor vandaag. Hoe beter we weten hoe we met elkaar omgaan, hoe gemakkelijker het is om nieuwe wegen in te slaan. Dat is prachtig.

In het leven met de HERE is orde en geborgenheid en veiligheid. Dan kunnen we weer verder. Dan gaan we de goede kant op. Dan zijn we op mars naar het eeuwige leven. Wat willen we nog meer? Dank U, Here Jezus, voor zoveel liefde en zorgvuldigheid, dat niemand hoeft achter te blijven.

Numeri 31:1-54

24 januari [2]

31:2

Neem voor de Israëlieten wraak op de Midianieten;…

31:7

en doodden allen die van het mannelijk geslacht waren.

31:8

ook Bileam, de zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.

31:15

Hebt gij allen die van het vrouwelijk geslacht zijn, laten leven?

31:16

dezen waren… aanleiding om trouwbreuk te plegen…

31:17

doodt al wat onder de jeugdigen van het mannelijk geslacht is; en ook alle vrouwen die gemeenschap met een man hebben gehad,…

31:24

En gij zult op de zevende dag uw klederen wassen, opdat gij rein wordt,…

31:41

En Mozes gaf de schatting, de heffing voor de HERE, aan de priester Eleazar, zoals de HERE Mozes geboden had.

31:47

En Mozes nam de helft, voor de Israëlieten bestemd,… en gaf die aan de Levieten,… zoals de HERE Mozes geboden had.

31:50

om voor het aangezicht des HEREN over onze zielen verzoening te doen.

Mozes gaat sterven. Hij heeft het land gezien. En toch, hij moet nog een ge­weldige afrekening regelen. De afrekening tegen de Midianieten. Dat waren de mensen, die het volk verleid hadden. Dat waren de lieden, die op advies van Bileam de mannen verleid hadden. Dat was een ramp geworden voor Is­raël. Daar was een grote plaag op gevolgd. Daar was heel wat bloed voor ge­vloeid. De HERE is dat niet vergeten. Die zonde is niet bestraft. De straf is in Israël neergedaald. Pas als zij zich bekeren en de vrouwen doden en wegdoen, dan stopt de plaag, maar er waren wel eerst duizenden gestorven. De HERE duldt geen afgoderij, Hij duldt geen hoererij. Hij duldt geen gemarchandeer met dat wat heilig is. Hij duldt geen gesjoemel met de seks. We zijn totaal verkeerd bezig. Als we daar eenmaal de remmen los gooien, dan gaat het ver­keerd. Dan is het afgelopen.

Nu vlak voordat Mozes gaat sterven, moet Mozes nog afrekening houden met de Midianieten. Ze nemen uit elke stam duizend man om een leger te maken en ze gaan de strijd aan. Ze vernietigen heel Midian. Elke man wordt gedood. De vrouwen en de kinderen worden meegenomen. Maar als ze dan voor Mo­zes verschijnen, slaat de schrik hem om het hart. Nu zijn al die vrouwen, die hen verleid hadden, in het kamp. Levensgevaarlijk. Weg met deze vrouwen. Die mogen ook niet blijven leven. Dan worden alle vrouwen die gemeenschap hebben gehad met een man gedood. De rest mag blijven leven, evenals de jongetjes. Daarna wordt de buit verdeeld. Dat gaat ook heel speciaal. Aan de Levieten wordt gedeeld en aan de HERE. Er is een grote buit. Het is onvoor­stelbaar. Ze hebben wel goed huisgehouden. Alles is meegenomen. Dan geven de oversten van het leger ook nog al het goud, dat ze gevonden hebben. De Midianieten bestaan niet meer en de buit is enorm.

Je ziet: God wil schoon schip maken. Niets mag er overblijven. Weg met de zonde in het leger. Weg met de verleiding. God helpt om de boel te zuiveren. Dat geldt ook vandaag. Als je een scheve seksschaats gereden hebt, dan stop je daar ogenblikkelijk mee. Dan ga je niet verder, maar dan bekeer je je. Je kunt je beter nu bekeren, dan ten onder te gaan aan de seksdemon en het oor­deel van God over je heen halen. Want hoe vaak staat hoererij niet als eerste in het rijtje van de vruchten van het vlees in het Nieuwe Testament. En de les is dat wie dergelijke dingen bedrijven, het koninkrijk Gods niet zullen beër­ven. Dat is een logische zaak, want hoe kunnen we God onder de ogen komen, als we met zijn basisgeboden een loopje nemen? Dan doen we het toch zelf! Dan moeten we ook niet zeuren als het oordeel over ons en de onzen komt. Dat hoeft niet alleen letterlijk seks te zijn. Want Jezus zegt: wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die pleegt reeds echtbreuk. En God kijkt het hart aan. Dat is duidelijke en scherpe taal. Dat geldt voor boek en blad, buis en radio en internet. Als we ontdekken, dat de helft van de bijbelgetrouw opge­voede jongelui met elkaar naar bed gaan, wat willen we dan! En als mannen binnen en buiten de kerk net zo veel naar onreinheid kijken, wat willen we dan! Dan moeten we schoon schip maken, voordat schoon schip met ons gemaakt wordt. Zo simpel is dat.

Numeri 32:1-42

25 januari [2]

32:1

De Rubenieten nu hadden veel vee en de Gadieten geweldig veel,…

32:5

laat dan dit land aan uw knechten als bezitting worden gegeven; doe ons niet over de Jordaan trekken.

32:13

Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël, zodat Hij hen veertig jaren in de woestijn liet omzwerven, totdat het gehele geslacht dat kwaad gedaan had in de ogen des HEREN, zijn einde gevonden had.

32:17

maar wijzelf zullen ons toerusten, ons voortspoedende in de voorhoede der Israëlieten, totdat wij hen op hun plaats gebracht hebben;…

32:22

dan zult gij vrijstaan tegenover de HERE en tegenover Israël,…

32:33

Toen gaf Mozes aan hen, aan de Gadieten, de Rubenieten en de halve stam van Manasse,…

Ze hebben heel veel vee. Waarschijnlijk meer dan de andere stammen. Ze zien dat het goede weidegronden zijn. Ze gaan naar Mozes en vragen of zij hier mogen blijven en niet over de Jordaan trekken. Daar schrikt Mozes van. Hij denkt terug aan de twaalf verspieders. Dat is ook niet goed afgelopen. De tien die het niet zagen zitten, hebben het volk afkerig gemaakt om naar het land Kanaän te trekken; alleen Kaleb en Jozua waren vol vertrouwen op God. Maar het volk was niet vooruit te branden . De straf is ook niet uitgebleven. Ze moesten voor straf veertig jaar, ja, let wel, veertig jaar in de woestijn ronddo­len. Dat is een straf! Terwijl je er eigenlijk al bent, moet je almaar in de rond­te. Want je moet de vuurkolom volgen. Gaat de wolkkolom, dan ga jij. Je gaat de richting, die de wolkkolom gaat. Verplaatst de wolkkolom zich niet, dan ga jij ook niet. Duidelijker kan het niet. Zou het volk nou nooit eens gedacht heb­ben: hoe kan het, dat we zo lang in de woestijn moeten blijven zitten? En hoe vaak hebben ze moeten opbreken. Dat was ook geen pretje Je was steeds onderhevig aan ontberingen. Vreselijk.

Mozes herinnert hen uitgebreid aan de straf. Hij weet wat hem ook zelf is overkomen. Ook hij mag het beloofde land niet in. Dat was al eerder bepaald. We hebben te maken met een heilig God. Ga daar niet mee om of het een spel­letje is. Wat willen jullie nu? Jullie willen niet meetrekken. Dat gold toen en dat geldt nu ook. En nu hebben we de HERE Jezus. Hij gaf zijn leven voor zijn vrienden. Hij gaf zijn leven, omdat wij zelf de verzoening niet tot stand konden brengen. Als God dan zoveel liefde voor ons heeft, dan moeten wij toch wel alles doen om Hem te dienen. Wij worden niet gestraft, we zijn ge­straft. Omdat we niet in het licht wandelen. Dan moeten we het ook zelf maar weten. We hebben te maken met een jaloers God. Hij duldt de zonde niet. We hoeven ook niet te denken: het loopt zo’n vaart niet. We weten gewoon hoe God erover denkt. Bovendien alles is opgeschreven in de Bijbel, om ons tot een voorbeeld, tot een waarschuwing te zijn. Het is een leerboek en een les­boek.

En zo staan ze daar. Ze hebben heel veel vee en ze willen wel, dat Mozes hen dit Overjordaanse toewijst. Dan blijven ze hier en gaan niet over de Jordaan. Maar Mozes zegt: jullie moeten ook meegaan om het land te veroveren. Pas als jullie dat allemaal gedaan hebben, dan mogen jullie terugkeren. En zo wil­len ze het zelf ook. Het is geen lafheid dat ze hier willen blijven. Zij voelen zich onderdeel van heel het volk. Ze willen ook samen met de anderen vech­ten, om de vijand uit het beloofde land te verdrijven. Zo wordt het afgespro­ken. Het lijkt alsof Mozes de zaak niet vertrouwt. Hij weet ook dat hij binnen­kort zal sterven. En hij heeft al zoveel meegemaakt met dit volk, dat hij het wel een paar keer moet herhalen. Ook zet hij de stok achter de deur, dat als ze niet mee vechten, ze zelf de straf over zich heen halen. Maar ze beloven het nog eens. Hun vrouwen en hun kinderen mogen achterblijven en zij trekken ten strijde. Zo verdelen ze het Overjordaanse. De Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Ze bouwen hun steden. Ze versterken ze, want straks als zij strijden met hun broeders voor de bevrijding van Kanaän, dan moeten hun vrouwen en kinderen en hun vee wel veilig zijn.

Zo is de geschiedenis beschreven. Tot ons heil. Om met moed en vertrouwen op ons beloofde land af te gaan. Om niet stil te blijven staan bij de sterkte van de tegenstander. Door niet te marchanderen met de beloften van God. Het is zijn kracht, die ons voortstuwt. Het is zijn liefde, die ons omringt. Het is zijn plan, dat wordt uitgevoerd, om de wereld van recht en gerechtigheid weer te grondvesten zoals het bedoeld was.

Numeri 33:1-49

26 januari [2]

33:2

Mozes namelijk beschreef hun tochten van pleisterplaats tot pleisterplaats naar het bevel des HEREN; en dit zijn hun pleisterplaatsen en hun tochten.

33:3

daags na het Pascha trokken de Israëlieten uit door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren,

33:4

terwijl de Egyptenaren bezig waren degenen te begraven, die de HERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; de HERE toch had aan hun goden strafgerichten geoefend.

33:8

en gingen midden door de zee naar de woestijn,…

33:9

te Elim nu waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen;…

33:14

waar voor het volk geen water was om te drinken.

33:38

Toen beklom de priester Aäron de berg Hor naar het bevel des HEREN en hij stierf aldaar in het veertigste jaar na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte,…

33:48

en legerden zich in de velden van Moab bij de Jordaan tegenover Jericho;…

De HERE had aan Mozes bevolen om alles precies op te schrijven waar ze gebivakkeerd hadden. En zo wordt er een volledige opsomming gegeven van alle plaatsen waar ze gelegerd zijn geweest. Dat is een hele rij. Dat is telkens een hele toestand geweest om alles in te pakken en dit volk van tenminste een miljoen te verplaatsen. Dat ging allemaal in goede orde. Daar waren ook voor­schriften voor gegeven, hoe dat moest. En het sein om op te trekken werd door de HERE God zelf gegeven door de wolkkolom. Als die in beweging kwam dan was het zover. Wat een dichte nabijheid van de HERE God. Hij is zelf aanwezig. Hij geeft zelf aanwijzingen. Hij spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht. Dat is toch wel heel bijzonder.

Hij spreekt vandaag ook met ons van aangezicht tot aangezicht door zijn Woord en door zijn Geest. Daar moeten we heel zorgvuldig mee omgaan. Door zijn Woord spreekt Hij tot ons. We kunnen niet zeggen, dat de Bijbel ge­woon maar een boek is. Nee, het is het Woord van God. Het komt naar ons toe. Het is de openbaring van God. We moeten daarom iedereen aanmoedigen om de Bijbel te gaan lezen. Dat is de beste evangelisatiemethode. Heel veel mensen hebben een mening over de Bijbel, maar vaak hebben ze de Bijbel nog nooit gelezen. Dat moeten we niet nemen. We moeten hen erop wijzen en aan­spreken dat, als ze een menig hebben over een schrijver, dat ze dan zelf eerst het boek gelezen moeten hebben, alvorens ze hun mening spuien. We moeten het ook niet dulden, dat de mensen zo maar tekeergaan tegen het Woord van God. We laten ons veel te veel in de hoek dringen. We moeten net als Paulus doen en overal waar we komen het Woord van God doorgeven en prediken. Of ze het nu willen horen of niet.

De Israëlieten waren vertrokken uit het heidense land Egypte. Daar was heel wat aan vooraf gegaan. Want de Farao wilde ze niet laten gaan. Maar uiteinde­lijk, nadat de afgoden van Farao definitief waren te kijk gezet en alle eerstge­borenen begraven, toen trok het volk op met een opgegeven hand. Ze hadden het Pascha gevierd, staande, want de uittocht, de exodus ging beginnen. En daar gingen ze. Wat een uittocht. Dat was nog nooit eerder vertoond, dat zo’n groot volk optrok. We moeten ons daar een grootse voorstelling van maken. Ze gaan door de Schelfzee. Ze legeren zich in de woestijn. We kennen de ge­schiedenis. Geen water en toch water. En later weer geen water. En weer slaat Mozes op de rots. Maar nu zonder dat God het hem geboden heeft. Het volk zondigt en zondigt. Hoe is het mogelijk? Ze hadden eten en drinken elke dag. Hun kleding en schoeisel versleet niet en dan toch mopperen. Ze mogen het land niet binnengaan. En een tocht die in een paar weken voltooid had kunnen worden, duurde veertig jaar. Niemand die Egypte had verlaten, mocht het be­loofde land in. Dat is een straf. Dat is niet mis. Ze moeten nu veertig jaar in de woestijn rondzwerven.

Hoe moeten wij ons ook niet volledig onderwerpen aan de HERE God. Want zijn straf is rechtvaardig. Hij wil het leven, maar dan moeten wij niet voor de dood kiezen. Blijf heel dicht bij Hem, dan gaat het goed. Want de boze ligt op de loer, om je te verleiden en de andere kant op te trekken. En ja na veertig jaar sterft ook Aäron. Hij gaat de berg op en hij sterft daar. Ook hij mag het land niet binnengaan. Voor Mozes is er nog de toegift, dat hij een blik mag slaan op het land vanaf de berg Nebo, maar dan moet ook hij sterven. Tenslot­te komen ze aan bij de Jordaan tegenover Jericho. Daar legeren zij zich. Te­genover Jericho, de met een sterke muur omringde vesting. Wat moeten ze wel gedacht hebben. De schrik zal hen wel in de benen geslagen zijn. Nu ook nog na zo’n tocht vechten tegen zo’n onneembare vesting. Wat moet daar van worden?

God wil dat Hij gehoorzaamd wordt. Niet om je het leven moeilijk te maken, maar juist om je leven in zijn dienst te gebruiken met vreugde en blijdschap en eer. Wat een grote God. God weet de macht van de zonde. Hij weet hoe steeds weer de boze probeert ons van God af te treken. Daarom zegt hij het telkens ook zo zwart-wit. Daarom moeten wij ons ook inzetten om van het kwade weg te blijven. Dat vraagt volharding en discipline. Daar ontbreekt het ons nogal eens aan. Maar God wil ons helpen. Glorie voor zijn Naam.

Numeri 33:50-34:29

27 januari [2]

33:52

dan zult gij al de bewoners van het land voor uw aangezicht verdrijven en al hun beeldhouwwerk vernietigen; ook zult gij hun gegoten beelden vernietigen en al hun hoogten verwoesten.

33:54

waarop voor hen het lot valt, dat zal ieders eigendom zijn;…

33:55

Maar indien gij de bewoners van het land voor uw aangezicht niet verdrijft, dan zullen degenen die gij van hen over laat, tot dorens in uw ogen en tot prikkels in uw zijden zijn, en zij zullen u benauwen in het land, waarin gij woonachtig zijt.

33:56

Dan zal Ik met u doen, gelijk Ik gedacht had met hen te doen.

34:3

De zuidkant dan zal zijn van de woestijn Zin langs Edom, en uw zuidelijke grens zal zijn van het einde van de Zoutzee in het oosten.

34:4

Dan zal de grens zich ombuigen van het Zuiden naar de Schorpioenenpas en verder lopen tot Zin, en haar eindpunt zal van Kades-Barnéa zijn, en zij zal gaan naar Hazar-Addar en verder lopen tot Azmon.

34:5

Dan zal de grens zich van Azmon ombuigen naar de Beek van Egypte en haar eindpunt zal zijn bij de zee.

34:6

En uw westelijke grens zal zijn de grote zee en de kust; dit zal uw westelijke grens zijn.

34:7

En dit zal uw noordelijke grens zijn: van de grote zee af zult gij die trekken naar de berg Hor,

34:8

van de berg Hor zult gij die trekken tot de weg naar Hamath, en het eindpunt der grens zal bij Zedad zijn.

34:9

Dan gaat de grens naar Zifron en haar eindpunt zal zijn bij Hazar-Enan; dit zal uw noordelijke grens zijn.

34:10

En als de grens in het oosten zult gij een afbakening maken van Hazar-Enan naar Sefam.

34:11

En van Sefam zal de grens afdalen naar Ribla, ten oosten van Aïn; vervolgens zal de grens afdalen en langs de oever van de zee Kinnèreth lopen aan de oostzijde.

34:12

Dan zal de grens naar de Jordaan afdalen en haar eindpunt zal de Zoutzee zijn. Dit zal uw land zijn naar zijn grenzen rondom.

Het zal zo dadelijk gaan gebeuren. Mozes spreekt de laatste woorden aan de leiders van het volk. Hij heeft de woorden zelf van de HERE God gehoord. En dan is het waar. Wat God zegt dat gaat gebeuren. Ze moeten het land intrek­ken. De Jordaan over. Als ze dan in het land komen dan moeten ze de inwo­ners verdrijven en hun afgodsbeelden vernietigen en ook hun hoogten. Het moet radicaal en duidelijk gebeuren en volledig. Want God duldt niet dat er naast Hem nog goden zijn, die gediend worden. Dat wisten ze maar al te goed vanuit de Wet die de HERE op de Sinaï gegeven heeft. Hij kan het niet genoeg herhalen, want ze gaan steeds weer de fout in. Dus let op! Alles verdrijven en alles vernietigen. En doen jullie het niet, dan zal Ik doen met jullie wat Ik dacht met hen te doen. Dan zullen die vloeken jullie benauwen. Ze zullen jul­lie tot dorens en distels zijn. Je zult er blijvend last van hebben. Het zal dan heel moeilijk zijn om er van af te komen. Net zoals bij dorens en distels.

Dan geeft de HERE de grenzen aan. Hij doet dat zeer precies. Precies na te checken. Niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Kijk het maar na. Zet de landpa­len maar precies neer. Noord en zuid en oost en west. Het is allemaal heel precies omschreven. De plaatsen en de namen en de zee en de rivieren erbij. Daar kun je dus nooit een misverstand over hebben. Hij omschrijft het heel nauwkeurig. Want Hij weet dat zijn grote tegenstander er alles aan zal doen om roet in het eten te gooien. Het gaat hier om het door Hem uitverkoren volk. Uitverkoren om zijn plan van verlossing voor heel de wereld te volbrengen. Dat is een moeilijke taak. Dat zal een zwaar aangevallen taak zijn. Daarom moeten ze heel nauwkeurig zijn geboden houden, anders sluipt de boze in en vernietigt het plan.

Het land wordt dan ook zorgvuldig verdeeld. Het lot wordt geworpen en per stam wordt iemand aangewezen om de organisatie van de verdeling op zich te nemen. Twee en een halve stam hebben hun land al toegewezen gekregen in het Overjordaanse. Daar is ook de grens nauwkeurig van bepaald. En zo is het gegaan. Er is altijd strijd geweest om dat land en om de grenzen. Het is een tragiek vanuit een profetie. Het zal geschieden, maar het is aangevallen. Daar­om is het belangrijk om de geschiedenis te bestuderen en de feiten in het pers­pectief van de profetie en de roeping van land en volk van Israël en zijn profe­tische taak te zien. Daarom is het zo belangrijk om het Woord van God te le­zen. Daar kun je niet jong genoeg mee beginnen. Begin er mee en houdt het vol.

Numeri 35:1-34

28 januari [2]

35:2

Gebied de Israëlieten, dat zij van hun erfelijk bezit steden afstaan aan de Levieten om er te wonen;… ook zult gij aan de Levieten de weidegronden geven, die rondom de steden liggen.

35:6

het zullen de zes vrijsteden zijn, die gij zult aanwijzen, opdat daarheen de doodslager vluchte, en daarenboven zult gij tweeënveertig steden geven.

35:11

die onopzettelijk iemand gedood heeft.

35:12

voordat hij voor de vergadering heeft terechtgestaan.

35:21

of indien hij hem in vijandschap met zijn hand zo geslagen heeft, dat hij stierf, zal degene die gedood heeft, zeker gedood worden; hij is een doodslager; de bloedwreker zal de doodslager doden, als hij hem aantreft.

35:25

waar hij wonen zal tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.

35:30

maar één enkele getuige zal niet tegen iemand kunnen optreden in een halszaak.

35:33

Zo zult gij het land waarin gij woont, niet ontwijden, want bloed, dàt ontwijdt het land, en voor het land kan ten aanzien van het bloed dat daarin vergoten is, geen verzoening worden gedaan dan door het bloed van degene, die het vergoten heeft.

35:34

Verontreinigt dan het land niet, waarin gij woont, in welks midden Ik mijn woonstede heb, want Ik, de HERE, heb mijn woonstede in het midden der Israëlieten.

De Levieten waren afgezonderd voor de dienst van de HERE. Zij kregen geen deel toegedeeld. Maar elk van de stammen moest steden afstaan, waar de Le­vieten konden wonen. En ook land er omheen. Het werd allemaal heel nauw­keurig vastgelegd. God houdt ervan de dingen duidelijk te regelen. Dan kan er geen misverstand ontstaan. Dan weet iedereen waar hij aan toe is. Dat helpt om je te concentreren op de dingen waar het op aan komt. Dat moeten wij ook doen. De orde en de regels van God zijn duidelijk. Daar moeten wij ons ook aan houden. Heb je vragen, kijk dan maar hoe God het bedoeld heeft.

Over de vrijsteden wordt ook alles goed geregeld. Het gaat om plaatsen van de Levieten: zes steden, waar degene naar toe kan vluchten, die onopzettelijk iemand gedood heeft. Want op doodslag staat bloedschuld, en de bloedwreker mag de doodslager doden. Leven nemen wordt met leven gestraft. Dat weer­houdt iedereen om het leven van een ander te nemen. Doe je het wel dan kost dat ook jouw leven. Behalve in die gevallen waar iemand een ander onopzet­telijk heeft gedood. De doodslager vlucht dan naar de vrijsteden. Als is vast­gesteld, dat het inderdaad onopzettelijk is gebeurd, en wel door meer dan één getuige, dan moet de doodslager in de vrijstad blijven wonen, totdat de hoge­priester is gestorven. Dan mag hij terugkeren naar zijn geboortegrond. Maar als er sprake is geweest van opzet, van vijandschap of opzettelijke doodslag, dan is er geen pardon. Dan wordt de doodslager gedood. Want als er bloed vergoten is in het land, dan is het land ontwijdt. En er kan geen verzoening worden gedaan dan door degene die het vergoten heeft. En dat is de doodsla­ger. Dat is duidelijk. En God die onder zijn volk woont kan niet op ontwijde grond wonen.

We denken dan meteen aan onze HERE Jezus. Hij gaf zijn leven voor onze zonden. Hij deed verzoening over onze zonden. De straf die op ons lag, nam Hij op zich. Want over onze zonden zouden wij verzoening moeten doen, maar dat was onmogelijk, want wij waren des doods schuldig. Hij deed ver­zoening voor onze zonden. Want waar schuld is, daar moet verzoening zijn. Wat een diepgang. Voor het Joodse denken was dat heel duidelijk. Zij hadden al deze wetten. Wat verzoening betekende, was voor hen heel duidelijk. Het gaat om leven en dood. Wij staan schuldig. Wij vallen onder het oordeel. Dus wij moeten sterven. Voor ons is er geen pardon. Dan komt God en stuurt zijn Zoon om onze zonden op zich te nemen. Hij wil in onze plaats gaan staan! Dank U, HERE, voor die grote liefde. Want wie heeft grotere liefde dan hij die zijn leven inzet voor zijn vrienden? Dank U, HERE.

Numeri 36:1-13

29 januari [2]

36:2

en door de HERE is aan mijn heer geboden het erfdeel van onze broeder Zelafead aan zijn dochters te geven.

36:3

en bij het erfdeel van de stam gevoegd, waartoe zij dan zouden behoren,…

36:5

De stam der zonen van Jozef heeft gelijk.

36:6

Zij mogen huwen met wie haar wenst, mits zij huwen binnen het geslacht van de stam haars vaders.

36:9

maar de Israëlieten zullen vasthouden, ieder aan zijn eigen erfdeel.

36:12

Dit zijn de geboden en verordeningen, die de HERE door de dienst van Mozes aan de Israëlieten geboden heeft in de velden van Moab bij de Jordaan tegenover Jericho.

Ja, dat is een probleem. Het land wordt verdeeld over de stammen. En dat blijft een altijd durende inzetting. Maar wat moet er nu gebeuren als een vader alleen maar dochters heeft? Als zo’n dochter iemand trouwt van een andere stam? Dan gaat het land over op een andere stam en dat kan niet. Dat geeft al­leen maar verwarring. Wat moet er gebeuren? Maar de HERE had het allang bedacht. Ze mogen trouwen, maar ze moeten trouwen met iemand van hun eigen stam. Dan blijft het eigendom en de grond binnen de stam. En zo is het gebeurd. God is een God van orde. Hij wil niet dat er onduidelijkheden blij­ven. Alles is tot in de puntjes geregeld. En dat is al 36 hoofdstukken lang zo gegaan. Wat een gedetailleerd overzicht van alles en nog wat. God kan er niet genoeg over zeggen. Niet om alles dat je kan overkomen van te voren vast te leggen, maar om in ieder geval geen onduidelijkheid te laten bestaan over hoe de kinderen van het volk moeten leven. Daar zijn de universele geboden van God goed voor. Pas ze maar toe en je zult zien dat het werkt. Het omsluit het hele leven. Het gaat erom dat, als we deze geboden en verordeningen houden, het goed gaat met ons en de mensen om ons heen en met ons land. Aan het houden van deze geboden is zegen verbonden. Het werkt als je het toepast. Dat is een heerlijke geruststellende gedachte. Dat wil toch iedereen. Maar als je het niet toepast, dan zien de gevolgen ook in de Bijbel beschreven. Want als het volk in zonde valt, dan is de ellende niet te overzien.

Dus Gods geboden zijn als het ware veiligheidshekken waarachter we veilig zijn. Mits we er natuurlijk niet overheen klimmen. Buiten deze hekken is het gevaarlijk en kunnen we verdrinken in allerlei opvattingen en leringen waar we ons verre van moeten houden. Daarom is het zo belangrijk dat we vanuit dit uitverkoren volk gaan ontdekken wie de Messias is. Hij kwam om de wet te vervullen. Hij verzoende de zonden van de wereld. Hij roept ons op om ons te bekeren; geen ander goden voor ons aangezicht te hebben. Want anders gaat het verkeerd. Kijk zelf maar de Bijbel door om te zien, dat het helemaal waar is. Gods geboden zijn goed voor alle mensen. Als je het doet ontvang je er zegen van. De ontdekkingsreis om de kant van God te kiezen, is een geweldige ontdekking, waar je almaar enthousiaster van wordt.