Psalm 1:1-6

15 april [1]

1:1

Welzalig de man, die niet wandelt
in de raad der goddelozen,
die niet staat op de weg der zondaars,
noch zit in de kring der spotters;

1:2

maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft,
en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.

1:3

Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
welks loof niet verwelkt;
– al wat hij onderneemt, gelukt,

1:4

Niet alzo de goddelozen:
die toch zijn als kaf dat de wind verstrooit.

1:5

Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht,
noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen,

1:6

Want de HERE kent de weg der rechtvaardigen,
maar de weg der goddelozen vergaat.

Echt een psalm om helemaal uit te werken. Een psalm om uit je hoofd te leren. Het gaat om het houden de wet van de HERE. Daar vaar je wel bij. Je moet je afzonderen van de goddeloze die aan God noch gebod doet. Bij God ben je als een boom geplant aan waterstromen, met vrucht en loof. Geen verwelken, maar almaar bloeien en ondernemen en gelukken. Daar gaat het om. Dat is prachtig. Wie wil dat niet?

Goddelozen houden geen stand. Zij vergaan. Zij zijn niet voor de eeuwigheid, niet voor het paradijs. Wat ze doen, kan wel heel wat lijken. Ze hebben vaak een grote mond. Maar ze zullen vergaan. Ze zijn er niet meer. Als kaf voor de wind. Dat klinkt vernederend voor de goddelozen. En dat is het ook. Maar dat is niet het doel van deze psalm, het is een oproep om de weg van de onrecht­vaardigheid te verlaten en God te volgen. Het is nooit discriminerend bedoeld, maar een oproep. Als je het discriminerend vindt, dan bekijk je het vanuit je goddeloosheid. Dan kun je er hevig tegen tekeergaan. Dat gebeurt ook. Het onrecht viert hoogtij. En iedereen die zich er tegen verzet, die weg van de HERE wil gaan, die krijgt de wind van voren. Maar zo is het niet. Het is God die de mens schiep. Hij wil redden. Hij wil mensen als bomen die vrucht dra­gen, die ondernemen en bij wie dingen gelukken. Dat geldt voor alle terreinen van de samenleving. Het gaat om het herstel van de samenleving. Dat heeft met alle aspecten van het leven te maken. Dat bouwt een samenleving op. Daar kan ieder tot zijn recht komen.

Vanuit de verbrokenheid wil God een nieuwe weg banen. De weg van recht en gerechtigheid. Daarom kwam Messias Jezus om de verzoening tot stand te brengen. De ene weg! Dáár hebben we wat aan. Dáár kunnen we mee verder. Daardoor kunnen we ook onderscheiden waar het op aankomt. Blijf bij Jezus. Blijf bij het Woord. Weet je het niet meer? Vraag het Jezus. Weet je het niet? Blijf lezen en studeren in het Woord van God. Blijf bidden om wijsheid en Hij zal je die geven. Probeer het maar. Echt doen. Het werkt omdat Hij het zegt. Leer Psalm 1 uit je hoofd.

Psalm 2:1-12

16 april [1]

2:1

Waarom woelen de volken
en zinnen de natiën op ijdelheid?

2:2

De koningen der aarde scharen zich in slagorde
en de machthebbers spannen samen
tegen de HERE en zijn gezalfde:

2:3

Laat ons hun banden verscheuren
en hun touwen van ons werpen!

2:4

Die in de hemel zetelt, lacht;
de HERE spot met hen.

2:5

Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn,
en verschrikt hen in zijn gramschap:

2:6

Ik heb immers mijn koning gesteld
over Sion, mijn heilige berg.

2:7

Ik wil gewagen van het besluit des HEREN:
Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij;
Ik heb u heden verwekt.

2:8

Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel,
de einden der aarde tot uw bezit.

2:9

Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots,
hen stukslaan als pottenbakkerswerk.

2:10

Nu dan, gij koningen, weest verstandig,
laat u gezeggen, gij richters der aarde.

2:11

Dient de HERE met vreze
en verheugt u met beving.

2:12

Kust de zoon, opdat hij niet toorne
en gij onderweg niet te gronde gaat,
want zeer licht ontbrandt zijn toorn.
Welzalig allen die bij Hem schuilen!

‘De messiaanse koning’ is in de NBG-vertaling boven deze psalm gezet. Het gaat erom dat de wereld wel tekeer kan gaan, maar dat de HERE regeert. De machtigen der aarde denken dat zij het recht en de macht zelf in hun hand heb­ben. Maar de HERE lacht. Wat is dat gekrioel van die koningen toch klein in zijn ogen. Zij denken zonder God te kunnen rekenen en zijn kinderen te kun­nen aanpakken en vervolgen. Maar de werkelijkheid is dat God regeert. Hij heeft alles in de hand. De aarde is zijn schepping. Hij weet dat de zonde in de wereld gekomen is en dat de duivel probeert zoveel mogelijk duisternis en dood te bewerkstelligen. Maar als God optreedt dan is het afgelopen. Dan zijn de goddelozen als kaf in de wind. Zoals in Psalm 1 staat. Het gaat om het her­stel van alle dingen. Het gaat om zijn heilige berg. Daar woont Hij en daar blijft Hij wonen. Daar zal zijn rijk van recht en gerechtigheid gegrondvest worden. Van nu aan tot in eeuwigheid. Prijst de HERE.

Wij moeten van de Zoon van God spreken. Wij moeten proclameren. Wij moeten niet zwijgen. Wij moeten zeggen dat er redding is bij Jezus. Er is een veilige haven uit de woelige wereld met goddeloze machthebbers. Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. De aankondiging van de Messias in Psalm 2. Dat is een wonder. Alles is gericht op de komst en de regering van de Vrede­vorst. Heerlijk. Wat een vooruitzicht. Wat een zegen.

Het kan wel lijken of de machthebbers van de aarde niet te verslaan zijn, maar deze psalm zegt: Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. Nou dat aardewerk is niet zo sterk. Dat gaat snel stuk. Dus we moeten door het gebral van de wereldmachten heen kijken. We moe­ten ons niet in de luren laten leggen. Hij regeert. Hij heeft alle macht. Hij vol­voert zijn plan. Hij herstelt alles. Dus het is het beste dat de koningen der aar­de zich tot God richten. Dat ze zich door Hem laten gezeggen. Want anders komt het niet goed.

Dient de HERE met vreze en verheugt u met beving. We hebben te maken met een heilig God. We moeten Hem aanbidden. We moeten Hem gehoorzamen. Want Hij laat niet met zich spotten. Hij wil ons alles geven maar we moeten er geen loopje mee nemen. Prijst de HERE. Welzalig allen die bij Hem schuilen! Met een uitroepteken – want daar komt het op neer. Het kan stormen. Het kan tekeergaan. Maar we moeten bij Hem schuilen. We moeten bij Hem blijven. We moeten het van Hem verwachten. Het kan dan lijken of we naar de mens gesproken aan de verliezende hand zijn, maar vanuit God gesproken zijn we aan de winnende hand. Het kan niet stuk. Doe mee. De uitnodiging klinkt. Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven, want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Heerlijk toch. Wat wil je nog meer?

Psalm 3:1-9

17 april [1]

3:1

Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.

3:2

O HERE, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders;
velen staan tegen mij op;

3:3

velen zeggen van mij:
Hij vindt geen hulp bij God.

3:4

Maar Gij, HERE, zijt een schild dat mij dekt,
mijn eer, en die mijn hoofd opheft.

3:5

Als ik luide roep tot de HERE,
antwoordt Hij mij van zijn heilige berg.

3:6

Ik legde mij neder en sliep;
ik ontwaakte, want de HERE schraagt mij.

3:7

Ik vrees niet voor tienduizenden van volk,
die zich rondom tegen mij stellen.

3:8

Sta op, HERE, verlos mij, mijn God!
Ja, Gij hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen,
en de tanden der goddelozen verbrijzeld.

3:9

De verlossing is van de HERE,
uw zegen zij over uw volk.

Je zult maar voor je zoon moeten vluchten. Je zult maar de koning zijn en je zoon rebelleert tegen je en een hele boel mensen lopen achter hem aan. Dan moet jij vluchten en dan word je onderweg ook nog uitgescholden door Simeï. Lees de geschiedenis maar eens na. Wat een tragische toestand. Koning Da­vid, de machtige koning, wordt door een rebellerende zoon de stad uitgejaagd, Zo zie je maar hoe het allemaal kan verlopen. Je vraagt je af waarom moet het allemaal gebeuren? Zou het nog iets te maken hebben met Bathseba. Zou het ermee te maken hebben dat David zijn kinderen niet recht toe recht aan opge­voed heeft. Heeft het te maken met Tamar. David heeft dat ook onder de dek­mantel gehouden. Hij wist ervan, maar heeft de schande verborgen. Daar moe­ten we goed op letten. Hoe heeft het zo ver kunnen komen met Absalom? Hoe heeft hij het aangedurfd om te rebelleren tegen zijn vader? Daar moeten we eens goed over nadenken.

We moeten dan ook over onszelf nadenken. Hoe gaan wij met onze kinderen om? Laten we het ook maar een beetje sudderen. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met je kinderen van de Here Jezus te vertellen. Ze moeten zo vroeg mogelijk zien waar ze vandaan komen. Dat ze van God zijn, dat is heel be­langrijk. Al dat geleuter dat kinderen het niet begrijpen slaat nergens op. Zij hebben een vader en wij hebben een Vader die in de hemel is. Dus het begrip vader begrijpen ze heel goed. We moeten met de opvoeding weer van de basis af beginnen. We zijn heel veel van het elan van het begin kwijt geraakt.

David blijft vertrouwen op God. Hij schuilt bij Hem. God is een schild in de gevaren. De HERE antwoordt altijd als je luid roept. Je hoeft niet te vrezen voor tienduizenden. Er kan een geweldige overmacht zijn, maar God is toch sterker. Roep tot God om op te treden. De HERE verbrijzelt de vijanden. De verlossing is van de HERE, uw zegen is over uw volk. Daar gaat het om. De verlossing is van de HERE. Bij Hem kunnen we altijd schuilen. In alle nood. Hij is altijd sterker. Hij zal je altijd beschermen. Zijn zegen is altijd over ons. Ook al lijkt het er naar de omstandigheden niet altijd naar. De HERE is groot.

Psalm 4:1-9

18 april [1]

4:2

die mij ruimte maakt in mijn benauwdheid;
wees mij genadig en hoor mijn gebed.

4:4

de HERE hoort, als ik tot Hem roep.

4:5

Weest toornig, maar zondig niet;
spreekt in uw hart op uw leger, en zwijgt.

4:9

In vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen,
want Gij alleen, o HERE, doet mij veilig wonen.

Een avondlied staat er in de NBG-vertaling boven. Voor mij is het een psalm voor elk uur van de dag. Je kunt het benauwd hebben, maar God geeft ruimte. Hij verheft je boven de omstandigheden uit. Wees mij genadig en hoor mijn gebed. Blijf maar dicht bij Jezus schuilen. Dat valt niet mee als de vijand op de loer ligt, maar toch is het de veiligste plaats. Waar moet je anders heen vluchten dan naar God?

De mensen om je heen proberen je in een kwaad daglicht te stellen. Ze doen alsof jij er niet toe doet. Maar het gaat erom dat jij het van God blijft verwach­ten. Want die mannen die jouw eer versmaden, die leven niet lang. Over hun lot is reeds besloten. Dus blijf bij de HERE. Ga er niet tegen tekeer. Wees toornig op je legerstede, maar laat het ze niet merken. Geef ze geen kans om tegen je tekeer te gaan. Vertrouw op de HERE. Je hebt meer vreugde in je hart bij de HERE, dan met alle rijkdom en oogst en alles wat de wereld je kan geven. Dat is de werkelijkheid waar we steeds aan vast moeten houden.

Daarom is het zo belangrijk dat we onze kinderen het vroeg vertellen en ze het inprenten. Het maakt dat ze de dingen zien, zoals ze werkelijk zijn. Vaak zien we dat niet zo, maar zien we eerst op de aardse dingen. Dat is ook vanzelfspre­kend, want dat is zoals we het met onze natuurlijke ogen zien. Daar hebben we mee te maken. Maar het geheim is dat we moeten zien vanuit God. Want Hij alleen doet mij rustig en veilig wonen. Daardoor kunnen we rustig slapen. Dag aan dag, keer op keer. Dat is het. O, HERE, help ons. Dank U wel.

Psalm 5:1-13

19 april [1]

5:3

Sla acht op mijn hulpgeroep, o mijn Koning en mijn God,…

5:4

HERE, des morgens hoort Gij mijn stem,
des morgens leg ik het U voor, en zie uit.

5:7

Gij richt te gronde de leugensprekers,
de HERE verafschuwt de man van bloed en bedrog.

5:9

HERE, leid mij door uw gerechtigheid
om mijner belagers wil;
effen uw weg voor mijn aangezicht.

5:11

Doe hen boeten, o God,
laat hen vallen door hun eigen overleggingen,…

5:12

Maar verheugen zullen zich allen die bij U schuilen,…

5:13

Want Gij zegent de rechtvaardige, o HERE,
Gij omgeeft hem met welbehagen als met een schild.

Ze kunnen wel tekeergaan, die leugensprekers, de mannen van bloed en be­drog. Kijk ze eens om zich heen slaan. Het lijkt wel of onze stemmen niet meer gehoord worden. Het is één en al leugen. Zo lijkt het wel als we om ons heen kijken. Het is verschrikkelijk. Het is één en al afval en zonde. Hoor HERE, hoor naar mijn stem. Ik roep U aan en ik weet dat U hoort. De dwazen houden geen stand voor uw ogen. Ik weet het HERE, want dat heeft U Zelf gezegd. Maar het lijkt erop dat ze een steeds grotere mond hebben. Nu drugs, dan abortus, daarna weer euthanasie, vervolgens weer het homohuwelijk. Het lijkt een race om alles wat U verboden heeft in wetten vast te leggen. Maar HERE God, U blaast erin. Het gaat om uw gerechtigheid. Het gaat om uw wet. U bent onze rechter, U bent onze wetgever. U bent onze koning en niemand anders. Dat wil ik uitroepen. Dat wil ik vasthouden. Daar wil ik over spreken. Zij zijn niet betrouwbaar. Zij spreken leugen en buigen het recht. Het is ver­schrikkelijk HERE. Maar U doet hen boeten. Ze zullen het weten. U blijft waar en waarachtig. U haat de zonde en doet de ongerechtigheid weg.

Maar verheugen zullen zich allen die bij U schuilen… daar Gij hen beschermt. Want Gij zegent de rechtvaardige, o HERE. Gij omgeeft hem met welbehagen als met een schild. En zo is het. Ga daar maar uit leven. Moet je doen. Daar­door kun je wel problemen krijgen met de ongerechtigheid en de afval en de verloedering. Maar God blijft je omringen met zijn liefde en bescherming en zijn schild. Daar ben je veilig. Echt waar.

Psalm 6:1-11

20 april [1]

6:2

O HERE, straf mij niet in uw toorn,
en kastijd mij niet in uw grimmigheid.

6:5

Keer weder, HERE, red mijn ziel,
verlos mij om uwer goedertierenheid wil.

6:8

Mijn oog is dof geworden van verdriet,
verzwakt door allen die mij benauwen.

6:10

de HERE heeft mijn smeking gehoord,
de HERE neemt mijn bede aan.

6:11

Al mijn vijanden zullen beschaamd staan,
ten zeerste verschrikt,
zij zullen in een oogwenk beschaamd afdeinzen.

David heeft het hier wel heel moeilijk. Hij is bang voor de toorn van God. Hij weet van zijn straffende hand. Verschrikkelijk. Hij weet van Gods liefde die je wil beschermen. Zijn Woord is de waarheid. Je moet geen spelletje met God spelen. Hij weet dat God alles ziet. Daarom is het zo belangrijk om dag en nacht in de gemeenschap met God te blijven. Anders gaat het niet goed. Dan kom je in de hand van de goddelozen. Dan heul je met de vijand. En dan komt het oordeel. Hier wordt David gepijnigd door verdriet en zorg om Gods oor­deel. We weten niet wat er aan de hand is, in welke situatie David zich hier bevind. Hij denkt dat hij sterven moet. Hij is er erg aan toe. Hij moet huilen en huilen. Hij heeft ontzettend veel verdriet. Maar hij roept tot de HERE. Wees mij genadig HERE, want ik kwijn weg.

Zou hij ernstig ziek zijn geweest. Dat kan, dat kan je ook zo afmatten. Wat is de mens. Hij roept tot God. Het zijn de bedrijvers van ongerechtigheid die David lastig vallen. Die het steeds maar op hem aanleggen. Hij weet zeker dat de HERE zijn wenen gehoord heeft. Hij gaat er op staan. Hij gaat staan op het Woord van God. Want wat God zegt, dat doet Hij ook. Hij hoort het hart dat schreiend tot Hem gaat. Hij laat geen bidder staan. Hij wil troost geven in de smart. Blijf maar dicht bij Jezus. Schuil maar bij Hem. Want Hij hoort. Hij is er altijd bij. Hij weet van het lijden van deze wereld. Hij weet van dood en ellende. Hij heeft zijn eigen leven gegeven om weer te herstellen, om de dood als laatste prikkel te overwinnen. Hij is het Leven en in Hem kunnen we met al ons verdriet leven.

De HERE heeft mijn smeking gehoord, de HERE neemt mijn bede aan. Weg zijn alle vijanden. Weg is alle aanval. Want Hij maakt je sterk. Zelf ben je zwak, maar Hij geeft je kracht. Soms tegen jezelf in. Het is immers ook zijn kracht. Wij ontvangen zijn kracht in onze zwakheid. Het is zo waar. Het is de werkelijkheid. We gaan er zo maar aan voorbij als we steeds maar blijven zit­ten bij onze eigen zwakheden, ons eigen verdriet, ons eigen willen. Wij kun­nen ons zelf niet verlossen. Hij is het die ons kracht geeft. Gelukkig maar. Hoe zouden we anders kunnen leven. Prijs de HERE.

Psalm 7:1-18

21 april [1]

7:2

HERE, mijn God, bij U schuil ik,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij,…

7:9

De HERE richt de volken.
Doe mij recht, HERE, naar mijn gerechtigheid,
en naar mijn onschuld, die bij mij is.

7:11

Mijn schild is bij God,
die de oprechten van hart verlost;…

7:15

Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd,
is zwanger van onheil en baart leugen.

7:16

Hij delft een kuil en graaft die uit,
maar valt zelf in de groeve die hij maakte.

7:18

Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid,
en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.

David heeft het benauwd. Maar hij blijft pleiten op de HERE God, want Hij is de rechtvaardige rechter. Hij kan bij Hem schuilen. Het gevaar kan groot zijn, maar bij de HERE ben je veilig. Hij is onschuldig, maar wordt beschuldigd. Hij gaat vrijuit, maar de vijanden proberen hem in hun eigen ongerechtigheid om te brengen. Maar David blijft zien op de rechte lijn tot God. God regeert. De vijanden kunnen tekeergaan. Maar wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in. Dat is een gezegde geworden in ons land en misschien ook wel in andere landen. Maar het is het woord van God. Pas op, onrechtvaardigen, want het oordeel komt. Als je je niet bekeert, dan komt het onheil onherroepe­lijk. God wil je vergeven. Hij wil je redden, maar verhard je je, dan haal je het oordeel zelf over je heen. Dat kan niet anders. Dat gaat gebeuren. En dat zie je ook voor je ogen. Want de werken van de duisternis nemen toe als de onrecht­vaardigen op de troon zitten. Het onheil dat ze stichten komt op hun eigen hoofd terecht.

Daarom kan David ook eindigen met de woorden: Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid, en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. We kunnen liederen zingen in de nacht, zoals Paulus in de gevangenis. We kunnen het moeilijk hebben. We kunnen ziek zijn of oud of zwak of het niet meer zien zitten. En hoe vaak is dat niet het geval? Juist dan moeten we gaan zingen. We moeten het soms tegen onze eigen wil doen. Maar dan komt wel de vrede Gods over je.

De tegenstander van God zit niet stil om je telkens opnieuw uit je vrede met God te halen. Hij zit vol list en bedrog. En we weten het maar al te goed, want we hebben daar elke dag mee te maken. Dat loeder ligt op de loer. Maar God is sterker. Hij helpt ons. Hij redt ons. Hij laat ons nooit in de steek. Hij staat daar met zijn almacht boven en wil ons beschermen en redden. Hij staat klaar om de onbekeerlijke en onrechtvaardige tegenstander neer te vellen. Ook hem roept Hij, maar dan moet hij wel opschieten. Want er is een einde aan Gods geduld. Mag Hij misschien?

HERE God dank U wel dat u altijd bij ons wilt zijn, We bidden voor onze tegenstanders dat zij zich omkeren om aan het oordeel van U te ontsnappen.

Psalm 8:1-10

22 april [1]

8:2

O HERE, onze Here,
hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde,
Gij, die uw majesteit toont aan de hemel.

8:3

Uit de mond van kinderen en zuigelingen
hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt,
om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

8:4

Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren, die Gij bereid hebt:

8:5

Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt,
en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?

8:6

Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt,
en hem met heerlijkheid en luister gekroond.

8:7

Gij doet hem heersen over de werken uwer handen,
alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd:

8:8

schapen en runderen altegader
en ook de dieren des velds,

8:9

de vogelen des hemels en de vissen der zee,
hetgeen de paden der zeeën doorkruist.

8:10

O HERE, onze Here,
hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde.

Over deze psalm raak je niet uitgesproken. Het is een prachtige psalm. Ook geen wonder dat de psalm begint en eindigt met: O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde. En ja zo is het. Het is de heerlijke Naam van de HERE. En die HERE, de schepper van hemel en aarde, heeft ons gemaakt. Niet zo maar, maar bijna goddelijk. Hij heeft ons met heerlijkheid en luister gekroond.

Alles ligt aan zijn voeten. Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. Wie zou dat ontkennen? Als we een zuigeling zien, dan zien we daarin de almacht van de Schepper. Wat is er mooier dan een kind. Het is prachtig. Wie raakt daardoor niet vertederd? Het is fantastisch. Het is om nooit over uitgesproken te raken. Hoe blij zijn vaders en moeders niet met een kind. Heerlijk toch om zo’n kind in je armen te hebben. Hoe heerlijk is het om kleinkinderen te hebben. Wat kun je daar van genieten. Ja natuurlijk, het is soms ook heel moeilijk met kinderen. Het vraagt een grote inspanning om ze op te voeden. Want ook in de kinderen is de zonde gekomen. De boze rukt aan alle kanten op om ons stuk te krijgen. Hij heeft het op het hartje van de kinde­ren gemunt. Het is te gek hoeveel kinderen de dupe worden van de aanvallen van de boze. Daarom is het zo belangrijk dat kinderen opgevoed worden in de vreze des HEREN. Het is fantastisch om te zien hoe de HERE God alles in het werk stelt om de kinderen te helpen. Hij zegt dan ook niet voor niets, dat wie één van deze kinderen aanraakt het beter ware dat een molensteen om zijn hals gebonden was en hij was gezwolgen in de diepte van de zee. God heeft de kin­deren op het oog. Kinderen zijn geboren aan het hart van de Vader. Heerlijk om daar geboren te zijn. Het is fantastisch. Het is heerlijk om te schuilen aan de voeten van Jezus. Het is veilig schuilen bij God.

Gij die uw majesteit toont aan de hemel. Er gaat niets boven de almacht van God. Er is niets dat sterker is. Het is fantastisch om dat te weten en te schuilen bij de HERE God. Als je de mens ziet dan denk je: is het echt waar dat God hem bijna goddelijk gemaakt heeft? Wat zijn we nietig als we de sterren en de maan zien en alle grote dingen die God gemaakt heeft. Wat is het mensenkind dat Gij zijner gedenkt? En ja hoor. God heeft hem bijna goddelijk gemaakt. Wat een geweldige kracht. Wat een geweldige nabijheid bij God. Daar word je enthousiast van. Want we zitten allemaal wel eens in de druk. Dan is dit het geheim om je aan Hem vast te houden. Niet omdat jij het gelooft of het be­dacht hebt, maar omdat God het zo gemaakt heeft. En soms moet je zelfs tegen je eigen wil in aan Hem vasthouden. En dan zul je merken dat het werkt. Hij staat altijd klaar om te helpen, nee nog sterker: Hij kwam juist in de eerste plaats voor de verbrokenen van hart, de gevangenen, de kleinen, zij die in de druk zitten. Lees het maar na in Jesaja 61 en alle andere plaatsen.

Daarom is Psalm 8 zo heerlijk. Ik word er blij van. O, HERE God, bewaar onze kinderen. Ze hebben het zo moeilijk. Ze worden zo aangevallen. Help ze! Houdt ze vast! Dank U HERE dat uw kracht groter is dan onze kracht en hun kracht. We moeten uw steun en bescherming afsmeken over ons en onze kinderen. Dank U wel HERE God. O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde?

Psalm 9:1-21

13 mei [1]

9:5

Want mijn pleitzaak en mijn geding hebt Gij berecht,
als rechtvaardig rechter, de rechterstoel bestegen.

9:7

de vijanden zijn weg – eeuwige puinhopen –,…

9:8

Maar de HERE zetelt voor eeuwig,…

9:9

ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid,
Hij richt de natiën in rechtmatigheid.

9:10

Daarom is de HERE een burcht voor de verdrukte,
een burcht in tijden van nood.

9:11

want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o HERE.

9:13

want Hij, die de bloedschuld wreekt, gedenkt hunner,
het geroep der ellendigen vergeet Hij niet.

9:17

De HERE deed Zich kennen, Hij handhaafde het recht;…

9:18

De goddelozen keren om naar het dodenrijk,…

9:19

niet voor immer gaat de hoop der ootmoedigen teloor.

9:21

Jaag hun schrik aan, HERE,
zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn.

Zo is het. De volken kunnen tekeergaan. De mensen kunnen worden verdrukt. De vijanden gaan tekeer. Maar God zit op de troon. Ook wij, als christenen kunnen in de druk zitten. We aanbidden God. We loven en prijzen Hem. We weten dat Hij machtig is en onoverwinnelijk. Maar toch, de vijanden lijken het voor het zeggen te hebben. Dan moeten we niet verslappen, maar juist de HERE aanlopen en het van Hem verwachten. Met Hem doorgaan. Want het kan wel lijken dat de heidenen het voor het zeggen hebben. Maar één zucht van de adem van de HERE God en weg zijn zij. Eeuwige puinhopen, zegt de psalm.

Wij geloven in een God die eeuwig leeft. Die alle macht heeft. Die gerechtig­heid oefent. En die de verdrukte helpt en redt uit de nood. Die de zwakke en de verdrukten niet vergeet, maar juist alles in het werk zet om hem te redden. Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid. Hij richt de natiën in rechtmatigheid. Wat een God. We weten allemaal dat de zonde in de wereld is. Dat ook wij daaraan onderworpen zijn. Daar hebben we allemaal mee te maken. We zien voor onze ogen onrecht en onrechtmatigheid. Het lijkt wel of dat de wereld en de mensen beheerst. Maar God is een God van recht. Hij duldt het niet. En daarom kunnen we temidden van alle ellende God loven en prijzen.

Hij woont op Sion. Dat is de plaats van zijn woning. Daar wordt het recht uit­geoefend. Daarvan zal straks de wet uitgaan. De wet van recht en gerechtig­heid. Wees mij genadig o HERE. Want we kunnen alleen maar leven uit gena­de. Hoe zouden we anders kunnen leven. Het is de genade van God die ons in leven houdt. Het zijn de barmhartigheden Gods dat wij niet omgekomen zijn! Anders waren we allang vergaan. Dat weet David. Want hoe vaak heeft de HERE hem niet gered uit benauwde omstandigheden. Het is een vallen en op­staan. Maar met God zijn we meer dan overwinnaars. Geweldig om dat te we­ten. De goddeloze keert terug naar het dodenrijk en wordt daarmee in de poel des vuurs geworpen. Maar de rechtvaardige zal voor eeuwig leven. De volken zullen niet anders kunnen dan erkennen dat ze stervelingen zijn. Glorie voor zijn Naam.

David leefde eeuwen voor de komst van Messias Jezus, maar wij mogen te­rugzien op een geweldige vervulling van profetie en zien uit naar de weder­komst van Messias Jezus in heerlijkheid. Wij weten al zoveel meer dan David. Dus hebben we nog meer reden om op Hem te vertrouwen. Het is heerlijk om bij de HERE te schuilen. Glorie voor zijn Naam.

Heb je die vrede niet. Lees dan de Bijbel. De vrede van God komt naar je toe. Dat kan niet anders, want God heeft juist het goede op het oog voor wie Hem zoeken en vrezen.

Psalm 10: 1-18

14 mei [1]

10:4

al zijn gedachten zijn: Er is geen God.

10:5

hij blaast tegen allen die hem benauwen;

10:6

hij zegt in zijn hart: ik zal niet wankelen,…

10:7

onder zijn tong zijn ongerechtigheid en onheil,…

10:8

Zijn ogen bespieden de zwakke,…

10:11

Hij zegt in zijn hart: God vergeet het,…

10:14

Gij ziet het, want Gij aanschouwt moeite en verdriet,
om het in uw hand te leggen.
Op U verlaat zich de zwakke,
voor de wees zijt Gij een helper.

10:16

De HERE is koning, eeuwig en altoos.
De volken zijn vergaan uit zijn land.

10:17

De begeerte der ootmoedigen hebt Gij, HERE gehoord;
Gij sterkt hun hart, uw oor merkt op,

10:18

om recht te doen de wees en de verdrukte,
zodat nooit meer een aards sterveling schrik aanjaagt.

Ja wat hier staat daar lijkt het heel vaak op. De goddeloze gaat tekeer. Die denkt: Er bestaat geen God. Maar hij rekent buiten de Waard. Hij gaat tekeer. Hij verdrukt het recht van de weduwen en wezen. Hij schuwt niet om onrecht te laten gelden. Hij ziet de zwakke aan en laat ze in zijn strik vallen. Lees maar na. En kijk ook maar om je heen. Want een goddeloosheid. Wat een zon­de. Wat een haat en nijd. Wat een onrecht. Wat een verbijten en vereten. We kunnen dat in het groot zien, maar we zien dat ook in het klein. Wat kunnen we het elkaar toch lastig maken. Wat is er toch een gekijf en getwist. Dat gaat almaar door. Het lijkt wel of dat het normale leven is. De goddeloze heeft dan ook alle reden om te zeggen: Er bestaat geen God. Het gaat hem immers voor de wind. En zie eens die arme tobbers die het van God verwachten. Dat is toch zielig. Zo wordt er vaak gespot. Het lijkt de omgekeerde wereld wel. Maar de werkelijkheid blijft de werkelijkheid. Het is de roep van de ellendige om recht. HERE, sta op, hef uw hand op!

De HERE God ziet het ook. Het gaat Hem ter harte. Hij lijdt er het meest on­der. Want Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. En zie het was zeer goed. Hoe kan het ook anders dat de Maker het meeste lijdt onder het niet functione­ren van wat Hij gemaakt heeft. Hij zal er dan ook alles aan doen om het weer in orde te krijgen. Zo kan het toch niet verder. Daarom is de oproep van de zwakke en de onderdrukte dat de HERE optreedt om de goddeloze de mond te snoeren. Want God is Koning eeuwig en altoos. Daarom hoeven we niet te twijfelen en daaraan moeten we ook niet twijfelen. De begeerte der ootmoedi­gen hoort God. Hij vergeet het niet. Het kan even duren maar God zal komen met recht en gerechtigheid. Om recht te doen aan weduwe en wees in hun druk. God is altijd het eerste bezig om de zwakke op te richten uit hun druk. Dat is het karakter van God. Daar gaat het om.

Als wij het soms niet meer zo zien zitten is het goed deze psalm weer eens te lezen. We kunnen soms zo in de druk zitten, dat we het niet meer zien. Dat ligt niet aan God, want Hij blijft ons oprichten en helpen. Daarom doen we er goed aan om het van Hem te verwachten. Soms tegen eigen gevoel of situatie in. We moeten Hem niet in de weg lopen maar ons in zijn blijdschap houden, om een uitweg te vinden die ons hart opheft. Want uiteindelijk gaat het om het leven met Hem, een eeuwig leven. We zijn wel ín de wereld, maar niet vàn de wereld. Als we ons leven en de wereld zien vanuit het perspectief van God, dan lijden we met Hem mee om de zonde en de ongerechtigheid in de wereld, maar dan heffen we ons op om onder zijn vleugels te blijven schuilen, want alleen daar ben je veilig. Al zoveel mensen hebben geprobeerd om het anders te doen, maar net als de psalmdichter zegt: De HERE is Koning, eeuwig en altoos. En dat duurt het langst!

Psalm 11:1-7

15 mei [1]

11:1

Bij de HERE schuil ik.

11:2

om oprechten van hart in het duister te treffen.

11:3

Wanneer de grondslagen zijn vernield,
wat kan de rechtvaardige doen?

11:4

zijn ogen slaan gade,
zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen.

11:5

De HERE toetst de rechtvaardige en de goddeloze;…

11:6

Hij regent op de goddelozen vurige kolen en zwavel,…

11:7

Want de HERE is rechtvaardig
en Hij heeft gerechtigheid lief;
de oprechten zullen zijn aangezicht aanschouwen.

Een indrukwekkende psalm. Vers 3: Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan de rechtvaardige doen? Je zou er alle kanten mee op kunnen. In de zin van: Wat moeten we nog doen, nu de grondslagen zijn vernield. Dan kan de rechtvaardige toch zeker niets meer doen. Of: Zie, nu zijn de grondslagen ver­nield en nu is het afgelopen. Het is een onvoorstelbare toestand. Als de grond­slagen zijn vernield dan is er zeker sprake van een ernstige situatie. Hoe is het gekomen dat de grondslagen zijn vernield? De goddeloze heeft de macht ge­grepen. De mensen zonder God en gebod denken dat ze het zelf wel kunnen. De weduwen en de wezen worden verdrukt. Het is verschrikkelijk.

Bij de HERE schuil ik, zegt de dichter David. Ik verberg me niet in de bergen, daar schieten ze me als een vogel neer. Want ze hebben het op mijn leven ge­munt. Zij willen de oprechten van hart in het duister treffen. Pas op! Vlucht, maar vlucht alleen om te schuilen bij de HERE. De HERE woont in zijn heilig paleis. Hij heeft in de hemel zijn troon. Daar kan het onrecht niet komen. Van daaruit ziet Hij recht en onrecht. Van daaruit toetst hij de harten van ieder mens en wie geweld bemint die haat Hij. Op de goddeloze regent Hij vurige kolen en zwavel. Nou dat is niet zo best. Daar ga je aan te gronde. Denk aan Sodom en Gomorra.

Want de HERE is rechtvaardig en Hij heeft gerechtigheid lief; de oprechten zullen zijn aangezicht aanschouwen. Dus als de grondslagen zijn vernield, dan zal de rechtvaardige die bij God schuilt recht en gerechtigheid blijven uitoefe­nen. Want God vanuit de hemel haat het onrecht. Hij zal allen, die recht en gerechtigheid nastreven, zegenen en krachtig maken. Soms, nee meestal, gaat dat door strijd heen. Want hoe is het gekomen dat er zoveel onrecht is. Dat komt omdat er zoveel zonde is toegelaten. Hoe? Dat komt ook omdat de kin­deren van God er maar een potje van hebben gemaakt. De zonde dringt ook zo maar door in de gemeenschap van de kinderen van God. Daar kan iedereen zo zijn eigen verhaal over vertellen. Maar dan gaat het er niet om, om daar maar bij te gaan neerzitten en erin te berusten. Dan gaat het erom dat we ons in Gods heilige woning laten optrekken en met Hem recht en gerechtigheid lief­hebben en dat ook toepassen in de situatie waarin God ons gezet heeft. Dat is meestal niet eenvoudig. Want vaak is daar nauwelijks ruimte voor. Soms gaat dat onder grote druk en verdrukking. Want de boze legt het aan om je in het hart te treffen. Gemeen je te pakken, je te verleiden. En daar weten we alles van. Daar moet je weerstand tegen bieden. Dat het niet vanzelf gaat dat heb­ben wij ook wel ontdekt. Maar om er bij te gaan klagen en ach en wee te roe­pen, dat heeft nog nooit iemand geholpen. Je zult zelf in de kracht van God moeten opstaan om de grondslagen te vernieuwen. Te beginnen bij jezelf. De ontdekkingsreis is dat je gaandeweg sterker wordt. Dan sta je verbaasd over de verandering die er in je leven optreedt. Daar kunnen ook zoveel mensen voor ons van getuigen. Glorie voor de Naam van God. Heerlijk toch. Dat helpt.

Psalm 12:1-9

16 mei [1]

12:2

Help toch, HERE, want er zijn geen vromen meer;…

12:4

De HERE verdelge alle gladde lippen…

12:6

Om de onderdrukking der ellendigen, het zuchten der armen,
maak Ik Mij thans op, zegt de HERE;…

12:8

Gij, HERE, zult ze gestand doen,…

De mensen steken hun tong uit. Ze denken met hun woorden het te kunnen winnen. Wat wordt er toch veel gesnoefd. Wat wordt er toch een grote mond opgezet. Het lijkt wel of de boosheid, de valsheid en de leugen, het bedrog het wint. Het zit overal. Je hoeft de krant maar op te slaan of je krijgt weer een laag snoeven over je heen. Het zit overal. Waar zijn de vromen? Zijn ze er niet meer?

De kinderen Gods worden ondergesneeuwd. Ze worden verdrukt. Het Woord mag niet meer gesproken worden. Dat ervaart de dichter. Hij roept uit tot God. En God antwoordt, want God antwoordt altijd. Hoe dan? Ik hoor er zo weinig van, zeggen we dan. Hoort God ons wel? Ja natuurlijk, zegt God, want ik kom de onderdrukten te hulp. Ik maak Mij op om uitkomst te bieden. Want, zegt de dichter, de woorden van God zijn zuiver. Zo zuiver dat je het niet kunt uit­drukken. Zevenvoudig gelouterd. Nou daar kan niemand tegenop.

Dan moeten we op die gelouterde woorden ook vertrouwen. Dan moeten we zelf met ons hart en met onze mond een toontje lager zingen. Want wij zien alles nog maar ten dele, maar we mogen zeker weten dat Hij zijn hart gezet heeft op de rechtvaardige. Hij duldt de onrechtvaardige niet. Hij zal ze de mond snoeren. Al lijkt het erop dat het onrecht zegeviert. We moeten ons oog veel meer op de Here Jezus gericht houden. We moeten niet op de omstandig­heden ons vertrouwen zetten. We moeten het in het perspectief van de eeuwig­heid zien. Dan weten we dat God overwonnen heeft op het kruis van Golgo­tha. Hij heeft de duivel overwonnen. Hij weet zijn schepselen te bewaren. En dan kunnen we het nog moeilijk hebben. Dan kunnen we het niet meer zien zitten. Dan kunnen we zelfs vervolgd worden en het met de dood moeten bekopen, maar God is rechtvaardig. Hij zal ons verlossen. Want wij verwach­ten naar zijn beloften een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerech­tigheid woont. Dan weegt het lijden van deze tijd niet op tegen de kroon die gereed ligt. Heerlijk toch. Daar kunnen we mee leven. Dank U HERE. Want U brengt in veiligheid wie daarnaar smachten.

Wat mogen we ook in deze tijd, maar in alle tijden, smachten en uitzien naar die zekerheid en die tijd. We leven maar een korte tijd op aarde. We moeten allen sterven. Zo is het van den beginne ook niet geweest. We werden geboren om eeuwig te leven. De dood is de laatste prikkel die overwonnen wordt. We geloven in de opstanding. Heerlijk om daar nu al in te geloven. We moeten vooral onze lampen brandende houden. Want we moeten niet door matheid van ziel verslappen. Dat is levensgevaarlijk.

Dank U HERE dat U ons de kracht geeft om staande te blijven, vaak dwars door zwakheid en zonde heen. Dank U wel voor zoveel genade.

Psalm 13:1-6

17 mei [1]

13:2

Hoelang, HERE? Zult Gij mij voortdurend vergeten?

13:3

Hoelang zal mijn vijand zich boven mij verheffen?

13:4

opdat ik niet inslape ten dode;…

13:6

Ik wil de HERE zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.

Uit het leven gegrepen. Het lijkt wel of de HERE je vergeet. Je merkt er niets van. Je voelt niets. De vijanden gaan tekeer. Wat moet ik nu HERE? Hoort U dan niet? Waarom hoort U niet? Ik heb het toch zo moeilijk. Dat ziet U toch wel. Dat is toch niet eerlijk, dat ik zo moet lijden door de verdrukking. Ik geef de moed maar op, want U hoort toch niet. Ik heb zo mijn best gedaan. Ik doe het toch zo goed. En U hoort niet. Dat is niet eerlijk. Dat kan toch niet. Vrese­lijk HERE. Maar U moet mij ook helpen, want ik wil ook niet dat ik wankel en dat mijn vijanden zeggen dat ze gewonnen hebben. Want dan hebben zij hun zin. Dan heb ik U verloochend en dat is het laatste wat ik wil. HERE help me, dat ik U niet verloochen? Daarom vat ik moed en roep het uit: Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid. Ik wil de HERE zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.

Dat is geloofsmoed. Dat is zingen tegen jezelf in. Dat is kracht die de HERE geeft. Want we zijn zo vaak alleen maar met onszelf bezig. Ook al denken we dat we helemaal gelijk hebben. Neen, we moeten blijven zingen, loven en prij­zen, want de HERE is goed en altijd te prijzen. Wij zien wat er om ons heen gebeurt. Wij zien wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan. Wij moeten nog een korte tijd door dit lijden heen, maar we zijn al deel van het eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid. We kijken veel te veel horizontaal en dat schiet niet op. We moeten ons oog hemelwaarts richten. Vooral als we zwak zijn en het niet meer zo zien zitten. Dat is ons houvast. Dat is God die ons draagt als op vleugels van een arend. Heerlijk toch. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Psalm 14:1-7

18 mei [1]

14:1

De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.

14:2

De HERE ziet… of er… is… één, die God zoekt.

14:3

er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

14:5

want God is bij het rechtvaardig geslacht.

14:6

maar de HERE is zijn toevlucht.

14:7

Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!
Als de HERE een keer brengt in het lot van zijn volk,
dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

Ja, dat kun je wel, als dwaas, zeggen: Er is geen God. Maar dat zijn de on­rechtvaardigen. De HERE kijkt over de aarde en ziet wat er allemaal gebeurt. Hij ziet dat alle mensen zijn afgeweken. Er is er niet één die zonder zonde is. Ze hebben allemaal gezondigd. En zo is het, dat weten we zelf maar al te goed. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam. Daar moeten we goed van doordron­gen zijn. Maar daar moet het niet bij blijven. We moeten de HERE aanroepen. We moeten het van Hem verwachten. We moeten niet in het kamp van de on­rechtvaardigen terecht komen, die roepen: Er is geen God, om vervolgens er maar rustig lustig op los te leven. Want God is bij het rechtvaardig geslacht. Daar hoef je niet aan te twijfelen. En dat voelt ook iedereen aan. God laat je niet in de steek. Hij helpt je altijd. Hij zal een keer brengen in het lot van zijn volk. Uit Sion zal redding komen. Gods beloften zijn eeuwig en vast en zeker!

De HERE is en blijft je toevlucht, ook al maak je nog zoveel ellende mee. We moeten op Hem blijven vertrouwen. We mogen verlangen naar uitredding. Dat de HERE een keer brengt in de ellende van zijn volk. En die verlossing gaat komen. Dat is vast en zeker. Dan zullen we juichen. Wat een belofte. Maar het gaat soms door tranen heen. Want er is nog zoveel onrecht om ons heen en ook in ons eigen hart. O HERE, help mij staande te blijven op uw Woord.

Psalm 15:1-5

19 mei [1]

15:1

HERE, wie mag verkeren in uw tent?
Wie mag wonen op uw heilige berg?

15:2

en waarheid spreekt in zijn hart,

15:3

die met zijn tong niet lastert,…

15:5

hij leent zijn geld niet op woeker…
Wie zó handelt zal nimmer wankelen.

HERE, wie mag verkeren in uw tent? Wie mag wonen op uw heilige berg? Hij, die onberispelijk wandelt en doet wat recht is. Je zou deze psalm uit je hoofd moeten leren. Dat is toch heel simpel en duidelijk. Hij die goed doet. Naar de naaste omziet. Hij is rechtvaardig. Hij doet goed. Hij spreekt geen laster. Er worden heel concrete dingen genoemd. Je leent geld niet op woeker. Je doet de naaste geen kwaad. Je kunt het allemaal invullen. Een ieder onder­zoeke zijn eigen hart of hij zich moet bekeren van de verkeerde weg en weer op de goede weg moet gaan wandelen.

Het ging er immers om, wie mag wonen op de heilige berg. Het gaat dus om je eeuwig heil. Het gaat om hel of hemel. Je wordt uitgenodigd om de weg van de hemel te kiezen. Als je op die weg gaat, dan ga je goed. Dan zie je de liefde opbloeien. Dan helpt de sterke de zwakke. Dan wil je niet anders dan de HERE dienen. Dat is goed. Daar word je blij van. Daar kun je je aan vasthou­den. Geloof je het niet, probeer het dan. Je mag God uitdagen. Want wat Hij wil is zo vanzelfsprekend. Het enige probleem is dat we vaak zo traag zijn in het horen en het doen. Zo vaak naar onze eigen stem luisteren. Dan ga je de verkeerde kant op. Daarom moeten we dicht bij het Woord blijven. Daaruit kunnen we kracht putten, elke dag. Ook vandaag, met deze psalm. HERE, mo­gen we vandaag onberispelijk wandelen. God is goed.

Psalm 16:1-11

20 mei [1]

16:1

want bij U schuil ik.

16:2

ik heb geen goed buiten U.

16:5

O HERE, mijn erfdeel en mijn beker,…

16:7

Ik prijs de HERE, die mij raad heeft gegeven,…

16:8

Ik stel mij de HERE bestendig voor ogen;
omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet.

16:10

want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk,…

16:11

Gij maakt mij het pad des levens bekend;
overvloed van vreugde is bij uw aangezicht,
liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig.

Zo maar een psalm. Daar zit weer heel veel in. Het is de zekerheid die ervan afstraalt. Het is nogal aanmatigend. Het klinkt zo vast en zeker. Maar het is ook de oproep: Bewaar mij. Buiten U wil ik niets hebben. Want de vijanden liggen op de loer. Die willen mij in woorden, gedachten en daden van U af­trekken. En dat eindigt niet in vreugde, maar in verdriet, ja zelfs tot in het dodenrijk.

Ik stel mij de HERE bestendig voor ogen. Wat betekent dat? Wat moeten we ermee? De hele dag bijbelteksten opzeggen? De hele dag vroom zitten doen? Neen, het is gewoon leven, maar wel leven vanuit de zekerheid dat de HERE God altijd bij je is. Je Hem voor ogen stellen. Als het goed gaat èn als het niet zo goed gaat. En hoe vaak gaat het niet goed? Maar dan moeten we juist wel vasthouden, want als het niet goed gaat dan zal er wel weer aan je gerukt wor­den. En zo is het. Want je hoeft maar iets te doen of je zit met je denken al weer op het verkeerde spoor. Dan ga je bergafwaarts en dat gaat heel snel. Maar het kost enorm veel inspanning om weer boven, de berg op te klauteren.

Als je dicht bij God blijft, je Hem bestendig voor ogen stelt, dan zal Hij met zijn bescherming komen. Daar kun je je in verheugen. Dan geeft Hij gegaran­deerd eeuwige rust. En als die rust weer wordt aangevallen dan bidden tot God. Je verzetten tegen de aanvallen. In zijn rust blijven. Vooral niet opstan­dig worden. Want het kan wel eens een hele tijd duren voordat je naar li­chaam, ziel en geest weer in balans bent, niet meer in de dip zit en met plezier het leven ziet. Dat kan alleen maar door dicht bij God te blijven. Dat betekent Hem aanvaarden, uit je Bijbel lezen en bidden. Ik ontdek steeds meer dat niet ik de Bijbel lees, maar dat de Bijbel mij leest. Dat is een geheim. Als je denkt dat dit een open deur intrappen is, dan nodig ik je uit om met mij de Bijbel door te lezen. God is een genadig God. Hij wil het goede voor de mensen. De­ze psalm staat daar vol van. Lees hem nog maar eens. En dan onbevooroor­deeld, want we hebben steeds zoveel vooroordelen klaar liggen. Luister naar de stem van God.

Gij maakt mij het pad des levens bekend. Laat je dat dan ook bekend maken en loop niet de kantjes eraf. Je leven hangt er vanaf. En wie wil niet genieten van de liefelijkheid die in zijn rechterhand is en wel voor eeuwig? Recht toe, recht aan, op weg naar de eeuwigheid. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 17:1-15

21 mei [1]

17:1

leen het oor aan mijn gebed,…

17:2

uw ogen schouwen wat recht is.

17:5

mijn treden hielden uw spoor,
mijn schreden wankelden niet.

17:6

Ik roep U aan, omdat Gij, o God, mij antwoordt;…

17:7

Verlosser van hen,
die voor tegenstanders schuilen bij uw rechterhand.

17:8

Bewaar mij als de appel van het oog,…

17:13

red met uw zwaard mijn leven van de goddeloze,…

17:15

en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld.

Wat kun je omringd worden door tegenstanders. Wat kan het tekeergaan in je leven. Hier gaat het om daadwerkelijke vijanden. Die staan je naar het leven. Die komen je te vuur en te zwaard aanvallen. Je zit in het nauw. Je kunt geen kant op. En dan roepen tot de HERE God. Ik roep U aan. Ik wil rechtvaardig leven. Ik ben gehoorzaam aan U. Ik schuil onder uw vleugelen. Ik ben niet rechts en niet links gegaan. HERE, red mijn van mijn tegenstanders. Doe hen bukken. Versla hen. Vaag hen weg. U bent machtig. U kunt dat doen. U laat mij niet in de steek. Bewaar mij als de appel van uw oog, berg mij in de scha­duwen van uw vleugelen. Dat is een veilige plaats. Daar kan niemand bij ko­men. Daar ben ik veilig. De vijand kan tekeergaan, maar hij doet maar, want ik bent veilig geborgen bij God. Doe mijn vijanden weg. HERE, verlos mij.

Wat kun je het benauwd hebben. Toch, bij alles rustig blijven en schuilen bij de Allerhoogste God. Wat er ook gebeurt, daar ben je veilig. Zelfs dan kan het heel moeilijk zijn. Dan kunnen de vijanden zeer dichtbij komen. Maar gebor­gen in Hem. Dan ben je onaantastbaar. Zelfs al proberen ze je naar het leven te staan. Zelfs als ze aan je leven komen, dan ben je nog geborgen in Hem. Want Hij staat boven leven en sterven. Je bent met Christus geborgen in God. Dan kunnen ze je leven nemen, maar je bent en blijft geborgen voor de eeuwig­heid. Daarom is het zo belangrijk om de HERE aan te roepen. Om altijd bij Hem te schuilen. Je mag, je moet roepen, dat Hij je vijanden wegjaagt. Hij wil niets liever. Maar Hij wil erom gebeden worden.

Hij wil ons steeds weer trekken in het centrum van zijn wil. We zijn daar zo weer uit. We zijn zo vaak op drift. We wijken zo van Hem af. Net alsof het vanzelf gaat. Maar dan komen ook vijanden. Die je proberen helemaal in hun greep te trekken. En dan komt het er op aan. Roep tot de HERE. De verdruk­king werkt echter ook volharding uit. En dat komt je alleen maar ten goede. Vaak is het zo, dat als je achteraf kijkt, dat je ontdekt, dat de verdrukking ook zegen heeft uitgewerkt. Voor het moment brengt het geen plezier. Het kan heel moeilijk zijn, maar daarna zie je dat het tot je geestelijke groei heeft bij­gedragen. Daarom kunnen we ook altijd vertrouwen dat Hij ons nooit in de steek laat. Daarom kunnen we ook altijd vertrouwen dat Hij ons beschermt als de appel van het oog. Prijs de HERE.

Psalm 18:1-20

22 mei [1]

18:3

mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuil,…

18:4

Geloofd zij de HERE,…
want van mijn vijanden ben ik verlost.

18:7

Toen het mij bang te moede was, riep ik de HERE aan,
tot mijn God riep ik om hulp.
Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis,
mijn hulpgeroep tot Hem drong door in zijn oren.

18:14

De HERE deed de donder in de hemel weerklinken,…

18:17

Hij reikte van omhoog, greep mij,
trok mij op uit grote wateren.

18:20

Hij leidde mij uit in de ruimte.
Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had.

Nou, nou, dan zit je wel in de verdrukking. David werd belaagd door Saul. Die staat hem naar het leven. We kennen de geschiedenis. Maar God redde hem steeds weer. Telkens trad God op. Het is opvallend dat David de redding zon­der reserve aan de HERE toeschrijft. De HERE deed dit en de HERE deed dat. Het is niet: Ik deed dit en ik deed dat. Neen het was: de HERE. En zo is het ook. We roepen in benauwdheden tot Hem en dan hoort Hij. Hij wil ons altijd helpen. Hij is altijd nabij.

Hier lezen we dat God de natuurkrachten inschakelt om David te redden. Als de HERE blaast dan gebeurt er wat. Dan gehoorzamen de natuurkrachten. Dan gaan de golven omhoog. Dan bewegen de bergen. We lezen hier van gigan­tische natuurkrachten, die allemaal opgeroepen worden om David te bescher­men. Wij kennen dat niet. We denken dat dat onmogelijk is. Maar hier staat het klip en klaar. David twijfelt er in het geheel niet aan. Voor hem is het ge­sneden koek. Hij ontrukt je aan de macht van de vijand. En zo is het. Alles wat gebeurt, is in handen van de HERE. Wij mogen leven uit zijn genade. We mo­gen Hem aanroepen in de nood. Op Hem vertrouwen met geheel ons hart. We moeten nooit twijfelen, maar blindelings vertrouwen op de kracht van de HERE God. De vijanden zullen alles doen om je in het nauw te brengen om je te vernietigen. De duivel heeft het op ons leven voorzien. Hij is de mensen­moorder van den beginne. Hij is erop uit om ons te verslinden. En daar gaat God tegenin met zijn almacht. God is de Almachtige. Hem kun je niet weer­staan.

Het is eigenlijk stom dat we zo weinig vertrouwen op de HERE God. Hij is groot en machtig. Hij wil ons beschermen. Hij wil ons helpen. Hij is altijd bij ons. We moeten heel eenvoudig op Hem vertrouwen. Looft de HERE. We kunnen er niet genoeg van krijgen. Want als je eenmaal gaat ontdekken wat de macht van God is en wat dat ook voor de natuur kan betekenen, dan sta je ver­steld. Water is daarbij heel belangrijk. We lezen het hier weer. Wij in dit del­talandje beseffen maar al te goed hoe het kan gaan met de rivieren en de zee. Wat een machtige Heiland. En dan te denken aan de Here Jezus. Daar putten we alle kracht uit. Hij heeft onze zonden verzoend op het kruis van Golgotha. Heerlijk. Daar mogen ook wij uit putten. Gode zij dank.

Psalm 18:21-30

23 mei [1]

18:23

Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen
en zijn inzettingen deed ik niet van mij weg,…

18:26

Jegens de getrouwe toont Gij u getrouw,…

18:30

Met U immers loop ik op een legerbende in
en met mijn God spring ik over een muur.

David pleit erop dat hij de geboden des HEREN heeft gehouden. Hij is niet af­geweken. Hij is op het rechte pad gebleven. Dat weet hij heel zeker. Hij kent zijn Woord en is erbij gebleven. Dat is dan weer de eenvoudige les. Blijf bij de geboden van de HERE, dan ga je goed. Ga met God, dan ga je goed. Het was telkens weer spannend. Maar David roept de hulp van de HERE in. Hij pleit op zijn belofte. Hij smeekt de HERE om hem te verlossen van zijn vijan­den. En dat doet de HERE God.

Het lijkt erop dat David het vanzelfsprekend vindt dat de HERE hem redt. Want al zijn verordeningen stonden hem voor ogen en zijn inzettingen deed hij niet weg. Dat is geloofstaal. Daar kunnen we ons aan spiegelen. Hoe dat moet? Heel eenvoudig. Lees je Bijbel, bid elke dag, opdat je groeien mag. Daar gaat het om. Het is ook geen moeilijke zaak. Je moet het gewoon doen. En als je het doet, dan word je er door gezegend. Jegens de getrouwe betoont Gij U getrouw. Trouw met trouw. Jegens de reine toont Gij U rein.

Met U immers loop ik op een legerbende in en met mijn God spring ik over een muur. Dat is nogal wat. Het geloof geeft je kracht. Je voelt je sterk. Je voelt je gedragen. Hier wordt geloofstaal gesproken. En zo ervaren we het toch ook. We moeten volledig op de HERE vertrouwen. We moeten niet twij­felen. We moeten niet links en niet rechts kijken. We moeten dicht bij Jezus blijven. Daar staat de hele Bijbel vol van. HERE, dank U wel voor zoveel liefde, voor zoveel vertrouwen, voor zoveel bescherming. Wij zijn veilig bij U. Wij zullen de weg des levens lopen als we U blijven gehoorzamen. De vijanden kunnen oprukken. Maar U redt mij. U beschermt mij.

We sterven wel, maar we hebben het eeuwige leven. We zijn verborgen met Christus in God. Glorie voor zijn Naam. Wat een leven, wat een zegen. Dan gaat je hart zich verheugen en dan schiet je vol van de oneindige zegen van God. HERE wat een zegen, wat een liefde, wat een genade. Dank U wel HERE God.

Psalm 18:31-43

24 mei [1]

18:31

Gods weg is volmaakt;
des HEREN woord is zuiver.
Hij is een schild voor allen
die bij Hem schuilen.

18:36

Ook gaaft Gij mij het schild uws heils,
en uw rechterhand ondersteunde mij,
uw nederbuigende goedheid maakte mij groot.

18:41

Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren,
en mijn haters verdelgde ik.

Gods weg is volmaakt; des HEREN woord is zuiver. Hij is een schild voor al­len die bij Hem schuilen… die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan; die mijn handen oefent ten strijde, zodat mijn armen een koperen boog spannen. Wat een geweldige kracht. Wat een opbeurende psalm. Gods weg is goed. Gods weg is de beste, de beste altijd. Dan word je opgetild in de hemelse gewesten om met God de vergezichten te zien van zijn eeuwig plan van recht en gerechtigheid. Dan zie je de almacht van God. Dan ben je wel in deze wereld, maar niet meer van deze wereld. Hij maakt je sterk. Hij maakt je voeten als die der hinden. Dan ga je toch met een snelheid voor­uit. Je moet in die wegen van de HERE gaan staan. Je moet er niet aan twijfe­len. Je moet gehoorzamen en gaan. Hij laat je immers gaan. Voor David is er geen twijfelen aan. Hij bekijkt alles vanuit de HERE. En dan gaat het goed. Dan gaan je voeten ook als van hinden. Dan maakt hij je paden recht. Dan geeft Hij je het schild van zijn heil. Als we dat lezen, dan gaan onze gedachten direct uit naar de geestelijke wapenrusting. Trek die aan dan ga je goed. Dan ben je beschermd tegen de aanvallen van de boze. En je weet het. Het Woord is het zwaard des geestes. En daar zijn we nu mee bezig. Wat kun je beter doen dan je vermeien in het Woord van God. Elk moment, dat je daar mee bezig bent, ga je goed. Dan raak je niet in de war. Want als je weer op je eigen kracht gaat vertrouwen dan val je in je eigen denken en doen. Dan ben je gauw uitgepraat. Dan zit je binnen de kortste keren te navelstaren. Dan raak je heel snel je vreugde kwijt. Daarom vertrouw op God.

Een prachtige tekst is: uw nederbuigende goedheid maakte mij groot. Prachtig toch? Zie je het voor je? God buigt zich neder met zijn grote liefde en goed­heid en dan worden wij zo groot. Het is ook, zoals Jacobus zegt: als jij je ver­nedert voor de HERE, dan zal Hij je verhogen. Wat een geweldige God. En dan even verder: Gij deed onder mij bukken wie tegen mij opstonden. En wat kunnen ze tegen je opstaan. Je ziet het voor je. Het lijken wel reuzen. Wat moet jij daar nu tegen beginnen? Je kunt er zo onder gebukt gaan. En dan staat daar dat God ze laat bukken. We kijken over ze heen. Ze lijken wel niets meer. Dank U HERE voor zoveel liefde. Mijn vijanden gaan op de vlucht. Ze zijn bang. Ze zullen ons niet meer kunnen pakken. Want de beschermende armen van de HERE zijn altijd om ons heen. Wat zijn we toch stom dat we ons zo vaak weer in de war laten brengen door ons eigen denken en doen terwijl de oneindige liefde van God zo voor het grijpen ligt. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 18:44-51

25 mei [1]

18:44

Gij steldet mij tot hoofd der natiën,
volken die ik niet kende werden mij dienstbaar;…

18:47

De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots,
en verhoogt zij de God mijn heils,…

18:49

Gij hebt mij gered van de geweldenaar.

18:50

Daarom loof ik U, o HERE, onder de volken
en wil ik uw naam psalmzingen,

18:51

Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen,
en betoont trouw aan zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht voor altijd.

God heeft David verhoogd. God stelde hem aan het hoofd van volken. God legde zijn vijanden onder zijn voeten. God deed de twisten van het volk ver­stommen. God doet het. God heeft de leiding in het leven. God weet wat goed voor ons is. We moeten het van God verwachten. We moeten niet God er een beetje bij halen als we Hem nodig hebben. Daar laat God zich niet voor ge­bruiken. Dat wist David maar al te goed. Hij had God zo diep ontmoet in goe­de en in slechte tijden. Er bleef niets bij hem over dat hij maar kon denken dat hij een el aan zijn lengte zou kunnen toevoegen. Daarom looft hij de HERE God. Hij krijgt er niet genoeg van. Het wordt als het ware een climax naarma­te we het einde van de psalm naderen.

Ja, je kunt God dan ook voortdurend prijzen, als je zo ervaren hebt dat God al­tijd bij je is. En dat kunnen en mogen wij ook doen. Wat hebben we toch een onvoorstelbare zegen in ons leven. Wat een voorrecht om geboren te mogen zijn in een land met zoveel welvaart en zegen. En daar moeten we ons blijvend voor inzetten. Wat missen de mensen zonder God toch ontzettend veel. Is het niet geweldig om te weten dat we mogen leven uit de eeuwige genade van God. Dat doet je toch klimmen over al je zorgen en problemen en je eigen ge­dachten, Problemen en gedachten die je zo gauw in de weg staan. Probeer het maar. Geef je restloos over aan God. Dat wil niet zeggen dat je zelf niet meer mag denken en doen. Integendeel, maar je denken en je doen wordt gericht vanuit de kracht die God geeft. Dat is het geheim van deze psalm. Gods belof­ten zijn waar. Van eeuwigheid tot eeuwigheid. Zijn plannen falen niet. Hij laat je nooit in de steek.

Hij is trouw. Ook aan David en zijn nageslacht voor altijd. Dat is dus voor Al­tijd. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Ook niet aan zijn beloften over de komst van het eeuwige rijk van recht en gerechtigheid. Daar was David voor verkozen. Er zou altijd iemand op de troon van David zitten. Spraken de enge­len daar al niet van? Was die trouw ook niet de basis van het verbond met Abraham. Ja en amen.

Psalm 19:1-15

26 mei [1]

19:2

De hemelen vertellen Gods eer,
en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen;…

19:5

toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde…

Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon,

19:6

die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt,
jubelend als een held om het pad te lopen.

19:8

De wet des HEREN is volmaakt,
zij verkwikt de ziel;…

19:9

De bevelen des HEREN zijn waarachtig,
zij verheugen het hart;…

19:11

Kostelijker zijn zij dan goud,…

19:12

in het houden ervan ligt rijke beloning,…

19:14

Behoed ook uw knecht voor overmoed,…

19:15

Mogen de woorden van mijn mond
en de overleggingen van mijn hart
U welgevallig zijn,
o HERE, mijn rots en mijn verlosser.

Een psalm van David. Als ik een nobelprijswinnaar voor letteren mocht aan­wijzen dan zou ik David voorstellen. Wat een hoogstaande poëzie. Dat is geen geringe zaak. David is een romantisch man. Hij weet met woorden te spelen. Hij weet zijn hart weer te geven. Hij ziet alles om zich heen en weet het te om­schrijven op een manier dat je hart er door geraakt wordt. Het is van hart tot hart. Het is een geweldige zaak. Wat een zekerheid. Wat een liefde. Wat een aanbidding.

Hoe hij in deze psalm de zon beschrijft! Het is van hoog gehalte. Je ziet het voor je. Het is prachtig. Ik word daar enthousiast van. Hoe hij de zon als kroon van schepping neerzet! God maakte de hemel en de aarde. De psalmist geeft God alle eer. Je ziet God de aarde maken. Hij maakte de aarde met zijn han­den als een pottenbakker. De hele aarde, dag en nacht, spreken van de almacht van de HERE God. Het is wereldomvattend. Daar wil je bij horen. Je kijkt dan dwars door al het onvolkomene heen, want daarachter zie je de almacht van God. Hoe geweldig Hij het allemaal gemaakt heeft! Hebben we dat allemaal niet? Als we iets moois in de natuur zien, of we zien een pasgeboren baby in de wieg. Dan word je vertederd. Dan raak je onder de indruk. Dan zie je dat er iets is ver boven je eigen kunnen uit. Dan zie je met je eigen ogen dat er een Schepper is. En zo is het. Je kunt met je verstand doorzien dat God de hemel en de aarde geschapen heeft. Dat kan niet anders. Je komt met je eigen gerede­neer niet verder dan dat je denkt dat je bestaat. Je weet eigenlijk maar een heel klein gedeelte van de werkelijkheid. Kijk eens naar de zon. David zegt, dat God in het heelal een tent heeft opgeslagen voor de zon. Het is onvoorstelbaar. Wat een gloed, wat een kracht, wat een precisie!

Ja, dan gaat David ertoe over om de geboden van de HERE God te prijzen. De wet des HEREN is volmaakt, zij verkwikt de ziel. Het lijkt alsof hij nog aan de zon denkt. Zonder zon kom je ook nergens. Als er geen zon was, dan was er geen leven. Zo is het met de wet. De wet verkwikt de ziel. De wet houd je op het rechte spoor. Er is dus ook een schaduwkant aan het leven. Als je de wet niet houdt dan ben je bezig met het kwade, dat wat niet van God is. Daarom is de wet een zegen. Het gebod des HEREN is louter; het verlicht de ogen. Het houdt je scherp op koers. Heel veel mensen krijgen negatieve gedachten als ze denken aan de wet. Maar dat is niet juist. De wet is een zegen. De bevelen van God verheugen het hart. Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud. Je moet je erdoor laten vermanen. In het houden ervan ligt rijke beloning. Welke beloning dan? Nou, daar staat de Bijbel vol van. Waar liefde woont, gebiedt de HERE zijn zegen. Wat een zegen. Wat een liefde. Wat een vrede. En ieder weet precies dat het zo werkt. Het begint al heel dichtbij in je eigen hart. Dwaal je af, God ziet het. Pas op voor overmoed. Pas op voor de afval, de tegenstander ligt op de loer. In woorden, gedachten en daden moeten en mogen we afgestemd zijn op de HERE.

En dan het prachtige einde: Mogen de woorden van mijn mond en de overleg­gingen van mijn hart U welgevallig zijn. Daar moeten we naar streven. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Daar gaat het om. We moeten daarom dicht bij Gods Woord blijven. Doe je dat, dan kom je goed uit. Doen en doen en doen! Ook al heb je er geen zin in. Of heb je er geen tijd voor. Dat is de bron. Daar komt de kracht vandaan. Dat is de zon der gerechtigheid. Ben je daar los van, dan kom je kracht te kort. O HERE, mijn rots en mijn verlosser. Dank U HERE. Dank U voor uw liefde. Dank U voor uw oproep. Vul mijn hart vandaag met uw liefde.

Psalm 20:1-10

27 mei [1]

20:2

De HERE antwoorde u ten dage der benauwdheid,…

20:5

Hij geve u naar uw hart,
en doe al uw plannen in vervulling gaan.

20:6

de HERE vervulle al uw begeerten,…

20:7

Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel
met de machtige heilsdaden zijner rechterhand.

20:8

maar wij roemen in de naam van de HERE, onze God.

20:10

O HERE, schenk de koning de overwinning,
Hij antwoorde ons ten dage dat wij roepen.

Waar moet onze hulp vandaan komen? Het kan toch alleen maar van onze God komen. Als we in benauwdheid zijn, dan moeten we Hem aanroepen. Dat Hij ons antwoorde uit Sion. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Waarop ver­trouwen we? Wij vertrouwen op de HERE. Hij heeft alle macht en majesteit. Hij doet grote legers terugdeinzen. Hij doet het water van de Rode Zee en de Jordaan splijten. En niet één keer, maar telkens als Hij het goed denkt in de vervulling van zijn plan ten leven. O HERE, hoor naar het gebed van uw knecht. Luister naar ons gebed. Wij bidden en wij smeken U, dat U ons be­schermt. Stuur uw legermachten. HERE wij verwachten het van U. Van wie zouden wij het anders verwachten? O HERE onze God. Dank U wel voor zo­veel zekerheid. Voor zoveel scheppingskracht.

HERE, vergeef! Wij hebben gezondigd. Wij hebben uw geboden overtreden. Wij hebben gezondigd. We hebben het verspeeld. Wij doen belijdenis van on­ze zonde. Wij doen boete in stof en in as. HERE, o HERE, vergeef ons. Dank U wel voor uw almacht en uw grote liefde. Dank U wel dat U hoort naar het gebed te dezer plaatse. Want U wilt gebeden zijn. U bent onze God. Als we denken aan de nood in ons eigen land, dan smeken we de HERE. HERE, help. HERE, ontferm u. HERE, vergeef. Het kan zo niet langer.

HERE, laat ons hart op U gericht zijn. Wilt u de wensen van ons hart vervul­len. U antwoordt uit de hemel met uw machtige heilsdaden. Als U spreekt, dan gebeurt het. Het zijn niet onze machtige legers die de boel in de hand hebben, het zijn uw machtige daden. U volvoert uw plan. U stuurt machtige legers. U regeert het grote wereldgebeuren. HERE help ons. We danken u voor al uw liefde en genade. HERE, hoor naar ons gebed. Wij roepen U aan, schenk ons de overwinning. U antwoordt als wij roepen. Wij roepen tot U. HERE wij roepen U aan.

Psalm 21:1-14

8 mei [2]

21:3

Zijn hartewens hebt Gij hem geschonken,…

21:4

Want Gij treedt hem tegemoet met rijke zegeningen.

21:5

Leven vroeg hij van U; Gij gaaft het hem,…

21:8

Want de koning vertrouwt op de HERE
en door de goedertierenheid des Allerhoogsten
wankelt hij niet.

21:9

Uw hand zal al uw vijanden vinden,…

21:12

Als zij onheil over U willen brengen,…

21:13

Ja, Gij zult hen de rug doen keren,…

21:14

wij willen uw sterkte met psalmen bezingen.

Want de koning vertrouwt op de HERE. Daar gaat het om. Waar vertrouwen wij op? Vertrouwen we op ons eigen inzicht? Vertrouwen we pas als we het kunnen begrijpen? Vertrouwen we God pas als Hij doet wat wij zeggen of wil­len of denken? Hoe zit het nou? Is God iemand of iets dat wij hebben uitge­dacht? Heeft Hij ons het denken gegeven of hebben wij Hem in ons denken bedacht? Waar blijft ons vertrouwen? Als Hij ons het vertrouwen gegeven heeft, waarom nemen we het dan van Hem af door alleen op Hem te vertrou­wen als hij ons de overwinning geeft? Hier zien we een David die echt wel in de druk gezeten heeft. Dat is nog eens iets anders dan ons veilig belegde bo­terhammetje. Wij hebben niets te klagen. Misschien gaan ze af en toe tegen ons tekeer, of ze doen een beetje moeilijk, of iets valt ons tegen, maar voor de rest hebben we een luizenleventje. Dan is het andere koek met David en ande­re koek met onze miljoenen broeders en zusters die in landen leven waar ze vervolgd worden, waar ze in het geheim bijeen komen, omdat ze anders hun baan kwijt raken of in de gevangenis terecht komen. Daar weten we alles van uit de geschiedenisboeken en ook uit hedendaagse rapporten. We kennen de verhalen van de martelaren. Zij hebben zich laten folteren en kruisigen, maar ze hebben hun geloof niet verloochend. Ze zijn trouw gebleven aan de roep­stem van God. Want zij verwachtten een beter vaderland. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Hij verkwikt ons. Hij helpt ons. Hij redt ons. Hij laat ons niet in de steek. Hij wil ons altijd helpen en ons geleiden. Hij schenkt ons zijn heil. En dat is de taal van David.

David begrijpt helemaal dat hij zijn leven niet te danken heeft aan zijn kracht, zijn overwinning, zijn wijsheid of wat dan ook, maar dat het de kracht, de op­dracht, de genade, de liefde, de weg van God is geweest, die hem het leven heeft doen behouden. Het was God, die vanuit zijn grote liefde, David nog het leven gaf. Hij bestuurt de hand van de vijand. Hij laat het toe niet om de vij­and gelijk te geven, maar omdat Hij ons zijn grote liefde en vertrouwen geeft; omdat Hij ons wil helpen te begrijpen dat we ons eigen vertrouwen moeten inleveren voor de grote trouw van God. En wat zijn we hardnekkig. Wat zijn we tegenstribbelend. Want hoe vaak gaan we in tegen de wil van God, weten we het beter, zitten we te klagen in plaats van te danken.

En David weet wat God doet met zijn vijanden: Hij doet hen weg. Hij rekent ze hun ongerechtigheid toe, omdat zij God niet hebben willen accepteren. En Hij verdelgt hen. Ze willen onheil over jou brengen, maar het omgekeerde gaat gebeuren: God brengt onheil over hen. Dat staat vast. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Ook al zie je er zelf niet alles of helemaal niets van. Hoe vaak lijkt het niet dat de bozen het voor het zeggen hebben! Ze maken zich nergens druk over, maar ze zijn allemaal slachtoffer van de tegenstander van God. God roept hen tot gehoorzaamheid, maar zij hebben het aardse, duivelse leven lie­ver met al zijn tijdelijke geneugten, waarvan ze niets mee kunnen nemen in het graf.

De HERE verheft zich in zijn kracht. Dat staat vast. Wij willen uw sterkte met psalmen bezingen. Wat een heerlijk leven om met God te leven. Prijs de HERE. Hij is God. Alleen al in de psalmen kun je de grootheid van God voor eeuwig zingen. En dan komt alles nog door de genade van Jezus Christus. Hij is onze verlosser. Hij verzoent onze zonden. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij is de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van God. Heerlijk evangelie. Lees het en leef het. Het is de waarheid. Pas dat toe in je leven. Doen!

Psalm 22:1-14

9 mei [2]

22:2

Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten,…

22:3

Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet,
en des nachts, en ik kom niet tot stilte.

22:4

Nochtans zijt Gij de heilige,
die troont op de lofzangen Israëls.

22:6

op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.

22:8

Allen die mij zien, bespotten mij,…

22:10

Gij toch hebt mij van de moederschoot getogen,…

22:11

aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte,
van de moederschoot af zijt Gij mijn God.

22:12

Wees dan niet verre van mij,
want nabij is de nood, en er is geen helper.

22:14

zij sperren hun muil tegen mij open –
een verscheurende, brullende leeuw.

Je kunt je soms verlaten voelen. Je kunt tot de HERE God roepen en het lijkt of Hij er niet is. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Woorden vanaf het kruis. Indrukwekkend. In het hart van de verzoening. De Godverla­tenheid, die op ons moest rusten, werd van ons afgenomen en op Messias Jezus gelegd. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Dat klonk als een stille scherpe schreeuw door het aardedonker van de drie uren duister­nis. Dan voel je je ook verlaten. Dat is verschrikkelijk, om helemaal aan je lot overgelaten te zijn. Zo iets voelde David ook. De vijanden loerden van alle kanten. Ze gaan tegen hem tekeer. Maar toch zegt hij: Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen van Israël. En zo is het. Dat moet dwars door alles heen ook steeds weer ons uitroepen zijn. We kunnen het helemaal niet meer zien zitten. Maar toch: Gij zijt de Heilige! En als we roepen tot Hem, dan zullen we ook niet beschaamd uitkomen. Want Hij is een God die redt. Daar staat de Bijbel vol van. Daar mogen we op pleiten. Dat doet David dan ook. Want als hij op zichzelf ziet is hij een worm Ze bespotten hem aan alle kanten. Ze roepen dat God hem maar moet redden, daar vertrouw je toch op? Het snerpt door hem heen. Hij roept om hulp, maar ervaart niet dat er hulp is. Hij roept God aan, die hem van de moederschoot gedragen heeft. Hij weet niet anders dan in de bescherming van God te zijn. Dat is uiterste geborgen­heid tegen totale verlatenheid. Daarom is het contrast ook zo groot. En was dat ook niet bij de HERE Jezus zo? Hij was de Zoon van God. Dat is uiterste ge­borgenheid. En dan verstoten zijn in de eeuwige verlatenheid. Dat is vreselijk! Dat is ondraaglijk. De vijanden loeren en brullen en gaan tekeer. Wat kun je dan in angst zitten. Maar nochtans klinkt het dan, soms tegen jezelf in: Glorie voor uw Naam.

Psalm 22:15-22

10 mei [2]

22:15

Als water ben ik uitgestort…
…mijn hart is gesmolten als was,…

22:16

in het stof des doods legt Gij mij neer.

22:17

een bende boosdoeners heeft mij omsingeld,
die mijn handen en voeten doorboren.

22:18

zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij.

22:19

Zij verdelen mijn klederen onder elkander
en werpen het lot over mijn gewaad.

22:20

Maar Gij HERE, wees niet verre;
mijn sterkte, haast U mij ter hulpe.

22:21

Red van het zwaard mijn ziel,
mijn eenzame, van het geweld van de hond.

22:22

Verlos mij uit de muil van de leeuw,
en van de horens der woudossen.
Gij hebt mij geantwoord!

We zijn nu dicht bij het kruis. Het is de kruiswoorden-psalm. Wat een diep­gang. Wat een profetie. Het leven is afgemat. Mijn hart is geworden als was. In het stof des doods legt Gij mij neer. Als we denken aan de Here Jezus en lezen wat Hij doorgemaakt moet hebben, dan kunnen we dat nooit bij benade­ring ervaren, want het gaat zo diep. Daar komen we niet bij. Een bende boos­doeners staat om het kruis, die zijn handen en voeten doorboren. Zij verdelen zijn kleren onder elkaar. Zien we het onder het kruis? Ze doorboren handen en voeten. Ze verdelen kleren en werpen het lot. Dat is profetie. Dat is aankondi­ging van het lijden en sterven van Messias Jezus. Het is vervulde profetie. Daar worden we blij van. Hoe vaak leven we niet aan de profetie voorbij! Maar vanaf Adam en Mozes en de profeten wordt het uitgelegd. De hele we­reldgeschiedenis is gericht op de komst van de Messias. Hij de verzoener van de zonden. Hij ging die weg. Verschrikkelijk. Wat een vreugde om dan gebor­gen te zijn in Hem. Dan kan de mens je van alles aandoen, maar je bent gebor­gen in Hem. Want het kruis heeft daar ook gestaan voor mij. Het kruis wil daar staan voor iedereen. Iedereen mag vluchten naar het kruis om weer op te staan in nieuwe kracht. We kunnen ons verlaten voelen. Ons hart kan smelten als was. De vijanden kunnen rukken aan de poort, maar God laat ons nooit in de steek. Dat is het evangelie. Niet dat we het zelf kunnen, of iets aan ons heil kunnen bewerken, neen, het is de genade die met grote stromen neerdaalt om ons te verkwikken. Heerlijk om dat te gaan ontdekken in het rijke Woord van God. David wist er van. Hij kende de strijd. Maar nochtans klampte hij zich aan God vast. Dat is de marsroute. Dat is de weg. Gaan!

Psalm 22:23-32

11 mei [2]

22:23

Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen,
In het midden der gemeente zal ik U lofzingen.

22:24

Gij, die de HERE vreest, looft Hem,
verheerlijkt Hem, gij ganse nageslacht van Jakob,…

22:25

Want Hij heeft niet veracht noch versmaad
de ellende van de ellendige,…

22:27

De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden,
wie de HERE zoeken, zullen Hem loven,
uw hart leve op, voor immer.

22:28

Alle einden der aarde zullen het gedenken
en zich tot de HERE bekeren;
alle geslachten der volken
zullen zich nederbuigen voor uw aangezicht.

22:29

Want het koninkrijk is des HEREN,
Hij is heerser over de volken.

22:30

Alle welgedanen der aarde eten en aanbidden;
voor Hem knielen allen die in het stof nederdalen,
en wie zijn ziel niet in leven kan houden.

22:31

Het nakroost zal Hem dienen,
er zal van de Here verteld worden aan het komende geslacht;

22:32

zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
omdat Hij het gedaan heeft.

Wat een profetie. Het zal gaan gebeuren. Het lijkt er misschien niet op, maar het is toch echt waar. Heel de wereld zal Hem loven. Heel de wereld zal moe­ten erkennen dat Hij God is. Heel de wereld zal zich tot Hem bekeren. Dat is een blijde toekomst. Daar kunnen allen die ootmoedig zijn en nu niet serieus genomen worden, omdat de heidenen dit niet willen zien en de machthebbers tekeergaan, zich aan vasthouden. De Messias gaat komen. Zij zullen tegen Hem tekeergaan. Zo is het vroeger gegaan. Ze hebben Hem doorstoken. Ze hebben inderdaad zijn klederen verdeeld. Zij hebben zich tegen Hem gekeerd. God zond zijn Zoon, maar in drie jaar hebben ze Hem uit de weg geruimd. Het lijkt er niet op dat Hij de wereld regeert, welnee. Weg met Hem! Kruisig Hem! Niets mee te maken. Zo lijkt het vandaag ook. Ze willen de Messias niet. Ze willen Hem uit de weg ruimen. Weg met Israël, weg met de christe­nen, zeggen ze. Wij weten wel beter. Wij zullen de aarde wel beheren. En zo nemen de geweldenaars de macht. De primitieven. Ze denken dat ze de wijs­heid in pacht hebben en vervolgen de kleinen en de ootmoedigen. Maar dat zal veranderen. Daarom kan David de HERE loven en prijzen. Hij houdt zich vast aan zijn machtige God, die alles in zijn hand heeft. Want kijk toch eens in de geschiedenis, hoe God met almachtige hand hen uit Egypte geleid heeft. Die God, dat is God. En al gaan de vijanden tekeer, dat blijft de werkelijkheid. Heerlijk toch? Wat een houvast. God hoort het geroep van zijn kinderen. Hij vergeet hen niet. De HERE is groot. Prijs de HERE. Grijp het. Het komt zo maar naar je toe. Looft de HERE.

Psalm 23:1-6

12 mei [2]

23:1

De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets;

23:2

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;
Hij voert mij aan rustige wateren;

23:3

Hij verkwikt mijn ziel.
Hij leidt mij in de rechte sporen
om zijns naams wil.

23:4

Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis,
ik vrees geen kwaad,
want Gij zijt bij mij;
uw stok en uw staf, die vertroosten mij.

23:5

Gij richt voor mij een dis aan
voor de ogen van wie mij benauwen;
Gij zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.

23:6

Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven;
ik zal in het huis des HEREN verblijven
tot in lengte van dagen.

Deze psalm komt zo weldadig naar je toe. Je kunt er wel over blijven naden­ken. Het verheugt je helemaal. Je raakt er door bevangen. Het is zo rustge­vend. Het is zo overtuigend. Je wordt er helemaal vol van. Het komt zo over­stelpend naar je toe. Je voelt je helemaal geborgen. Je bent omringd door alle liefde en goedheid van God. David moet zich op een hoogtepunt van zijn le­ven hebben bevonden. Dat kan op de top van een berg zijn geweest of in een diep dal van duisternis. Want deze psalm omspant het hele spectrum van de hoogte- en dieptepunten van het leven van een mens. Want er gaat niets buiten de almacht van God om. Alles kan tekeergaan. Het kan je heel erg moeilijk gemaakt worden. Je kunt het helemaal niet meer overzien. Maar de HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets.

Maar hoe kan dat nou? Het ontbreekt je aan alles! Je hebt niets. En je hebt al­les! Dat is het grote geheim van de aanwezigheid en de bescherming van God. We zijn in een wereld waar de dalen van de moeiten steeds maar weer opdoe­men. En als ze niet voor jou opdoemen, dan doemen ze wel op voor de wereld om je heen. Er zijn altijd wel dalen voor heel veel mensen op deze wereld. Als wij in de zon leven, dan zijn er zoveel mensen die in de duisternis leven. En waar je ook kijkt, de doodgravers zijn almaar bezig om doden te begraven. De dood heerst in ons leven. Vandaag leven we en morgen sterven we. Als we denken alles onder controle te hebben, dan breekt het ons het andere moment bij de handen af. Zo gaat het almaar door. Zou er nu nooit een einde komen aan al die ellende? Waarom leven we en waarom heeft het allemaal zin? Zo tobt de mens maar voort. En dan, midden in die woestijn, komt dit kleinood, deze psalm, die door de eeuwen de parel is van alle psalmen, op ons af en ver­kwikt ons hart. Een geheime kracht. Gods kracht. Gods ondoorgrondelijke liefde. God, die weet hoe moeilijk wij het kunnen hebben, die Zelf lijdt aan de zonde in de schepping. Alles vergaat, maar Gods Woord houdt stand in eeu­wigheid. En dat woord, dat vecht zich door de woestijn van het leven heen naar de eeuwige zekerheid van de komst van dat eeuwige rijk van recht en ge­rechtigheid, zoals het bedoeld is geweest van den beginne. Je kunt het ook met je verstand doorzien. Het kan niet zo zijn dat we geboren worden om te ster­ven. Het kan niet zo zijn dat de schoonheid van de schepping er alleen maar zou zijn om weer te sterven. De dood loert, als het leven komt. En de dood probeert het leven al in de kiem te smoren. Het is verschrikkelijk. Het is te gek. Wat een ellende. Maar ver daarboven uit is God, die ons in deze psalm optilt en meeneemt in zijn eeuwig Koninkrijk waar het goed rusten is.

Als de HERE inderdaad mijn herder is, dan ontbreekt mij ook niets. Hij leidt mijn leven. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij voert mij aan rus­tige wateren. Dat doet Hij. Alles in ons leven komt van Hem. We moeten het van Hem verwachten. Hij daalt op ons neer. Wij hoeven niet naar Hem om­hoog te klauteren en te ploeteren. Want je bent al moe als je er aan begint. Want op je eigen kracht kom je er nooit. Dan val je steeds weer naar beneden. Neen, het is precies andersom. Hij daalt neer en komt met zijn liefde en al­macht in ons leven wonen. Als we het gaan ontdekken en vanuit Hem leven, dan is er inderdaad ook geen haar op ons hoofd die maar denkt dat wij er iets aan toegevoegd hebben. Dan kunnen we alleen maar in verbazing naar boven kijken en zeggen: Duizendmaal, duizendmaal dank, o HERE. Heerlijk om dat te mogen ontdekken.

Hij verkwikt dan ook je ziel. Hij vernieuwt je denken. Hij leidt je. Hij heelt je. Heerlijk. Heerlijk. En weet je wat er gebeurt? Hij leidt je in rechte sporen. Hij neemt je bij de hand. Deze kant op. Niet links en niet rechts. Nee, rechtdoor, achter Mij aan. Zie op de Here Jezus. Hij droeg het kruis. Hij verzoende onze zonden. Hij wees de weg. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Geloof je het niet? Probeer het maar. Je zult het ontdekken; niet omdat jij zegt, dat het waar is, maar het is de Waarheid. Het is de Weg, het is het Leven. Dan ga je in rechte sporen. Waarom? Niet om mijn naam. Niet omdat ik dat vind, wat denk je wel? Komt helemaal niets van in. Neen! Maar alleen maar om zijns Naams wil. Wij kijken veel te veel van beneden naar boven. We kijken tegen God aan, in plaats dat we gaan staan in de oneindige genade en zegen van de HERE God. Waar moeten we het ook anders zoeken. Dat is een heerlijke ze­kerheid. Want als we dat niet doen, dan staan we in het aanvalsgebied van de tegenstander van God. Want er is oorlog. De duivel gaat rond als een briesen­de leeuw, zoekende wie hij kan verslinden. Hij zal ons almaar aanklagen. En ons in twijfel brengen. Hij komt in ons eigen denken en doen en zegt: Je kunt het niet; wie ben jij wel dat je denkt in Gods genadige zegen te kunnen gaan staan? En dat is ook zo. Wij kunnen het ook niet. Dat moet Hij doen. En Hij doet het ook. Sta in zijn zegen. Stop je eigen geredeneer en je zult ontdekken dat de duivelse stemmen verstommen. Ze gaan weg. Hij zal van je vlieden en je komt in het licht des levens te staan. Heerlijk toch? Om zijns Naams wil. Hoe meer het op je afkomt, hoe enthousiaster je wordt.

Als we denken aan wat er over de herder in de Bijbel gezegd wordt, dan weten we dat er goede en valse herders zijn. Steeds maar weer. Maar Jezus is de Goede Herder. Hij jaagt de huurling weg. Hij luistert niet naar de dwaalle­raars, maar ontmaskert ze. Daar kunnen we nog lang over door schrijven. Maar lees het zelf maar. Je komt het tegen op elke bladzij in de Bijbel. Blijf in de geboden en inzettingen van God. Dan gaat het je goed. Maar doe je het niet, dan haal je zelf het oordeel over je heen. Dan gaat het niet goed. Maar als je vernacht in de schuilplaats van de Allerhoogste, dan ga je ontdekken dat er vrede en rust is temidden van de aanvechtingen en de duistere plaatsen. Want zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij. Hoe is het mogelijk dat je toch blij kunt zijn als je door dit dal van die duisternis gaat? Dat is het geheim van de alles overheersende kracht van God. Hij gaat boven alle pijn en moeite uit. Hij trekt je op in zijn denken en doen. Hij beschermt je, zodat je niet mee­gesleurd wordt in het denken van de dood. Daar staat de Bijbel vol van. Wat een voorbeelden. Wat een getuigenissen elke dag, wanneer we in lijden en sterven velen en velen zien schuilen bij de HERE God. Dat kan toch niet van de mens zelf komen? Dat komt van God zelf. Want God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. Ja, zo is het. Hoe kunnen we anders standhouden in de boze dag? Dat kan alleen als we blijven schuilen bij Hem. En waarom kan dat? Omdat Hij gezegd heeft dat we het niet zullen kun­nen, maar dat we boven bidden en denken geborgen zijn in Hem. Het is dan ook een werkelijkheid. Niet omdat wij dat kunnen, want het breekt ons bij de handen af. Maar omdat Hij ons de kracht schenkt. We kunnen het niet genoeg herhalen. Het komt van God en niet van ons. Want Gij zijt bij mij. Niet ik ben bij God, neen: Gij zijt bij mij. Hij is er. Hij is almachtig. Hij beschermt. Hij weert de pijlen af. Zijn levenslessen vertroosten mij. Zijn stok en zijn staf houden me op het rechte spoor. De herder zet zijn leven in voor zijn schapen. En wee de valse herders. Ik zal die valse herders!, zegt God. En dat doet Hij dan ook. Hij beschermt de zijnen. Heerlijk toch?

En dan gaan de vijanden tekeer. Maar God richt voor ons een dis aan. Hoe kan dat nou? De vijanden schreeuwen en brullen en staan ons naar het leven. En God maakt ons een heerlijke tafel klaar, waar vrede en recht en overvloed van afstraalt. Dat kan toch niet? Ja, en dat is het geheim. Hij doet het. Hij geeft kracht. Hij zet de vijand te kijk. Ze kunnen je van alles aan doen, maar wij blijven getuigen en eten van de rijkvoorziene dis van God. Heerlijk. Wat een zegen. Het kan je dan wel eens te veel worden. Maar Hij is er en Hij blijft er. Hij zalft je hoofd met olie. Heerlijk. Wat een ontspanning. Wat een zegen. Het vloeit over. Alles komt zo weldadig op je af. Alle toestanden om je heen ver­bleken bij die overweldigende aanwezigheid van God. En daar waar God is, daar kan de boze niet zijn. Daar wordt het licht, volledig licht. Daar wordt het leven pas echt leven. Daar ervaar je de totale bescherming en de liefde van God. Wat doen we God toch tekort, door toch steeds maar in ons eigen denken en doen om te blijven tobben. En wat doen we ons zelf tekort, door het maar steeds niet van Hem te verwachten. Maar we hebben een God genadig en lank­moedig en groot van goedertierenheid. Hij laat je als zondaar niet staan.

Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen, al de dagen van mijn leven. Niet wij halen dat heil en de goedertierenheid over ons heen. Neen, het is God Zelf die met dat heil en die goedertierenheid ons zal volgen. Niet zo maar een beetje en zo nu en dan. Neen, al de dagen van mijn leven. Dus altijd. Wande­len in het licht van de HERE God, is wandelen in de stroom van zijn genade en de altijddurende stroom van zijn overstelpende goedertierenheid. Want zo is het toch? Als we niet leven van de genade, dan kunnen we voor Hem hele­maal niet bestaan. Wat is het mensenkind dat Gij zijner gedenkt en het men­senkind dat Gij naar hem omziet? We weten het toch allemaal? En hoeveel komen we niet tekort! Maar Gode zij dank. Ik zal in het huis des HEREN ver­blijven tot in lengte van dagen. Als je dat dan allemaal ziet, dan wil je toch ook niet anders dan tot in lengte van dagen in het huis des HEREN verblijven. En weer kan het niet genoeg herhaald worden. Jij bent het niet die het initia­tief neemt, neen, het is de liefde van God die neerdaalt in ons leven en ons trekt naar Hem toe, om te ontdekken de oneindige genade en liefde van Hem. Wat een rijkdom. Daar kun je je hele leven mee vullen. Daar wil je van verha­len. Daar kun je niet over zwijgen. Daar wordt je leven mee gekleurd. Daarom is er altijd hoop in bange dagen. Er is altijd uitkomst. De HERE is mijn Her­der. Ik kan er niet over zwijgen. Laten we er mee door gaan. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 24:1-10

13 mei [2]

24:1

Van David. Een psalm.
Des HEREN is de aarde en haar volheid,
de wereld en die daarop wonen.

24:2

Want Hij heeft haar op de zeeën gegrond
en op de stromen gevestigd.

24:3

Wie mag de berg des HEREN beklimmen,
wie mag staan in zijn heilige stede?

24:4

Die rein is van handen en zuiver van hart,
die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert.

24:5

Die zal van de HERE een zegen wegdragen
en gerechtigheid van de God zijns heils.

24:6

Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen;
die uw aanschijn zoeken; dat is Jakob.

24:7

Heft, poorten, uw hoofden omhoog,
en verheft u, gij aloude ingangen,
opdat de Koning der ere inga.

24:8

Wie is toch de Koning der ere?
De HERE, sterk en geweldig,
de HERE, geweldig in de strijd.

24:9

Heft, poorten, uw hoofden omhoog,
en verheft ze, gij aloude ingangen,
opdat de Koning der ere inga.

24:10

Wie is Hij toch, de Koning der ere?
De HERE der heerscharen,
Hij is de koning der ere.

Niet ter discussie. Dat staat vast en zeker. Des HEREN is de aarde en haar volheid. Want Hij heeft de aarde gegrondvest. Vast en zeker. Wat een dwaas­heid om maar te denken dat het anders is. Het is vast en zeker. En iedereen die denkt dat het anders is, is een afgodendienaar. Die liegt en spreekt de waar­heid niet. Pas dus op voor al die valse voorlichters die zeggen dat het anders is gebeurd dan door de schepping van God. Ze proberen de mens af te brengen van het geloof in God. En dat zal altijd mislukken, want God schiep de hemel en de aarde en al wat er in is.

Dus wie behoort aan God toe? Dat zijn de mensen die rein van hart en handen zijn. Die de geboden van God onderhouden. Die zijn wil doen. Dan zul je de zegen van de HERE ontvangen. Dan zul je het zien. Dat zal God je duidelijk maken. Daar heerst vrede. Het geslacht dat naar Hem vraagt. Die het aange­zicht van de HERE zoeken. Het is steeds maar weer hetzelfde liedje, herhaling op herhaling: Gods geboden en inzettingen onderhouden, daar is zegen aan verbonden. Dat kan je alleen maar helpen. Daar is het om te doen. Dan ver­wacht je de Koning. Dan zal Hij door de poorten binnengaan. Dan zal Hij zijn rijk van recht en gerechtigheid grondvesten met macht en majesteit. Dan zal de stad feest vieren, want de Koning komt. Wat een Messiaanse psalm. Wat een psalm van de komst van het rijk van recht en gerechtigheid. Hij zal rege­ren. Hij zal met macht en majesteit alles onder zijn voeten leggen. Hij zal bin­nentreden. En iedereen zal het weten. Het gaat gebeuren. Dan zal alles weer zijn zoals het was. En de wet zal uitgaan van Jeruzalem. Alle volkeren zullen weten dat Hij de HERE God is. Wat een zegen. Eén groot feest.

Het is nu al feest in je hart als je de geboden van de HERE God onderhoudt en in zijn wegen wandelt. Want je wandelt op de weg van het eeuwige leven. Want daar gaat het om. Niemand wil toch het feest van de intocht van de grote Koning missen? Hij kwam Jeruzalem binnen. Het was feest. Maar het kruis werd opgericht. Hij weende over Jeruzalem. Lees het toch! We leven in pro­fetische tijden. Dank U HERE, voor al uw vastigheid en al uw zekerheid. Uw profetie staat vast. Vergeef ons toch dat we het zo vaak vergeten en vergees­telijken, terwijl het er toch staat. HERE, help ons het te zien. Dank U wel, HERE God.

Psalm 25:1-22

1 september [1]

25:1

Van David.
Tot U, HERE, hef ik mijn ziel op;

25:2

mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden,
laten mijn vijanden niet over mij juichen.

25:4

HERE, maak mij uw wegen bekend,
leer mij uw paden,

25:5

leid mij in uw waarheid en leer mij,
want Gij zijt de God mijns heils,
U verwacht ik de ganse dag.

25:8

Goed en waarachtig is de HERE;
daarom onderwijst Hij de zondaars aangaande de weg.

25:9

Ootmoedigen doet Hij wandelen in het recht,
en Hij leert ootmoedigen zijn weg.

25:10

Alle paden des HEREN zijn goedertierenheid en trouw
voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren.

25:11

Om uws naams wil, HERE,
vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot.

25:18

Zie op mijn ellende en moeite,
en vergeef al mijn zonden.

25:20

Bewaar toch mijn ziel en red mij;…

25:22

O God, verlos Israël
uit al zijn benauwdheden.

Er kan van alles om je heen gebeuren. Je kunt midden in de grootste proble­men zitten. Je kunt geen soms kant meer op. Je ziet het niet meer zitten. Wat moet ik nu weer doen? En dan komt deze psalm. We weten niet waar David over inzat. Hij heeft heel wat meegemaakt. Hij zat vaak in de knel. Hij wist dat ook zijn hart en leven vol van zonden was. Maar hij ziet steeds weer op de HERE. Hij weet het, en heeft een groot verlangen om steeds dieper ingewijd te worden in de wegen van de HERE. Hij weet dat, als hij volgt wat de HERE verlangt, dat hij dan goed uitkomt. Want zijn wegen zijn goed en vol van goedertierenheid, recht en genade. En dat zijn goede woorden. Dat is een richting waarop het met God wandelen is. Hij beseft dus telkens weer, dat hij alleen maar kan leven uit vergeving. De zonde kleeft ons aan. En dat doet je steeds weer herhalen: O God, wees mij, arme zondaar, genadig. We hebben een genadige God. Want als we met al ons lek en gebrek maar bij Hem schui­len, dan zijn we veilig. Dan weten we ons verzekerd van zijn liefde. Blijf maar dicht bij Jezus. Blijf maar in de vertrouwelijke omgang met Hem. Hij, de Schepper van hemel en aarde. Hij onze Schepper. Daar kan niemand tegen op. Daar gaan de vijanden voor op de vlucht. Die lopen vast. Die komen verkeerd terecht. Die beërven het heil niet. Vast en zeker. Die hebben daar geen recht op. Maar God is met de ootmoedigen en de reinen van hart, de vromen, de rechtvaardigen. Dus ootmoedig, rein van hart, daar moeten we ons naar uit­stekken. Niet naar de snoevers, niet naar de grootsprekers, niet naar de mach­tigen zonder God. Neen, de vertrouwelijke omgang met God. Dat is heerlijk. Dat is veilig.

Dan lezen we ook het slot van de psalm, waar David zegt: O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden. Daar gaat het om. Het gaat in het hele wereldgebeu­ren om David en zijn troon. De belofte. Er zal weer een Koning zijn op de troon van zijn vader David, tot in alle eeuwigheden. Dat is vast en zeker. Glo­rie voor zijn Naam. We zien de voetstappen van de HERE Jezus al. Dank U, HERE.

Psalm 26:1-12

2 september [1]

26:1

Van David.
…op de HERE heb ik vertrouwd
zonder te wankelen.

26:2

Toets mij, HERE, en beproef mij,
keur mijn nieren en mijn hart.

26:3

Want uw goedertierenheid houd ik voor ogen,
en ik wandel in uw waarheid.

26:8

HERE, ik heb lief de stede van uw huis,
de woonplaats van uw heerlijkheid.

26:11

Ik echter wandel in onschuld –
verlos mij en wees mij genadig.

26:12

Mijn voet staat op effen baan –
in de samenkomsten zal ik de HERE prijzen.

Het is heerlijk als je op de HERE vertrouwt. Dat geeft vrede en rust. Waar haal je het vandaan, op Hem te vertrouwen? Het geheim is dat Hij naar je toe­komt. Hij geeft je zijn vrede. Het is niet jouw vrede, maar het is zijn vrede. En je zult het ervaren dat het werkt. Het is geen religieus gepraat. Het is een wer­kelijkheid. Het is een duidelijke leefregel. Indien je het niet doet, dan ben je op het verkeerde spoor. Dan kun je met je verstand ook zien dat je dan niet op het terrein van de liefde bent. Dan ga je de weg van de zonde op. En daar moet je je nu juist van afwenden. Dat kan, want daar geeft God je de kracht voor. Dat kun je ook niet in je eigen kracht, maar als je je uitstrekt naar God, dan kom je in zijn levenskring terecht. Je hebt de HERE lief, omdat je weet dat je dan in je denken, doen en beleven veilig bent. En dat niet slechts op bepaalde terreinen van het leven, maar op alle. Verlos mij en wees mij genadig. Houd mij op een effen baan. In de samenkomsten zal ik de HERE prijzen. Dat zul je dan ook doen. Daar kun je mee verder.

Soms zijn we een eind van de HERE weg. Dan zijn we verslapt en dan merken we het meteen. Dan gaat ook de vrede en de vreugde op de loop. Dat gaat van­zelf. Daarna is het soms heel moeilijk om weer terug te keren. Dat kost in­spanning. Je voelt je schuldig. Je ervaart dat je op het verkeerde pad bent. En dat is ook zo. Maar het geheim is dat we te maken hebben met de grote goe­dertierenheid van God. Die staat niet eerst aan de deur om je door het stof te laten gaan. Die nodigt en opent zijn armen. Je mag zo weer verder zingen, want je weet zelf heel goed hoe de vork verkeerd in de steel heeft gezeten. Daarom wordt in deze psalm ook gesteld dat de dichter bij de vijanden van God weg blijft. Daar is het niet veilig. Daar krijg je last mee. En daar ga je ook mee van God af. Het is allemaal zo simpel dat je haast denkt: zo eenvou­dig kan het niet zijn. Maar het geheim is dat het inderdaad zo simpel is. Dicht bij Jezus blijven, dan ben je veilig. Want Hij heeft alle tegenspraak van de zondaren tegen zich verdragen. Hij heeft de straf op Zich genomen, die wij moesten dragen. Daarom is het veilig schuilen bij Hem. Heerlijke zekerheid. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 27:1-14

3 september [1]

27:1

Van David.
De HERE is mijn licht en mijn heil,
voor wie zou ik vrezen?

27:3

Al legert zich een leger tegen mij,
mijn hart vreest niet;…

27:4

dit zoek ik:
te verblijven in het huis des HEREN
al de dagen van mijn leven,…

27:6

En nu heft mijn hoofd zich op
boven mijn vijanden rondom mij;…

ik wil zingen, ja psalmzingen de HERE.

27:9

Verberg uw aangezicht niet voor mij,…

27:13

O, als ik niet had geloofd des HEREN goedheid te zullen zien
in het land der levenden!

27:14

Wacht op de HERE, wees sterk,
uw hart zij onversaagd; ja wacht op de HERE.

De vijanden kunnen soms tekeergaan en op je af komen. Je ziet het niet meer zitten, weet niet waar heen te vluchten. Je kunt aardig in het nauw komen, maar dan komt het er op aan dat je dicht bij de HERE schuilt. Te weten dat, hoe dicht de vijanden je ook op de hielen kunnen zitten, je toch veilig bij Hem kunt schuilen en Hij je op een hoge rots zet, hoog boven je vijanden. Ook al lijkt het dat je helemaal verzwolgen wordt door de vijanden. Je roept dan tot de HERE dat Hij je staande houdt en je verlost uit de banden van de boze. Iedereen kan je verlaten hebben, ja zelfs je vader en je moeder, maar je blijft op de HERE vertrouwen, want Hij verlaat je nooit.

Het is dan ook heel belangrijk dat je dicht blijft bij het onderricht dat de HERE jou wil geven. En dat onderricht is niet ver weg. Dat onderricht komt door zijn Woord en Geest heel direct naar je toe. Hij wijst je de weg. Hij houdt je op het rechte spoor. Hij verheft je boven je vijanden. Hij blaast de vijanden weg. Ze kunnen tegen je tekeergaan. Ja, ze kunnen zelfs je leven nemen. Maar jij bent in de overwinning, want God is hoger dan alle vijanden. Moge de lering van de HERE je zo dicht nabij komen, dat je in alle omstan­digheden dat vertrouwen mag hebben en houden. Dat is genade. Dat is zijn grote liefde. Dat is zijn leven.

Hij weet hoe we het kunnen hebben. Daarom heeft hij zijn eniggeboren Zoon gegeven, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Wat een grote liefde. En wat een genade dat David in deze psalm ook al zo overtuigd is van die liefde van de HERE, dat hij het hier ook uit kan zingen. Wat een prachtige psalm. Wat zijn de psalmen toch heerlijk! Ik krijg er niet genoeg van. Dank U, HERE.

Psalm 28:1-9

4 september [1]

28:2

Hoor naar mijn luide smekingen,
als ik tot U roep om hulp,
en mijn handen ophef
naar uw binnenste heiligdom.

28:5

Omdat zij niet letten op de daden des HEREN
noch op het werk zijner handen,
zal Hij hen afbreken
en hen niet opbouwen.

28:7

De HERE is mijn kracht en mijn schild;…

28:8

De HERE is hun kracht,…

28:9

weid hen en draag hen tot in eeuwigheid.

De vijand kan dichtbij komen. Maar ik roep tot de HERE. Bescherm mij! Help mij dat ik niet in het kamp van de tegenstander terecht kom. Help mij, HERE. Dank U, HERE, voor uw almacht. Voor uw liefde. Voor uw bescherming. De HERE is mijn kracht en mijn schild. Hij beschermt mij. Hij breekt de godde­lozen af. Hij bouwt hen niet op. Ze kunnen wel tekeergaan, ze kunnen wel proberen om mij af te breken, maar het zal hun niet gelukken. Een veste des heils is Hij voor zijn gezalfde. David weet van de kracht en de almacht van de HERE. Hij twijfelt er niet aan. Temidden van de grote nood waarin hij vaak verkeert, weet hij steeds weer op de HERE te zien, die hem uitredt en boven zichzelf verheft, zodat hij op Hem vertrouwt. Dat is de grote kracht die de HERE wil uitstoten in het leven van iedereen die het van Hem verwacht. Je praat dan vaak tegen jezelf in. Want met je eigen denken en doen denk je dat het een verloren zaak is. Dan weet je niet hoe je de vijand moet weerstaan. Maar steeds opnieuw is het het uitroepen naar de HERE om je te helpen, om niet op de omstandigheden te zien, maar op de almacht van de HERE God. Dan zie je wonderen gebeuren. Want het hele leven is één wonder. Dat kun­nen we zien in het leven van David. Het is telkens de HERE die hem uitredt uit de meest benarde situaties. Daar moet je durf voor hebben. Je moet er wel op uittrekken, maar steeds met het volle vertrouwen op de HERE. Dan zul je ontdekken dat het hele leven een wonder is. Een wonder waar je zelf het meest verwonderd naar staat te kijken. Want van onszelf zijn we niet zulke helden, maar met de kracht van God gaan we ontdekken dat de HERE onze kracht is. En die kracht kan bergen verzetten. Die kracht draagt ons tot in eeuwigheid. Prijs de HERE, mijn Rots. Met Hem springen we over muren! Hij is in onze zwakheid onze kracht.

Psalm 29:1-11

5 september [1]

29:1

Een psalm van David.

29:2

geeft de HERE de heerlijkheid van zijn naam,…

29:3

De stem des HEREN is over de wateren,
de God der heerlijkheid doet de donder weerklinken,
de HERE over de geweldige wateren.

29:7

De stem des HEREN klieft vuurvlammen,

29:8

de stem des HEREN doet de woestijn beven;…

29:9

de stem des HEREN doet de hinden jongen werpen…
Maar in zijn paleis zegt ieder: Ere!

29:10

De HERE troonde boven de zondvloed,
ja, de HERE troont als koning in eeuwigheid.

29:11

De HERE zal zijn volk sterkte verlenen,
de HERE zal zijn volk zegenen met vrede.

Hoe machtig klinkt de donder. De slagen rollen. De bliksem schicht. Het licht van de ene kant naar de andere. De wateren zijn machtig. De regen klettert neer. Het is één grote, machtige manifestatie van het uitspansel. Wie zit daar achter? Het is natuurgeweld. Maar wie geeft het natuurgeweld? Hoe is het allemaal ontstaan? Waar komt het vandaan? We denken niet meer aan de HERE. We denken aan de weermannen, die alles verklaren. We denken aan de wetenschap die bliksem, donder en wolken en regen prachtig gaat verklaren. We denken dan: de bliksemafleider staat op de toren, dan gaat het goed, we hoeven nergens bang voor te zijn. Maar dan slaat de bliksem in. Een machtig vertoon van Gods almacht. God is groot en niet genoeg te prijzen. David wist het in deze psalm. Hij staat midden op het veld en is midden in de donder. Hij zal het vaak hebben meegemaakt. Dan schuilt hij in de spelonken. Dan kan het plotseling uit de hemel neerdalen. Dan worden het kolkende waterstromen, die alles meenemen in hun onstuimige kracht. Niets is er tegen bestand, zo hard regent het. Wat een machtige vertoning van Gods almacht in de natuur. Het is de stem des HEREN over de wateren.

We moeten weer worden als de kinderen, die daar heel bang de hand van de HERE in zien. En het is ook de stem van de HERE. Het is de HERE, die ons weer eens duidelijk maakt hoe de vork in de steel zit. Hij troont boven de zondvloed. Hij is machtig boven het firmament. Hij regeert het grote wereld­gebeuren. Het komt van Hem en wij zullen niet eens in onze hoogmoed ver­klaren hoe God het allemaal gemaakt heeft. We mogen alles verklaren en God wil ons ook alles verklaren, zolang we het ontvangen als een geweldige kracht van boven. We moeten niet van beneden naar boven kijken, maar we moeten met Hem van boven naar beneden kijken. En dat kunnen we. Want we zijn met Christus gestorven en begaven en met Hem opgewekt om met Hem, van­uit de hemelse gewesten, samen met al de heiligen, te zien de vergezichten van de hoogte, de breedte en de diepte van de almacht van Hem. Dan wil je je knieën wel buigen voor die God, om dan in zijn kracht op te staan om met geweldig elan Hem te loven en te prijzen.

Daar begint David dan ook mee. Geeft de HERE de heerlijkheid van zijn Naam. Buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos. Als we eenmaal de almacht van God gaan ontdekken, of beter: er aan ontdekt worden, dan wor­den we almaar enthousiaster. Dan springen we op. Dan gaan we aan het werk. Dan zien we het zitten. We blijven vol bewondering kijken naar die heilige God. De HERE troont als koning in eeuwigheid. De HERE zal zijn volk sterk­te verlenen. De HERE zal zijn volk zegenen met vrede. Dat geldt voor het volk, maar dat geldt ook voor ieder als individu. Want als we de almacht van God gaan ontdekken, dan ontdekken we dat Hij een zegenende God is. Hij wil het goede voor de mensen. Hij komt naar ons toe met zijn onvoorwaardelijke liefde en geduld en kracht. Dan is het zelfs mogelijk om temidden van de grootste strijd liederen tot God te zingen. Dat is het wonder van Gods almacht. Dat wil Hij. Dat doet Hij. Zo is Hij.

Psalm 30:1-13

6 september [1]

30:2

Ik zal U verhogen, HERE, want Gij hebt mij opgetrokken,
en mijn vijanden geen vreugde over mij gegeven.

30:3

HERE, mijn God, tot U riep ik om hulp,
en Gij hebt mij genezen.

30:5

Psalmzingt de HERE, gij zijn gunstgenoten,
en looft zijn heilige naam;

30:6

want een ogenblik duurt zijn toorn,
een leven lang zijn welbehagen;…

30:7

In mijn onbezorgdheid had ik gedacht:
ik zal nimmer wankelen –…

30:11

Hoor HERE, en wees mij genadig,
HERE, wees mij een helper.

30:12

Mijn rouwklacht hebt Gij veranderd in een reidans,…

30:13

opdat mijn ziel U zou psalmzingen, en nimmer verstommen.
HERE, mijn God, voor altoos zal ik U loven.

Je kunt leven en nergens aan denken. Je kunt inderdaad denken dat je nooit iets zal overkomen. Dan ineens is het er, nooit verwacht. Het verandert dras­tisch en radicaal je leven. In mijn onbezorgdheid, zegt David, zal ik nimmer wankelen. En dan gebeurt het. Hij roept de HERE aan in zijn nood. En de HERE redt hem. Hij geneest en trekt hem op uit de groeve. En daarom zal ik U verhogen, mijn leven lang. Als je dat gaat ontdekken in je leven, dan wil je dat ook. Dan zie je ineens hoe het allemaal zit. Dan ervaar je dat je leven en sterven van God afhankelijk is, en niet andersom. We leven, omdat God ons genadig is. Want we verdienen allemaal de dood. Het is de genade van God, die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft maar voor ons allen overgegeven heeft, dat we nog een ademtocht van hem krijgen. Het gaat om het opgetrokken zijn door God. In die bescherming en die veiligheid moeten we blijven. Dan leven we eeuwig. Dan worden we wel aangevallen, maar dan weten we de branden­de pijlen van de boze te weren. Dan kunnen we Hem psalmzingen. Want een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen! God is goed. Hij heeft het eeuwige leven van een ieder van ons op het oog. Daar gaat het om. Het is niet alleen een gedachte, het is een heerlijke absolute zekerheid! Daar zit het leven vol van. Daar staat de Bijbel vol van. Daar zit ik vol van. Daar mag een ieder vol van zitten. Hoe? Heel eenvoudig: laat je volstromen met de liefde en de waarheid van God. Niets meer en niets minder. En dat doet David. En dat doen wij. Opdat mij ziel U zou psalmzingen en nimmer verstommen. HERE, mijn God, voor altoos zal ik U loven. Wat een leven. Leven in het al­toos loven van de HERE God, dat kan niet anders, dan je hart en je leven vul­len met blijdschap. Dat kan niet anders, dan dat je de zorgen en de moeiten waar het leven vol van is, wegduwt en je laat vullen met die onvoorstelbare, onverklaarbare eeuwige rust en vrede in je hart waar je zelf versteld van staat. Dat is leven. Leven vanuit de eeuwige genade van God die in zijn grote liefde naar jou heeft omgezien, omdat hij niet wil dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Glorie voor zijn Naam. Dank U, HERE.

Wat een vreugde, wat een feest. David is gered vanuit de groeve. Hij riep de HERE aan in zijn nood. Dat mogen wij ook doen. We mogen roepen uit de nood van ons leven. We mogen Hem aanroepen en pleiten op zijn Woord. Want God is een God van genezing. Hij wil gebeden zijn. Hij wil dat we heel concreet de vragen bij Hem neerleggen met een oprecht hart. En Hij hoort. Want zal een vader stenen voor brood geven als zijn kind Hem om brood vraagt? Wat een domme vraag! De vraag is het antwoord: Gods weg is de bes­te. De beste, altijd. Daar gaat het om. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Wat zit er een zegen in. Wat kan het me troosten. Wat maakt het me afhanke­lijk van U. Dank U.

Psalm 31:1-9

7 september [1]

31:2

Bij U, HERE, schuil ik…
Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid,…

31:4

want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting,…

31:5

want Gij zijt mijn veste.

31:6

In uw hand beveel ik mijn geest;…

31:8

Ik wil juichen en mij verheugen over uw goedertierenheid,
daar gij acht hebt geslagen op mijn ellende,…

31:9

Gij toch hebt mij aan de vijand niet prijsgegeven,
Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan.

Je kunt vreselijk in de nood zitten. Je kunt het niet meer zien zitten. Je kunt denken: Hoe red ik me hier ooit uit. Het gaat verkeerd. Zo kan het niet langer. Wat moet ik nu doen? O HERE, help me. Het wordt steeds moeilijker. De mensen zijn tegen je. Alles breekt je bij de handen af. Ze haten je. Ze geven je geen kans. Ze vervolgen je, en wat dies meer zij. Dan komt de roep om hulp in de ellende. God waar bent U? God, help me. God, laat me niet in de steek. Ik heb het zo moeilijk. HERE, red mij van de strik van de vogelvanger, laat mij niet omkomen in de verdrukking. Red mij HERE, want U bent mijn God. U bent mijn schuilplaats. U bent mijn veste. Bij U ben ik veilig. Bij U ben ik ge­borgen. Mij kan niets overkomen. Ze kunnen tekeergaan, en wat kunnen ze niet tekeergaan, maar Gij zijt bij mij. Daarom schuil ik bij U. Ik weet: daar ben ik veilig. Daar kan niemand mij te pakken nemen. Daar moet ik blijven en vernachten in de schaduw van de Allerhoogste. God is goed. Hij laat je niet in de steek. Je kunt het moeilijk hebben met de omstandigheden waar je in te­recht bent gekomen, maar God houdt je vast. Hij is lankmoedig en groot van goedertierenheid. De vijanden kunnen het op je aanleggen maar Gods bescher­ming, daar kan niemand tegen op. Dat is een veste. Dat is een burcht. Die is onneembaar, die is veilig. Wat een heerlijke gedachte.

David weet wat het is om achtervolgd te worden. Hij weet wat gevaar is. Maar hij weet ook wat wonderlijke uitreddingen zijn. Hij weet wat zijn God kan. Wat het betekent om in de nood op God te vertrouwen. Met mijn God spring ik over muren. Want je kunt het benauwd hebben, maar dan ineens is daar de kracht van God. Je krijgt vleugels als een arend. Dan word je als het ware op­getild boven jezelf uit en dan vlieg je op de vleugels van Gods wind. Dan word je onaantastbaar, want dan ben je geborgen in Christus bij God. Dat is een heerlijke gedachte. Dat betekent niet dat je het niet benauwd kunt hebben. Dat je het niet uitschreeuwt naar God. Dat je helemaal ervaart, dat alleen God het is Die er wat aan kan doen. Hoe vaak zijn we niet in zo’n situatie? Maar dan komt God. En Hij redt je. Hij redt je in alle omstandigheden van het leven, want Hij laat je nooit in de steek. Hij weet wat vijanden je kunnen aandoen.

En de laatste vijand is de dood. Die komt onherroepelijk. Je weet nooit wan­neer. Maar dan kun je toch rustig en stil in Hem zijn, omdat je weet dat de dood je wel tracht te halen, maar dat je over de dood heen geborgen bent in Hem. Want het is waar. Niets kan je scheiden van de liefde van Christus, die alles vermag. Het woord ‘rots’ valt herhaaldelijk. Jezus, de Messias is de rots, op Wie je kunt bouwen. Dan sta je vast. Dat is vijandbestendig. Daar kun je het eeuwige leven aan verbinden. Een heerlijke gedachte. Dat stijgt uit boven al het aards gewriemel; de kleine dingen die ons zo bezig kunnen houden. Dat zijn de nietigheden van de mens, waar je niet mee verder komt. Maar op God kun je bouwen. Zijn goedertierenheid is eindeloos. Hij redt je. Hij helpt je. Hij houdt je vijanden op een afstand. Het is goed om in Zijn goedertierenheid te leven. Glorie voor God! Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan. En mijn vijanden kunnen wel van alles denken, maar U bent overwinnaar. Vast en zeker.

Psalm 31:10-19

8 september [1]

31:10

Wees mij genadig, o HERE, want ik ben benauwd;
van verdriet verkwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam.

31:11

Want mijn leven vergaat in kommer en mijn jaren in zuchten,
mijn kracht struikelt door mijn ongerechtigheid,
en mijn gebeente verkwijnt.

31:12

wie mij op straat zien, vluchten voor mij weg.

31:14

terwijl zij met elkander tegen mij beraadslagen,
smeden zij plannen om mij het leven te benemen.

31:15

Maar ik vertrouw op U, HERE,
ik zeg: Gij zijt mijn God.

31:16

Mijn tijden zijn in uw hand, red mij
uit de hand van mijn vijanden en vervolgers.

31:17

Doe uw aanschijn lichten over uw knecht,
verlos mij door uw goedertierenheid.

31:18

laten de goddelozen beschaamd worden,
tot zwijgen gebracht in het dodenrijk.

31:19

Laten de leugenlippen verstommen,
die tegen de rechtvaardige verwaten spreken,
met trots en hoon.

Het gaat niet best. Wees mij genadig, want het gaat niet goed. Ik kwijn weg. Ik ga zienderogen achteruit. Het leven trekt weg, vanwege mijn ongerechtigheid. En mijn vijanden gaan tekeer. Ze beraadslagen hoe ze mij uit de weg kunnen ruimen. Ze hebben alleen maar kwaad in de zin. Ik zie het niet meer zitten. HERE, red mij uit mijn benauwdheden. HERE, laat mij niet in de steek. Zo begint dit tweede deel van deze psalm. Maar als een contrast komt dan: Maar ik vertrouw op U, HERE. Zo is dat. Dwars tegen alle ellende en achtervolging en alle verdachtmaking in. Gij zijt mijn God. Mijn tijden zijn in uw hand. U weet wanneer mijn einde gekomen is. Ik voel me ellendig. Ik verkwijn. En als het uw tijd is, dan is het uw tijd, want mijn tijden zijn in uw hand. Wat een goddelijke berusting. Wat een geloofskracht temidden van allerlei tegenslagen en ellende. Dan staat als een huis: Gij zijt mijn God. Punt uit. Dat is mijn ijk­punt. Dat is mijn koers. Mijn baken. Mijn licht in de duisternis. Dank U HERE. Dat is de erkentelijkheid, waar we uit mogen leven, waar we kracht uit kunnen putten. Verlos mij HERE, uit de hand van mijn belagers. Uw goeder­tierenheid is over mij. Laten de goddelozen tot zwijgen gebracht worden in het dodenrijk. Nu kunnen ze nog denken dat ze het voor het zeggen hebben. Maar U weet beter en ik weet ook beter. U rekent met hen af. Vast en zeker. Zij zul­len verstommen. Nu spreken ze nog hooghartig en verwaten tegen de recht­vaardige, maar dan is het afgelopen. Eens en voor altijd. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Toen niet en nu ook niet. Heerlijk evangelie. We kijken verder dan onze neus lang is. Wij kijken over de dood heen. Wij hebben een dimen­sie meer. Het is de goddelijke dimensie, omdat we met Hem zijn opgewekt. Met Hem mogen we vergezichten zien van Zijn oneindige liefde en eeuwig koninkrijk van recht en gerechtigheid, waar we reikhalzend naar uit mogen zien. Ook al moeten we in dit tranendal nog van alles doorstaan.

Ieder heeft zo zijn deel te dragen. Maar we weten dat het zeker is, dat aan deze wereld een einde zal komen en dat recht en gerechtigheid, met de nieuwe he­mel en de nieuwe aarde, zullen nederdalen. Dan zullen we in een punt des tijds veranderd worden en altijd met de HERE zijn. Dat gaat door heel veel strijd heen. Daar weet David van mee te praten. Daar weten de geloofshelden en de martelaren van mee te praten. Maar in al die mensen zullen wij de diepte en breedte, hoogte en rijkdom zien van Christus. Dat weten we nu al. Dan zullen we ten volle zien, wat een heerlijke toekomst. Het is waar, dus blijf bij die waarheid.

Psalm 31:20-25

9 september [1]

31:20

Hoe groot is het goed
dat Gij hebt weggelegd voor wie U vrezen,…

31:21

Gij verbergt hen in het verborgene van uw aanschijn
voor de samenscholingen der mensen;…

31:22

Geprezen zij de HERE,
want Hij heeft mij wonderbare goedertierenheid betoond
in de gloed der benauwdheid.

31:24

Hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten;
de HERE bewaart de getrouwen,
maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen.

31:25

Wees sterk en uw hart zij onversaagd,
gij allen, die op de HERE hoopt.

Dan komt de psalm tot een einde. Tot een conclusie. Het is ook de cadans van de dichter David. Hij is het die steeds maar weer ervaart, dat God goed is voor wie Hem vrezen. Hij heeft een schat voor hen bewaard. Geprezen zij de HERE, want Hij betoont Zijn goedertierenheid. Daar hoef je niet aan te twijfe­len. Hij verbergt je in het verborgene van zijn aanschijn. Daar zijn we veilig. Daar kan geen vijand komen. Daar lopen ze allemaal op stuk en zo moet het ook. Hoe kunnen we anders staande blijven in deze strijd, als we niet onvoor­waardelijk kunnen rekenen op de goedertierenheid en bescherming van God. Dat kan toch niet anders. Neen, dat kan inderdaad niet anders. God omringt je van voren en van achteren. Je bent onaantastbaar. Je bent gewapend in de geestelijke wapenrusting en alle brandende pijlen van de boze ketsen af. Dat is nog eens een bescherming. Als wij denken, ik ben verbannen uit zijn ogen, is Hij daar om ons te beschermen. In het heetst van de strijd geeft Hij ons de kracht om staande te blijven en het geeft dan niet wat voor strijd dat is. Het is God die je nooit met Zijn goedertierenheid in de steek laat. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Wat een genadige en beschermende God.

Daarom, hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten. We zijn genoten van zijn gunst. De HERE bewaart de getrouwen. Dat is vast en zeker. Daar hoef je niet aan te twijfelen, en dat doe je dan ook niet. Maar Hij vergeldt de trotsen. Dat is ook zeker. Dus pas op dat je niet bij de hoogmoedigen, bij de trotsen hoort. Laat je niet in de war brengen. Blijf bij God, wat er ook gebeurt. Laat je niet verleiden om in het kamp van de tegenstander terecht te komen, want dan kom je verkeerd uit. Hoe groot kan de verleiding niet zijn. Want het lijkt er vaak op dat de trotsen het beter hebben, dat het hen voor de wind gaat. Zij doen alsof ze de wereld in hun macht hebben en kijken neer op de kleinen, de ootmoe­digen. Maar de werkelijkheid is precies andersom. God ziet de zijnen. Hij is bij de verbrokenen van hart. De nederigen van Geest. Hij laat de gevangenen vrij. Hij troost de treurenden. Hij is daar waar de nood is. Hij laat de zijnen nooit in de steek, dat is een werkelijkheid waar we ons steeds weer naar moe­ten uitstrekken. En zijn we het kamp van de tegenstander genaderd, dan moet je je altijd weer indenken hoe het ook al weer was. Want de trotsen houden er een korte termijn politiek op na. Ze komen en ze gaan. Ze zijn als het gras, maar het Woord van God blijft tot in eeuwigheid. Daar kun je op bouwen. Dat is levend en krachtig. Dat scheidt vanéén. Dat is een licht op je pad en een lamp voor je voet. Opdat je niet struikelt, maar het licht des levens hebt. Dus wees sterk en onversaagd. Gij allen die op de HERE hoopt. Prijs de HERE!

Psalm 32:1-11

10 september [1]

32:1

Welzalig hij, wiens overtreding vergeven,
wiens zonde bedekt is;

32:2

welzalig de mens,
wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.

32:3

Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg…

32:5

ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden,
en Gij vergaaft de schuld mijner zonde.

32:6

Daarom bidde iedere vrome tot U
ten tijde dat Gij U laat vinden;…

32:7

Gij bewaart mij voor benauwdheid,…

32:8

Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet;

Ik raad u; mijn oog is op u.

32:10

Talrijk zijn de smarten van de goddeloze,
maar wie op de HERE vertrouwt,
die omringt Hij met goedertierenheid.

32:11

Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen;
jubelt allen, gij oprechten van hart.

Zo is het. Belijd je zonden. Je kunt er lang over doen of je kunt er kort over doen. Je kunt van allerlei smoezen naar voren halen om het niet te doen. Je kunt je eigen gelijk willen verdedigen. Je kunt je schoon praten. Je kunt dit of je kunt dat, maar het komt erop neer dat God alles ziet. Hij kent je zitten en je opstaan. Hij kent van verre je gedachten. Als je denkt dat je iets voor God kunt verbergen, vergeet het maar. Het ligt allemaal open voor Hem. Dat is niet bedreigend maar dat is bevrijdend. Want als dat dan zo is, dan hoef je je ook niet in allerlei bochten te wringen, kom er dan maar mee voor de draad en belijd je zonden. Want Hij is een vergevend God. Hij wil niet dat de zondaar verkwijnt of ten onder gaat. Hij wil redden en behouden. En het is bevrijdend als je je ongerechtigheden voor de HERE belijdt. Dat heeft David ervaren. Op zonde komt de straf, maar het offer van de HERE Jezus reinigt ons van alle zonden. Er komt geen einde aan de vergevende genade van God. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

Dat is God. Hij gaf alles wat Hij had. Want Hij weet hoe hardnekkig de duivel is om de boel kapot te maken. Die kan je stuk maken voordat je je zonden be­lijdt. Die zal alles doen om te voorkomen dat je je zonden belijdt. Die zal er alles aan doen om je in de zonde te houden. En daar weten we allemaal van. Daarom is deze psalm een heerlijke, eerlijke, openbarende, psalm. Want het is waar, dat als we onze zonden niet belijden, ons gebeente wegkwijnt, dat het ons drukt. Je kunt het wegdrukken – en hoe gewiekst zijn we daar niet in – maar het vreet aan je. Je merg verdroogt, staat er, als in zomerse hitte en je wordt er niet blij van. Het neemt je krachten weg. Het is de drukkende liefde­volle hand van God die zegt, doe toch niet zo stom, kom er mee voor de draad. Je weet toch dat Ik een vergevend God ben. Maar je moet er wel mee komen. De boze krachten in je leven moet je krijgsgevangen maken door het bloed van Jezus. Dat is de verlossende kracht, waarmee je gered door het leven kunt. Dat geeft je blijdschap en kracht, volharding, weerstand en alles wat goed is. Dat geeft je liefde en vrede in je hart, omdat God in je woont.

Daarom bidde iedere vrome tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden. Zo moet ons gebed zijn. HERE, ik wil U aanroepen en bidden om vergeving. Ik wil U dan­ken voor het offer van uw Zoon. Gij zijt een vergevend God. U laat een bidder nooit in de steek. Want als wij onze zonden belijden, dan bent U een verhoor­der van gebeden. Dan komt U en herstelt U. Dan mogen we grote dingen ver­wachten. Dan kunnen de vijanden komen met een stortvloed van geweld en aanvallen, maar die zullen mij niet kunnen grijpen. Want U bent de overwin­naar. God is goed en nooit genoeg te prijzen Heerlijk Evangelie.

God leidt je op die weg. Uw Woord is de waarheid. Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Ik zal niet struikelen. U houdt mijn hand vast. Ik leer u, Ik onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet. Wees gehoorzaam! Talrijk zijn de smarten der goddelozen, maar als je op de HERE vertrouwt, omringt Hij je met goedertierenheid. Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt, allen, gij oprechten van hart. Het is feest in je hart en in je leven. Niets kan je scheiden van de liefde van God. En wat kan het tekeergaan in je leven, maar Gode zij dank, God laat je nooit in de steek. Het is feest. Zie je de feestgangers? Zie je de hemel? Hoor je het eeuwig halle­lujakoor. Het is al feest en het wordt steeds mooier. Glorie voor uw Naam!

Psalm 33:1-22

11 september [1]

33:1

Jubelt, gij rechtvaardigen, in de HERE…

33:3

Zingt Hem een nieuw lied,…

33:4

Want des HEREN woord is waarachtig,…

33:5

Hij heeft gerechtigheid en recht lief,
de aarde is vol van de goedertierenheid des HEREN.

33:6

Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt,…

33:7

Hij legt watervloeden in schatkamers op.

33:8

De ganse aarde vreze voor de HERE,…

33:9

Want Hij sprak en het was er,
Hij gebood en het stond er.

33:10

Hij verijdelt de gedachten der natiën;

33:11

de raad des HEREN houdt eeuwig stand,…

33:12

Welzalig het volk, welks God de HERE is,
de natie, die Hij Zich ten erfdeel koos.

33:13

Hij slaat alle mensenkinderen gade;…

33:15

Hij, die hun aller harten vormt,…

33:16

Geen koning wordt behouden door een machtig leger,…

33:18

Zie, des HEREN oog is op hen die Hem vrezen,…

33:20

Onze ziel verwacht de HERE,
Hij is onze hulp en ons schild.

33:21

Ja, in Hem verheugt zich ons hart,
ja, op zijn heilige naam vertrouwen wij.

33:22

Uw goedertierenheid, HERE, zij over ons,
gelijk wij op U hopen.

Deze psalm zou je uit je hoofd moeten leren. Want het is inderdaad waar. Het komt allemaal van de HERE. Hij heeft de hemel en de aarde geschapen, de zee en al wat daar in is. Hij heeft de zon en de maan gesteld, Hij heeft de zeeën gemaakt. En zie het was zeer goed. Het is prachtig. Hoe kunnen we niet genieten van de schoonheid van de schepping? Kunnen wij iets toevoegen aan de golven? Kunnen wij de kolken van de waterstromen tegenhouden? De gan­se aarde vreze voor de HERE. Want als wij moeten erkennen, dat het niet onze kracht is die de aarde gemaakt heeft, maar dat het door de adem van zijn mond is gebeurd, dan mogen we wel eens een toontje lager zingen. God sprak en het geschiedde. Zijn Woord is de waarheid. Maar wij zijn vaak eigenzinnig. Wij denken dat het allemaal met ons verstand is te doorzien. Dat is een drogreden. Zo werkt dat niet. Het is belachelijk om dat te denken. Het is het meest van­zelf sprekende dat er een God is, Die alles gemaakt heeft. Dan moet ons eigen ik capituleren en dat is moeilijk. Dan gaan we er zelf aan. Dan zit er iemand anders op de troon.

We kunnen de HERE loven en prijzen. Hem een nieuw lied zingen. Want Zijn Woord is waarachtig. Daar word je blij van en het maakt je vrolijk. Want dan zie je alles in het perspectief van Hem, van zijn grootheid en luister en maje­steit. Heerlijk is zijn Naam! Hij zit ook vandaag op de troon. Hij spreekt en het gebeurt.

En dan verbreekt de HERE de raad der volken. Hij verijdelt de gedachten der natiën. De raad des HEREN houdt eeuwig stand. En die raad, die hoger is dan onze gedachten, bepaalt het wereldgebeuren. Die volvoert zijn plan en zijn plan is te lezen in zijn Woord. Daarom lezen, lezen en nog eens lezen. Elke dag maar weer. Niet als dwang, maar genieten van en studeren in de openba­ring die in zijn Woord staat. Als een houvast. Om zicht te krijgen op Hem. Want we moeten eens en vooral weten dat wij niet de Bijbel lezen, maar dat de Bijbel ons leest. God leest ons. Hij kent onze harten, Hij ziet van uit Zijn hoge hemel de harten van alle mensen aan. Hij doorgrondt al onze werken. Wat een kracht. Wat een grootsheid. Want Gods ogen doorlopen de ganse aarde om krachtig bij te staan, hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Hoe is het mogelijk, maar het is waar. En Messias Jezus zei, toen de discipelen bedroefd waren omdat Hij moest lijden en sterven: Het is beter dat Ik heenga, want al Ik heenga dan komt de Trooster, de Heilige Geest en Die zal altijd bij u wonen. Deze zal u de weg der waarheid aanwijzen. Hij zal u openbaren wat gij weten moet. En zo is dat. Hij wijst ons de weg. Wij zijn geborgen in Christus in God. Wat een zekerheid, een rust geeft dat, om te weten hoe de koers van ons leven is. Het is éénrichtingsver­keer naar de Hemelpoort. Prachtig! Heerlijk! Daar word je blij van. Glorie voor zijn Naam! Prijs de Heer!

Het zijn niet de legers der volken die de overwinning behalen. Neen, het is de HERE Die de legers leidt en in zijn plan laat passen. Het heeft alles te maken met de voleinding der wereld. Daar is alles wat op aarde gebeurt aan onder­hevig. Daarom is het belangrijk om je hart en je hoofd opwaarts te heffen en op Jezus te zien. Zie, des HEREN oog is op hen die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Om hun ziel van de dood te redden, en hen in het leven te houden zelfs in de felste nood.

Onze ziel verwacht de HERE, Hij is onze hulp en ons schild. Ja, in Hem ver­heugt zich ons hart, ja, op Zijn heilige Naam vertrouwen wij. Uw goedertie­renheid, HERE, zij over ons, gelijk wij op U hopen.

Psalm 34:1-23

12 september [1]

34:1

toen hij zich bij Abimelech als een waanzinnige gedroeg,…

34:2

Ik wil de HERE te allen tijde prijzen,
bestendig zij zijn lof in mijn mond.

34:5

Ik zocht de HERE en Hij antwoordde mij.
Hij redde mij uit al mijn verschrikkingen.

34:8

De Engel de Heren legert Zich
rondom wie Hem vrezen, en redt hen.

34:9

welzalig de man die bij Hem schuilt.

34:10

want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.

34:11

maar wie de HERE zoeken,
hebben geen gebrek aan enig goed.

34:12

ik zal u de vreze des HEREN leren.

34:14

Bewaar uw tong voor het kwade…

34:15

wijk van het kwade en doe het goede,
zoek de vrede en jaag die na.

34:16

De ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen,…

34:17

het aangezicht des HEREN is tegen hen die kwaad doen,…

34:19

De HERE is nabij de gebrokenen van hart
en Hij verlost de verslagenen van geest.

34:20

Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige,
maar uit die alle redt hem de HERE;

34:21

Hij behoedt al zijn beenderen,
niet één daarvan wordt gebroken.

34:23

De HERE verlost de ziel van zijn knechten,
allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten.

Als er één was die weet wat het is om in de ellende en de druk te zitten dan is het David wel. Wat heeft hij in de rats gezeten, toen Saul achter hem aanzat en hem probeerde te doden. En later de ruzie in zijn familie met zijn zoon Absa­lom. Wat heeft hij meegemaakt toen hij verkeerd ging met Bathseba. Het kost­te hem het kind. Dat is verschrikkelijk en daar word je toch moedeloos van. Dan zie je het toch niet meer zitten. Dan kun je niet meer bidden. Dan geef je God de schuld. Dan roep je waarom, met een verwijtende gedachte naar God, want God is toch een God van wonderen? Hij kan er toch wat aan doen en zo is het ook. God doet grote wonderen. Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt God is goed en niet genoeg te prijzen.

Maar deze psalm, zoals zo vele psalmen, beginnen met de HERE God te lo­ven. Want als je gaat ontdekken, dat God alleen maar het goede wil geven aan hen die tot Hem roepen, dan besef je dat het kwaad niet van God komt, maar dat Hij je wil steunen en helpen om door dit tranendal heen te komen. Het gaat er alleen maar om, dat je sterk in Hem wordt. Dan ontdek je dat Hij het is Die in de strijd van jouw leven naast je staat en je vasthoudt en je met zijn Woord en Geest op het pad der waarheid en redding houdt. Een heerlijk evangelie. Hij gaf Zijn Zoon in de dood om onze zonden te verzoenen. Want waar zonde is, is straf. En wij verdienen de dood. Er moet geofferd, verzoend worden. Dat is de weg naar de vrijheid en de bevrijding. Waar schuld beleden wordt, daar ontstaat nieuw leven. Daarom roept David het hier ook uit, na de gebeurtenis bij Abimelech. Ik beroem mij in de HERE. Laten de ootmoedigen het horen en zich verheugen. Let niet op de schreeuwerige hoogmoedigen, die je er onder proberen te werken. God zit op de troon. God is met de ootmoedigen van hart. Dat is wat David ervaren heeft in al zijn strijd en daar heeft hij het hier over. Daarom kunnen we de HERE te allen tijde prijzen.

De Engel des HEREN legert zich rondom wie Hem vrezen en redt hen. Heeft u er wel eens aan gedacht dat de Engel des HEREN zich rondom ons legert? En dan Hij ons redt. Het staat hier toch, dus het is zo! Soms openbaart die Engel des HEREN zich ook. Er zijn verschillende voorbeelden in de Bijbel waar dat gebeurt. God is goed. Hij openbaart zich door zijn Woord en Geest. En de Geest woont in ons. Dat is een onvoorstelbare werkelijkheid. Dat is de waarheid van waaruit wij mogen leven. Jezus in je hart. Waar je ook bent, daar is Jezus en Hij openbaart Zijn kracht in onze zwakheid. Hij troost ons. Hij beschermt ons juist op die plaatsen en momenten, dat het heel moeilijk is. De HERE is goed. Vreest de HERE, gij, zijn heiligen, want wie Hem vrezen hebben geen gebrek. Je zult volledig ervaren dat je het goed hebt. Wie de HERE zoeken hebben geen gebrek aan enig goed. Je verheugt je in de HERE. Dat is je vreugde. Dat is je goed. Waarom zijn wij toch vaak helemaal vastge­ketend aan zaken die ons helemaal in de greep hebben? Daar gaan we dan ook geestelijk aan kapot. Het is onvoorstelbaar.

Kom dan ook. Ik zal je de vreze des HEREN leren. Dan moet je leven en je tong voor het kwade bewaren. Wijk van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na. Dat is duidelijke taal. Dat heeft niets met vrezen te ma­ken. Dat is gewoon doen wat God zegt. De geboden van God zijn goed voor alle mensen. Gewoon doen wat Hij zegt. Heerlijk evangelie. Doe het maar, dan zul je zien dat het werkt.

Want de ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren op hun hulpgeroep. Zou God ons dan niet horen? Hij hoort ons. Hij is dicht bij ons. Hij redt ons uit alle benauwdheden. Ze kunnen je leven nemen, maar God blijft in je leven. Hij is je redding. God is goed! De HERE is nabij de gebro­kenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest. Dat is Messiaanse taal. Hij kwam voor de verbrokenen van hart. Hij zet de gevangenen vrij. Hij troost de ootmoedigen. Zalig zij, die vervolgd worden om mijns Naams wil. Hij is bij hen. Het is de grote troost en zekerheid dat God altijd bij ons is. Hij helpt ons. Hij verlost ons. Hij richt ons op. Talrijk zijn de rampen van de rechtvaar­dige en je denkt waar moet dat heen. Maar uit alle redt de HERE. Want Hij laat je nooit in de steek. Hij bouwt je op. Hij behoedt al je beenderen, niet één daarvan wordt gebroken. Dat brengt ons bij het kruis. Ze braken zijn beende­ren niet. Het is Messiaanse, profetische taal, in deze psalm. Het is de aankon­diging, de bevestiging van onze redding, door het bloed van het Lam aan het kruis. Het is vast en zeker. En het is geschied. Het is volbracht. De verlossing is zeker. Heerlijk evangelie. Prijs de HERE! God is goed!

Het onheil doodt de goddeloze en wie de rechtvaardigen haten, zullen er voor boeten. Hun rijk van trots en hoogmoed zal vallen. Het zal daarmee afgelopen zijn. Gods Koninkrijk breekt baan. De HERE richt Zijn Koninkrijk op. Hij komt met duizelingwekkende vaart. Het is fantastisch. Het is heerlijk. Glorie voor zijn Naam! We kunnen er met deze psalm weer tegen. Rustig blijven in de bescherming en de almacht van God. Niet naar links of naar rechts buigen, maar naar de stem luisteren die achter jou je wijst om op zijn pad te gaan. Want zijn Woord is een lamp voor je voet en een licht op je pad. Vertel Hem je plannen, dan zal Hij je paden recht maken. Zo werkt het. Je moet het ge­woon in praktijk brengen. En word je van de weg af getrokken, klauter er weer op. Want Hij trekt je met de koorden van zijn liefde. Hij laat je niet vallen. Hij staat altijd met de reddingsboei van zijn reddende liefde klaar. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

Psalm 35:1-18

13 september [1]

35:1

Twist, HERE, tegen wie met mij twisten,
bestrijd wie mij bestrijden.

35:3

zeg tot mijn ziel: Ik ben uw verlossing.

35:5

Laten zij worden als kaf voor de wind,
wanneer de Engel des HEREN hen neerstoot;…

35:7

zonder oorzaak dolven zij een kuil voor mijn leven.

35:8

het net, dat hij verborgen had, vange hemzelf,…

35:9

Maar mijn ziel juicht in de HERE,
jubelt in zijn verlossing;

35:10

al mijn beenderen zeggen:
HERE, wie is als Gij,…

35:13

ik verootmoedigde mij met vasten,…

35:14

zo liep ik rond;
in het zwart gaande als in rouw over een moeder,
zo boog ik mij neder.

35:16

Een kring van goddeloze spotters
knarsten de tanden tegen mij.

35:17

Hoelang, Here, zult Gij toezien?
Verlos toch mijn ziel van hun verwoestingen,…

35:18

Dan zal ik U loven in een grote gemeente,
onder een geweldige schare U prijzen.

Laten beschaamd en te schande worden, wie mij naar het leven staan. Twist, HERE, tegen wie met mij twisten, bestrijd wie mij bestrijden. Dat is duide­lijke taal. Dat is God oproepen en op zijn Woord vertrouwen. Hij zal ons niet verlaten. Hij zal ons beschermen. Hij zegent hen wie op Hem hopen. Dat zijn de zegenende en beschermende woorden van God. Je bent geborgen in Chris­tus in God. Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld, heeft Hij beloofd. De HERE is nabij de gebrokenen van hart. Hij laat de zijnen niet in de steek. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Het zijn de woorden van de Bijbel. Het zijn de woorden van God. Het zijn de zegeningen, die van Hem neerdalen op ons en ons oprichten en staande houden in de strijd. Het is een strijd, want de tegenstander van God gaat tekeer als een briesende leeuw, zoe­kende wie hij kan verslinden. We hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de boze machten in de hemelse gewesten. Laten we niet bang zijn, maar ons oog richten op Jezus, onze overste Leidsman en Verlosser. Strekt dan de knikkende knieën en maakt een recht spoor, opdat hetgeen kreupel is, in het lid gerake. Wat een oproep en troostende en bewarende woorden. We moeten niet bang zijn. We moeten sterk en moedig zijn. God is aan onze kant.

David twijfelt er ook niet aan dat God de goddelozen neerslaat. Die kunnen wel denken dat zij de macht in handen hebben. Maar zo is het niet, want God is almachtig. Hij spreekt en de goddeloze is uitgeroeid. Het lijkt of de meer­derheid de minderheid knecht. Wat zouden we moeten doen als God niet zou ingrijpen? Maar God is goed en niet genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam! We moeten nooit twijfelen aan de almacht van God. We kunnen in de druk zitten. We kunnen in rouw rond gaan, in zak en as. We kunnen vastende de nood bij de HERE brengen, maar we moeten nooit denken dat God niet bij machte is om een einde te maken aan de verdrukking. God is goed. God is machtig. Strijd, HERE, die met mij twisten. HERE, doe er wat aan! HERE, help mij! HERE, laat mij niet in de steek! HERE, hef de bazuin! HERE, ga de strijd aan! En de HERE strijdt, want Hij heeft alles geweldig geschapen. We kunnen de HERE loven en prijzen, want Hij is goed. “Mijn ziel juicht in de HERE, jubelt in zijn verlossing; al mijn beenderen zeggen: HERE, wie is als Gij, die de ellendige redt van wie sterker is dan hij, en de ellendige en de arme van wie hem berooft?” Dat is nog eens taal. Herhaal: “…die de ellendige redt van wie sterker is dan hij, en de ellendige en de arme van wie hem berooft?” Vers 10. Wie is als Gij? En daar gaat het om. Wie is als Gij? Niemand en niets. Hij redt. Hij verandert de dingen. Hij maakt ons vrij. Hij is nabij de ver­brokenen van hart. Hij richt je op. Hij doet je Hem loven en prijzen tot op de vuilnisbelten van deze wereld.

Niets kan ons scheiden van de liefde van God. Het gaat niet om geld of goed. Het gaat om de almacht van de HERE, om Hem te loven en te prijzen. Glorie voor Zijn Naam! Wat een evangelie. Wat een Godsvertrouwen. Gaat dat ge­makkelijk? Neen, we zien het hier bij David. Hij twijfelt niet aan de almacht van God, maar Hij roept de HERE op om in zijn nood te helpen, zijn vijanden te bestrijden. God moet het doen. God weet wat het beste voor ons is. Hij laat ons nooit in de steek. Ook al is het moeilijk, want hoe kan het niet moeilijk in dit leven zijn? Maar dan is Hij nabij in de nood. Dan woont Hij op de bodem van ons hart, ook al zijn we gevloerd, ook al zijn we in zak en as. Al proberen de vijanden ons pootje te lichten. Maar dan is ons gebed, dat Hij ons verlost en dat ze mogen vallen in de kuil die ze voor ons gegraven hebben. Zo is het, en zo gaan we moedig verder. Want God is onze Rechter, God is onze Wetge­ver en God is onze Koning. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 35:19-28

14 september [1]

35:20

Waarlijk, van vrede spreken zij niet,
en tegen de stillen in de lande
beramen zij bedrieglijke dingen,

35:21

zij sperren hun mond open tegen mij,
zij zeggen: Ha, ha! ons oog heeft het gezien.

35:22

Gij hebt het gezien, HERE, zwijg niet;
o Here, wees niet verre van mij.

35:24

Doe mij recht naar uw gerechtigheid, o HERE, mijn God,…

35:25

dat zij niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

35:26

laten met schande en smaad bekleed worden,
wie tegen mij pralen.

35:27

Laten jubelen en zich verheugen,
wie mijn rechtvaardiging begeren;
dat zij bestendig zeggen: De HERE is groot,…

35:28

En mijn tong zal van uw gerechtigheid gewagen,
van uw lof de ganse dag.

De vijanden kunnen vaak zeer boos zijn. Ze kunnen hun haat in koelen bloede uiten. Ze zijn in staat om de vreselijkste dingen te beramen. Als haat en onge­rechtigheid bezit nemen van een mens, dan is hij nog erger dan een aanvallend beest. Het is verschrikkelijk wat mensen elkaar zonder blikken of blozen kun­nen aandoen. Ze staan erbij en zien het gebeuren en verroeren geen vin. Het is onvoorstelbaar. Daar is de geschiedenis vol van. Wat een wereld, wat een el­lende. Dat heeft David ook gezien. Hij weet het. De blinde haat van Saul en de haat van de Filistijnen. De meedogenloze laster en de woede gepraktiseerd. Als je in hun handen valt dan ben je nog niet klaar.

David roept het uit, roept de HERE, om in te grijpen, opdat zij niet kunnen zeggen dat zij het hebben gedaan om mij uit te moorden. Dat ze niet hun gelijk kunnen vieren. Voer mijn rechtsgeding, o God. En God moet het doen, want hoe kun jij als klein en nietig mensenkind opboksen tegen die meerderheid van heidenen? Dat is onmogelijk, het gaat niet. Je gaat er kapot aan als je in eigen kracht tegen zo’n reus wil opboksen. Onmogelijk. De vijand ligt op de loer om steeds opnieuw en steeds weer, listig de kinderen Gods te vermorze­len. Maar dat lukt hen niet, want God zit op de troon en dat vergeet David niet. Daarom moeten wij dat ook nooit vergeten. We leven wel in deze wereld, maar we zijn niet van deze wereld. Deze wereld vergaat. En alles wat met zon­de, dood en ongerechtigheid te maken heeft, zal vergaan. Dat staat vast. God troont in de hemelen en Hij volvoert Zijn plan van recht en gerechtigheid.

Wij moeten niet naar links of naar rechts buigen, als we het geweld en de list en het bedrog van de tegenstander horen. Het is onvoorstelbaar wat we alle­maal horen, maar we moeten heel eenvoudig op Hem aanlopen en niet bang zijn. Op Hem pleiten met een onwrikbaar verlangen en een grote zekerheid, dat Hij de Overwinnaar is. Dat Hij voor ons strijdt. Dat Hij ons nooit in de steek laat. Hij strijdt met onze vijanden. Hij voert een strijd die naar de over­winning voert. We zien het voor onze ogen. We zien het om ons heen. We leven vanuit de profetie van het komende Koninkrijk van recht en gerechtig­heid. Profetie op profetie zien we voor onze ogen voltrekken. We zien nog door een spiegel in raadselen, en straks zullen we ten volle zien. Wat gezien kan worden van God, is zijn almacht en zijn genade en zijn troost. Want we liggen niet neer in vernedering, we zijn niet in de minderheid, we zijn geen nietig mensenkind. Dat allemaal, omdat God in Zijn grote liefde en genade zijn Zoon gezonden heeft, opdat we eeuwig zouden leven. Hij heeft de Troos­ter, de Heilige Geest gezonden, opdat Hij altijd bij ons zou wezen en ons de woorden te binnen zou brengen, die we moeten spreken.

Dan weten we dat er een gevecht gevoerd wordt op leven en op dood, maar wij zijn geborgen in Christus in God. Dat is de schuilplaats van de Allerhoog­ste. Daar ben je onaantastbaar. Daar ben je temidden van de strijd veilig. Van daaruit roep je God aan en vraag je God om haast te maken met het uitroeien van de goddelozen. Dan roep je Hem aan, dat mensen zich zullen bekeren en de weg ten leven vinden. Daar kan het leven niet stuk. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Wat een God. Wat een psalm. Laten zij beschaamd staan, die mij te schande maken. HERE grijp in, doe hen zwijgen. Vaag hen weg. Laten wij juichen en ons verheugen, wie mijn rechtvaardiging begeren; dat zij bestendig zeggen: De HERE is groot. En zo is het en niet anders. Dan loven we en prijzen Hem de hele dag.

Psalm 36:1-13

4 april [2]

36:5

op zijn legerstede beraamt hij onheil,…

36:8

Hoe kostelijk is uw goedertierenheid, o God;
daarom schuilen de mensenkinderen
in de schaduw uwer vleugelen;…

36:10

Want bij U is de bron des levens,
in uw licht zien wij het licht.

36:13

zij zijn neergestoten en kunnen niet opstaan.

De zonde kan een mens volkomen in de greep hebben. Dat lezen we in deze psalm. De boze beraamt onheil op zijn legerstede. Stel je dat eens voor. ’s Nachts ligt hij te denken welke rottigheid hij de volgende dag weer uit kan halen. Over lijken gaat hij als het om zijn eigen belang gaat. De liefde gooit hij te grabbel en tegen de ander gaat hij tekeer. Zich als sterkste een weg ba­nend en de zwakkeren wegmaaiend. Maar de goedertierenheid van God is gro­ter, oneindig. Hoger kun je niet denken. Want er komt geen einde aan. Het is geweldig! En het is geweldig als we daarin blijven schuilen, onder de vleuge­len van de Here God. Dan kan niemand ons ook maar iets doen. Dat is gewel­dig. Daar is bij te leven. Dat is heerlijk. Blijf maar onder de vleugels van de Here God. Dan kan je, naar het vlees, wel van alles overkomen, maar je bent veilig en geborgen en blij naar de geest. Dat is het geheim van God. Dat is ook het geheim voor ons. Elke dag weer opnieuw. Heerlijk toch?

En dan die prachtige tekst uit Psalm 36 vers 10: “Want bij U is de bron des levens, in uw licht zien wij het licht.” “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”, zegt Jezus. Als we in zijn licht, waarheid en leven blijven wandelen, dan zien we het licht in ons leven. Ons levenslicht is geborgen en beschut in de schaduw van de vleugelen van de Almachtige. Pas op, laat je niet meesleu­ren en misleiden door de werkers der goddeloosheid. Blijf bij koning Jezus. De werkers der ongerechtigheid zullen door God zelf worden neergestoten. Het is de HERE, Die boven alles staat. Maar blijf dichtbij Jezus, want daar is het goed toeven. Heerlijk toch om met deze psalm verder te gaan?

Psalm 37:1-20

5 april [2]

37:4

verlustig u in de HERE;
dan zal Hij u geven de wensen van uw hart.

37:5

Wentel uw weg op de HERE en vertrouw op Hem,
en Hij zal het maken;…

37:11

maar de ootmoedigen beërven het land
en verlustigen zich in groten vrede.

37:20

Voorwaar, de goddelozen gaan te gronde,…

God heeft Zijn oog gericht op de rechtvaardigen. Het kan wel lijken of de god­delozen alles voor het zeggen hebben. Maar dan hebben ze het mis. Dan heb­ben wij het mis. De HERE zegt: Zij gaan voorbij. Het kan kort of lang duren, maar ze gaan er aan. Hij roeit ze uit. Maar zij die de HERE gehoorzamen zul­len voor altijd leven. De rechtvaardigen beërven het land. Wijk dan van het kwade en doe het goede. Dat kunnen we ons allemaal aantrekken. Al de boze dingen wegdoen. Daarin zijn we niet gehoorzaam aan de HERE God. Dan zit­ten we ook zo in het kamp van de goddelozen. En de goddeloze gaat er toch aan. Deze psalm van David is een ernstige waarschuwing. Eigenlijk wordt steeds hetzelfde herhaald. De goddeloze vergaat, maar de rechtvaardige blijft voor eeuwig bestaan. Heerlijk om door deze psalm daarin bemoedigd te wor­den.

Soms lijkt het wel het omgekeerde, alsof het de onrechtvaardige goed gaat; voor de wind gaat. Hij kan van alles doen en grote rijkdom verzamelen en macht uitoefenen. Maar God zegt heel duidelijk: Pas op: Let daar niet op. Let op zijn daden. Alleen de daden van de rechtvaardige blijven in eeuwigheid. Heerlijk toch! Daar kunnen we het weer mee doen. Dank U, HERE! Ik wil me verlustigen in de HERE, dan zal Hij de wensen van uw en mijn hart geven. Wat een genade. Dat moeten we luid en duidelijk tegen onszelf en anderen zeggen en er ook uit leven. HERE wilt U de wensen van mijn hart vervullen? En vult Uzelf maar in wat uw wensen zijn.

Psalm 37:21-40

6 april [2]

37:24

wanneer hij valt, stort hij niet neder,
want de HERE schraagt zijn hand.

37:27

Wijk van het kwade en doe het goede,
dan zult gij voor altoos wonen;…

37:31

de wet van zijn God is in zijn hart,
zijn schreden wankelen niet.

37:34

Wacht op de HERE
en bewaar zijn weg,
dan zal Hij u verhogen om het land te beërven,
de uitroeiing van goddelozen zult gij met vreugde zien.

37:36

toen iemand voorbijging, zie, hij was niet meer…

37:40

de HERE helpt hen en doet hen ontkomen
Hij doet hen ontkomen aan de goddelozen en verlost hen,

want zij schuilen bij Hem.

De goddelozen, de machthebbers, de vijanden van God, doen alles om de kin­deren van God ook in hun macht te krijgen. Ze vervolgen ze, ze houden ze allerlei drogredenen voor. Ze verleiden met geld en macht. Dat is verleidelijk, want geld en macht en middelen lokken. Het is een grote verleiding. Maar hier klinkt de cadans: pas op, pas op. Het lijkt mooi. Maar de goddelozen zullen vergaan. Zij zijn er en ze zijn er niet meer. Maar de rechtvaardige blijft voor eeuwig bestaan.

De HERE helpt ons om te ontkomen. We zitten kennelijk in een gevaarlijk ge­bied. We worden kennelijk aangevallen. Maar Hij doet ons ontkomen. Zijn kracht gaat boven alles uit. Hij is niet te verslaan. Hij is de Overwinnaar over zonde en dood. Hij verlost ons. Hij doet ons ontkomen aan de goddelozen. Nou, en vul zelf maar in. Dat kan van alles zijn. Lees de tien geboden er maar op na. Hij redt ons uit alle verleidingen. Blijf bij Hem schuilen. Pas op! Want als je even uit deze schuilplaats gaat, komen de boze, goddeloze dingen en gedachten al weer boven en dan loop je weer averij op. Pas op, pas op! Daar moeten we niet te lichtzinnig over denken. Want in het licht van deze psalm is er dus een geweldige strijd gaande, met de bedoeling ons in het kamp van de goddeloze te krijgen. Pas op! Pas op!

We moeten de weg van de HERE bewaren. Hoe doe je dat? Door in zijn we­gen te wandelen. We moeten niet opgeven. We moeten zijn wegen bestuderen. Ze overpeinzen bij dag en bij nacht. Want er is ontzettend veel verleiding. Want de tegenstander van God probeert je te pakken. Vul zelf maar eens in wat dat in je eigen leven betekent. Maak maar eens een lijstje waar we ons hebben laten verleiden. We staan versteld over deze slimmerik. Maar deze psalm jaagt ons terug onder de vleugels van de Almachtige, daar is het veilig vertoeven. Heerlijk zo’n God te hebben.

Psalm 38:1-23

7 april [2]

38:2

HERE, straf mij niet in uw toorn,
en kastijd mij niet in uw grimmigheid;…

38:10

HERE, al mijn verlangen ligt voor U open
mijn zuchten is voor U niet verborgen;…

38:16

Want op U, HERE, hoop ik;
Gij immers zult antwoorden, HERE, mijn God.

38:22

HERE, verlaat mij niet,
mijn God, wees niet verre van mij!

38:23

Haast U, mij ter hulpe,
Here, mijn heil.

Ziekte is een vreselijke zaak. Je kunt je beroerd voelen. Van iedereen verlaten. Ja, zelfs van God verlaten. Deze zieke is er wel helemaal erg aan toe. Hij rot weg. Voelt zich verlaten van alle mensen om zich heen. Ziekte is een gevolg van de zonden. In het paradijs was geen ziekte, in de hemel zal geen ziekte zijn. Maar nu is er wel zonde. Wij zijn allen schuldig aan de zonde, aan de ziekte. Wij hebben gezondigd. Wij hebben God verlaten. We lijden allen aan de dood. De dood die de laatste prikkel is. En ziekte gaat veelal aan de dood vooraf. Wat een lijden in ons eigen leven en wat een lijden in de wereld. En wat doen we elkaar een lijden aan. Daar kunnen we zelf ook mee worstelen. De liefde is zo gemakkelijk ver weg en de haat, de afgunst, de concurrentie­zucht, verteert ons. Het staat alles Gods volmaakte liefde in de weg. HERE, help mij!

Deze zieke erkent dat alles voor God open ligt. Hij schreeuwt het uit in zijn nood. HERE, verlaat mij niet! God heeft alle reden om hem te verlaten. Want wij allen zijn des doods schuldig. Maar zijn barmhartigheid en genade houden ons dicht bij Hem. De zieke roept het uit: “HERE, verlaat mij niet, mijn God, wees niet verre van mij! Haast U, mij ter hulpe. HERE, mijn heil!”

Dat is de uitroep die in de grote nood van ons fysieke en psychische leven naar Hem mag en moet uitgaan. Temidden van al het lijden waaraan de schep­ping onderhevig is en wij dus ook. Wat kan dat al niet zijn in het leven van de mensen en ook in ons eigen leven. Dan moeten we blijven uitroepen: HERE, verlaat mij niet! Want het ergste zou zijn als wij de HERE loslaten en onze eigen weg gaan. Hoe zijn we dat in de nood niet geneigd! Daarom: “HERE verlaat mij niet, mijn God, wees niet verre van mij! Haast, u mij ter hulpe, HERE, mijn heil!” Dank U, HERE, dat U nooit verre wilt zijn van hen die naar U uitroepen. Dank U wel HERE. Dank U wel. Ik vlucht naar U.

Psalm 39:1-14

8 april [2]

39:6

mijn levensduur is als niets voor U:…

39:7

Ja, de mens gaat daarheen als een schaduw,…

39:8

En nu, wat verwacht ik, Here?
Mijn hoop, die is op U.

39:9

Red mij van al mijn overtredingen,…

39:13

Hoor mijn gebed, HERE, en neem mijn hulpgeroep ter ore,…

We lezen in deze psalm dat David onder grote druk zit van de goddelozen. Be­sluit om zijn mond te houden en niet te klagen of God de schuld te geven. Maar als het hem te heet onder de voeten wordt, dan begint hij toch tegen de goddeloze in te praten. En een stuk zelfbeklag te uiten. Ook geheel begrijpe­lijk, want de goddelozen kunnen je van alles aandoen, waardoor je buiten zin­nen raakt. Hij laat zich toch verleiden om tegen te spreken, en dan eigenlijk ook tegen Gods wil en gedachten in te gaan. De vraag van het waarom van het lijden in ons leven, is nooit te beantwoorden. Opstandigheid is een strik om je van God af te trekken en daar gaat het hier dan ook om.

We moeten de hulp van de HERE inroepen, keer op keer, want anders gaat het gegarandeerd mis en hoe vaak gaat het niet mis? Daarom zegt hij ook aan het einde: “Neem mijn hulpgeroep ter ore,… want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner gelijk al mijn vaderen.” We moeten schuilen bij de HERE en steeds opnieuw ons corrigeren en inzetten om ons niet te laten meesleuren met het denken en doen van de wereld. Heel eenvoudig achter Jezus aangaan. Glo­rie voor zijn Naam!

Psalm 40:1-6

9 april [2]

40:2

Vurig verwachtte ik de HERE,…

40:3

Hij trok mij op uit de kuil van het verderf,…

40:4

Hij gaf mij een nieuw lied in de mond,
een lofzang aan onze God.

40:5

Welzalig de man,
die de HERE tot zijn vertrouwen heeft gesteld,…

40:6

Talrijk hebt Gij gemaakt, o HERE, mijn God,
uw wonderen en uw gedachten jegens ons;…

Zo komen we bij Psalm 40. Het zijn allemaal kleinoden van grote waarde. Pa­rels om bij te leven. Heerlijke liederen. Al uit de tijd van David. Een klassie­ker. Waar de Mattheüs Passion niets bij is. Ze hebben ze in de tijd van David gezongen. Ze hebben ze vandaag gezongen. Ze hebben ze in tijden van nood en in tijden van voorspoed gezongen. Eeuwige psalmen. Psalmen zijn de schatkamer van de gemeente, toen en nu en tot in eeuwigheid.

Het is de HERE Die het doet. Roep Hem aan en Hij zal je verlossen. Hij trekt je op. Hij brengt je dicht bij Hem. Hij geeft je een nieuw lied in de mond. Op U, HERE, vertrouwen we. Mogen de mensen zien dat wij op de HERE ver­trouwen in alle omstandigheden des levens? Vertrouw op de HERE, met je ganse hart.

Niet afdwalen naar hoogmoed en naar leugen. Gods hulp is groots. Er komt geen einde aan. Als je uit de HERE leeft zul je het ook zien. Dan word je hele leven een wonder en een aaneenschakeling van wonderen en zegen. Het ergste wat je kan overkomen is dat je afdwaalt uit het centrum van Zijn wil. Daar moeten we onszelf en elkaar in bemoedigen en voor waarschuwen. Dat bete­kent heel simpel dicht bij het Woord van God blijven. Want daarin zit alle wijsheid en waarheid en kracht. Je komt bij één conclusie uit, dat Jezus de Koning is Die we maar beter kunnen navolgen. We zullen er nog veel meer van horen. Prijs de Heer!

Psalm 40:7-18

10 april [2]

40:9

ik heb lust om uw wil te doen, mijn God,
uw wet is in mijn binnenste.

40:14

Het behage U, HERE, mij te redden;
HERE, haast U mij ter hulpe.

40:18

Al ben ik ellendig en arm,
de HERE gedenkt mijner.
Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder;
o, mijn God, vertoef niet.

Je kunt in grote nood zitten. Ze kunnen je van alle kanten belagen. En wat kan je niet tegen zitten? De strijd is vaak zo moeilijk. Je kunt een zware ziekte hebben, zoals in de vorige psalm. Je kunt tegenslag in je beroep of je zaak hebben. En wat al niet? Maar dan moet je je verlaten op de Heer. Bij Hem blijven, ook al begrijp je niet het hoe en het waarom en het waartoe. Want de zonde heerst in dit leven en de duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoe­kende wie hij kan verslinden. Hij zal alle trucs uit de kast halen om de kinde­ren Gods te verzoeken. Het is een strijd op leven en dood. Maar David roept uit naar de HERE of Hij hem wil verlossen uit de macht van zijn tegenstan­ders. Hij weet dat alleen God dat kan doen. Er is geen aanklacht. Want God heeft het goede voor met Zijn kinderen. Hij wil ze zegenen. Het ergste zou zijn als je uit de bescherming van de HERE valt. Dan kom je ook in het kamp van de tegenstander terecht. Dan heul je mee met de wolven in het bos en dat is levensgevaarlijk, eeuwig levensgevaarlijk.

Daarom eindigt David dan ook: “Al ben ik ellendig en arm, de HERE gedenkt mijner, Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder; o mijn God, vertoef niet.” Hoe kunnen we niet verlangen naar uitkomst. Uitredding. Het gaat erom dat we de HERE God blijven aanlopen als enige Redder. Er is niemand anders die kan redden. De ander is de tegenstander van God, die het ons wel steeds moeilijker zal proberen te maken en heel wat macht heeft om een hoop ellende te veroor­zaken. Maar God staat daarboven.

Als we beproefd worden, dan is het doel, dat we dichter bij God terecht ko­men. En is het ook niet waar dat we zien hoe door lijden heen mensen dichter bij God komen? God wil Zich openbaren in de zwakken van geest. Het is heerlijk een God te hebben, Die omziet naar de verdrukten en de hongerenden. Hij kwam om het verlorene te zoeken. “O, mijn God, vertoef niet.”

Hij kwam voor de verbrokenen van hart, zoals Jesaja 61 zegt. Hij nodigt uit: Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt…

Psalm 41:1-14

11 april [2]

41:2

Welzalig hij die acht slaat op de geringe;
ten dage des onheils zal de HERE hem uitkomst geven;

41:5

Ik zeide: HERE, wees mij genadig,
genees mij, want tegen U heb ik gezondigd.

41:11

Maar Gij, HERE, wees mij genadig en richt mij op,…

41:14

Geloofd zij de HERE, de God van Israël,
van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.
Amen, ja amen.

Hoe het precies zit met de relatie tussen ziekte en zonde weet ik niet. Moet ik nog meer over lezen. Ziekte hoort niet bij het leven. Dood hoort niet bij het leven. Het leven behoort bij het eeuwigheidsleven. Leven zal weer hersteld worden als de laatste prikkel, de dood, overwonnen zal zijn. Op het kruis van Golgotha is de dood overwonnen. Halleluja, de dood is overwonnen. Gelovi­gen zullen de dood niet zien! Ons lichaam sterft, maar onze ziel en geest niet. Wij leven in eeuwigheid.

Ziekte hoort bij de zondeval. En als de ziekte ons overvalt zijn wij onderdeel van die zonde. Soms is het een rechtstreeks gevolg van eigen persoonlijke zonde. Soms ook niet aanwijsbaar, maar we zijn onderdeel van de zonde. Zo­als ieders leven aan de zonde en de dood onderworpen is. Het is verschrikke­lijk hoeveel lijden er kan zijn. We hoeven maar even om ons heen te kijken en zien onvoorstelbaar lijden. Maar David roept het uit naar de HERE. Hij kan niet hebben dan anderen hem daarom lasteren en door hem te lasteren ook zijn hemelse Vader lasteren. Hij roept uit naar God.

Maar hij begint met een loflied. “Welzalig hij die acht slaat op de geringe.” Dat kan ook vaak een zwakke, een zieke zijn. Zie naar hen om. Dat is onze taak. We moeten niet de zwakken vergeten, omdat we er niet zoveel aan heb­ben, omdat het lastig is. Omdat het ons niet uitkomt. Daar zit het leven vol van. De eenzaamheid van de zwakke, de zieke, de weduwe, de wees, de arme, de oudere, is groot. We hebben er haast geen oog meer voor. We gaan er aan voorbij in de jacht van het leven en het televisiekijken en internetverkeer. Al­les gaat veel sneller. Alles kan veel beter. We konden nog nooit zo goed com­municeren als nu en toch: De eenzaamheid en de ellende is nog nooit zo groot geweest. Wat willen we toch?

We moeten de zieke niet alleen laten, zoals David klaagt. We moeten elkaar in de zware dagen bemoedigen. Daar gaat het om. De zieke zal dan ook gesterkt worden en wijzelf daarbij. Kracht van de HERE vragen. De HERE God ook samen aanlopen om verder te kunnen, om uitgered te worden. Het is zo be­langrijk om aan het ziekbed te zitten. David komt dan ook ondanks zijn ern­stige ziekte uit bij de lofprijzing: “Geloofd zij de HERE, de God van Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid!” En zo is het. Amen!

Psalm 42:1-12

18 april [2]

42:2

Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht,
zo smacht mijn ziel naar U, o God.

42:3

Mijn ziel dorst naar God,
naar de levenden God;
wanneer zal ik komen
en voor Gods aangezicht verschijnen?

42:4

Mijn tranen zijn mij tot spijze
dag en nacht,
daar men de ganse dag tot mij zegt:
Waar is uw God?

42:5

Hieraan wil ik denken
en mijn ziel in mij uitstorten:
hoe ik optrok in de dichten drom,
voor hen uit schreed naar Gods huis,
bij jubelklank en lofgezang –
een feestvierende menigte.

42:6

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven
mijn Verlosser en mijn God!

42:7

Mijn ziel buigt zich neder in mij,
daarom gedenk ik Uwer
uit het land van de Jordaan en de Hermonbergen,
uit het klein gebergte.

42:8

Watervloed roept tot watervloed
bij het gebruis uwer stromen;
al uw baren en golven
slaan over mij heen.

42:9

Des daags zal de HERE zijn goedertierenheid gebieden,
en des nachts zal zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God mijns levens.

42:10

Ik wil tot God, mijn rots, zeggen:
Waarom vergeet Gij mij?
Waarom ga ik in het zwart
vanwege des vijands onderdrukking?

42:11

Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mij mijn tegenstanders,
doordat zij de ganse dag tot mij zeggen:
Waar is uw God?

42:12

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en wat zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven,
mijn Verlosser en mijn God!

Een diepe Psalm. Het is ook deprimerend als de mensen steeds roepen: Waar is uw God? Met de gedachte: ‘Hij is er toch niet, ha, ha, ha’. Spotten. En er zijn wat spotters. Ze spotten ook aan het kruis met Jezus. En wat wordt er ook nu niet gespot. Verschrikkelijk. Daar kun je ook verdrietig van worden. Ik denk dat de psalmist er ook verdrietig van was. Misschien zit hij wel in nood. Misschien hebben ze hem wel in het nauw gebracht. Wat kun je soms in het nauw zitten. Wat kunnen de mensen dan opdringen. En tegen je tekeergaan.

Maar dan mogen we ons ook herinneren, hoe we met God en zijn kinderen de vreugde van de gemeenschap en het samen optrekken beleven. En als we verder teruggaan. Hoe we ons kunnen verlustigen in de grote daden die de HERE gedaan heeft. Fantastisch. Het is een prachtige psalm.
“Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.”
Terug naar God. Terug naar God.
“Mijn ziel buigt zich neder in mij.”
Het waarom kan opwellen. En bij wie niet. Het grote ‘Waarom?’ Maar dan toch:
“Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.”
Heerlijk! Mijn Verlosser en mijn God.

God laat ons niet in de steek. Hij wil altijd bij ons zijn. Wat een heerlijkheid. Wat een belofte. We kunnen deze psalm zingen in alle omstandigheden. Ik vind de melodie ook zo goed. Het is een fantastische psalm. Het is een eerlijke psalm. We hoeven niet altijd op de berg te zitten. Maar God is er altijd. Hij wil ons helpen. En dat is genoeg. Dat is de redding. “…mijn Verlosser en mijn God.”

Je bent in de druk. Je ziet het niet meer zitten. Het lijkt of God je verlaten heeft. Je hebt het slecht. De vijanden liggen op de loer. En de mensen om je heen honen God: ‘Waar is nou je God?’ Het is als Jezus aan het kruis. ‘Als je dan de Koning der Joden bent, kom dan af van het kruis.’ Dan ben je toch in staat om alles naar je hand te zetten? Maar nee. Het lijden van Jezus was de verzoening van de zonden der wereld. Dat is vandaag nog zo. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Zelfs de dood niet, zegt Paulus aan het einde van Romeinen 8. Nou, dat is nog al wat. Dat is ook de hoop en de troost van deze psalmdichter en dus ook van ons.

O mijn ziel, wat buigt gij u neder. Waartoe zijt g’in mij ontrust. De psalmdich­ter verlangt naar God als een hinde die smacht naar het water van de waterbe­ken. Als je dorst hebt dan wil je alles wel doen om water te vinden. Water is een noodzaak om in leven te blijven. De hinde smacht. Zo smacht de dichter naar God. Het is een diep intens verlangen, met alles wat in hem is roept hij. Maar God is er niet. En kijk, daar staan de vijanden die schamper zeggen, waar is nu je God? Je hoort het ze zeggen. Als God bestond… waarom dan dit en dat? En als God dit of dat, waarom is dan deze situatie? Neen, God bestaat niet. Je kunt het er nu wel over hebben, maar echt, God bestaat niet. En dat is dan nog tot daar aan toe, maar de mensen die Hem openlijk honen en bespot­ten, dat snijdt helemaal door je hart.

De dichter denkt aan de tijd dat hij met de pelgrimgangers optrok naar Jeruza­lem. Dat was nog eens een feest. Daar klonken de liederen, dat was echt feest. Fantastisch die hele stoet op weg naar de tempel in Jeruzalem. Als je daar aan denkt dan word je blij. Dat kan niet stuk. En het is alsof hij zijn eigen conclu­sie trekt. Waarom ben ik toch zo onrustig? Als ik daar maar aan denk, aan de grootheid van God. En aan het feit dat God er altijd is. Ik moet op God hopen en me op Hem richten. Mijn Verlosser en mijn God! Dit mag steeds weer de conclusie zijn op je zoektocht van binnen naar God. Maak er geen lange tocht van. Begin elke dag vanuit deze roep. Mijn Verlosser en mijn God! Op U blijf ik hopen in al mijn zorg en mijn pijn, mijn verdriet, mijn zoeken, en ook in mijn blijdschap. Of wat er ook aan de hand kan zijn. Ik kan de omstandighe­den niet naar mijn hand zetten. Ik weet wel dat God er is, mijn Verlosser en mijn God. De Bijbel staat vol van de aanwezigheid van God. De Bijbel staat vol van de poging van de vijand van God om de boel in de war te sturen en mij van God af te halen. Maar het zal niet gelukken. Mijn Verlosser en mijn God. Roep het uit, zelfs tegen jezelf in. Juist als de boze je weer van God af wil trekken. Want er is maar één toevlucht en dat is God.

Buig je voor God en drink uit de rijkdom van water, de Fontein des levens Die God is. Wat een zegen. Wat een belofte. Wat een wonder. God gaat boven elke situatie uit. Niet de situatie bepaalt je leven, maar de liefde van God en jouw afhankelijkheid aan Hem bepaalt de blijdschap en de richting van je leven. God is groot. Prijs de Heer! Dan mag je zeggen: “Waarom vergeet Gij mij?”’ Omdat je het niet kan hebben dat je vijanden almaar roepen: “Waar is uw God?” Dat kan moeilijk zijn. En dan roep je God aan: O God, openbaar U aan mij en aan mijn vijanden. Je zou het wel van de daken willen roepen. Maar steeds opnieuw klinkt het in ons hart:

“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en wat zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven,
Mijn Verlosser en mijn God.”

Dat moet je boven je bed hangen.

Psalm 43:1-5

19 april [2]

43:1

Doe mij recht, o God, en voer mijn rechtsgeding
tegen een volk zonder godsvrucht;
doe mij ontkomen aan de man van bedrog en onrecht.

43:2

Want Gij zijt de God mijner toevlucht;
waarom verstoot Gij mij?
Waarom ga ik in het zwart
vanwege des vijands onderdrukking?

43:3

Zend uw licht en uw waarheid;
mogen die mij geleiden,
mij brengen naar uw heiligen berg
en naar uw woningen.

43:4

zodat ik kan gaan tot Gods altaar,
tot de God mijner jubelende vreugde,
en U love met de citer,
o God, mijn God!

43:5

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en wat zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven,
Mijn Verlosser en mijn God!

Psalm 43 hoort bij psalm 42. De tegenstanders gaan tekeer. Het lijkt wel of er geen adem meer is te krijgen. Wat een toestand. De roep is om licht en waar­heid te zenden om bij God te kunnen zijn en blijven. De God mijner jubelende vreugde. Als we bij God blijven dan zullen we kunnen jubelen. Het valt niet mee. Het kan allemaal heel moeilijk zijn. Het is vreselijk om het allemaal te moeten meemaken. Het kan zijn dat we het niet meer zien zitten. Maar ons gebed kan zijn om licht en waarheid te zenden.

Als het donker is dan hebben we veel licht nodig. Heerlijk om dan te weten dat God altijd het licht wil sturen. Als we het moeilijk hebben, zegt de Here Jezus, dan wil Hij ons de woorden te binnen brengen, die we moeten spreken. En zo is het. Daarom kan de dichter ook weer eindigen met: “Hoop op God, want Ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God!” Zo is het. Mijn Verlosser en mijn God! Hij zal ons leiden uit deze moeilijke tijd. We kunnen in het zwart gaan vanwege al de ellende, maar Hij wil ons er bovenuit tillen. We zullen dan versteld staan van onszelf. Of beter gezegd van God. Dat Hij ons er toch doorheen trekt. Omdat Hij de God is van mijn jubelende vreugde. Hij toch is mijn Verlosser en mijn God. Dat ik Hem toch kan loven. Dat staat haaks op je gevoel en de situatie. Maar het is de werkelijkheid van het leven met God. Want op deze wereld vinden we geen blijdschap en vrede voor het hart. In dit aardse tranendal overkomt ons veel.

Het meeste dat ons overkomt is smart, zegt Paulus in de Romeinen brief. Maar God zij dank ben ik een nieuwe schepping in Christus. In de wereld lijdt gij verdrukking. Maar houdt goede moed. Jezus zegt: “Ik heb de wereld overwon­nen.” Daar gaat het om. We moeten beginnen waar de psalm mee eindigt. Het kan stormen in je leven. Ze kunnen je dwars zitten. Ze kunnen je ook van God proberen af te houden. Ze kunnen doen alsof ze Gode een welgevallige dienst doen, maar ondertussen vervolgen ze je. God voert een rechtsgeding tegen een volk zonder godsvrucht. Gaat het hier over een koning, die met een volk te maken heeft zonder godsvrucht? Gaat het over een profeet, die geprofeteerd heeft en daardoor niet meer in het huis van God mag komen? Hij verlangt naar de tempel om daar bij het altaar te zijn. Hij verlangt ernaar dat licht en waar­heid hem begeleiden en hem brengen naar de heilige berg. Wat kan de heilige berg anders zijn dan de berg Sion? De berg waar de tempel op staat? Dat is het centrum van de wereld. Daar gebeurt het, toen en nu en altijd. Daar kun je naar verlangen als je er niet vlakbij bent. Daar wil je God loven en prijzen. Hem loven met de citer. O God, mijn God! Daar kun je het wel uitroepen. Je blikrichting op Jezus. Je blikrichting op God.

Jezus, Die zoveel tegenspraak van de zondaars verdragen heeft, staat voor ons altijd klaar om een ieder die vervolgd wordt, een ieder die het niet meer ziet zitten, op te vangen. Strekt de slappe handen en de knikkende knieën en maakt een recht spoor opdat hetgeen dat kreupel is geneze. HERE help. HERE ver­geef. HERE hoor. Het is geweldig. Het kan niet stuk. Wat kun je verlangen naar God! En je mag weten: God is dicht bij je. “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.” Dat is de tekst van de dag.

Psalm 44:1-27

20 april [2]

44:4

maar uw rechterhand en uw arm en het licht van uw aanschijn,
omdat Gij in hen een welbehagen hadt.

44:8

maar Gij hebt ons verlost van onze tegenstanders
en onze haters beschaamd gemaakt.

44:9

In God roemen wij de ganse dag,
uw naam zullen wij loven voor altoos.

44:12

Gij hebt ons overgeleverd als slachtvee,
ons onder de volken verstrooid;…

44:15

Gij hebt ons tot een spreekwoord onder de volken gesteld,
Gij doet de natiën over ons het hoofd schudden.

44:18

Dit alles is ons overkomen, maar wij vergaten U niet,
noch verloochenden wij uw verbond;

44:21

Indien wij de naam van onze God hadden vergeten,
en onze handen uitgestrekt naar een vreemden god,

44:22

zou God dat niet uitvorsen?
Hij toch kent de geheimen des harten.

44:24

Waak op! Waarom slaapt Gij, Here?
Ontwaak! Verstoot niet voor eeuwig!

44:27

Sta op, ons ter hulpe,
verlos ons om uwer goedertierenheid wil.

Het waren de grote daden van God, waardoor de volken terugdeinsden als ze het volk van God aanvielen. Wat een grote wonderen zijn er niet gebeurd? Keer op keer gaf God de overwinning. Het is precies opgeschreven in de anna­len van Israël. De volken rondom Israël wisten dat. Ze waren beducht voor de macht en de majesteit van de God van Israël. Dat wordt in deze psalm nog eens luid en duidelijk herhaald. Zo is het. Wat een geweldige God.

Maar nu zijn de vijanden in het land. Nee, erger nog, Gods volk is verstrooid onder de volken. Er is niets meer over. Ze zijn een schande voor de volken rondom. Die schudden het hoofd. En zeggen: Waar is hun God nu? Maar ze hebben God niet verlaten. Ze voelen dat ze bij God horen. Wij willen U trouw blijven. Wij hebben uw verbond niet verlaten. Waarom, waarom, waarom klinkt het. Een gebed uit diepe nood. Je zult maar verdrukt worden door de vijanden. Je zult maar niets meer te vertellen hebben. Het is verschrikkelijk. Maar zelfs dan verlaten zij hun God niet. Dat is geloofsvertrouwen. Daar kun je mee verder.

Dat is een geweldig voorbeeld. Om je te herinneren als je zelf in grote nood zit. En dat kan gebeuren. Hoeveel mensen zitten niet in grote nood? Kijk de wereld maar rond. Blijf op God vertrouwen. Hij is niet veranderd. Hij is een eeuwig God, dwars door de moeilijkheden heen. Roep tot Hem en Hij zal je antwoorden naar ziel zeker; naar lichaam en omstandigheden als het past in Zijn heilsplan met jou en je omgeving. Goede uitkomst is verzekerd. Het eeuwige leven wenkt en des te sterker en feller.

Dat is me nog al wat. Terwijl de HERE God je beproeft en verlaten heeft, begin jij de psalm met een loflied op God. Je herinnert je dat het God is, die Israël uitgered heeft. Het was zijn sterke hand die hen in het beloofde land bracht. Het waren niet je eigen legers en je eigen kracht die het allemaal tot stand gebracht hebben. De eer komt alleen aan God toe. Zo gaat de psalmdich­ter verder. Dat is natuurlijk ook zo. Er is niets uit onze eigen kracht dat kan toevoegen aan ons heil. Het is enkel God en Gods barmhartigheid, lankmoe­digheid en goedertierenheid en genade die ons het heil aanbrengt. Want alzo lief had God de wereld, dat Hij Zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe (Jo­hannes 3:16). Zo is het en niet anders en zo blijft het, wat ons ook overkomt in ons leven.

Want ook hier zien we dat het volk in grote druk is. God heeft Zich van hen afgewend. En toch willen ze Hem niet vergeten. Ze zijn onder de volkeren verstrooid. Waarschijnlijk is dit een psalm uit de ballingschap. Daar zitten ze dan in het verre Babel. Daar zijn ze dan onder volkeren. Ver van de tempel. Ver van God. Maar ze willen geen andere goden nalopen. Want zou God dat niet zien? Ze roepen God om aandacht te schenken aan hun situatie. Ze doen het krachtig. O God, verlaat ons niet. Help ons! De volkeren spotten met ons. Ook toen voelden zij zich als schapen, die moeten worden geslacht. Zij zijn in ballingschap, omdat ze ontrouw waren geweest. ‘Want wij verdienen de straf. Wij hebben het gedaan. Het is onze schuld.’ Want waarom zijn ze daarna ook verstrooid onder de volkeren? Vanwege hun zonde. Zij hebben gezondigd. Net als wij. Tot vandaag zijn ze verstrooid onder de volkeren. Het is verschrikke­lijk.

Maar zij roepen hier tot de HERE. En als wij roepen tot de HERE, ons veroot­moedigen en onze schuld belijden, zal God horen. Dan zal Hij antwoorden. Thans zijn mijn ogen en mijn oren op deze plaats om te horen naar het gebed, te dezer plaats. Waar is ons gebed? Waar zit ons hart? O HERE, red ons! O HERE, help ons!

Psalm 45:1-18

21 april [2]

45:7

Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig,…

45:8

Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;…

45:12

laat de koning uw schoonheid begeren,…

45:18

Ik wil uw naam vermelden in alle geslachten;
daarom zullen volken u loven voor altoos en immer.

“Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig.”
“Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid.”
Het is een prachtige psalm. Er wordt gesproken over de schoonheid van de bruid. De koninklijke bruiloft. Niets mooiers kun je je bedenken. Met alle pracht en praal. Je kunt er lyrisch van worden. Het is jouw koning. Kijk eens wat een prachtige bruid. Je wordt daar enthousiast van. Je bent ook trots, want het is ook jouw koning en koningin. Ze regeren jouw land. Ze zorgen goed voor hun onderdanen. Ze hebben het beste met je voor. Heerlijk om daar naar te kijken.

En dan staat daar die tekst: “Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig.” Het gaat hier niet om een gewone troon, maar het is de troon van God. Die troon van God staat voor altoos en eeuwig. Als we de koning eren, dan eren we God en als we God eren dan zijn we opgenomen in Zijn eeuwig plan. Want die troon staat voor altoos en eeuwig. Wat een bevoorrechte mensen zijn we toch om deze psalm te mogen zingen. Om er onze blijdschap uit te putten.

Wat staat er dan in het volgende vers: “Gij hebt gerechtigheid lief en haat god­deloosheid.” Nou, dat is toch wat we allemaal willen. Gerechtigheid en geen goddeloosheid. Want goddeloosheid is synoniem voor duisternis en zonde. Daar kan God niet regeren, maar heerst de tegenstander van God. En wat die wil, dat weten we allemaal. Die wil dood en ellende. Daar is de liefde zoek. Daar wil toch niemand bij horen? O HERE God, help ons om in uw Konink­rijk te blijven. Het is daar één en al pracht en praal. Waaraan dus geen einde komt. Het is er blijdschap. Er is eeuwige, hemelse muziek. Iedereen is blij. Je kijkt je ogen uit. Heerlijk! Heerlijk! Wat een vreugde. Woorden schieten te kort om het allemaal te beschrijven. We gunnen de koning Zijn bruid. En die bruid mag er dan ook zijn. We zien daarin Israël en de Gemeente. Een eenheid voor de troon van God. Adeldom verplicht. Dat betekent dat wij ons moeten uitstrekken naar recht en gerechtigheid. Dat we de zonde haten. Dat we naar God toekomen. Dat we weerstand bieden tegen de boze machten. Dat we ons niet laten aftrekken van de goede weg.

Dan zullen de volken ook zien, staat in het laatste vers, dat het God is Die eeu­wig leeft en zijn volk Hem voor altoos looft en eert. Dan zullen ze zien dat Hij de enige God is voor de hele wereld, waar recht en gerechtigheid zullen gaan heersen. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 46:1-12

22 april [2]

46:2

God is ons een toevlucht en sterkte,…

46:3

Daarom zullen wij niet vrezen, al verplaatste zich de aarde,…

46:6

God is in haar midden, zij zal niet wankelen;…

46:7

Volkeren woedden, koninkrijken wankelden,
Hij verhief zijn stem, de aarde versmolt.

46:8

De HERE der heerscharen is met ons,
een burcht is ons de God van Jakob.

46:10

die oorlogen doet ophouden tot het einde der aarde,…

46:11

Laat af en weet, dat Ik God ben;
Ik ben verheven onder de volken, verheven op de aarde.

46:12

De HERE der heerscharen is met ons,
een burcht is ons de God van Jakob.

Zo, dat is duidelijke taal. Wie wil er nog iets tegen inbrengen? God is God en wij zijn mens. Wie durft zich met God te vergelijken? Als Hij spreekt, dan is het er. Hij spreekt en het regent. Hij spreekt en de aarde komt tot stand. God zeide: “Er zij licht en er was licht.” “In de beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God en alles wat geworden is gewor­den door het Woord van God”. God spreekt ook vandaag. God spreekt, omdat Hij wil dat alle mensen behouden worden. Dat iedereen tot bekering komt. Het zijn de schepselen van God en Hij wil dat zij ook komen bij zijn Koninkrijk. Nog vertoeft Hij te komen, maar Hij haast zich met een onbegrensde snelheid om zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Glorie voor zijn Naam! Zijn Naam is niet genoeg te prijzen. Het is geweldig. Als je die waar­heid gaat ontdekken, ga je de psalmen zingen en dan word je enthousiast. Dan wil je niet anders. Dan wil je er ook bij horen. Dan ga je ontdekken hoe heer­lijk het is om er bij te horen. Dan zie je het weer zitten. Heerlijk Evangelie. Prachtig Woord. God is goed.

Wat zal het een mooi lied geweest zijn. Muziek in de tempel was ontzettend belangrijk. Dan word je ook niet bang als er allerlei dingen om je heen gebeu­ren waar je geen touw aan vast kunt knopen. Dan wil je niets anders dan in zijn voetstappen gaan. Dan kan het donderen en razen, dan kan het oorlog hier en oorlog daar zijn. Dan kan het ook heel dicht bij jezelf komen, maar dan weet je je veilig en geborgen. Hier word je rustig en stil aan de meest ruwe wateren. Hij verkwikt je ziel. Hij tilt je boven alle problemen uit. Dan word je gedragen als op adelaarsvleugelen. Dan weet je dat je altijd geborgen bent. God is goed. Want God is in ons midden. De HERE der heerscharen is met ons, een burcht is ons de God van Jakob. Hij verbreekt de haat en de nijd der volkeren.

Stop met dat bezig zijn in eigen kracht. Dat leidt tot niets. Daar komt alleen maar ruzie van. Maar ga met God. Laat je niet door de boze in de war brengen. Begin de dag met Hem en eindig de dag met Hem. En alles wat er tussen in zit, moet je doen in de liefde en de vreze des HEREN. Gaan ze tegen je tekeer en zie je het niet meer zitten, laat je dan niet in de war brengen, maar vertrouw heel eenvoudig op Hem. Ook al kun je je er niets bij voorstellen. Dan blijft toch staan, wat hier geschreven staat: ik blijf op de HERE vertrouwen ook al verplaatste zich de aarde. Nou, nou, dan moet je wel van goede huize komen om een argument te bedenken, waardoor jij in de war zou kunnen raken. Dat kan dus helemaal niet. Dus blijf maar heel eenvoudig gaan, met God. God is goed! De HERE der heerscharen is met ons, een burcht is ons de God van Jakob. God is goed! Dank U, HERE God. Ik loof en prijs uw Naam!

Psalm 47:1-10

23 april [2]

47:2

Alle gij volken, klapt in de handen,
juicht Gode toe met jubelgeroep.

47:3

Want de HERE, de Allerhoogste, is geducht,
een groot Koning over de ganse aarde.

47:4

Hij brengt volken onder ons,
natiën onder onze voeten;

47:5

Hij kiest ons erfdeel voor ons uit,
de trots van Jakob, die Hij liefheeft.

47:6

God is opgevaren onder gejuich,
de HERE onder bazuingeschal.

47:7

Psalmzingt Gode, psalmzingt,
psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!

47:8

Want God is de Koning der ganse aarde,
psalmzingt met een kunstig lied.

47:9

God regeert over de volken,
God is gezeten op zijn heilige troon.

47:10

De edelen der volken zijn bijeenvergaderd,
als volk van Abrahams God.
Want Godes zijn de schilden der aarde;
Hij is hoog verheven.

Hij is hoog verheven. Hij is de hoogste. Zie je Hem komen met al zijn engelen en al zijn macht en majesteit? God troont in de hemel ver boven de mensen. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Daar kan niemand tegen op. Hij is machtig. Hem kunnen we loven en prijzen. Als we aan Hem denken, dan welt er een lied op in ons hart; daar worden we vrolijk van. Dan wordt het vrede en blijdschap. Dan voelen we ons goed en dan voelen we ons veilig. Want God is bij ons. Hij beschermt ons. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus, want Hij is onze Burcht. Bij Hem schuilen we. Dan worden we steeds geluk­kiger. Dan zien we het zitten temidden van de grootste strijd in ons leven of om ons heen. Hij heeft het beste met ons voor. Hij houdt van ons. Hij kastijdt ons maar met één doel, n.l. om ons in de schaapskooi van Koning Jezus te houden. God is op de troon. En wij, zijn dienstknechten, mogen Hem volgen en Hem dienen. Dat is een groot voorrecht. Hij wil ons in Zijn dienst hebben en als we dicht bij Hem blijven is het veilig. Dan hoeven we ook niet bang te zijn, want God beschermt ons.

Wat kan het om je heen woeden, wat kan het tekeergaan. Dan denk je dat je er nooit meer uit komt. Maar God ziet het. Hij bergt je in zijn hut. Hij laat je niet in de steek. Dat is een heerlijke gedachte. Want stel je voor dat niemand naar je omkijkt? Daar word je toch verdrietig van? HERE, help ons, om door de moeite van het leven U te blijven vertrouwen. Maak mij dapper om de chaos buiten de deur te houden. De boze probeert de boel in de war te sturen, maar we nemen het niet. Jezus is overwinnaar. Hij gaf zijn leven op het kruis van Golgotha. God is eindeloos goed. God kiest Zich een land en Hij kiest Zich een volk. Dat volk woont op Zijn erfdeel en het kan lang duren of het kan kort duren, maar God blijft bij zijn belofte. Zij zullen terugkeren. Ze zullen door de volken uitgespuugd worden. De vijand ziet geen kans om ze vast te houden. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Zijn plannen falen niet.

Psalm 48:1-15

24 april [2]

48:2

Groot is de HERE en hoog te loven
in de stad van onze God zijn heilige berg.

48:3

is de berg Sion, ver in het noorden,
de stad van de grote Koning.

48:4

God doet in haar paleizen
Zich kennen als een burcht.

48:5

Want zie, koningen kwamen bijeen,
zij trokken gezamenlijk op;

48:6

zodra zij het zagen, stonden ze ontzet,
werden verschrikt, vluchtten weg.

48:10

Wij gedenken, o God, uw goedertierenheid
in het midden van uw tempel.

48:11

Gelijk uw naam, o God, zo is uw lof
tot aan de einden der aarde;
uw rechterhand is vol van gerechtigheid.

48:12

Laat de berg Sion zich verheugen;
laten de dochters van Juda juichen
om uw gerichten.

48:13

Gaat rondom Sion en trekt er omheen,
telt haar torens,

48:14

richt uw aandacht op haar voormuur,
doorwandelt haar paleizen,
opdat gij het aan het volgende geslacht kunt vertellen:

48:15

Waarlijk, zo is God, onze God, voor eeuwig en altoos;
tot de dood toe zal Hij ons leiden.

Ja, waarlijk, dat is God voor eeuwig en altoos. God woont op Sion, dat is de berg van zijn woning. Zijn tempel is prachtig. God doet legers terugdeinzen. God is machtig. Koningen kunnen samensmeden om de stad te veroveren, maar als ze bij de heilige berg komen deinzen ze terug. Dan doet God ze af­druipen. Dan grijpt Hij in. Hoe vaak is dat niet gebeurd in de geschiedenis. Als het volk zijn God zoekt, dan zoekt God zijn volk. Als het volk zondigt, dan komen de vijanden en dan raken ze in de druk. Daar waar God uit de sa­menleving verdwijnt, komt de duivel, die de leegte invult. De boze is de over­ste dezer wereld, hij gaat over de gehele aarde en probeert te verslinden. Hij rooft en steelt, het is oorlog. Het is een wereldoorlog, want hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verscheuren. Hij heeft het op Gods kinderen gemunt. Vooral de kinderen van Gods uitverkoren volk. God laat het stormen. God grijpt in. God doet ons beven. God wil dat we in zijn bescher­ming blijven. Dat kan als we in zijn tempel blijven wonen. Het wonder is dat ons lichaam die tempel is, wanneer het de woonplaats van de Heilige Geest is. Het is toch onvoorstelbaar. Dat kan toch niet, als we dat vergelijken met de heilige tempel op de berg Sion? De woning van God, daar waar God troont. Bedenk je dat ons lichaam een tempel van de Heilige Geest is. We hebben geen idee hoe heilig we zijn. Hoe uitverkoren we mogen zijn.

God zond zijn Zoon naar deze wereld, omdat Hij de wereld zo lief had, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven heeft. Verder nog, het is beter voor u dat Ik heen ga, want anders kan de Trooster, de Heili­ge Geest, niet komen. En als Hij komt, zal Hij u alles te binnen brengen, wat gij weten moet, om staande te blijven in de strijd. Ik zal u niet als wezen ach­terlaten. En zo is het. We zijn geborgen in Christus in God, door de kracht van de Heilige Geest. De tempel, dat zijn wij. Wat een grote God, die in zijn liefde en genade omziet naar ons, naar mij als nietig mensenkind en mij vergelijkt met de tempel. Daar gaat het in deze psalm over. Iedereen wist van die machti­ge tempel. Iedereen wist dat God groot was en geducht om te vrezen. Iedereen wist dat de God van Israël wonderen deed. Alle volken wisten van de uittocht uit Egypte. Ze hadden gehoord van het water in de Schelfzee. Ze hadden ge­hoord van de kwakkels.

Groot is de HERE, in de stad van onze God, op Zijn heilige berg. Schoon door zijn verhevenheid. Een vreugde voor de ganse aarde. God denkt wereldwijd. De hele aarde mag het weten dat God de Almachtige is. En ze zullen het ook weten, want God brengt alles weer terug, zoals het geweest is. Het paradijs door Hem geschapen komt terug. Maar het gaat wel door strijd heen. De vij­and gaat tekeer. Wat is er niet een ellende en ziekte en strijd en dood. Kinde­ren worden als een wonder geboren, maar even later sterven ze weer. God gaat dat veranderen. God is goed en niet genoeg te prijzen.

Wat een psalm. Je wordt er toch blij van. Zo is het met elk Woord van God. Het zijn ook de psalmen van God. Wij lezen de Bijbel niet, de Bijbel leest ons. Wel eens over nagedacht? Dat is het geheim. God zendt zijn Licht en zijn Waarheid neder om ons te richten, opdat we op zijn pad van waarheid, liefde en leven blijven. En het werkt. Het werkt niet omdat wij het lezen. Het werkt, omdat Hij door zijn Heilige Geest in ons woont en ons alles te binnen brengt, wat we moeten weten. We hoeven ons dus ook niet bezorgd te maken, want al onze zorgen zijn bij Hem bekend. We hoeven gelukkig slechts te leven vanuit en in zijn bescherming. Dan komen we goed uit en heeft elke dag genoeg aan zijn eigen kwaad. Maar Gode zij dank, door de HERE Jezus Christus, mogen we onze hoofden en harten opwaarts heffen, omdat onze verlossing nabij is. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

Psalm 49:1-21

25 april [2]

49:2

Hoort dit, alle gij volken,
neemt ter ore, alle bewoners der wereld,

49:3

zowel geringen als aanzienlijken,
rijken en armen tezamen.

49:6

Waarom zou ik vrezen in dagen des kwaads,
als de ongerechtigheid van mijn belagers mij omringt;

49:7

van hen, die op hun vermogen vertrouwen,
en op hun grote rijkdommen zich beroemen?

49:8

Niemand kan ooit een broeder loskopen,
noch Gode zijn losprijs betalen,

49:9

te hoog immers is de prijs voor hun leven,
en voor altoos ontoereikend –

49:10

dat hij voor immer zou voortleven,
de groeve niet zou zien.

49:13

Maar de mens met al zijn praal houdt geen stand;
hij is gelijk aan de beesten, die vergaan.

49:15

Als schapen zinken zij in het dodenrijk,
de dood weidt hen;
de oprechten heersen over hen in de morgenstond…

49:16

Maar God zal mijn leven verlossen
uit de macht van het dodenrijk,
want Hij zal mij opnemen.

49:17

Vrees niet, als iemand rijk wordt,…

49:18

want in zijn sterven neemt hij niets van dat alles mede,…

49:21

De mens, die met al zijn praal geen inzicht heeft,
is gelijk aan de beesten, die vergaan.

Als je het nu nog niet begrijpt, moet het dan nog scherper gezegd worden. Het zal je maar gezegd worden. Zo doe je dat toch niet? Je moet toch wel een beetje eerbied hebben en het staat er zelfs twee keer. Dan moet het wel echt zo bedoeld zijn. Daar krijg je moeilijkheden mee. De mens die met al zijn praal geen inzicht heeft, is gelijk aan de beesten die vergaan. Nou, nou. Je zult maar met een beest dat vergaat, vergeleken worden. Een kadaver. Maar het is een scherpe uitspraak over de slaap, waaruit je moet ontwaken om weer tot je po­sitieven te komen. Het is waar, dat de rijken zich gaan verlustigen en zwelgen in hun rijkdom. Daar kunnen ze hun hele leven mee bezig zijn. Hoe houd ik het zaakje bij elkaar? Hoe kan ik nog meer geld verdienen? Wat moet ik doen om te zorgen dat de boel niet achteruit gaat, enz. enz. enz.?

Het gaat almaar over geld. We hebben het wel over waarden en normen, maar als het gaat over ons hebben en houden, dan gaan de waarden en de normen naar de achtergrond. Dan is het: Hoe krijg ik het meeste van de koek? En we hebben al zoveel van de koek. Nou, hier staat het antwoord: Gods wijsheid is er voor armen en rijken, voor geringen en aanzienlijken. Let op! Hier gaat het om. Laat je niet in de war brengen. Vul je leven met de waarheid. De waar­heid van God. En hoe kunnen de belagers om je heen actief zijn om je van je levensvreugde af te halen? Hoe kunnen ze ook hun oog gericht hebben om te nemen wat jij hebt? Maar ze kunnen een prijs voor het leven niet bepalen, want die prijs is nooit te bepalen. Want hoe kan je nu op een schepsel van God een prijs plakken. Dat gaat helemaal niet. Wat een domme gedachte. Iedereen sterft. Wijzen en dwazen. Maar de dwaze, hij die zich vastklampt aan geld en goed, kan niets meenemen naar het dodenrijk. Dan is het over en uit.

Kijk eens hoe mensen krampachtig tot in hoge ouderdom alles doen om hun hebben en houden te bewaren. Ze worden er ziek van. Er komt haat en nijd en de aasgieren kunnen nauwelijks wachten op de dood. Een mens moet geld hebben, maar laat het je niet beheersen. Houdt het zicht op God gericht. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Van Hem is het goud en het vee op duizend bergen. Hij heeft jou geschapen. Hij heeft je een heel klein tijdje rentmeester gemaakt over een heel klein stukje van zijn wijngaard. Dat is pas leven. Daar­om zegt de dichter: “Vrees niet, als iemand rijk wordt. God zal mijn leven ver­lossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen.” En daar gaat het om. Het is gemakkelijker dat een kameel gaat door een oog van de naald, dan dat een rijke het Koninkrijk van God beërft. Rijkdom is dus een groot gevaar. De zucht naar geld is de bron van alle kwaad. Dat is een letter­lijke gifspuit in het leven. Deze wijsheid van God voor rijken en armen, voor aanzienlijken en geringen, moet wereldwijd verkondigd worden. Het gaat om de eer van God en om niemand anders. We moeten God dienen met ons geld en goed. We moeten Hem aanlopen en Hem gehoorzamen en omzien naar de weduwen en de wezen in hun druk. Hen helpen en niet op ons geld zitten. Dat is pas grote liefde. Dat is gerechtigheid. Dat is de echte rijkdom. Dat is de rijk­dom in Hem. Hij zal ons verlossen van het dodenrijk. We sterven allemaal, maar het gaat erom om te sterven in de HERE. Dat geldt voor de rijke en de arme, de aanzienlijke en de geringe. God is groot en nooit genoeg te prijzen.

Wat kan er dan veel ten goede veranderen als we deze principes toepassen. De rijke zal de arme niet uitbuiten. En de arme zal zijn kansen kunnen benutten. De rijke wordt nog rijker, maar vanuit de liefde en de zegen van God, want waar de liefde toeneemt daar neemt de werkkracht, de productiviteit toe en de samenwerking. Dan gaan daar dingen gebeuren waar we versteld van staan. Omdat de waarde van het leven niet het geld is. Het leven is een geschenk waar je geen prijs aan kunt koppelen. Het leven is het leven door God gescha­pen en we zijn geroepen om te woekeren met de talenten die God heeft gege­ven. Die God moeten we liefhebben en de naaste als ons zelf. Je zult eens zien wat daaruit gaat opbloeien. Dat is een geweldig grote investering in liefde die omgezet wordt in huizen, bomen, beesten en nieuwe mogelijkheden. Aan zo’n investering komt geen einde, omdat er nog zoveel nood in de wereld is, dat we voorlopig niet uitgewerkt zijn. Glorie voor God! Hij is dezelfde nu, en wil ook vandaag voorspoed brengen aan allen, die lijden door de vergaarzucht van de rijken. God is goed! Ga vandaag in die gezindheid en je zult ontdekken dat je zeker deze wijsheid in praktijk kunt brengen.

Psalm 50:1-23

26 april [2]

50:1

De God der goden, de HERE, spreekt en roept de aarde
van waar de zon opgaat tot waar zij ondergaat.

50:5

Vergadert Mij mijn gunstgenoten,

die met Mij het verbond sluiten met offers.

50:6

Daar verkondigt de hemel zijn gerechtigheid,
want God is rechter.

50:14

Offer Gode lof
en betaal de Allerhoogste uw geloften;

50:15

roep Mij aan ten dage der benauwdheid,
Ik zal u redden en gij zult Mij eren.

50:22

Verstaat dit toch, gij, die God vergeet,
opdat Ik niet verscheure, zonder dat iemand redt.

50:23

Wie lof offert, eert Mij,
en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien.

God spreekt en het is er. Hij is er van de vroege morgen als de zon opgaat, tot­dat zij nederdaalt. God heerst over het grote wereldgebeuren. Er is niets dat niet aan God onderworpen is. Hij spreekt en het is er. Het is dus ontzettend belangrijk, dat wij het alles van de HERE verwachten, Die troont boven alles. Hij daalt met zijn liefde en almacht op ons neer. Hij wil dat wij Hem loven en prijzen. Hij hoeft niets van ons, maar wij hebben alles van Hem nodig. Hoe zouden we kunnen leven als we het niet van Hem ontvangen hebben? Dat is de geweldige genade en zegen, dat Hij ons altijd nabij is. Dat hij ons nooit in de steek laat. Tot Hem kunnen we roepen in onze benauwdheid en Hij zal naar ons luisteren. Hij laat ons nooit in de steek.

God is goed en nooit genoeg te prijzen. Daarom mogen we en moeten we Hem onze geloften betalen. Hem loven en prijzen. Offer Gode lof, en betaal de Al­lerhoogste uw geloften. Roep Mij aan ten dage der benauwdheid. Ik zal u red­den en gij zult Mij eren. Daar gaat het om. We moeten het in de goede volgor­de zien. God hoeft niets van ons. Hij heeft onze offers niet nodig. Want al het vee en alles wat bestaat, inclusief wijzelf, behoort tot Hem. Wij moeten alles van Hem verwachten. Dat is het grote geheim, dit is de grote ontspanning. Wij denken maar dat wij van alles moeten doen, dat wij God moeten behagen, dat wij ons voor Hem moeten waarmaken. Maar niets is minder waar. Wij kunnen ons niet eens waar maken, want aan ons kleeft de zonde tot in al onze vezels. Het is door de genade van God, Die alles regeert en alles in zijn hand heeft, dat wij kunnen leven van vergeving op vergeving en van genade op genade. Hoe zouden we anders kunnen leven? En zo is het en zo gaat het voort. God is goed! Hij is altijd bij ons. Dat is geweldig.

Als we dat eenmaal goed tot ons laten doordringen, dan beginnen we veel in de juiste proporties te zien. Dan worden we ontspannen. Dan zien we onze tekortkomingen ook in het licht van zijn genade. Want wij kunnen voor Hem niet bestaan. Als we dan ook nog gaan beseffen, dat Hij ons zo lief had dat Hij zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe, dan beseffen we toch dat het een voor­recht is om tot Hem te behoren. Dan kunnen we Hem wel eeuwig loven en prijzen voor zoveel liefde. Want wie geeft zijn leven nu voor zijn vrienden? Wie kan grotere liefde geven dan Hij Die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Dat is toch onvoorstelbaar. Daar ga je toch voor op je knieën. Zo is God. Dat is zijn grote liefde voor ons. Hij heeft ons eerst lief gehad. En wij mogen in die liefde gaan zwemmen, ons erin vermeien. Want Hij trekt ons op. Hij laat ons nooit in de steek. Dat zegt deze psalm, God onze Schepper. Hij heeft ons bijna goddelijk gemaakt. We zijn zijn schepsels en het schepsel, de pot zal zich nooit beroemen tegen de Schepper, de pottenbakker. Heerlijk Evangelie. Wat een zegen. Wat een genade. O HERE God, dank U wel. Het is een ont­dekkingsreis, die je steeds maar hoger voert, die je steeds maar dieper verlan­gen geeft om te schuilen bij Hem. Dank U wel!

Dan is het vanzelfsprekend dat de goddeloze er slecht aan toe is. Hij moet zich haasten om zich te bekeren, want anders loopt het slecht met hem af. Hij slaat de goddelozen. Zij volgen het bedrog. Ze hebben mooie woorden maar ze vol­gen de leugenaar en de zonde en God ziet het allemaal. Hij waarschuwt: Pas op, laat je niet in met zulke lieden. Wat voor mooie woorden ze ook allemaal uiten. Het is één en al leugen en dat kun je weten. Pas op. God maakt het hun duidelijk. Bekeer je dan, want Ik laat niet met Mij spotten. Opdat Ik u niet ver­scheure, zonder dat iemand redt. Daar gaat het om. Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg dat Ik hem Gods heil doe zien. Wie wil dat niet? Kom en doe mee met het heilsplan van God, dan kom je goed terecht.

Psalm 51:1-21

27 april [2]

51:2

toen de profeet Nathan bij hem gekomen was…

51:3

Wees mij genadig, o God, naar uw goedertierenheid,
delg mijn overtredingen uit naar uw grote barmhartigheid;

51:4

was mij geheel van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.

51:5

Want ik ken mijn overtredingen,
mijn zonde staat bestendig vóór mij.

51:7

Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren,
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.

51:11

Verberg uw aangezicht voor mijn zonden,
delg al mijn ongerechtigheden uit.

51:12

Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een vasten geest;

51:13

verwerp mij niet van uw aangezicht,
en neem uw heilige Geest niet van mij;

51:14

hergeef mij de blijdschap over uw heil,
en laat een gewillige geest mij schragen.

51:16

Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils,…

51:19

De offeranden Gods zijn een verbroken geest;
een verbroken en verbrijzeld hart
veracht Gij niet, o God.

51:20

Doe wèl aan Sion naar uw welbehagen,
bouw de muren van Jeruzalem.

51:21

Dan zult Gij behagen hebben in offers naar de eis,…

Hoe kan het ooit weer goed komen tussen God en David? Het is toch ver­schrikkelijk wat hij gedaan heeft? Het is toch ronduit gemeen? Wat een lage streek. Wat een misbruik van macht. Jij valt op de mooie vrouw van een ander en je stuurt haar man naar het front met de kennelijke bedoeling dat hij sneu­velt. Zet hem voor in de gevechtslinie. En ja hoor, de man sneuvelt. Voor het oog is er niets aan de hand. Er is een soldaat gesneuveld. Maar God weet het. David neemt de mooie vrouw, die hij had begluurd toen ze aan het baden was. Dat was al een verwerpelijke zonde. Je verlustigt je niet in de vrouw van een ander. Dan wend je je gezicht af. Of je waarschuwt, dat ze het niet in het openbaar moet doen. Wie weet hoe vaak hij haar begluurd heeft? Hoe vaak is het gluureffect in ieder van ons opgestaan? Hoe vaak komen verkeerde ge­dachten naar boven als we een vrouw zien. Jezus zegt dan ook terecht: Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die pleegt reeds echtbreuk. Echtbreuk begint bij het begeren. En het begeren zit zo aan de oppervlakte van ieder mens. De zonde huist in ons sterfelijk lichaam. Ik ellendig mens, wie zou mij verlossen?

En dan komt de profeet Nathan. Hij vertelt een verhaal over een rijk man, die zijn arme stadgenoot zijn enige schaap ontneemt. David roept: Die man is des doods schuldig. Waarop Nathan zegt: Gij zijt die man. David is des doods schuldig. Het is verschrikkelijk. Hoe kunnen we vaak schijnheilig zijn, de zon­de in de ander radicaal aanwijzen en afwijzen en veroordelen en er tegen te­keergaan, maar dan onze eigen zonde, de balk in ons eigen oog, niet zien of verdoezelen of vergoelijken. De straf is verschrikkelijk. Het kind sterft. David weent en Bathséba natuurlijk ook. Zij weet het nu ook. David heeft gezondigd. Samen staan ze schuldig voor God. Wat een verhaal. En toch wordt David een man naar Gods hart genoemd. De moordenaar wordt een man naar Gods hart. Hij had begrepen dat alleen onvoorwaardelijke overgave aan God, het belijden van je schuld, het verbroken zijn van hart, de weg is waarlangs God zijn dienstknechten kan gebruiken in zijn dienst. En wat is David gebruikt in zijn dienst. De grote daden van David zijn bekend. Of beter de grote daden van God.

Dan dicht David deze psalm. Het is één lofprijzing op de HERE God. Het is één erkenning van de barmhartigheid en de genade en de vergevende liefde van God. Het is geen verdoezelen van de zonde, het is geen goedkope genade. Het is de erkenning van het rechtvaardig oordeel van God. David heeft gezon­digd. Hij is des doods schuldig. Het is de diepe erkenning van de schuld en het weten dat er alleen vergeving is op erkenning van je schuld. De zonde moet gestraft. Zonder straf geen verzoening. De verzoening is bereikt op het kruis van Golgotha. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn enigge­boren Zoon gezonden heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Dat is het grote wonder, waaruit David ook is gaan leven. En dan kan God met de mens op stap. Want we hebben te maken met een grote God. Een God Die het gehele leven en de hele wereld bestuurt. Wiens ogen de ganse aarde doorlopen om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat.

We moeten ons uitstrekken naar God. Het van hem verwachten. Elke dag weer. Hij laat je nooit in de steek. Het komt van Hem. Laat je vullen door Hem. Dat heeft David begrepen. Red mij van de bloedschuld. “Schep mij een rein hart, o God,” “verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw heiligen Geest niet van mij.” Blijf dicht bij mij. Want: “De offeranden Gods zijn een verbroken geest, een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God.” Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, want ik ben in zonde ontvangen en geboren. Wie had gedacht, dat ik tot zulke zonde in staat zou zijn? Ons hart is arglistig. Maar wat wij denken voor God te verbergen, dat ligt open en bloot voor Hem. Daar komen we niet mee klaar. God is goed! God is geweldig! We hebben niets te vrezen. Als je dat gaat ontdekken en soms door moeite en pijn heen, dan wil je niet anders dan naar God vluchten. Dan zie je hoe krachtig de zonde kan zijn in je leven en dan ontdek je de liefdeskracht van God. Dan wil je alleen maar verder met Hem. Prijs de HERE! Dank u HERE, voor al uw liefde en trouw. Wat een genade bewezen aan David. Zo bent U rechtvaardig en barmhartig. U richt ons op. U geeft ons kracht. U zet ons op onze plaats. U houdt ons vast. Maak mij een willig instrument voor U. Niets kan mij schei­den van de liefde van God. Ik kan er wel de hele dag over doorpraten. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 52:1-11

28 april [2]

52:5

Gij hebt het kwade lief boven het goede,
leugen boven waarheid spreken.

52:7

Maar God zal u voor eeuwig verbreken,…

52:8

Dan zullen de rechtvaardigen het zien en vrezen,
en over hem lachen:…

52:10

ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
altoos en immer.

52:11

Voor altoos zal ik u loven,
omdat Gij het gedaan hebt;
ik zal uw naam verwachten – want die is goed –
in tegenwoordigheid van uw gunstgenoten.

Doëg beraamde het kwaad. Wat kunnen de tegenstanders gemeen tegen je te­keergaan. En wat kunnen ze ook op wraak, leugen en boosheid zinnen. Het is je niet voor te stellen. Ze verharden zich en willen tegen alles in gaan wat God doet. Ze haten God. Ze doen het eigenlijk niet zelf, maar de boze geest, die in hen is, heeft hen te pakken. Boze geesten zijn de vijanden van God. Die gaan rond als een briesende leeuw, zoekend wie ze kunnen verslinden. Ze zijn uit op de dood. Ze hebben het kwade lief boven het goede. Er deugt niets van. Je moet er voor oppassen, want ze proberen je te pakken. Houd je er verre van. Want je bent in het gebied van de gevaren. Daar moet je je niet in begeven. Weg er mee!

Maar, en dan komt het, zoals steeds. De boze kan tekeergaan, het kan lijken of ze de baas zijn. Maar God laat het er niet bij zitten. Hier staat dan: “Maar God zal u voor eeuwig verbreken.” Zo, dat is duidelijke taal. God zal je uit je hui­zen slepen. Je kunt wel denken dat je alles bezit en dat je je gang kunt gaan, maar dan heb je buiten de rechtvaardige God gerekend, Die afrekent met alle onrechtvaardigheid. Daar is geen wrikken aan. Dat gaat gebeuren. Ze worden ontworteld uit het land der levenden. Ze worden eruit gegooid. De rechtvaar­digen zullen het zien en ze zullen er om lachen. Dan zien ze hoe het werkelijk zit. God zit op de troon. Hij duldt geen onrechtvaardigheid. Hij jaagt ze weg. Hij maakt korte metten met ze. Weg van de aardbodem. Naar de poel van vuur. Daar is het geween en het tandengeknars. Zo gaat het met hen die de zonde liefhebben. Ze denken dat ze sterk zijn in hun rijkdom, maar hun onheil komt over datgene waarin ze denken sterk te zijn.

Maar ik vertrouw op Gods goedertierenheid, altoos en immer. Dat is de weg die we gaan moeten. We kunnen op God vertrouwen. Daar hoeven we niet aan te twijfelen en daar moeten we dan ook niet aan twijfelen, want God is goed. Hij heeft het gedaan. Hij volvoert Zijn plan. Hij laat ons nooit in de steek. En wat heeft David niet in moeilijkheden gezeten. Hoe hebben ze geprobeerd zijn leven te nemen. En dan toch zegt hij, dat hij onvoorwaardelijk op God ver­trouwt. Hij verwacht het van de Naam des HEREN, Die hij verwacht temid­den van de gunstgenoten. Het is ook een verwachting, die je samen mag bele­ven. Met alle heiligen, om samen te zien de hoogte, breedte, diepte en lengte van de almacht, genade en liefde van God. Samen met alle heiligen! Wat een perspectief. Daar kunnen we ons aan vasthouden voor tijd en eeuwigheid en dat moeten we dan ook maar doen. Dat geeft een hoop rust in ons leven. Dan zie je de dingen weer in de juiste proporties. Dan zijn we hemelburgers en verloste zondaren. Jezus is Koning. Hij is de HERE der heren. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 53:1-7

29 april [2]

53:1

Voor de koorleider. Op: Mahalath. Een leerdicht van David.

53:2

De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.

53:3

God ziet neder uit de hemel
op de mensenkinderen,
om te zien, of er één verstandig is,
één, die God zoekt.

53:4

Allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard,
er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

53:5

Hebben zij dan geen kennis, die bedrijvers van ongerechtigheid,
die mijn volk opeten, als aten zij brood?
God roepen zij niet aan.

53:6

Daar verschrikken zij,
terwijl er geen verschrikking is;
want God verstrooit het gebeente van uw belager
gij doet hen beschaamd staan,
want God heeft hen verworpen.

53:7

Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!
Als God een keer brengt in het lot van zijn volk,
dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

Ja, dan ben je wel een dwaas. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Dat is de grootste dwaasheid, die je maar kan uiten. Want de hele schepping laat zien, dat er een Schepper is. God is God. Wat een dwaasheid om dat te ont­kennen. En toch wordt het wereldwijd ontkent. Wat een hoogmoed om te den­ken dat het allemaal vanzelf ontstaan is of dat we het zelf gefabriekt hebben. Hoe komen we erbij? Te gek voor woorden. Dwaas. God ziet neder uit de he­melen op de mensenkinderen. Wat moet Hij zijn hoofd schudden. Wat moet het Hem aan Zijn hart gaan. God is in de hemel en wij zijn op de aarde. God is hoogverheven in de hemel. Wat een eerbied. Wat een grootsheid. Niemand kan Gods aangezicht zien en niet sterven. Als de engel nederdaalt, dan vallen de mensen ter aarde. Een verblindend licht. Vrees niet! Dat is onze redding. Want Ik ben met je. God ziet de mensenkinderen. Allen zijn afgeweken, allen zijn ontaard, er is niemand die goed doet, zelfs niet één. En hoe waar is dat? We zijn allen in zonde ontvangen en geboren. De zonde kleeft aan ons. We weten het allemaal. Het is vreselijk. We hebben gezondigd en derven de heer­lijkheid Gods. Vreselijk, wat een ellende en wat een zonde. God had het zo mooi gemaakt. Hij zag dat het goed was. Hij zag dat het zeer goed was. En nu kijk eens? De kinderen worden geboren om na zeventig, tachtig jaar weer te sterven. De dood heerst in ons sterfelijk lichaam. Zijn we daarvoor door God geschapen om al weer heel gauw te sterven? Werden we voor de zondvloed nog achthonderd, negenhonderd jaar, na de zondvloed was het niet meer dan honderd of iets meer. En vandaag aan de dag mag je al blij zijn als je tachtig wordt. In grote delen van de wereld ben je al uitgeschakeld als je vijftig bent.

Hebben zij dan geen kennis, die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten als aten zij brood. God roepen zij niet aan. Dan gaat het ook mis. Als je God niet aanroept, die vanuit zijn grote liefde, het meeste lijdt onder het lijden van de mensheid. Die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgeven heeft opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Hij wil wonen in ons hart. Hij zendt de Heilige Geest, opdat Die altijd bij ons kan zijn. God is goed en niet genoeg te prijzen. Maar het is heel simpel. Als we God niet aanroepen, dan worden we een prooi van de duivel. En waar de duivel optreedt, daar is ongerechtigheid. Dat kun je aan je zelf afmeten. Als de zonde, de ongerechtigheid, de boosheid, de vruchten van het vlees, de overhand op je krijgen, dan ga je de kant van de duisternis op. Dan benadeel jezelf en de ander. Dan komt het niet goed met de liefde. Het is zo simpel, dat je er gewoon aan voorbijgaat. Het kan in ons denken niet zo simpel lijken. Maar zo simpel is het. Waar je God niet aanroept, daar komt de duivel in de plaats. Er is geen midden. Er is geen halfweg. Er is geen grijs gebied.

Maar God weet het en Hij rekent af met de belager. Het kan lang duren, het kan kort duren, maar één ding is zeker: God is rechtvaardig. Hij neemt de zon­den niet. Hij komt met zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Hij zal ze­gevieren. Het is volbracht. Ik kom spoedig. Waakt dan op, dat die dag je niet overvalt als een dief in de nacht. Wees waakzaam! En twijfel niet. Houd je oog gericht op Jezus. Blijf dicht bij Hem. Want je bent geborgen in Christus, in God, door het bloed van het Lam, dat de zonde der wereld wegnam. “Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!” Dat kun je verzuchten. Want wat is er een lijden in de wereld. Wat kan de duivel rondgaan als een briesende leeuw. Maar Hij komt. Hij komt om de aarde te richten, de wereld in gerechtigheid. We kunnen juichen en zingen en de HERE loven en prijzen, want zijn Woord is de waarheid. Hij is de Weg. Hij is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Ik zal niet struikelen. Ik mag verblijven in de schuilplaats van de Allerhoogste. God is goed. Prijs de HERE! Wat een vreugde, wat een zeker­heid.

Als God een keer brengt in het lot van zijn volk, dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. We mogen uitzien naar die dag. Dat God zal komen met al zijn engelen en zijn voeten zal zetten op de Olijfberg en zijn Koninkrijk gaat vestigen en in de laatste slag bij Armageddon, een einde maakt aan de leger­machten van de boze. Dan zal de wet uitgaan van Jeruzalem. En op de bellen van de paarden zal staan; de HERE heilig. Glorie voor zijn Naam! Laten we met reikhalzend verlangen uitzien naar die dag. Beijvert u daarom des temeer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen, want als je dat doet, zal je niet meer struikelen, maar royale toegang krijgen tot dat eeuwige Konink­rijk van God. Wat een profetie. Wat een zekerheid. Het gaat gebeuren. Het staat vast. God is goed!

Psalm 54:1-9

30 april [2]

54:2

Verbergt David zich niet bij ons?

54:3

O God, verlos mij door uw naam,
verschaf mij recht door uw kracht.

54:4

O God, hoor mijn gebed,
neem ter ore de redenen van mijn mond.

54:5

Want vreemden staan tegen mij op,
geweldenaars staan mij naar het leven;
zij houden God niet voor ogen.

54:6

Zie, God is mij een helper,
de HERE is het, die mij schraagt.

54:7

Hij zal het kwaad vergelden aan wie mij benauwen,
verdelg hen in uw trouw.

54:8

Ik zal U vrijwillig offers brengen,
ik zal uw naam loven, HERE, want hij is goed;

54:9

omdat Hij mij gered heeft uit alle benauwdheid,
zodat mijn oog met vreugde op mijn vijanden zag.

Kun je je het voorstellen? Saul zit achter David aan. Hij had het op zijn leven gemunt. Daar is geen twijfel aan. David is op de vlucht. Als jaloersheid en haat zich meester van je maakt, dan ben je in staat tot de meest vreselijke din­gen. Dan sta je de ander graag naar het leven. Hetzij letterlijk, hetzij figuur­lijk. Wat worden er ontzettend veel figuurlijke moorden gepleegd. Ik zou hem dit en ik zou hem dat wel willen aandoen. En meestal is dat niet veel goeds. Wat kunnen andere mensen je aandoen? Ze halen het bloed onder je nagels vandaan. Dat klopt. En dan word je uitgedaagd om ook in die fout te verval­len. Dat zijn de zogenaamde aanleidende oorzaken tot ontzettend veel ellende en soms zelfs tot oorlog, ja tot wereldoorlogen. De zonde, de haat en nijd, is de kanker in de wereld.

Dan komen de mensen die zeggen dat David zich ophoudt in hun gebied. Wat gemeen. Ze verraden je. Je bent de klos. Je bent als opgejaagd wild, je bent als vogelvrij en nu verraden de mensen je ook nog. Om een wit voetje bij Saul te halen. Om niet in de moeilijkheden te komen. Wat kun je je daar veel bij voor­stellen, als je denkt aan wat de Joden in de oorlog, maar ook door de eeuwen heen, is overkomen. Vreselijk. Wat een ellende. Wat een verraad. En wat een verraad vandaag aan de dag.

David roept tot God. Dat is ook de enige redding. Dat is ook de enige schuil­plaats. Waar moet je het anders zoeken. God is je redding. Nou, daar blijkt dan niet veel van in de situatie van David. Saul staat hem naar het leven en de mensen verraden hem. Noem dat nu maar hulp van God. Het lijkt eerder dat God hem in de steek gelaten heeft. Waarom laat God dat toe? Waarom dit en waarom dat? Dat is toch geen werk? Als God echt liefde is, dan laat Hij mij toch niet zo creperen? En vul het maar aan. Het is uit het leven gegrepen. Het is verschrikkelijk. Wat moet God toch ver weg zijn voor David. Hoe vaak be­trekken we dat ook niet op onszelf, als iets ons dwars zit. Wat zijn we toch vreselijk bekrompen mensen. Wat denken we klein van Gods almacht in onze vaak tijdelijke en soms langduriger problemen en situaties, die, in feite geme­ten aan de eeuwigheid die voor ons ligt, niet veel inhouden, al kan het ook heel moeilijk zijn. De geweldenaars staan mij tegen, want zij houden God niet voor ogen. Keer op keer komt dat terug. Als je God niet voor ogen houdt, dan gaat het mis. Dan kom je terecht in de kring der spotters, gewelddienaars, zon­daars, bozen, onrechtvaardigen, enz. Pas op dat je daar ver vandaan blijft.

Maar David slaat om. Hij komt op juiste koers. Hij weet zeker: God is hem een Helper. Psalm 23: De HERE is mijn Herder. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis…, Gij zijt bij mij. De HERE is het Die mij schraagt. Ik wankel. Ik ben in de druk. De vijanden liggen op de loer. Ze staan mij naar het leven, maar de HERE is het Die mij schraagt. Dwars door alles heen. Hij zal optreden. Kwaad dat ze mij aan doen, zal op hun eigen hoofd terechtkomen. Dat is vast en zeker. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Daarom kunnen we de HERE God altijd loven en prijzen. Zelfs temidden van de grote druk. Dat is het geheim van de werkelijkheid van het leven met God. Want God is goed. Hij redt je uit de benauwdheden. Vaak heel letterlijk. En dan zie je op je vij­anden neer. Dan weet je dat God goed is. Soms ook niet zo letterlijk, maar wel letterlijk in geestelijke zin, dat je ondanks je moeilijkheden en de dingen die je niet kunt vatten, zeker weet dat de HERE je Helper, je Goede Herder is.

Dat is het geheim van een leven met God en in God. Want niets kan je schei­den van de liefde van God. Als God zijn eigen Zoon niet gepaard heeft in zijn liefde voor ons, wat kan ons dan nog van Hem scheiden? Dat is het geheim van de verborgen omgang met God. De vijanden snappen dat niet. Die denken dat als ze jou een kopje kleiner maken, dat het wel afgelopen zal zijn, maar niets is minder waar. God is goed! Hij is de Bron en de Kracht van ons leven in alle omstandigheden van ons leven. Want het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de eeuwigheid die voor ons ligt. Halleluja.

Psalm 55:1-9

1 mei [2]

55:1

Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een leerdicht van David.

55:2

Neem, o God, mijn gebed ter ore,
verberg U niet voor mijn smeking.

55:3

in mijn onrust zwerf ik kreunend rond,

55:4

vanwege het geschreeuw van de vijand,
vanwege de kwelling van de goddeloze;
want zij storten onheil over mij uit,
en bestoken mij in toorn.

55:5

verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen,…

55:7

zodat ik zeg: O, had ik vleugelen als een duif,
ik zou wegvliegen en een woonplaats zoeken;…

55:9

Ik zou mij haastig een wijkplaats zoeken
tegen de rukwind, tegen de storm.

HERE, God, wat gaat de vijand tekeer. Wat is er een afval om mij heen. Ik neem het gebed van uw knecht David over. Ik leef nu zoveel duizenden jaren later. Uw Woord is niet veranderd. Uw liefde is dezelfde. uw Woord is vast. Het is tijd- en weerbestendig. Maar de vijand is gekomen. Die roept nu andere dingen. Die slaat om zich heen om alles wat van U is, kapot te maken. Ze wijken af van uw Woord. En ze proberen ons kapot te maken. Ze gaan tekeer alsof wij de grootste boosdoeners zijn. Maar HERE, uw Woord is de waar­heid. Ik wil weg gaan van al dat boze geschreeuw. Weg van dat gelal. Het is niet om aan te horen. Hoe durven ze uw Woord te krenken. Hoe durven ze U te beledigen. Ze vloeken en ze tieren. En ze willen niets met mij te maken heb­ben. Maar HERE, God, U bent er en U blijft er. Want uw Woord is de waar­heid. Het is zo waar. Het is zo heerlijk om bij U te schuilen. Naar mijn eigen vlees te werk gaande, zou ik wel willen wegvliegen en een veilige woonplaats zoeken, ver van het geschreeuw en het getier van uw en mijn tegenstanders. Maar met U kan ik verder. HERE, hoor naar mijn stem. Dank U wel.

Uit het leven gegrepen. Want als we zien hoe de vijand tekeer kan gaan tegen het Woord van God, het is onvoorstelbaar. Daar is ook de Bijbel vol van. Het volk dient God en het valt zo maar weer af. Wat toch verschrikkelijk. Het lijkt wel of we niet tegen de aanvallen van de boze bestand zijn. Steeds weer is er afval. En je kunt je vaak niet eens voorstellen hoe verschrikkelijk dat kan zijn. Het gaat goed en dan is er de aanvaller, de mensenmoordenaar van de beginne. Daarom is het ook zo belangrijk om heel dicht bij het Woord van God te blij­ven. Dan ben je veilig. Dan zie je het zitten. Dan worden je gedachten niet verward. HERE, help mij, HERE, help ons om staande te blijven in deze gees­telijke strijd. Dank U, dat U dat ook doet. Want waar zouden we anders moe­ten gaan? Alleen bij U is vergeving. Bij U houden we het vol. Dank U HERE!

Psalm 55:10-24

2 mei [2]

55:10

Verwar hen, HERE, verdeel hun spraak.
Want ik zie geweld en twist in de stad.

55:12

verderf is daarbinnen,…

55:14

Maar gij zijt het, een mens – mijns gelijke,
mijn vriend en vertrouwde:

55:15

wij, die samen vertrouwelijke omgang genoten,
die in het feestgewoel gingen naar Gods huis.

55:17

Maar ik, ik roep tot God,
de HERE zal mij verlossen.

55:18

Hij hoort mijn stem.

55:19

Hij verlost mijn ziel in vrede van de strijd tegen mij,…

55:20

God hoort en Hij zal hen vernederen
– Hij, die van oudsher troont –
hen, die onbekeerlijk zijn en God niet vrezen.

55:21

Hij strekt zijn handen uit tegen hen met wie hij vrede had,…

55:23

Werp uw bekommernis op de HERE,
Hij zal voor u zorgen;
Hij zal nimmermeer toelaten, dat de rechtvaardige wankelt.

55:24

Maar Gij, o God, zult hèn doen neerdalen
in de kuil van het verderf;
de mannen van bloed en bedrog
zullen hun dagen niet ter helfte volbrengen.
Ik echter vertrouw op U.

We bidden om verwarring. De tegenstanders denken dat ze hun gang kunnen gaan. Maar we bidden om verwarring in het kamp van de tegenstander. God kan verwarring in het leger van de tegenstander zenden. Hoe vaak is het niet gebeurd in de strijd. Dan greep God in en op onverklaarbare onmogelijke wij­ze kwam er verwarring en het leger ging op de vlucht. Daar moeten we eens een studie over maken. Je zult versteld staan. Als God ingrijpt, dan is de vij­and nergens. Dan gaan ze op de loop. Ze zijn bang, ze willen almaar de boel van God kapot te maken. De vreselijkste dingen halen ze uit. Ze schrikken voor niets terug. Het is vreselijk. Hoe halen ze het in hun hoofd. Daar moet een stokje voor gestoken worden. Je vraagt je af hoe dat moet, want wat kun je doen tegen zoveel tegenstand? Tegen zoveel geweld? Ze doen alsof je er niet bent, alsof je een vuiltje bent, die ze zo weg kunnen poetsen. Maar niets is minder waar. De HERE is er. Hij zal ons beschermen. Het allerergste is als je vijand iemand is met wie je vroeger bent opgetrokken in de vreze des HEREN. En hoe vaak komt dat niet voor? Dat zijn vaak de felste tegenstanders. Die proberen je onderuit te halen. Maar dat moeten we niet nemen. Wij moeten de HERE aanroepen. Want de HERE zal verlossen Wij kunnen tegen die grote meerderheid niet op. Maar God zal ons redden. Want Hij heeft er de meeste problemen mee. Hij laat Zijn eer niet roven. Hij neemt het niet. Dat staat vast en zeker. Hij Die van oudsher troont!

Als je volhardt in je zonde, als je onbekeerlijk bent, dan zal Hij straffen. Niet omdat Hij wil straffen, maar omdat jij onbekeerlijk bent. Dat is vreselijk, te vallen in de handen van de HERE God. Maar dan moet je ook luisteren naar de roepstem van God. Hij wil ons helpen. Hij wil ons redden. Hij wil ons alles geven wat we nodig hebben. Hij biedt het heil aan. Hij trekt ons naar Zich toe. Glorie voor zijn Naam!

Dus: Werp uw bekommernissen op de HERE, Hij zal voor je zorgen. Hij zal nimmermeer toelaten, dat de rechtvaardige wankelt. De mannen van bloed en bedrog zullen vallen, maar: “Ik echter, vertrouw op U.”

Psalm 56:1-14

3 mei [2]

56:1

Van David, Een kleinood, toen de Filistijnen te Gath hem gegrepen hadden.

56:2

Wees mij genadig, o God, want de mensen vertrappen mij,…

56:4

Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U;

56:5

op God, wiens woord ik prijs.
Op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou vlees mij aandoen?

56:6

De gansen dag verminken zij mijn woorden;…

56:7

terwijl zij loeren op mijn leven.

56:8

Stort de volken in toorn neder, o God!

56:9

Mijn omzwerving hebt Gij te boek gesteld,
doe mijn tranen in uw kruik;
zijn zij niet in uw boek?

56:10

dit weet ik: dat God met mij is.

56:11

Op God, wiens woord ik prijs,
op de HERE, wiens woord ik prijs,

56:12

op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een mens mij aandoen?

56:13

Op mij, o God, rusten geloften, U toegezegd,
lofoffers zal ik U betalen,

56:14

want Gij hebt mijn leven gered van de dood;
immers ook mijn voet van aanstoot,
zodat ik voor Gods aangezicht mag wandelen
in het licht des levens.

Je zult maar in zo’n gevaarlijke situatie zitten. De Filistijnen hadden David gevangen genomen. Daar kan alleen maar heel veel slechts uitkomen. Ze loerden op zijn leven. David smeekt ook om genade. Want hij zit vreselijk in het nauw. Dat kan niet goed gaan. Maar, wat doet hij? Hij roept in de kerker en prijst de HERE. “Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U.” Dat is krachtige taal. Hoe kunnen wij soms in het nauw zitten en dan roepen we tot de HERE, maar we vertrouwen niet erg op Hem. We zien het eigenlijk niet zitten. Op God vertrouw ik, zegt David, ik vrees niet; wat zou vlees mij aandoen? Niets toch? Dat is duidelijk. David ziet de almacht van God en daar is niets tegen bestand. Dan kun je in een kerker zitten, maar God is toch sterker.

God weet alles, de vijand kan verschrikkelijk tekeergaan. Ze kunnen op je loe­ren en al je gangen nagaan om je tegen te werken. Maar de vijanden hebben het al verloren. Want God is met mij. “Op God, wiens Woord ik prijs.” We mogen gaan staan op het Woord van God. Dat kan niet stuk. Dat moet je ook doen. Altijd en overal. We moeten er blij van zijn en worden. Want God ver­laat je nooit. Hij is altijd met je. Je mag in de overwinning staan. De HERE is groot. Prijs zijn Naam! Hij is er ook nu. In welke situatie je ook zit. Hij wil je helpen. Hij wil je redden. Prijs de HERE! Wat kan een mens je dan aandoen?

We hebben de verlossing in Christus. De profetieën van God zijn ja en amen. En wat een beloften. Het kan niet stuk. Heerlijk toch? Lofoffers zal ik U beta­len. Want gij hebt mijn leven gered van de dood, zodat ik voor Gods aange­zicht mag wandelen in het licht des levens. Daar word je toch blij van? Daar zit zo’n enorme bescherming in, dat je er steeds meer van wilt weten. Daar kan je het elke dag, dus ook vandaag, mee doen. Lees het nog maar eens. En dan moet je je er niet tegen verzetten, zo in de trant van, het kan toch niet. Wat moet ik er mee? Want daar zitten we vol van. Neen, daar moeten we mee le­ven. De woorden van God komen naar jou toe. We moeten het neer laten da­len in onze ziel. Daar valt het op de bodem van je hart. Daar kan het alleen maar rust brengen. Want ook wij worden aangevallen door de boze, die steeds maar andere dingen in ons hart wil pompen. Onrust, leugen en bedrog, op­stand. We weten er alles van. Maar leer van David dat temidden van de groot­ste nood hij naar God ging en kon prijzen, omdat God hem daar de kracht voor geeft. En dat is vandaag nog zo. Alle kracht komt van God, anders kan het toch niet?

Psalm 57:1-12

4 mei [2]

57:1

Een kleinood, toen hij voor Saul in de spelonk vluchtte.

57:2

Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,
want bij U schuilt mijn ziel;
ja, in de schaduw van uw vleugelen zal ik schuilen,
totdat het onheil voorbij is.

57:4

God zal zijn goedertierenheid en waarheid zenden.

57:5

hun tong een scherp zwaard.

57:6

Verhef U boven de hemelen, o God;
uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.

57:7

zij groeven een kuil voor mijn aangezicht,
zij vielen daar midden in.

57:8

Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust;
ik wil zingen, ja psalmzingen.

57:10

Ik zal U loven, o Here, onder de volken,
Ik zal U psalmzingen onder de natiën;

57:11

want hemelhoog is uw goedertierenheid,
tot aan de wolken reikt uw trouw.

57:12

Verhef U boven de hemelen, o God;
uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.

Je zult maar moeten vluchten voor Saul, die je steeds op de hielen zit. Dan heb je je verborgen in een spelonk en dan komt Saul daar ook binnen. Wat een spanning. Ziet u het voor u. Stil, geen enkel geluid maken, want anders ver­raad je je. Dan kost het je je kop. Het is echt een leven op leven en dood. We kennen allemaal de geschiedenis. Op dat moment dicht David deze psalm. Het is uit het leven gegrepen. Hij kent de benauwdheid. Hij kent de dreiging. Maar temidden van alles looft en prijst hij de HERE God. Hij weet zeker dat Die hem zal verlossen. Daar pleit hij op. David weet heel goed, dat alleen God de bescherming tegen de vijand geeft. Hij komt met zijn straf, tegen de vijand, van boven. Dat was toen, maar dat is vandaag, ook hier.

David is temidden van alle spanning en gevaar de rust zelve. Hij laat zich door God opheffen in de hemel. Zijn heerlijkheid is over de ganse aarde. “Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust; ik wil zingen, ja psalmzingen.” “Ik zal U loven, o Here, onder de volken, ik zal U psalmzingen onder de natiën; want hemelhoog is uw goedertierenheid, tot aan de wolken reikt uw trouw. Verhef U boven de hemelen, o God; Uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.” Wat is het toch een prachtige psalm. Hoe is het mogelijk temidden van zoveel gevaar dit allemaal te zeggen. Dat is toch geweldig. Het is toch geweldig om dat te doen. Dat komt niet van David zelf. Dat komt van boven. Dat is de kracht waaruit wij leven. Dat is de liefde, de barmhartigheid, de genade, de lankmoe­digheid, de goedertierenheid van God. Hij wil ons de kracht geven om boven alle verdrukkingen uit je uit te trekken om boven de problemen van alle dag uit te stijgen, hoe moeilijk die ook kunnen zijn. Dat is toch geweldig. Dat is het leven met God. Als we op onszelf zien, dan komt er niets van terecht. Maar als we het van God verwachten, dan zijn we zalig. Dan hebben we het niet over onze problemen, maar dan zingen we psalmen. Dat is toch precies het tegenovergestelde van wat we ons voorstellen. Maar toch is het zo. Dat is God. Hij wil ons vullen met zijn liefde. Dat is het grote wonder.

Wat kunnen we toch vaak in de weer zijn, vol met vragen of we het wel goed doen, of we de wil van God wel kennen, of we wel bij Hem horen, enz. enz. Maar dat is nu juist het omgekeerde van wat we moeten doen. God is er. Hij wil ons zegenen. We kunnen het zelf ook helemaal niet. We weten ook niet waar we heen moeten. We komen onszelf ook steeds weer tegen, daarom is Hij er. Hij weet de kracht van de zonde. Daarom wil Hij zijn liefde en kracht uitstorten in onze zwakheid. Heerlijk toch? David, dank je wel! HERE God, dank U wel, dat U dit wonder in het leven van David, temidden van de grootst mogelijke moeilijkheden manifesteert. Een les voor ons allemaal. Daar word je blij van. Dan zie je het weer zitten. Hoor ik al de psalmzingers om me heen en in mijn eigen hart? Prijs de HERE!

Psalm 58:1-12

5 mei [2]

58:1

Verderf niet. Van David. Een kleinood.

58:2

Spreekt gij, goden, inderdaad recht?
Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?

58:3

Veeleer bedrijft gij euveldaden in het hart,
op aarde weegt gij het geweld uwer handen af.

58:4

De goddelozen zijn van de geboorte aan afvallig,
De leugensprekers dwalen van de moederschoot aan.

58:5

Hun venijn is gelijk het venijn van een slang;…

58:7

O, God, verbrijzel hun tanden in hun mond,…

58:9

laten zij vergaan als een slak die voortkruipend wegsmelt,…

58:11

De rechtvaardige zal zich verheugen,
wanneer hij de wraak aanschouwt;…

58:12

En de mensen zullen zeggen:
Toch is er loon voor de rechtvaardige,
toch is er een God, die recht doet op aarde.

Neen, natuurlijk niet, de goddeloze doet wat recht is in zijn eigen ogen. Hij buigt het recht. Zij zijn van de geboorte af afvallig, ze dwalen van de moeder­schoot aan. Dat is nogal wat. Dat is een harde veroordeling. Durven wij dat te zeggen? Zijn wij niet vaak veel te aardig en vol met compromissen als het gaat om de goddeloze? We weten dat ze de ene goddeloze daad na de andere doen en toch zijn wij nog poeslief. Want je moet vooral aardig blijven. En daar gaat het nu juist om. Wat een ellende richten ze aan. Het is toch vreselijk, wat de goddelozen aanrichten? Kijk nu eens om je heen wat een verloedering. Wat een vreselijke wetten in ons land. Wat een spotternij als het over God gaat. En wij maar aardig zijn. God is het een gruwel. Hij rekent af met dat venijn. God verbrijzelt de ongerechtigheid. Daar mogen, moeten we naar uitzien. Dat moe­ten we van de HERE smeken. Daar moeten we Hem voor aanlopen in gebed en verootmoediging. En we moeten daar geen doekjes om winden. We moeten het aan de kaak stellen. We moeten elkaar opwekken en roepen om er weer­stand aan te bieden. Want voor je het weet is het kwaad ook je eigen hart en huis binnengeslopen. En dan ben je al gauw monddood.

De rechtvaardige zal zich verheugen als hij de wraak van God ziet. Dat is ook grote vreugde als een bolwerk van de boze geslecht is. Daar mogen we op pleiten. Dan zullen de mensen ook zeggen, kijk eens de rechtvaardige ont­vangt loon, toch is er een God, Die recht doet op aarde. En daar gaat het om. Het gaat er niet om dat wij eer behalen voor wat we doen. Maar het gaat om de eer van God. Die eer wordt gekrenkt. En die krenking begint bij onszelf als we de boel de boel maar laten. Hoe vaak doen we dat niet? We laten alles maar gaan. We komen er nauwelijks tegen in verzet. Dat is verkeerd. Dat moe­ten we niet nemen. We moeten opstaan en de eer van God hoog houden. Niet links en niet rechts. Alleen maar Gods naam hoog houden. En God let op de harten van zijn kinderen of die op Hem gericht zijn, want dan komt Hij met zijn kracht om die in onze zwakheid uit te storten en dan zul je nog eens zien wat er kan gebeuren. De Bijbel staat daar vol van. Daar word je blij van. Dan zit je nooit in de put, want je weet dat God aan je kant staat. En met God ben je de meerderheid want niemand is hoger en machtiger dan God.

Psalm 59:1-18

6 mei [2]

59:1

toen Saul zijn huis had laten bewaken om hem te doden.

59:2

Red mij van mijn vijanden, o mijn God;…

59:4

Want zie, zij loeren op mijn leven;…

59:5

zonder dat er ongerechtigheid is,…
Waak op, mij ter hulpe, en zie.

59:7

zij huilen als honden en lopen de stad rond.

59:9

Maar Gij, HERE, belacht hen,
Gij spot met al de heidenen.

59:10

Mijn sterkte, op U wil ik acht slaan,
want God is mijn burcht.

59:11

Mijn goedertieren God trede mij tegemoet…

59:14

Vernietig hen in grimmigheid, vernietig hen…
…opdat zij gewaar worden, dat God heerst in Jakob,
tot aan de einden der aarde.

59:17

Ik echter bezing uw sterkte,
des morgen jubel ik over uw goedertierenheid;
want Gij waart mij een burcht,
een toevlucht ten dage toen ik benauwd was.

59:18

Mijn sterkte, U wil ik psalmzingen;
want God is mijn burcht,
mijn goedertieren God.

Ik heb het eigenlijk nog nooit zo sterk gezien als nu. Stel je voor je zit in je huis en de vijanden liggen rondom je huis. Ze staan je naar het leven. Het ziet er naar uit dat ze je zullen pakken, want wat zal je doen tegen zo’n overmacht? Zo moet David zich gevoeld hebben toen Saul in de gaten had waar hij zich schuilhield. En wat doet David? Hij loopt God aan en roept zijn hulp in. Dat God de goddelozen maar mag verdelgen. Dat hij hen doet struikelen. Wat doen ze vreselijke dingen? Ze smaden God. Ze zondigen. David loopt God aan. Want anders kan hij ook niet doen. Hoe moet hij anders gered worden dan door de kracht van God? Zo is het toch altijd in ons leven. We leven uit de kracht en de bescherming van God. Als we dan in de benauwdheid komen, door wat voor reden dan ook, dan moeten we heel eenvoudig op de HERE ver­trouwen, dat Hij ons beschermt en ons redt dwars door alles heen. Het kan soms heel anders lopen dan wij ons voor ogen stellen, maar we zien achteraf altijd dat God een positieve bedoeling heeft om ons te redden en te beveiligen. Heerlijk toch? Wat een les kunnen we hieruit leren. En dan gaan we de HERE psalmzingen.

De vijanden lopen rond de stad. Ze loeren en ze loeren op zijn leven. Wat doe je dan als je ’s morgens opstaat? Dan houd je je hart vast wat er nu weer gaat gebeuren. Maar dat doet David niet. Hij bezingt Gods sterkte en jubelt over de goedertierenheid van God. “Want Gij waart mij een burcht.” En over die ster­ke God wil hij psalmzingen. “Want God is mijn burcht, mijn goedertieren God.” Heerlijk toch? Daar kun je mee verder. Dat is Godsvertrouwen. Dat is de werkelijkheid die God je wil geven. Heerlijk en nog eens heerlijk.

Psalm 60:1-14

7 mei [2]

60:2

en Joab op de terugtocht de Edomieten in het Zoutdal had verslagen, twaalfduizend man.

60:3

Gij zijt verbolgen geweest; herstel ons!

60:5

Gij hebt uw volk harde dingen doen zien,…

60:6

Gij hebt hun die U vrezen, een banier gegeven,…

60:7

Geef overwinning door uw rechterhand en antwoord ons.

60:8

God heeft gesproken in zijn heiligdom.
Ik wil juichen, ik wil Sichem verdelen,…

60:10

op Edom werp ik mijn schoen,
over Filistea juich ik.

60:12

Zijt Gij het niet, o God, die ons verstoten hadt;
zult Gij, o God, niet uittrekken met onze heerscharen?

60:14

Met God zullen wij kloeke daden doen,
want Hij zelf zal onze tegenstanders vertreden.

Hier is het volk in strijd gewikkeld geweest. David heeft ze verslagen. Hij roept God aan. Het volk heeft kwade dagen gehad. Waarschijnlijk zijn ze op het verkeerde pad gegaan en is God met de straf gekomen. Nu zijn ze ten strij­de getrokken met David en David heeft de overwinning behaald. Hij geeft God de eer. God had hen verstoten en toen ging het mis. Maar nu is God met hen opgetrokken en hebben ze de overwinning behaald. Weer een les. Zorg dat je in Gods bescherming blijft, dan gaat het je goed. Dan kan God iets met je doen. Anders gaat het verkeerd. Dan gaat het niet goed. Dan lukt het niet. God laat niet met zich spotten. Hij wil ons de overwinning geven, maar we moeten dan wel in zijn spoor blijven wandelen. Mensenhulp is ijdel. Het moet Gods hulp zijn. Heerlijk om dat steeds maar weer te ontdekken. Want we den­ken zo vaak te menselijk. Alsof we het zelf allemaal wel redden. Maar zo is het niet. God wil ons helpen. Hij redt!

En met God zullen we kloeke daden doen, want Hij zelf zal onze tegenstan­ders vertreden. Zo zit het, en niet anders. We moeten dat steeds voor ogen houden. We moeten ons wel toerusten tot de strijd. Maar dan moeten we het wel van Hem verwachten. Wat is ook hier weer het Godsvertrouwen van Da­vid groot. Hij ziet het zitten met God. Hij heeft een goede kijk op de dingen. Daar kunnen we van leren. Dan gaan er dingen gebeuren die we zelf niet voor mogelijk houden. Maar met God zien we het zitten. Heerlijk toch? Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE! U bent onze Helper en Redder. Inderdaad, met U doen we kloeke daden omdat U het doet.

Psalm 61:1-9

19 juli [2]

61:2

Hoor toch, o God, mijn smeking,
sla acht op mijn gebed.

61:3

Van het einde des lands roep ik tot U,
omdat mijn hart bezwijkt;…

61:4

Want Gij zijt mij een schuilplaats geweest,
een sterke toren tegen de vijand.

61:5

laat mij schuilen, geborgen onder uw vleugelen.

61:7

Voeg dagen toe aan de dagen van de koning,…

61:8

moge hij voor altoos tronen voor Gods aangezicht.

61:9

Dan wil ik uw naam voor immer psalmzingen,
terwijl ik dag aan dag mijn geloften betaal.

Waar zou David geweest zijn? Wat zou er gebeurd zijn? Zou Saul achter hem aan zitten? Hij zit in de druk. Hij bidt. Hij roept tot God. Hij zit in moeilijk­heden. Hij pleit op God. HERE, hoor naar mijn smeking. HERE, sla acht op mijn gebed. Want Gij zijn mij een schuilplaats geweest. Ik weet het heel ze­ker. Zet mij op een rots en leidt mij uit de moeilijkheden. Laat mij niet in de steek. Ik weet niet meer hoe het moet. U alleen kunt mij redden. Laat mij toch voor altoos in uw tent vertoeven. Luister naar mijn geloften. Ik ben altijd trouw aan U geweest. Luister naar mij. U kunt mij redden. U bent mijn schuil­plaats.

We zien het voor ons. Het is ook een bede die ons op de lippen kan komen, als we het niet meer zien zitten. Als tegenslagen ons overvallen. Als het lijkt dat God ver weg is. Niets is minder waar. Dat weet David ook wel. Want aan de ene kant roept hij tot God: HERE, hoor toch! Aan de andere kant weet hij heel zeker dat hij bij God alleen veilig kan schuilen. Hij pleit op de beloften dat God eens de grote koning op de troon zal bevestigen. Het is een belofte aan Abraham gedaan. Het is een eeuwigdurende belofte. Dat weet David en daar pleit hij op. Het kan lijken of er niets van die belofte uitkomt, maar David weet dat dat niet zo is. Hij woont bij God en God woont bij hem.

Midden door onze smekingen heen blijft de eeuwige waarheid staan, dat God God is en dat Hij nooit genoeg te prijzen is, zelfs niet in de grootste nood. Maar onze smeking mag zijn of God ons wil redden uit al deze nood. Want Gij hebt het erfdeel gegeven aan hen die uw Naam vrezen. Het gaat er dus om, om in alle omstandigheden op God te blijven vertrouwen. Hij belooft ons het eeuwige leven. Hij laat ons nooit in de steek. Hij zond de Heilige Geest, de Trooster, om altijd bij ons te zijn. Om ons te binnen te brengen wat wij moe­ten spreken als de nood groot is. Om ons de weg te wijzen, die we moeten gaan. Om ons te leren, dat het lijden wordt gedragen door het lijden van de Messias. Zijn lijden is groter dan alles wat ons kan overkomen.

De schepping zucht en ziet met reikhalzend verlangen uit naar de openbaar­making van de zonen Gods. Maar niets kan ons scheiden van de liefde Gods. Want als God dan zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgegeven heeft, dan kan ons toch ook niets meer scheiden van de liefde Gods? Wat zou ons dan kunnen scheiden? Vul het zelf maar in. Denk er eens over na. Dat kan toch niet? Hoe is het mogelijk dat de heilige, hoogverheven God zijn Zoon geeft om te sterven voor mij, nietig mensenkind? Dat kan toch helemaal niet? Dat is onmogelijk! Zouden wij dat doen? Zouden wij ons leven willen geven voor die zondige, steeds weer tegen mij rebellerende mensen? Zouden wij niet allang de boel de boel gelaten hebben en gezegd hebben: laten ze het zelf maar uitzoeken, ik bemoei me er niet meer mee? Maar zo niet God! Hij heeft ons zo lief, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Dat is je toch niet voor te stellen? Zouden wij dan maar niet een toontje lager zingen en God aanroepen en Hem op onze knieën danken. Omdat Hij zeker het beste met ons voor heeft en omdat Hij ons dwars door de nood en zelfs dwars door de dood, vasthoudt en opneemt in zijn eeuwig paradijs, het Koninkrijk van recht en gerechtigheid, dat met duizelingwekkende vaart komende is? Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE!

Psalm 62:1-13

20 juli [2]

62:2

Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God,
van Hem is mijn heil;

62:3

waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen.

62:5

Waarlijk, zij beraadslagen
om hem van zijn hoogte af te stoten,
zij scheppen behagen in leugen;
zij zegenen met hun mond,
maar in hun binnenste vloeken zij.

62:8

Op God rust mijn heil en mijn eer,
mijn sterke rots, mijn schuilplaats is in God.

62:9

Vertrouwt op Hem te allen tijde, o volk,
stort uw hart uit voor zijn aangezicht;
God is ons een schuilplaats.

62:10

Waarlijk een ademtocht zijn de geringen,…
tezamen lichter dan een ademtocht.

62:11

als het vermogen aanwast,
zet er het hart niet op.

62:12

de sterkte is Godes.

62:13

Ook de goedertierenheid, o HERE, is uwe,
want Gij zult ieder vergelden naar zijn werk.

Van Hem is mijn heil. Waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil. Mijn sterke rots, mijn schuilplaats is in God. Dat is duidelijke taal. Je weet waar je moet schui­len. Je weet waar je je heil van kunt verwachten. Het is in de HERE God, en nergens anders. Je kunt in de druk zitten. Ze kunnen je achtervolgen. Ze kun­nen je naar het leven staan. Ze kunnen proberen je van een hoogte af te goo­ien. Ze kunnen proberen je het leven moeilijk te maken. Het doet er niet toe. Ik blijf in stilheid de HERE verwachten. Ik vertrouw op de HERE te allen tijde. Dat is geloofstaal. Dat is zekerheidstaal. Dat is geen twijfeltaal. Dat is niet heen-en-weer-slinger- taal. Dat is een vast fundament. Dat is de rots. Daar kun je op bouwen. Daar wankel je niet. Daar sta je vast. Daar kan het stormen, maar je blijft staande. En wat kan het stormen! Wat kan het tekeergaan! Wat kan het leven je tegen zitten. Op vele manier dan ook. Het kan je gezondheid zijn, het kan je baan zijn, het kunnen andere omstandigheden zijn, het kunnen je vijanden zijn, vul het maar in. Maar het gaat erom dat je je heil blijft ver­wachten van de HERE. Hij laat je niet in de steek. Op Hem kun je vertrouwen. Het leven met Hem is grote vreugde en veiligheid en heil. Keer in stilte tot de HERE God. Daar zul je pas rust vinden, en elders niet. Je kunt de hele wereld afzoeken, maar je zult alleen terecht kunnen bij God. Heerlijk evangelie. Wat een zegen. Wat een genade. Daar word je blij van. Daar kun je mee verder. Glorie voor God.

Om je heen kunnen ze je zegenen met hun mond, maar van binnen vervloeken ze je. Uit het leven gegrepen. Met de vroomste woorden kunnen ze je te lijf gaan. Je denkt er heel wat van, maar ondertussen steken ze een dolk in je rug. Vroomheid en bedriegerij. De Bijbel, de geschiedenis en het leven zit er vol van. Keer je daar van af. Doe er zelf niet aan mee. Bezondig je niet. Ontmas­ker die leugen. Weersta de vijand. En zoek je heil bij God, de schuilplaats, de rots. Stort je hart uit voor zijn aangezicht, want Hij is onze schuilplaats. Het is een ademtocht, dat we hier zijn. Hij blaast en we zijn er niet meer. Het is zo voorbij. Laten we ons niets verbeelden. God is goed.

Stel geen ijdele hoop op de dingen die je niet toebehoren. Alles is van God. Het is geleend goed. Als je vermogen aanwast, zet dan je hart er niet op. Maar zet je hart op God en dankt Hem dat je er een tijdje rentmeester van mag zijn. Je hebt het tweemaal gehoord. God heeft gesproken, stel je vertrouwen op de HERE God. Blijf daarbij. De sterkte is Godes en niemand anders. Niets en niemand anders kan de plaats van God innemen. Dat is ijdelheid en bedrog. Geloof het niet. De goedertierenheid is van U, o HERE. En Gij zult ieder ver­gelden naar zijn werk. Het veiligste is om je vertrouwen op de HERE God te stellen. Ga je je vertrouwen stellen op mensen en/of geld, dan kom je verkeerd uit. Want God blaast erin en het is voorbij. Maar het heil bij de HERE God is voor eeuwig. Prijst de HERE. Dank U wel. Wat een zegen. Wat een rust te­midden van welke strijd dan ook.

Psalm 63:1-12

21 juli [2]

63:1

toen hij in de woestijn van Juda was.

63:2

O God, Gij zijt mijn God, U zoek ik,
mijn ziel dorst naar U,
mijn vlees smacht naar U,
in een dor en dorstig land, zonder water.

63:3

Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd,
ziende uw sterkte en uw heerlijkheid.

63:4

Want uw goedertierenheid is beter dan het leven;
mijn lippen zullen U roemen.

63:5

Zo wil ik U prijzen mijn leven lang,
in uw naam mijn handen opheffen.

63:6

Als met vet en merg word ik verzadigd,
mijn mond looft met jubelende lippen,

63:7

wanneer ik Uwer gedenk op mijn legerstede,
in nachtwaken over U peins.

63:8

Want Gij zijt mij een hulp geweest,
in de schaduw van uw vleugelen jubel ik.

63:9

Mijn ziel is aan U verkleefd,
uw rechterhand houdt mij vast.

63:10

Maar wie mijn leven zoeken te verderven,
zullen komen in de diepten der aarde.

63:11

Men zal hen overleveren aan de macht van het zwaard,
zij zullen een prooi der vossen worden.

63:12

Maar de koning zal zich in God verheugen;
ieder die bij Hem zweert, zal zich beroemen,
omdat de mond der leugensprekers wordt gestopt.

David is in de woestijn van Juda. Daar zal hij wel zijn, omdat Saul hem naar het leven staat. Wat heeft David een psalmen gedicht vanuit de nood. De nood leert bidden. Je wordt vanzelf naar God toe gedreven, omdat je eigen moge­lijkheden uitgeput zijn. Zolang we het zelf wel kunnen redden, komt steeds ons eigen geredeneer, ons eigen ik, onze eigen trots, onze eigen hoogmoed om de hoek kruipen om God weg te duwen. Wat onteren we God daarmee! Wat moet Hij daarvan een verdriet hebben. Hij schept ons bijna goddelijk, en wij maar een beetje om Hem heen proberen te lopen. Wat moet de pot tegen de pottenbakker zeggen?! Hij heeft ons gemaakt! Wij zijn het leem. Hij kneedt ons. Wat denken we wel? God geeft de overwinning! God leidt ons leven. David heeft het geweten. Hij getuigt ervan, ook in deze psalm. Lees maar mee: Mijn ziel dorst naar U als een hert naar de waterstromen, in een dorstig land zonder water.

En dan gaat zijn blik naar het heiligdom. Zijn hart en ogen aanschouwen God, om zijn sterkte en heerlijkheid te zien. Wat was het een heerlijkheid! Alles was door God zelf heel precies omschreven. Het was vanuit het heiligdom dat God met Mozes sprak. God sprak en er was water. God sprak en de overwin­ning was daar. God sprak en de zee week uiteen. God sprak en de muren van Jericho vielen. Enzovoort, enzovoort, enzovoort. Er komt geen einde aan. En ook vandaag is dat nog net zo. God spreekt en het is er. En het is het grote geheim om te blijven in de goedertierenheid van God. Dat is zelfs beter dan het leven. Want leven doe je eeuwig vanuit de goedertierenheid van God. Dan wellen de lofzangen op in je hart. Dan word je blij. Dan zie het zitten, zelfs in de grootste nood als ze je naar het leven staan. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Het is alsof je met het mooiste verzadigd wordt. Je lippen loven Hem je leven lang. “In de schaduw van uw vleugelen jubel ik.” Wat kun je daar mooie liederen op maken. Wat zijn de psalmen geweldig om te zingen. Ze komen aan in de hemel. Ze vullen je hart met blijdschap en duwen de donkere plekken weg. Of nog beter: ze reinigen en helen je hart. Daar hebben we alle­maal dringend behoefte aan. God is goed. Hij wil het goede voor alle mensen. Niemand uitgezonderd. En dat moeten we proclameren. Glorie voor zijn Naam.

“Mijn ziel is aan U verkleefd.” Zo moet het zijn. Je wilt niet anders. En als je je in je eigenwijsheid ervan los wilt maken, dan heb je daar een hele klus aan, want trek jij maar eens iets dat verkleefd is van elkaar. Het is net als bij het huwelijk: die twee worden één. En wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. Glorie voor zijn Naam. God is goed. Dank U, HERE. Op deze morgen gaat mijn hart van vreugde op, om ook dicht bij U te schuilen. Want het is waar. U leest mij vanmorgen en ik kom onder het beslag van uw Heilige Geest, die mij vult met blijdschap en liefde. Dank U wel.

Wie proberen de rechtvaardigen te verdelgen, die zullen slecht uitkomen. Ze komen in de diepten der aarde. Daar is de poel des verderfs. Daar moet je niet terecht komen.

Maar wij en de koning zullen zich in God verheugen; ieder die bij Hem zweert, zal zich beroemen, omdat de mond der leugensprekers is gestopt. Het kan het omgekeerde lijken voor onze ogen, maar de werkelijkheid is het leven te zien vanuit Gods ogen. En God ziet de rechtvaardigen aan, Hij zoekt de oot­moedigen op. Hij gaat uit van de zaligsprekingen. Hij kwam om te redden en niet om de macht te vestigen vanuit het aardse gedoe. Daar moeten wij ook steeds van bekeerd worden. Hij vestigt zijn rijk van recht en gerechtigheid. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeu­wig leven hebbe.” Glorie voor zijn Naam! Wie wil nu niet het eeuwige leven uit genade ontvangen, waar recht en gerechtigheid heerst en waar alle tranen van je ogen worden afgewist en we eeuwig zullen zingen voor Gods troon?

Psalm 64:1-11

22 juli [2]

64:2

behoed mijn leven voor de verschrikking van de vijand;…

64:3

voor het woelen van de bedrijvers der ongerechtigheid,

64:4

die hun tongen wetten als een zwaard;…

64:5

plotseling schieten zij op hem, zonder iets te ontzien.

64:6

zij zeggen: wie ziet ze?

64:7

Zij zinnen op euveldaden:
“Wij zijn gereed, het plan is goed bedacht.”

64:8

Maar plotseling treft God hen met een pijl;

64:9

Hun tong doet hen over zichzelf struikelen;…

64:11

De rechtvaardige zal zich in de HERE verheugen
en bij Hem schuilen,
alle oprechten van hart zullen zich beroemen.

Wat kan de vijand tekeergaan. Wat kunnen ze gemene dingen doen. Als het kwaad je te pakken heeft, dan ben je niet meer te houden. Want de vijand van God wil niets anders dan de boel van God kapot maken. Niets weerhoudt hem om de vreselijkste dingen te doen. En wij, als kleine door God geschapen kin­deren, hebben daar alles mee te maken. Want de boze heeft het met name op het hart en het leven van Gods kinderen gemunt. Als je dicht bij God wilt le­ven, dan kun je er zeker van zijn dat de boze je probeert aan te vallen. David weet daar alles van. Hij roept dan ook tot de HERE: “Behoed mijn leven voor de verschrikking van de vijand… want ze wetten hun tong als een zwaard.” Ze zinnen op euveldaden. En plotseling vallen ze je aan. Maar plotseling komt dan God en treft hen met een pijl. Ze struikelen over hun eigen tong. Daarna is het afgelopen. Het is gebeurd. God treedt op. Dat staat vast. Ze denken: God ziet het niet. Maar God ziet het en doorgrondt het. Hij laat hen struikelen over hun eigen boze plannen. Ze vallen in hun eigen strik. Het kan kort duren of het kan lang duren, maar dat is de weg van de onrechtvaardigen. Maar zij die de HERE verwachten schuilen bij Hem. Zij zullen zich in de HERE verheugen.

Daar ligt weer de nadruk op de schuilplaats des HEREN. Er is kennelijk ge­vaar. We worden kennelijk bedreigd. Waarom moet er anders een schuilplaats zijn? Want God wil ons beschermen. Hij weet hoe venijnig en gemeen de aan­vallen van de vijand zijn. Die leven zonder God en die beramen de gemeenste plannen en denken ook nog dat God het niet ziet. Ook wij kunnen dat soms denken, want hoe is het mogelijk dat God niet ingrijpt bij de bedrijvers der ongerechtigheid? Wat is er een ongerechtigheid in de wereld! Het is onvoor­stelbaar! Het is verschrikkelijk! Wat een ellende! Wat een toestand. Je wordt er toch beroerd van. Maar we moeten oppassen om niet het zicht kwijt te ra­ken op de weg van God. We mogen net als David het uitschreeuwen tot de HERE, dat Hij ons uitredt uit de verschrikking van de vijand. Want God wil gebeden zijn. Hij wil aangeroepen zijn. We mogen Hem aanroepen of Hij ons wil verbergen voor de raadslag der boosdoeners. En Hij wil de gebeden ver­horen. Soms heel anders dan wij ons voorstellen, maar Hij heeft het alleen maar gemunt op de redding en de bescherming van ons hart. Soms gaat dat door kastijding heen. Hij wil ons bijschaven en ons kneden naar zijn wil. We doen er goed aan om ons onvoorwaardelijk aan Hem over te geven. Waarom moeten we het Hem moeilijk maken om ons te kastijden? Een vader kastijdt zijn zoon uit liefde. Maar hij heeft er geen plezier in. Hij heeft liever dat hij hem gehoorzaamt, want dan wordt het allemaal wel een beetje gezelliger. Dat moeten we ons bij elke stap in ons leven voor ogen houden.

Blijf dicht bij Hem. Blijf in zijn liefde. Schuil bij Hem. Zelfs al gaat het soms tegen je eigen gevoel in. God is goed. Daar hoef je niet aan te twijfelen. God redt ons uit de grootste nood. Wat staat de Bijbel daar niet vol van. God is al­tijd daar waar de nood is. Zijn Zoon de HERE Jezus is altijd daar waar men­sen in de druk zijn. Hij kwam om te redden. Hij kwam om de verbrokenen van hart te ondersteunen. Hij liet de gevangenen vrij. Hij is er voor de weduwe en de wees. Hij is er voor de armen. Hij laat hen niet in de steek. Zo kun je op de vuilnisbelt van dit leven de HERE God loven en prijzen, omdat je dwars door de nood van deze wereld heen ontdekt hebt, dat God oneindig goed is en met een duizelingwekkende vaart aanstormt op het eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid, waar vrede en liefde en geluk en blijdschap en alles wat goed is heersen. Daar proeven we al iets van als we ons leven veilig weten in de schuilplaats des Allerhoogsten.

Dan kan het onvoorstelbare gebeuren, dat we midden in de grootste nood en strijd van het leven toch de onvoorstelbare en ondoorgrondelijke vrede van God in ons leven ervaren. Hij is dan heel dichtbij. Hij zal ons dan de woorden te binnen brengen, die we moeten spreken. Als ze Hem vervolgd hebben, dan moeten we ons niet voorstellen dat wij niet vervolgd zouden kunnen worden. Dan ontdek je dat het een eer en een voorrecht is om om Jezus wil in zijn lij­den te mogen delen. Dat is een groot geheim, maar dat is het leven met God en uit God. Want het is zijn genade en liefde die vanuit zijn heiligdom zo dicht bij ons komt, dat het woont in ons hart. Het is niet voor te stellen dat die hoge, heilige God kwam om door zijn Zoon Jezus en de Heilige Geest in ons hart te wonen?! Dank U, HERE God. Bij U wil ik schuilen voor altijd. Prijs de HERE.

Psalm 65:1-14

23 juli [2]

65:2

U komt stilheid toe, een lofzang, o God in Sion;
U worde gelofte betaald.

65:3

Hoorder van het gebed,
tot U komt al wat leeft.

65:4

Ongerechtigheden hadden de overhand over mij;
onze overtredingen – Gij verzoent ze.

65:5

Welzalig hij, die Gij verkiest en doet naderen,
opdat hij wone in uw voorhoven.
Wij zullen verzadigd worden met het goede van uw huis,
het heilige van uw tempel.

65:6

Met geduchte daden antwoordt Gij ons in gerechtigheid,
o God van ons heil,
Gij, vertrouwen van alle einden der aarde
en van de verste zeeën;

65:7

Gij, die de bergen vastzet door uw kracht,
met sterkte omgord;

65:8

die het bruisen der zeeën doet bedaren,
het bruisen van haar golven en het rumoer der natiën.

65:9

Daarom vrezen zij die de einden bewonen
voor uw tekenen;
waar de morgen gloort en de avond daalt,
brengt Gij gejuich.

65:10

Gij bezoekt het land en verleent het overvloed,
Gij maakt het zeer rijk.
De beek Gods is vol water,
Gij bereidt hun koren. Ja, zo bereidt Gij alles.

65:11

Gij drenkt zijn voren, Gij doorvochtigt zijn kluiten,
door regenstromen maakt gij het week; Gij zegent zijn gewas.

65:12

Gij kroont het jaar van uw goedheid,
uw sporen druipen van vet;

65:13

de dreven der steppe druipen,
de heuvelen omgorden zich met gejuich;

65:14

de landouwen zijn bekleed met kudden,
de dalen tooien zich met koren:
zij jubelen elkander toe, ook zingen zij.

Ja, zo is het. De beek Gods is vol water. Daar waar water is, daar geeft de HERE zijn zegen. Daar groeien de gewassen. Daar is overvloed. De dreven der steppe druipen, de heuvelen omgorden zich met gejuich. Zo is het. Alleen als er groei en bloei is, dan zullen we kunnen eten. De koeien grazen. De aren wuiven. De vruchten rijpen. En wij kunnen het eten. Maar komt de regen niet, dan is er geen eten. Dan gaan de planten en de dieren dood. Dan heerst er de dood. En hoe heerst de dood in de verzengende woestijn! Dat heeft het volk Israël geweten, toen ze in de woestijn van water omkwamen. Maar God gaf hen het water. God hield hen in leven. Het komt allemaal van God, want God doet de zeeën bruisen en bedaren. God doet het gewas groeien en doet het gewas uitspruiten. Hij heeft het grote wereldgebeuren in zijn hand.

Het wordt tijd dat we het vanuit God gaan zien en niet steeds maar weer den­ken dat we het zelf wel kunnen regelen. Het allerbelangrijkste is dat we een toontje lager zingen en in vertrouwen de HERE lofzingen. Hoorder van het gebed, tot U komt al wat leeft. Ongerechtigheden hadden de overhand op mij, maar Gij vergeeft ze. Met geduchte daden antwoordt Gij ons in gerechtigheid. We moeten niet denken dat we het zelf allemaal in de hand hebben. We doen wel vaak alsof, maar zo is het niet. Daar halen we het oordeel mee over ons. God laat zijn eer niet roven. Hij lacht en veegt de vloer met ons aan. Daar waar de liefde Gods wegebt uit je leven, komt leegheid en ellende. Ook al kun je dan nog zoveel geld en welvaart hebben, het leven is leeg. Je bent niet meer geborgen in Gods hand, maar overgeleverd aan de speelbal van de boze. Het is onvoorstelbaar naïef om te denken, dat wij de bergen vastzetten en de zee be­daren kunnen. Het is een leugen van de bovenste plank, als de mensen met hoogverheven stem verkondigen dat het allemaal best goed komt. Want ze hebben nog niet gesproken of de volgende ramp dient zich al weer aan. Het is de hoogmoed die de mensen naar het hoofd stijgt en hen in het oordeel doet belanden. Hoe vaak is de hoogmoed met kerkelijke vroomheid en eigengereid­heid omringd! Het kan alleen maar goed komen als er onvoorwaardelijke eer­bied is voor het woord van God. En niet andersom. God is goed. God is groot. God is heilig.

Daarom moeten we steeds weer opnieuw zien, hoe Hij van boven naar ons toekomt en ons zijn levensregels, zijn geboden ten leven voorhoudt. Het is met je verstand heel eenvoudig te doorzien dat de geboden van God goed zijn. Het is dom om eraan voorbij te gaan. Het is zo simpel en zo eenvoudig, dat we ge­neigd zijn het niet te geloven, want we kunnen de simpele dingen niet geloven. En toch is het zo. Je hoeft er niet voor naar de overkant van de zee om het te halen. Nee, je hebt de geboden van God in je mond en in je hart. Het werkt als je het doet. God staat erachter. Het is het heerlijkst om in die leefregels te blij­ven en daar je leven mee te vullen. Glorie voor zijn Naam. Deze psalm staat er vol van. Je hoeft er niet aan te twijfelen. Wat weer een heerlijk vergezicht. Prijs de HERE.

Psalm 66:1-20

24 juli [2]

66:1

Juicht Gode, gij ganse aarde,

66:2

psalmzingt de heerlijkheid van zijn naam;
maakt zijn lof heerlijk.

66:3

Zegt tot God: Hoe geducht zijn uw werken;…

66:4

De ganse aarde aanbidde U,
en psalmzinge U, zij psalmzinge uw naam.

66:5

Komt en ziet Gods daden;…

66:6

Hij veranderde de zee in het droge,…

66:7

die door zijn sterkte voor eeuwig heerst,…

66:9

en niet toeliet dat onze voet wankelde.

66:10

Want Gij hebt ons getoetst, o God,…

66:12

maar Gij voerdet ons uit in de overvloed.

66:15

Brandoffers van mestkalveren zal ik U brengen,…

66:16

Komt, hoort,…
wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel.

66:17

of er was een lofzang onder mijn tong.

66:19

Voorwaar, God heeft gehoord,
Hij heeft gelet op mijn luid gebed.

66:20

Geprezen zij God, die mijn gebed niet afwees,
noch mij zijn goedertierenheid onthield.

De daden van de HERE God zijn geducht. Kijk toch en je ziet het. Je bent ge­wild stekeblind als je het niet wilt zien. Je hebt een blinddoek voor als je er aan voorbij wilt gaan. De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U. Dat is de richting die we moeten gaan. Want als we de daden zien, dan kunnen we al­leen maar onze lof uiten. Want Hij wil ons zegenen. Hij wil ons in deze aardse tent vasthouden en redden en beschermen tegen de boze die ons in de onge­rechtigheid wil storten. Pas op. Let op God en laat je niet verleiden. Hij veran­derde toch de zee in het droge. Dat was toch een machtig wonder. Durf je dan nog te twijfelen aan de macht en de majesteit van God?

God toetst ons. Hij loutert ons. Soms door pijn en moeite heen. Want wij zijn zo vaak afgeweken. We gaan zo vaak onze eigen weg. Maar dat moeten we niet doen. Dan roept God en wil ons toch weer bij de hand nemen. Hij roept: Bekeer je. Laat je niet verleiden. Blijf op de weg. Ga met God, dan ga je goed. Pas op de valkuilen, de verleiding. Hij toetst ons. Hij laat ons soms door moei­lijke wegen gaan om ons in de overvloed te leiden. Want aan zijn hand komen we in zijn eeuwig Koninkrijk. Dan gaan we zingen en Hem loven en prijzen. Want Hij heeft ons uitgeleid uit de zonde en ons gered. Door het bloed van de HERE Jezus, de middelaar tussen God en de mensen. Dat wil je wel uitbazui­nen aan allen die het willen horen. Je vertelt wat God aan je gedaan heeft. Dat zijn de grote wonderen in het leven. Het is een wonder. Het komt niet in je eigen kracht. Het is Gods kracht, die uitgestort wordt in jouw zwakheid. Je wordt opgericht naar God toe, om bij Hem te schuilen en vanuit zijn heilig­dom Hem te loven en te prijzen. Daar gaat het steeds maar om in de psalmen van David. Mensen, doe toch niet zo dom om het van je zelf te verwachten! Mensen, pas toch op dat je niet meegaat met de zonde en de ongerechtigheid. Je weet toch wat er van terechtkomt! Je weet toch ook van de geschiedenis van Gods volk? Hoe zij steeds weer in zonde zijn gevallen en van Gods weg zijn afgeweken en wat voor ellende er uit is voortgekomen? Blijf dan dicht bij de geboden van God. Schuil bij Hem. En roep met luide stem tot God in je benauwdheid. Hij wil je horen. Hij wil je redden. Blijf dicht bij Hem, dan word je uitgered. Dan laat Hij je niet in de steek. Dan kun je je blij en veilig voelen in de grootste strijd. Want in Hem word je onaantastbaar. Je bent dan niet meer van deze wereld, maar in de andere wereld. Het Koninkrijk der hemelen is al aangebroken in je leven, hier in je sterfelijk lichaam, dat in een punt des tijd veranderd wordt in een onsterfelijk lichaam. Dan zullen we altijd bij Hem zijn.

Dat is ons leven. Dat is pas leven. En dat leven wordt aan iedereen aangebo­den. Niet één uitgezonderd. Het is de roepstem, die steeds maar klinkt. Kom en maak haast, want deze dag gaat voorbij. Glorie voor zijn Naam. Stel niet uit wat je vandaag kunt doen. Vandaag is de dag dat de rest van je leven be­gint. Hoe wil je dat doen? Geef je onvoorwaardelijk over aan de macht van Jezus. Heerlijk evangelie. Wat een aanbod van genade. Dank U Here Jezus.

Psalm 67:1-8

25 juli [2]

67:2

God zij ons genadig en zegene ons,
Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten;

67:3

opdat men op aarde uw weg kenne,
onder alle volken uw heil.

67:4

Dat de volken U loven, o God;
dat de volken altegader U loven.

67:5

Dat de natiën zich verheugen en jubelen,
omdat Gij de volken in rechtmatigheid richt,
en de natiën op de aarde leidt.

67:6

Dat de volken U loven, o God,
dat de volken altegader U loven.

67:7

De aarde gaf haar gewas,
God, onze God, zegent ons;

67:8

God zegent ons,
opdat alle einden der aarde Hem vrezen.

Waar komt het graan vandaan? Hoe groeit het gras? Hoe komen de appels, hoe de gewassen? Waar komt de groei vandaan? Hoe is het mogelijk dat het bo­venste blaadje in de boom het water krijgt, diep uit de wortels in de grond? Hoe komt alles tot stand? Het gras verdort, de bloem valt af, maar toch geeft God die zo’n wonderschone vorm. Wat een pracht en een praal in de schep­ping. Ga het maar eens na hoe het allemaal tot stand komt. Daar kom je niet achter. Je kunt van alles onderzoeken en verklaringen vinden, maar hoe meer je onderzoekt, hoe meer je tot de conclusie komt dat het toch allemaal wel heel mooi en als een wonder in elkaar zit. Dat is geen evolutie. Dat is een scheppende hand die met de grootst mogelijke precisie en liefde het zo ge­schapen heeft dat alles tot zijn recht komt. Hoe meer men doordringt in de diepten der schepping, hoe meer men ontdekt, dat er nog veel meer achter zit.

Als de oogst er is dan kunnen we er van eten. Dan zijn we dankbaar dat er weer een winter te eten is. Dan slaan we alles in de schuren op. Dan wordt het verdeeld onder de mensen. Dan zijn we blij dat de oogst er weer is. De boer zaait, maar God geeft de wasdom. De gelijkenis van de zaaier en de maaier. God geeft de wasdom. De graankorrel valt in de aarde en moet sterven, opdat er veel vrucht aan kan komen. Een groter wonder is er niet. We nemen het als vanzelfsprekend aan, want we weten niet anders, maar als je er over nadenkt, dan word je stil van het grote wonder, het grote geheim, dat zich daar in de grond afspeelt. Wat kan er nu in de grond zijn? Maar de sappen en het vocht en het gehele proces speelt zich af daar in dat kleine holletje waar de graan­korrel terecht gekomen is. En kijk eens naar het mosterdzaadje. Het is het kleinste zaadje onder de gewassen en kijk eens, wat een grote boom komt er­uit! Het is je niet voor te stellen. God is groot. Daar moeten we allemaal van getuigen. Het is onvoorstelbaar. Daarom komt David tot de blijde uitspraak, dat God dit wonder en deze genade en dit voedsel laat groeien, opdat de vol­ken der aarde Hem zullen loven. Het begint bij onszelf. Als we daaraan den­ken dan is er niets meer in ons dat niet de HERE, onze God, wil loven en prij­zen. Want we kunnen Hem wel eeuwig danken en loven en prijzen voor zo­veel zorg en liefde. Hij zegent ons en is ons genadig. Hij doet zijn aanschijn over ons lichten, opdat de volken zijn weg kennen en tot erkentenis der waar­heid komen. Het is een zegen. Het is Gods genade. Het is zijn liefde voor de mensen. Hij wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waar­heid komen. En dit is de waarheid: God richt de volken in rechtmatigheid. Hij haat de zonde. Hij wil dat de mensen zien dat Hij goed is. Hij straft de zonda­ren en de onrechtmatigen. Kijk maar hoe Hij dat doet. Hij zegent de rechtvaar­digen. God zegent ons, opdat de einden der aarde Hem vrezen. Met deze bood­schap van heil kunnen we, nu de oogst binnen is, Hem loven en prijzen.

Wat een grote kracht zit er in deze boodschap. Het is een heerlijk evangelie. Want ook bij de mens is het dat de graankorrel sterft en in de aarde valt en dat God nieuw leven in ons geeft, opdat wij groeien en bloeien en vrucht dragen. We mogen opstaan in zijn genade en kracht en ons leven gevuld weten met zijn kracht en genade. Het is een heerlijk evangelie. Het is zijn kracht en lief­de. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam. Prijst de HERE. Wat een dag. Wat een psalm. Je wordt er blij van.

Psalm 68:1-19

26 juli [2]

68:2

God staat op, zijn vijanden worden verstrooid,
zijn haters vluchten voor zijn aangezicht.

68:4

Maar de rechtvaardigen verheugen zich,
zij juichen voor Gods aangezicht
en zijn blijde met vreugdebetoon.

68:5

Zingt Gode, psalmzingt zijn naam,
baant de weg voor Hem die door de vlakten rijdt;
HERE is zijn naam, juicht dan voor zijn aangezicht.

68:6

Hij is de vader der wezen en de rechter der weduwen,
God in zijn heilige woning;

68:7

God, die eenzamen in een huisgezin doet wonen,
die gevangene uitleidt in voorspoed;
doch weerspanningen wonen in een dor land.

68:8

O God, toen Gij vóór uw volk uittoogt,…

68:9

beefde de aarde, ook dropen de hemelen…

68:10

Een regen van milde gaven storttet Gij uit, o God,…

68:12

De Here deed het machtwoord weerklinken;…

68:13

De koningen der legerscharen vluchtten, zij vluchtten,…

68:17

waarom ziet gij afgunstig, gij veeltoppige bergen,
naar de berg die God Zich ter woning begeerde?
Waarlijk, de HERE zal er voor eeuwig wonen.

68:18

Gods wagens zijn twee maal tienduizend,
duizenden bij duizenden;
de HERE is van de Sinaï het heiligdom binnengegaan.

68:19

om daar te wonen, o HERE God.

Als God opstaat, dan worden de vijanden verstrooid. God is machtig. Nie­mand kan daar tegenop. God spreekt en de bergen wankelen. Hij is de over­winnaar. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Kijk eens wat God deed toen Hij sprak in de woestijn. De grootste wonderen gebeurden. Voedsel was er en het schoeisel aan hun voeten versleet niet. Veertig jaar lang! Wie heeft daar ooit van gehoord? God sprak op de Sinaï en Hij is in Jeruzalem komen wonen. De bergen rondom waren jaloers en het gebergte van Basan met zijn vele top­pen. Maar God koos zich de berg Sion uit om daar te wonen. Om voor eeuwig daar te zijn. God is goed en nooit genoeg te prijzen. De rechtvaardigen zullen juichen, nee jubelen, Gode psalmzingen. Ze zullen Hem loven en danken voor zoveel goedheid. “Baant de weg voor Hem die door de vlakten rijdt; HERE is zijn naam, juicht dan voor zijn aangezicht.” Heerlijk evangelie. Wat een vreugde. Wat een zekerheid. Het druipt van deze psalm af.

De onrechtvaardigen kunnen tegen je tekeergaan. Maar God is rechter. Hij doet zijn machtswoord weerklinken en het is afgelopen met de onrechtvaardi­gen. Hij verslaat hun legers. En zo zal het gaan. Hij leidt zijn volk uit de woes­tijn. Hij laat het wonen in het door Hem uitverkoren land. Gods wagens zijn duizenden en duizenden. Daar is geen leger tegen opgewassen. De mensen proberen er van alles aan te doen om zich tegen God te verzetten, maar het baat niets. Ze gaan allemaal te gronde. Het kan een tijd lijken, alsof ze de overhand hebben, maar dat zal niet eeuwig duren. God komt om zijn Konink­rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Dat is het vaste, eeuwige pers­pectief waar we ons aan mogen en kunnen vasthouden. Want Hij geeft ons ook de kracht en de genade en de vrede en de hulp. “Hij is de vader der wezen en de rechter der weduwen.” Hij is er juist voor hen die zwak zijn. Hij doet de eenzamen in een huisgezin wonen, Hij leidt gevangenen uit in voorspoed. Dat is de Messias. Hij kwam voor de verbrokenen van hart, de armen van geest, de gevangenen, de weduwen en de wezen. Hij redt hen uit alle nood. Hij doet hen heel dicht en veilig bij Hem wonen.

Het geheim is dat we dicht bij Hem moeten blijven wonen. Hij wil in ons hart, in ons leven komen. Hij wil heel dicht bij ons zijn. Hij is gekomen om ons te redden. Hij had ons lief. Hij leidt ons uit het diensthuis. En wat was dat niet een groot wonder. Zo wil Hij ons ook vandaag redden en dichtbij zijn. Het enige dat wij mogen doen en door genade kunnen doen is om gehoorzaam te zijn aan zijn roepstem en dicht bij Hem te schuilen. Dan vult Hij ons leven en ons hart. Dan worden we blij temidden van de grootste stormen en teleurstel­lingen. Dan roepen we tot Hem om uitredding en genade. Want waar moet het anders vandaan komen? Dan weten we zeker, dat Hij geen stenen voor brood zal geven. Dan ervaren we de vrede Gods die alle verstand te boven gaat. God is goed. Dank U, HERE, voor zoveel overweldigende kracht en liefde, die uit deze psalm spreekt. We zullen hem met volle borst zingen. Het is één van mijn lievelingspsalmen. Kun je zingen, zing dan mee.

Psalm 68:20-36

27 juli [2]

68:20

Geprezen zij de Here.
Dag aan dag draagt Hij ons; die God is ons heil.

68:21

Die God is ons een God van uitreddingen,
bij de HERE Here zijn uitkomsten tegen de dood.

68:22

Waarlijk, God verplettert het hoofd van zijn vijanden,…

68:23

Ik breng weder uit de diepten der zee,…

68:25

Men ziet uw feeststoet, o God,…

68:27

In koren prijzen zij God,
de HERE, die immers de springader Israëls is.

68:30

Vanwege uw tempel, ter wille van Jeruzalem
bieden koningen U geschenken.

68:31

verstrooi de volken die behagen scheppen in strijd.

68:33

Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode,
psalmzingt de Here;

68:34

Hem, die door de aloude hemel der hemelen rijdt.
Hoor, Hij laat zijn machtige stem weerklinken!

68:35

Geeft Gode sterkte;
zijn majesteit is over Israël,
zijn sterkte in de wolken.

68:36

Geducht zijt Gij, o God, uit uw heiligdom;
Hij, Israëls God, verleent sterkte
en volheid van kracht aan zijn volk.
Geprezen zij God!

“Geprezen zij de HERE. Dag aan dag draagt Hij ons; die God is ons heil.” Hij redt ons uit. Hij laat ons nooit in de steek. Hij is de God van Israël, de spring­ader Israëls. En dan zal Hij hen ook uitredden. Dat kan toch niet anders? Hij is het die Israël heeft laten ontstaan. Hij leidt hen door de tijd heen. Hij heeft hen uit Egypte uitgeleid. Hij heeft hen doen wonen in het land. Hij heeft zijn troon voor eeuwig gevestigd. Er zal altijd een afstammeling van David op de troon van zijn vader David zitten. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Totdat Silo komt. De lijdende knecht des HEREN van Jesaja 53. Hij kwam om de zonden te verzoenen en niet alleen voor zijn volk maar voor die van de gehele wereld. Want zo lief heeft God de wereld gehad. Het gaat om Israël en de volkeren. Hij zal alles richten in gerechtigheid. Dat is het grote plan van God. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam. Prijst de HERE.

Zie je de overwinningsstoet, de zangers en de reidansen, de vreugde? Zie je ze dansen als Jezus Jeruzalem binnentrekt? Daar komt de feeststoet. Maar dat wordt door de tegenstanders tegengehouden. Neen, het kan niet de Messias zijn. Dat moet een overwinnende Messias zijn, want God zal toch komen met al zijn engelen om de vijand te verslaan? Daar past geen lijdende knecht des HEREN in. Zij begrepen niet dat alleen op schuld en verzoening de overwin­ning kan worden behaald. Waar zonde is, daar is schuld en daar moet verzoe­ning en vergeving plaatsvinden. En niet andersom. God is rechtvaardig en goed. Zie je ze drommen? Hij brengt zijn volk weer, uit de diepten van de zee. Waarheen en hoe ze ook onder de volken verspreid zijn. Hij brengt ze terug. Hij voert ze op een hoge berg. Vanwege Jeruzalem, zijn heilige berg.

Koningen komen van de volkeren en brengen geschenken. Ze zullen erkennen dat de HERE God is. En elk jaar zullen ze komen en het Loofhuttenfeest vieren. Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode, psalmzingt de HERE. Hoor hoe God zijn machtige stem laat klinken. Verwacht het van Hem. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Nu is de tijd dat Hij komt op de wolken om de wereld te regeren in recht en gerechtigheid. Om de nieuwe hemel en de nieuwe aarde te grondvesten waar gerechtigheid heerst. Zijn majesteit is over de volken. Zijn majesteit is vol van kracht. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Het is een heerlijke zekerheid om bij die God te schuilen. Dan wellen de psalmen en de lofzangen op in je hart. Dan word je blij. Dan zie je het zitten. Dan wil je verder gaan. HERE God, dank U wel voor al uw liefde en trouw. Voor uw grote daden. Voor uw kracht en macht en majesteit. Help mij om in uw liefde te blijven en mijn dag met uw macht en majesteit te vullen. Dank U HERE voor alles wat U doet.

Psalm 69:1-13

28 juli [2]

69:2

Verlos mij, o God, want het water
is gekomen, tot aan de lippen;…

69:3

ik ben gekomen in diepe wateren,
een vloed overstroomt mij.

69:4

Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees,
mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God.

69:6

O God, gij kent mijn verdwaasdheid,
mijn schuldige daden zijn voor U niet verborgen.

69:7

Laat om mij niet beschaamd worden wie U verwachten,…

69:8

Want om uwentwil draag ik smaad,
bedekt schaamte mijn gelaat.

69:10

want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd,
en de smaadwoorden van wie u smaden, kwamen op mij neder.

69:12

ik maakte een rouwgewaad tot mijn kleed,
maar ik werd hun tot een spreekwoord.

David moet het nu toch wel heel moeilijk hebben. Ze zitten hem op de hielen. Hij voelt zich gezonken in een diepe put. Hij roept het uit naar de HERE. Hij heeft er een hese keel van. Maar het lijkt of niemand hem hoort. Zijn vijanden roepen de grofste dingen naar hem. Ze luisteren niet naar hem. Ze proberen hem een kopje kleiner te maken. Waar is nu God die David kan redden? David roept het uit dat zijn ongerechtigheden vele zijn. Hij roept het uit, dat toch de rechtvaardigen er niet onder lijden, omdat David zondigt. Hij weet dat geen mens volmaakt is voor God. Wij allen derven de heerlijkheid Gods. David is een vreemde geworden onder zijn broeders. De mensen moeten niets meer van hem hebben. Dat is uit het leven gegrepen. God wil gebeden zijn. Hij wil dat de mensen Hem aanroepen. Je moet blijven bidden en volharden. Ook al lijkt het er helemaal niet op. Want het allerbelangrijkste dat je in je leven kunt doen, is God zoeken en dicht bij Hem blijven. Daar ben je veilig. God heeft de touwtjes in handen. We moeten niet denken dat wij het allemaal wel even zul­len regelen. God zit op de troon. En wij, wij moeten Hem gehoorzamen, waar de weg ook naar toe leidt. Het kan soms zo moeilijk lijken dat je je afvraagt: Hoe kom ik hier ooit weer uit? David beseft dat hij om Gods wil de smaad draagt. Er is zonde, dus is er straf. Soms weten we niet waar we de oorzaak moeten zoeken, als we het leed en de rampen om ons heen zien. Maar duide­lijk is dat God ons er iets mee wil zeggen. We kunnen wel uitroepen en naar God schreeuwen om hulp en erbarming, maar de wortel van de zonde ligt in de mens zelf. En alleen door het bloed van Jezus zullen we daar weer herstel in kunnen brengen.

De vijanden kunnen nog zo vele zijn, maar Gods legerscharen overtreffen al­les. Daar mogen wij ons aan vasthouden, ook al is de vijand soms akelig dicht­bij. Dat is onze troost, beide in leven en sterven. De mensen kunnen over je roddelen in de poort. Dat kan pijn doen, want de mensen liegen er maar op los. Ze hebben het nergens over, als ze jou maar kunnen krenken. Om dan nog in rust en vrede dicht bij de HERE te blijven, valt niet mee. Dan kun je het soms wel uitschreeuwen: God, waar bent U? Red mij, want mijn belagers zit­ten me op de hielen. HERE, red! Dat mag allemaal. God wil gebeden zijn. Hij heeft een open oor voor de luide smekingen van zijn kinderen. Hij wil ons al­tijd helpen ook al lijkt Hij ver weg. Blijf roepen, want Hij hoort.

Psalm 69:14-37

29 juli [2]

69:14

Maar mijn gebed is tot U, HERE,
ten tijde des welbehagens;…

69:15

Red mij uit het slijk, opdat ik niet verzinke,…

69:17

Antwoord mij, o HERE, want rijk is uw goedertierenheid,
wend U tot mij naar uw grote barmhartigheid,…

69:19

Nader tot mijn ziel, bevrijd haar,
verlos mij om mijner vijanden wil.

69:21

De smaad heeft mij het hart gebroken,
en ik ben verzwakt.

69:22

Ja, zij gaven mij gif tot spijze,
en lieten mij in mijn dorst azijn drinken.

69:24

Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien,
doe hun lendenen bestendig wankelen;

69:25

stort over hen uw gramschap uit,
en de gloed van uw toorn achterhale hen.

69:28

Voeg schuld bij hun schuld,
zodat zij niet komen tot uw rechtvaardiging.

69:29

Laten zij uit het boek des levens worden uitgedelgd,
met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven.

69:31

Ik zal de naam van God prijzen met een lied,
Hem verheerlijken met een lofzang;…

69:33

De ootmoedigen zullen het zien, zij zullen zich verheugen;
gij, die God zoekt, uw hart leve op.

69:34

Want de HERE hoort naar de armen,
en zijn gevangenen veracht Hij niet.

69:35

Dat hemel en aarde Hem loven,
de zeeën en al wat daarin wemelt.

69:36

Want God zal Sion verlossen
en de steden van Juda bouwen,…

69:37

het kroost van zijn knechten zal het beërven,
en wie zijn naam liefhebben zullen daarin wonen

Hoe kan dat nou? De psalm begint in mineur. David heeft het vreselijk moei­lijk. Hij ziet het niet meer zitten. Iedereen spot met hem. Ze proberen hem te pakken op allerlei manieren. Ze drijven de spot met hem. Ze geven hem gif, ze troosten hem niet. Hij probeert enige troost te vinden, maar hij vindt het niet. En nu dit laatste stuk van de psalm: “ik zal de naam van God prijzen met een lied.” Dat kan toch niet? Je kunt toch niet zo in de misère zitten en dan de Naam van God prijzen met een lied, terwijl je keel schor is van het schreeu­wen om hulp tot God die niet antwoordt? Hoe zit dat dan? David komt vanuit de diepte van zijn ellende naar boven om de macht en de majesteit van de HERE God te erkennen. Hij weet dat hij ook de dood verdient. Dat hij niet rechtvaardig is en dat hij smaad lijdt om zijn eigen zonden. Maar God zal rechtvaardigheid uitoefenen. De vijanden kunnen nog zo tekeergaan, maar God zal hen uitdelgen uit zijn boek. Als zij zich niet bekeren, dan komt er niets terecht van hen. Dan zal God zijn toorn over hen uitstoten, omdat zij de rechtvaardigen hebben gekweld en de naam van God hebben gelasterd. Dat staat voor David zo vast als een huis. Dat mag ook voor ons zo vast staan als een huis. God laat niet met zich spotten en Hij zal zichzelf de machtige tonen en zijn kinderen redden.

David is ellendig en in smart, maar in zijn hart weet hij: “uw heil, o God, be­scherme mij.” Dat is het geheim. Je kunt het ellendig hebben. En wat is er niet een ellende! Het kan zo maar om de hoek komen. En dan zit je er midden in. Maar het heil van God dat vast en zeker is, dat beschermt je dwars door alles heen. Als je temidden van je ellende en je zelfbeklag dan weer opgetrokken wordt in de schuilplaats van de Allerhoogste, waar je veilig bent en een deel bent van zijn rijk dat komt, dan besef je weer de werkelijke werkelijkheid. Dan kun je weer een psalm over je lippen krijgen. Want midden in de nood is er die diepe intense vrede en rust waar je zelf versteld van kunt staan. Dat is God die je nooit in de steek laat. Hij redt je uit. De ootmoedigen zullen het zien en zich verheugen. Het zijn niet degenen die brallen en hoogmoedig zijn die het rijk in hun pacht hebben. Als God spreekt, spreekt hij vanuit de liefde voor de ootmoedigen en de verbrokenen van hart, de weduwen en de wezen, hen die God nodig hebben. Hij is daar waar het lijden het zwaarst is. Hij hoort de armen en zijn gevangenen veracht Hij niet. Hij is bij hen in de gevangenis. Hij geeft hen gedachten van vrede en geluk. Een wonder, een onmogelijkheid, maar vanuit het hart van God komt de onoverwinnelijke liefde die alle ver­stand te boven gaat. Een werkelijkheid waar tot op de dag van vandaag heel velen van kunnen getuigen.

Want God zal Sion verlossen en de steden van Juda bouwen, opdat zij daar wonen en het bezitten. Het kroost van zijn knechten zal het beërven, en wie zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen. Glorie voor zijn Naam. God zij geloofd en geprezen. Hij is er altijd. Hij is onoverwinnelijk. Wat een heerlijke gedachte dat niets ons kan scheiden van de liefde van God. Prijs de HERE.

Psalm 70:1-6

30 juli [2]

70:2

O God, haast U om mij te redden,
o HERE, mij ter hulpe!

70:3

Laten beschaamd en schaamrood worden,
wie mij naar het leven staan;
terugdeinzen en te schande worden,
wie mijn onheil begeren;

70:4

laten zich omkeren van schaamte,
wie roepen: Ha, ha!

70:5

Laten in U jubelen en zich verheugen
allen die U zoeken;
laten wie uw heil liefhebben,
bestendig zeggen: God is groot!

70:6

Ik ben wel ellendig en arm –
o God, haast U tot mij!
Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder;
o HERE, vertoef niet!

God is groot. God is groot. God is groot. Dat moeten we keer op keer zeggen. Want als we dat maar blijven zeggen en zien, dan zien we de zaak in de juiste proporties. Want je kunt arm zijn en ellendig, zoals David hier. En dan mag je het uitroepen om hulp en bevrijding. Want God is onze grote bevrijder. Hij weet wat goed voor ons is. Zij die de rechtvaardigen kwellen, die moeten het oordeel ontvangen. Zij die spotten en je achterna roepen, die je te schande proberen te maken. En wat kunnen ze dan allemaal uithalen. Maar God zal hen oordelen. Daar hoeven wij ons niet druk over te maken. Wij moeten ons druk maken dat, in welke omstandigheden we ook verkeren, we onze blik op de HERE Jezus gericht houden. Wat heeft Hij niet allemaal meegemaakt! En hoe was Hij staande gebleven tot in de bittere dood aan het kruis! Als Hij dat dan voor ons over gehad heeft, wat kan ons dan scheiden van de liefde van Chris­tus? Zelfs de dood niet. Dat is het geheim van het leven in Christus. Dat is het geheim van het leven in de verdrukking. Want ze hebben de HERE Jezus vervolgd, waarom zullen ze ons dan niet vervolgen? Maar maak je niet be­zorgd tegen de dag van morgen, want elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. En in de ure der benauwdheid, maak je dan niet bezorgd wat je moet zeggen, want de HERE Jezus zelf zal je de woorden in de mond leggen. Dat is een groot wonder. Dat is je niet voor te stellen. Maar het is waar. Daarom mo­gen we in Hem jubelen. En dan kunnen we bestendig zeggen: God is groot! Ik ben wel ellendig en arm – o God, red mij en help mij. Haast U, o God, vertoef niet. U bent mijn bevrijder. We mogen erop pleiten. Hoe dan ook.

Wat komt dit thema ontzettend vaak terug in de Bijbel. Het is ook uit het leven gegrepen. We komen zoveel lijden tegen in ons leven en in het leven der mensheid, dat je je afvraagt: Hoe verhoudt zich dat tot de liefde van God? Maar het geheim is, dat je door de liefde van God juist in staat bent door dat lijden heen gedragen te worden. Want we zijn allen onderdeel van dat lijden. We zijn allemaal onderdeel van de zonde. We hebben allemaal gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Wij zijn des doods schuldig. Maar Hij heeft onze zonden op Zich genomen. Wij hebben de dood verdiend, maar Hij heeft de dood en de verzoening op Zich genomen. Dat is het grote geheim. Zonder Messias Jezus komen we geen stap verder. Dat is het grote aanbod van gena­de. Een heerlijk evangelie. Dat mag je proclameren. Dat mag je van de daken roepen. Dat gebeurt ook in deze psalm. God is groot. God is groot. God is groot. Dat moet je bestendig blijven roepen. En Hij heeft de regie in handen. Hij wil je vasthouden op zijn weg. Hij wil je uitredden. Hij laat je niet in de steek. Dat is het grote geheim. Prijs de HERE.

Psalm 71:1-24

31 juli [2]

71:1

Bij U, o HERE, schuil ik;…

71:3

Wees mij tot een rots ter woning,…

71:4

O God, bevrijd mij uit de hand van de goddeloze,…

71:6

op U heb ik gesteund van de moederschoot aan,
van het ingewand mijner moeder aan zijt Gij mijn helper;…

71:9

Verwerp mij niet ten tijde des ouderdoms,
begeef mij niet, nu mijn kracht vergaat.

71:13

Laten beschaamd worden en vergaan,
wie mijn leven belagen;…

71:17

O God, gij hebt mij onderwezen van mijn jeugd aan,
tot nu toe verkondig ik uw wonderen;

71:18

wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid,
o God, niet verlaten,…

71:20

Gij, die mij vele benauwdheden en rampen hebt doen zien,
zult mij weder levend maken,…

71:22

Dan zal ook ik U met de harp prijzen,…

71:24

Ook zal mijn tong de ganse dag
van uw gerechtigheid gewagen,
want zij worden beschaamd en schaamrood,
die mijn onheil zoeken.

De Here HERE is mijn verwachting. God heeft de dichter gesteund vanaf de moederschoot aan. Hij heeft zijn hulp op de HERE gesteld. Zijn leven lang heeft hij de HERE zijn God gediend. Hij heeft het van Hem verwacht. Nu vraagt hij ook om bescherming nu hij oud geworden is. Hij wil tot het einde van zijn leven bij de HERE God blijven. Hij heeft heel wat ellende en be­proeving in zijn leven gezien. Maar hij smeekt om Gods bescherming, ook voor de rest van zijn leven. Want hij weet hoe arglistig de tegenstanders zijn om je op hoge leeftijd nog uit te laten glijden, als je krachten minder worden en je gedachten misschien iets minder stabiel. God is er ook dan. God be­schermt ook dan. God laat je nooit in de steek. Het is alsof deze dichter dat ook heel goed weet. Hij wil het alleen bevestigd hebben. Hij vraagt naar de bekende weg. Hoe vaak doen wij dat niet? We weten het wel, maar we willen het dan toch graag nog bevestigd zien. En dat geeft ook niets. Hoe vaak wor­den de woorden van de dichter niet weer herhaald. Er is steeds dezelfde vraag om bevestiging en bemoediging. Dat heb je ook nodig. Zeker als je behoorlijk in de druk zit. Dan wil je steeds opnieuw bevestigd hebben, dat het waar is dat de HERE God leeft, dat je niet hoeft te twijfelen. Dat is het heerlijke leven met God. Wat een genadige en ontfermende God.

Hij weet dat je krachten in de ouderdom afnemen. Hij weet hoe erg het is om met de dood geconfronteerd te worden. Hij weet wat het is om een ziekbed te hebben in de ouderdom. Hoeveel wordt er in de ouderdom niet geleden? Want de dood is de laatste prikkel. De dood wordt verzwolgen. En dan zullen we onvergankelijkheid aandoen. Daar is het wachten op. Dat is onze bestemming. Dan weet de dichter ook dat, als hij opgetrokken is uit het dodenrijk, hij dan ook de harp zal bespelen en zal zien de grootheid en de volmaaktheid van God. Dan zullen zijn lippen jubelen. Dan zullen we psalmen zingen. Dan zul je de hele dag jubelen. Er komt geen einde aan. Want rondom de troon van God wordt het eeuwige Halleluja gezongen. Daar is ons zingen een voorproef­je van. Maar dan zullen we verbijsterd staan van zoveel schoonheid en liefde en blijdschap. Dan zullen alle tranen van je ogen afgewist worden. Dan is er geen ziekte en geen dood meer. Dan zul je de machtige daden van God ver­kondigen. Heerlijk is zijn Naam.

We komen steeds weer op hetzelfde terug. Het is onze opdracht om in Gods nabijheid te blijven, wat ons ook overkomt in dit leven. We moeten niet van het spoor van Hem afraken. We moeten ons inspannen om bij Hem te blijven schuilen. We moeten steeds weer ontdekken, dat we nooit uit zijn hand kun­nen vallen. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Ze kunnen wel tegen je te­keergaan, maar Hij is overwinnaar en in Hem ben je absoluut veilig. Daarom, verheug je, want je leven is verzekerd in Christus in God. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 72:1-20

1 augustus [2]

72:1

Van Salomo.
O God, verleen de koning uw recht,
en uw gerechtigheid de zoon des konings.

72:2

Hij richte uw volk met gerechtigheid,
uw ellendigen met recht.

72:3

Mogen voor het volk de bergen vrede dragen,
ook de heuvelen, in gerechtigheid.

72:4

Hij verschaffe recht aan de ellendigen des volks,
Hij redde de armen, maar verbrijzele de verdrukker.

72:5

Men vreze U, zolang de zon er is,
en zolang de maan er is, van geslacht tot geslacht.

72:6

Hij zij als de regen die neerdaalt op het grasland,
als regenbuien die de aarde besproeien.

72:7

In zijn dagen bloeie de rechtvaardige
en grote vrede, totdat er geen maan meer is.

72:8

Hij heerse van zee tot zee,
van de Rivier tot de einden der aarde.

72:10

de koningen van Scheba en Seba
hem schatting offeren,…

72:12

Voorwaar, hij zal de arme redden, die om hulp roept,
de ellendige, en wie geen helper heeft;

72:13

hij zal zich ontfermen over de geringe en de arme,
hij zal de zielen der armen verlossen.

72:15

En hij zal leven;…

72:16

Een overvloed van koren zij in het land;…
…en de stedelingen mogen opbloeien als het kruid der aarde.

72:18

Geloofd zij de HERE God, de God van Israël,
die alleen wonderen doet

72:19

En geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig,
en zijn heerlijkheid vervulle de ganse aarde.
Amen, ja, amen.

De koning oefene gerechtigheid. Dat is de opdracht van de koning. Hij regeert zijn onderdanen. Hij is aller dienaar. Hij moet het voorbeeld geven. Hij helpt de ellendigen en zij die geen helper hebben. Hij helpt de armen. Hij wil ge­vreesd worden. Hij heerst van zee tot zee en van rivier tot rivier. De koningen brengen hem geschenken. Ze weten dat de God van Israël met de koning is. Het is God die regeert. Ze weten dat de God van de koning van Israël een machtige God is en ze kunnen hem beter te vriend houden dan zich voor de zoveelste keer aan dat volk te stoten.

En weer komt de arme naar voren. De koning zal hem helpen. Want de koning duldt geen armen. Voor iedereen moet er te eten zijn. Daar zijn we samen ver­antwoordelijk voor. Hij zal hen van de schatten van Scheba geven. Wie veel heeft dele het met de arme. Dan worden ze er beiden beter van. Dat is het ge­heim. Dan zal er een overvloed zijn aan oogst. En iedereen kan ervan mee-eten. Daar moet voor gebeden worden. Er moet een voortdurende lof voor God zijn. Want Hij wil vereerd en geprezen worden. Daar moeten we dan ook aan meedoen. God is groot. En nooit genoeg te prijzen.

Wat een heerlijke liederen. Ze zijn hier op aarde al mooi, laat staan in de he­mel. Het gaat allemaal komen. En het lijkt erop, dat het allemaal dichterbij is dan we denken. God is goed. Zolang de zon opgaat en hij ondergaat zal de Naam des HEREN worden geprezen. Dat kan toch heel mooi in de kerken in ons land. Daar hebben we al een voorpoefje van het hemelse. Wat kan de zang en de muziek mooi zijn. Je wordt helemaal meegenomen als er goed gespeeld of gezongen wordt. Het hart van de gemeente resoneert in de lofzang naar God. Daarom is het woord belangrijk, maar zeker ook zijn de gezangen en de gesprekken daarover belangrijk. Alle volkeren zullen gaan ontdekken dat zij te maken hebben met de God van hemel en aarde.

Wat zullen de booswicht, de lasteraar, de dief en allen die het van zichzelf verwachten, lelijk op de koffie komen. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam, maar we mogen op God vertrouwen. Hij laat ons nooit in de streek. Het is een alsmaar loven en prijzen van de HERE God, die in het leven van Salomo zo krachtdadig is opgetreden, maar ook in het leven van de profeten. HERE, help ons dat onze ogen steeds meer geopend worden voor de schoon­heid en de almacht van U en uw schepping. Dank U wel voor zoveel liefde voor ons en onze schepping. Ik verkies om te blijven schuilen in uw gemeen­schap.

Psalm 73:1-28

25 augustus [2]

73:1

Waarlijk, God is goed voor Israël,
voor hen die rein van hart zijn.

73:3

Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen,
toen ik de voorspoed der goddelozen zag.

73:7

hun ogen puilen uit van vet,
de inbeeldingen van hun hart lopen over;…

73:9

ze zetten een mond op tegen de hemel,
en hun tong roert zich op de aarde.

73:12

Zie, zo zijn de goddelozen,
altijd onbezorgd vermeerderen zij het bezit.

73:16

Ik tobde erover om het te begrijpen,…

73:17

totdat ik in Gods heiligdommen inging,
en op hun einde lette.

73:18

Gij doet hen instorten tot puin.

73:19

zijn zij verdwenen, vergaan door verschrikkingen;

73:20

gelijk een droom na het ontwaken, o Here,
versmaadt Gij, als Gij opwaakt, hun beeld.

73:21

Toen mijn hart verbitterd was,…

73:22

ik was een redeloos dier bij U.

73:23

Gij hebt mijn rechterhand gevat;

73:24

Gij zult mij leiden door uw raad,
en daarna mij in heerlijkheid opnemen.

73:25

Nevens U begeer ik niets op aarde;…

73:26

mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig.

73:27

Want zie, wie verre van U zijn, gaan te gronde,…

73:28

maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn,
de Here HERE heb ik tot mijn toevlucht gesteld,
en ik wil al uw werken vertellen.

Een prachtige psalm. Uit het leven gegrepen. Zo gaat het zo vaak. Hoe is het ook voor ons niet herkenbaar? God is er, maar wij zien zo vaak de hoogmoed van de goddelozen. Waar praten ze eigenlijk over? Het lijkt alsof ze de wereld in pacht hebben. Wij maar jaloers zijn en niet begrijpen, waarom het bij ons allemaal zo moeilijk gaat. Je wordt jaloers en je gedachten wijken ook van God af. Je probeert het te begrijpen, maar je begrijpt het niet. Zo zit deze psalmdichter rond te peinzen. En aan dat peinzen komt geen eind. Hoe kunnen ook wij niet peinzen en ons afvragen: waarom dit en waarom dat? Er is met ons verstand vaak geen touw aan vast te knopen. Dat zouden we juist graag willen. Daarom tobben we wat af. We zien op onszelf en we zien op de ander. We vergelijken ons met die ander. We doen alsof God de schuld is van de hoogmoed der goddelozen. Wat een vreselijke gedachten als je er over na­denkt. Je komt er ook nooit uit. Want er is ook niet uit te komen. Want het zijn Gods gedachten, die veel hoger zijn.

Dan keert de dichter in. Wanneer? Als hij Gods heiligdommen binnengaat. Ik zie hem de tempel binnengaan en onder de indruk komen van Gods macht en majesteit. Dan zie je jezelf staan en dan kom je er niet uit. Wat heb je gedaan? Je hebt getwijfeld aan Gods macht en majesteit. Je hebt getwijfeld aan zijn beloften. Je hebt getwijfeld aan de verzoening door het bloed van Jezus. Hoe is het mogelijk?! Hoe kun je zo ver afdwalen?! Hoe kun je zo dom zijn?! Van­uit God zie je het weer in het juiste gezichtspunt. Want vanuit God bestaat de rechtvaardige voor eeuwig. Dan zie je dat de goddeloze tot puin wordt. Van­daag is hij alles en morgen is hij er niet meer. Wat een uitzicht. Inderdaad, je wordt door God opgetrokken om met Hem zijn hoge vergezichten te zien. Het is geweldig. Wat een genadige God, want zelf zit je zo maar op de verkeerde weg, maar Hij is er altijd om je hand te pakken. Want Hij weet dat je zo maar kunt struikelen. Dat de vijand op de loer ligt. Hij zendt een macht van engelen om je heen. Als je gedachten wegglijden, dan wil Hij je weer bij de les halen. Hij wil je leiden door zijn raad. Daar komt geen einde aan. Zijn raad is altijd vredegevend, rustgevend, het geeft je altijd blijdschap. Zelfs temidden van moeilijke tijden. Ook al gaan de hoogmoedigen tekeer, ook al verdrukken ze je, het kan je niet raken, want jij bent veilig en geborgen bij God. Dat is de werkelijkheid van God. Daar moeten we ons aan vasthouden.

Het geheim is dat we dat ook niet hoeven te begrijpen. Want we begrijpen zoveel niet. Er is zoveel verborgen in de almachtige liefde van God. Het ge­heim is om maar heel dicht bij Jezus te blijven. “Het is mij goed om nabij God te zijn,” zegt de dichter, “de Here HERE heb ik tot mijn toevlucht gesteld.” Je toevlucht, daar vlucht je heen als je vragen hebt, als je het niet meer ziet zit­ten. Daar is het veilig. Daar dimmen je vragen en komt je blijdschap terug, omdat Hij zelf de blijdschap is en Hij eindelijk ook eens in jouw stil geworden ziel wil gaan wonen met zijn eeuwige liefde, vrede en blijdschap. Wie wil daar niet bij horen? Daar word je toch blij van?! Daar wil je dan ook van ver­tellen.

Psalm 74:1-11

26 augustus [2]

74:1

brandt uw toorn tegen de schapen die Gij weidt?

74:2

Gedenk uw gemeente, die Gij van ouds hebt verworven,
die Gij verlost hebt als de stam van uw erfdeel,
de berg Sion, waarop Gij uw woning hebt gevestigd.

74:3

alles heeft de vijand in het heiligdom vernield.

74:6

toen sloegen zij het snijwerk daaraan
altegader stuk met bijl en houweel;

74:7

uw heiligdom staken zij in brand,…

74:8

Laten wij hen altegader verdrukken.

74:9

geen profeet is er meer,…

74:10

Ja, hoelang nog zal de tegenstander honen, o God;…

74:11

Waarom houdt Gij uw hand, ja uw rechterhand, terug?
Trek ze uit uw boezem, verdelg!

Dat is toch ook wat! God trekt zijn hand terug. Hij heeft de vijand doen komen en die hebben het heiligdom leeggeroofd. Ze hebben het volk verdrukt. Het lijkt alsof God hen helemaal verlaten heeft. Het is verschrikkelijk. Alles is vernield. Er is geen profeet meer, hoe moet het nu verder? De vijanden zeiden: “Laten we hen allemaal verdrukken.” Ze verbrandden alles. Alles is weg. Het is verschrikkelijk. Hoelang nog, God, verdrukt Gij uw volk, het erfdeel, de schapen die Gij weidt? Gedenk toch uw volk, dat Gij van ouds hebt verwor­ven. De berg Sion, die u als woning hebt uitgekozen. Richt uw schreden naar wat in puin ligt. HERE. Waar bent U nu? Waarom houdt Gij uw rechterhand terug? Zo kan het toch niet! Het is ook verschrikkelijk. Het volk is door God verlaten. Waarom is dat gebeurd? Dat is toch niet zo maar? Ze hebben toch iets gedaan, waardoor God hen verlaat? Want inderdaad, Hij heeft hen uitver­koren als zijn erfdeel. Hij heeft Jeruzalem verkozen als zijn stad. Hij wil van daaruit regeren. HERE, God, waar bent U? Kom en keer terug. Help! Help! Help! Trek uw hand uit uw boezem en verdelg uw vijanden!

Het is een psalm van grote nood. Je zult maar de vijand, de tegenstander, in je land hebben, die alles wat jou heilig is vernielt. Dat is toch het allerergste wat jou kan overkomen? Dat raakt je in het wezen van je ziel. Dan schreeuw je het uit naar God die zijn hand achterhoudt. Help, HERE, help!

Hoe lang nog HERE? Er is geen profeet meer! Heeft God zijn hand terugge­trokken? Heeft het volk Hem verlaten? Hebben ze de afgoden gediend? God keert terug als we Hem weer gaan dienen. We hebben te maken met een lief­devol, maar heilig God. Toen en ook vandaag!

Psalm 74:12-23

27 augustus [2]

74:12

Toch is mijn God mijn koning van oudsher,
die in het midden der aarde verlossing bewerkt.

74:15

Gij zijt het, die bronnen en beken hebt opengebroken;…

74:16

Uwer is de dag, uwer ook de nacht;
Gij zijt het, die hemellicht en zon hebt gesteld.

74:18

de vijand hoont, o HERE,…

74:19

Lever de ziel van uw tortelduif aan het wild gedierte niet over;
vergeet het leven van uw ellendigen niet voor immer.

74:20

Aanschouw het verbond,
want de duistere plaatsen des lands zijn vol holen van geweld.

74:22

Sta toch op, o God! Voer toch uw rechtsgeding.
Gedenk de smaad
die de dwazen U de ganse dag aandoen.

74:23

Vergeet het geschreeuw van uw tegenstanders niet,
het getier van wie tegen U opstaan,
dat bestendig omhoog stijgt.

Het is verschrikkelijk. Wat gaat de tegenstander tekeer. Hij denkt dat hij het heft in handen heeft. Dat hij alles maar kan doen wat hem goeddunkt. Maar ik weet beter. Het is de HERE God, die de hemelen en de aarde gemaakt heeft. Die de rivieren en de beken heeft geformeerd. Die de dag en de nacht gemaakt heeft. Die over zomer en winter gaat. Hij is de HERE der heren. Niemand kan Hem evenaren. U hebt de grenzen van de aarde bepaald. U bent almachtig.

HERE, kijk nu eens, hoe de vijand U hoont. Aanschouw het verbond. Lever uw volk niet over aan het geweld van de tegenstander. Sta op, o God, voer uw rechtsgeding. “Want de duistere plaatsen des lands zijn vol holen van ge­weld.” Het is verschrikkelijk. Het is uit het leven gegrepen. Wat zijn er een duistere plaatsen in het land. Het zijn inderdaad holen van geweld. HERE, doe iets. HERE, treedt op. HERE, U moet het doen. Wij roepen U aan. U bent al­machtig. Wij loven en prijzen U, want U hebt alles wonderbaar gemaakt. U hebt de hemelen en de aarde gegrondvest. U bent almachtig. U maakte zon en maan, dag en nacht, hemelen en aarde. U kliefde de wateren. U sprak en het was er. Zo is het.

Al het geschreeuw van de hoogmoedigen haalt niets uit. Want U komt klaar met uw doel. U hebt de verlossing aangekondigd. U gaf uw Zoon, Messias Jezus. De boze gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan ver­slinden, maar U bent almachtig. U versloeg hem op het kruis van Golgotha. Dank U, HERE, voor uw grote liefdedaad. Sta toch op, o God, voer uw rechts­geding. HERE, dank U wel dat we U mogen aanroepen temidden van al het geweld op de aarde.

Zie toch de kinderen van de wereld! Wat een lijden. Miljoenen en miljoenen zijn het slachtoffer. Het zijn de poelen van geweld. Maar HERE, denk aan hun verlossing. Denk aan uw verbond, HERE, red! U moet het doen. HERE, red! Dank U wel.

Psalm 75:1-11

28 augustus [2]

75:2

Wij loven U, o God, wij loven,
want nabij is uw naam, men vertelt uw wonderen.

75:3

Wanneer Ik het tijdstip gekozen heb,
dan zal Ik rechtmatig richten;…

75:4

Ik ben het, die haar pilaren heb vastgezet.

75:5

Weest niet hoogmoedig;… Heft de hoorn niet op,…

75:6

en spreekt niet met trotse hals.

75:7

Want het verhogen komt niet van oost of van west,
noch uit de woestijn –

75:8

maar God is rechter,
Hij vernedert deze en verhoogt gene.

75:9

alle goddelozen der aarde moeten hem slorpende drinken.

75:10

ik wil de God van Jakob psalmzingen,

75:11

en alle hoornen der goddelozen zal ik afhouwen;
de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

Ja, zo is het. De HERE is rechter. Daarom mogen we Hem loven en prijzen. We mogen Hem psalmzingen. Het is één grote lofprijzing voor de HERE God. Want Hij is onze rechter, Hij is onze wetgever, Hij is onze koning. We hoeven daar niet aan te twijfelen. Hij heeft de pilaren der aarde vastgezet. De aarde kan nog zo wankelen, het kan nog zo tekeergaan, je kunt nog zo in de war zijn, je kunt nog zo vol van vragen zijn, maar de HERE kent de zijnen. De hoog­moedigen strekken hun hals. Zij denken dat ze de wijsheid in pacht hebben. Maar de hoogmoed komt niet van oost, noch van west, noch uit de woestijn of waar dan ook van de aarde – maar God is rechter. Hij verhoogt en Hij verne­dert. De beker der gramschap is in zijn hand. De goddelozen zullen hem drin­ken tot hun verderf. Maar de rechtvaardigen zullen de HERE God voor altijd psalmzingen. Hij zal hen verhogen. De goddelozen zullen afgehouwen wor­den. Ze bestaan niet meer. Ze zijn weg.

Wat een heerlijke zekerheid. Hoe vast en zeker is deze belofte van God. Het kan niet stuk. Het is vast en zeker. Er zijn goddelozen; en wat kunnen ze te­keergaan. Ze komen met geweld. Ze stralen pracht en praal uit. Maar hun ein­de is de eeuwige ondergang. Ze hebben de zonde gediend. Ze hebben de dui­vel gevolgd, de mensenmoorder van de beginne. God neemt het niet. Hij komt op voor de kinderen. Hij beschermt hen. Hij wil hen niet laten lijden. Het is verschrikkelijk wat de duivel doet. Hij gaat rond als een briesende leeuw. We zien het alom om ons heen. Maar de HERE is rechter. Hij verhoogt de zijnen. Wij mogen ons leven en werken vullen met zijn Almacht. Daar word je blij van. Dan zie je het weer zitten, temidden van allerlei tegenslagen, allerlei on­recht, allerlei geweld. Want de HERE is God. Hij komt met zijn wereld van recht en gerechtigheid. Want zoals het nu is, kan het niet duren. God herstelt alle dingen. Hij verslaat de duivel. Maar de zonde moet verzoend worden. “Want alzo lief had God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon ge­geven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.”

Wie is een groter vriend dan Hij die zijn leven inzet voor zijn vrienden? En zo is het. Glorie voor zijn Naam. Dank U, HERE God, dat U ons vertroost, be­moedigt en recht op onze voeten zet met deze psalm. De dag kan niet meer stuk.

Psalm 76:1-13

29 augustus [2]

76:2

God is bekend in Juda,
zijn naam is groot in Israël;

76:3

in Salem was immers zijn tent,
en op Sion zijn woning;

76:4

daar verbrak Hij de vurige schichten van de boog,…

76:6

de trotsen van hart werden uitgeschud,…

76:7

Voor uw dreigen, o God van Jakob,
verzonken zo wagens als paarden in diepe slaap.

76:8

Gij, geducht zijt Gij; wie kan bestaan…

76:9

de aarde vreesde en werd stil,…

76:10

om al de ootmoedigen der aarde te verlossen.

76:11

Gij beteugelt de rest der grimmigen.

76:12

Doet geloften en betaalt ze de HERE, uw God;
allen rondom Hem moeten gaven brengen aan de Geduchte,…

Dat weten we toch? God is bekend in Juda en Israël. Zijn woning is op Sion. Al lijkt dat verleden tijd, voor God is het vast en zeker. Hij gaf zijn eeuwigdu­rende beloften. Hij koos zich een volk en een land. Ook al waren ze ruim vier­honderd jaar in Egypte, ze kwamen weer terug. Het was beloofd, dus het zou gebeuren. Ook al zijn ze vele eeuwen uit het land, ze zullen weer terugkeren. We zien het voor onze ogen en daarom gaan de volkeren tekeer. De boze wil dat niet. Hij zal er alles aan doen om dat te verhinderen. Al gaan de tegenstan­ders tekeer, voor het dreigen van de HERE God gaan ze op de vlucht. Legers deinzen terug als de HERE spreekt. En kijk maar: het ene wonder na het ande­re gebeurt als we op de HERE vertrouwen, als we Hem aanroepen en zijn gro­te daden verkondigen. De Bijbel staat er vol van. We mogen Hem proclame­ren, we mogen Hem loven en prijzen. Hij slaat de hoogmoedigen neer en Hij verhoogt de ootmoedigen. Want daar is Hij voor gekomen: de verbrokenen van hart, de ootmoedigen. Daarom is Hij op de aarde gekomen. En alle grim­mige mensen, de booswichten, de goddelozen, ze zullen eens ook erkennen dat God God is. Daar komen ze niet omheen. Al zullen ze het met man en macht ontkennen en het niet willen. Want ze gaan tekeer. Ze gaan vreselijk tekeer. Ze willen het niet! Maar God is God. Zijn woning is in Salem. De stad van God. En alle volken zullen eens daarheen optrekken, om de HERE te eren!

Psalm 77:1-21

30 augustus [2]

77:2

mijn stem is tot God, opdat Hij zijn oor tot mij neige.

77:3

Ten dage mijner benauwdheid zoek ik de Here,…

77:5

Gij houdt mijn ogen open,
ik ben onrustig en kan niet spreken.

77:6

Ik overdenk de dagen van ouds,…

77:8

Zal de Here dan voor altoos verstoten,…

77:9

houdt de belofte op van geslacht tot geslacht?

77:10

of sluit Hij zijn barmhartigheid in toorn toe?

77:12

Ik zal de daden des HEREN gedenken,
ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds,…

77:14

wie is een God, groot als God?

77:16

Gij hebt uw volk met machtige arm verlost,…

77:17

de wateren zagen U, zij sidderden,

77:19

de aarde sidderde en beefde.

77:21

Gij leiddet uw volk als een kudde
door de hand van Mozes en Aäron.

We kunnen in benauwdheid komen. Wie is dat niet nu of is dat niet geweest? We weten ook niet wanneer de omstandigheden ten kwade veranderen. Dan kunnen we het benauwd krijgen. Dan kunnen we tot de HERE uitroepen. En ons afvragen of de HERE ons voor altijd in de steek laat. Waar is zijn barm­hartigheid gebleven? We kunnen geen woord uitbrengen, want onze gedachten zijn verward. We weten het niet meer. Maar ik zoek de HERE God in de da­gen van mijn benauwdheid. En hoeveel mensen doen dat niet. Als ze het moei­lijk hebben, dan willen ze wel tot God roepen. Maar als er geen antwoord komt, dan haken ze af. Daar is de dichter bang voor: dat hij gaat twijfelen aan de zekerheid van de beloften van God. Dat is ook het grootste gevaar. Want de tegenstander van God zal wel influisteren: ‘Zie je nu wel, God helpt je niet, anders zat je nu niet zo in de puree,…’ Enzovoort, enzovoort. De mens is heel gauw in de war en begint dan te twijfelen. Dan raak je de draad kwijt. Daar moet je enorm voor oppassen.

Maar dan moet je denken aan de grote daden van God. Wat is er niet voor machtigs gebeurd? De Bijbel staat er vol van. Het kan niet stuk. Legers deins­den terug. Het water stopte. Hij sprak en het regende. Hij sprak en het was droog. Hij is de God van hemel en aarde. We moeten in tijden van moeilijkhe­den de almachtige daden van God bedenken en Hem loven en prijzen en op Hem hopen. Dat houdt ons op de been. Want God is God. Hij is niet veran­derd. Hij doet wonderen en Hij zal wonderen doen. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. En net zoals Hij het volk door de woestijn naar het beloofde land leidde, zal Hij ons ook leiden. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Heerlijk toch? Wat een voorrecht. Wat een zegen. Daar worden we blij van. Daar kun­nen we het mee doen. Daar vullen we ons leven mee. Wat een geweldige psalm. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 78:1-16

1 september [2]

78:2

ik wil aloude verborgenheden verkondigen.

78:3

en onze vaderen ons hebben verteld,…

78:4

wij willen vertellen aan het volgende geslacht
des HEREN roemrijke daden, zijn kracht
en de wonderen die Hij gewrocht heeft.

78:5

Hij richtte een getuigenis op in Jakob
en stelde een wet in Israël,…

78:6

opdat het volgende geslacht die zou kennen,…

78:7

opdat die hun vertrouwen op God zouden stellen,…

78:8

en niet worden gelijk hun vaderen,…
en welks geest niet trouw was jegens God.

78:9

Efraïms zonen,… keerden om ten dage van de strijd.

78:10

Zij onderhielden Gods verbond niet,…

78:12

Ten aanschouwen van hun vaderen deed Hij wonderen
in het land Egypte, het veld van Zoan;

78:13

Hij kliefde de zee, Hij voerde hen er doorheen,…

78:14

Hij geleidde hen met een wolk des daags,…

78:15

Hij kliefde rosten in de woestijn,…

78:16

Hij deed beken vloeien uit de rots…

Dat moeten we onze kinderen vertellen. Van geslacht op geslacht. Wat moeten we dus doen? We moeten hen de Bijbel leren. We moeten vertellen en vertel­len. En wat is er veel te vertellen. De ene geschiedenis na het andere. Dat moeten we niet slechts één keer doen, dat moeten we herhalen, herhalen en nogmaals herhalen. Want het zijn fantastische verhalen. Je krijgt er niet ge­noeg van. Het zijn de grote daden van God. Kinderen houden van de geschie­denissen. Ze hangen aan je lippen, als je het met verve vertelt.

Deze verhalen van de wonderen van God moet je ook vertellen om hun te le­ren gehoorzaam te zijn aan de HERE God. Om te gaan ontdekken dat als je de geboden van God houdt, het goed gaat in je leven. Dan heb je het goed. Dan kun je in vrede leven. Want je gaat ontdekken, dat God het laatste woord heeft. De mensen kunnen wel tekeergaan, maar God heeft het laatste woord. Of beter: Hij heeft het eerste woord. Want Hij sprak en het was er. Heerlijk. Wat een geweldige zekerheid. Wat een kracht en wat een wonder.

Zo was het: als de vaderen van de kinderen van God afweken, dan ging het niet goed. Hoe kan God zegenen als je je afwendt van Hem? Het is goed dat de kinderen dat ook weten en gaan ontdekken. Het is voor hen een levensles om te zien dat wat hun vaderen fout deden, zij niet moeten doen. God is een eerlijke God. Hij windt er geen doekjes om. Hij zegt het rechttoe rechtaan. Dat is eerlijk. Dat is waar.

Wat voor grote wonderen heeft God gedaan! Lees het zelf maar na. Hij leidde hen uit Egypte. Hij deed hen trekken door de Schelfzee. Hij kliefde de rots, zodat er water kwam, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Hoe is het mogelijk? Midden in de woestijn. God sprak en er was water. Ze hebben al die tijd geen gebrek gekend. Kortom, we moeten nooit vergeten dat we een God van won­deren hebben. God is een wonder. Hij heeft het beste met ons voor. Hij laat ons nooit in de steek. We zullen het verder ontdekken. Heerlijk, zo’n God te hebben. Dat wil je toch je kinderen vertellen? Daar krijg je niet genoeg van. Heerlijk! Heerlijk! God is goed.

Psalm 78:17-37

2 september [2]

78:17

Maar ze bleven tegen Hem zondigen,…

78:18

zij verzochten God in hun hart
door spijze te vragen naar hun lust;…

78:19

Kan God een dis aanrichten in de woestijn?

78:20

zou Hij ook brood kunnen geven,
of vlees verschaffen aan zijn volk?

78:21

en een vuur ontbrandde tegen Jakob,…

78:22

omdat zij in God niet geloofden…

78:23

en opende de deuren des hemels;…

78:24

en schonk hun hemelkoren;…

78:27

Hij deed vlees op hen regenen als stof,…

78:29

Zij aten en werden volop verzadigd,…

78:30

Nog hadden zij hun begeerte niet gestild,…

78:31

daar verhief Gods toorn zich tegen hen,…
…en velde de jonge mannen van Israël neder.

78:32

Ondanks dit alles zondigden zij verder
en vertrouwden niet op zijn wonderen

78:33

Toen deed Hij hun dagen eindigen in nietigheid…

78:34

Als Hij hen doodde, dan vroegen zij naar Hem,

78:36

Maar zij bedrogen Hem met hun mond…

78:37

hun hart was niet standvastig bij Hem,
zij waren niet getrouw aan zijn verbond.

God had toch zulke grote wonderen gedaan. Lees het maar in het begin van deze psalm. Je zou toch denken: dan zullen ze wel op Hem vertrouwen. Maar nee, hoor. Zij bleven verder tegen Hem zondigen. Hoe kan God met zo’n volk verder? Hoe kan God nog geduld hebben met zo’n ondankbaar volk? Daar word je toch helemaal niet goed van! Wat nu? Ja, ze hebben dan wel water. Dat is een wonder. Maar zou God ook voedsel in de woestijn kunnen geven? Zou Hij ook hen kunnen helpen aan vlees? Dat zal wel niet. God wordt verbol­gen en een vuur verteert hen. Maar dan is God toch weer barmhartig Dan opent Hij de hemel en dan komt het manna naar beneden. Nou, als dat geen wonder is! Daarna komt er een sterke wind en de kwakkels komen neer pre­cies in het legerkamp. Zo hebben ze ook vlees. Dat is je toch niet voor te stel­len. Wat een wonder. Als dat dan toch niet God is, dan weet niemand het meer. Geweldig. Maar nog zijn ze niet tevreden. Nog was hun begeerte niet gestild. En dat is ook weer uit het leven gegrepen. Wat kan onze begeerte ons toch parten spelen. Het is toch verschrikkelijk. We hebben al van alles. Als we zien wat we al hebben, in plaats van dat we zien op wat we ook nog graag zouden willen hebben, dan zingen we wel een toontje lager. Het slaat toch he­lemaal nergens op om steeds maar weer meer te willen? Zeker wij hier in het Westen. Het is toch vreselijk. Wat een toestand. Wat een ondankbaarheid. Daar kan God toch helemaal niets mee. We moeten ons schamen voor steeds maar weer meer van Hem te vragen. We roepen toch zijn toorn op? Zo is het ook. Er volgt een slachting onder de welgedanen. En dan moeten we ook niet klagen. We halen het toch zelf over ons heen?

En dan zou je denken: na dit oordeel zullen ze zich toch wel bekeren. Maar niets ervan. Het is en blijft stil. Ze vertrouwen niet op zijn wonderen. Zelfs niet als God ze er via het oordeel met de haren bij wil slepen. Ze worden als nietige mensen. Ze vinden de dood. Niemand, die uit Egypte is vertrokken, bereikt het beloofde land. Ze sterven allemaal. Dan roepen ze wel tot de HERE, maar het is geen waarachtige bekering. Het zijn krokodillentranen. Ze bedriegen God met hun mond. Hun hart was niet standvastig bij Hem, ze waren niet getrouw aan zijn verbond. Het is niet goed. Het gaat niet goed. Ze bedriegen God. Dat kan niet goed gaan. Wat een weerbarstig volk. Wat her­kenbaar. Je kunt het op je vingers natellen. En toch geloofden ze niet in de wonderen van God. Vreselijk! Hoe kunnen zij, en ook wij, het oordeel ont­gaan?

Psalm 78:38-55

3 september [2]

78:38

Maar Hij, de barmhartige, verzoende
de ongerechtigheid en verdierf niet;
Hij wendde menigmaal zijn toorn af…

78:40

Hoe vaak waren zij weerspannig tegen Hem in de woestijn,…

78:42

Zij gedachten niet aan zijn macht,…

78:47

Hij verdierf hun wijnstok door de hagel…

78:49

Hij zond tegen hen zijn brandende toorn,…

een schare van verderfengelen

78:51

Hij sloeg alle eerstgeborenen in Egypte,…

78:52

Hij liet zijn volk als schapen optrekken,…

78:54

Hij bracht hen naar zijn heilig gebied,
de berg die zijn rechterhand had verworven;

78:55

Hij verdreef de volken voor hen uit,
mat hun die toe als erfelijk bezit,
en liet Israëls stammen in hun tenten wonen.

Hoe is het mogelijk? God had hen zo gezegend! God had hen gered. En toch zondigden zij weer. Maar heeft God daar dan nooit genoeg van? Wij zouden er allang een einde aan gemaakt hebben. Als je niet horen wilt, dan moet je maar voelen. Wij zouden de zweep er over gehaald hebben. Zulke grote on­dankbaarheid. Nou, dan moeten ze het zelf maar weten, wij trekken onze han­den er vanaf. Maar God is anders. Hoe is het mogelijk? Je kunt het bont ma­ken, maar hier staat: “Maar Hij, de barmhartige, verzoende de ongerechtigheid en verdierf niet.” Hij had alle reden om te verderven, maar Hij deed het niet. Hij was de barmhartige. Wie zijn wij? Doen wij ook zo als God doet? Willen wij ook het beste voor onze naaste en vooral voor hen die onze vijanden zijn? Die ons het leven zuur maken? Wat staan we toch ver van God af. Nu heeft God zo’n groot geduld met ons, maar wij kunnen door het minste of geringste al uit ons doen zijn. En dan kunnen we tekeergaan. Dan voelen we ons toch verongelijkt! Dan gaan we tekeer tegen de ander!. Dat slaat helemaal nergens op.

God wendde zelfs vele malen zijn toorn af Terwijl Hij zulke grote wonderen gedaan had. En dan worden alle wonderen van Egypte opgesomd. De tien pla­gen voordat de Egyptenaren hen lieten gaan. Tenslotte kwam de engel des ver­derfs en alle eerstgeborenen werden gedood. Dat is God. Machtig! Wat een inzet voor zijn volk. Dan wordt de weg door de zee gebaand en de Egyptena­ren worden verzwolgen. Hij bracht hen in het land, dat Hij aan hun vaderen beloofd had. Hij verdreef de volken voor hen uit. Het was hun erfelijk bezit. Dat was beloofd aan Abraham, Isaäk en Jakob. Daar kon niemand omheen. Dat is vast en zeker. Ook al waren ze er meer dan vierhonderd jaren niet meer geweest; zijn belofte blijft belofte.

Wat een God! Wat Hij zegt dat doet Hij ook. En zo is het vandaag nog. Zijn beloften zijn eeuwig. God heeft Messias Jezus gezonden. Hij heeft zijn leven gegeven als verzoening voor onze zonden. Hij is opgestaan. Hij heeft de Trooster, de Heilige Geest gezonden. Hij komt terug, net zoals Hij gegaan is. Zijn voeten zullen staan in Jeruzalem. Het zal gebeuren. Glorie voor zijn Naam. Heerlijk toch, om zo door de Bijbel te lopen. Het druipt van de beloften en de rechtvaardigheid van God. Daar word je blij van. Dat houd je op de been. Dan kun je er weer tegen. Want God is goed.

Psalm 78:56-72

4 september [2]

78:56

Maar zij verzochten God en waren weerspannig…

78:58

zij tergden Hem door hun hoogten,
wekten Hem tot naijver door hun beelden.

78:60

Hij gaf de woning van Silo prijs,

de tent die Hij onder de mensen had opgeslagen;

78:62

Hij gaf zijn volk prijs aan het zwaard,…

78:64

zijn weduwen weenden niet.

78:65

Toen ontwaakte de Here als een slapende,…

78:66

zijn tegenstanders sloeg Hij van achteren,…

78:67

En Hij versmaadde de tent van Jozef,
en verkoos Efraïms stam niet.

78:68

Maar Hij verkoos de stam van Juda,
de berg Sion, die Hij liefheeft;

78:69

Hij bouwde zijn heiligdom als de hoogste bergen,
als de aarde, die Hij voor altoos grondvestte.

78:70

Hij verkoos David, zijn knecht,
en nam hem weg van de schaapskooien;…

78:71

om Jakob, zijn volk, te weiden,
en Israël, zijn erfdeel.

78:72

Deze weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart,
en leidde hen met kundige hand.

Maar zij verzochten God en werden afvallig. Zij tergden de HERE God. Dan laat God hen ook in de steek. Hij is barmhartig en genadig. Hij wil het goede voor zijn volk. Maar als zij volharden, dan verlaat God hen ook. Dan zullen ze het weten. Ze worden overgelaten aan het zwaard. Hun erfdeel wordt afgeno­men en ze gaan in ballingschap. Ze worden overheerst. Zo is het verkeerd ge­gaan. Dat hebben ze aan zichzelf te wijten. Wij moeten dicht bij Jezus blijven. Dan gaat het goed. Doe je het niet, dan haal je zelf het oordeel over je heen. Daarom moet je onder alle omstandigheden dicht bij Jezus blijven. Niet afval­len. Je ziet wat er hier gebeurt: God verlaat hen, en dan gaat het niet goed. Dan vallen er doden. Dan is er verdriet, dan is er strijd. Dan is er geen vrede meer. Dan heerst de dood.

Maar dan wordt de HERE wakker. Dan is het alsof Hij niet wil dat het volk te gronde gaat. Het is zijn volk en Hij kan niet hebben dat het onderdrukt wordt. Hij kan wel toornig zijn op het volk, maar wee degenen die denken dat ze zijn uitverkoren volk een kopje kleiner moeten maken! De tent van Jozef ver­smaadt Hij en ook Efraïm. Maar Hij verkoos zich Juda, de berg Sion, waar Hij zijn heiligdom bouwde, voor altijd. David verkoos Hij zich als zijn knecht. Hij riep hem vanachter de schapen. Hij werd koning. Hij weidde hen met oprecht­heid van hart, met kundige hand. Hij was door God uitverkoren. Zo is het ge­bleven. Er zal altijd iemand op de troon van zijn vader David zitten. We zullen nog grote dingen meemaken. God is getrouw. Hij volvoert zijn plan. Hij houdt de regie in handen. Glorie voor zijn Naam. God is goed. Schuilen we bij Hem, dan zijn we veilig. Heerlijk toch? Fantastisch! Heerlijk.

Psalm 79:1-13

5 september [2]

79:1

O God, heidenen zijn uw erfdeel binnengedrongen,
zij hebben uw heilige tempel ontwijd,
Jeruzalem tot puinhopen gemaakt.

79:3

Zij hebben hun bloed als water vergoten
rondom Jeruzalem, en er was niemand die begroef.

79:5

Hoe lang nog, o HERE? – Zult Gij voortdurende toornen,…

79:6

Stort uw grimmigheid uit over de volken…

79:7

want zij hebben Jakob verslonden
en zijn woonstede verwoest.

79:8

Reken ons de ongerechtigheid der voorvaderen niet toe,
uw barmhartigheid kome ons haastig tegemoet,…

79:9

Help ons, o God van ons heil,…
…red ons en doe verzoening over onze zonden
om uws naams wil.

79:10

Waarom zouden de heidenen zeggen:
Waar is hun God?

79:11

doe de ten dode gedoemden
overblijven naar de grootheid van uw arm.

79:12

Vergeld… de smaad waarmee zij U bejegenen, o Here.

79:13

Dan zullen wij, uw volk, en de schapen die Gij weidt,
U voor altoos loven,
van geslacht tot geslacht uw roem verkondigen.

Jeruzalem ligt verwoest. De vijand is gekomen. De stad is gevallen. Het bloed vloeit. Het is verschrikkelijk. De mooie stad Jeruzalem. De vijanden hebben het belegerd en de stad is ingenomen. De heidenen hebben de stad van God genomen en verwoest. Dat kan toch niet? Dat is toch te gek! Het is vreselijk. De dichter schreeuwt het uit. O HERE, help ons. O, HERE, red ons. Reken ons de ongerechtigheid van onze vaderen niet toe. Wat heel duidelijk is, is dat God de vijand heeft toegelaten om de stad te nemen. Hij heeft de zonde van zijn volk gezien. Hij heeft profeten gezonden. Hij heeft hen opgeroepen om zich te bekeren. Maar zij willen niet. Ze hebben zelfs de profeten gedood. Ze hebben hoogten opgericht. Ze hebben hun kinderen aan de Moloch geofferd. Ze hebben niet geluisterd. Ze hebben niet gedacht aan grote wonderen die God had gedaan. Hoe Hij hen had gezegend. Daar moesten ze aan vasthouden. God had hun de geboden gegeven om daar vanuit te leven. Ze pleiten nu op zijn barmhartigheid en op zijn Naam. Wat moeten de heidenen wel denken van God! Hij laat zijn eer toch niet roven?! Hij roept of God de heidenen wil ver­nietigen om zijns Naams wil. “Stort uw grimmigheid over de volken.” Want zij weten heel goed dat alleen door verzoening er een weg terug is. Waar zon­de is, moet verzoening plaats vinden. Die verzoening is gekomen door het bloed van het offer van Messias Jezus, de Zoon van God. Dat was ook de eni­ge weg om onze zonden te verzoenen. Hij is gekomen. Hij heeft ons geholpen. Hij heeft ons gered. Want wij zijn in zonde en ellende geboren.

Het gaat om zijn eigen Naams wil. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laten de heidenen zien dat U een God bent die wraak oefent voor zijn kinderen. De volkeren kunnen wel denken dat ze uw volk kunnen vernie­tigen, maar U neemt het niet. HERE, red ons. Vergeld hen, HERE. Het is vre­selijk om in zo’n situatie te zitten. Dan zullen wij, uw volk, en de schapen die Gij weidt, U voor altoos loven, van geslacht tot geslacht uw roem verkondi­gen. Dat is dan te hopen. In de druk lopen de kerken vol. Maar blijft het ook zo? De beloften worden al gauw weer vergeten als het leed geleden is. Maar de bedoelingen zijn goed. Dat is ook voor ons een les. Blijf bij de les. Blijf op God vertrouwen. Want we hebben maar één uitweg en dat is de bescherming van de HERE God. Hij laat ons nooit in de steek. Hij is genadig en barmhar­tig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Daar moeten we op pleiten en daar moeten we in alle omstandigheden bij blijven. Geloofd en geprezen zij zijn Naam.

Psalm 80:1-20

1 oktober [2]

80:2

Herder Israëls, neem ter ore!
Gij, die Jozef leidt als schapen,
Gij, die op de cherubs troont, verschijn in lichtglans.

80:3

Wek uw sterkte op…
…en kom tot onze verlossing.

80:4

O God, herstel ons,
doe uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden.

80:6

Gij hebt hen tranenbrood doen eten,
hen tranen doen drinken in overvloed.

80:9

Gij hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
Gij hebt volken verdreven en hèm geplant.

80:13

Waarom hebt Gij zijn muren doorbroken,
zodat ieder die langs de weg voorbijgaat, er van plukt,…

80:15

O God der heerscharen, keer toch weder,…

en sla acht op deze wijnstok,…

80:18

Uw bescherming zij over de man van uw rechterhand,
over het mensenkind dat Gij U hebt grootgebracht.

80:19

Dan zullen wij niet van U wijken;
maak ons levend, dan zullen wij uw naam aanroepen.

80:20

HERE, God der heerscharen, herstel ons,
Doe uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden.

Ze weten het wel! Het is de sterkte van de HERE die hen kan verlossen. Dat hebben ze in hun geschiedenis telkens weer gezien. Als ze zich bekeerden, dan kwam de sterkte van God en die verloste hen. De vijanden zijn opnieuw geko­men. Ze hebben zich van God afgekeerd. Ze hebben niet geluisterd naar de profeten. Ze hebben hun eigen wegen gevolgd. En nu zitten ze in de druk. Hoe kom je daar nu weer uit? Dat is heel eenvoudig. De eerste stap is dat je moet terugkeren tot de HERE God. Dat weten ze maar al te goed. Het is merkwaar­dig. We weten waar de oplossing ligt. En toch gaat het telkens weer mis omdat we zelf van God afdwalen. Het lijkt wel of dat het normale leven is, en dat we heel goed ons best moeten doen om dicht bij Jezus te blijven. Dat is ook zo. De vijand ligt telkens op de loer om ons in de war te brengen. Wat levensge­vaarlijk is. Daarom moeten we ook dicht bij het Woord van God blijven. Le­zen en lezen. Leven en leven, leren en leren.

Daarom, HERE, wek uw sterkte op om ons te verlossen. Wij kunnen onszelf niet verlossen. Het is de HERE die ons verlost. Heerlijk. HERE, U hebt ons in Egypte als een wijnstok uitgegraven. De volken hebt Gij verdreven en deze wijnstok geplant. Maar nu is de muur van de wijngaard doorbroken en ieder­een die langs komt die steelt ervan en ook de wilde dieren gaan tekeer. Het is een beeld waarin de zware tijd voor Israël wordt uitgebeeld. De roep is dan: O HERE, sla toch acht op deze arme wijnstok. U hebt deze toch groot gebracht? De zoon die U hebt groot gebracht, het is ùw volk, het is ùw wijnstok. U hebt hem zelf geplant. HERE, red dan uw eigen volk, uw eigen zoon. Nu dreigt hij te worden verbrand en uitgeroeid. Maar hef uw hand op en red hem. Dan zul­len wij niet van U wijken. Dan zullen wij uw Naam aanroepen. Als de nood groot is, dan willen we wel de HERE aanroepen. Maar als het ons voor de wind gaat, dan lijkt het alsof we het zelf wel kunnen. Dan nemen we er maar een loopje mee.

HERE, red ons, dan zullen wij uw Naam aanroepen. Als je er goed over na­denkt, slaat het nergens op. Want we moeten de HERE aanroepen in alle om­standigheden van het leven. We hebben geen voorwaardelijk geloof, we heb­ben een geloof waarbij we ons volledig kunnen werpen in de armen van Hem, die weet wat goed voor ons is. Dat kan soms heel moeilijk zijn. Maar dat geeft niet, want niets kan ons scheiden van de liefde van Jezus. En daar gaat het om. Hier zit het volk in de druk en ze beloven God te zullen dienen als Hij hen ver­lost. Als we eerlijk zijn, dan zijn we zelf ook vaak zo dubbel. Dan roepen we tot God om ons te verlossen en dan beloven we Hem met heel ons hart te die­nen. Ik denk dat God dit soort halve beloften heel goed doorheeft. Hij is er zo vaak in teleurgesteld. Hij is er wel blij mee, want het laat toch zien dat er eni­ge vorm is van zonde- en schuldbesef. En dat gaat altijd vooraf aan bekering en vergeving. Geen vergeving zonder belijden van schuld. In dit alles is de HERE genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Ge­lukkig maar, want als het van ons moest komen, dan zou er niet veel van te­recht komen. Deze psalm is dan opnieuw een oproep om dicht bij de Here Jezus te blijven leven, want dan ben je veilig. Dan kan de vijand je niet berei­ken. Dan wil je niets anders dan in liefde en onafhankelijkheid Hem volgen, omdat je zeker weet dat de weg die Hij wijst goed voor je is en veilig naar het eeuwige leven. Heerlijk is dat.

Psalm 81:1-17

2 oktober [2]

81:2

Jubelt Gode, onze sterkte,
juicht ter ere van Jakobs God.

81:4

Blaast de bazuin op de nieuwe maan,
op volle maan voor onze feestdag.

81:5

Want dit is voor Israël een inzetting,
een verordening van Jakobs God.

81:6

Hij stelde het als een getuigenis in Jozef,
toen Hij uittoog tegen het land Egypte.

81:8

in de benauwdheid riept gij en Ik redde u,…

Ik toetste u bij de wateren van Meriba.

81:9

Hoor, mijn volk, Ik wil u vermanen,
o Israël, of gij naar Mij hoordet!

81:10

Geen vreemde god zal onder u zijn,…

81:11

Ik, de HERE, ben uw God,
die u opvoerde uit het land Egypte;
doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen.

81:12

Maar mijn volk luisterde niet naam mijn stem,
Israël was onwillig tegen Mij.

81:13

Daarom liet Ik hen gaan in de verstoktheid huns harten,
zodat zij in hun eigen raadslagen wandelden.

81:14

Och, dat mijn volk naar mij luisterde,
dat Israël in mijn wegen wandelde!

81:15

Welhaast zou Ik hun vijanden vernederen,
en mijn hand tegen hun tegenstanders keren.

Jubelt Gode, onze sterkte. Ja, dat is het normale christelijke leven. Het is één grote jubelzang. Omdat God ons heeft gered. Hij heeft ons gered van de dood. Niet wij hebben ons gered, neen, Hij heeft ons gered. Wij loven en prijzen Hem. Wij krijgen er niet genoeg van. Hij verloste ons uit het diensthuis. Daar worden we blij van. Dan springen we op. Dan kunnen we niet meer zwijgen. Dan willen we de HERE God loven en prijzen. We zien op zijn almacht, zijn grootheid. Dan is er geen haar op ons hoofd die ook nog maar denkt dat wij er zelf ook nog iets aan toe kunnen voegen. Dat neemt de HERE God ook niet. Hij verlost ons. Kijk eens wat voor grote daden Hij heeft gedaan. Wat hadden ze het moeilijk in Egypte en hoe heeft de HERE hen niet verlost. Wat een ze­gen. Wat een grootheid. Daar word je toch blij van? Dan buig je onder de al­macht van God, die in zijn grote genade naar jou heeft omgezien. Dan wordt de bazuin geblazen op de nieuwe maan en op de volle maan voor de feestdag. Want dat doet denken aan hoe de HERE hen uit Egypteland verlost heeft. Ze riepen Hem aan in hun nood en Hij hoorde. Hij antwoordde hen in de verbor­genheid van de donder, en Hij toetste hen aan de wateren van Meriba.

Ja, want zo is het ook wel. De HERE toetst ons keer op keer. Dat moet wel, want op eigen kracht zitten we er zomaar weer naast. De boze probeert steeds ons op zijn wegen te krijgen. Hij fluistert ons van alles in. Het lukt hem ook nog steeds weer. Dat weet de HERE God, daarom toetst Hij onze harten keer op keer. Dat is een genade, want anders zouden we het niet redden. Hij wil ons vasthouden, door ons steeds bij de les te houden. Dat is dan ook heel be­langrijk. Daarom moeten we zijn Woord lezen. Dat is maar niet een hobby, neen, dat is een levensvoorwaarde. Het grootste succes van de tegenstander is dat hij ons van het lezen in de Bijbel afhoudt. Dat zou toch prachtig voor hem zijn, dan ligt de weg open om af te vallen van de waarheid. Want de woorden van God zijn niet een boek, maar een openbaring. God spreekt. Dus je wordt door Hem zelf onderwezen. Dan kan het alleen maar goed komen. Lees je Bijbel, bid elke dag.

Dan is het verlangen van God dat je je vreemde goden wegdoet. Dat je Hem gehoorzaamt. Dat je je mond opendoet, opdat Hij je kan voeden. Weg met al het andere voedsel! En daar zit je huis en je hart vaak vol van. Weg ermee! En ga je wel in eigen wegen, omdat je tegen beter weten in toch je hart verhardt, dan gaat het verkeerd. Dat is logisch. En je kunt alleen maar terugkeren als je je hart verzacht en weer gaat erkennen, dat alleen de wegen met de HERE God de goede kant uitgaan. Het zou verschrikkelijk zijn als je op het verkeerde been staat en dan toch veinzend de HERE God dient. Dat is een gruwel. Neen, het gaat erom dat je je onvoorwaardelijk overgeeft aan de HERE God. Dan kan er alleen maar zegen volgen. En je hebt een eeuwige vreugde en vrede die alle verstand te boven gaat. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Psalm 82:1-8

3 oktober [2]

82:1

Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering der goden,
Hij houdt gericht te midden der goden.

82:2

Hoe lang zult gij onrechtvaardig richten,
en de goddeloze gunst bewijzen?

82:3

Richt de geringe en de wees,
doet recht de ellendige en behoeftige,

82:4

bevrijdt de geringe en de arme,

redt hem uit der goddelozen hand.

82:5

Zij weten niets en begrijpen niets,
in duisternis wandelen zij rond;
alle grondvesten der aarde wankelen.

82:6

Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden,
ja, allen zonen des Allerhoogsten;

82:7

nochtans zult gij sterven als mensen,
als een der vorsten zult gij vallen.

82:8

Sta op, o God, richt de aarde,
want Gij bezit alle volken.

Hier staat het toch. “Richt de geringe en de wees, doet recht de ellendige en de behoeftige, bevrijdt de geringe en de arme, redt hem uit der goddelozen hand.” Alle grondvesten der aarde wankelen. Wat een armoede, wat een behoeftigen. Wat een weduwen en een wezen. Wat kan het tekeergaan. Wat moeten we er­mee. Het is toch verschrikkelijk als we zien dat miljarden mensen in armoede leven! Als we zien dat weduwen en wezen over de hele wereld in de druk le­ven! En dat terwijl Gods gebod juist was om op te komen voor hen die in de druk leven. De behoeftigen. En wij laten de boel de boel maar. Wij zitten ons eerst zelf te spekken en dan willen we nog wel eens iets doen voor de anderen. Het is verschrikkelijk. Hoe halen we het in ons hoofd? Het is benauwd om te zien. Het is goddeloos. Het heeft niets met God te maken.

God staat hier te midden van de goden. Hij spreekt recht. Ze weten het alle­maal. Maar ze wandelen in duisternis rond. De grondvesten der aarde wanke­len. Als God spreekt zwijgt de schepping. God spreekt. Hoe lang nog, HERE, zult Gij de ongerechtigheid dulden? Het water stijgt tot aan de lippen. Wij hebben er een rotzooi van gemaakt. Wij hebben niet ingegrepen, daar waar we de arme en de nooddruftige konden helpen. We geven een fooi aan de armen. We doen niet wat we moeten doen. We moeten delen van wat we hebben, maar we potten op en laten de arme alleen staan.

Alle mensen zijn zonen van de Allerhoogste. Want we zijn allemaal gescha­pen door God. We kunnen tot de machtigen, de vorsten, behoren, maar we zullen allen sterven. Daarom, HERE God, sta op. Richt de aarde, want Gij bezit alle volken. Het grote probleem is dat wij ook half in de duisternis wan­delen. We zien het vanuit ons eigen beperkte denken. We zien het vanuit onze eigen welvaart. Natuurlijk willen we wel delen, maar we willen niet geven van wat we hebben. Het is hebben, houden en bewaren en dan misschien nog wel een beetje delen. Daar gaan we aan kapot. Daar rust het oordeel van God op. Is er een uitweg? Ja, er is een weg uit. Beginnen met omzien naar weduwe en wees en de vreemdeling in de poort. Dan zullen we ervaren dat er zegen is. Dan hoort God en dan zal Hij vanuit de hoge helpen en dan zal er vrede en welvaart zijn.

HERE, hoor. HERE, kom. HERE, richt. Want de wereld gaat ten onder aan de druk van de goddelozen. Zij weten niets en zij begrijpen niets. Ze wandelen alleen maar in duisternis rond. Maar Gij, HERE, hebt alle wijsheid en kracht. Gij richt de aarde. U behoort alles toe. U weet hoe het moet. U geeft ons wijs­heid en kracht. Dank U, HERE, voor zoveel geduld met ons. Maar haasten moeten we ons, want U staat om te komen om een einde te maken aan de wer­ken der duisternis en om uw Koninkrijk van recht en gerechtigheid te grond­vesten. Glorie voor uw Naam.

Psalm 83:1-19

4 oktober [2]

83:2

O God, houd U niet stil,
zwijg niet en blijf niet werkeloos, o God.

83:5

Zij zeggen: Komt, laten wij hen als volk verdelgen,
zodat aan de naam van Israël niet meer wordt gedacht.

83:6

Want zij hebben… tegen U een verbond gesloten:…

83:9

zelfs Assur heeft zich bij hen gevoegd,…

83:14

Mijn God, maak hen als een werveldistel,
als kaf voor de wind.

83:16

vervolg hen zó met uw storm,…

83:17

opdat zij uw naam zoeken, o HERE.

83:19

opdat zij weten, dat alleen uw naam is: HERE,
de Allerhoogste over de ganse aarde.

Het antisemitisme heerst. Alle volken rondom hebben besloten om een einde aan Israël te maken. Ze hebben besloten tot totale vernietiging. Weg van de aardbodem. HERE, ziet U dat dan niet? HERE, zwijg niet stil, maar treed op. Het water staat tot aan de lippen. HERE, help! Wat een dreiging van rondom. Hun roep klinkt tot in de hemel. Wat een dreiging. Je zult maar van alle kan­ten rondom in de druk zitten. Het lijkt uit het leven gegrepen. Want hoe her­kenbaar is dit niet voor het volk. Hoe vaak zijn ze niet bedreigd in hun be­staan? Hoe zijn ze steeds van alle kanten aangevallen? Hun bestaan is een aan­eenrijging van dreigingen van vijandige buren. Het lijkt wel het normale pa­troon voor het volk van God. Als ze dachten het even rustig te hebben, dan waren er weer opnieuw de vijanden die een plan maakten om hen te vernieti­gen of over hen te heersen.

Hoe hebben ze ook niet gezondigd? De koning deed wat kwaad is in de ogen des HEREN en het volk volgde. Het klonk keer op keer. Er was geen einde aan. Wat een afgodendienst. Dan stuurde de HERE ook de vijanden. Dan was er oorlog en verdrukking. Zelfs als broedervolken streden ze tegen elkaar. Wat kan de zonde toch ernstige gevolgen hebben. Ze hebben de afgoden gediend. Ze hebben de HERE niet gevolgd, maar de dood en de afgoden. De duivel gaat tekeer als een briesende leeuw. God kiest zich een volk uit waarlangs Hij de verlossing wil geven, maar de duivel doet alles om daar een einde aan te bren­gen. Hij gaat tekeer. Hij neemt het niet. Hij verdrukt hen. Dan roept het volk tot de HERE. Want het blijft, zoals het keer op keer wordt gezegd: Maar als mijn volk tot mij roept en zich bekeert, dan zal Ik horen en hen verlossen uit de macht en de bedreiging van de vijand. God is genadig en barmhartig, lank­moedig en groot van goedertierenheid. Hij heeft geen lust over de dood van de zondaar, maar veeleer dat hij zich bekere. Dan roepen ze aan en noemen de heldhaftige daden van de HERE God. Hoe Hij hen eerder verloste van de drei­ging van de tegenstanders. Zoals Sisera en Jabin aan de beek Kison. Die had­den ook het plan om de woonstede Gods in bezit te nemen. Maar ze kwamen bedrogen uit. Ze moesten het afleggen tegen de HERE God. En wie niet? Want de HERE God is machtig en onoverwinnelijk. Als Hij spreekt dan ge­beurt het. En niets anders. Toen en vandaag. En altijd.

God, verdelg uw vijanden. Maak hen als kaf voor de wind, als een werveldis­tel. Vervolg hen met uw storm. Opdat zij uw Naam zoeken. Want het gaat er uiteindelijk om dat de volken zullen moeten erkennen dat de HERE God is. Hij laat niet met zich spotten. Hij wil geëerd worden. Als er mensen zijn die denken dat de HERE God niet bestaat, dan komen ze bedrogen uit. Hij is er en Hij zal zich roeren. Hij troont in de hoge hemel, maar Hij is er elke dag, heel dicht bij. In ieders hart wil Hij wonen, maar Hij neemt het niet als ze Hem afwijzen. Hij zal ieder mens oordelen. En ieder zal moeten erkennen dat de HERE God is. Daarom is het belangrijk dat we niet stil zijn, maar zijn Naam proclameren temidden van de volken. De HERE is groot. We roepen U aan. HERE, red ons land van de ondergang. Red ons en doe ons zien dat we op U moeten vertrouwen en op niemand anders.

Psalm 84:1-13

5 oktober [2]

84:2

Hoe liefelijk zijn uw woningen, o HERE der heerscharen!

84:3

Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des HEREN;…

84:6

Welzalig de mensen wier sterkte in U is,
in wier hart de gebaande wegen zijn.

84:8

Zij gaan voort van kracht tot kracht
en verschijnen voor God in Sion.

84:9

HERE, God der heerscharen, hoor mijn gebed,
neem het ter ore, o God van Jakob!

84:11

ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods
dan verblijven in de tenten der goddeloosheid.

84:12

Want de HERE God is een zon en schild,
de HERE geeft genade en ere;
het goede onthoudt Hij niet aan hen
die onberispelijk wandelen.

84:13

HERE der heerscharen,
welzalig de mens die op U vertrouwt.

Wat een psalm. Wat een blijdschap. Wat een zekerheid. Een richtingaanwij­zer. Deze weg moet je gaan. Dan kom je goed uit. Niet links en niet rechts. Wat een zegen. Dank u, HERE voor al uw goede gunstbewijzen. Want U bent de HERE God. Daar wil ik wonen. Daar wil ik heen. Uw tempel. Zelfs de mus vindt daar een huis, de zwaluw zijn nest. Daar ben ik jaloers op. Zo dicht bij God wonen. Daar wil ik ook zijn. Het gaat er om dat we in uw wegen wande­len. Welzalig de man wier sterkte in U is, in wier hart de gebaande wegen zijn. En daar gaat het om. Wat is in je hart? De gebaande wegen. Wij gaan op stap. We mogen wandelen in de gebaande wegen, die God in ons hart legt. Wij we­ten zo vaak niet waar we moeten wandelen, maar God weet de wegen door de­ze wildernis. We weten hoe we moeten optrekken. De HERE is God. Heerlijk toch, om achter God aan te gaan. Hij heeft de wegen gebaand.

Ook al legt de vijand aan, ook al ga je door een dal waar haast niet door te ko­men is, we maken het tot een oord van bronnen waar weer leven ontstaat. We laten ons niet van de wijs brengen. We gaan voort van kracht tot kracht en ver­schijnen voor God in Sion. Heerlijk toch. HERE, hoor dan naar mijn gebed. Neem mijn smeking ter ore. O God, mijn schild. Ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods dan verblijven in de tenten der goddeloos­heid. Dat is geloofstaal. HERE, laat mij niet los. Ik wil bij U blijven met al mijn lek en gebrek. Want ik heb U nodig. HERE, help mij. Ik wil op de drem­pel van uw tent zijn, als ik maar niet in de tenten der goddelozen ben. Daar wil ik verre van blijven. Daar wil ik radicaal tegen in gaan. HERE, help mij, hoor naar mijn smekingen, want de dreigingen proberen ook mij te overvallen. Maar U steunt mij. U laat mij niet los. U wilt mij redden. Dank U wel, HERE, voor uw grote liefde. HERE, ik loof en prijs uw Naam. Dank U wel. U bent een zon en schild. U geeft genade en ere. U onthoudt ons het goede niet. HERE der heerscharen, welzalig is de mens die op U vertrouwt.

Deze psalm moeten we boven onze deur hangen. Daar moeten we ons aan vastklampen. Daar kun je weer mee verder. Daar put je kracht uit. Want ons eigen denken en doen brengt ons zo vaak in de put, naar beneden en drukt ons neer. Want we twijfelen zo vaak aan onszelf. Wie ben ik? Wat kom ik toch te kort! We hebben zo vaak een minderwaardigheidscomplex; de een om dit en de ander om dat. Maar de HERE richt ons op. Hij ziet ons hart aan. Het gaat niet om ons uiterlijk of om wat de mensen zeggen. Het gaat er zelfs niet om wat we allemaal meegemaakt hebben, want we hebben allemaal pijn in ons leven. De één heeft een slechte jeugd gehad, de ander kampt met een afwij­king, weer een ander ziet zichzelf niet zitten, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Als we elkaar zo bekijken, dan zijn we ook een samengeraapt zooitje. Want wat is het vaak een toestand, en over iedereen en alles hebben we wat te zeg­gen. Vaak zit daar ook een kern van waarheid in. Maar dan stijgt deze psalm daar hemelhoog bovenuit. Het is alsof God roept en schreeuwt en zegt: Men­sen, mensen, kijk deze kant op. Ik leg mijn gebaande wegen in je hart. Ik weet het allemaal heel goed, hoe de vijand tekeergaat en probeert je met al je lek en gebrek te roven uit mijn liefde en vrede. Maar kijk nou toch eens: Ik heb je gered uit de klauwen van de boze, hij heeft het afgelegd tegen mijn kracht op het kruis van Golgotha. Mijn bloed vloeide voor jouw zonden en tekortkomin­gen. En kijk eens wat Hij doet: Hij reikt je de hand. Kom met Mij mee. Zie mijn striemen. Houd je oog op Mij gericht, dan gaat het goed. Doen, doen, doen en nog eens doen! Want voor je het weet, laat je je weer meeslepen door de tegenstander. Blijf in het huis van God. Daar ben je veilig tegen de stormen om je heen en in je hoofd. Jij bent uitverkoren als een schepsel van God, zoals je bent. God heeft je niet gemaakt zoals jij denkt dat je zou moeten zijn, wat denk je wel! Ben jij de pottenbakker of is Hij het? Stuk eigenwijs! HERE der heerscharen, welzalig de mens die op U vertrouwt.

Zij trekken voort van kracht tot kracht en verschijnen voor God in Sion. Heer­lijk! Wat een tocht door het leven. Van kracht tot kracht. We staan versteld van onszelf. Dank U, HERE. Dank U, HERE. We gaan van kracht tot kracht voort. We loven en we prijzen uw heilige Naam. We zijn gekocht en betaald door het bloed van Jezus. En Hij geeft kracht. Wij moeten gewoon maar gaan. Wie of waar je ook bent, wat je ook aan teleurstellingen en slagen in je leven hebt meegemaakt. Je bent gered ondanks jezelf en alles wat je overkomen is. Hij is de heelmeester. Hij maakt je volkomen. Straks zullen we het ten volle zien op weg naar Sion. Ik kan er niet over ophouden. Het is weer het Woord van God dat ons uittrekt boven ons eigen redeneren en wegzakken. Ik lees de Bijbel niet, maar het Woord van God leest mij. Want alle zegen komt van boven. We hoeven het alleen maar op te vangen als een milde regen die ons overdekt. Het is ook een prachtige psalm om te zingen. Ik stop nu maar.

Psalm 85:1-14

6 oktober [2]

85:1

Voor de koorleider. Van de Korachieten. Een psalm.

85:2

Gij zijt uw land goedgunstig geweest, o HERE,
in het lot van Jakob hebt Gij een keer gebracht;

85:3

Gij hebt de ongerechtigheid van uw volk vergeven,
al hun zonden bedekt.

85:4

Gij hebt weggedaan al uw verbolgenheid,
U afgewend van uw brandende toorn.

85:5

Herstel ons, o God van ons heil,
doe teniet uw afkeer van ons!

85:6

Zult Gij voor altoos tegen ons toornen,
uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

85:7

Zult Gij ons niet doen herleven,
opdat uw volk zich in U verheuge?

85:8

O HERE, toon ons uw goedertierenheid,
en schenk ons uw heil!

85:9

Ik wil horen wat God, de HERE, spreekt;
want Hij zal van vrede spreken
tot zijn volk en tot zijn gunstgenoten;
maar laten zij niet terugkeren tot dwaasheid.

85:10

Waarlijk, zijn heil is nabij hen die Hem vrezen,
zodat heerlijkheid in ons land woont.

85:11

Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander,
gerechtigheid en vrede kussen elkaar,

85:12

trouw spruit voort uit de aarde,
en gerechtigheid ziet neder van de hemel.

85:13

Ook zal de HERE het goede geven,
en ons land zal zijn gewas voortbrengen;

85:14

gerechtigheid zal voor Hem uitgaan
en zijn schreden richten op de weg

Wat een zegen. De HERE hoort. De HERE vergeeft. Hij wil ons goedgunstig zijn. Hij hoort naar het gebed van zijn kinderen. Hij wil het heil schenken. Hij is goedertieren. Hij laat je nooit in de steek. Hij is altijd dicht bij je. Hij wil ons herstellen. God wil ons zijn goedertierenheid laten zien. God wil dat we ons afkeren van de zonde. Hij is niet een God van toorn, maar van barmhartig­heid. Hij wil ons leiden op zijn wegen. Hij lijdt onder de zonde. Hij weet hoe krachtig de zonde in het leven kan zijn. Hij voert zelf de strijd als Koning der koningen met de grote veroorzaker van al het kwaad, de duivel. Het is een strijd op leven en dood. Want Hij is de God van het leven, en de dood zit ons steeds op de hielen. Het lijden in de wereld komt ons elke dag tegemoet. Soms heel dichtbij, soms wat verder weg. Maar het is er overstelpend, elke dag, als we maar even om ons heen zien. Het is een permanente strijd in ons lichaam, zowel fysiek als in onze geest. Als we het goede willen doen is het kwade ons nabij. O HERE, help ons. Red ons uit de banden van de boze. En die redding is er. Want de dood is overwonnen. Het kruis heeft gestaan. Het leven is ge­schonken. De zonden zijn verzoend. Er is genade. Er is een toekomst, die vast en zeker is. We zijn burgers van dat hemels Koninkrijk van recht en gerechtig­heid. Want Hij spreekt ons van vrede. Hij spreekt ons van recht en gerechtig­heid. Zijn heil is nabij voor hen die Hem vrezen. Wat zullen we anders verlan­gen dan die goedertierenheid en trouw te ontmoeten, waar gerechtigheid en vrede elkaar kussen. De HERE zal het goede geven, en ons land zal zijn gewas geven, gerechtigheid zal voor Hem uitgaan en zijn schreden richten op de weg. Is het geen grote genade om te mogen weten dat we door zijn grote liefde dwars door leven en dood heen getrokken worden op de weg van het eeuwige heil? Dan ervaar je blijdschap door tranen en droefheid heen. Dan is het Le­ven een feest omdat Leven met een hoofdletter geschreven wordt. Een bemoe­diging voor allen die strijd hebben aan het leven met een kleine letter “l”.

Psalm 86: 1-17

7 oktober [2]

86:1

Neig uw oor, o HERE, antwoord mij,
want ik ben ellendig en arm;…

86:3

Wees mij genadig, o Here,
want tot U roep ik de ganse dag.

86:4

want tot U Here, hef ik mijn ziel op.

86:5

Want Gij, o Here, zijt goed en gaarne vergevend,
rijk in goedertierenheid voor allen die U aanroepen.

86:9

Alle volken, die Gij gemaakt hebt, zullen komen
en zich voor U nederbuigen, o Here,…

86:11

Leer mij, HERE, uw weg,
opdat ik in uw waarheid wandele;…

86:12

Ik zal U loven, Here, mijn God, met mijn ganse hart,
en uw naam eren voor altoos;…

86:13

Gij toch hebt mijn ziel gered uit het zeer diepe dodenrijk.

86:14

een bende van geweldenaars staat mij naar het leven,…

86:17

Doe aan mij een teken ten goede,
opdat mijn haters het zien en beschaamd staan,
wanneer Gij, HERE, mij geholpen en getroost hebt.

Je kunt het benauwd hebben. De afvalligen kunnen ontzettend tekeergaan tegen de kinderen van God. Van alle kanten kunnen ze je in het nauw drijven. Maar de HERE is groot en goed en goedertieren. Hij wil graag vergeven als de bekering daar is. Hij wil niet de dood van de mensen, maar het leven. Wees mij genadig, o HERE, red mij. Want onder de goden is er niemand gelijk aan U. U bent almachtig. U spreekt en het is er. U bent groot in wonderen. Tegen U is niemand bestand. Leer mij uw weg, o HERE, opdat ik wandele in uw wegen. Alle volken die Gij gemaakt hebt zullen zich voor U nederbuigen. Ze kunnen nu wel tekeergaan alsof ze de macht hebben en uw grote daden teniet kunnen doen, maar U bent de grote God. U zult hen neerbuigen. Ze zullen moeten erkennen dat U God bent. U regeert het grote wereldgebeuren. Het kan niet stuk. U bent machtig, almachtig. Wij willen ons voor U buigen en U eren en loven en prijzen. HERE, help mij om op uw wegen te wandelen en niet links en niet rechts te kijken, maar achter U aan. Dank U, HERE, voor uw gro­te liefde voor mij. Dat ik ondanks mij zelf en mijn smekingen mij wil neder­buigen voor U, de Almachtige. Uw goedertierenheid is groot. U hebt mijn ziel gered uit het zeer diepe dodenrijk.

O HERE, de vijanden hebben zich tegen mij opgemaakt. Maar HERE, U bent groot. Help mij. Doe mij een teken ten goede. Verlos mij, opdat mijn haters beschaamd staan. Het gaat om de eer van God. God is de grootste. Er is nie­mand anders dan God. En de wereld zal het zien. Maar, HERE, laat het ook nu zien. We hebben U nodig, ook om ons te redden van de tegenstander. Maar ten diepste gaat het erom dat de tegenstanders zien dat Gij de HERE God zijt, die niet met zich laat spotten. HERE, red mij. HERE, dank U wel voor uw liefde, barmhartigheid en trouw. Want dat is het wezen van U. U wilt dat de mensen leven en dat de vijanden ook tot erkentenis der waarheid komen. Daar gaat het om. Daarom mogen we uw Naam loven en prijzen. Daarom mogen we U prij­zen en temidden van de afval en de verloedering elkaar oproepen en enthou­siast maken om met die blijde boodschap de straat op te gaan. HERE, dank U wel. We zijn enthousiast over die grote liefde. HERE, help ons om op te staan en uw weg te gaan. Dank U wel, HERE. We kunnen er weer tegen. Niet alleen als het rustig is, maar ook als het stormt. Want U hoort altijd naar de stem van hen die om U roepen.

Psalm 87:1-7

8 oktober [2]

87:1

Van de Korachieten. Een psalm. Een lied.
Zijn stichting ligt op heilige bergen;

87:2

de HERE heeft Sions poorten lief
boven alle woningen van Jakob.

87:3

Heerlijke dingen zijn van u te zeggen,
o gij stad Gods!

87:4

Rahab en Babel vermeld Ik als degenen die Mij kennen;
zie, Filestea en Tyrus met Ethiopië;
deze is daar geboren.

87:5

Ja, van Sion wordt gezegd:
Ieder van hen is in haar geboren,
Hij, de Allerhoogste, bevestigt haar.

87:6

De HERE telt bij het opschrijven der volken:
deze is daar geboren.

87:7

En zij zingen bij reidans:
Al mijn bronnen zijn in u!

Een prachtige psalm. Het is een loflied op Sion. Dat is de stad van God. God wil daar wonen. Hij heeft deze stad uitverkoren om voor eeuwig te wonen. Op heilige bergen gesticht. God heeft Sion lief. Heerlijke dingen zijn van deze stad te zeggen. Je kunt er wel voor altijd over zingen. Vol van zijn. Het is Gods stad. Het is geen stad van mensen. Het is een stad waar je door God bent geboren. Het is zijn uitverkoren volk. En de volkeren kennen deze stad. Alles is gericht op Jeruzalem. De hele wereld richt zijn blik op Jeruzalem. Er is geen andere stad waar alles zich meer op concentreert dan op Jeruzalem. Dat zag je toen, dat zie je vandaag en dat zul je zien in eeuwigheid. De volken mogen woeden en tekeergaan. Maar telkens weer zullen we ontdekken, dat het de HERE God is, die alle aandacht op Zich richt. Hij zal regeren vanuit deze stad. Hij zal de volken richten. Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. Hij zal hen helpen om te erkennen dat de HERE God is. Wat een toekomst.

Dan zal de wet van Jeruzalem uitgaan. Alle volken zullen jaarlijks komen. Ga maar eens een wandeling maken door de Bijbel om te zien hoe Jeruzalem heerlijk gloort boven al het geweld der volken. En ook hoe Jeruzalem lijdt, als het zich van de HERE afkeert. Dan komt het oordeel. Dan zien we het lijden van het volk. Dan worden ze gekastijd. Hoe vallen ze niet steeds af. Het is toch verschrikkelijk. Ook nu leven ze in zonde. Ze hebben hun God verlaten. Ze hebben zich niet bekeerd. Dat is de tragiek van dit volk. Daar krijgen ze hun trekken van thuis. De tragiek is, dat als wij denken daar aan mee te moe­ten helpen, wij ons deerlijk zullen verwonden. Want God neemt het niet, dat, terwijl Hij vertoornd is, wij er nog een schepje bovenop denken te moeten doen. Wat denken we wel!? Wij God een handje helpen? Wat een verbeel­ding. En zijn oogappel aanraken. Dat neemt Hij niet. Vreselijk te vallen in de toorn van God! God zal Jeruzalem bevestigen. Hij is verheugd als Hij aan Je­ruzalem denkt. Alle bronnen zijn uit Jeruzalem. We zijn uit Jeruzalem gebo­ren. Er komt geen einde aan. De volkeren kunnen woeden. Maar Gods ver­bond houdt eeuwig stand. Want het is zijn Woord.

Ze kunnen over de gehele aarde verstrooid zijn, maar zij zullen er toch zijn. Want God laat ze niet los, maar zal ze trekken met de koorden van zijn liefde en ze weer terugbrengen in zijn land. Dat is verbondstaal. Daar kun je niet on­deruit. Heerlijk om daar mee bezig te zijn. Deze psalm kun je wel uitjubelen. HERE dank U wel, dat ik vanmorgen met deze psalm de dag in kan. HERE, stort uw kracht uit in al mijn geliefden. Laten we ons verheugen en vrolijk zijn, want we horen uw jubelende stem en uw voeten die bereid zijn om uw koninkrijk van recht en gerechtigheid voor eeuwig te vestigen in Jeruzalem. Glorie voor uw Naam.

Psalm 88:1-10

9 oktober [2]

88:2

HERE, God van mijn heil, des daags roep ik,
des nachts ben ik vóór uw ogen.

88:3

Laat mijn gebed voor uw aangezicht komen,
neig uw oor tot mijn geroep.

88:4

mijn leven is het dodenrijk nabij.

88:6

gelijk verslagenen die in het graf liggen,…
…en die aan uw hand ontrukt zijn.

88:8

door al uw baren drukt Gij mij neder.

88:10

dagelijks roep ik U aan, o HERE,
ik breid mijn handen naar U uit.

Ja, de HERE is de God van zijn heil. Dat weet de psalmdichter zeker. Hij laat God niet los. Hij weet dat het van Hem moet komen. Hij beschuldigt God niet. Hij roept Hem aan. Hij weet dat alles van Hem moet komen. Waar moet het anders vandaan komen? Hij is diep neergedaald in het dodenrijk. Hij weet dat sterven de enige weg is van zijn ziekte. Hij is al in het dodenrijk. Ook zijn om­geving denkt dat het wel snel gebeurd zal zijn. Het enige wat hij nog kan doen is roepen tot de HERE God. God is degene die alles kan veranderen. Wat de mensen denken dat niet meer te redden is, dat redt de HERE God. God is de Redder, dwars door de dood heen. God is de God van leven. Hij wil de dood van de zondaar niet. Hij wil aangeroepen worden. Hij hoort het smeken van zijn kinderen. Hij is dichtbij hen die lijden aan de dood, die het alleen nog maar van Hem kunnen verwachten.

Kijk nu toch eens naar deze doodzieke. Hij weet dat hij daar ligt voor Gods ogen. Hij weet dat zijn hulp van Hem moet komen. Waar moet het anders vandaan komen? Dat is geloofstaal. Dat is kracht. Hij ervaart ook dat God het heeft toegelaten. Want anders was het niet zover gekomen. God heeft er kennelijk een reden mee, hoe moeilijk het ook is om dat te zien, juist als je in de nood, dicht bij de dood bent. Mijn oog kwijnt van ellende, dagelijks roep ik U aan, o HERE, ik breid mijn handen naar U uit. HERE red!

Psalm 88:11-19

10 oktober [2]

88:11

Zult Gij aan de doden een wonder doen;…

88:13

uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

88:15

Waarom, o HERE, verstoot Gij mij,…

88:17

uw verschrikkingen vernietigen mij;…

88:19

Vriend en metgezel hebt Gij van mij verwijderd;
mijn bekenden zijn een en al duisternis.

Ja, als je zo dicht bij het dodenrijk bent, dan roep je het uit. Zou er dan in het dodenrijk een wonder gebeuren? Dat kan toch niet? Moet ik eerst dood zijn om de genade te ervaren? Dat kan toch niet? HERE, ik smeek tot U. Hoor mijn gebed. Ik lijd heel mijn leven de zwaarste pijnen. Ik zie het niet meer zit­ten. Maar ik blijf U aanroepen, want U bent de God van mijn heil, ook al zie ik er niets van in mijn eigen ten dode toe lijdend lichaam. Maar, HERE God, houd mij vast. Dank U wel dat U dat doet, telkens weer. Waarom, o HERE, verstoot Gij mij? Het lijkt erop dat U er niet bent. Ik ben verstoten. Red mij toch. Ik roep tot U. Mijn gebed komt elke morgen tot U. Hoor naar mijn ge­bed. Mijn pijnen zijn niet meer te dragen. Ik blijf op U hopen en op U vertrou­wen, HERE God van mijn heil. Laat uw aangezicht aan mij zien, HERE. Ik weet, dat U dat kunt en dat U er bent en dat we de overwinning hebben in Jezus Christus. Maar op aarde kunnen we verschrikkelijk lijden. En tenslotte is het zo dat alle mensen moeten sterven. Alle mensen hebben een ziekbed. De één meer en de ander minder. Maar God hoort het gebed. Hij weet van al het lijden, want Hij leed zelf het meest. Er stond een kruis op Golgotha. Daar is ons heil te verkrijgen. Om niet, enkel uit genade. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Dan kan het in het leven stormen, maar het Woord is telkens weer een ankerpunt voor de ziel. Heerlijk om te verblijven in de schuilplaats van de Allerhoogste. Daar ben je veilig. Daar kun je mee verder.

Psalm 89:1-19

11 oktober [2]

89:2

Van de gunstbewijzen des HEREN wil ik altijd zingen,…

89:3

in de hemel bevestigt Gij uw trouw.

89:4

aan mijn knecht David heb Ik gezworen:

89:5

Voor altoos zal Ik uw nakroost bevestigen,
en uw troon bouwen van geslacht tot geslacht.

89:9

wie is als Gij grootmachtig, o HERE,
en uw trouw is rondom U.

89:10

Gij heerst over de overmoed der zee;
als haar golven zich verheffen, stilt Gij ze.

89:12

Uwer is de hemel, uwer is ook de aarde;
de wereld en haar volheid, Gij hebt ze gegrond,

89:15

gerechtigheid en recht zijn de grondslag van uw troon,
goedertierenheid en trouw gaan voor uw aangezicht henen.

89:16

Welzalig het volk dat de jubelroep kent,
zij wandelen, HERE, in het licht van uw aanschijn;…

89:19

want van de HERE is ons schild,
van de Heilige Israëls onze koning.

Daar kun je ook altijd van zingen. Daar kun je ook altijd bij blijven. Daar wil je dan ook over spreken. Want het is goed om dicht bij God te leven. Daar moet je nooit bij weg lopen. Wat een zekerheid, wat een belofte! De dichter weet het allemaal heel goed. Het staat zo vast als een huis. God heeft een eeu­wig verbond met zijn knecht David gesloten. Hij zal zijn troon bevestigen tot in eeuwigheid. Dat is een zekerheid. Daar kun je op bouwen. Want wat God zegt, dat zal Hij ook doen. Daar hoef je nooit aan te twijfelen. Daarom kunnen we Hem loven en prijzen. Van geslacht tot geslacht. God is goed. Wat een zegen. Wat een blijdschap. God is goed. God is grootmachtig. Wie is als God gelijk? Er is niemand boven God. God is almachtig. Hij heerst over de schep­ping en het heelal. Hij heerst over de zee. Als Hij spreekt, dan stillen de gol­ven van de onstuimige zee. En ook als Hij spreekt, dan komen de golven aan­zetten met een ontembare kracht. Niet te stuiten.

Nou, dat hebben we geweten door de eeuwen heen, ook in ons eigen land. God is oppermachtig. Wat heeft Hij ons allemaal te zeggen? Er gaat niets voorbij of er is een bedoeling mee. Gerechtigheid en recht zijn de grondslag van uw troon, goedertierenheid en trouw gaan voor uw aangezicht uit. Dat is God. Dus als we aan God denken, dan moeten de woorden goedertierenheid en trouw ons meteen te binnen schieten. En recht en gerechtigheid. Want dat be­hoort tot het wezen van God. God is niet de wrekende God, de oordelende God. God is een God van goedertierenheid en trouw, van recht en gerechtig­heid. Wij, als nietige mensenkinderen, komen daar niet aan toe. Want er zit zoveel ontrouw in onszelf, zoveel onrecht, zoveel ongerechtigheid. Om over goedertierenheid maar niet te spreken, want daar komen we nauwelijks aan toe. Wat een toestand. Wat een zonde. Hoe hebben we die God niet nodig om ons op het juiste spoor te houden.

David is zijn vriend. Met David trekt Hij verder, dwars door de tijd heen, om zijn troon voor eeuwig te bevestigen. Was dat gemakkelijk? Lees het leven van David maar eens, dan zul je het wel zien. Hoe moest hij niet op de vlucht! Hoe was zijn leven niet in gevaar door Saul! Wat een strijd. Wat een toestand. En was David niet zondig? Denk maar aan Bathseba. Dat kwam hem duur te staan. Dat kostte hem zijn eigen kind. Vreselijk! Wat een tragiek. Maar God is goed. Hij regeert het grote wereldgebeuren. God weet het allemaal en Hij houdt ons recht en gerechtigheid voor. Blijf dan dicht bij God. Want van de HERE is ons schild, van de Heilige Israëls onze koning. Dank U, HERE. Dank U, HERE. Het is weer goed. We kunnen er weer tegen. We gaan met U steeds voort. We zien het helemaal zitten. Want waar kunnen we beter bij schuilen, beter mee strijden, dan met trouw, liefde, recht en gerechtigheid, goedertieren­heid, enzovoort, enzovoort: met onze God en Vader die ons nooit in de steek laat?

Psalm 89:20-38

12 oktober [2]

89:21

Ik heb David, mijn knecht, gevonden,
met mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;…

89:23

geen vijand zal hem overvallen,
geen booswicht zal hem verdrukken;…

89:24

wie hem haten, zal Ik verslaan.

89:26

ook zal Ik zijn hand leggen op de zee,
en zijn rechterhand op de stromen.

89:27

Hij zal tot Mij zeggen: Gij zijt mijn Vader,
mijn God en de rots van mijn heil.

89:29

en mijn verbond zal voor hem vast blijven;

89:30

zijn nakroost zal Ik voor immer doen voortbestaan,
en zijn troon als de dagen des hemels.

89:31

Indien zijn zonen mijn wet verlaten,…

89:33

dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken,…

89:35

mijn verbond zal Ik niet ontwijden,
noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is.

89:37

Zijn nakroost zal voor altoos bestaan,…

Het wordt in alle toonaarden herhaald. God heeft zijn knecht David gevonden. Hij heeft met hem een verbond gesloten. Hij zal voor altijd op de troon zitten. Zijn nakroost zal vast staan. Hij zal de tegenstanders van David en zijn na­kroost met de roede slaan. Hij zal hem helpen in de strijd tegen de vijanden. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Heb je ooit hoeven twijfelen aan wat God gezegd heeft? Heeft God ooit iets niet gedaan wat Hij geprofeteerd had? Zoek het maar na: God blijft bij zijn Woord. Als Hij gezegd heeft, dat Hij David heeft uitverkoren en zijn troon bevestigd zal blijven tot in eeuwigheid, dan is dat zo. Daar moet je dan ook niet aan twijfelen. Want dan twijfel je aan God. En als je aan God twijfelt, dan twijfel je aan je bestaan. Want God laat zich niet betwijfelen. God wil gediend worden als de Almachtige. Wat denken we wel dat we Hem kunnen verachten?! Hij heeft ons toch gemaakt, en niet wij Hem. Hij troont in de hoge. Hij heerst over het rond der aarde. Dus zie de dingen in de juiste verhouding, anders kom je totaal verkeerd uit. Glorie voor zijn Naam.

Ook al gaan Davids zonen op het verkeerde pad, God zal het aan hen bezoe­ken. Daar kom je niet straffeloos vanaf, maar toch zijn verbond blijft bestaan. Hoe kan Ik tegenover mijn knecht David liegen? Dat kan toch niet! God en liegen, dat kan niet bij elkaar. Zijn nakroost zal voor altijd bestaan. Vast en zeker. Zo vast als de zon en zo vast als de maan. Weten jullie het nu allemaal goed? Niet aan twijfelen. Want het is waar, omdat God het gezegd heeft. Goed begrepen?

Psalm 89:39-53

13 oktober [2]

89:39

Toch hebt Gij verstoten en versmaad,
Gij zijt verbolgen geweest op uw gezalfde;

89:40

het verbond met uw knecht hebt Gij te niet gedaan,…

89:41

zijn vestingen tot een puinhoop gemaakt;…

89:44

en hem niet doen stand houden in de krijg;…

89:45

en zijn troon ter aarde neergeworpen;…

89:47

Hoe lang nog, o HERE? Zult Gij U voortdurend verbergen,
zal uw grimmigheid branden als vuur?

89:48

tot welke nietigheid Gij alle mensenkinderen hebt geschapen.

89:49

Welke mens leeft er, die de dood niet zien zal,…

89:50

Waar zijn, o Here, uw vroegere gunstbewijzen,
die Gij in uw trouw aan David hebt gezworen?

89:52

waarmee uw vijanden smaden, o HERE,
waarmee zij smaden de voetsporen van uw gezalfde!

89:53

Geloofd zij de HERE voor eeuwig.
Amen, ja amen.

Ja, dat kunnen we niet ontkennen. Ondanks alle prachtige beloften, alle lof­zangen op dat eeuwige verbond en die eeuwige beloften, dat het nakroost van David in eeuwigheid zal zitten op zijn troon, zijn de vijanden gekomen en hebben het rijk van David, de gezalfde, vernietigd. Ze hebben de muren omver gehaald. Ze hebben zijn volk weggevoerd. Er schijnt niets meer van over te zijn. Hoe zit dat nu? Hoe kan dat nu? Dat staat toch haaks op elkaar? Hiermee vervalt toch heel het bouwwerk van beloften en van zekerheid en van eeuwig­heden? Zou God dan toch gelogen hebben? Kunnen we dan niet aan op de be­lofte en de profetie? Hoe zit het? Hoe lang nog, o HERE, zult Gij U voortdu­rend verbergen, zal uw grimmigheid branden als vuur? Wat is de mens toch nietig! Wat is de mens breekbaar. Er is geen mens die niet sterft. Je wordt ge­boren en even daarna sterf je al weer. Het is toch verschrikkelijk om te zien hoe snel het allemaal gebeurd is. God is eeuwig, maar de mens nietig.

Waar zijn, o God, uw vroegere gunstbewijzen? Wat heeft U David, uw knecht, gezegend! Hoe geweldig was het niet in zijn koninkrijk! David deed wat goed was in de ogen des HEREN. En U hebt hem geweldig gezegend. Zo ook Salo­mo. Wat was dat een geweldig rijk. Bovendien was er vrede van alle kanten. Alle koningen wisten dat de God van David God was. Met eerbied en ontzag. Maar nu HERE, zijn de vijanden binnen de poort. Het is geen vrede. Vandaag zijn uw kinderen verstrooid over de gehele wereld. Weggevoerd. En de mees­ten zijn nooit teruggekeerd. Alleen een rest is maar overgebleven. Uit de tien stammen zijn ze nooit teruggekeerd en uit de stam van Juda en Benjamin maar enkelen. Een rest. Het was als een walmende vlaspit. Maar is daar dan ook juist niet de trouw van God uit op te maken? Het kan zijn geworden als niets, maar het blijft toch doorgaan. God twijfelt niet aan zijn belofte. Hij doet wat Hij gezegd heeft.

Laten we wel wezen: waarom zijn de vijanden gekomen? Niet omdat God dat zo nodig wilde. Neen, het waren de zonden van het volk, die dit veroorzaak­ten. God was vertoornd en Hij zond de legers van de koning van Assur. Eerst ging Israël geheel in ballingschap en toen Juda. Om hun zonden. Die waren opgestegen naar de hemel. God kon het niet meer horen. Het was verschrikke­lijk. Het was te gek. Je wilt dat het weer wordt, zoals het was. Hij is de God van Abraham, Isaäk en Jakob. Daar is toch geschreven over de eeuwigdurende belofte voor land en volk van Israël. En aan David is beloofd dat zijn troon voor eeuwig gegrondvest zal zijn. De engelen hebben het opnieuw geprofe­teerd bij de geboorte van Jezus. En Hij is geboren, de nazaat van koning Da­vid, de grote koningszoon. Glorie voor zijn Naam. Hij zit op de troon naast de Vader in de hemelen. Nooit zal het ontbreken aan een telg van David op de troon van zijn vader. Wat een belofte. Eens zal Hij terugkeren in Jeruzalem. Het is niet “zaden”, maar “een zaad.” Ieder die gelooft in de naam van Jezus is, zaad van Abraham. Dat is een geweldige verbinding met het Oude en Nieu­we Testament. Het is vast en zeker. God gaat door met zijn plan. De psalmist kan gerust zijn. Het lijkt soms alsof er niets van terecht komt, maar dan is er toch steeds weer doorzicht. God is zo genadig dat, nu zijn volk in volharding en ongeloof doorgaat Hem te versmaden, God zelf zijn wet in hun binnenste gaat leggen. Zo genadig is God, dat Hij zelfs dit weerbarstige volk genadig is om zelf zijn wet in hun binnenste te leggen, zodat ze gaan zien wie ze eigen­lijk zijn. Glorie voor zijn Naam. Ja, dan zullen ze ook zien Wie ze doorstoken hebben en dan zullen ze rouwen en weeklagen. Maar dan zullen ze ook op­staan om voor eeuwig te regeren vanuit de grote stad Jeruzalem en met Jezus zitten op de troon van zijn vader David. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 90:1-17

31 december [1 en 2]

90:1

Een gebed van Mozes, de man Gods.
Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest
van geslacht tot geslacht;

90:2

ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.

90:4

Want duizend jaren zijn in uw ogen
als de dag van gisteren,…

90:6

des avonds verwelkt het en het verdort.

90:7

Want wij vergaan door uw toorn,…

90:8

onze heimelijke zonden in het licht van uw aanschijn.

90:9

wij voleindigen onze jaren als een gedachte.

90:10

en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren;
…want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.

90:12

Leer ons zó onze dagen tellen,
dat wij een wijs hart bekomen.

90:13

Keer weder, o HERE! Hoelang nog?
en ontferm U over uw knechten.

90:14

Verzadig ons in de morgenstond met uw goedertierenheid,
opdat wij jubelen en ons verheugen al onze dagen.

90:17

de liefelijkheid van de Here, onze God, zij over ons,
en bevestig Gij het werk onzer handen over ons,…

God is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daar stelt onze levensloop niets bij voor. Het is een ademtocht. Want duizend jaren zijn als de dag van gisteren. Het is een zucht. En wij met ons leven stellen daarbij helemaal niets voor. Wat verbeelden we ons wel. Wij vergaan door de toorn van God. We leven zo kort, terwijl we ook eeuwig zouden moeten leven. Wij hebben gezondigd. Ons le­ven is bekort. Werden we eerst nog oud, wel negenhonderd jaar, nu is het niet ouder dan zeventig en als we heel sterk zijn tachtig. Het leven vliegt voorbij. God heeft ons in zijn toorn een kort leven geschonken. Het meeste daarvan is moeite en verdriet. Want we worden geboren en in zonden ontvangen. De zonde kleeft aan ons. En God rekent ons deze zonde toe. Voor Hem ligt alles open, al onze heimelijke zonden. Niets is voor Hem verborgen. We moeten maar eens een toontje lager zingen.

We kunnen wel een hoge borst opzetten, maar ons leven is een ademtocht. Vandaag zijn we er en morgen niet meer. Het is belangrijk, dat we ons uit­strekken naar God, het van Hem verwachten. Want we zijn allemaal afhanke­lijk van zijn ontferming. We moeten het elke morgen opnieuw ontvangen. We leven van de ontferming van de HERE. We leven in de verwachting van het herstel van zijn Koninkrijk. HERE, zegen ons. HERE, verlos ons. Red ons uit de dagen der benauwdheid. HERE, laat uw licht schijnen over ons. Dat we ons verheugen in uw genadebewijzen. Verzadig ons met uw goedertierenheid in de morgenstond. Dan kunnen we leven. En elke dag is er één. We weten niet wat de dag gaat brengen. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. We leven uit de genade. We leven uit Gods hand. Hij is de Schepper van ons leven. We zijn stof en we zullen tot stof wederkeren. Het is zaak dat we leven vanuit de almacht van de HERE God. Wij mogen leven vanuit de liefelijkheid van de HERE, die over ons zij. We mogen bidden dat Hij het werk van onze handen bevestigt. Want we mogen leven vanuit Hem. Dan is het goed, of we nu jong zijn of oud.

Dit is echt een psalm voor de afsluiting van het jaar. Maar het is een psalm voor elke dag. We moeten leven vanuit de eeuwige verbondenheid van God met de mensen. God lijdt er Zelf het meeste onder dat de mens in zonde ont­vangen en geboren wordt. Hij had het zeer goed geschapen. Zijn plan was vol­maakt en nu is het zo geworden. Wij vliegen heen in moeite en verdriet. Wat is het leven vol van moeite en verdriet. Wat is er een ellende. Wat kunnen we terechtkomen in ellende. O HERE, ontferm U over ons. Leer ons onze dagen tellen, opdat wij een wijs hart bekomen. HERE, dank U wel.

Psalm 91:1-16

12 december [1]

91:1

Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten,
vernacht in de schaduw des Almachtigen.

91:2

Ik zeg tot de HERE: Mijn toevlucht en mijn vesting,
mijn God, op wie ik vertrouw.

91:4

en onder zijn vleugelen vindt gij een toevlucht;
zijn trouw is schild en pantser.

91:5

Gij hebt niet te vrezen…

91:6

voor de pest,…

91:7

tot u zal het niet genaken;…

91:10

geen onheil zal u treffen,…

91:11

want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden,
dat zij u behoeden op al uw wegen;…

91:13

jonge leeuw en slang zult gij vertrappen.

91:14

Ik zal hem beschutten, omdat hij mijn naam kent.

91:15

Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden;…

91:16

Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen,
en Ik zal hem mijn heil doen zien.

Dat is geweldig. Schuil in de schuilplaats van de Allerhoogste. Dat is je ves­ting. Dat is je veilige plaats. Daar kan niets je gebeuren. De vijand kan tekeer­gaan. Hij kan proberen je in de war te brengen. Maar jij blijft lekker zitten on­der de vleugels van God. Niets kan je overkomen. Je wordt bewaard voor de verschrikking van de nacht. Pijlen zullen je niet treffen. Je zult door de pest, die rondwaart, niet besmet worden. Je wordt bewaard in de dagen der be­nauwdheid. In de dagen der bezoeking. God zal het niet toelaten. God is goed voor wie Hem vrezen.

De Allerhoogste is je schutse. Jij hoeft zelf niet tekeer te gaan. Jij moet ge­woon, heel gewoon, gehoorzaam zijn om het van de HERE te verwachten. Dan word je gedragen op de handen van de HERE. Je zult er zelf versteld van staan, hoe goed de HERE is. Je zult versteld staan van de kracht, die je van de HERE ontvangt. Want je bent zijn oogappel en Hij wil je kracht geven en je beschermen. Je zult niet door het kwaad getroffen worden. Je zult wonderen doen en ervaren. Wat onmogelijk is voor mensen is mogelijk bij God en Hij geeft het aan zijn kinderen. Heerlijke gedachte. Wat een zegen. Wie wil dat niet overkomen? Dan is het een heel eenvoudig zaak om je met heel je hart en je leven onvoorwaardelijk over te geven aan de almacht van de HERE God. Hij wil je redden en beschermen.

Waarom schuil je toch niet in de schuilplaats van de Allerhoogste? Daar is het toch veilig en goed? Dat weet je toch? Dat ervaar je toch? Wat doe je je zelf toch tekort om almaar in je eigen “veilige” bouwwerken rond te dolen. Je weet dat die vergankelijk zijn en dat die geen beschutting bieden. Als je op je eigen kracht vertrouwt, dan kom je keer op keer bedrogen uit. Dat weten we alle­maal. En dan is er de HERE God, Die naar ons toe komt en ons wil redden en beschermen tegen de boze wereld, die er juist alles op wil zetten om ons uit die bescherming van God te halen. Dat is de boze, die ons zo licht in de weg staat. Daarom klinkt keer op keer de oproep: Kom, schuil bij Mij, dan ben je veilig. En de zegen die daaraan verbonden is, is onvoorstelbaar. Je krijgt een rustig en gerust leven. Ook al stormt het dan om je heen, jij blijft een baken in zee, omdat God op de bodem van je hart woont. Jij staat op de Rots. Het kan niet stuk. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

Psalm 92:1-16

13 december [1]

92:1

Een lied voor de sabbatdag.

92:2

Het is goed de HERE te loven,
uw naam psalmen te zingen, o Allerhoogste,

92:3

in de morgenstond uw goedertierenheid te verkondigen,
en uw trouw in de nachten,…

92:5

Want Gij, HERE, hebt mij verheugd door uw daden,
over de werken uwer handen zal ik jubelen.

92:6

Hoe groot zijn uw werken, o HERE;
zeer diep zijn uw gedachten.

92:8

zij zullen voor immer verdelgd worden.

92:9

Maar Gij, o HERE, zetelt
in de hoge voor eeuwig.

92:10

verstrooid zullen worden alle boosdoeners.

92:12

mijn oren horen van de boosdoeners die tegen mij opstaan.

92:13

De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
opschieten als een ceder van de Libanon;

92:14

geplant in het huis des HEREN
groeien zij in de voorhoven van onze God;

92:15

zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen,
fris en groen zullen zij zijn;

92:16

om te verkondigen, dat de HERE waarachtig is,
mijn rots, in wie geen onrecht is.

Heerlijk om de HERE te loven en te prijzen. Om te roemen over zijn grote da­den. Om te danken voor het werk van zijn handen. Want zijn daden zijn groot. Groot is uw trouw o HERE. Zijn gedachten zijn zeer diep. Het komt allemaal van God. Hij ziet ons en Hij zegent ons. Hij beschermt ons in de nacht. Hij is altijd met ons. De ongelovigen snappen het niet. Zij belagen ons. Zij staan op tegen God. Maar de rechtvaardige zal leven. De onrechtvaardigen zullen wor­den verdelgd. Daarom is het goed om niet naar de stem van de belager te luis­teren. We horen het wel en we zien het wel, maar we moeten er ons niet door in de war laten brengen. Want bij God zijn we veilig. Hij verlost ons uit alle kwaad. Het kan soms moeilijk zijn. De vijand kan tekeergaan. Maar Hij laat ons nooit in de steek. God zetelt immers in zijn hoge woning. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Hij regeert ons. Hij komt met zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Hij richt mij op. Hij doet mij groeien. Hij plant mij als een palmboom. Hij doet mij groeien vanuit zijn heiligdom. En in de ouderdom zullen we nog vrucht dragen. Want de vrucht komt van Hem. Hij geeft ons de sappen van zijn liefde en zijn kracht en zijn genade.

Wat een psalm. Het werkt. De woorden spreken voor zich. Het is waar. Want God leeft. Hij wil woning in ons maken. De Heilige Geest woont in ons. Want het is beter dat Ik ga, zei de HERE Jezus bij zijn hemelvaart. Want dan kan Ik altijd in u wonen. Ik laat jullie niet als wezen achter, maar Ik stuur de Heilige Geest. En Die zal jullie overtuigen van zonde en van oordeel en van gerechtig­heid. We zullen de liefde en de waarheid van God ontdekken. En we mogen ons verheugen in zijn altijddurende bescherming. Dank U HERE, voor zoveel liefde en geduld. U zet mij op het rechte spoor. Met U spring ik over muren. Dank U wel HERE! U bent mijn schuilplaats. Amen.

Psalm 93:1-5

14 december [1]

93:1

De HERE is Koning.
Met majesteit heeft Hij Zich bekleed,
Hij heeft Zich met kracht omgord.
Vast staat nu de wereld, zij wankelt niet.

93:2

Uw troon staat vast van oudsher,
van eeuwigheid zijt Gij.

93:3

Stromen verheffen, o HERE,
stromen verheffen hun stem,
stromen verheffen hun bruisen;

93:4

boven de stemmen van vele wateren,
van de geweldige baren der zee,
is de HERE geweldig in den hoge.

93:5

Uw getuigenissen zijn zeer betrouwbaar,
de heiligheid is uw huis tot sieraad,
o HERE, tot in lengte van dagen.

Wat moeten we hier nog aan toevoegen? Als je aan de HERE denkt, dan word je enthousiast. Dan kom je onder de indruk van zijn grootheid. Hij is machtig. Hij regeert. Hij troont in de hoge. Waar blijven wij met al ons eigen gedoe. We moeten veel meer omhoog kijken. We moeten het veel meer verwachten van boven. We zitten vaak maar een beetje te navelstaren en het van ons zelf te verwachten of van anderen. En daarin lopen we o zo vaak vast. Daarin wor­den we o zo vaak teleurgesteld. En dan zitten we weer met de kop naar bene­den te staren, ons te verbijten en te vereten. Dan hebben we weer kritiek op dit en op dat. Dan zien we het niet meer zitten. Dan gaan we tekeer. Dan, enz. enz. enz. En is dit niet uit het leven gegrepen. Ja. Dat is de waarheid. We zien het in ons eigen leven en we zien het om ons heen. God is groot. Je kunt Hem niet genoeg prijzen. En je moet het zelfs tegen jezelf in doen. Als je het niet zit zitten, dan wil je ook niet erkennen dat God je kan helpen. Want je bent uit zijn bescherming gevallen. De boze zal alles doen om jou daar ook door in de war te brengen. En in plaats van dat het beter wordt, kom je nog verder van de weg af. En zo gaat het. Je kunt het op een briefje krijgen. Het leven zit er vol van. Want daar waar God niet is, daar vult de tegenstander van God het direct in. Hij is er als de kippen bij. En zo zie je o zoveel mensen in de war. Daar moeten we voor oppassen. Daarom staat deze psalm en o zoveel andere psal­men in de Bijbel. Ze beuren je op. Ze helpen je om het juiste zicht te hebben en te houden.

God bestaat. Zijn troon staat vast. Door Hem staat aarde vast en wankelt niet. Hij heeft Zich met kracht omgord. Zijn troon staat van eeuwigheid tot eeuwig­heid. Zijn geluid is als van vele wateren. Het is oorverdovend. Het gaat boven ons menselijk begrip uit. De HERE is nog hoger. Hij gaat daar ver boven uit. We kunnen proberen Hem te begrijpen en Hem binnen ons begrippenapparaat een plaats te geven, maar dat zal ons niet lukken. Hij troont in de hemel. Van Hem gaat alle kracht uit. Wat Hij zegt is ja en amen. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Daar moeten we ook niet aan twijfelen. Doen we het wel, dan doen we ons zelf tekort. En God ook, maar Die komt wel voor Zichzelf op. Hij wil ons alleen maar steeds duidelijk maken, dat het zijn getuigenissen zijn en dat wij er goed aandoen om het vanuit Hem te aanvaarden en er uit te leven, zodat Hij ons zegenen kan met het goede. Het goede is dat Hij wil wonen in ons hart, zodat ons denken en doen bepaald wordt door het denken van God. Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE!

Psalm 94:1-23

15 december [1]

94:2

Verhef U, Richter der aarde,
breng vergelding over de hovaardigen.

94:3

hoelang nog zullen de goddelozen juichen?

94:5

uw volk, o HERE, vertreden zij,…

94:6

weduwe en vreemdeling doden zij,
en wezen vermoorden zij;

94:7

zij zeggen: De HERE ziet het niet,…

94:9

Zou Hij, die het oor plantte, niet horen?
die het oog vormde, niet zien?

94:11

De HERE kent de gedachten der mensen:
ijdelheid zijn zij.

94:12

Welzalig de man dien Gij kastijdt, HERE,…

94:14

Want de HERE zal zijn volk niet verstoten,
en zijn erfdeel niet verlaten;

94:18

Als ik dacht: Mijn voet wankelt –
dan ondersteunde mij uw goedertierenheid, o HERE.

94:21

Zij maken jacht op het leven van de rechtvaardige,
en onschuldig bloed verklaren zij schuldig.

94:22

Maar de HERE was mij tot een burcht,
en mijn God de rots mijner toevlucht;

94:23

Hij toch vergold hun het onrecht,…

Ja, de bozen kunnen tekeergaan. Zij bedrijven ongerechtigheid. Zij kunnen het recht buigen. Ze verklaren schuldig wie onschuldig zijn. Het recht ligt op straat. Zij doden de weduwe, de wees en de vreemdeling. Hoe lang nog HERE? Dat kan toch zo vaak opklinken. Als we al het onrecht wereldwijd om ons heen zien, dan zou je ook uitschreeuwen: Hoelang nog HERE? Vooral ook als je er zelf middenin zit. Wat kan je een onrecht worden aangedaan. Hoeveel christenen worden er niet vervolgd, wereldwijd? Landen waar het verboden is om in de HERE God te geloven. Over vrijheid van meningsuiting gesproken. Het is verschrikkelijk in de wereld. Soms bekruipt het je en denk je: Waar is God? Maar Hij komt en Hij regeert. Hij maakt rigoureus een einde aan al het onrecht in de wereld. We hoeven niet te twijfelen aan zijn almacht. Die Hij liefheeft, die kastijdt Hij, om hem nog sterker te gronden in Hem. God heeft zijn volk niet verstoten. Hij gaat verder met zijn plan. De onrechtvaardigen zullen verdelgd worden. Maar de rechtvaardigen, zij die hun verwachting op de HERE gesteld hebben, zullen leven.

God ondersteunt ons als we dreigen te wankelen. Hij verkwikt mijn gedach­ten. Hij leidt mij uit het ravijn. De HERE is ons een burcht. Schuil bij Hem. Hij vergeldt het onrecht. Twijfel er niet aan, Hij wil het goede voor alle men­sen. Ga daar maar van uit. Pas op dat je God niet de schuld geeft van al het kwaad. Het kwaad is in de wereld gekomen door de tegenstander van God. Ook al gaat dat ons verstand te boven, het geeft in ieder geval geen pas om God de schuld te geven van alle rottigheid in de wereld. We doen het toch immers zelf? En dan moet je ook de consequenties dragen. De oproep is juist: Wend je af van al het kwaad en kom in de ark van het behoud. En iedereen kan haarfijn invullen wat daarmee bedoeld wordt en hoe dat dan moet.

Psalm 95:1-11

16 december [1]

95:1

Komt, laat ons jubelen voor de HERE,
juichen ter ere van de rots onzes heils.

95:2

Laat ons met lofzang voor zijn aangezicht komen,
ter ere van Hem juichen bij snarenspel.

95:3

Want de HERE is een groot God,
een groot Koning, boven alle goden,…

95:7

want Hij is onze God, en wij zijn het volk dat Hij weidt,

de schapen zijner hand.

Och, of gij heden naar zijn stem hoordet!

95:8

Verhardt uw hart niet, gelijk bij Meriba,…

95:10

Ik zeide: Het is een volk, dwalende van hart,
en zij kennen mijn wegen niet.

95:11

Daarom heb Ik gezworen in mijn toorn
Tot mijn rustplaats zullen zij niet komen!

Het is waar. Laten we jubelen voor de HERE. Want de HERE is een groot God. Hij heeft alles geschapen. Kijk toch eens hoe machtig zijn werken zijn. Als we bergen zien. Als we de grote zee zien. Als we de natuurwonderen zien. Het is onvoorstelbaar. Er is geen god die dat kan. Het is de Schepper van he­mel en van aarde. Hij is een groot God. Als je alleen daar al aan denkt, dan word je geweldig stil van zijn almacht en grootheid. Dan sta je in bewonde­ring te kijken. Dan buig je voor Hem neer in aanbidding. Wij zijn zijn schapen die Hij leidt en weidt. Want, wij nietige mensenkinderen, worden geweid door die grote almachtige God. Ja, Hij ziet naar mij om. Dat is je toch niet voor te stellen? Dat is toch onmogelijk? Neen. Dat is God. Dat is zijn karakter. Dat is zijn liefde. Dat is onderdeel van zijn almacht. Hij ziet het hart van de mensen aan. Hij heeft de mensen lief. Hoe kan het ook anders, want Hij heeft hen Zelf geschapen. Hij heeft het beste met de mensen voor. Hij wil alles voor hen zijn. Dat is zijn grote liefde. Daar mogen we van genieten. Daar mogen we uit gaan leven. Doe dat dan ook! Laat die grote liefde niet aan je voorbij gaan. Het is het mooiste wat je in je leven kunt meemaken. En iedereen mag het meema­ken. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE! Geweldig. Heerlijk. Wat een ze­gen. Wat een liefde.

Luister dan ook naar zijn stem. En verhard je niet. Kijk nu eens wat het volk van God in de woestijn deed. Hij leidde hen uit Egypte met een machtige hand, maar veertig jaar waren ze weerbarstig tegen God. Dat is toch ondank­baar. Dat is toch verschrikkelijk. Terwijl God alles van zijn kant deed, waren zijn kinderen ongehoorzaam. Denk aan Meriba en al die andere gevallen waar ze tegen God tekeergingen. Dan moet je ook niet vreemd opkijken dat God zegt: Nu is het afgelopen. Je doet het toch zelf. En van al die volwassenen die uit Egypte vertrokken zijn zijn er slechts twee in het land Kanaän gekomen. Wat een tragiek. Is dat de schuld van God? Neen. Dat is het gevolg van de on­gehoorzaamheid. Dat is je eigen schuld. Want God heeft de wereld zo lief dat Hij zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te behou­den. Want wie gelooft, heeft het eeuwige leven, maar wie niet gelooft is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de Enige Zoon van God. Het gaat dus om geloof. En dat wil God uitdelen vanuit zijn grote liefde voor alle mensen. Heerlijk toch? Prijs de HERE!

Psalm 96:1-13

17 december [1]

96:1

Zingt de HERE een nieuw lied,
zingt de HERE, gij ganse aarde.

96:2

Zingt de HERE, prijst zijn naam,
boodschapt zijn heil van dag tot dag.

96:3

Vertelt onder de volken zijn heerlijkheid,
onder alle natiën zijn wonderen.

96:4

Want de HERE is groot en zeer te prijzen,
geducht is Hij boven alle goden;…

96:9

Buigt u neder voor de HERE in heiligen feestdos,…

96:10

Zegt onder de volken: De HERE is Koning,
vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt;
Hij zal de volken richten in rechtmatigheid.

96:12

dan zullen alle bomen des wouds jubelen

96:13

voor de HERE, want Hij komt,
want Hij komt om de aarde te richten;
Hij zal de wereld richten in gerechtigheid
en de volken in zijn trouw.

Zien we Hem al komen? Hij zal komen om de wereld te richten in gerechtig­heid. Het is heerlijk om Hem te verwachten. Het wordt weer zoals het in het paradijs was. Heerlijk. Wat kunnen we daarvan genieten. Dat is ons uitzicht. En daarom mogen we de HERE een nieuw lied zingen. Dan wordt ons hart vervuld met blijdschap. Dan prijzen we Hem om al zijn wonderen. Dan wordt ons leven vol van die verwachting. En dan kan niets ons scheiden van zijn liefde. Want de aarde behoort des HEREN. Dan buigen we voor Hem neder in heilige feestdos. Dat is een feest. Daar worden we blij van. We worden niet blij als we zien op onze eigen zonden en tekortkomingen, maar we worden blij als we zien wat Hij voor ons heeft gedaan. Prijs de HERE! Want Hij is goed. Hij is ons nabij. Hij laat ons nooit in de steek. We zien het in de schepping, alles wacht op de komst van Hem, Die alles gaat herstellen. De hemel verheu­ge zich en de aarde juiche, de zee bruise in haar volheid. Alle bomen des wouds juichen. De hele schepping is in verwachting. Hij komt om de aarde te richten. Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in Zijn trouw.

We kunnen daar vurig naar verlangen. We kunnen met reikhalzend verlangend uitzien naar die dag. We kunnen met dankbaarheid leven vanuit zijn genade. Want we kunnen ook gebukt gaan onder de zonde en de strijd in deze wereld, maar God laat ons nooit in de steek. Hij trekt ons op. Hij zegt dat we met de schepping, in blijde verwachting en hoop, mogen uitzien naar die dag. En te­gelijkertijd vol ijver en met inzet en volharding onze roeping uitvoeren. Er is nog ontzettend veel te doen. Het is heerlijk om te mogen weten dat je gebor­gen bent in Gods hand. Dan ga je jubelen uit dankbaarheid voor zoveel liefde. Dan wil je je ook uitstrekken om met de bomen in het woud te jubelen. Want dan zie je ook dat Hij komt om de wereld te herstellen. Dan besef je ook dat Hij de Schepper Zelf nooit genoegen neemt met een schepping waarin zoveel kapot is. Dan weet je ook dat Hij de dood zal overwinnen. Dan is de dood de laatste prikkel die zal worden weggenomen. Want de dood is de laatste prik­kel. De dood is het bewijs dat God het leven zal herstellen. Glorie voor zijn Naam! We moeten veel meer de psalmen lezen en leven. Dan zullen we nog eens zien wat er kan gebeuren. Prijs de HERE!

Psalm 97:1-12

18 december [1]

97:1

De HERE is Koning. Dat de aarde juiche,
dat vele kustlanden zich verheugen.

97:2

gerechtigheid en recht zijn de grondslag van zijn troon.

97:5

De bergen versmelten als was voor het aanschijn des HEREN,…

97:6

en alle volken zien zijn heerlijkheid.

97:7

Alle beeldendienaars zullen beschaamd worden,…

97:8

Sion heeft het gehoord en zich verheugd,…

97:10

Gij, die de HERE liefhebt, haat het kwade;…

97:12

Gij rechtvaardigen, verheugt u in de HERE
en looft zijn heilige naam.

“De HERE is Koning. Dat de aarde juiche.” Ik zou er een uitroepteken achter gezet hebben. Want het is een antwoord op een waarheid. De HERE is Ko­ning. En dan is het de opdracht dat de aarde juiche. We kunnen niet anders dan op die waarheid in gejuich uitbarsten. Want God is groot. En dat kun je van alle kanten zien. De bergen versmelten als was voor zijn aanschijn. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Niets is tegen Hem bestand. Hij kan alles naar zijn hand zetten. We kunnen niet anders, dan onder de indruk komen van zijn almacht. Je ziet het toch in alle wonderen van de natuur. Wie heeft het allemaal gemaakt? Hoe zit het kleinste blaadje in elkaar? Hoe is het mogelijk, dat de sappen van de boom helemaal van de wortel tot de top reiken? Ga jij het maar eens uitvinden. Dat slaat toch nergens op? Dat kun je niet eens be­denken. Ga zo maar door. Wij met al onze wijsheid, kunnen nog niet eens een fractie doorgronden van alles wat er is. Wat een verbeelding hebben de men­sen als ze denken dat ze er ook maar iets van begrijpen. Daarom moeten we ons voor die God neerbuigen in ontzag en aanbidding en Hem loven en prijzen met heel ons hart. Want wat is het een onvoorstelbaar voorrecht om te mogen leven en weten van die God.

Dan mogen we ook als we Hem liefhebben, het kwade haten. En pas op, mar­chandeer daar niet mee. Want we hebben te maken met een heilig en recht­vaardig God, Die niet duldt, dat je het met Hem op een akkoordje gooit. En het licht dat Hij verspreidt, is voor de rechtvaardigen gezaaid en de vreugde voor de oprechten van hart. En is het ook niet zo? Hij geeft het licht, Hij geeft de vreugde. Je ervaart het als je je overgeeft aan Hem, Die rechtvaardig oor­deelt. Want als je gaat zien wat God voor jou heeft gedaan en doet, dan ga je het licht zien en dan ervaar je een diepe, niet meer af te nemen vreugde van Hem, Die rechtvaardig oordeelt. Want het kan dan wel zo zijn alsof de on­rechtvaardigen het voor het zeggen hebben, en hoe vaak is dat ook niet zo, maar dat is een schijnwereld, waaraan God een einde maakt. Hij zal met gezag de wereld regeren en het onrecht aan de kaak stellen. Dan zullen allen die on­gehoorzaam zijn geweest en het kwade liefhebben, het weten. Verheug je dan in de HERE, gij rechtvaardigen en looft zijn heilige Naam. God is groot!

Psalm 98:1-9

19 december [1]

98:1

Zingt de HERE een nieuw lied,
want Hij heeft wonderen gedaan,
zijn rechterhand en zijn heilige arm gaf Hem zege;

98:2

de HERE heeft zijn heil bekendgemaakt,
zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der volken;

98:3

Hij heeft gedacht aan zijn goedertierenheid
en aan zijn trouw jegens het huis Israëls;
alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God.

98:4

Juicht de HERE, gij ganse aarde,
breekt uit in gejubel en psalmzingt.

98:5

Psalmzingt de HERE met de citer,
met de citer en met luide zang,

98:6

met trompetten en met bazuingeschal;
juicht voor de Koning, de HERE.

98:7

De zee bruise en haar volheid,
de wereld en wie erin wonen;

98:8

dat de stromen in de handen klappen,
de bergen tezamen jubelen

98:9

voor het aangezicht des HEREN, want Hij komt
om de aarde te richten;
Hij zal de wereld richten in gerechtigheid
en de volken in rechtmatigheid.

Zingt de HERE een nieuw lied. Waarom? Want Hij heeft wonderen gedaan, Zijn rechterhand en zijn heilige arm gaf Hem zege. Wat een wonderen. God sprak en het was er. God zeide: Er zij licht, en er was licht. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven, zegt de Here Jezus. En Hij zegt: Strek uw hand uit. En de verlamde was genezen. God is alles. Zijn heilige arm spreekt van zegen en overwinning. Geloof je het niet? Lees het dan maar. De Bijbel staat er vol van. Wij hoeven al die wonderen niet te zien. Wij hoeven niet te zijn als Thomas. Eerst zien en dan geloven. We zien het toch allemaal? Het grootste wonder is dat ik door genade mag geloven. Dat is het grootste wonder. God is groot. Door de eeuwen heen heeft Hij naar ons omgezien. Hij heeft het allemaal goed geschapen. En Hij is bezig met de herschepping. Het komt weer goed. Zingt de HERE een nieuw lied. Doen!

De HERE heeft zijn heil bekendgemaakt, zijn gerechtigheid geopenbaard voor het oog van de volkeren. Want is dat geen heil, dat Hij zijn volk uitleidt uit het diensthuis? Dat Hij het door de woestijn leidt; dat de Rode Zee en de Jordaan drooglegt, opdat het volk er doorheen kan; dat de muren van Jericho vallen? Enz. enz. En de volken wisten van de God van Israël. Daar waren ze beducht voor. Ze wisten dat het een rechtvaardig God was. De volkeren kenden God en ze vreesden de God van Israël.

Hij heeft gedacht aan zijn goedertierenheid en aan zijn trouw jegens het huis Israëls. God koos zich een volk en een land en daar is Hij trouw aan. Daar hoef je niet aan te twijfelen. En alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God. Iedereen op de wereld zal het zien. Er is geen twijfel aan. En als je eraan twijfelt, dan raak je het zicht op de werkelijkheid kwijt. God gaat door met zijn plan. Daar hoeven we en mogen we niet aan twijfelen. Het wordt keer op keer in de Bijbel herhaald. Je moet van “goede” huize komen om de exegetische kronkel te maken, om dat te ontkennen. God is goed!

Daarom moet de ganse aarde de HERE juichen. Alle mensen zullen het zien en doen. Het zal uitbreken in gejubel en psalmgezang. Dat zal wat wezen. Wie kan zich dat voorstellen? Het is geweldig. Wat een geweldige toekomst. En daar worden muziekinstrumenten bij gebruikt. Het is een fantastisch geluid. Een heel orkest. Er kan ook niets mooier zijn voor de HERE dan al deze gelui­den. Prijs de HERE! Daarom is muziek in de eredienst ook zo belangrijk. Doe als in de psalmen. Maak muziek. Prijs Hem! Het vervult het hart. Wat een zegen. Hoor je de trompetten? Ze schallen over de aarde. Hoor je het juichen voor de HERE? Je zou het eigenlijk eens moeten doen. Je zou de psalmen in beeld moeten brengen. Wat zal dat een geweldig orkest zijn. Wat zal dat een geluid zijn. Wat zal dat klinken door het land, door de wereld, door de straten. Het is prachtig. Prijs de HERE!

De zee bruise en haar volheid, de wereld en wie erin wonen. De hele wereld is ermee bezig. Wat een bruisend geluid. Als het stroomt, dan buldert de zee. Dan hoor je het. Dat is een enorm geluid. En haar volheid en de wereld die er in wonen. De volkerenzee zal het weten en zien. Het lijkt er nu niet op, maar het zal gebeuren. Het kan niet missen. Het is fantastisch. Dat de stromen in de handen klappen, de bergen al tezamen jubelen. Dat zie je vaak in de Bijbel, de natuur wordt ingeschakeld om de HERE te loven en te prijzen. Dat is niet vreemd, want als je je richt op de natuur, dan kom je onder de indruk van Gods grootheid. Dan kan het niet anders of je wordt er door overmeesterd. Het is onvoorstelbaar groot. Zie de uitbottende bloemen en bomen in het voorjaar. Het komt als één grote golf op je af. En als je de grote bergen ziet, dan zie je de almacht van God. Daar kom je van onder de indruk. Het overweldigt je.

En dat allemaal voor het aangezicht des HEREN. Want Hij komt om de aarde te richten. Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in rechtma­tigheid. Daar gaat het om. God is goed. Hij komt het goede brengen en het kwade weghalen. Hij zal de aarde terugbrengen naar de tijd van het paradijs. De boze zal worden gericht. Veroordeeld. Hij zal niet rusten. Hij zal komen. Daarom jubelen de bomen en bruist de zee. En bazuinen de volkeren. En iedereen die daar vol van is, zal Hem zien en Hem met verlangen verwachten. Want dat zal een grote dag zijn. Daar word je blij van. Dat geeft je moed. Daar kun je op teren. God is groot. Twijfel er nooit aan. Want het is waar. Niet om­dat ik het zeg, maar omdat het waar is en de hele schepping spreekt ervan.

Psalm 99:1-9

20 december [1]

99:1

De HERE is Koning. Dat de volken beven.

99:2

De HERE is groot in Sion,
Hij is verheven boven alle volken.

99:4

Want de sterkte des Konings heeft het recht lief,
Gij hebt rechtmatigheid gevestigd,…

99:5

buigt u neder voor de voetbank zijner voeten;
Heilig is Hij.

99:6

zij riepen tot de HERE en Hij antwoordde hun.

99:8

Gij zijt hun een vergevend God geweest,
hoewel wraak oefenend over hun daden.

99:9

Verhoogt de HERE, onze God,
buigt u neder voor zijn heilige berg,
want: Heilig is de HERE, onze God.

Niet aan te twijfelen. De HERE is onze God. Hij troont op de cherubs, de aar­de siddert. Dat is vast en zeker. God regeert. Twijfel er niet aan. Hij is ge­ducht. Hij grondvest recht en gerechtigheid. Daarom: Verneder je voor Hem, opdat Hij je kan verhogen. Zorg dat je in zijn rechtvaardige wegen wandelt.

God sprak tot zijn profeten. Hij sprak tot Mozes in de wolkkolom. Zij roepen en antwoord kwam van Hem. Zij wandelden in zijn wegen. God is een verge­vend God, maar Hij oefent wraak over de zondige daden. Daarom is het o zo belangrijk dat je blijft op het pad der rechtvaardigen. Wandelt in zijn wegen. Want je kunt wel denken dat je er een beetje mee kunt marchanderen, maar dan heb je het wel verkeerd. Je leest het in de Bijbel. Keer op keer – en hoe­veel keren was dat niet – komt Gods straf als het volk weer eens van Hem af­wijkt. Daar kun je zeker van zijn. Op zonde komt straf. God is een vergevend God. Hij wil steeds weer opnieuw beginnen, maar je moet wel leven naar de geboden van God. Dat was ook steeds de boodschap die God gaf aan zijn pro­feten. Ze riepen op tot bekering van de zonden van hun tijd, met het oog op de vaste en zekere beloften van God voor zijn land en volk in de toekomst.

God is groot. Daarom, buigt u neder voor de HERE God, want heilig, heilig is de HERE, onze God. We kunnen niet hoog genoeg denken van onze God. Hij troont in de hoge op de cherubs. Dat is het heilige der heiligen. Dat is het allerdichtste bij God. Daar moet je je vernederen. Want God is goed! Hij wil je verhogen.

Hij wil zijn zegen geven. Als wij voor Hem buigen, zal Hij ons oprichten en tot grote hoogte voeren. Dat geeft enorme vreugde en zekerheid.

Psalm 100:1-5

27 december [1]

100:1

Een psalm bij het lofoffer.
Juicht de HERE, gij ganse aarde,

100:2

dient de HERE met vreugde,
komt voor zijn aangezicht met gejubel.

100:3

Erkent, dat de HERE God is;
Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren wij toe,
zijn volk, de schapen, die Hij weidt.

100:4

Gaat met een loflied zijn poorten binnen,
zijn voorhoven met lofgezang,
looft Hem, prijst zijn naam;

100:5

want de HERE is goed,
zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid,
en zijn trouw tot in verre geslachten.

“Juicht de HERE, gij ganse aarde.” Wat een vreugde. Wat een gejubel. Je hoort het overal. De aarde is er vol van. Dat is me een groot feest. Want het is ook groot feest als je mag weten dat je een kind van God bent. Dan wil je de HERE ook loven en prijzen. Want Hij is goed. “Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren we toe.” Hij maakt ons weer zoals Hij het bedoeld heeft. Als wij bij Hem blijven zal Hij ons nooit in de steek laten. Want “zijn goedertieren­heid is tot in eeuwigheid.” Looft Hem met heel je stem en je hart en alles wat in je is. “Zijn trouw is tot in verre geslachten.” Wat een vreugde om te weten dat Hij het ook weer zaait in je volgende geslachten. Hij is altijd bij je. Hij helpt je altijd.

Wat een vreugde om deze psalm je morgenpsalm te maken. Je moet deze ge­dachten altijd bij je hebben. Want de tegenstemmen in je hart en je leven pro­beren je steeds van de vreugde van God af te halen. Dan kom je steeds je te­kortkomingen en je teleurstellingen tegen. Dan valt alles tegen. Dan word je opgeslokt door de tegenstem. Dat is de grote verleiding. Daar moet je niet aan toegeven. Daar moet je je tegen verzetten. Soms tegen je eigen denken in.

God is groot. Hij wil dat we Hem loven en prijzen. Kom binnen door zijn poorten, want de weg die Hij wil dat je gaat, is er een van vreugde. Ook al kom je situaties tegen die je anders zou willen. Zijn liefde echter stijgt boven alles uit en zal je helpen om staande te blijven. De HERE is groot. En nooit genoeg te prijzen. “Juicht de HERE, gij ganse aarde.” Hij is trouw tot in eeuwigheid. Er komt geen einde aan. Dát wil je toch doorgeven aan de volgende geslachten!

Psalm 101:1-8

28 december [1]

101:1

Van goedertierenheid en recht wil ik zingen,
U, o HERE, wil ik psalmzingen.

101:2

Ik wandel in oprechtheid mijns harten
in mijn huis;…

101:4

Een verkeerd hart wijke verre van mij,
de boze wil ik niet kennen.

101:5

wie hoog van ogen en trots van hart is,
die duld ik niet.

101:8

Elke morgen zal ik verdelgen
alle goddelozen des lands,
en uit de stad des HEREN uitroeien
alle bedrijvers van ongerechtigheid.

David is de koning. Hij mag ons ook tot voorbeeld zijn. Hij zingt van de goe­dertierenheid van God. Hij wil wandelen in de oprechtheid van zijn hart. Dat is de weg die de HERE van ons vraagt. Hij wil dat we in zijn wegen wandelen. Zijn woord is een lamp op ons pad. Hij wijst ons de weg. Hij geeft aan hoe we moeten gaan. Hij wil het kwade van ons doen wijken. Dat is een heerlijke ge­dachte. Want het kwade zit ons zo maar in de weg. Het gaat als vanzelf. We moeten ons daartegen verzetten. We moeten ons daar niet voor openstellen.

David stelt zich actief op. Hij psalmzingt de HERE. Daar waar de psalmen klinken, daar is de HERE God. We moeten niet hoogmoedig en trots van hart zijn. We moeten nederig zijn en God dienen, opdat Hij ons kan verhogen. Want het geheim is dat God boven alles uitgaat. Dan zal God ook zijn kracht kunnen uitstrooien in jouw zwakheid. Dan ben je sterk in Hem. Dan wandel je in oprechtheid achter Hem aan. Dan zul je je ook inzetten om het kwade te weren. Dan wil je ook niet anders.

Davids ogen zijn op de getrouwen in de lande. Daar wil hij mee verder. Die mogen bij hem wonen. Hij wil geen bedriegers in zijn huis. Geen leugenspre­kers. En wat zijn er een mensen die het kwade willen. Het is een en al drukte om je heen. God wil het goede. Daarom is het zaak, om net als David, elke morgen opnieuw te beginnen om het kwade te weren in jezelf, maar ook om je heen. Weg met alle bedrijvers der ongerechtigheid. Het gaat erom dat we Hem volgen en van Hem zingen en in zijn wegen wandelen. Doe het! Begin ermee. Maak schoon schip en je zult steeds meer gaan zingen in je leven. God is goed. Doen! Het werkt omdat het waar is. God is groot. Dat zul je ontdekken. En Hij helpt je.

Psalm 102:1-29

29 december [1]

102:2

HERE, hoor mijn gebed,…

102:3

ten dage dat ik roep, antwoord mij haastelijk.

102:6

Vanwege mijn luide zuchten
kleeft mijn gebeente aan mijn vlees;…

102:9

Mijn vijanden smaden mij de ganse dag,…

102:11

vanwege uw toorn en uw verbolgenheid,
omdat Gij mij hebt opgenomen en neergeworpen.

102:13

Maar Gij, o HERE, troont voor eeuwig,
uw naam blijft van geslacht tot geslacht.

102:14

Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen,
want het is tijd haar genadig te zijn,
want de bepaalde tijd is gekomen;…

102:20

want Hij heeft uit zijn heilige hoogte neergezien,
de HERE heeft uit de hemel op aarde geschouwd,

102:21

om het zuchten der gevangenen te horen,
om de ten dode gedoemden te bevrijden;

102:22

opdat men de naam des HEREN in Sion vertelle,
en zijn lof in Jeruzalem,…

102:24

Hij heeft op de weg mijn kracht gebroken,
mijn dagen verkort.

102:26

en de hemel is het werk uwer handen;

102:27

die zullen vergaan, maar Gij houdt stand,…

102:28

maar Gij blijft dezelfde,
aan uw jaren komt geen einde.

102:29

De kinderen uwer knechten zullen veilig wonen,
hun nageslacht zal voor uw aangezicht blijven bestaan.

De dichter zit in zak en as. Hij is er slecht aan toe. Hij verkwijnt. Hij heeft het idee dat God hem niet hoort. Hij zendt zijn jammerklacht op tot God. Hij roept om antwoord te vinden, maar het lijkt alsof hij er niet meer op rekent. Zijn vij­anden bespotten hem. Hij kan er niets tegen doen. Wat moet hij nu? Verberg toch uw aangezicht niet voor mij. Ik roep tot U, antwoord mij. Waarom ant­woordt U mij niet? Ik verkwijn. Ik zie het niet meer zitten. En vanuit de diepte van de nood, met alle moed die nog in hem is, brengt hij een omkeer in zijn klaagzang, om toch te vertrouwen op de HERE zijn God. Want ondanks alle ellende waarin hij zit en alle vragen die hij heeft, weet hij heel zeker dat God troont voor eeuwig. Dat Hij zijn volk niet in de steek laat. Dat God zal opstaan en Zich over Sion zal erbarmen. Het kan er slecht aan toe gaan. Het kan lijken alsof er geen toekomst meer is, maar de tijd komt dat God over Sion genadig zal zijn. Het is een bepaalde tijd. Daar heeft God steeds over gesproken. Het zal gebeuren op zijn tijd. Dan zullen alle volken erkennen dat de HERE God is. Dan zullen ze zien dat Hij zelf Sion bouwt. Hij verschijnt in zijn heerlijk­heid. Hij richt Zich tot het gebed van een berooide. God ziet vanuit de hoge hemel en Hij hoort naar het gebed. Hij weet het en Hij zal de gevangene ver­lossen, Hij zal de ten dode gedoemde bevrijden. Want de volken der aarde zullen zich vergaderen om de HERE te dienen in Sion.

Wat een profetie. Wat een toekomst. Daar kan de dichter die in erbarmelijke toestanden verkeert, zich over verheugen. Het kan niets meer lijken. Je loopt met de dood in de schoenen, maar je weet dat dit de waarheid is. Daar moet je dan ook te allen tijde aan vasthouden. Doe je het niet, dan zak je vanzelf weg in de ellende van je bestaan. Dan worden de vijanden reuzen. En dan laat je je niet meer boven al het gewoel uittillen, om met God de vergezichten te zien van zijn plan en zijn eeuwig Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Dan kan het zijn dat mijn kracht gebroken wordt op de helft van mijn leven. Maar vast blijft staan, dat aan de dagen van God geen einde komt. Daar kunnen we ons naar uitstrekken. We zullen met Hem veilig wonen en aan dat wonen komt geen einde. Een heerlijke zekerheid die ons in alle omstandigheden van ons leven helpt om dwars door dit tranendal met opgeheven hoofd de God van Sion te volgen en alles wat er in de wereld en in onszelf gebeurt, te zien in het perspectief van zijn eeuwige beloften en eeuwige liefde. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 103:1-22

30 december [1]

103:1

Loof de HERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, zijn heiligen naam;…

103:3

die al uw ongerechtigheid vergeeft,…

103:4

die uw leven verlost van de groeve,…

103:5

die uw ziel verzadigt met het goede,
zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend.

103:6

De HERE doet gerechtigheid
en recht aan alle verdrukten.

103:8

Barmhartig en genadig is de HERE,
lankmoedig en rijk aan goedertierenheid;…

103:10

Hij doet ons niet naar onze zonden…

103:12

Zover het oosten is van het westen,
zover doet Hij onze overtredingen van ons;

103:13

gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen,
ontfermt Zich de HERE over wie Hem vrezen.

103:14

Want Hij weet, wat maaksel wij zijn,
gedachtig, dat wij stof zijn.

103:15

De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,…

103:17

Maar de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid
tot eeuwigheid over wie Hem vrezen,…

103:19

De HERE heeft zijn troon in de hemel gevestigd,
zijn koningschap heerst over alles.

103:20

luisterend naar de klank van zijn woord.

103:22

Looft de HERE, al zijn werken,
aan alle plaatsen zijner heerschappij.
Loof de HERE, mijn ziel.

Een prachtige psalm. Een bekende psalm. Wordt vaak gelezen na het avond­maal. Je wordt opgeheven naar boven om de HERE te loven met geheel je wezen. Hij verlost je van de groeve, Hij geneest je van ziekte. Hij staat boven alles. Hij verzadigt je met het goede. Van je jeugd af. Denk vanuit Hem. Dan zie je de dingen goed. Heerlijk om vanuit Hem te leven en te denken. Hij doet gerechtigheid en recht aan alle verdrukten. Het lijkt er vaak niet op. Want het omgekeerde schijnt soms de werkelijkheid te zijn. Maar dat is schijn. Hij heeft de touwtjes goed in handen. Hij maakt ons zijn wegen bekend. Dat deed Hij aan Mozes en aan de kinderen Israëls en dat doet Hij ook aan ons. Wij gaan door de woestijn van het leven. Dat is niet eenvoudig, maar de oproep blijft om in alle omstandigheden dicht bij Jezus te blijven. Wat een wonder. Dan zijn we veilig. Dan doet Hij ons naar onze gerechtigheden. En Hij slaat de boosdoeners neer. Ze moeten niet denken dat ze er zonder straf afkomen. Ook voor hen klinkt de oproep tot bekering. De HERE is barmhartig en genadig. Niet altoos blijft Hij twisten. Hij doet ons ook niet naar onze zonden. Zover het oosten verwijderd is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons. Gelijk een vader zich ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de HERE over wie Hem vrezen. Dat is toch een geweldige rust en zekerheid. God is onze Vader. Hij laat ons niet in de steek. Hij richt ons op. Hij ondersteunt ons in de moeilijkste situaties. Hij is met ons. Wat een zegen, wat een barm­hartigheid. Hoe kunnen we dat niet ervaren als we in moeilijke omstandighe­den verkeren? Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

Hij weet ook dat we stof zijn. Onze dagen zijn als het gras. En hoe waar is dat niet. We zijn er en we zijn er niet meer. Het gras komt op en verdort en is weg. Dat is de mens in zonde gevallen. Want we leven kort en we moeten alle­maal sterven. Maar zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Daar mogen we kracht uit putten. Daarom mogen we Hem vrezen. Dan gaat er een wereld open waar je versteld van staat. Dan word je een eeuwigheidskind. Dat is on­voorstelbaar groot. Daar durf je de dag mee te beginnen. Want als je op de omstandigheden kijkt en je kijkt op jezelf, dan komt er niet veel van terecht. We kunnen wel heel hoog over ons zelf denken, maar het is inderdaad zo beperkt als het gras. Het leven is een ademtocht. Maar een ademtocht die in het perspectief van de genadige barmhartigheid en goedertierenheid van God een feest wordt. Het is verheffend om te weten dat Hij ons niet doet naar onze ongerechtigheden, want die kleven ons altijd aan. Maar er is altijd de oproep om in zijn wegen te wandelen en naar zijn bevelen te leven. Dat is niet moei­lijk, maar dat is vanzelfsprekend vanuit het zicht van God. Want zijn geboden zijn niet zwaar. Ga met God, dan ga je goed. Dan ontdek je dat het leven met God een feest is. Nu op deze aarde, maar ook in het perspectief van de eeu­wigheid. Daarom kunnen we de HERE, onze God, loven en prijzen. Loof de HERE, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn heilige Naam.

Wat een weldaden komen dan naar ons toe. We worden niet opgeslokt door de problemen van het leven, maar vervuld met de Heilige Geest, Die altijd bij ons is. Jezus, Die zijn leven gaf voor het lijden van deze wereld. Zijn doorboorde handen zijn altijd onder het lijden dat ons kan overkomen en daarmee draagt Hij ons door het lijden heen, omdat Hij heeft geleden om de verzoening van onze zonden tot stand te brengen. Glorie voor zijn Naam! Dank U Here Jezus!

Psalm 104:1-13

22 december [2]

104:1

Loof de HERE, mijn ziel.
HERE, mijn God, Gij zijt zeer groot,…

104:5

Hij heeft de aarde op haar grondslagen gevestigd,
zodat zij nimmermeer wankelt.

104:9

Gij hebt een grens gesteld, die zij niet overschrijden:
zij zullen de aarde niet weer bedekken.

104:13

Hij drenkt de bergen uit zijn opperzalen,
van de vrucht uwer werken wordt de aarde verzadigd.

Hij heeft de aarde op haar grondslagen gevestigd, zodat zij nimmermeer wan­kelt. Wie heeft de aarde gegrondvest? De HERE God. Wie heeft de hemel en de aarde geschapen? De HERE God. Wie heeft alles vast gemaakt? De HERE God. Wie schiep de dieren en de bomen en het water en de bergen en de men­sen? De HERE God. Hoe heeft Hij dat dan geschapen? Dat kun je lezen in het begin van de Bijbel, waar het over de schepping gaat. Het wordt heel gedetail­leerd beschreven. Hij schiep de aarde in zes dagen. En op de zevende dag rust­te Hij van zijn werk. En zie, het was zeer goed. Wie durft te twijfelen, te tor­nen aan deze scheppingsopenbaring, aan deze feitelijkheid van God. Dat moe­ten wel zeer hoogmoedige lieden zijn, die uit een ver, ver verleden kunnen herleiden hoe het allemaal ontstaan is. Dat is een arrogantie die nergens op slaat. Die ook tot niets leidt. De zogenaamde evolutietheorie is niets anders dan een flagrante ontkenning van dat wat God doet. Evolutie als zou alles uit een big bang ontstaan zijn, is de meest naïeve opvatting die je maar kan be­denken. Maar als je hoe dan ook, alles op alles zet om te ontkennen dat God de Schepper is, wilt ontkennen dat er überhaupt een God is, dan ben je bereid om de raarste dingen uit te halen en de grootste leugens voor waar te houden om de simpele waarheid af te kraken. Want stel je nu eens voor, dat er toch een God bestaat. Dan moet jij met heel je zelf opgerichte bouwwerk capitule­ren. En dat is het laatste wat je wilt. Want je wilt je toch met al je kennis die je hebt niet afhankelijk stellen van iets wat je niet ziet en alleen maar moet gelo­ven. Dat is bakzeil halen. En dat wordt dan ook het bankroet van de menselij­ke wetenschap, die denkt dat ze alles kunnen herleiden en uiteenrafelen om er achter te komen hoe de mens werkelijk in elkaar zit.

Deze psalm ontnuchtert je. Zeer beeldend wordt beschreven dat de Schepper zijn hand heeft in water, lucht en wolken. Het is onvoorstelbaar wat de schep­pingskracht van God tot stand heeft gebracht. Glorie voor zijn Naam! Daar kunnen we niet genoeg over uitweiden. Maar dan verlaten de mensen God. Ze gaan eigen wegen. Er komt hoererij en afgodendienst. De HERE krijgt be­rouw. En wil ze allemaal verdoemen. Dan krijgt Noach opdracht om de ark te bouwen en daar gaan de acht in de ark. De zondvloed komt en vaagt allen weg die buiten de ark zijn. Water tot boven de bergen. Dan kan niemand blijven leven. En zo is het ook gebeurd. De hele wereld is vergaan, behalve Noach en de zeven zielen die hij gered heeft en daarnaast de dieren die hij in de ark moest nemen. Dat wordt dan in de volgende verzen beschreven. Maar bergen rezen op, dalen zonken neder, op de plaats waar Gij hun grondslag hebt ge­legd.

Dan staat er: Gij hebt een grens gesteld, die zij niet overschrijden: de wateren zullen de aarde niet weer bedekken. En zo is het. Dat is de belofte die God gaf. Hij zou de aarde niet weer verderven door water. De regenboog in de wol­ken is het bewijs. Het teken. Telkens als die boog verschijnt, dan mogen we denken aan die belofte. Het water kan bedreigend zijn en tot overstromingen leiden, zoals wij ook in ons land hebben ervaren. Dus nog steeds is de drei­ging van het water aanwezig, maar de gehele aarde zal niet meer door water vergaan. Dat is een heerlijke gedachte. Een zegen. Het is een bewijs van Gods lankmoedigheid. Maar Hij is een rechtvaardige God. Hij laat niet met Zich spotten. Dus het komt er op aan dat wij God erkennen in zijn scheppings­kracht en radicaal tegen alles in moeten gaan dat afbreuk doet aan de schep­pingskracht van God. Houden we dat niet vast, breken we dat fundament waarop alles gebouwd is af, dan zijn we alles kwijt. Als we God in zijn schep­pingsautoriteit en kracht aantasten, dan tasten we het wezen van God aan en het wezen van het leven. Dan komen we in het rijk der duisternis, waar het gebod van God niet meer geldt, maar met voeten getreden wordt. Daar moeten we ons van afkeren. Verre van houden. Wij moeten blijven proclameren van het wonder van God. God is groot! Wat een psalm.

Psalm 104:14-23

23 december [2]

104:14

Hij doet het gras ontspruiten voor het vee,
het groene kruid ter bewerking door de mens,…

104:15

en wijn, die het hart des mensen verheugt,…
…ja, brood, dat het hart des mensen versterkt.

104:16

De bomen des HEREN worden verzadigd,
de ceders van de Libanon, die Hij heeft geplant,…

104:19

Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden,
de zon kent de tijd van haar ondergang.

104:20

Beschikt Gij duisternis, dan wordt het nacht,…

104:21

de jonge leeuwen brullen om roof
en begeren hun spijze van God.

Ja, wie doet het gras opkomen? Wie zorgt dat de groenten groeien? Wie plant de ceders op de Libanon? Wie zorgt dat het donker wordt en licht? Wie wen­telt de dag en de nacht? Wie zorgt voor het grote wereldgebeuren? Zelfs als de leeuw brult om zijn voedsel, wie zorgt dat de leeuw zijn voedsel krijgt? Het gehele mensen- en dierenleven en leven op aarde komt van God. Niets is er dat niet geworden is door God. God sprak en het was er. God zeide: Er zij licht en er was licht. God heeft de hemel en de aarde geschapen. Hij scheidde de wateren. In de beginne was het Woord en het Woord was God. En alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Dat is de werkelijkheid. Alles is van God. God is goed. God wil dat we als mensen gelukkig leven. Hij wil niet dat we omkomen van ellende. Daarom geeft Hij het groene gras en de groenten en de regen en de zon. Daarom laat Hij het donker en licht worden. Daar kunnen we werken en ons te goed doen. Want God wil dat we leven en eten en vrolijk zijn, want dat is de vreugde die God ons wil geven in het leven, waar alles uiteindelijk neerkomt op zwoegen, tobben en overleven. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam. Maar Gode zij dank, wij zijn verlost door het bloed van Christus. Dat maakt ons blij en doet ons volharden en geeft ons rust en vrede en doet ons reikhalzend verlangen naar dat Koninkrijk van recht en gerechtigheid, omdat dat het einde zal zijn van al het getob, gezwoeg en gezucht. Dan zullen we zien wie God is in zijn volle waarheid. Dan zullen we zien en ervaren wat God allemaal heeft gedaan om ons leven toch nog mogelijk te maken in dit tranendal. Dan zal het kaf van het koren gescheiden worden. Dan zullen de werken van de duisternis ontmas­kerd worden. Dan zien we niet meer door een spiegel in raadselen, maar zul­len we Hem ten volle kennen.

En zolang we hier zijn, moeten we niet in ons eigen denken afdalen en God verlaten en denken: ‘Er is geen God’, want Hij is er. Wie laat het gras groeien en het kruid en de bomen en de bloemen en de dieren en de vogels en alles wat leeft. Het is God, Die alles geschapen en gegrondvest heeft en Zelf met een groot verlangen uitziet naar die grote dag waar alles onder zijn voeten is gelegd. Daartoe zond Hij zijn Zoon, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden. Bekeert u dan, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De tijd is vervuld. God is goed!

Psalm 104:24-35

24 december [2]

104:24

Hoe talrijk zijn uw werken, o HERE,
Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt;
de aarde is vol van uw schepselen.

104:26

daar gaan de schepen, de Leviathan,
die Gij geformeerd hebt om er mee te spelen.

104:27

Zij alle wachten op U,
dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd;

104:28

geeft Gij hun die, zij zamelen op,
opent Gij uw hand, zij worden met goed verzadigd;

104:29

verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verdelgd,
neemt gij hun adem weg, zij sterven
en keren weder tot hun stof;

104:30

zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen,
en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem.

104:31

De heerlijkheid des HEREN zij tot in eeuwigheid,
de HERE verheuge Zich over zijn werken.

104:33

Ik zal de HERE zingen, zolang ik leef,
ik zal mijn God psalmzingen, zolang ik ben;…

104:34

Ik zal mij in de HERE verheugen.

104:35

De zondaren zullen van de aarde vergaan,…
…Loof de HERE, mijn ziel. Halleluja.

Hoe talrijk zijn uw werken, o HERE, Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt. Dat is ook zo. Want denk maar eens hoe het mogelijk is dat dat kleine bloemp­je er zo prachtig uitziet. En die prachtige vlinder en die zwierige vogel en dat mooie poesje en dat lieve baby’tje en dat mooie meisje en die prachtige vissen en die mooie zon en de sterren en de maan en alles waar we vol van kunnen worden. Het is onvoorstelbaar. Het is prachtig. God is goed. God is nooit ge­noeg te prijzen. Het is onvoorstelbaar. Daar komt geen einde aan. Inderdaad, de aarde is er vol van. We kunnen er niet over ophouden. En God voedt ze alle. Wat een enorme huishouding. Wat een voedselsysteem. Hoe is het moge­lijk dat het allemaal in elkaar past. Het is geweldig. God is goed! Wat een zegen. Alles wacht op U, dat Gij hen geeft spijze te rechter tijd.

Wat een dwaashoofden om te denken dat het allemaal vanzelf is gegaan. Evo­lutie noemen ze dat. Maar het is revolutie tegen God. Neen, van een God wil­len ze niets weten. Weg ermee. Er was eens een big bang, een ontploffing, en daaruit is alles ontstaan. Nou, je moet wel een heel groot geloof hebben om te geloven dat je uit een ontplofte bol weer een mens kunt fabrieken. Het is ge­woon flauwekul. En de goddeloze wetenschappers hollen er achteraan om vooral maar, zelfs tegen beter weten in, vast te houden dat er geen God kan zijn. God lacht om zoveel domheid. En keer op keer proclameert Hij zijn waarheid. Om ons keer op keer te kijk te zetten met onze schijnheilige vroom­heid en zogenaamde waarheid.

We moeten ons bekeren, wil er nog toekomst zijn voor ons land. Als we door­gaan ons door God gezegende land te grabbel te gooien, dan is het oordeel over ons. Willem van Oranje gaf zijn leven voor de vrijheid van ons land om God te kunnen dienen. Hij had een verbond gesloten met: de ‘Potentaat der potentaten’. God stond centraal in zijn leven. Koningin, kabinet en kamers zijn geroepen om vanuit die grondslag, die grondwet, ons land te regeren. Gods hart gaat uit om allen die in hoogheid zijn gezeten, te zegenen. Wij moe­ten dan ook bidden en werken voor hen opdat wij een stil en gerust leven mo­gen leiden. Dat geldt voor iedereen, want de geboden, de waarden en normen van God zijn goed voor alle mensen. Gods hart gaat uit naar ons land. Gods ogen doorlopen de ganse aarde om krachtig bij te staan, hen wier hart volko­men naar Hem uitgaat. Waar zit uw hart? Je zult versteld staan wat God in je leven doet. Psalm 104 zegt dan ook: Opent Gij uw hand dan eten ze. Sluit Gij uw hand, verbergt Gij U voor hen, dan sterven ze en keren terug tot stof. Hoe waar is dat niet? Als we zien dat honger, droogte, rampen, de mensen treffen. Het is toch onvoorstelbaar wat er gebeurt als God Zich terugtrekt? Dan wordt het inderdaad bloedbad volgt op bloedbad. Dan wordt het stelen, liegen, moor­den en echtbreken. En wat zien we om ons heen? Daar waar de mens God ver­laat, daar heeft hij smart op smart te vrezen. Als we God verlaten, dan moeten we ook niet denken dat God naar ons omziet. Dan wordt het van kwaad tot erger. Dan trekt God Zich terug. En daar waar God uit de samenleving weg­trekt, daar wordt het leven kaler en gaat het moeilijker, en zien we de afval en de verloedering toenemen.

God is goed! God is groot! Hij wil ons zegenen. Hij wil ons redden. Hij wil ons uit het moeras trekken. De Heerlijkheid des HERE zij tot in eeuwigheid. Ik wil de HERE God loven, mijn leven lang. Hem eren en dienen. Hem vast­houden. Van Hem getuigen en van Hem proclameren. Hem vasthouden en ons niet in de luren laten leggen door wat voor compromissengeloof dan ook. Dan komen we op voor het leven. Dan komen we op voor het huwelijk. Dan komen we op voor onze kinderen. Dan komen we op voor zijn schepping. Dan laten we ons zijn schepping niet afnemen. Dan hoeven we niets te verdedigen, maar dan proclameren we gewoon wat God Zelf zegt. We hoeven God niet te verde­digen. We hoeven onszelf niet te verdedigen. We hoeven alleen maar gehoor­zaam achter de grote Schepper aan te gaan. En we doen er goed aan er haast mee te maken, want de tijd dringt. Het water staat tot aan onze lippen. We zien de stormen komen. We zien dat ons land weer onder water loopt. God grijpt in. Hij houdt zijn hand terug. We worden verdelgd. Nog is het zegen, maar de vloek gaat al rond.

Hoe halen we het in ons hoofd, om kinderen uit de moederschoot te rukken? Hoe halen we het in ons hoofd om de stekker uit het leven te trekken? Hoe halen we het in ons hoofd om leven te selecteren? Het is toch geen Nazi-tijd. Hoe halen we het in ons hoofd om de natuurlijke omgang van man en vrouw te grabbel te gooien? Waarom al dat gedram van kerkelijke leiders om toch vooral maar homo-leiders naar voren te schuiven? Dat is de boze, die God tart, door te zeggen, dat als God zegt dat elke seksualiteit buiten het huwelijk Hem een gruwel is, God in het gezicht te slaan en gewoon dwars tegen God in gaan. Het is de ultieme ontkenning van God. God schept het leven en we roven het voor de geboorte al weg. En als het dan geboren is, dan zijn we er als de kip­pen bij om het kapot te maken en onze kinderen te vergiftigen met dingen waar ze nog lang niet aan toe zijn. Ze worden overgoten met seks, drank en drugs als ze nog nauwelijks op hun benen kunnen staan. Meisjes en jongens van nauwelijks tien, roken en smoken en blowen en hoeren al met elkaar. Ze weten niet beter, want, òf moeder weet niet beter dan ze de pil mee te geven òf vader zit ook meehoerend achter internet of de tv. En de kerk? Die zwijgt ook in alle talen, allang blij dat ze een huwelijk kunnen inzegenen van samenwo­nende paren, zowel homo als hetero. En wij maar klagen over de jeugd van tegenwoordig. We jagen ze zelf naar de disco en de drank en de drugs toe. We maken ons druk over ‘Samen op Weg’ of niet. We putten ons uit in wel of geen liederen, wel of geen HEERE met hoofdletters of drie ee’s, standen en uitverkiezing. Maar onze jeugd, die schreeuwt om echt leven, heeft allang door die schijnheiligheid heen geprikt en zakt weg in de wereld of is smach­tend bezig een eigen weg te zoeken in jeugdkerken of jongerenavonden of pogingen om met de vaak hooghartige autoritaire kerkelijke leiders in contact te komen.

We roepen om gebed. We doen een gebed, maar gaan over tot de orde van de dag. Ik haat dat bidden, zegt God, want jullie blijven elkaar verbijten en ver­eten. En de wereld lalt en lacht verder. De abortusklin(fabr)ieken draaien op volle toeren. Ook voor ‘christelijke’ meisjes. Het is de HERE een gruwel. Als God door de moloch-abortus-zonde van Salomo zijn eigen rijk niet spaart en het deelt in tien en twee stammen, en als God zijn eigen volk en land niet spaart, maar het om de moloch-abortus-zonde in ballingschap zendt en tot op vandaag over de wereld heeft verstrooid, wat denken we dan wel dat wij zijn oordeel ontlopen als we maar gewoon door gaan met dagelijks minstens hon­derd kinderen uit het moederlichaam te scheuren, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is? Is de afval en de verloedering van onze eigen kinderen dan geen oordeel? Daar lijden we toch allemaal aan? Of niet meer? We kennen allemaal onze vrome woorden. De prediking is er vol van. Ontwaakt gij die slaapt! Bekeert U! Heet, noch koud! De kennis Gods is uit het land! Zo pries­ter zo volk! Enz., enz. Maar kennelijk moet er eerst een ramp komen om ons wakker te beuken. De watersnoodramp van 1953 heeft ons geestelijk niet geraakt, en de 50-jarige herdenking op 1 februari 2003 ook niet zoals het lijkt. Wat met verve in de praktijk gebracht moet worden, is waar we elke kerk­dienst mee begint: Onze hulp is in de naam des HEREN, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. En de Bijbel en de geschiedenis staan vol van de zege­ningen die God uitstort als mensen weer de moed en de genade ontvangen om dwars tegen de stroom in de goede Koers, de Reformatorische, de Uitdaging, de Gereformeerde, de Hervormde, de Evangelische, de Charisma, de Daniël, de Opbouw, de Samenbinder weg inslaan. En dan als een stratenmaker: Op de knieën en achteruit. Heerlijk toch zo’n evangelie?!

Psalm 105:1-22

27 december [2]

105:1

Looft de HERE, roept zijn naam aan,
maakt onder de volken zijn daden bekend;

105:2

zingt Hem, psalmzingt Hem,
gewaagt van al zijn wonderen.

105:3

Beroemt u in zijn heilige naam;
het hart van wie de HERE zoeken, verheuge zich.

105:4

Vraagt naar de HERE en zijne sterkte,
zoekt zijn aangezicht bestendig.

105:5

Gedenkt aan de wonderen, die Hij heeft gedaan,
zijn tekenen en de oordelen van zijn mond,

105:6

gij nakroost van Abraham, zijn knecht,
gij kinderen van Jakob, zijn uitverkorenen.

105:7

Hij, de HERE, is onze God,
zijn oordelen gaan over de ganse aarde;

105:8

Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond,
– het woord, dat hij gebood aan duizend geslachten –

105:9

dat Hij met Abraham sloot,
en aan zijn eed aan Isaäk;

105:10

ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting,
voor Israël tot een eeuwig verbond,

105:11

toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven
als het u toegemeten erfdeel.

105:12

Toen zij weinige mensen in getal waren,
een kleine schare en vreemdelingen daarin,

105:13

en van volk tot volk trokken,
van het ene koninkrijk tot de andere natie,

105:14

gedoogde Hij niet, dat enig mens hen verdrukte,
en bestrafte Hij koningen om hunnentwil:

105:15

Raakt mijn gezalfden niet aan,
en doet mijn profeten geen kwaad.

105:16

Toen Hij hongersnood opriep over het land
en allen staf des broods verbrak,

105:17

zond Hij een man voor hen uit:
Jozef werd als slaaf verkocht;

105:18

men knelde zijn voeten in boeien,
hij kwam in de ijzers

105:19

tot de tijd, dat zijn woord uitkwam,
de uitspraak des HEREN hem in het gelijk stelde.

105:20

De koning zond heen en liet hem los,
de heerser der volken maakte hem vrij;

105:21

hij stelde hem tot heer over zijn huis,
tot heerser over al zijn bezit,

105:22

om zijn vorsten te binden naar zijn goeddunken,
en zijn oudsten leerde hij wijsheid.

Deze psalm is zo bekend. Vooral vers 5 berijmd. Dat was het vers dat altijd na de doop werd gezongen. God zal zijn waarheid nimmer krenken maar eeuwig zijn Verbond gedenken. Dat zongen we nadat de kinderen gedoopt waren. Dat was de bevestiging. Deze psalm hoorde bij de doop van de kinderen in de kerk. Iedereen kende het. We waren er ook altijd emotioneel van, want er was weer een kind toegevoegd aan het Verbond. Zijn Verbond bevestigt Hij van kind tot kind. En zo is het. Dat is waar. We zijn geënt op de wortel. De stam. Op Israël. En wij moeten ons niet beroemen tegen de takken die er tijdelijk uitgesneden zijn, omdat zij tegen God gerebelleerd hebben. Want anders zou ons dit ook wel eens kunnen overkomen. Lees Romeinen 9 tot 11. We lazen het doopformulier. En het omslagpunt was, daar waar de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen. Dat was ook zo, vonden we, want het heil is van de Joden op de gemeente overgegaan. Zij hebben Jezus, hun Messias, afgewezen en nu is het de kerk die de drager is van het Verbond. En voor de Joden is er geen andere weg dan zich tot Jezus te bekeren. Er is geen aparte plaats meer voor hen. Het is met Jezus afgedaan. Het oude is voorbijgegaan, het nieuwe is gekomen. God is goed, en nooit genoeg te prijzen. Wat een vreugde bij al die doopvonten.

En dan lezen we nu deze hele psalm. Waar gaat het over? Het is een psalm om vers voor vers helemaal door te lopen. God maakt zijn daden bekend. Zijn Woord staat daar vol van. Verheug je daarin. Want de daden van God zijn goed. Hij is niet genoeg te prijzen. Looft de HERE. Hij is goed! Prijs zijn Naam! Vraagt naar de HERE en zijne sterkte, zoekt zijn aangezicht bestendig. Lees zijn Woord en leef zijn Woord. Zijn Woord is de waarheid. En de waar­heid kun je kennen uit het Woord van God. Gedenk de wonderen die Hij heeft gedaan. Gij nakroost van Abraham, gij kinderen van Jakob. Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn Verbond, het Woord dat Hij gebood aan duizenden geslach­ten. Hij sloot het met Abraham en bevestigde het aan Isaäk en Jakob. Voor Is­raël een eeuwig Verbond, vast en zeker. Niet aan te tornen. Torn er dan ook niet aan. Eeuwig is eeuwig. “Toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel.” Ze waren klein in getal, maar Hij gedoogde niet dan enig mens hen verdrukte, en bestrafte Hij koningen om hunnentwil: Raakt mijn gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad. Daar staat het. Het is Gods volk. Het is zijn land. Het is een eeuwig Verbond voor land en volk. En wat het volk ook doet. Het blijft Gods uitverkoren volk. Raak het niet aan, want je haalt het oordeel over je. Pas op! God is een rechtvaardig, heilig en jaloers God. Hij duldt geen tegenstand tegen zijn plan. Hier staat het toch duidelijk? Wij moeten ons niet verzetten tegen het volk van God. We begeven ons dan op gevaarlijk terrein. We zullen ons deerlijk verwonden. Als je Gods oogappel aanraakt, dan raak je God zelf aan, dan krijg je de klappen thuis. En dat is niet mals. Het staat hier klaar en duidelijk.

We kunnen dan wel bij het doopvont zingen. We kunnen dan wel zeggen dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen, maar dan doen we deze psalm geweld aan. Hier staat toch dat het een eeuwigdurend Verbond is. En dat het geldt voor land en volk. Dat wat er ook met dat volk gebeurt, wij er altijd achter moeten blijven staan. Dat is Gods opdracht. Dat eist Hij van ons. Niet de doop in de plaats van de besnijdenis. Niet de beloften laten overgaan op de kerk. Neen, de beloften blijven beloften en wij als gelovigen uit de vol­ken doen er goed aan om de profetie te lezen en op de tekenen der tijden te letten om te zien wanneer de verlossing komt. Dat is een revolutie in de kerk. Want de doop is een teer onderwerp. Het is het aanraken van een heilig sacra­ment. Het is een heilig huisje. Daar brand je je vingers aan. En het Verbond is het kernstuk van de dogmatiek. Het is het Verbond met Abraham, zijn vriend, dat Hij bevestigt aan de kerk nu. Voor Israël geen plaats. Maar dat is een grote leugen, dat is, deze tekst laten buikspreken. Het slaat nergens op. Want de tekst maakt juist overduidelijk dat het Verbond met Abraham blijft en een eeuwig Verbond is.

En dan vervolgt de psalm met een fantastisch gedeelte. Jozef is door zijn broe­ders verkocht. Vreselijk, wat een broers. Maar de dichter ziet het, dat Jozef door God is vooruitgestuurd, omdat er hongersnood zou komen. Hij had het vreselijk moeilijk in de gevangenis. Maar toen Hij de koning de droom uitleg­de, toen werd hij vrij en zelfs onderkoning. Hij was de tweede man van het land Egypte. Wat een wonder. Toen kwam de hongersnood. De zeven magere jaren na de zeven vette. Er was nog graan in overvloed in Egypte. En de broers kochten graan. We weten van de geschiedenis van Benjamin en de beker in het graan. Daarna de bekendmaking van Jozef aan zijn broeders. Wat een emotioneel moment. En dan trekt Jakob met heel zijn hebben en houden naar Egypte en ze mogen met hun schapen gaan wonen in het land Gosen. Want schapen waren de Egyptenaren een gruwel. Neen, het waren de koe en de kik­ker, die heilig waren. Wat een wonderlijke geschiedenis. Hoe is het mogelijk? Toeval bestaat niet. Het is Gods voorzienigheid. Hij had het voorzien. Hij leidt zijn volk door de wereld tot op vandaag toe. Jozef gebruikt door God, om plaats voor te bereiden voor het uitverkoren volk. Wie had dat kunnen denken toen Jakob elke dag leed om het verlies van zijn geliefde zoon. God is goed en niet genoeg te prijzen. Prijs de HERE! Want Hij is goed.

Psalm 105:23-45

28 december [2]

105:23

Toen Israël naar Egypte gekomen was,
en Jakob als vreemdeling vertoefde in het land van Cham,

105:24

maakte Hij zijn volk zeer vruchtbaar
en machtiger dan zijn tegenstanders.

105:25

Hij veranderde hun harten, zodat zij zijn volk haatten
en listig handelden tegen zijn knechten.

105:26

Hij zond Mozes, zijn knecht,
en Aäron, dien Hij Zich verkoren had.

105:27

Zij deden onder hen zijn aangekondigde tekenen
en wonderen in het land van Cham.

105:28

Hij zond duisternis, maakte het duister;
en zij waren tegen zijn woorden niet weerspannig.

105:29

Hij veranderde hun wateren in bloed
en deed hun vissen sterven;

105:30

hun land wemelde van kikvorsen,
zelfs in de kamers van hun koningen.

105:31

Hij sprak, en er kwamen steekvliegen,
muggen over hun ganse gebied.

105:32

Hij maakte hun regens tot hagel,
gaf laaiend vuur over hun land;

105:33

Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgenboom
en verbrak het geboomte in hun gebied.

105:34

Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen,
verslinders zonder tal;

105:35

zij aten al het groene kruid in hun land
en aten de vrucht van hun akker.

105:36

Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land,
de eerstelingen van hun ganse kracht.

105:37

Hij voerde hen uit met zilver en goud,
en er was in hun stammen niemand die struikelde.

105:38

Egypte verheugde zich, toen zij uittrokken,
want vrees voor hen was op hen gevallen.

105:39

Hij breidde een wolk uit tot bedekking,
en vuur om de nacht te verlichten.

105:40

Zij vroegen, en Hij deed kwakkelen komen,
met brood uit de hemel verzadigde Hij hen.

105:41

Hij opende de rots, en wateren vloeiden,
zij stroomden door de dorre streken als een rivier;

105:42

want Hij gedacht aan zijn heilig woord,
aan Abraham, zijn knecht.

105:43

Hij voerde zijn volk uit met blijdschap,
zijn uitverkorenen met gejubel.

105:44

Hij gaf hun de landen der volken,
zodat zij de arbeid der natiën beërfden,

105:45

opdat zij zijn inzettingen zouden onderhouden,
en zijn wetten bewaren. Halleluja.

En toen kwam de hongersnood. Jakob wist ook niets beters te doen dan om ook mensen naar Egypte te sturen om voedsel te kopen. De hongersnood was groot. Maar God had in zijn voorzienigheid, in zijn ondoorgrondelijke wijs­heid, Jozef zoveel jaren eerder laten verkopen naar Egypte. En Jozef was na omzwervingen en de gevangenis en veel lijden aan het hof gekomen, omdat God hem de droom van de zeven vette en de zeven magere koeien liet uitleg­gen. Het was een wonder. Het was geweldig. God is goed. En nooit genoeg te prijzen. God is goed. God is groot. Prachtig! Wat een geschiedenis. En nu gaan de broers eerst. En dan weten we van de ontmoeting met Jozef. Jozef ziet het. Hoe is het mogelijk. Zijn broers. En die zijn bang. Want ze hebben niets gestolen. Ze hebben de beker niet genomen. En dan uiteindelijk trekt Jakob ook naar Egypte. Hij ontmoet zijn zoon. Wat zal dat een weerzien geworden zijn. Wat een enerverende ontmoeting. God is groot. En ze mogen wonen in het land Gosen. Eén van de vruchtbaarste gedeelten. En het gaat hen goed. Ze groeien en ze bloeien. Ze hebben het veel gemakkelijker dan in het hun eigen land. En als de hongersnood allang voorbij is, dan denken ze er niet aan om terug te keren naar het hun beloofde land. Dat zou toch voor de hand gelegen hebben? Want ze waren hier toch gast? Ze hoorden er toch niet? Maar dan komt er een koning, na zoveel honderd jaren, die niet meer denkt aan Jozef en het wonder. Maar die ziet dat zij te groot en te talrijk en te machtig worden en een gevaar vormen voor de Egyptenaren zelf. Daar moeten ze iets aan doen. Dat gaat niet goed. De geboorte moet beperkt worden. Dus alle jongetjes moe­ten in de Nijl verdronken worden. Ze worden geknecht. En dan het verhaal van Mozes. Dat is geen toeval. Neen.

Hier wordt gezegd dat God Mozes zond, zijn knecht, en Aäron. En die deden de door God aangekondigde tekenen. Hij zond duisternis, maakte het duister. Hij veranderde water in bloed, en deed hun vissen sterven. Het land wemelde van de kikvorsen, zelfs in de kamers van hun koning. Dan de steekvliegen, de regen en de hagel, de sprinkhanen. Tenslotte slaat Hij de eerstgeborenen van het land. En dan voert Hij hen uit met krachtige hand. En er was in hun stam­men niemand die struikelde. Egypte verheugde zich toen zij uittrokken, want vrees voor hen was op hen gevallen. Wat een wonder. Wat een geschiedenis. God is het Die het volk leidt. Hij leidt hen naar Egypte en Hij leidde hen ruim vierhonderd jaar later uit Egypte. Want we hebben het over een eeuwigduren­de belofte. Het kan dan vierhonderd jaar duren, maar Gods beloften blijven ja en amen. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Toen niet, nu niet en nooit niet. Gevaarlijk als je het wel doet. Want dan krijg je met God en zijn volk te maken. Geloof Hem! Dan komt de wolk overdag om hen te bedekken. Want het kan heet zijn in de woestijn en donker in de nacht. Maar de vuurkolom was er in de nacht om hen te verlichten. De kwakkels kwamen en het brood uit de hemel. Hij opende de rots en het water vloeide. Want Hij gedacht aan zijn heilig woord, aan Abraham zijn knecht. Hij voerde zijn volk uit met blijd­schap, zijn uitverkorenen met gejubel. Hij gaf hun de landen der volken, zodat zij de arbeid der natiën beërfden, opdat zij zijn inzettingen zouden onderhou­den en zijn wetten bewaren. Halleluja.

Dat is pas een geschiedenis. Ze zijn in het beloofde land gekomen. Het is het hun toegemeten erfdeel voor eeuwig. Gods plannen falen nooit. Deze psalm is daar een bewijs van en deze psalm geldt ook voor vandaag. Gelovigen uit de volkeren zijn dan geënt op de stam. Maar de gelovigen uit de Joden zijn het uitverkoren volk. Zij zijn bevoorrecht. De Joden die niet in Messias Jezus ge­loven missen hun Messias en dat is de grote tragiek voor hen. Want Jezus kwam in de eerste plaats voor hen. God lijdt daaraan het meeste. Maar wij moeten daar nog niet een schepje bovenop doen door de Joden te verwijten dat zij Messias Jezus hebben gekruisigd en er voor hen geen andere weg is dan zich bij de christenen aan te sluiten en hun Joodszijn te verloochen. Hun weg is de Messias en die mogen we hen niet onthouden. Maar voor het uitverkoren volk en het uitverkoren land heeft God nog steeds zijn vast plan. Het volk zal terugkeren en ze zullen er wonen. Hij zal zijn wetten in hun harten leggen. Dat staat zo vast als een huis. Wij moeten geloven in de profetie. Hoe het komt, wanneer het komt en hoe het precies zal gaan, dat weet alleen God. Maar het gaat gebeuren. Want als het na vierhonderd jaar gebeurt, dan zal het ook na zoveel eeuwen, nu gebeuren. We zouden er goed aan doen om op dat profe­tisch woord acht te slaan. Want we leven na de komst van de Messias. We leven nu in de verwachting van zijn wederkomst. En daar gaat heel wat aan vooraf. Want de tegenstander van God duldt niet dat dat gaat gebeuren en zal alles uit de kast halen om de Joden en de gelovigen tegen te werken, te vervol­gen en te doden waar hij kan. Maar dan komt Gods oordeel en Gods ingrijpen. Lees het, leef het. Deze psalm is het overtuigende bewijs van Gods almacht en Gods plan door de geschiedenis. We hoeven daar niet aan te twijfelen. Net zo­als er hier ook niet aan getwijfeld wordt. Als we dat eenmaal gaan zien, dan komt het Woord van God en zijn plan met zijn uitverkoren volk en de volke­ren in een perspectief te staan, dat je drijft om dicht bij Jezus te blijven en met krachtige stem dat Woord te verkondigen. God is goed. Heerlijk evangelie. Je moet het gewoon lezen. We kunnen het niet genoeg herhalen. We moeten niet denken dat wij de Bijbel lezen, maar de Bijbel leest ons en verandert ons den­ken in zijn denken en leidt ons op de eeuwige weg. Wat wil je nog meer?

Psalm 106:1-23

29 december [2]

106:1

Halleluja. Looft de HERE, want Hij is goed,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

106:5

opdat ik het goede voor uw uitverkorenen moge zien,…

106:6

Wij hebben gezondigd, evenzeer als onze vaderen,…

106:7

Onze vaderen in Egypte sloegen geen acht op uw wonderen,…
…doch waren weerspannig bij de zee, bij de Schelfzee.

106:8

Maar Hij verloste hen om zijns naams wil,
om zijn kracht bekend te maken.

106:9

Hij dreigde de Schelfzee, en zij verdroogde,
Hij deed hen gaan door de waterdiepten…

106:11

want de wateren bedekten hun tegenstanders,
niet één van hen bleef over.

106:12

Toen geloofden zij zijn woorden,
zij zongen zijn lof.

106:14

zij werden met lust bevangen in de woestijn…

106:15

Hij gaf hun wat zij begeerden,
maar henzelf deed Hij wegteren.

106:17

De aarde opende zich en verslond Dathan,
zij bedekte de bende van Abiram.

106:18

een vlam verteerde de goddelozen.

106:19

Zij maakten een kalf bij Horeb
en bogen zich neer voor een gegoten beeld;

106:21

Zij vergaten God, hun Verlosser,
die grote dingen in Egypte gedaan had,

106:23

Toen zeide Hij, dat Hij hen zou verdelgen –
indien Mozes, zijn uitverkorene,
niet vóór Hem in de bres had gestaan
om zijn grimmigheid af te wenden,
zodat Hij hen niet verdierf.

Ja, zo is het. Looft de HERE, want Hij is goed. Welzalig zij, die het recht on­derhouden, die te allen tijde gerechtigheid doen. Dat is wat God wil. Daarbij kunnen we in vrede leven. Heerlijk evangelie. Dat moeten we dan ook doen. Dan kunnen we spreken van de grote daden van God. Hoe is het in ons leven? Zijn we op de weg van recht en gerechtigheid? Volgen we Hem op al onze wegen? Dan gaat het goed. God is groot.

Maar, zegt de dichter, wij hebben gezondigd evenals onze vaderen. Daar heb je het weer. We zondigen en we zondigen. We laten ons zo maar weer verlei­den om de verkeerde keuzes te maken. En dan gaat het mis, daar moeten we niet aan toegeven. God is groot en niet genoeg te prijzen. We hebben verkeerd gedaan, goddeloos gehandeld. Waarin dan? En dan volgt er een rijtje. Hoe halen ze het in hun hoofd. Wat een ondankbaarheid. Wij zouden er allang de brui aan hebben gegeven. Zo ondankbaar, nadat God zulke grote wonderen heeft gedaan. God deed grote wonderen in Egypte, maar het volk sloeg er geen acht op. Ze waren weerspannig bij de Schelfzee. Hoe kon Mozes ze uit Egypte leiden als ze nu in de pan gehakt worden door het leger van de Farao, als ze voor de Schelfzee staan? Wat een toestand. Wat zouden wij gedaan hebben? Maar God verloste hen om zijn kracht bekend te maken aan hen en aan de vol­keren. De zee spleet en ze konden er door trekken. Is dat geen wonder? On­voorstelbaar. Zo verlost Hij hen uit de macht van de vijand. Want die trok hen achterna door de drooggevallen zee, maar verdronk met al zijn volk. God is groot. Toen geloofden zij zijn woorden. Dat lezen we in het lied van Mirjam.

Maar het is maar even of ze vergeten weer zijn daden. Ze wachten niet op zijn raad. Ze beginnen weer te murmureren. Wat een ondankbaarheid. Zou God hen ook nu niet kunnen verlossen? Ze worden met lust bevangen, maar dan teren ze weg. Ze waren afgunstig op Mozes en Aäron. Maar dat hebben ze geweten. Korach, Dathan en Abiram werden verslonden toen de aarde zich opende. Vuur verslond de afgodendienaars, de revolutionairen. God grijpt Zelf in. Je moet goed oppassen wat je tegen God denkt uit te halen. God is goed en nooit genoeg te prijzen. En dan de geschiedenis bij de Horeb. Het is toch niet te geloven? Ze maakten een gouden kalf en dansten erom heen. Vreselijk. En dat terwijl God met Mozes sprak op de berg en Hem de Tien Geboden gaf. Dat is je toch niet voor te stellen? Maar het is gebeurd. Zij verruilden hun eer, tegen het beeld van een rund dat gras eet. Hoe halen ze het in hun hoofd? Dat hadden ze van de Egyptenaren afgekeken. Het rund was hun god. Daar konden ze dus meer van verwachten. Want Mozes was verdwenen en die verwachtten ze niet meer terug. Dan maar weer terugvallen op de afgoden van de Egypte­naren. Zij vergaten God, hun Verlosser, Die grote dingen in Egypte had ge­daan, en geduchte daden bij de Schelzee. Wat een volk. God heeft er genoeg van. Hij wil ze verdelgen. En als Mozes niet dwars voor de HERE was gaan staan en voor het volk gepleit had, dan was het misschien ook wel gebeurd. Hij pleit op het Verbond. Hij pleit op de Naam van God tegenover de volke­ren. God, niet doen. Uw eer staat op het spel. En zo wordt de grimmigheid van God afgewend.

Een uit het leven gegrepen verhaal. Wat een toestand. Daar moeten we voor oppassen. Maar hoe vaak zitten we zelf ook zo maar in de min? Vergeten we ook de grote daden die God heeft gedaan en het grootste dat Hij zijn eigen Zoon gezonden heeft, omdat Hij ons zo lief had, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Wat een genade. Wat een liefde. En wij maar klagen en steen en been jeremiëren. Want als God dit en als God dat? En waarom die en waarom dat? En dat terwijl we vol kunnen zijn voor Gods grote liefde, die het mogelijk maakt om temidden van de stormen van het leven geborgen te zijn in Christus, in God. Zijn kracht in onze zwak­heid. Daar moeten we ons op richten. Deze psalm is een ernstige waarschu­wing, ook voor ons. We moeten dicht bij Jezus blijven, dan gaat het goed. Dan komen we goed terecht. Dan zien we het zitten, dan heeft Hij altijd een uitred­ding, hoe dan ook. Prijs de HERE.

Psalm 106:24-48

30 december [2]

106:24

Zij versmaadden het kostelijke land,
zij geloofden zijn woord niet;…

106:26

Ten zwoer Hij hun met opgeheven hand,
dat Hij hen zou neervellen in de woestijn,

106:27

ook hun nakroost zou neervellen onder de volken,
en hen verstrooien over de landen.

106:28

en dodenoffers aten,

106:29

en Hem tergden door hun daden,…

106:30

Maar Pinehas trad op en hield gericht;…

106:32

Zij vertoornden Hem bij de wateren van Meriba;
het verging Mozes kwalijk om hunnentwil,

106:33

want zij waren tegen zijn Geest weerspannig,
en hij sprak onbezonnen met zijn lippen.

106:34

Zij verdelgden de volken niet,…

106:36

zij dienden hun afgoden,…

106:37

zij offerden hun zonen
en hun dochters aan de boze geesten;

106:38

ook vergoten zij onschuldig bloed,
het bloed van hun zonen en dochters,
die zij offerden aan de afgoden van Kanaän,
zodat het land door bloedschuld werd ontwijd.

106:40

Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen zijn volk,
en Hij gruwde van zijn erfdeel;

106:41

Hij gaf hen in de macht der volken,
zodat hun haters over hen heersten;…

106:44

Maar, als Hij hun benauwdheid zag,
wanneer Hij hun gejammer hoorde,

106:45

dan gedacht Hij te hunnen gunste aan zijn verbond,
en had deernis naar zijn grote goedertierenheid.

106:46

Dan deed hij hen barmhartigheid vinden
bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd.

106:47

Verlos ons, HERE, onze God,
verzamel ons weder uit de volken,
opdat wij uw heiligen naam loven,
ons beroemen in uw lof.

106:48

Geloofd zij de HERE, de God Israëls,
van eeuwigheid en tot eeuwigheid,
en al het volk zegge: Amen. Halleluja!

Zij versmaadden het kostelijke land, zij geloofden zijn Woord niet. Zij morden in hun tenten, zij luisterden niet naar de stem des HEREN. Toen zwoer Hij hen met opgeheven hand, dat Hij hen zou neervellen in de woestijn, ook hun nakroost zou neervellen onder de volken, en hen verstrooien over de landen. Ja, zo is het gebeurd. Vreselijk toch? De verspieders komen terug. Tien mop­peren en zien het niet zitten en twee wel: Jozua en Kaleb. Maar God had het toch gezegd. Waarom daar dan aan twijfelen? En dan komt het oordeel dat niemand die uit Egypte is gekomen het land zal beërven. Dat ze allemaal in de woestijn zullen sterven. En zo moeten ze veertig jaar door de woestijn trekken voordat iedereen gestorven is. Pas dan mogen hun kinderen het land intrekken. Dat is toch ook vreselijk? Wat een oordeel. Maar als je ook twijfelt aan het Woord van God, dan kom je verkeerd uit. Gods weg is de beste. Je moet heel eenvoudig gaan op zijn Woord. Niet de verkeerde kant op gaan. Niet luisteren naar allerlei nieuwlichters, dwaalleraars die het zelf wel eens zullen uitleggen. Neen. Het gaat om het Woord van God. En wat God belooft, dat doet Hij ook.

We moeten dus heel voorzichtig zijn om ook maar een millimeter te twijfelen aan het Woord van God. Als wij ergens een eigen exegese aan geven, dan komen we ook verkeerd terecht. Hij duldt dat niet. Als God zegt dat ze na vierhonderd zeventig jaar in het land komen, dan komen ze in het land. Als God zegt dat het een eeuwigdurend Verbond is met Abraham, dan geldt dat ook vandaag. En dan kunnen ze eeuwen uit het land verbannen zijn geweest, maar ze komen er terug. Dat zegt God toch? Dat hebben wij niet bedacht. En dan moeten we ophouden om te denken dat die belofte niet meer geldt, dat het exclusief overgegaan is naar de gemeente. Dat is een leugen. Dat staat nergens en dat staat haaks op Gods eeuwigdurende belofte. Als het volk in de woestijn niet aan het oordeel ontkomen is, dan wij ook niet. Daar moeten we terug naar de schrift. En daarbij blijven. Wat voor consequenties dat ook heeft. Want anders hebben we het oordeel al over ons gehaald.

En kijk wat ze nog meer uithalen. Ze eten dodenoffers. Daar komt het oordeel over. Dat is hemeltergend, dat is godslasterlijk. Maar Pinehas trad op en hield gericht en zo wordt het oordeel afgewend. Er moet iemand komen en opstaan en zeggen tot hiertoe en niet verder. Want anders gaat het mis. Het is steeds weer nodig, dat mensen opstaan en er met verve tegenin gaan. Onverschrok­ken. Dan kan er bekering komen. En dan wordt van Meriba verhaald. Mozes sloeg op de rots, net als de vorige keer, omdat het volk weer tekeerging, omdat er geen water was. Maar God had het niet gezegd. Mozes dacht: Het zal wel weer zo gaan. En wat moet ik, als het volk zo zit te zeuren? Maar zo werkt het niet. God spreekt en dan doe je wat God zegt. Als je denkt God voor je karre­tje te kunnen spannen, dan zit je verkeerd. Hij laat Zijn eer niet roven. En hoe vaak doen we dat niet? God dit en God dat, maar Gods gedachten zijn hoger dan onze gedachten. God is hoogverheven. Hij woont in de hemel en wij op de aarde. We kunnen niet bevatten wat Hij in zijn ondoorgrondelijke wijsheid als het beste voor ons acht. Daarom, een toontje lager. Want je zit zo maar de eer van God te beschadigen. Pas op! Mozes mag nu ook het beloofde land niet in­gaan. Zoveel jaren bezig geweest met de opdracht en dan toch het doel mislo­pen. We moeten scherp leven en scherp opletten en dicht bij zijn Woord blij­ven. Dan alleen zijn we veilig en afgestemd op zijn wil en fijngevoelig om te verstaan wat Hij tot ons te zeggen heeft.

Het wordt nog erger. Want God had gezegd dat ze de volkeren moesten ver­drijven als ze het land binnen trokken. Maar dat deden ze niet. Maar ze lieten zich zelfs in met de heidenen en namen over wat zij aan afgodendienst deden. Hoe is het mogelijk? God doet grote wonderen bij de Jordaan, bij Jericho, bij Ai en steeds weer. Maar dan toch nog ongehoorzaam en zelfs de afgoden­dienst overnemen. Dat kan toch niet? Hoe halen ze het in hun hoofd? En die afgoden werden hun tot een valstrik. Zij offerden hun zonen en hun dochters aan de boze geesten. Wat horen we nu? Offeren aan de boze geesten? Je gaat toch niet je zoon en je dochter offeren aan de boze geesten? Het zal toch niet waar zijn. Het volk van God. Ja, het volk van God. Dat is je reinste duivelse praktijk. Dat deden de heidenvolkeren. En daarom moesten ze uitgeroeid wor­den. Ze mochten zich er niet mee inlaten. Maar als je niet doet wat God zegt en ze laat wonen, dan krijg je ook met ze te maken en dan word je ermee be­smet. En dan is de demon er als de kippen bij om je te verleiden en je in te fluisteren dat het goed is om het ook eens te proberen. Want zij doen het al zo lang en het werkt. En zo is de verleider van de beginne, de mensenmoorde­naar, nog steeds bezig om de kinderen te verleiden. Het is verschrikkelijk. Wat een wereld. Wat een afval. De duivel heeft het op het leven van de mens ge­munt. Als God de mens geschapen heeft, dan zal de duivel alles doen om de mens te doden. En dat doet Hij ook. Toen, maar ook nu.

Ze vergieten dus onschuldig bloed. Want hoe kun je kinderen offeren? Hoe kun je onschuldig bloed vergieten? Daar staat Gods oordeel op. Daar is geen terughouding van God voor mogelijk. Het bloed vergieten van hun zonen en dochters. Geofferd aan de afgoden van Kanaän. Het land werd door bloed­schuld ontwijd. Ze verontreinigden zich. Ze pleegden overspel door hun da­den. Vreselijk! Daar kan toch alleen maar het oordeel van God op komen. Je gaat toch nooit je eigen kinderen offeren. Dan moet er wel iets helemaal ver­keerd zijn. Kinderen die in de moederschoot gedragen worden. En dan worden ze geboren en dan ga je ze offeren aan de Moloch. We lezen dat bij Salomo. God had hem zó gezegend. Wat een grote koning. Maar hij had honderden heidense vrouwen. Toen hij oud geworden was, gaf hij toe aan hun verzoek, dat ze ook mochten offeren aan hun eigen goden. En dan worden de afgods­beelden voor Astarte en Moloch opgericht. En dan worden de kinderen geof­ferd in het dal Ben-Hinnom, vlak tegen de tempel aan. Hoe is het mogelijk. Hoe kon het ooit zover komen. Hij had ook helemaal geen heidense vrouwen moeten nemen. Hij had zijn leven moeten heiligen. Waar je mee omgaat daar word je mee besmet. En dan komt God. Hoe is het in je op kunnen komen, zo iets kan toch helemaal niet? Wat een gruwel. Kinderen geschapen naar Gods beeld, offeren aan de afgoden. De duivel. De grote tegenstander, om gunsten van hem te verkrijgen. Maar je weet toch dat offeren aan de demonen alleen maar betekent dat je steeds meer in hun macht komt en alleen maar een slaaf van hen wordt en het van kwaad tot erger wordt. Het oordeel daarop is ver­schrikkelijk. Nog maar net heeft God hen het land en een koning gegeven. Of al bij de derde koning gaat het mis. God laat het dan niet in de tijd van Salomo gebeuren maar bij zijn zoon Het land wordt in tien en in twee stammen ge­splitst. En dat is zo gebleven. En ze hebben voor de rest van hun bestaan on­derling oorlog.

Wat een tragiek. Wat een zonde. Wat een straf. En toch blijft het verbond met Abraham staande. Het blijft zijn uitverkoren volk. God lijdt zelf het meeste onder de zonde van zijn volk. Keer op keer lezen we dat de koning kwaad doet in de ogen des Heren. En keer op keer staat er dan dat ze hun kinderen offer­den aan de Moloch. Het is verschrikkelijk. Het zijn de gewoonten van de hei­dense volken rondom hen, maar niet van het volk van God. En toch doen ze het. Ook weer in de tijd van Jeremia en dan komt de beroemde tempelpredi­king waar Jeremia door God moet zeggen dat het oordeel op het offeren van hun kinderen in het Moorddal zal zijn dat ze in ballingschap gaan. En ze gaan in ballingschap. Maar omdat Gods belofte eeuwigdurend is, komt een deel terug, al is het slechts een zeer gering aantal. De grote rest is onder de volken blijven wonen en verspreid over de gehele wereld. Maar Gods belofte blijft bestaan. Achthonderd keer wordt teruggekomen op die eeuwigdurende profe­tie. God zal ze terugbrengen in het land en Hij zal de tien en de twee stammen weer tot een eenheid brengen. Want zijn beloften zijn eeuwigdurend.

Wat een straf op de zonde van het vergieten van onschuldig bloed. Het wordt in deze psalm 106 krachtig omschreven. Het volk zondigde. Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen Zijn volk, en Hij gruwde van Zijn erfdeel. Hoe kan het ook anders? Als God het volk zo gezegend heeft. Als Hij alles voor ze ge­daan heeft. En ze gaan dan keer op keer hun kinderen op de meest gruwelijke afgodische manier offeren, dan gruwt de HERE daar toch van? Dan komt er toch een einde aan de zegen. Hij gaf hen in de macht der volken, zodat hun ha­ters over hen heersten; en hun vijanden hen verdrukten, zodat zij zich krom­den onder hun macht. Zo is het gebeurd. Wat zijn ze niet vervolgd. Wat een ellende hebben ze over zich heen gekregen. Tot aan vandaag toe.

Hij redde hen ook. Hij wilde hen helpen, maar zij bekeerden zich niet, zodat ze weer wegzonken in hun ongerechtigheid. Zo is het nog. Wat een rampen voor de Joden over de wereld. De Holocaust is nog maar recent geleden. Zes miljoen Joden. En nu sinds de staat Israël, niets anders dan oorlogen, haat en verderf. Ellende, dood en onzekerheid. Ook vandaag worden over de hele wereld de Joden aangezien voor de veroorzakers van het kwaad. Het antisemi­tisme tiert welig. En God ziet het. Hij lijdt Zelf het meeste onder het lijden van zijn uitverkoren volk met wie Hij een eeuwigdurend verbond heeft. Het is toch zijn volk? Een vader die zijn kind ziet vallen lijdt daar toch zelf het mees­te aan. Een vader had twee zonen. Die twee moeten weer één worden. Het is alsof de vader op de uitkijk staat en roept om zijn kind dat weggelopen is. Kom toch! Bekeer je! Ik lijd onder jouw lijden, ook al heb je je het zelf aange­daan. Mijn zoon, wanneer kom je nu eindelijk eens thuis. Daarom staat er ook keer op keer en ook in deze psalm: Maar, als Hij hun benauwdheid zag, wan­neer Hij hun gejammer hoorde, dan gedacht Hij te hunner gunste aan zijn ver­bond, en had deernis naar zijn goedertierenheid. Dat is God. Lankmoedig en groot van goedertierenheid. Zijn hart gaat uit naar zijn kinderen. En Hij haast zich om verlossing te brengen. Messias Jezus kwam in de eerste plaats voor zijn volk. Hij wilde hen verlossen van de komende toorn. Hij roept nog. Maar ze zijn weerbarstig. Maar Hij zal dan zijn wet in hun binnenste leggen, zodat ze allen zullen zien wie ze doorboord hebben en Messias Jezus als hun Verlos­ser zullen erkennen. Wat een massale begroeting zal dat zijn. Wat staat er nog veel te gebeuren. God is goed. En nooit genoeg te prijzen. Heerlijk evangelie. Prijs de HERE!

Het kan niet anders, dat in deze tijd, waar we zien dat we de kinderen aan de moderne Moloch offeren, zelfs al voordat ze geboren zijn, Gods oordeel daar­over onherroepelijk is. Hoe halen we het in ons hoofd om onschuldig bloed te laten vloeien? God is goed! Hoe kunnen we het dan bedenken om kinderen uit de moederschoot te rukken en ze te vermoorden. Abortus noemen ze dat, maar het is niets anders dan het vergieten van onschuldig bloed. Weerloze kinderen uit het moederlichaam, uit de baarmoeder. Hoe durven we het? Wie heeft zoiets ooit kunnen bedenken? En het gaat maar door, dag in dag uit. De pro-abortuslobby is zeer actief en agressief. De mensenmoordenaar van de begin­ne heeft een heerlijke prooi. Meer dan vijftig miljoen kinderen per jaar. En zijn honger is nog niet gestild. Nog meer moeten sneuvelen, want hoe minder mensen hoe meer er voor de rest is. Maar de werkelijkheid is een gruwelijke verminking van de moeder. Een haat die de samenleving teistert. Want hoe kunnen we de liefde nog preken als we de liefde in bloed gesmoord hebben in de moederschoot? Het staat gelijk met de moorden in de bijbelse tijden. Het is de HERE een gruwel. Daarom moeten we niet denken dat we zijn toorn kun­nen ontlopen. Hij haast Zich om aan dat bloedvergieten een einde te maken. En we haasten ons, met Hem, om daar met alles wat in ons is tegen te strijden. Als we slap zijn ten dage der benauwdheid, als de kinderen naar de slachtbank gaan, dan komt onze kracht in het nauw. Want Hij ziet het. En als wij slap zijn, dan wordt hun bloed van onze hand geëist. En dat is oordeel. Want wat hebben we gedaan voor de minsten? Het komt er echt op aan. God is getrouw. Zijn plannen falen niet. Hij wil dat we eerlijk en oprecht zijn. Zijn liefde en waarheid proclameren.

Want: Geloofd zij de HERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot eeuwig­heid, en al het volk zegge: Amen. Halleluja! En dat is het. De tragiek is dat ook Israël God verlaten heeft. In de abortusindustrie zijn er ook Joodse abor­teurs en leidinggevende figuren die tot de abortuslobby behoren. Dat is tra­gisch. Het is tragisch dat in Israël zelfs meer kinderen sneuvelen in de abortus­klinieken dan op de slachtvelden. Het is tragisch dat meisjes in het leger twee gratis abortussen krijgen. Over de vrije seks gesproken. Het is de HERE een gruwel. Zijn uitverkoren volk in zijn uitverkoren land, laden een dubbele schuld op zich. Net als bij de heiligen uit de volken die ook gods water over gods akker laten lopen. Het is de tragiek, dat de orthodoxe Joden hun Messias Jezus radicaal afwijzen en iedereen bestrijden die wel in Hem gelooft. En het is eveneens tragisch dat de geseculariseerde Jood niets van God wil weten. Het is de dubbele tragiek. Als je er over nadenkt, dat vervolgens zij die zeggen Jezus aan te hangen, de Joden maar één weg wijzen om zich te bekeren en zich aan te sluiten bij de kerk. Ze hebben geen enkel oog hebben voor de nog onvervulde profetieën en beloften voor het geheel van Israël. Waardoor een Jood nauwelijks tot jaloersheid kan worden verwerkt omdat we de Joden hun eigen profetie en beloften hebben afgenomen. God moet Zelf wel ingrijpen, want hoe zou het anders ooit goed komen? Het is daarom van zeer groot be­lang om de Bijbel te lezen en dicht bij Jezus te blijven. God is goed! Dank u HERE. Verlos ons van de boze.

Psalm 107:1-22

17 oktober [1]

107:1

Looft de HERE, want Hij is goed,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

107:2

Dat de verlosten des HEREN zo spreken,
die Hij uit de macht van de tegenstander heeft verlost

107:3

en uit de landen heeft verzameld,
van het oosten en van het westen,
van het noorden en van de zee.

107:6

Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid,
en Hij redde hen uit hun angsten;…

107:8

Dat zij de HERE loven om zijn goedertierenheid
en om zijn wonderen aan de mensenkinderen,

107:9

omdat Hij de dorstende ziel heeft gelaafd
en de hongerende ziel met het goede vervuld.

107:10

Er waren er, die in donkerheid en diepe duisternis zaten,
gebonden in ellende en ijzer.

107:11

Omdat zij de woorden Gods hadden weerstreefd
en de raad des Allerhoogsten versmaad,…

107:13

Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid,
en Hij verloste hen uit hun angsten;…

107:16

omdat Hij koperen deuren heeft verbroken
en ijzeren grendels verbrijzeld.

107:17

Er waren dwazen,…

107:19

Toen riepen zij…

107:20

Hij zond zijn woord, Hij genas hen…

107:22

dat zij lofoffers offeren
en zijn werken met gejubel vertellen.

Dat is God. Hij zal ze verlossen, verzamelen uit alle landen waar ook ter we­reld. Dat is zijn plan en dat wordt volvoerd. De HERE is goedertieren. Er wa­ren er die dwaalden. Maar ze riepen in hun benauwdheden tot de HERE en Hij verloste hen. Zij loven de HERE omdat Hij hen verlost heeft. Er waren er die in donkerheid en duisternis zaten. Maar toen riepen zij in hun benauwdheid naar de HERE. En Hij heeft hen verlost van hun angsten. Niet achter de duivel aan gaan. Niet naar zijn verhalen luisteren. Radicaal je ervan afkeren. Want vroeg of laat moet je er toch mee kappen. Het is leeg. Hol. Demonisch en ge­vaarlijk. Weg ermee! En dan mogen we de HERE wel loven en prijzen, want we zien waar toe Hij in staat is: ons te redden van de dood. Ons een leven te geven tot in eeuwigheid. God is goed!

En dan zijn er de dwazen. Wat dom. Maar ze zijn er toch. Die roepen ook in hun benauwdheden. En dan zendt Hij zijn Woord en Hij geneest hen. Dat is geweldig. Dat is geloofstaal. Hij deed hen aan de dood ontkomen. Want je speelt gevaarlijk spel als je je in de klauwen van nacht en duisternis, de boze machten overgeeft. Het wordt dan van kwaad tot erger. Het begint onschuldig, maar het blijft er niet bij. En alles is gericht op seks en drank en drugs en ik-weet-wat-ik-zelf-wil-en-dat-doe-ik. Geen verantwoordelijkheidsgevoel. Ge­woon een losgeslagen bende. Vreselijk wat een wereld. En daar zitten we mid­den in. Daar mogen wij gewoon heel eenvoudig het Woord door proclameren. En dat moet ook iedereen doen die door de HERE is gezegend. Hebben we al gedankt voor de zegeningen van vandaag? Meteen doen! En nooit vergeten. Het gebed is de motor waar alles om draait. God is goed. Wij mogen de HERE loven en prijzen. Want Hij heeft ons verlost van de zonde, van de duisternis, van de groeve. En wie zou daar niet dankbaar voor zijn? Daarom loven en prijzen we Hem. Want we kunnen niet genoeg krijgen van het wonder dat Hij in onze levens doet. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 107:23-43

18 oktober [1]

107:23

Er waren er, die met schepen de zee bevoeren,…

107:24

Zij zagen de werken des HEREN…

107:25

Hij sprak en deed een stormwind opsteken,
die haar golven omhoog hief;…

107:26

hun ziel verging van ellende;…

107:28

Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid,
en Hij voerde hen uit hun angsten.

107:29

Hij maakte de storm tot een zacht suizen,
zodat de golven stil werden.

107:31

Dat zij de HERE loven om zijn goedertierenheid
en om zijn wonderen aan de mensenkinderen;…

107:33

Hij maakt stromen tot een woestijn
en waterbronnen tot een dorstig land;

107:34

vruchtbaar land tot zoute grond
wegens de boosheid van wie daar wonen;…

107:36

Hongerigen doet Hij daar wonen,…

107:38

Hij zegent hen, zodat zij zeer talrijk worden,…

107:39

Dan verminderen zij en zinken weg…

107:40

Over de edelen giet Hij schande uit,…

107:41

Maar de arme beschermt Hij tegen verdrukking…

107:42

De oprechten zien het en verheugen zich,…

107:43

Wie is wijs? Hij lette op deze dingen,
laat men acht slaan op de gunstbewijzen de HEREN.

Zeker, als je woont aan de zee, dan weet je hoe de storm kan beuken op de kust. Wat kan het water hoog opzwiepen. Wat kan de wind hard zijn. Er ver­gaan dan ook schepen. Dan kun je het, in je angst, uitroepen tot de HERE. Dan besef je dat alleen de HERE de storm kan luwen. Want Hij laat de wind opsteken en de storm aanwakkeren. Het was toch de HERE Jezus die de storm kon stillen. Zelfs de wind en de golven gehoorzaamden Hem. Het is geen kin­derverhaaltje, het is werkelijkheid, wereldwijd. Het is zaak dat we naar deze werkelijkheid gaan leven. Het is zeker, dat alles wat er gebeurt, te maken heeft met de almacht van God. We willen dat niet aanvaarden. We zeggen dat we niet alles moeten vergeestelijken. Maar de zaak is, dat wij niet vergeestelijken, maar dat alles al vergeestelijkt is. Elke vezel van ons bestaan is vergeestelijkt. Want we bestaan omdat God er is. We draaien de boel om en dat doen we graag. Want we denken dat wij God kunnen beredeneren met ons verstand. Dat is zo gekomen sinds de tijd van de Verlichting. Met onze ratio, met ons denken zullen we alles wel eens verklaren. Dat is dieper doorgedrongen in ons kerkelijk en christelijk doen, dan we denken. Wat we niet kunnen begrijpen, dat kan niet waar zijn. Het is verschrikkelijk. Maar met deze psalm komen we weer bij onze positieven. Want als de storm opsteekt en we niet meer weten waar we het moeten zoeken, dan moeten we vluchten naar God. En daar dan niet slechts blijven totdat de storm is gaan liggen, maar daar ook blijven. In oorlogstijd zitten de kerken vol, maar als het weer vrede wordt, dan gaan we weer onze gang. Als we na de storm veilig zijn aangekomen in de haven, dan moeten we Hem blijven loven en prijzen en danken om zijn goedheid. Want het is de goedertierenheid des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn. Dat is onze opdracht. Daarom zijn we geboren. Dat is de werkelijkheid.

De psalm gaat verder. Hij maakt stromen tot een woestijn en Hij maakt een woestijn tot een waterpoel. De hongerenden doet Hij daar wonen. En het gaat hen goed. Ze stichten steden en hebben akkers en vee in overvloed. Maar dan verslappen zij. Dan zien ze het niet meer als een gave van God. En dan laten ze het erbij zitten. God straft en maakt vruchtbaar land zout. Kijk eens naar Sodom en Gomorra. Dat was het beste land en daarom koos Lot het. Maar nu is het zoute grond. De Zoutzee is er het voorbeeld van. Over de edelen giet Hij schande uit. De regeerders hebben een zware verantwoordelijkheid. Als je de gronden van de HERE die er zijn om je te zegenen met voeten treedt, dan ga je te gronde. Dan richt je je land te gronde. En dat zal je duur komen te staan. Maar de arme beschermt Hij tegen de verdrukking. De oprechten zien het en verheugen zich, alle onrecht sluit de mond. Het is waar. Als je het ziet door de ogen van God en dat kunnen we, want we hebben zijn Woord en zijn Geest, dan ga je inzien hoe het allemaal zit. Dan zie je niet aan wat voor ogen is, maar je ziet het vanuit Gods plan. Dat kunnen we allemaal, als we gehoorzaam zijn en het Woord lezen en indrinken.

Wie is dus wijs? Hij die let op deze dingen. Sla acht op de gunstbewijzen des HEREN. Want het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgeko­men zijn. Elke morgen zijn zij nieuw. Groot is uw trouw o HERE. We hebben allemaal gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Maar God zij dank, door Jezus Christus. Hij heeft de zonden op zich genomen en daarom mogen we leven. Leef dan ook!

Psalm 108:1-14

19 oktober [1]

108:2

Mijn hart is gerust, o God,
ik wil zingen, psalmzingen, ja van harte.

108:3

Waak op, harp en citer,
ik wil het morgenrood wekken.

108:4

Ik zal U loven, o HERE, onder de volken,
U psalmzingen onder de natiën,

108:5

want hoger dan de hemel is uw goedertierenheid,
tot aan de wolken reikt uw trouw.

108:6

Verhef U boven de hemelen, o God,
uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.

108:7

Opdat uw geliefden ten strijde toegerust zijn,
geef overwinning door uw rechterhand en antwoord mij.

108:12

Zijt Gij het niet, o God, die ons verstoten hadt,
zult Gij, o God, niet uittrekken met onze heerscharen?

108:13

Bied ons hulp tegen de tegenstander,
want mensenhulp is ijdel.

108:14

Met God zullen wij kloeke daden doen,
want Hij zelf zal onze tegenstanders vertreden.

Ja, zo is het. Ik wil de HERE loven. Ik wil het morgenrood wekken. Ik wil U loven onder de volken, U psalmzingen onder de natiën. Want hoger dan de hemel is uw goedertierenheid, tot aan de wolken reikt uw trouw. Uw heerlijk­heid zij over de ganse aarde. Ja, zo is het. Wat een almacht. Wat een goeder­tierenheid. Het houdt niet op. Daar kun je toch de hele dag van zingen, van de vroege ochtend tot de late avond? Dat wil je uitbazuinen over de wereld. Glo­rie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

Dat alles opdat wij toegerust zijn om ten strijde te trekken. Opdat we overwin­ning door de rechterhand van God ontvangen. Hij heerst over onze vijanden. Israël zal het weten, als ze Hem gehoorzaam zijn. Het gaat hier over Moab en over Edom en Filistea. De vijanden van Israël zullen tot zwijgen gebracht wor­den. Dat was toen, maar dat geldt ook voor nu. Hij zal optreden. Als ze Hem loven en prijzen. Als ze Hem gehoorzaam zijn, dan zal Hij hun vijanden ver­slaan. God had hen verstoten, omdat ze ongehoorzaam waren, maar God redt hen uit alle nood. God wil uittrekken met hen in hun legerscharen. Hij wil hulp bieden tegen de tegenstander. Want als het van ons moet komen, dan wordt het niets. Mensenhulp is ijdel. Met God zullen we kloeke daden doen, want Hij Zelf zal onze tegenstander vertreden. Daar gaat het om. Daar moeten we ons op richten. Daarom moeten we onze hoogmoed en onze trots en ons ijdel gedrag afleggen en ons bekeren en ons op God richten, opdat we door Hem en met Hem de strijd zullen winnen. Wat zijn we toch dom, dat we steeds maar weer in eigen kracht denken de boel op te kunnen knappen. Maar het knapt ons bij de handen af. Want als we denken de eer van de HERE God te roven, dan komen we bedrogen uit. En dat is maar goed ook. Daarom willen we Hem loven en prijzen om zijn Almacht. En Hem toezingen. Hem loven en eren en prijzen. Daar word je enthousiast van. Daar kun je niet genoeg van krijgen. Prijs de HERE!

Psalm 109:1-20

20 oktober [1]

109:1

O God, dien ik loof, zwijg niet,…

109:3

en zij bestrijden mij zonder oorzaak;

109:4

tot loon voor mijn liefde weerstaan zij mij,
maar ik ben een en al gebed;…

109:8

mogen zijn dagen weinige zijn,…

109:14

De ongerechtigheid van zijn vaderen
blijve bij de HERE in gedachtenis,…

109:15

opdat Hij hun gedachtenis van de aarde verdelge;

109:16

omdat hij er niet aan dacht liefde te bewijzen,
maar de ellendige, de arme en de versaagde van hart
ten dode toe vervolgde.

109:17

De vloek had hij lief – die kome over hem;
de zegen wilde hij niet – die blijve verre van hem;…

109:20

Dit zij van de HERE het loon van mijn belagers,
en van hen die kwaad tegen mij spreken.

David, de dichter van deze psalm, is in grote nood. Zijn vijanden gaan vrese­lijk tegen hem tekeer. Terwijl hij één en al liefde is, belagen ze hem en treden ze hem met haat tegemoet. Ze moeten niets van hem hebben. Wat een herken­baar beeld. We komen het zelf ook tegen. Je kunt vaak aan mensen zien dat ze niets van de Bijbel moeten hebben. Je ziet soms de haat in hun ogen. Ze den­ken over je heen te kunnen lopen en alles te kunnen zeggen wat in hun kraam te pas komt. Dan gaan onze gedachten ook uit naar al die berichten over ver­volging. Wat kunnen christenen gemarteld worden. Er zijn ook vandaag mil­joenen die vervolgd worden om hun geloof. Het is verschrikkelijk. We weten uit de bijbel hoe Saul achter David heeft aangejaagd om hem uit de weg te ruimen. Zo is deze psalm in grote nood gedicht. David is dan ook één en al ge­bed, zoals hij zegt. Dat is ook de toevlucht. Bij God ben je veilig, wat mensen je ook aandoen. God beschermt je in het grootste gevaar. Er kan je niets over­komen. Ze kunnen zelfs je leven nemen, maar dan nog ben je veilig bij de HERE. Het eeuwige leven is bij Hem. We leven eeuwig. Niets kan ons schei­den van de liefde van God. Want als God zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen heeft overgegeven, zal Hij ons dan ook niet alle dingen schenken? En dat is een geweldige waarheid waar we ons in alle omstandighe­den des levens aan vast kunnen houden. HERE dank U wel. HERE redt ons. HERE verlos ons.

Natuurlijk hebben we een groot verlangen om vrij te komen van de belagers. En natuurlijk willen we niet vervolgd worden. Het is ook geen pretje. Daar weet David alles van. Hij wenst zijn belagers dan ook al het slechte. Daar gaan nog al wat verzen over in deze psalm. Hij wenst ze Gods oordeel toe. Hij die de ongerechtigheid bedrijft, die kan ook weinig liefde verwachten. Ook niemand zal hem liefde bewijzen. En zijn ongerechtigheid blijft de HERE in gedachten. Hij zal met hem afrekenen. Opdat zijn gedachtenis van de aarde zal verdelgd worden. Hij dacht niet aan liefde, maar vervolgde de ellendige, de arme en de versaagde van hart, ten dode toe. Daar staat Gods oordeel op. Dat neemt God niet, want Hij is er juist voor de arme en de ellendige. God ziet de mens aan vanuit zijn nood. Hij wil hen beschermen. Daarom: De vloek die hij liefheeft – die kome over hem, de zegen wilde hij niet – die blijve verre van hem. Dit zij van de HERE het loon voor mijn belagers, en van hen die kwaad tegen mij spreken. Dat was David, maar, ook onze naam kan worden ingevuld. Wie zijn wij? Zijn wij de belagers? Of zijn wij de belaagde? Denk erom. Er staat veel op het spel. De HERE is zwart-wit. Betuigen wij steeds liefde naar onze naaste? Hoe zit het? Welke kant kiezen wij? Ga na bij jezelf! En bekeer je, reinig je! Betuig liefde juist voor hen die je haten. En blijf één en al gebed als anderen je belagen. Bid dat de HERE ingrijpt en je belagers straft en ver­wijderd, maar blijf zelf één en al liefde naar hen toe. Dat is onze opdracht. Daar kun je mee aan de slag en dat houd je op de weg ten leven.

Psalm 109:21-31

21 oktober [1]

109:21

Maar Gij, HERE Here, handel met mij om uws naams wil,
red mij, want rijk is uw goedertierenheid;

109:22

want ik ben ellendig en arm,
mijn hart is doorwond in mijn binnenste;…

109:24

mijn knieën knikken van het vasten,
mijn vlees is vermagerd, zonder vet;…

109:25

als zij mij zien, schudden zij het hoofd.

109:26

Help mij, HERE, mijn God,
verlos mij naar uw goedertierenheid,

109:27

opdat zij erkennen, dat dit uw hand is,…

109:28

Al vloeken zij – wil Gij zegenen;
al verheffen zij zich – laat hen te schande worden,…

109:30

Ik zal de HERE met luider stem loven,
ik zal hem lofzingen temidden van velen;

109:31

want Hij staat aan de rechterhand van de arme,
om hem te verlossen van wie hem veroordelen.

David weet dat hij in de hand van de HERE is. HERE handel met mij om uws naams wil. Ik ben arm en ellendig. Als de mensen mij zien, schudden ze hun hoofd. Help mij, HERE, mijn God. Verlos mij naar uw goedertierenheid. David pleit op de goedertierenheid van de HERE God. Want hij weet dat ook psalm 103 waar is: Loof de HERE mijn ziel en wat in mij is zijn heilige Naam. Want de HERE is barmhartig, lankmoedig en barmhartig en groot van goedertierenheid. Dat is de HERE. Dat is zijn karakter. Daar mag je op plei­ten. Daar kun je terecht. Dat is genade. Dat is je heil. Dat is je bescherming. Heerlijk om daar bij te kunnen schuilen. Daar kun je ook smeken om redding. HERE, red mij, opdat zij zien dat U het bent die mij redt. Waar komt onze redding vandaan? Waar komt onze hulp vandaan? Ja, zo is het. Van de HERE God. En van niemand anders. God beschermt de vromen. Soms niet naar het lichaam, maar wel naar de geest. Het gaat erom dat we op God vertrouwen en naar Hem uitlopen om uitredding. Hij weet wat goed voor ons is. Hij redt ons uit alle nood. Een heerlijke gedachte. We moeten veel meer vanuit God gaan denken. We denken vanuit onszelf en halen God er bij om de zaken op te knappen, waar we Hem voor nodig denken te hebben. Maar zo werkt het niet. Het is andersom. God wil ons zien vanuit zijn hoge liefde. We mogen denken vanuit Hem. Hij heeft altijd het beste met ons voor. Daar moeten we zeker van zijn. En daar mogen we het van verwachten.

Daarom kunnen we zegenend verder gaan. Ook voor onze vijanden. Of juist voor onze vijanden. Want wij weten hoe ver ze af staan van de zegen van God. Hoe dicht ze bij de vloek leven. De belagers worden met smaad bekleed. Dat kan al heel snel zijn, maar ook later, want hun ongerechtigheid blijft God in gedachten. Daarom kan ik temidden van de druk, de HERE God met luider stem loven. Ik kan Hem lofzingen temidden van velen. De mensen zullen ver­steld gestaan hebben van de liederen in de nacht van de ergste gevangenis in Filippi. Van de liederen in de leeuwenkuilen en de arena’s van het Romeinse rijk, de brandstapels en de cellen van de gevangenissen rond de aarde. Zij scholden, maar Hij schold niet terug. Zij sloegen, maar Hij sloeg niet terug. Hij werd als een lam ter slachting geleid. De overwinning lag in het gaan naar het offerblok. Hij Die de zonden der wereld wegneemt. Zijn bloed is onze redding. Zijn bloed is onze zegen. Met zijn bloed kocht Hij ook mij. Genade op genade. Zegen op zegen. Glorie voor zijn Naam!

Dank U HERE, voor alles wat U deed. Wat een psalm. Daar kun je je hele leven mee verder. En zijn er nog vragen? Lees deze psalm met een open hart. God zal je antwoorden. Glorie voor zijn Naam! En bid voor allen van wie je weet dat ze moeite hebben om met deze psalm te leven. We hebben elkaars gebed zo nodig. Steun elkaar, want wie staat, zie toe, dat hij niet valle. We hoeven nooit te twijfelen. Daarom zal ik Hem lofzingen te midden van velen, want Hij staat aan de rechterhand van de arme, om hem te verlossen van wie hem veroordelen. En zo is het en zo blijft het. Prijs de HERE!

Psalm 110:1-7

22 oktober [1]

110:1

Aldus luidt het woord des HEREN tot mijn Here:
Zet u aan mijn rechterhand,
totdat Ik uw vijanden gelegd heb
als een voetbank voor uw voeten.

110:2

De HERE strekt van Sion uw machtige scepter uit:
heers temidden van uw vijanden.

110:3

Uw volk is een en al gewilligheid
ten dage van uw heerban;
in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad
de dauw uwer jonge mannen voor U op.

110:4

De HERE heeft gezworen en het berouwt Hem niet:
Gij zijt priester voor eeuwig,
naar de wijze van Melchizedek.

110:5

De HERE is aan uw rechterhand.
Hij verplettert koningen ten dage van zijn toorn;

110:6

Hij houdt gericht onder de heidenen, hoopt lijken op,
verplettert hoofden op het wijde veld.

110:7

Hij drinkt onderweg uit de beek;
daarom heft hij het hoofd op.

De HERE strekt van Sion uw machtige scepter uit. Wat een profetie. Zo zal het gebeuren. Dat is waar alles op uitloopt. Jeruzalem, de stad van God. God zal zijn wet van Jeruzalem laten uitgaan. Zo was het zijn plan en zo zal het worden. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Dat gaat gebeuren. Dat is al zo. Maar de volken zien dat nog niet. Ook het volk van God niet. Zij komen in ongehoorzaamheid naar hun land terug, verwond door de slagen van de ver­volging, dichtbij en veraf. Een veilige haven. Maar het gaat erom dat zij de God van hun vaderen weer gaan zoeken. Híj zal hen regeren. Melchizedek zal regeren als de Priester-Koning naar Gods hart. God zal Zelf zijn volk weer op de weg brengen. Hij zal zijn wet in hun binnenste leggen. Dat is een groot wonder. Dat zal gaan gebeuren. Daar kun je zeker van zijn. Wat een toekomst. Daar spreekt deze psalm van. David heeft er weet van. Hij gelooft rotsvast in de beloften van God aan zijn voorvaders Abraham, Isaäk en Jakob gegeven. Daar gaat hij in de dagelijkse praktijk ook vanuit. Daarom bouwt hij Jeruza­lem. Daarom heeft hij ook het verlangen om een huis van God te bouwen. Maar dat mocht zijn zoon Salomo doen. De HERE heeft het gezworen. Daar is niet aan te tornen.

Gij zijt priester naar de orde van Melchizedek in eeuwigheid. Daar wordt ook in de Hebreeënbrief over gesproken. De HERE regeert. Hij verplettert zijn vij­anden. Hij duldt niet dat de rechtvaardige vervolgd worden. Hij houdt gericht onder de heidenen. Zij die zijn liefdesgeboden met voeten treden. Hij hoopt hun lijken op. Hij verplettert hen. Hij drinkt onderweg uit de beek, daarom heft hij het hoofd op. God is overwinnaar. Daar hoeven we niet aan te twijfe­len. Wat een belofte. Wat een zekerheid. Wat een houvast. Temidden van het grote wereldgebeuren mogen we daar aan vasthouden. We hoeven niet te wan­kelen. We hoeven niet te wanhopen. We mogen ons richten op die Priester, op Sion en op de toekomst van een wereld van recht en gerechtigheid. Heerlijk toch? Moeten we allemaal aan vasthouden en elkaar bij bepalen. Heerlijk!

Psalm 111:1-10

23 oktober [1]

111:1

Halleluja. Ik zal de HERE van ganser harte loven,
in de kring der oprechten en in de vergadering.

111:2

Groot zijn de werken des HEREN,
na te speuren door allen die er behagen in hebben.

111:3

Majesteit en luister is zijn doen,
en zijn gerechtigheid houdt eeuwig stand.

111:4

Hij heeft voor zijn wonderen een gedachtenis gesticht;
genadig en barmhartig is de HERE.

111:5

Hij gaf spijze aan wie Hem vrezen.
en gedenkt voor eeuwig zijn verbond.

111:6

Hij deed zijn volk de kracht van zijn werken kennen
door hun de erve der heidenen te geven.

111:7

De werken zijner handen zijn waarheid en recht,
betrouwbaar zijn al zijn bevelen,

111:8

vastgesteld voor immer en altoos,
volbracht in waarheid en oprechtheid.

111:9

Hij heeft aan zijn volk verlossing gezonden,
Hij heeft zijn verbond voor eeuwig verordend;
heilig en geducht is zijn naam.

111:10

De vreze des HEREN is het begin der wijsheid,
een goed inzicht hebben allen die ze betrachten.
Zijn lof houdt eeuwig stand.

De vreze des HEREN is het begin der wijsheid. Dus waar moeten we mee be­ginnen? Met de vreze des HEREN! Dus waar begon alle wijsheid mee. Met de vreze des HEREN. We moeten dus, willen we iets begrijpen van alles om ons heen, eerst naar de vreze des HEREN. Daar kunnen we niet om heen. Al het andere is tot mislukking gedoemd. Als we vanuit God beginnen, dan hebben we een goede kijk op de zaak. Waar maken we ons druk om. Gewoon vanuit God leren denken en doen. Hoe doe je dat? Heel eenvoudig. Het Woord dat Hij ons overgeleverd heeft lezen en herlezen en weer opnieuw lezen. Want wij lezen het Woord niet, maar het Woord van God leest ons. Dat kunnen we niet genoeg herhalen. Want God spreekt door zijn Woord en Geest. En het is waar. Want als we ons openstellen voor zijn Woord, dan neemt dat Woord bezit van ons. Het geeft antwoord op onze vragen. Bovendien worden onze vragen ge­richt vanuit het Woord. Onze vragen gaan dan ook niet tegen het Woord in. En dat is heerlijk. Daar kun je mee verder. Daar word je blij van. Dat zul je ont­dekken als je je verdiept in het Woord van God. Dan kun je deze psalm ook nazeggen. Want deze psalm is een loflied op de almacht en de liefde van God. De werken van de Here zijn groot. Als je er op let dan kom je er van onder de indruk. Daar kun je niet om heen. Het is majesteit en luister. En kijk maar om je heen. Het kleinste blaadje is het grootste wonder. Je wordt er alleen maar blij van. Hij heeft een gedachtenis gesticht voor zijn wonderen.

Genadig en barmhartig is de HERE. Hij wil ons genade op genade geven. Hij is barmhartig. Wij kunnen het zo vaak verprutsen en in onvolkomenheid te­keergaan. Maar Hij is barmhartig en komt steeds naar ons toe om ons bij de hand ten nemen en ons te leiden op het goede pad van vrede en rust. Hij heeft zijn volk Israël zijn beloofde land gegeven. En dat is een belofte voor altijd. Het kan lang duren of het kan kort duren, maar zijn verbond is eeuwig. Zijn beloften zijn ja en amen. Hij heeft zijn verbond voor eeuwig verordend. Daar kun je je aan vasthouden. Ook al lijkt het er vaak niet op. Het is een heerlijke gedachte om niet te hoeven twijfelen aan het verbond en de beloften van God. Als we terug kijken kunnen we alleen maar constateren dat zijn beloften alle­maal uitgekomen zijn. De Messias is geboren en Hij is opgestaan. Hij zit aan de rechterhand van de Vader. En Hij komt terug zoals geprofeteerd is en Hij zal zijn volk terugbrengen in het land waar ze uit verbannen zijn. Hij komt tot zijn doel. Daarom is de vreze des HEREN het begin van alle wijsheid. Zijn lof houdt eeuwig stand. Daar zing je het eeuwig Halleluja bij. Daar blijf je bij lo­ven en prijzen, zelfs in de nacht. Zelfs al is het moeilijk. Want, waar is waar. En gerechtigheid is gerechtigheid. Prijs de HERE!

Psalm 112:1-10

24 oktober [1]

112:1

Halleluja. Welzalig de man, die de HERE vreest,
die van harte lust heeft in zijn geboden.

112:2

Zijn nakroost zal machtig zijn op aarde,
het geslacht der oprechten zal gezegend worden;…

112:4

Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op,
genadig en barmhartig en rechtvaardig.

112:5

Voorspoedig is de man die zich ontfermt en uitleent,
die zijn zaken recht behartigt;

112:6

want hij zal nimmer wankelen,…

112:7

Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen,…

112:8

zijn hart is standvastig, hij vreest niet,…

112:9

Hij deelt uit, hij geeft aan de armen,…

112:10

De goddeloze ziet het en ergert zich,…

de begeerte der goddelozen gaat teniet.

De HERE vrezen en wellust hebben in de geboden van de HERE. Heerlijk! Dan gaat het je goed. Dan word je gezegend. En dat is te merken in de ge­slachten. Je ziet het in je kinderen. Prijs de HERE! Voor de oprechten gaat het Licht op in de duisternis. En dat Licht met een hoofdletter, dat is het Woord van God, dat is God en dat is het Licht dat komende was. God zei: Er zij licht en er was licht. En Johannes zegt: In de beginne was het Woord. En het Licht schijnt in de duisternis. Het waarachtige Licht: Messias Jezus. Als je Mij volgt zul je nimmer in de duisternis wandelen. Ik ben het Licht der wereld. Wat een genade, wat een barmhartigheid. Wat een toekomst. Wat een perspectief. Daar wil je toch ook van genieten? Daar wil je toch ook bijhoren. Dat wil je niet missen. Het is voor ons allemaal. Want het Licht is gekomen opdat de mensen niet in de duisternis wandelen. En wanneer je in de duisternis blijft wandelen, dan is dat omdat je het Licht afwijst en de duisternis liever hebt dan het Licht. Het aanbod is er voor iedereen. Prijs de HERE!

En als je als rechtvaardige leeft, dan zul je gezegend worden. Dan zie je om naar de arme en de weduwe en de wees. Dan weet je wat je te doen staat. Dan vlied je de werken van de duisternis. God zal je haarscherp duidelijk maken waar je Hem moet volgen. Het Woord van God is duidelijk genoeg. Daar hoef je niet over in te zitten. Je hart is gerust, je vertrouwt op de HERE. Je bent standvastig. Je volgt de geboden. Dan kom je goed uit. Dat maakt het leven rijker en gemakkelijker. Je hoeft niet steeds te denken wat je moet doen. Want je weet precies wat de HERE God van je vraagt. Hij zal je paden recht maken. Je zult niet wankelen. Voor een kwaad gerucht ben je niet bang. De godde­lozen ergeren zich en zullen proberen je in diskrediet te brengen, maar het is heel simpel, de begeerte der goddelozen gaat teniet. Daar hoef je je niet druk over te maken. Ga met God, dan ga je goed. Prijs de HERE!

Psalm 113:1-9

25 oktober [1]

113:1

Halleluja. Looft, gij knechten des HEREN,
looft de naam des HEREN.

113:2

De naam des HEREN zij geprezen
van nu aan tot in eeuwigheid.

113:3

Van waar de zon opgaat tot waar zij ondergaat,
zij de naam des HEREN geloofd.

113:4

Verheven boven alle volken is de HERE,
boven de hemelen is zijn heerlijkheid.

113:5

Wie is als de HERE, onze God,
die zeer hoog woont,

113:6

die zeer laag neerziet,
in de hemel en op de aarde?

113:7

Die de geringe opricht uit het stof,
de arme omhoog heft uit het slijk,

113:8

om hem te doen zitten bij de edelen,
bij de edelen van zijn volk;

113:9

die de onvruchtbare huisvrouw doet wonen
als een blijde moeder van kinderen. Halleluja.

Je kunt deze psalm wel honderd keer oplezen. Het is een prachtige psalm. De psalmen zijn prachtig. Ja, vanwaar de zon opgaat tot waar ze ondergaat, zij de Naam des HEREN geloofd. Verheven boven alle volken is de HERE. Hij gaat ons voor. Hij leidt ons leven. Hij weet wat goed voor ons is. Hij zegent ons. Hij behoedt ons. En Hij beschermt ons. Wat willen we nog meer? Hij laat ons nooit in de steek. Hij richt de geringe op uit het stof en de arme heft Hij om­hoog uit het slijk. Hij zet hem bij de edelen. Hij doet de onvruchtbare huis­vrouw wonen als een blijde moeder van kinderen. God is goed. Hij is juist bij de armen en de verdrukten. Hij weet wat we nodig hebben. Hij weet ons te helpen in onze nood. De Naam des HEREN zij geloofd. En dat moeten we blijven doen. Van de vroege morgen tot de late avond. Van het oosten naar het westen. Van waar de zon opgaat tot waar ze ondergaat. Altijd en immer. Wat een zegen. Wat een vrede. Wat een rust. God is groot. God is goed. God is altijd bij ons. Het is geen sprookje. Het is geen verhaal. Hij is de Schepper van de hemel en de aarde. Dat mogen we proclameren. Dat is de werkelijkheid. Dat is de waarheid. En dat moeten we zeggen. Het is heerlijk om daar van uit te gaan. Dat geeft ons vreugde in alle omstandigheden van ons leven. Hij richt ons op uit het stof. Hij neemt ons bij de hand. Hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig. We kunnen de rest van ons leven wel doorgaan met Hem te lo­ven en te prijzen. Want daar krijg je nooit genoeg van. Hij geeft ons de hand. Wat een liefde. Hij heeft ons lief. Hij geeft zelfs zijn eigen Zoon opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Verlos­sing door het bloed van het Lam. Het Lam geslacht voor onze zonden en voor de zonden van de gehele wereld. Heerlijk toch. Dank U HERE!

Psalm 114:1-8

26 oktober [1]

114:1

Toen Israël uit Egypte toog,
Jakobs huis uit een volk van vreemde taal,

114:2

werd Juda tot zijn heiligdom,
Israël zijn rijksgebied.

114:3

De zee zag het en vluchtte,
de Jordaan wendde zich achterwaarts;

114:4

de bergen sprongen als rammen,
de heuvelen als lammeren.

114:5

Wat was er, o zee, dat gij vluchttet?
gij Jordaan, dat gij u achterwaarts wenddet?

114:6

gij bergen, dat gij als rammen opsprongt,
gij heuvelen, als lammeren?

114:7

Gij aarde, beef voor het aangezicht des Heren,
voor het aangezicht van de God Jakobs,

114:8

die de rots veranderde in een waterplas,
de keisteen in een waterbron.

Gij aarde, beef voor het aangezicht des HEREN. Ja, dat is het. God regeert alles. Hij doet de zee splijten. De Rode Zee en de Jordaan. De bergen splijten en water komt te voorschijn. God spreekt en het is er. God trekt het volk uit Egypte. En Juda en Israël worden zijn rijksgebied. Het is Gods plan met zijn volk en zijn land. Het is Gods plan met de wereld. Het is de boze die tekeer­gaat. Die probeert de boel in de war te sturen. Die probeert de mensen van God af te houden. Maar waarom wendt de Jordaan zich achterwaarts als het volk er door moet? Waarom blijft het water staan als het volk er door moet? Waarom valt het water als Farao’s leger door de zee trekt? God regeert. God opent deuren en God sluit deuren. God is altijd op de troon. Daarom, gij aarde, beef voor het aangezicht des HEREN. Want God is machtig. Probeer niet tegen God in te gaan. God zit op de troon. We zien het in de Openbaring van Jezus aan Johannes. God zit op de troon met het Lam en rondom de troon zijn de vierentwintig oudsten en de vier dieren. Het is een machtig gezicht. Het is de werkelijkheid. Wij, kleine mensenkinderen, mogen ons daarin verheugen. Want Hij heeft ons naar zijn beeld geschapen. Straks zullen we het zien. Nu mogen we er al uit leven.

Wat het is fantastisch om te weten dat je nu al een kind van God bent en deel hebt aan dat plan van God. Want we zien heel goed, dat het, zoals het nu gaat, niet zal zijn. We zijn in zonde ontvangen en geboren. Maar zo is het van de beginne niet geweest. God trekt dan ook zijn plan met zijn volk en zijn land. Hij roept ze uit Egypte. Hij geeft het beloofde land als het rijksgebied. Daar wil Hij wonen. Daar zal de wet uitgaan van Jeruzalem. Daar woont Hij Zelf, daar gebiedt Hij zijn zegen. Daar hebben de psalmen het over. Daar staat de Bijbel vol van. Daar zijn de mensen vol van. Lees de geschiedenis nog eens over de uittocht uit Egypte. Een machtig verhaal. Evenzo de tocht door de woestijn. We hebben te maken met een heilig God. Maar ze zijn weerbarstig. Ze gehoorzamen God niet. Daardoor is er niet één van de mannen die uit Egypte vertrokken zijn die in het land aankomt. Ze zijn allemaal gestorven. Behalve Jozua en Kaleb. Want zij vertrouwden op God. Van de twaalf ver­spieders waren zij de twee die geloofden dat God hun het land van de reuzen zou geven. We hebben te maken met een heilig en rechtvaardig God. Hij laat het niet toe dat we Hem niet serieus nemen. Hij openbaart Zich klaar en duide­lijk in zijn Woord, maar dan moeten we Hem wel serieus nemen in alle delen van ons leven. Zo niet, dan komen we verkeerd uit. Levensgevaarlijk.

Psalm 115:1-18

27 oktober [1]

115:1

Niet ons, o HERE, niet ons,
maar uw naam geef eer,
om uw goedertierenheid, om uw trouw.

115:2

Waarom zouden de heidenen zeggen:
Waar is toch hun God?

115:3

Onze God is in de hemel,
Hij doet al wat Hem behaagt.

115:4

Hun afgoden zijn zilver en goud,…

115:7

zij geven geen geluid met hun keel.

115:9

Israël, vertrouw op de HERE,…

115:11

Hij is hun hulp en hun schild.

115:13

Hij zal zegenen wie de HERE vrezen,…

115:15

Gezegend zijt gij door de HERE,

die hemel en aarde gemaakt heeft.

115:18

maar wij, wij zullen de HERE prijzen,
van nu aan tot in eeuwigheid. Halleluja.

We loven onze God. Onze God is in de hemel. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? God leeft! Hij regeert! We loven en eren Hem. Want de goden der heidenen zijn van goud en zilver. Ze kunnen niets. Ze lopen niet. Ze zijn niets waard. Het zijn afgoden. Maar onze God leeft! Hij spreekt. Hij regeert. Hij is in de hemel en doet wat Hem behaagt. Als je op de HERE vertrouwt, dan is Hij je hulp en je schild. Hij laat je niet in de steek. Hij geeft je zijn beschermende kracht. Je geestelijke wapenuitrusting, die al de brandende pijlen van de boze kan afweren. Die kracht komt van Hem. Want Hij is je hulp en je bescherming. Vertrouw dus op de HERE. Hij zal zegenen.

Weer gaat het om de juiste volgorde. Vertrouw niet op je eigen vlees. Ver­trouw niet op de omstandigheden. Vertrouw niet op de afgoden. Vertrouw niet op de dingen die niet van God zijn. De afgoden zijn van zilver en goud. Die bewegen niet. Die komen en gaan. Maar vertrouw op de HERE. Hij leeft! Ver­trouw niet op aardse goederen, waar de mot en de rot komt en alles wegneemt. En weg is het. Je kunt niet God dienen en de Mammon. Je moet op de HERE vertrouwen en Hij zal je zegenen. Alle zegen komt van boven. Hij heeft im­mers de hemel en de aarde gemaakt? Mag Hij dan misschien ook alle eer ont­vangen voor dat wat Hij gemaakt heeft? Hij heeft ons de aarde gegeven om te wonen. Daar kunnen we leven en genieten en Hem de eer geven. We zullen dat dan ook doen tot in alle eeuwigheid. Want God gaat alles weer herstellen. Hij zal de afgoden wegdoen. Hij zal zijn Koninkrijk van recht en gerechtig­heid herstellen. We zullen het zien. Wat een verwachting. Wat een heerlijk­heid. Het gaat gebeuren en we mogen ons er nu al op verheugen. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Loof de HERE!

Psalm 116:1-19

28 oktober [1]

116:1

Ik heb de HERE lief,
want Hij hoort mijn stem, mijn smekingen.

116:3

ik ondervond benauwdheid en smart.

116:5

Genadig is de HERE en rechtvaardig,…

116:6

De HERE bewaart de eenvoudigen;…

116:7

Keer weder, mijn ziel, tot uw rust,…

116:8

Want Gij hebt mijn leven van de dood gered,…

116:10

Ik heb geloofd, zelfs toen ik sprak:
Ik ben zeer verdrukt;…

116:14

Mijn geloften zal ik de HERE betalen,…

116:15

Kostbaar is in de ogen des HEREN
de dood van zijn gunstgenoten.

116:17

Ik zal U lofoffer brengen
en de naam des HEREN aanroepen.

116:19

in uw midden, o Jeruzalem. Halleluja.

Je kunt het heel moeilijk hebben. Ik lag gekneld in banden van de dood. Je kunt met de dood in de schoenen lopen. Je kunt het niet meer zien zitten. Je roept uit naar de HERE. Red mij, HERE. Hij hoort mijn stem, mijn smekin­gen, mijn klagen. Hij redt mij uit de banden van de dood. Dat is de HERE. Hij laat je nooit in de steek. Je kunt nog geloven temidden van de nood. Niets kan je scheiden van de liefde van Christus. Het grote geheim is dat Hij altijd bij je is. De HERE is genadig en rechtvaardig. Hij richt de eenvoudigen op. Hij geeft de vermoeiden kracht. Als je dat gaat ontdekken, dan wil je de HERE loven en prijzen voor altijd. Dan kan het leven niet stuk. Dan veer je op. Dan richt Hij je op. Dan kun je vreugde bedrijven temidden van de nood. Want je weet dat Hij je helpt. Dat Hij je verlost. En Hij kan je verlossen tegen alle menselijke verwachtingen in. Hij heerst over alles.

Kostbaar is in de ogen des HEREN de dood van zijn gunstgenoten. Ja, zo is het. Niet allen worden gered van de dood. De dood kan komen, doordat de vijanden tekeergaan. Dan sterf je naar het lichaam, maar je leeft voor God. De dood van de rechtvaardigen is kostbaar in de ogen des HEREN. De HERE wil niet de dood, maar het leven. Hij is bij machte ons te redden van de dood. Hij wil ons helpen en ons zegenen. Deze psalmdichter heeft dat ervaren. Als de HERE je opricht, dan kun je Hem eeuwig danken. En dat geldt in alle geval­len. We zijn zo vaak wankelmoedig. We danken wel, maar zijn het ook zo weer vergeten. Dan gaan we weer onze eigen weg. Wij zijn niet de heer, maar Hij is de HERE. Hem komt alle eer toe. Wat kan er dan ook een wolk van ge­tuigen zijn. Die allen de HERE loven en prijzen. Zij, die ons voorgegaan zijn, loven rondom zijn troon. En wij die nog leven, mogen hier te midden van dit tranendal, de HERE loven en prijzen. De gemeente is één groot lofprijzings­koor. Het is heerlijk. Wat een vreugde. En als je meegemaakt hebt dat je let­terlijk gered bent van de dood, dan wil je Hem eeuwig loven en prijzen. Prijs de HERE!

Psalm 117:1-2

29 oktober [1]

117:1

Looft de HERE, alle gij volken,
prijst Hem, alle gij natiën;

117:2

want zijn goedertierenheid is machtig over ons,
en des HEREN trouw is tot in eeuwigheid. Halleluja.

De kortste psalm. Je kunt er wel een boek over schrijven. Want hoe vaak komt deze lofprijzing niet voor in de Bijbel? Telkens als er van de grote daden des HEREN getuigd wordt, volgt er een lofprijzing. Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot aan goedertierenheid, is een vaststaande uitdrukking om het karakter van God aan te duiden. Dat is toch geweldig? Wat hebben we er een potje van gemaakt. God is goed. Hij wil dat wij leven vanuit zijn liefde en trouw, lankmoedigheid, genade en goedertierenheid. Het is het mooiste leven dat je je kunt bedenken. We hebben met onze dogma’s, van God, een boeman gemaakt. Als je niet dit, als je niet dat, dan zul je dit en dan zul je dat. Maar zo is het niet. God is juist gekomen om ons in dit tranendal te helpen om op het rechte pad te blijven. Hij wil ons zegenen. Hij trekt ons omhoog. Hij onder­steunt ons. Daarom is het: Looft de HERE, alle gij volken. Het is niet alleen Israël, maar alle volken die de HERE mogen loven en prijzen. Alle natiën. De hele wereld. Het is ook zo, dat God de hele wereld geschapen heeft. Hem gaan alle volken aan zijn hart. Hij is goed voor alle mensen. Want alzo lief had God de wereld, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Dat is een prachtige tekst in de Bijbel. En het is zo waar. Het is om van te genieten. Het is om bij te leven. Dat moeten we proclameren. Daar moeten we mee verder gaan. Prijs de HERE!

Zijn goedertierenheid is ook machtig over ons. We kunnen de kracht van Hem ontvangen en ervaren in ons leven. We weten dat het waar is. Daarom moeten we dicht bij zijn Woord en Geest blijven. Dan openbaart Hij Zich ook aan ons. Het is geen fabeltje. Het is geen tovermiddel. Hij openbaart zich door zijn Woord en Geest. Nogmaals. Wij lezen de Bijbel dan ook niet, maar de Bijbel leest ons. Dat is een geheim. Dat is een zekerheid. Doe het maar en je zult het zien. Glorie voor zijn Naam! Heerlijk. God zij dank. Dan is zijn trouw ook tot in eeuwigheid. Want wat Hij belooft, dat doet Hij ook. Hij zal zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid vestigen. Dat gaat gebeuren. Dat gaat door strijd heen. Want de boze zal niet zomaar zijn gebied loslaten. Maar het gaat gebeu­ren. En wij mogen daar nu al uit gaan leven. We mogen nu al weten dat we onderdeel zijn van zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid. We kunnen dan nog wel in deze wereld zijn, maar niet meer van deze wereld. God is groot! Prijs de HERE! Halleluja!

Psalm 118:1-14

30 oktober [1]

118:1

Looft de HERE, want Hij is goed,
ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

118:4

Laat wie de HERE vrezen, nu zeggen:
Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

118:5

Uit de benauwdheid heb ik tot de HERE geroepen,
de HERE heeft mij geantwoord…

118:8

Het is beter bij de HERE te schuilen
dan op mensen te vertrouwen;…

118:12

in de naam des HEREN heb ik ze neergehouwen.

118:13

Gij hadt mij wel duchtig gestoten, tot vallens toe,…

118:14

De HERE is mijn sterkte en mijn psalm,
Hij is mij tot heil geweest.

Ja, het is waar. Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Daar moeten we nooit aan twijfelen. Het is het uitgangspunt van ons leven. Daar moeten we de dag mee beginnen. Niet alleen Israël moet het zeggen, maar ook wij uit de volkeren. Iedereen moet het zeggen. En leren zeggen. Want we hebben vaak zoveel redenen om eerst onze voorwaarden te stellen. Er is vaak zoveel in ons leven dat ons dwarszit. Dat zijn vaak heel kleine dingen. En die komen dan eerst in ons op, voordat we ooit het woord goedertierenheid over onze lippen kunnen krijgen. Wat zijn we toch egoïstische mensen. Wat moet God met zo’n stelletje ongeregeld? Als we het vanuit Gods gezichtpunt bekijken, dan moe­ten we ons onze haren uit ons hoofd schamen. Hoe komen we erbij, om Hem zo te bejegenen? Hebben wij de zon gemaakt? Hebben wij de bloem gemaakt? De schepping is het grootste wonder dat bestaat. De schoonheid van de baby. De liefde tussen man en vrouw. Maar ook Gods kracht in de grootste strijd in ons leven. Dat kan er een enorme strijd zijn. En toch. Wij ontvangen zo’n rust en zegen temidden van de grootste strijd en verdrukking, dat we liederen kun­nen zingen in de nacht. Wat zitten er niet een mensen gevangen. Wat worden er veel mensen vervolgd. Wat is er veel haat en nijd. Maar God zit op de troon. Hij zond zijn eigen Zoon, omdat Hij weet dat er geen andere weg was om tot verlossing te komen dan door het offer op het kruis van Golgotha. Dat is de heerlijke gedachte. Dat is de opwekking om dicht met Hem en uit Hem te gaan en blijven leven. Daar moeten we elkaar in bemoedigen.

We mogen de HERE vanuit onze benauwdheid roepen. We mogen Hem loven en prijzen. Hij antwoordt ons altijd. De HERE doet ons de overwinning beha­len. Hij laat ons nooit in de steek. Hij redt ons uit de hand van onze boosdoe­ners. Hij doet ons hen neerhouwen, zoals het in de psalm staat. We verliezen het nooit, want Hij is met ons. Zij kunnen ons van alles aandoen, maar Hij is de overwinnaar. De HERE is mijn sterkte en mijn psalm. Hij is mij tot heil ge­weest. Je kunt wel deerlijk gestoken zijn, tot vallens toe, maar Hij richt je op. Dan kunnen we Hem loven en prijzen. Laat wie de HERE vrezen nu zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Psalm 118:15-29

31 oktober [1]

118:15

Hoort! jubellied en zegezang
in de tenten der rechtvaardigen:
De rechterhand des HEREN doet krachtige daden,…

118:17

Ik zal niet sterven, maar leven…

118:20

Dit is de poort des HEREN,
de rechtvaardigen gaan daardoor binnen.

118:22

De steen die de bouwlieden versmaad hebben,
is tot een hoeksteen geworden;

118:23

van de HERE is dit geschied,
het is wonderlijk in onze ogen.

118:24

Dit is de dag die de HERE gemaakt heeft;
laten wij juichen en ons daarover verheugen.

118:25

Och HERE, geef toch heil,
och HERE, geef toch voorspoed!

118:26

Gezegend hij, die komt in de naam des HEREN;
wij zegenen u uit het huis des HEREN.

118:27

De HERE is God, Hij heeft het voor ons doen lichten.

118:28

Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
o mijn God, U zal ik verhogen.

118:29

Looft de HERE, want Hij is goed,
ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Het is toch geweldig om de HERE te loven en te prijzen? Hij is mèt ons vanuit de hoge hemel. Hij is vol van goedertierenheid. Hij is ons nabij. Hij laat ons nooit in de steek. Hij ondersteunt de rechtvaardigen. De bozen kunnen tekeer­gaan, maar zij zullen in het oordeel vallen. We moeten niet met de verkeerden meegaan, want dan worden we meegezogen met de werken der duisternis. De HERE is groot en nooit genoeg te prijzen. Hij redt ons uit de macht van de tegenstander. Hij ondersteunt ons. Daar kunnen we Hem eeuwig voor loven en danken. Dat doet de psalmdichter ook. Hoe vaak wordt niet herhaald: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Dat kunnen we ook niet genoeg herha­len. Dat is ook heerlijk. Dat is ook om je bij te warmen. De HERE geeft voor­spoed. De HERE geeft heil. Daar mogen we om bidden en smeken. Daar mo­gen we ons naar uitstrekken. Dat is ons doel in het leven. Dat wil God. Het goede voor de mensen. Dat de mens voor het leven kiest. Hij houdt beide voor, het leven en de dood: kies dan het leven. Daar gaat het om. Wat een ze­gen. Wat een liefde. Dat is God. Dat moeten we proclameren. God is een God van het leven. Hij wil ons redden voor het eeuwige leven. Van de dood, die onherroepelijk is.

De steen die door de tempelbouwers versmaad is, die is tot een hoeksteen ge­worden. Een Messiaanse tekst. Inderdaad. Messias Jezus is versmaad. Hij was de Hoeksteen. Hij was beloofd. Hij zou komen. Hij zou ons redden. Hij zou verzoening doen voor onze zonden. Hij is onze Redder. Het is van de HERE geschied. Het is inderdaad wonderlijk in onze ogen. Maar het is de waarheid. Daar kunnen we uit leven. Lees het zelf maar na. Heerlijk. Wat een zegen. Wat een rust. Daarom is elke dag de dag die de HERE gemaakt heeft. Laten we juichen en blijde zijn. Gezegend Hij Die komt in de Naam des HEREN. Hij komt. Hij komt om de aarde te richten. De HERE is onze God, Hij heeft het voor ons doen lichten.

Gij zijt mijn God, U zal ik loven, o mijn God, U zal ik verhogen. Looft de HERE, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Prijs de HERE! Dat wil je alle mensen wel zeggen. Dat gun je iedereen. Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE.

Psalm 119:1-16

11 december [2]

119:1

Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn,
die in de wet des HEREN gaan.

119:2

Welzalig zij, die zijn getuigenissen bewaren,
die hem van ganser harte zoeken;

119:3

die ook geen onrecht plegen,
(maar) wandelen in zijn wegen.

119:4

Gij hebt uw bevelen geboden,
opdat men die ijverig onderhoude.

119:5

Och, dat mijn wegen vast waren
om uw inzettingen te onderhouden.

119:6

Dan zou ik niet beschaamd staan,
als ik op al uw geboden zie.

119:7

Ik zal U loven in oprechtheid des harten,
wanneer ik uw rechtvaardige verordeningen leer.

119:8

Uw inzettingen zal ik onderhouden;
verlaat mij niet geheel en al.

Het gaat hier om het gaan. Het is één en al beweging. Zo is het leven. Het le­ven is één en al beweging. Er is geen moment dat er stilstand is. Er gebeurt al­tijd iets. Zelfs in de stilte. Dan zijn het de getuigenissen van de HERE. Zijn wegen. Zijn geboden. Zijn weg en zijn wet. Welzalig. Het gaat je dus goed. Het zit goed. Er is niets mis. Je kunt er heerlijk op leven. Het is vast en zeker. Daar kun je blij bij zijn. Daar word je blij van. Denk er dus om dat je wegen vast staan. Dan sta je niet beschaamd. Want er is dus ook een andere kant. Het is niet een vanzelfsprekende zaak. Je moet je er wel voor inzetten. Het gaat om ijver. Er is een kant die je ervan aftrekt. Daar moet je voor oppassen. God is goed en nooit genoeg te prijzen.

Ik zal U loven in oprechtheid des harten, wanneer ik uw rechtvaardige veror­deningen leer. Uw inzettingen zal ik onderhouden, verlaat mij niet geheel en al. Zo is het. Je moet de inzettingen, de verordeningen wel leren. Je moet ze ijverig leren. Je moet er geen loopje mee nemen. Je moet ze inprenten. Je moet er wel in volharden. Je moet niet verslappen. Voldoende tijd aan besteden. Steeds weer opnieuw inprenten. Want kennelijk komt het allemaal niet van­zelf. Je wordt er steeds weer vanaf getrokken. Hoe vaak wordt in deze paar verzen al niet opgeroepen om het naarstig te doen. Het is een constante op­roep. En het doen zal je welzalig maken. Het zal je Hem doen loven en prij­zen. Want je ervaart in de praktijk van heel je leven, van alle dag, dat het werkt. Het werkt niet omdat jij het laat werken. Het werkt omdat het van God komt en het indaalt in je leven en daarom werkt het. Het maakt je hart blij en je wegen recht en voorspoedig. Je wordt rechtvaardig en je strekt je uit naar gerechtigheid. Je wilt niet op het pad der zondaars gaan. Je volgt de HERE God en zijn geboden. Het grote en diepe verlangen is dat God bij je blijft en je niet verlaat. Het geheim is dat Hij je nooit verlaat, als Hij je dicht bij Hem laat blijven. Wat een kracht, wat een geheim, wat een zekerheid, wat een richting om eeuwig bij te leven. Glorie voor uw Naam!
(zie vervolg)

Psalm 119:1-16 (vervolg)

11 december [2]

119:9

Waarmede zal de jongeling zijn pad rein bewaren?
Als hij dat houdt naar uw woord.

119:10

Ik zoek U met mijn ganse hart,
laat mij niet van uw geboden afdwalen.

119:11

Ik berg uw woord in mijn hart,
opdat ik tegen u niet zondige.

119:12

Geprezen zijt Gij, HERE;
leer mij uw inzettingen.

119:13

Met mijn lippen verkondig ik
alle verordeningen van uw mond.

119:14

In de weg uwer getuigenissen verblijd ik mij
als over allerlei rijkdom.

119:15

Uw bevelen zal ik overdenken
en op uw paden zal ik letten.

119:16

In uw inzettingen zal ik mij verlustigen,
uw woord zal ik niet vergeten.

Kijk, het gaat erom, waar je op let. Wat is je blikrichting? Loop je er een beet­je bij langs? Geloof je het wel van horen zeggen? Maak je je er niet zo druk om of ben je er nadrukkelijk en ijverig mee bezig? Probeer je alles te weten te komen? Ben je ervan overtuigd dat het belangrijk is dat je de inzettingen van de HERE God naarstig onderzoekt?

Waarmee zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Dat is een duidelijke vraag, waarop ook een duidelijk antwoord komt. Het is kennelijk van alle tijden dat het mogelijk is, dat een jongeling zijn pad niet rein bewaart. Hoe worden jon­geren ook nu niet aangevallen, verleid, uitgedaagd, om niet in het pad van God te wandelen? Het is een permanente uitdaging. Want naast de oproep en de weg van God zijn er de wegen van de verleiding. Als het om reinheid gaat, dan is er de verleiding van de seksualiteit. Het kijken naar de vreemde vrouw. Het je laten meeslepen in je seksuele gevoelens. Daar is het leven vol van. De waarschuwing voor de vreemde vrouw is een voortdurend appèl. Hoe bekend is de geschiedenis van Bathseba en koning David. Koning David kijkt uit het raam en ziet een badende vrouw. Vreselijk wat er in hem opkomt om deze vrouw zichzelf maar te kunnen toe-eigenen. En wat een straf. De profeet Na­than vertelt dan ook een verhaal over een rijkaard die zijn arme stadsgenoot zijn enige lam ontsteelt, waarop David roept: Die man is een kind des doods. En dan roept Nathan uit: Gij zijt die man. David komt ontnuchterd tot zijn positieven.

Dat kan ons dus allemaal gebeuren. Daarom is het allemaal geschreven om ons er bij te bepalen hoe belangrijk het is om onze paden rein te bewaren en bij de verordeningen van God te blijven. Niet links en niet rechts gaan. Daar gaat het om. Niet afdwalen, maar opbergen in je hart. Steeds weer zeggen: HERE, leer mij uw inzettingen. Op uw paden zal ik letten. Let dan ook op. En zie er steeds op toe dat je in zijn wegen wandelt. Steeds weer. Dat is geen van­zelfsprekende zaak. Daar heb je steeds de kracht en de bescherming van God bij nodig. En wanneer je je gaat verlustigen in de inzettingen van de HERE, als het je een vreugde wordt om in zijn wegen te wandelen, dan wordt het le­ven een feest. Dan word je ook beschermd. Dan richt je je oog alleen nog op Jezus, onze Leidsman en Voleinder. Dan besef je ook hoe groot Gods liefde is dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem ge­looft, niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Het is waar. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven, het Licht, het Brood, de Deur, de Goede Herder. Enz. enz. Alles wat bij Hem hoort is goed en tot onze beschikking. Dat is de grote en geweldige kracht die Hij in onze zwakheid uitstort, opdat wij Hem gelijk kunnen zijn. Wat een beloften. Wat een zegen. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 119:17-32

12 december [2]

119:17

Doe wel aan uw knecht, dan zal ik leven
en uw woord onderhouden.

119:18

Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe
de wonderen uit uw wet.

119:19

Ik ben een vreemdeling op aarde,
verberg uw geboden niet voor mij.

119:20

Mijn ziel wordt verteerd van verlangen
naar uw verordeningen te allen tijde.

119:21

Gij bedreigt de vervloekte overmoedigen,
die van uw geboden afdwalen.

119:22

Wentel smaad en verachting van mij af,
want ik bewaar uw getuigenissen.

119:23

Al zetten vorsten zich neder, al beraadslagen zij tegen mij,
uw knecht overdenkt uw inzettingen.

119:24

Ja, uw getuigenissen zijn mijn verlustiging,
zij zijn mijn raadslieden.

Ja, zo is het. De getuigenissen van God zijn de raadslieden van mij. Al span­nen vorsten tegen mij samen. Al gaan de groten der aarde tekeer. Ik zal blijven bij uw Woord. Ik zal uw geboden volgen. Ik zal er niet van afwijken. Ontdek mijn ogen aan uw geboden. Help mij om op uw pad te blijven. Ik word ver­teerd van verlangen om uw verordeningen te volgen. Want ik weet dat dat de weg van het heil is. Het is een verlangen om in de wegen van de HERE te wandelen. Als je het gaat ontdekken, dan wil je ook niet anders. Dan wordt het een vurig verlangen om in die weg te blijven. Dan kan het van alle kanten te­keergaan, maar dan wil ik toch bij God blijven. Want daar is het goed. Daar komt de hulp en redding vandaan. De overmoedige, de blaaskaken worden beschaamd. Wat kunnen ze tekeergaan. Maar God is goed. Hij wil ons altijd ter zijde staan. Hij is altijd dicht bij ons. Hij laat ons nooit in de steek. Hij wentelt smaad van mij af, omdat ik zijn getuigenissen bewaar. Het kan dan wel lijken alsof de overmoedigen het aardrijk en alles bezitten, maar het zijn de ontmoedigen, de barmhartigen, de zachtmoedigen, de verbrokenen van hart, de gevangenen, zij die het moeilijk hebben, de weduwen en de wezen, de armen en de dorstigen, de naakten, waar het hart van de HERE naar uit gaat. Niets meer en niet minder. God is groot. Hij is geweldig.

God weet wat zonde inhoudt. Hij weet hoe de duivel tekeergaat om de mensen kapot te maken. Hij wil de dood en het onheil. Maar God wil het heil en het geluk, de vrede en de gerechtigheid. Zo heeft Hij de mens gemaakt en zo wil Hij de mens weer herscheppen. Hij lijdt het meest aan het lijden van de mens­heid. Hij gaf zijn Zoon. En zo kan niets ons scheiden van de liefde van God. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Daar wil Hij ons steeds weer aan ont­dekken. God is groot. Nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE, dat U in uw ondoorgrondelijke liefde Zich naar mij hebt uitgestrekt. Het is een groot wonder.
(zie vervolg)

Psalm 119:17-32 (vervolg)

12 december [2]

119:25

Mijn ziel kleeft aan het stof,
maak mij levend naar uw woord.

119:26

Mijn wegen heb ik verhaald en Gij hebt mij geantwoord,
leer mij uw inzettingen.

119:27

Doe mij de weg uwer bevelen verstaan,
opdat ik uw wonderen overdenke.

119:28

Mijn ziel schreit van kommer,
richt mij op naar uw woord.

119:29

Doe de weg der leugen van mij wijken
en schenk mij genadig uw wet.

119:30

Ik verkies de weg der waarheid,
ik stel uw verordeningen voor mij.

119:31

Ik klem mij vast aan uw getuigenissen,
o HERE, maak mij niet beschaamd.

119:32

Ik zal de weg uwer geboden lopen,
want Gij verruimt mij het hart.

Mijn ziel schreit van kommer. Ik wil weg van de leugen. Ik wil dichtbij de waarheid blijven. Ik wil in de weg van de wonderen gaan. Ook wil ik verhalen van wat Gij in mijn leven doet. Ik ben onder de indruk van uw almacht. Ik zie het helemaal. Weg van alles wat niet bij U hoort. Doe mij de weg van uw be­velen leren. Daar moet ik mij naar uitstrekken. Daar moet U mij steeds weer op wijzen. En als ik afwijk, dan moet het mij verdriet doen. Dan moet ik daar­onder lijden. Dan moet ik daarvan wegvluchten en mij richten op het veilige pad van uw verordeningen. Help mij, dat ik dat dan ook doe. Hoe vaak zit ik er niet naast? In woorden, gedachten en in daden. HERE help mij. HERE ver­los mij. HERE breek mij. HERE bescherm mij. Dank U, HERE, voor uw grote liefde. Want hoe zou ik verder kunnen als U mij niet beschermt. Het is het grote wonder van U, dat U midden in de strijd van het leven, midden in de aanvallende kracht van de boze, mij steeds weer doet uitreiken naar U toe. Dat is genade. Want alleen door uw grote genade komen we een stap verder. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam! Ik klem mij daar­aan vast.

Ik zal de weg van uw geboden lopen, want Gij verruimt mij het hart. Dat is de heerlijkste gedachte en ervaring die je kunt bedenken. Want God woont in mijn hart. God wil ons altijd omringen met zijn liefde en genade en bescher­ming. Hij laat ons nooit in de streek. Hij wil ons op het pad van het Woord der waarheid houden. God is groot. En nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 119:33-48

13 december [2]

119:33

Onderwijs mij, HERE, de weg uwer inzettingen,
dan zal ik die bewaren ten einde toe.

119:34

Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren,
en haar van ganser harte onderhouden.

119:35

Doe mij het pad uwer geboden betreden,
want daarin heb ik lust.

119:36

Neig mijn hart tot uw getuigenissen
en niet tot winstbejag.

119:37

Wend mijn ogen af, zodat zij geen ijdele dingen zien,
maak mij levend door uw wegen.

119:38

Bevestig uw belofte aan uw knecht,
die uw vreze toegedaan is.

119:39

Wend mijn smaadheid af, die ik vrees,
want uw verordeningen zijn goed.

119:40

Zie, naar uw bevelen verlang ik,
maak mij levend door uw gerechtigheid.

Het is de HERE Die ons onderwijst. Hij moet het doen. We moeten Hem aan­lopen en vragen of Hij onze paden recht wil maken. Het komt van Hem. We moeten ons eenswillend maken met zijn wil. Hij werkt zowel het willen als het werken. HERE, onderwijs ons. Leer mij naar uw wil te wandelen. Geef mij verstand, dat ik uw wet bewaar. Doe mij het pad van uw geboden betreden. Hij doet het. Hij spoort ons aan. Hij beschermt ons. Hij doet mij gaan op zijn wegen. Hij neigt mijn hart tot zijn getuigenissen, opdat ik me niet op winstbe­jag richt. Hij wendt mijn ogen af, zodat ik ze niet richt op ijdele dingen. Hij bevestigt zijn wegen. Uw verordeningen zijn goed. Zie, naar uw bevelen ver­lang ik, maak mij levend door uw gerechtigheid. Je verlangt er dan ook naar. Want je weet dat Gods weg de beste is. De beste altijd. Heerlijk is dat. Je wilt dan ook niet meer anders. Hij richt je ook op die weg. Je moet je dan ook laten onderwijzen op die weg. Want die weg beschermt je tegen de verkeerde blik­richting. Vestigt uw aandacht dan op Hem. Als je dat doet, dan zul je nimmer struikelen. Je moet je daar dan ook in beijveren. Dan zal Hij je paden rechtma­ken. Het is eigenlijk zo’n simpel principe. Je moet het gewoon doen. Dan zal het goed gaan. Dan verlang je ook steeds meer om op die manier te wandelen. Gods weg is de beste, de beste altijd.

Heerlijk om je door Hem te laten onderwijzen. Want zijn onderwijzing is goed. Heerlijk om zo met deze psalm bezig te zijn. Het is keer op keer hetzelf­de. Gods weg is de beste. Luister naar zijn stem. Het is de weg der gerechtig­heid. Heerlijk. God is groot!
(zie vervolg)

Psalm 119:33-48 (vervolg)

13 december [2]

119:41

Dat uw goedertierenheid over mij kome, o HERE,
uw heil naar uw belofte;

119:42

opdat ik mijn smader iets hebbe te antwoorden,
want ik vertrouw op uw woord.

119:43

Neem het woord der waarheid niet geheel van mijn mond,
want uw verordeningen verbeid ik,

119:44

opdat ik uw wet bestendig onderhoude,
voor altoos en immer.

119:45

Dan zal ik wandelen op ruime baan,
want ik zoek uw bevelen.

119:46

Ook zal ik voor koningen over uw getuigenissen spreken
zonder mij te schamen.

119:47

Ik toch verlustig mij in uw geboden,
die ik liefheb;

119:48

daarom hef ik mijn handen op naar uw geboden, die ik liefheb,
en overdenk ik uw inzettingen.

Ja, als je je verlustigt in de getuigenissen van de HERE, dan weet je ook wat je moet zeggen als je belagers je het leven zuur proberen te maken. God zal je de woorden in je mond leggen. Je zult weten wat je voor koningen moet spre­ken over de machtige daden van God. Hij zal ze je bekend maken. Het zijn niet je eigen woorden. Het is niet je eigen kracht. Het is niet je eigen verdien­ste. Het is de genade en de kracht van God, die sterker is dan elke tegenstan­der. Daar sta je zelf versteld van. Daar kun je met je verstand niet bij. Maar het is de werkelijkheid van de almacht van God.

De verordeningen van God zij goed. Daar heb je het altijd over. Daar wil je van zingen. Daar wil je van spreken. Daar heb je het altijd over. Dat is de basis van heel je bestaan. Dat is je lust en je leven. Je verlustigt je in de gebo­den van God. En Gods geboden zijn ook niet moeilijk. Ze zijn niet ver weg. Ze zijn in je hart. Je hoeft er niet halsbrekende toeren voor uit te halen. Je moet ze gewoon in je hart toelaten en je zult het ervaren. Het is niet waar omdat ik vond dat het waar is, maar het is waar omdat het de waarheid van God is, die neerdaalt op de bodem van mijn hart en mij zo in vuur en vlam zet voor de gerechtigheid van God. Heerlijke gedachte. Dat is een vredelievende bood­schap. Daar kun je mee verder. Daar kun je je leven mee inrichten. Dat werkt, omdat het werkt. Daarom hef je je handen op naar de geboden van God, die je lief hebt. Daarom overdenk je de inzettingen van God dag en nacht. Het kan niet stuk. Wat een zegen. Wat een blijdschap. Heerlijk toch. Gewoon doen en je zult het ontdekken dat het werkt, omdat het van God komt en alles wat van God komt werkt. Glorie voor zijn Naam!

Psalm 119:49-64

14 december [2]

119:49

Gedenk het woord tot uw knecht,
omdat Gij mij hoop hebt gegeven;

119:50

dit is mijn troost in mijn ellende,
dat uw belofte mij levend maakt.

119:51

Hoezeer overmoedigen mij bespotten,
van uw wet wijk ik niet.

119:52

Als ik denk aan uw verordeningen van ouds,
o HERE, dan ben ik getroost.

119:53

Verontwaardiging greep mij aan vanwege de goddelozen,
die uw wet verlaten.

119:54

Uw inzettingen zijn mij tot snarenspel
in het huis van mijn vreemdelingschap.

119:55

Des nachts gedenk ik uw naam, o HERE,
en onderhoud ik uw wet.

119:56

Dit is mij ten deel geworden,
omdat ik uw bevelen bewaar.

Dit is mijn troost in mijn ellende, dat uw belofte mij levend maakt. Ja, zo is het. Wat kan een mens in ellende zitten. Wat kan het hem tegenvallen. Wat kan hem een ziekte overkomen. Je kunt een kruis in je leven hebben. Je kunt van alles doen en het kan enorm tegenvallen. En dan lijkt het of het de ongelo­vigen beter gaat. Zij doen aan niets en alles lukt hen. Ze lopen flierefluitend rond alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Ze bespotten je in hun overmoed. Waarom doe je zo moeilijk? Waarom moet je je nou alle geneugten ontzeg­gen. Maar ik blijf vasthouden. Van uw wet wijk niet af. Als ik denk aan Uw verordeningen van ouds, o HERE, dan ben ik getroost. Dan grijpt verontwaar­diging mij aan vanwege de goddelozen, die U hebben verlaten. Het is toch verschrikkelijk, als je bedenkt hoe goed God voor de mens is. Hoe is het dan mogelijk dat ze Hem verlaten en eigen wegen gaan? Ze doen er gewoon niet meer aan. Dat kan kennelijk. Daar moet je voor waken. Dat is gevaarlijk. Je moet volharden om bij Gods geboden te blijven. In het huis van je vreemde­lingschap moet je je beijveren. Je moet je laten leren. Je moet je niet in de war laten brengen. Want de vijand ligt op de loer. Die zal alles proberen om je in de war te brengen. Dat moet je niet toelaten. Laat je niet in de luren leggen. God is goed. Je moet de HERE loven en prijzen.

Des nachts gedenk ik uw Naam, o HERE en onderhoud ik uw wet. Als het niet meer in het openbaar kan. Als de boze probeert de vreugde van de HERE te verbieden, dan kun je het des nachts doen. Niemand kan je de vreugde in de HERE afnemen. Je kunt met heel je wezen dankbaar en blij zijn temidden van je vreemdelingschap. Ze kunnen je vervolgen. Ze kunnen je van alles aandoen, maar jij blijft dicht bij Jezus. Jouw lijden is altijd gevangen binnen het lijden dat Messias Jezus overkwam. Hij droeg al het lijden. En in zijn lijden is jouw lijden begrepen. Glorie voor zijn Naam! Dit is mijn deel geworden, omdat ik uw bevelen bewaar. Het is goed om bij God te zijn. Heerlijke gedachte. Een eeuwige zekerheid, waar het lijden van de tegenwoordige tijd niet tegen op weegt. Prijs de HERE!
(zie vervolg)

Psalm 119:49-64 (vervolg)

14 december [2]

119:57

De HERE is mijn deel, ik heb beloofd
uw woorden te onderhouden.

119:58

Van ganser harte zoek ik uw gunst,
wees mij genadig naar uw belofte.

119:59

Ik overdenk mijn wegen,
ik wend mijn voeten naar uw getuigenissen.

119:60

Ik haast mij en aarzel niet
om uw geboden te onderhouden.

119:61

Hoewel strikken der goddelozen mij omgeven,
ik vergeet uw wet niet.

119:62

Te middernacht sta ik op om U te loven
wegens uw rechtvaardige verordeningen.

119:63

Ik ben een metgezel van allen die U vrezen,
en van hen die uw bevelen onderhouden.

119:64

De aarde is vervuld van uw goedertierenheid, o HERE,

leer mij uw inzettingen.

De aarde is vervuld van uw goedertierenheid, o HERE. Dat is een heerlijke zekerheid die mijlen uitstijgt boven al het aards gewroet van de mensen, die in eigenzinnigheid denken het zelf allemaal wel te kunnen oplossen. Niets is minder waar. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Dat zegt de dichter hier: De HERE is mijn deel, ik heb beloofd uw woorden te onderhouden. Wees mij genadig naar uw belofte. En zo is het. We leven uit genade. En dat is de be­lofte van de HERE zelf. Hij weet hoe zwaar de aanval kan zijn. Hij weet hoe we worden verleid en van Hem afgetrokken. Maar ik laat me niet strikken in de netten van de goddelozen die mij omringen. Ik blijf uw geboden onderhou­den. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Pas op. Laat je niet verleiden. Laat je niet meeslepen. Het is gevaarlijk. God is goed. Laat je door Hem be­schermen. Hij wil je trekken met de koorden van zijn liefde. Dan vergeet je zijn wet niet. Maar ben je daar mee bezig, dag en nacht. En zodra de verlei­ding komt, dan wend je je hoofd af. Dan ga je niet mee met de verleiding, maar dan maak je rechts omkeert. Soms ook heel letterlijk. Anderen gaan alle­maal mee. Maar jij niet. Jij blijft bij de geboden van God die goed zijn voor alle mensen. Je behoedt jezelf voor struikelen en ook hen die het met je gaan inzien. Het is waar. Het werkt zo.

Het zijn de rechtvaardige verordeningen van de HERE. Ze zijn niet moeilijk. Ze zijn niet tegen je. Neen, ze zijn juist vóór je. Als je ze doet, dan zul je leven. Dan zul je ontdekken hoe geweldig het is om naar de wil van God te leven. Dan is leven naar de wil van God de meest normale zaak van de wereld. Dan wil je ook niet anders. En dan ontdek je ook de anderen die op deze weg willen wandelen. Dan ontdek je de eenheid die er is in Christus. Dan ben je blij en dankbaar. Dan zie je dat de aarde vervuld is met de goedertierenheid des HEREN. Heerlijke gedachte. Daar kun je de dag weer mee in. Dat is leven. Dat is vreugde. Dat is bescherming. Dat is de weg. Daar kun je de boze mee van het lijf houden. Dat geeft je weerstand. Dank U HERE voor deze bemoediging. Ze kunnen van alles beweren, maar Ik ben veilig bij U. U bent mijn schuilplaats. Ik vernacht daar. Dank U wel.

Psalm 119:65-80

15 december [2]

119:65

Gij hebt goed gedaan aan uw knecht,
o HERE, naar uw woord.

119:66

Leer mij goed onderscheiden en kennen,
want ik stel vertrouwen in uw geboden.

119:67

Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik,
maar nu onderhoud ik uw woord.

119:68

Gij zijt goed en goeddoende,
leer mij uw inzettingen.

119:69

Overmoedigen wrijven mij leugens aan,
ik houd uw bevelen van ganser harte.

119:70

Ongevoelig als vet is hun hart,
maar ik verlustig mij in uw wet.

119:71

Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest,
opdat ik uw inzettingen zou leren.

119:72

De wet van uw mond is mij beter
dan duizenden stukken goud en zilver.

Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uw inzettingen zou leren. Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw woord. Overmoe­digen wrijven mij leugens aan, ik houd uw bevelen van ganser harte. Onge­voelig als vet is hun hart, maar ik verlustig mij in uw wet. De wet in uw mond is mij beter, dan duizend stukken goud en zilver. Het is dus kennelijk zo dat de psalmdichter in de druk is gekomen. Hij is verdrukt. Hij heeft het moeilijk ge­kregen. Het ging hem tegen zitten. Je zou denken dat dat zijn geloof wel onder druk gezet heeft. Dat is kennelijk niet het geval. Hij is blij dat door de druk hij verlost is van zijn dwaalwegen. Hij heeft nu des te scherper het rechte spoor van Gods geboden ontdekt. En hij wil dan ook met alles wat in hem is op dat spoor blijven. Het is goed om dicht bij Jezus te blijven. Er kan zoveel op je afkomen. Maar God wil je beschermen. God wil je leren. We moeten dan ook constant bidden of God ons wil leren om bij zijn geboden te blijven.

De overmoedigen wrijven je allerlei leugens aan. Ze zijn ongevoelig. Ze zien er geen been in om je op het verkeerde spoor te brengen. En dan kom je ver­keerd uit. Dan gaat het niet goed. Dan moet er van alles gebeuren voordat je weer op het juiste pad kan komen. Want de zonde heeft een zuigende werking. Het is verslavend. Ach, wat is het nou erg om een keertje dit en een keertje dat. Maar zonde is verslaving. Het brengt je in de spiraal naar beneden. En op het laatst, weet je niet meer hoe je eruit moet komen. Dan zit je vast. Dan ben je gebonden door je verslaving. Je zit als het ware in de gevangenis van je zonde. En de psalmdichter heeft dit ontdekt, doordat hij verdrukt is geworden. Hij kwam weer op de rechte weg. Daarom is de wet van de mond van God hem beter dan duizend stukken goud en zilver. Het is waar. De geboden van God zijn goed. Ze zijn niet te moeilijk. Je moet ze gewoon doen. Je hoeft er niet voor naar de overkant van de zee om ze te halen. Je hebt ze in je hart, om ze te doen. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Prijs de HERE!
(zie vervolg)

Psalm 119:65-80 (vervolg)

15 december [2]

119:73

Uw handen hebben mij gemaakt en toebereid,
geef mij verstand, opdat ik uw geboden lere.

119:74

Zij, die U vrezen, zien mij en verheugen zich,
want ik hoop op uw woord.

119:75

Ik weet, o HERE, dat uw oordelen gerechtigheid zijn,
en dat Gij in trouw mij hebt verdrukt.

119:76

Laat uw goedertierenheid mij tot vertroosting zijn
naar uw belofte aan uw knecht

119:77

Uw barmhartigheid kome over mij, opdat ik leve,
want uw wet is mijn verlustiging.

119:78

Laten de overmoedigen beschaamd worden,
omdat zij mij onverdiend verdrukten;
ik overdenk uw bevelen.

119:79

Laten zich tot mij wenden wie U vrezen,
en wie uw getuigenissen kennen.

119:80

Mijn hart zij onverdeeld in uw inzettingen,
opdat ik niet beschaamd worde.

Als we beseffen dat het de HERE God zelf is Die ons gemaakt heeft, dan zin­gen we een toontje lager. Wat heeft Hij ons goed gemaakt. Het is een wonder. We zijn naar zijn beeld gemaakt. Hij wil ons zegenen. Hij is lankmoedig, goe­dertieren en genadig. Hij heeft het beste met ons voor. Hij weet hoe we in dit leven aangevallen kunnen worden. Hoe de boze tekeer kan gaan tegen ons. En hoe we kunnen vallen en in de druk raken. Zo ook deze psalmdichter. De oor­delen van God zijn gerechtigheid. Ze hebben altijd tot doel om de goddeloze te vernietigen en de rechtvaardige te redden. Ook al hebben we er soms geen notie van waarom ook vaak de rechtvaardigen in de druk komen. Maar de psalmdichter weet dat het de gunstbewijzen Gods zijn, dat we niet omgeko­men zijn. Groot is uw trouw, o HERE. Elke morgen zijn ze nieuw. De zege­ningen van God zijn niet te tellen. Het is onvoorstelbaar.

Laat de goedertierenheid mij tot vertroosting zijn, naar uw belofte aan uw knecht. Het is de goedertierenheid van God. Daarom maakt u niet bezorgd te­gen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. De HERE is groot. Het gras ver­dort, de bloem valt af, maar Gods Woord houdt stand in eeuwigheid. We hoe­ven er niet aan te twijfelen. God is goed. Heerlijk evangelie. Daar kunnen we de boer mee op. Komt allen tot Hem die vermoeid en belast zijt, en Hij zal u rust geven, want zijn last is licht en zijn juk is zacht. Het is waar. Midden in de nacht, in de grootste verdrukking, kun je dan liederen zingen.

Daarom zijn de geboden van God een verlustiging. Je put daar kracht uit. Je wilt ze overdenken. Je wilt ze dicht bij je hebben. Je zoekt hen op die ook de HERE vrezen om samen gemeenschap te hebben en je te verlustigen in zijn geboden. Heerlijk evangelie. Het kan niet stuk. Daarom, wankel niet als druk je overvalt, maar verlustig je in de geboden van God en vergeet nooit dat God je niet in de steek laat. Hij doet je ervaren dat je in de druk met kracht naar Hem uitgedreven wordt, om je heil te zoeken waar Hij allang mee klaar stond, om het je deel te laten worden. Wat zijn we vaak halsstarrig om, als het ons goed gaat, Gods heil op afstand te houden, omdat ons eigen ik zo krachtig aan het werk is. Stom. Stoppen.

Psalm 119:81-96

16 december [2]

119:81

Mijn ziel smacht naar uw heil,
op uw woord hoop ik;

119:82

mijn ogen smachten naar uw belofte:
wanneer zult Gij mij vertroosten?

119:83

Hoewel ik ben geworden als een lederen zak in de rook,
heb ik uw inzettingen niet vergeten.

119:84

Hoevele zullen de dagen van uw knecht zijn?
Wanneer zult gij aan mijn vervolgers gericht oefenen?

119:85

Overmoedigen hebben mij kuilen gegraven,
zij, die niet leven naar uw wet.

119:86

Al uw geboden zijn trouw;
onverdiend vervolgen zij mij, kom mij ter hulpe!

119:87

Bijna hebben zij mij op aarde verdelgd,
maar ik heb uw bevelen niet verlaten.

119:88

Maak mij levend naar uw goedertierenheid,
opdat ik de getuigenis van uw mond onderhoude.

Nu zit de psalmdichter toch echt wel in de druk. Hij houdt het haast niet uit. Hij roept tot de HERE, hoe lang nog? Ik ben als een lederen zak in de rook. Dat zal wel niet veel bijzonders zijn geweest. De vijanden liggen op de loer. Wanneer zult Gij aan mijn vervolgers gericht oefenen? Het valt niet mee. Wat een ellende kan je overkomen. En hoe kunnen je tegenstanders tekeergaan. Overmoedigen hebben mij kuilen gegraven. Je moet constant op je hoede zijn, want ze proberen je een loer te draaien. Dat is niet prettig leven. Dat valt niet mee voor jezelf en voor allen om je heen. Je tegenstanders leven niet naar de wet van God. Ze denken dat alles geoorloofd is. En dat kan veel zijn. De mens is gemeen. De mens is egoïstisch. De mens is tot het meest groffe in staat. Het is onvoorstelbaar. Wat kunnen mensen elkaar aandoen. Als je de verhalen hoort, als je leest wat er gebeurt. Je hoeft de krant maar op te slaan. Wat een ellende, wat een haat en een nijd. Er komt geen einde aan.

De psalmdichter wordt ook omringd door booswichten. God lijkt op grote afstand. Hoe kan het nu dat God dit allemaal toelaat? God wil toch helpen? HERE, help mij. Verlos mij uit deze ellende. U ziet toch hoe ik er aan toe ben? U bent een God van wonderen. Red mij HERE. Bijna hebben ze mij op aarde verdelgd, maar ik heb uw bevelen niet verlaten. Maak mij levend naar uw goedertierenheid, opdat ik de getuigenis van uw mond onderhoude. Het is goed de spanning in dit stuk te zien. Het is om te snijden. Het is ook haast niet vol te houden. Je zult er maar zo aan toe zijn. Je leven hangt aan een zijden draadje. Elk moment kunnen ze komen om je het leven te nemen. En hoeveel mensen hebben door de eeuwen heen zo in de rats gezeten? En hoevelen zitten nu zo in de rats? Hoeveel vervolging is er onder christenen? Het is onvoorstel­baar. De opstand tegen God neemt schrikbarend toe. Het is angstaanjagend. Het is verschrikkelijk. Wat een ellende. O HERE kom! O HERE, verlos mij! Maar God blijft trouw. God is goed. En nooit genoeg te prijzen.

Er is geen andere weg dan om dicht bij Hem te blijven schuilen. Want al is de nood nog zo groot, de redding is nabij. Want God laat je nooit in de steek, zelfs niet in de dood. Hij weet dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet op­weegt tegen het heil dat ons wacht in zijn komende Koninkrijk, dat met duize­lingwekkende vaart baan breekt om ons te ontvangen en te brengen in het her­stelde paradijs van eeuwige vrede en liefde, waar God, dwars door alle strijd heen, ons voor uitnodigt. God is goed. Prijs de HERE! Drink zijn Woord en geboden in. HERE leer ons naar uw wil te wandelen, ik zal dan naar uw waar­heid handelen. De psalmen zijn machtig.
(zie vervolg)

Psalm 119:81-96 (vervolg)

16 december [2]

119:89

Voor eeuwig, o HERE,
houdt uw woord stand in de hemelen.

119:90

Van geslacht tot geslacht is uw trouw,
Gij hebt de aarde gegrond, zodat zij staat;

119:91

naar uw verordeningen staan zij heden ten dage,
want zij alle zijn uw knechten.

119:92

Ware uw wet niet mijn verlustiging geweest,
dan was ik vergaan in mijn ellende.

119:93

Nimmer zal ik uw bevelen vergeten,
want door deze hebt gij mij levend gemaakt.

119:94

Ik ben de uwe, verlos mij,
want ik zoek uw bevelen.

119:95

Goddelozen loeren erop mij te verderven;
ik geef acht op uw getuigenissen.

119:96

Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien,
maar uw gebod is onbegrensd.

Voor eeuwig, o HERE, houdt uw Woord stand in de hemelen. Dat is een pro­clamatie. Dat is een houvast. Van geslacht tot geslacht is uw trouw. Mensen komen en mensen gaan. Zo is het ook met ons. We worden geboren en we sterven. We leveren een volgend geslacht af. Weer een kind, weer een graf. Het is een komen en een gaan. God regeert het grote wereldgebeuren. Hij heeft de aarde gegrondvest. Hij heeft alles gemaakt. Alles gehoorzaamt Hem. Wat een arrogantie om te denken dat de mens het kan beheersen. Wat een afwijzing van God om te denken dat het allemaal zonder God is ontstaan.

Had ik me niet aan uw eeuwige kracht en schepping vastgehouden, dan was ik allang vergaan. Want waar moet je je anders aan vasthouden. Nimmer zal ik uw bevelen vergeten. Ik ben de Uwe, verlos mij, want ik zoek uw bevelen. Goddelozen loeren erop mij te verderven. En zo is het. De tegenstanders van God proberen altijd de kinderen van God tegen te werken. Hier gaat het erom, dat ze Hem willen verderven. De wereld om je heen kan verschrikkelijk te­keergaan. Je kunt daar behoorlijk door in de war raken. Daarom is het zo be­langrijk om te midden van die druk, te midden van die verwarring, te midden van die goddeloze toestand, vast te houden aan de geboden van God. Dat valt niet mee, want de verleidingen zijn er ook. Zie je de mensen al roepen: Ach man, doe niet zo ouderwets. Wie zegt dat God de wereld geschapen heeft? Dat is maar een verzinsel. Wij weten toch beter met onze wetenschap vandaag. Vandaag hebben we ons verstand gekregen om dat te gebruiken. En als je je verstand niet gebruikt, dan ben je achterlijk. God bestaat niet. Dat is een uit­vindsel om de mensen rustig te houden. En zo gaat het maar door. Heerlijk om dan aan de getuigenissen van God vast te houden.

Want ik heb gezien dat aan alles een einde komt, zegt de dichter, maar dat uw gebod onbegrensd is. En zo is het. De bloem vergaat, het gras verdort, maar Gods Woord houdt stand in eeuwigheid. Dat is de Bijbel. Kijk van boven naar beneden. Want God is goed. Hij giet zijn zegen uit. Zijn onbegrensde zegen. Er komt geen einde aan. God is goed! En nooit genoeg te prijzen. Prijs de HERE! Loof Hem! Temidden van alle goden, alle afgoden, alle stemmen. Zing het eeuwig Halleluja. Want God is goed. Dank U wel.

Psalm 119:97-112

17 december [2]

119:97

Hoe lief heb ik uw wet!
Zij is mijn overdenking de gansen dag.

119:98

Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden,
want het is altoos bij mij.

119:99

Ik ben verstandiger dan al mijn leermeesters,
want uw getuigenissen zijn mij tot overdenking.

119:100

Ik heb meer inzicht dan de ouden,
want ik bewaar uw bevelen.

119:101

Ik weerhoud mijn voeten van alle boze paden,
opdat ik uw woord onderhoude.

119:102

Ik wijk niet af van uw verordeningen,
want Gij onderwijst mij.

119:103

Hoe aangenaam zijn uw redenen voor mijn verhemelte,
meer dan honig voor mijn mond.

119:104

Uit uw bevelen heb ik inzicht ontvangen;
daarom haat ik elk leugenpad.

Hoe lief heb ik uw wet! Heerlijk. Lees het maar. Leer het maar. Leef het maar. God is er altijd. God helpt ons altijd. God laat ons niet in de steek. God wil ons aan alle kanten helpen. Zijn geboden zijn geen beperking, maar een ver­ruiming. We hebben de meest volkomen vrijheid als we ons houden aan zijn geboden. Want doen we het niet, dan komen we in de problemen terecht. Denk maar eens aan: Gij zult niet doden. Dood je wel, dan werk je je behoor­lijk in de nesten. Want of je wordt zelf gedood of je blijft zitten in een wereld van angst en duisternis. En dan het gebod: Gij zult niet echtbreken. Dat is uit het leven gegrepen. Want wat een ellende haal je over je heen als je verkeerd gaat. Wat een toestanden in een huwelijk. Wat een haat en gebrek aan liefde. En wat te denken van het gebod: Gij zult niet stelen. Als nu ieder het zijne bij het zijne houdt, dan hoeven we niet bang te zijn dat een ander onze spullen steelt. God is goed. Zijn geboden maken duidelijk dat er ook de kant is van het niet houden van de geboden. En dat is eerlijk. Want we weten allemaal dat het zo is.

Als je de hele dag bij die geboden blijft, dan ben je de gehele dag in de be­scherming van die geboden. Je moet je er ook voor inzetten. Het is niet zo, dat als je ze eenmaal gelezen hebt, dat het dan wel goed zit. Neen. Je moet ze overpeinzen bij dag en bij nacht. Dat is geen vroom gedoe. Dat is gewoon, dat je je beschermt tegen de verleiding van de wereld. Bijvoorbeeld: Als je je verleidt voelt op seksueel gebied, dan moet je je vastklampen aan het gebod: Gij zult niet echtbreken. Dat is een krachtige bescherming. Dat is een waar­schuwingsbord. Pas op, achter dit bord zit je ongeluk! Is dat een belemmering van je leven, zoals veel mensen zeggen en denken? Neen! Het is een bevrij­ding. Het is bescherming. Geboden zijn niet negatief. Geboden zijn positief. Heerlijk. Wat een liefde van God. God is goed.

Indien je je verlustigt, als je de geboden van God overpeinst bij dag en bij nacht, als ze altijd bij je zijn, als ze in je hart wonen, dan weet je meer dan al je leermeesters. Dan weet je meer dan al je vijanden. Dan ga je niet verkeerd. Dan weerhoud je je voeten van de boze paden. God onderwijst je. Je zit op school bij God. En je kunt er de hele dag mee bezig zijn. Want het is inder­daad zo, dat als je het goede wilt doen, het kwade je nabij is. We zijn in zon­den ontvangen en geboren. Maar Gode zij dank, door Jezus Christus. Hij heeft zijn leven gegeven voor onze zonden. Hij heeft ons verlost van de groeve. Wij zijn met Hem begraven en gestorven en ook opgestaan om deel te hebben aan het nieuwe leven in Christus. Dat is het wonder van de verzoening. De grote verzoening. Dat was de grote verzoendag. Dat kan niet stuk. Want God weet van de zonde. Hij weet aan welke verleidingen we bloot staan. Hij wil ons be­schermen. Door zijn wet in het Oude Testament. Als tuchtmeester. Maar nu nog meer, nu Christus, de beloofde Messias, is gekomen, zijn we in Hem be­schermd en verlost. Zonde moet verzoend worden. Dat kunnen wij niet. Dat kan alleen Hij. Heerlijk evangelie.

Dank U HERE. Uit uw bevelen heb ik inzicht ontvangen; daarom haat ik elk leugenpad. Beijvert u daarom des te meer broeders, om uw roeping en verkie­zing te bevestigen, want als gij dat doet zult gij nimmer struikelen, maar zal u rijkelijk toegang verleent worden tot het eeuwige Koninkrijk van God. Prijs de HERE. Daar word je toch blij van? Dat is toch om altijd dankbaar voor te zijn? Wat een God. En je kunt met je verstand doorzien dat het waar is.
(zie vervolg)

Psalm 119:97-112 (vervolg)

17 december [2]

119:105

Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.

119:106

Ik heb gezworen, en ik zal het gestand doen,
dat ik uw rechtvaardige verordeningen zal onderhouden.

119:107

Ik ben al te zeer verdrukt,
o HERE, maak mij levend naar uw woord.

119:108

Heb welbehagen, HERE, in de vrijwillige offers van mijn mond,
en leer mij uw verordeningen.

119:109

Mijn leven is bestendig in gevaar,
maar uw wet vergeet ik niet.

119:110

Goddelozen leggen mij een strik,
maar van uw bevelen dwaal ik niet af.

119:111

Uw getuigenissen heb ik voor altoos ten erve ontvangen,
want zij zijn de blijdschap mijns harten.

119:112

Ik neig mijn hart om uw inzettingen te doen,
voor altoos, ten einde toe.

Uw getuigenissen heb ik voor altijd ten erve ontvangen. Dat is de zekerheid van de psalmdichter. Hij zit in de druk. Zijn vijanden belagen hem. Ze zullen hem vast en zeker wel belagen omdat hij zo kortzichtig is om op de verorde­ningen van God zijn hoop te zetten. Het helpt hem toch niet. Kijk maar, de vijanden doen alles om hem het leven zuur te maken. Maar hij houdt vast. De getuigenissen van de HERE zijn zijn leven. Ze kunnen nog zo tekeergaan, maar hij houdt vast aan de eeuwige verordeningen ten leven van de HERE. De HERE is zijn kracht. De HERE is zijn Wetgever, zijn Rechter, zijn Koning. Daar kan hij de HERE niet genoeg voor loven.

Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Het kan wel donker zijn. Het kan wel tekeergaan in je leven. Maar dat Woord van God is een licht. Het schijnt in een duistere plaats. Het is een licht. Het geeft het pad aan waar je langs moet gaan. God maakt je paden recht. Hij wijst je de weg. Het is niet jijzelf die de weg bepaalt. Je leven kan gaan over een moeilijke weg. Maar zelfs, al ga je door een dal van diepe duisternis, God is erbij. Hij is immers de Goede Herder. En de Goede Herder zet zijn leven in voor zijn scha­pen. Gij zijt mijn schapen. Ik ben uw beschermer. Schuil bij Mij. Dan ben je veilig. Veilig in Jezus armen, veilig aan Jezus hart. Als ge in nood gezeten, geen uitkomst ziet. Wil dan nooit vergeten, God verlaat u niet. Enz. enz. enz. Je kunt al te zeer verdrukt zijn zoals deze dichter, maar HERE, maak mij le­vend naar uw Woord. Midden in de gevangenis kun je liederen zingen. Mid­den in de grootste nood, is de helper nabij. Wat is God goed.

We leven in een gevallen wereld. En God lijdt daar zelf het meeste aan. Wat een ellende. Wat een haat en nijd. Wat een bloed vergieten. Maar God is goed. Hij laat ons nooit in de steek. Fantastisch. God is goed. En nooit genoeg te vrezen. Dank U HERE, voor zoveel liefde en trouw. Dank U, voor zoveel ze­kerheid en vertrouwen. Het komt allemaal van U. Het is uw genade die ons heeft getrokken tot uw wonderbaar licht. Wij zijn nietige mensenkinderen en in uw ondoorgrondelijke liefde hebt U naar ons omgezien om ons uit de duis­ternis te trekken tot het licht. U bent de Schepper van hemel en van aarde. U sprak en er was licht. In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Er is niets dat geworden is dan dat het van God komt. Het is het licht der mensen. Het schijnt in een duistere plaats en de duis­ternis heeft het niet gegrepen. Johannes 1. Daar waar het licht schijnt, daar gaat de duisternis op de vlucht. Daar waar Jezus is, gaan de boze machten op de vlucht. Jezus woont in de harten van de mensen. Het is beter dat Ik heenga, want dan kan Ik altijd bij u zijn. De Heilige Geest, de Trooster Jezus, woont in ons hart.

Het grote wonder van Gods ondoorgrondelijke scheppingskracht. Daar kunnen we niet genoeg over loven en prijzen. Het is fantastisch. Het is zo’n waarheid. Gods Woord is de waarheid. Geen wonder dat we nu al meer dan honderd ver­zen hebben uitgesproken die God loven en prijzen temidden van de strijd van het leven. Mijn leven is bestendig in gevaar, maar uw wet vergeet ik niet. Ik neig mijn hart om uw inzettingen te doen, voor altoos, ten einde toe. Dat is geloofsvertrouwen. Daar mogen we ons aan vastklampen. Dat is de weg. Dan houden we het vol. Tegen alles in nooit de beloften van God loslaten. Gods weg is de beste, de beste altijd. Heerlijk evangelie.

Psalm 119:113-128

18 december [2]

119:113

Ik haat weifelaars,
maar uw wet heb ik lief.

119:114

Gij zijt mijn schuilplaats en mijn schild,
ik hoop op uw woord.

119:115

Wijkt van mij, gij boosdoeners,
opdat ik de geboden van mijn God beware.

119:116

Schraag mij naar uw belofte, opdat ik leve,
laat mij met mijn hoop niet beschaamd uitkomen.

119:117

Ondersteun mij, opdat ik verlost worde,
dan zal ik mij in uw inzettingen bestendig verlustigen.

119:118

Gij verwerpt allen die van uw inzettingen afdwalen,
want hun bedrog is ijdel.

119:119

Alle goddelozen der aarde doet gij weg als schuim,
daarom heb ik uw getuigenissen lief.

119:120

Mijn vlees beeft van schrik voor U,
ik vrees voor uw oordelen.

Alle goddelozen der aarde doet gij weg als schuim, daarom heb ik uw getuige­nissen lief. Nou, nou. Dat is duidelijke taal. De goddelozen mogen dan wel oppassen. Want God zal ze als schuim wegvagen. En dat gaat ook gebeuren. Daarom moeten de mensen haast maken om zich te bekeren. Want het oordeel van God komt. Het zal niet lang meer duren. Want God gaat door met zijn plan. Hij is bezig om alles te herstellen. Hij verlost deze wereld van de schuld. Hij zond zijn Zoon, Messias Jezus, Die zijn leven gaf voor de verzoening van de zonde van de gehele wereld. Er is heil aangeboden. Er is genade aangebo­den. Wij allen zijn des doods schuldig en hebben het oordeel verdiend. Maar Gode zij dank, door Jezus Christus is er redding door het bloed van Jezus. We mogen door genade vluchten naar Hem en geborgen zijn in Christus, in God. Dat is het evangelie. Hij doet het. Hij redt ons. Wij zijn gered uit genade. En daar kunnen we Hem ons hele leven voor danken. Dan kunnen de vijanden wel tekeergaan, maar HERE, ik blijf bij uw Woord. HERE verlos mij van die vijanden, die mij het leven zuur maken. Daar mogen we aanhoudend voor bid­den. God wil ons horen. Hij wil ons niet in de steek laten. Hij redt ons. Hij helpt ons. Hij is altijd bij ons. Hij woont in ons leven. Hij is als een schuil­plaats en een schild. Hij beschermt me. We moeten het schild des geloofs wel ophouden. Het Woord van God wel proclameren. We moeten ons niet in de war laten brengen. We mogen staan op zijn almacht en liefde en genade. God is goed. En nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE.

Wat een voorrecht. Wat een liefde. Wat een genade. Wat een zekerheid. Wat een rust. En zo is het. Je zou gek worden als je in deze mallemolen-wereld zelf je richting moest bepalen. We kunnen wel heel hoogmoedig doen en denken dat we het allemaal zelf wel zullen uitzoeken, maar we lopen steeds weer vast. Het is fantastisch om deze waarheid te ontvangen, om er dan met je verstand en heel je wezen in te mogen staan, om te ontdekken dat dat de werkelijkheid is van heel het leven. Het is geen onwerkelijk gedoe, waarmee je je religieuze gevoelens kunt bevredigen. Wel neen. Het is de werkelijkheid van het leven. Het Woord van God is het begin van alle wijsheid. De vreze des HEREN. Dat is het leven. Dus wetenschap is pas wetenschap vanuit de geopenbaarde wer­kelijkheid van God. Wat een naïeve mensen om daar aan te twijfelen. Alle afwijkingen daarvan zijn godslastering en dat moeten we dan ook ontmaske­ren en ons er verre van houden.

Gij verwerpt allen die van uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is ijdel. Zo is het. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid. Het komt er alleen op neer: Vrees God en onderhoud zijn geboden. Je kunt net als Prediker alle kan­ten opkijken en alles proberen, maar je zult tot de ontdekking komen dat alles ijdelheid is. Beter een handvol rust dan twee vuisten vol zwoegen en veel on­rust daarbij. Waar komt dan de rust vandaan? Door heel eenvoudig te schuilen bij God. De Goede Herder. Hij zal je rust geven. Komt allen tot Mij, die ver­moeid en belast zijt en Ik zal u rust geven, want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Wat een heerlijkheid. Wat een zekerheid. Het is waar. Het is waar. Wat een blijdschap. Ga er maar in staan, met al ons lek en gebrek. We zijn al­lemaal geborgen in het offer en het lijden en sterven van Messias Jezus. Niets kan ons scheiden van de liefde van God. Want een groter lijden, dan Hij heeft ervaren, bestaat niet. Dank U HERE God, voor uw plan ten leven. Ik wil bij U blijven. Houd mij dicht bij U. Want mijn vlees beeft van schrik voor U, ik vrees voor uw oordelen. Uw liefde trekt mij.
(zie vervolg)

Psalm 119:113-128 (vervolg)

18 december [2]

119:121

Ik heb recht en gerechtigheid gedaan,
geef mij niet over aan mijn verdrukkers.

119:122

Wees borg voor uw knecht ten goede,
laten overmoedigen mij niet verdrukken.

119:123

Mijn ogen smachten naar uw heil,
en naar het woord uwer gerechtigheid.

119:124

Doe met uw knecht naar uw goedertierenheid,
en leer mij uw inzettingen.

119:125

Ik ben uw knecht, geef mij verstand,
opdat ik uw getuigenissen kenne.

119:126

Het is tijd voor de HERE om te handelen,
zij hebben uw wet verbroken.

119:127

Daarom heb ik uw geboden lief,
meer dan goud, ja dan fijn goud;

119:128

daarom houd ik al uw bevelen in alles voor recht,
ik haat elk leugenpad.

De tegenstanders gaan tekeer. Ze proberen je te verleiden. Ze proberen je van Gods geboden af te halen. Het wordt tijd om op te treden, HERE. Geef mij niet over aan mijn verdrukkers. Zij hebben uw wet verbroken. HERE, treed op! Mijn ogen smachten naar uw heil, en naar het woord uwer gerechtigheid. Het gaat om de gerechtigheid. De HERE is recht en rechtvaardig. Het gaat om zijn gerechtigheid. Zijn geboden zijn goed. Zijn inzettingen zijn gerechtigheid. En de ongerechtigheid wordt gestraft. Wie de gerechtigheid van de HERE God tart, die haalt het oordeel over zich heen. Want je hebt je overgeleverd aan de dood. Aan de kant tegen God kom je gegarandeerd verkeerd uit. Dat is gevaarlijk. Daar moet je je verre van houden. Daarom is er keer op keer de uit­roep en de proclamatie dat Gods getuigenissen goed zijn. De roep om gehei­ligd te worden in Gods Woord en weg. Houd mij dicht bij U. Laat mij niet los. Ik wil bij U blijven. Bij U ben ik veilig. Bij U kunnen we schuilen. Daar lopen we geen gevaar.

Houd mij verre van hen die van U afgeweken zijn. Om dat te voorkomen ver­lustig ik me in uw geboden. Zo wordt het keer op keer herhaald. Het is uit het leven gegrepen, want het is waar dat de boze keer op keer op de loer ligt. Daar weten we allemaal van. We ervaren allemaal in ons leven hoe de zonde aan ons probeert te vreten. En hoe dichtbij de verleiding ligt. Op welk terrein dan ook. We ervaren en weten allemaal dat de zonde aan ons kleeft. Dat we in zonde ontvangen en geboren zijn. En dat is een groot gevaar. Daarom doet God alles om ons dicht bij Hem te houden. En de enige weg is dicht bij zijn Woord en zijn geboden te blijven. Want die zijn goed voor alle mensen. Die zijn universeel. Daarom heb ik uw geboden lief, meer dan goud, ja dan fijn goud. Ik haat elk leugenpad. Het moet ons vlees en bloed worden. We moeten er zo van doordrenkt worden dat we niet meer anders willen en niet meer an­ders kunnen. Dan leven we veilig en bevrijd. En met de grootste rust en vrede temidden van de grootst mogelijke stormen. Want niets kan ons dan scheiden van de liefde van God. Want Hij is altijd bij ons. Hij beschermt ons. Ik haat alles wat tegen Hem is. Hij zal ons bijstaan in de grootste strijd. Hij zal ons de woorden te binnen brengen die we spreken moeten. Want wij zullen tot boven ons vermogen verzocht worden. Want met de verzoeking geeft Hij de uit­komst. En dat is altijd zalig. Heerlijk evangelie. Heerlijk om daaraan ontdekt te worden.

God is goed. En nooit genoeg te prijzen. Want alle genade, geloof, liefde, blijdschap en vrede komt van Hem. Want het zijn de vruchten van de Geest. En het Woord des Geestes is het zwaard. Daar voer je de strijd mee. Of liever gezegd, dat Woord voert zelf de strijd. Dat Woord baant zich een weg door de wildernis. Daar kan niemand tegen op. Dat leidt ons op de eeuwige weg. Dat brengt ons in het eeuwige Koninkrijk van God. Glorie voor zijn Naam! Daar wil toch iedereen bij horen? Kom, doe mee! Bekeert U, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De tijd is vervuld. Geloof het evangelie! Prijs de HERE!

Psalm 119:129-144

19 december [2]

119:129

Wonderbaar zijn uw getuigenissen,
daarom bewaart ze mijn ziel.

119:130

Het openen van uw woorden verspreidt licht,
het geeft de onverstandigen inzicht.

119:131

Ik doe mijn mond wijd open en hijg,
want ik verlang naar uw geboden.

119:132

Wend U tot mij en wees mij genadig,
zoals recht is voor wie uw naam liefhebben.

119:133

Bevestig mijn schreden naar uw toezegging,
laat generlei onrecht over mij heersen.

119:134

Verlos mij van de verdrukking der mensen,
dan zal ik uw bevelen onderhouden.

119:135

Doe uw aanschijn lichten over uw knecht,
en leer mij uw inzettingen.

119:136

Mijn ogen vloeien als waterbeken,
omdat men uw wet niet onderhoudt.

Ja, wat kunnen we lijden en wenen als we zien hoe in deze wereld Gods gebo­den met voeten getreden worden. Het is verschrikkelijk hoe mensen in duister­nis wandelen en tegen elkaar tekeergaan. Het is op leven en dood. En het lijkt alsof er geen einde aan komt. Het is verschrikkelijk. God is goed. Hij gaf zijn eigen Zoon. Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggebo­ren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Zo goed is God. Zo goed weet God hoe verschrik­kelijk machtig de zonde is. Alleen zijn eigen Zoon kon de verzoening tot stand brengen. Alles werd in beweging gebracht in de hemel, om de weg weer open te krijgen. En op het kruis van Golgotha is die verzoening tot stand gebracht, niet alleen voor mijn zonde, maar voor die der gehele wereld. Allen die Hem aannemen worden zonen Gods genoemd. Het heil is oneindig. God wil het laten werken in de harten van alle mensen.

Maar zovelen Hem aangenomen hebben door genade, die worden behouden. Is er bij God willekeur? Neen. Maar zij die volharden in de weg van de duister­nis, halen zelf het oordeel over zich. Want wie niet in de Zoon gelooft, is reeds veroordeeld. We moeten Gods aanbod van genade bloedserieus nemen. Want het afwijzen, eraan voorbijgaan, is de eeuwige dood. Dat is verschrikke­lijk. Dat gun je niemand. Daarom, bekeer je! Keer je om! Laat je gedachten en je leven vullen met de liefdesgeboden van God. Want al zijn geboden zijn goed. En niet te moeilijk. Ze zijn heel dichtbij, in je hart.

Daarom verlang ik naar uw geboden, ik kan er niet genoeg van krijgen. Ik wil er steeds meer van weten. Het is heerlijk om je daarin te vermeien. Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE, voor alles wat U doet. Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandigen inzicht. Heerlijk evan­gelie. Het is een licht op mijn pad een lamp voor mijn voet. Wat is het licht toch belangrijk. En God zeide: Er zij licht en er was licht. Ik ben het Licht der wereld, zegt Messias Jezus, wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wande­len, maar het Licht des levens hebben. Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE, voor alles wat U doet. Doe uw aanschijn lichten over uw knecht en leer mij uw inzettingen. Het gaat om ons te laten voorlichten door de HERE God Zelf. Het is niet dat wij inzicht verwerven, maar het is het inzicht van de HERE God waarmee wij ons mogen vullen om er in te gaan staan, om te ontdekken dat het werkt. Het werkt niet, omdat ik vind dat het werkt, maar het werkt omdat het werkt en dat ervaar ik als een genadegave waar ik steeds enthousi­aster van word. Dat wat ik door genade heb gekregen, dat mag ik mezelf toe-eigenen, dat mag ik als leidraad voor mijn leven nemen. Zo word ik bekeerd, omdat ik bekeerd wordt. Het is dubbele genade. Het is heerlijke openbaring, die alle verstand te boven gaat, maar die als een eeuwige waarheid niemand hoeft te ontgaan. Stem je af op dat Licht en je zult ontdekken dat je nooit meer dorst zult hebben, want de Verlosser is langs geweest en heeft je deelgenoot gemaakt aan zijn opstanding om met Hem de vergezichten te zien van het eeuwig heil. Nu zien we door een spiegel nog in raadselen, maar dan zullen we ten volle zien. Nu is het al heerlijk om geborgen te zijn in Hem. Maar dan zullen we het ten volle zien. Heerlijk evangelie. Daar krijg je niet genoeg van. Daarvoor gaan de tegenstanders op de vlucht. Ze kunnen soms bar lastig zijn, maar God is goed en nooit genoeg te prijzen. Met Hem kun je het leven door. Dat maakt je enthousiast. Dat zet je vast op je voeten. Dat tilt je door proble­men heen. Glorie voor zijn Naam!
(zie vervolg)

Psalm 119:129-144 (vervolg)

19 december [2]

119:137

Gij zijt rechtvaardig, HERE;
uw verordeningen zijn waarachtig.

119:138

In gerechtigheid hebt Gij uw getuigenissen geboden
en in grote trouw.

119:139

Mijn ijver verteert mij,
omdat mijn tegenstanders uw woorden vergeten.

119:140

Uw woord is geheel gelouterd,
uw knecht heeft het lief.

119:141

Ik ben klein en veracht,
uw bevelen vergeet ik niet.

119:142

Uw gerechtigheid is gerechtigheid voor eeuwig,
en uw wet is waarheid.

119:143

Treffen mij nood en verdrukking,
dan zijn uw geboden mijn verlustiging.

119:144

Uw getuigenissen zijn gerechtigheid voor eeuwig;
geef mij verstand, opdat ik leve.

Hier staat het opnieuw: Mijn ijver verteert mij, omdat mijn tegenstanders uw woorden vergeten. Dat is om te huilen. Dat is om je uit te strekken om hen te bereiken met Gods liefde. Daar wil je toch wat aan doen? En dan is de vraag: Wat doe je eraan? Je doet er nauwelijks iets aan. Want je weet niet wat je moet doen. Het is verschrikkelijk hoe lamlendig en gebrekkig de kracht van mij, van ons, is. Is het zo dat ik verteert wordt door ijver, omdat mijn tegen­standers van uw Woord zijn afgeweken? Het is verschrikkelijk. Maar ik heb uw woorden lief. Uw woorden zijn geheel gelouterd. Het is de waarheid. Daar wil ik in gaan staan. En van daaruit wil ik ook aan de slag. Uw Woord procla­meren. Midden in de kakofonie van allerlei tegengeluiden die van God af roe­pen. God is dood. Weg met God. Ik moet er niets van hebben. De tegenstan­ders gaan tekeer. Echter, de bloem valt af, het gras verdort, maar Gods Woord houdt stand in eeuwigheid. Uw gerechtigheid is gerechtigheid voor eeuwig, en uw wet is waarheid. Probeer het maar. Het is waarheid omdat het waarheid is. Het is de klaarblijkelijke, objectieve, universele waarheid. Je kunt het zelf toetsen of het zo is. Het is zo omdat het zo is. Glorie voor uw Naam! Prijs de HERE.

En treffen mij nood en verdrukking, dan zijn uw geboden mijn verlustiging. Uw getuigenissen zijn gerechtigheid voor eeuwig; geef mij verstand, opdat ik leve. Het is heerlijk om daarin te leven. We zien het ook weer in dit stukje. We blijven hameren en verkondigen dat Gods gerechtigheid goed is. Dat het voor eeuwig is. Dat we erbij kunnen leven. Dat we er niet aan hoeven twijfe­len, dat Gods geboden goed zijn. Het is de cadans van heel de psalm. Het is een herhaling. Het is steeds weer dezelfde toonhoogte. Het is steeds weer de bevestiging. Het wordt in allerlei toonaarden omschreven, maar de basis is: God is goed. En nooit genoeg te prijzen. Het is heerlijk om bij Hem te schui­len. We kunnen steeds wel hetzelfde herhalen, want het komt ook steeds op hetzelfde neer. God is goed. Dank U HERE, voor al uw zegeningen. Voor al uw gunstbewijzen. Voor al uw liefde en bescherming. Ik weet het heel zeker. Ik twijfel er niet aan. Al zijn er steeds weer mensen die me aan het twijfelen willen maken. God is goed. Treffen mij nood en verdrukking, dan zijn uw geboden mijn verlustiging. Wat kan die nood veelvuldig zijn. Wat kan ziekte een nood zijn, wat is honger een ellende, wat kan ruzie je kwellen, enz. enz. enz. En wat te denken van oorlog, rampen enz. enz. Maar we blijven volhar­den in de getuigenissen. Hoe je ook vervolgd wordt. Hoe je ook verdrukt wordt. Want wij verwachten een ander vaderland. Wij zien met reikhalzend verlangen uit naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Glorie voor zijn Naam! God is groot en nooit genoeg te prijzen. We zijn wel ín deze wereld maar niet vàn deze wereld. Het is geweldig om te le­ven vanuit Gods openbaring en zijn Woord in te drinken. Het is een verade­ming voor de ziel. We kunnen naar de mens gesproken, ons lichaam zien afta­kelen, maar naar de geest verjongd worden. Nieuwe moed vatten. Opspringen. En zo kunnen we met de laatste vezel van ons bestaan, God verheerlijken en loven en prijzen. God is goed. Prijs de HERE!

Psalm 119:145-160

20 december [2]

119:145

Ik roep van ganser harte; antwoord mij, HERE;
uw inzettingen zal ik bewaren.

119:146

Ik roep U aan; verlos mij,
dan zal ik uw getuigenissen onderhouden.

119:147

Vóór de morgenschemering roep ik om hulp,
op uw woord hoop ik.

119:148

Vóór de nachtwaken beginnen,
keren mijn ogen zich naar uw toezegging.

119:149

Hoor mijn stem, naar uw goedertierenheid;
HERE, maak mij levend naar uw recht.

119:150

Wie schanddaden najagen, zijn nabij,
verre houden zij zich van uw wet;

119:151

nabij zijt gij, o HERE,
en al uw geboden zijn waarheid.

119:152

Van oudsher weet ik uit uw getuigenissen,
dat Gij ze voor eeuwig hebt vastgesteld.

Ik roep U aan, verlos mij. De hele dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, roep ik U aan. Verlos mij. Ik wil bij U blijven. Wil mijn vijanden verre van mij houden. Bescherm mij HERE. Laten de boosdoeners mij niet genaken. Het gaat er ten diepste om, dat we niet in de handen vallen van hen die van de geboden van God zijn afgevallen. Ze kunnen wel ons belagen en ons tegen­staan, maar wij moeten blijven volharden in de geboden van de HERE. Daar willen we ons altijd in blijven verlustigen. We moeten ons dus niet in de war laten brengen. Hoe gemakkelijk doen we dat niet? Want de tegenstander komt met mooie verhalen. Hij zal van alles proberen om ons onderuit te halen. Wat een geraffineerde argumenten kunnen daarbij gebruikt worden. Zie het boek Job. Wat kunnen we redeneren. Wat kunnen we doen alsof we weten wat God denkt. We doen alsof we zijn gedachten kunnen peilen. Maar Gods gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Bovendien voor God is niets verborgen. We zijn geheel een open boek voor Hem. We hoeven dan ook niet te proberen om iets te verbergen. Het enige wat we moeten doen is: Ons onvoorwaardelijk aan Hem uitleveren en ons leven door Hem laten inrichten. Dan hebben we het goed. Dan zal Hij ons zegenen. Want Hij heeft het goede met ons voor. Een vader zal zijn kind toch geen stenen voor brood geven? En als een aardse va­der zijn kinderen alzo liefheeft, hoeveel te meer de hemelse Vader, die ons het eeuwige leven wil geven. Die, zijn eigen Zoon niet gespaard heeft. Zo is het. Dat is de werkelijkheid. Dat kunnen we met ons verstand doorzien, daar hoe­ven we niet aan te twijfelen. Zo is het. En zo blijft het. Dat is een universele, algemene en eeuwige waarheid, waar niemand om heen kan.

De tegenstanders, die schanddaden najagen, zijn nabij, maar ook: Nabij zijt Gij, HERE en al uw geboden zijn waarheid. Daar moeten wij ons aan vasthou­den. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Komen de vijanden aanstormen, dan heel eenvoudig het schild des geloofs omhoog houden. Het Woord van God. Het zwaard des Geestes. Het schild des geloofs, waar we alle brandende pijlen van de boze mee kunnen afweren. We hoeven zelf niet te strijden. Want we hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de boze machten in de hemelse gewesten. Maar overal waar het Woord van God wordt gepro­clameerd, daar gaan de boze geesten op de vlucht. Niet omdat wij zo kunnen vechten en hen verslaan, maar omdat het Woord van God levend en krachtig is en de boze wederstaat. Wij moeten ons alleen maar buigen onder dat Woord en dan zal de duivel vlieden. Het is een automatisme, niet omdat wij dat be­dacht hebben, maar omdat de boze geesten weten wie Messias Jezus is en wel­ke macht Hij heeft, daarom sidderen zij, omdat ze weten dat hun tijd gekomen is en zij het oordeel zullen ontvangen en voor altijd geworpen worden in de poel des vuurs die brandt van vuur en zwavel. Daar wil toch niemand bijho­ren? Dat is toch niet de toekomst waar je naar uitziet? Dat is toch niet je toe­komst? Nee, natuurlijk niet. Je bent uitgenodigd om in te stappen in de stroom van het eeuwige leven, door het aanbod van genade aan te nemen. Dan zul je ontdekken dat de trekkende kracht van God je gered heeft van de duisternis tot het licht. En dan ontdek je dat God die getuigenissen voor eeuwig heeft vast­gelegd en dat jij daar in mag gaan staan, omdat God dat wil voor alle mensen. Heerlijk evangelie. Niets kan je toch scheiden van de liefde van Christus. Glo­rie voor zijn Naam!
(zie vervolg)

Psalm 119:145-160 (vervolg)

20 december [2]

119:153

Zie mijn ellende en red mij,
want uw wet vergeet ik niet.

119:154

Voer mijn rechtsgeding en verlos mij,
maak mij levend naar uw belofte.

119:155

Het heil is verre van de goddelozen,
want zij zoeken uw inzettingen niet.

119:156

Uw barmhartigheid is groot, o HERE,
maak mij levend naar uw verordeningen.

119:157

Talrijk zijn mijn vervolgers en mijn tegenstanders,
doch van uw getuigenissen wijk ik niet af.

119:158

Zie ik afvalligen, dan voel ik afschuw,
daar zij uw woord niet onderhouden.

119:159

Zie, hoe ik uw bevelen liefheb;
HERE, maak mij levend naar uw goedertierenheid.

119:160

Heel uw woord is de waarheid,
al uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig.

We beginnen het steeds meer te begrijpen. De dichter zit te midden van de te­genstanders. De afvalligen. Hij ziet ze almaar om zich heen. En is dat niet uit het leven gegrepen? Want zitten wij ook niet te midden van de tegenstanders, de afvalligen? Zij die niets van de HERE moeten weten? Die tegen Hem te­keergaan? Ja, dat is zo. Zo dus ook met de dichter. Zie mijn ellende en red mij. Wat voor ellende het precies is dat weten we niet, maar het is ellende waar hij moeite mee heeft. Maar de wet van God vergeet hij niet. Het is alsof hij zegt: ik zit in de ellende en je zou denken dat ik dan ook wel de geboden van God zou vergeten, want waarom zou ik anders zo in de ellende zitten? En dan geef je toch al gauw God er de schuld van. Maar nee, het antwoord is: Want uw wet vergeet ik niet. Want het heil is verre van de goddelozen. Ik zal toch zeker het heil niet willen missen. De goddelozen gaan tegen me tekeer, maar ik ben blij dat ik niet in hun kamp ben. De barmhartigheid van de HERE is groot, o HERE, maak mij levend naar uw verordeningen.

Hij beschermt mij. Ik word uit genade door de ondoorgrondelijke barmhartig­heid van de HERE bespaard voor de boze. Hij is een wacht om mij heen. Hij is een wacht voor mijn lippen. Hij is een Licht op mijn pad. Hij helpt mij op de smalle weg. Hij beschermt mij tegen de tegenstanders. Hij doet mij steeds weer afwijzend reageren als er dingen zijn die niet overeenkomen met het Woord van God. Ik wijk niet af van uw Woord. Zie ik afvalligen, dan voel ik afschuw. En zo is het. Wat kun je met afschuw vervuld zijn over mensen die allerlei kwaadaardige dingen tegen God bedenken. Het is verschrikkelijk. God is goed. Hij wil ons juist daarvoor behoeden. En de HERE Jezus zegt het Zelf: Ze hebben Mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen. Maar in het uur der ver­zoeking, dan zal Ik bij hen zijn. En God is ook het dichts bij hen die vervolgd worden. Bij hen die trouw willen blijven aan het Woord en de geboden van God. Zalig zijn zij die hun knie voor Baäl niet gebogen hebben.

HERE, maak mij levend naar uw goedertierenheid. We moeten levend ge­maakt worden door Hem. Zijn goedertierenheid. Als we ontdekken hoe groot Gods genade, liefde, goedertierenheid is, dan willen we ook uit de veren ko­men en van zijn liefde getuigen. En overal waar we dat doen, daar ontstaat le­ven. Dat doen we zelf niet. Wij hoeven alleen maar te proclameren. Wij hoe­ven alleen maar onze blijdschap in Hem te laten zien, wij hoeven alleen maar te leven naar zijn geboden en ons af te sluiten voor de aanvechtingen en de te­genstanders en de vervolgers en de afvalligen en wie dan ook tegen God in­gaan. Dan worden we beschermd door de verordeningen van God. Dan gaan we op het goede pad. Dan weten we hoe we moeten leven. Dan houden we het vol. Dan komen we aan. Beijvert u daarom des te meer broeders, om uw roe­ping en verkiezing te bevestigen, want als gij dat doet, zult gij nimmer struike­len, maar zal u rijkelijk toegang verleend worden in het eeuwig Koninkrijk van God. Heerlijk toch. Doen!

Psalm 119:161-176

21 december [2]

119:161

Vorsten vervolgen mij zonder oorzaak,
maar mijn hart vreest voor uw woorden.

119:162

Ik verblijd mij over uw woord
als iemand die rijke buit vindt.

119:163

Ik haat en verafschuw leugen,
maar uw wet heb ik lief.

119:164

Zevenmaal daags loof ik U
om uw rechtvaardige verordeningen.

119:165

Zij, die uw wet liefhebben, hebben grote vrede,
er is voor hen geen struikelblok.

119:166

Op uw heil hoop ik, o HERE,
en uw geboden doe ik.

119:176

Mijn ziel onderhoudt uw getuigenissen,
ik heb ze hartelijk lief.

119:168

Uw bevelen en uw getuigenissen onderhoud ik,
want al mijn wegen zijn vóór U.

Vorsten vervolgen mij zonder oorzaak, maar mijn hart vreest voor uw woor­den. Ik verblijd mij over uw Woord, als iemand die rijke buit vindt. Vorsten, hooggeplaatsten kunnen wel tegen je tekeergaan. En dat is wat. Maar zij vol­gen de leugen. En dat haat ik. Wie het ook is, als ze niet in de wegen des HEREN wandelen, dan houd ik mij er verre van. Ik wil de HERE dienen, want dat is rijke buit. Als je dat ontdekt, dan word je er blij van. Uw wet heb ik lief. Maar ik haat de leugen. Leugen is alles wat met de ontkenning van God te maken heeft. Wie durft te twijfelen aan de rijkdom van Gods Woord. Het is toch duidelijk dat het heerlijk is om in Gods wegen te wandelen? Het ligt toch voor de hand dat het pad van de leugen nergens toe leidt? Je hebt toch de wet van God lief? Want daar kun je bij leven. Daar kun je mee verder. Heerlijk, dat Woord van God. Als je de wet van God lief hebt, dan heb je grote vrede. Want de weg van God is de weg van de vrede. Dan heb je een lamp voor je voet en een licht op je pad. Niets kan je dan scheiden van Gods grote liefde. Heerlijk toch om je daar in te vermeien? Daarom kun je Hem zevenmaal per dag loven. Je wilt ook niet anders. God is goed. Op het heil van God hoop je. Dan kan het heel moeilijk voor je zijn te midden van de vorsten en de hoogge­plaatsten die de leugen uitkramen, maar jij bent veilig en geborgen in Gods hand. In de vrede en de liefde van Hem. Dat is heerlijk. Dat is een werkelijk­heid die alle verstand te boven gaat. Er is dan ook geen struikelblok. Want er is vrede. Hij maakt je pad recht. Je hebt je blikrichting op Hem gericht. Hij is je Overste en Leidsman en Voleinder des geloofs. Hij laat je nooit in de steek. Hij maakt je schreden recht. Hij strekt je knikkende knieën. Dan put je nieuwe kracht. Want aan zijn kracht, uitgestort in mijn zwakheid, komt geen einde. Wat een heerlijk evangelie. God is goed.

God is groot en nooit genoeg te prijzen. Daarom doe ik uw geboden van harte. Ik heb ze hartelijk lief. Waarom zou je ze niet liefhebben als ze alleen maar goed zijn? Je kunt geen gebod van God bedenken dat niet ten goede voor je is; waar je geen voordeel van hebt. Bedenk het maar. Vaak wordt gedacht dat de geboden van God moeilijk zijn en dat het niet meevalt. En dat ze tégen je zijn. Maar het omgekeerde is waar. God is goed. Hij heeft het beste met je voor. Hij wil je juist beschermen voor ongelukken. En daarom zet Hij een hek ron­dom het gebied, zodat je niet komt op de plaatsen waar de struikelblokken lig­gen. Dat is toch liefde? Dat is toch als een vader die zijn kinderen beschermt en waarschuwt om niet de verkeerde kant op te gaan? Dat is genade. Een va­der wil toch het goede voor zijn kinderen. Dus je kunt ook uitroepen dat alle mijn wegen vóór U zijn. Dat is genade. Dat is liefde. En die liefde komt niet van jezelf. Die liefde wordt uitgestort in je hart. Hij heeft ons zo lief dat Hij alles heeft gedaan om ons te behouden. Hij zond zelfs zijn eigen Zoon. Dat is je niet voor te stellen. Wie kan zich een groter Vriend voorstellen dan Hij die zijn leven inzet voor zijn vrienden? Gij zijt mijn vrienden. Doe zoals Ik!
(zie vervolg)

Psalm 119:161-176 (vervolg)

21 december [2]

119:169

Mijn geroep nadere voor uw aanschijn, o HERE;
geef mij verstand naar uw woord.

119:170

Mijn smeking kome voor uw aanschijn,
red mij naar uw belofte.

119:171

Mijn lippen zullen overvloeien van lof,
want Gij zult mij uw inzettingen leren.

119:172

Mijn tong zal uw woord bezingen,
want al uw geboden zijn gerechtigheid.

119:173

Uw hand zij mij ter hulpe,
want uw bevelen heb ik verkozen.

119:174

Naar uw heil verlang ik, o HERE,
uw wet is mijn verlustiging.

119:175

Mijn ziel leve, en love U,
mogen uw verordeningen mij helpen.

119:176

Ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uw knecht,
want uw geboden vergeet ik niet.

Red mij naar uw belofte. Ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uw knecht. De dichter weet waar de redding te vinden is. Hij heeft gedwaald en heeft ontdekt dat de Goede Herder hem weer gevonden heeft. Die heeft mis­schien eerst wel een kluit geslingerd om hem te waarschuwen. Die is hem ach­terna gegaan en Die heeft hem met zijn staf een tik gegeven om weer de goede kant op te gaan. Die heeft misschien wel naar hem gezocht toen hij weg was. Die heeft misschien wel de negenennegentig andere schapen achtergelaten en is naar dat ene verdwaalde schaap op zoek gegaan. Want zijn hart gaat uit om het verlorene te zoeken. Hij laat zijn schapen nooit in de steek. De valse her­ders denken eerst aan zichzelf. Als roofdieren de kudde aanvallen, dan gaan zij het eerst op de vlucht. Maar God zál die herders die zijn schapen weiden, maar in feite eerst zichzelf weiden. Daar heb je niets aan. Daar heeft God een grote hekel aan. Dat is Hem een gruwel. Daar walgt Hij van. Daar maakt Hij korte metten mee. De dichter weet er alles van. Hij eindigt na zo’n lange psalm dan ook met deze woorden: want uw geboden vergeet ik niet.

Wat is het belangrijkste om van gered te worden? Dat is de afdwaling van de liefdesgeboden van God. Dat is het ergste wat je kan overkomen. Je kunt de hele wereld hebben, maar als je de liefde niet hebt, dan ben je schallend koper, een rinkelend cimbaal. Het gaat erom dat je je geborgen weet in Hem, je Ver­losser. Dat Jezus in je hart woont. Het is beter dat Ik heenga, dan kan Ik altijd in je wonen als Ik de Heilige Geest, de Trooster zend. De Geest der Waarheid, Die zal je alles te binnen brengen wat je moet weten. Dat is een heerlijke, vre­dige gedachte. En als je je op dwaalwegen begeeft, dan raak je het zicht kwijt. Dan verlaat je je kudde, die samen de Goede Herder wil volgen. Dan ben je je houvast kwijt. Het gaat om de eenheid in Christus. Het gaat om het volgen op de weg. Het gaat om ver weg te blijven van de gevaren. Dank U HERE, dat U me redt. Dat U me behoedt door uw getuigenissen, door uw geboden, door uw gerechtigheid, om weg te blijven van het gevaar. Ik wil dan ook dag en nacht me verheugen in uw getuigenissen. Want die wil ik altijd voor mij houden. Want als ik dat doe, dan kan mij niets overkomen. Dan ben ik veilig en dan kunnen de leugenaars, de valse herders, mij niet genaken. Ik bescherm me zelf niet, maar ik word beschermd door de overweldigende, ondoorgrondelijke kracht en liefde van God, Die niet wil dat sommigen verloren gaan, maar dat allen behouden worden.

Mijn ziel leve, en love U. Ik leef voor Hem. Dat is niet een slaafse zaak. Dat is niet: Ik mag niks, ik moet alleen maar. Neen, dat is: Ik heb volledige vrijheid om Hem te loven en te leven in volledige liefde en blijdschap en geloof. We zijn één met Hem. We zijn wel in deze wereld, maar we zijn dat als onderdeel van hèt Leven, dat gaat komen. Het eeuwige leven. De wereld van gerechtig­heid. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Dat gaat door strijd heen. Dat weten we maar al te goed. Dat zien we aan alle kan­ten. De vijand gaat om ons heen. Het moge woeden. Het moge stormen, maar wij zijn geborgen in het scheepje onder Jezus hoede. Waarom ben je dan be­vreesd? Jullie weten toch dat Ik altijd bij jullie ben. En dat niets je kan over­komen.

Mijn ziel leve, en love U, mogen uw verordeningen mij helpen. En dat doen ze. Altijd en overal. Heerlijk. Wat een blijdschap om onze dagen te leven en te loven. Niets kan ons scheiden van die liefde van Hem. Hoe kunnen we Hem ooit genoeg daar voor loven en prijzen. Dank U HERE!

Psalm 120:1-7

1 februari [1]

120:2

HERE, red mij van de leugenlippen,…

120:7

ik ben een en al vrede, maar als ik spreek,
dan zijn zij uit op strijd.

Daar is ook geen garen mee te spinnen. Wat je ook zegt. Ze hebben het maar op één ding gemunt: liegen en bedriegen. Dat is om alles wat jij zegt in diskre­diet te brengen. Jij spreekt de waarheid en woorden van vrede. Maar zij zijn uit op jouw ondergang. Nee, nee, nee, schreeuwen ze. Je voelt je soms midden tussen de leugenaars wonen. Jij zegt: God bestaat, en ze maken je uit voor leu­genaar. Je bent niet goed bij je verstand, want dat kan helemaal niet. Jij bent een dwaas. Terwijl zij het zijn en zo gaat het maar door. Het is als uit het le­ven gegrepen. Want je hoeft de krant maar op te slaan of je ziet de leugengees­ten al weer om je heen. We wonen in een land waar de leugen de waarheid wordt. Op allerlei terrein.

Daarom roepen we uit tot de HERE God: HERE, red ons hieruit. U bent de waarheid. U komt met uw gerechtigheid. U maakt een einde aan deze grote leugen. U duldt het niet. Wij kunnen het alleen verdragen door uw bescher­ming en kracht. Dank U wel, HERE God, dat U ons niet in de steek laat. Het kan lijken dat ze de overhand hebben. Maar zij zijn de beklagenswaardigste mensen van de wereld. Wij loven en wij prijzen uw Naam.

Het is een bedevaartslied. We zijn op weg naar Jeruzalem. We laten ons niet in de war brengen. We blijven deze liederen zingen, hoe zwaar ook de tegen­stand is. We hebben onze lampen brandende. We zijn waakzaam. We zien uit naar de Bruidegom. Hij haalt zijn bruid. Glorie voor zijn Naam! Heerlijk om bij Hem te schuilen. Halleluja!

Psalm 121:1-8

2 februari [1]

121:1

Ik hef mijn ogen op naar de bergen:
vanwaar zal mijn hulp komen?

121:2

Mijn hulp is van de HERE,
die hemel en aarde gemaakt heeft.

121:3

Hij zal niet toelaten, dat uw voet wankelt,
uw Bewaarder zal niet sluimeren.

121:4

Zie, de Bewaarder van Israël
sluimert noch slaapt.

121:5

De HERE is uw Bewaarder,
De HERE is uw schaduw aan uw rechterhand.

121:6

De zon zal u des daags niet steken,
noch de maan des nachts.

121:7

De HERE zal u bewaren voor alle kwaad,
Hij zal uw ziel bewaren.

121:8

De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren
van nu aan tot in eeuwigheid.

Een bedevaartslied. Dat was de vorige psalm ook en dat zijn al de psalmen die volgen tot Psalm 134. Het zijn prachtige psalmen die de Israëlieten hebben gezongen toen ze op pelgrimsreis naar de grote stad trokken. Naar de tempel om de feesten te vieren. Dat zongen ze in groepen en in reidans. Het waren liederen van vreugde en van vertrouwen op God. God woonde daar in de tem­pel en zij gingen om Hem eer te bewijzen. Hoe dichter ze bij de stad kwamen hoe meer ze onder de indruk kwamen van de grootheid van God. Je zag Jeru­zalem op de bergen liggen en de prachtige tempel schitteren. Het was gewel­dig en indrukwekkend. Daar woonde hun God.

Deze psalm zou je helemaal uit je hoofd moeten leren. Deze psalm moet je zingen. Daar zou je de prachtigste melodieën op kunnen maken. Dat is ook gebeurd. We lezen de psalm te weinig. Je kunt er je hele leven mee vullen. Je kunt er kracht uit ontvangen in alle situaties van het leven. Je kunt van alles meemaken, mooie dingen en moeilijke dingen, maar God is machtig. Hij is je bewaarder. Hij sluimert noch slaapt. Hij zal niet toelaten dat je voet wankelt. Het gaat om God. Hij komt in zijn grote liefde en bescherming naar ons toe om ons geheel te omringen met zijn liefde en bescherming. Hoe is het moge­lijk? Die grote heilige God die naar mij nietig mensenkind omziet.

Zie je het voor je? Daar lopen al die mensen en die zien de bergen voor zich waarop Jeruzalem ligt. Dan gaat hun hart open en de lofprijzing begint. De HERE, de HERE, de HERE, de HERE is groot. Hij zal uw uitgang en uw in­gang bewaren, van nu aan tot in eeuwigheid.

Heerlijk deze psalm. Je kunt hem wel reciteren en steeds weer opnieuw ver­woorden. Je moet er steeds over nadenken. Je moet er blij van worden. En dat is o zo nodig. Wat zijn er toch een stemmen de ons van Hem aftrekken. Er is zoveel duisternis in de wereld. Om ons heen, maar ook vaak in ons eigen hart. We zijn in zonde ontvangen en geboren. En de duivel gaat rond als een brie­sende leeuw. Dat hoef je niet te zeggen want dat zie je als je de krant opslaat. Daarom is het zo belangrijk dat God herhaalt en herhaalt en herhaalt dat Hij onze Bewaarder is. Waar zouden we anders kunnen schuilen? We kunnen toch ons zelf niet bewaren! Stel je voor dat we ons zelf zouden moeten bewaren. We zouden zo in de war zijn. En hoe vaak zijn we niet in de war, omdat we het zelf proberen te regelen. Neen, Hij is onze Bewaarder. En dat is nodig ook. Bij Hem is het veilig. Daar kunnen we schuilen. Heel vaak tegen ons eigen gevoelen in. Maar dat weet Hij ook; daarom herhaalt en herhaalt Hij zijn roep steeds: Schuil bij Mij, Ik ben je Bewaarder!

Het is een bijzonder woord “bewaarder”. Daarom ook goed te onthouden. Wie is je bewaarder? De HERE God! Bij we moet je schuilen? Bij je Bewaarder! Wie is dat? Dat is de God van hemel en aarde, de HERE God die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Psalm 122:1-9

3 februari [1]

122:1

Ik was verheugd, toen men mij zeide:
Laten wij naar het huis des HEREN gaan.

122:2

Onze voeten staan
in uw poorten, o Jeruzalem.

122:3

Jeruzalem is gebouwd als een stad
die wèl samengevoegd is;

122:4

waarheen de stammen opgaan,
de stammen des HEREN.
Een voorschrift voor Israël is het
de naam des HEREN te loven.

122:5

Want daar staan de zetels ten gerichte,
de zetels van het huis van David.

122:6

Bidt Jeruzalem vrede toe:
mogen wie u liefhebben rust genieten;

122:7

vrede zij binnen uw muur,
rust in uw burchten.

122:8

Om mijn broeders en mijn vrienden
wil ik zeggen: vrede zij in u;

122:9

om het huis van de HERE, onze God,
wil ik het goede voor u zoeken.

Een prachtige psalm. Wat een kracht. Wat een liefde. Wat een prachtige stad. Een bedevaartslied. De liederen zwellen aan. Het volk raakt in vervoering. Je­ruzalem de grote stad, de stad van de grote Koning. De stad van David. Daar wordt de geschiedenis gemaakt. Daar trekken wij naar op. Daar staan onze voeten. Daar worden Gods beloften eeuwig waar. God belooft het en Hij zal het ook doen. Het gaat om de vrede van Jeruzalem. Het zullen steeds de vijan­den van God zijn, die de vrede van Jeruzalem belagen. De ene keer van deze kant, dan weer van de andere kant. Ze willen de stad vernietigd hebben. Maar het zal ze niet gelukken. Het gaat door bloed en strijd heen. En velen zullen sneuvelen, maar uiteindelijk zal de HERE God Zelf zijn troon zetten in deze stad.

Wij leven weer veel verder in de tijd dan de dichter van de psalm, koning Da­vid zelf. Wij mogen leven in de verwachting van de wederkomst van onze Messias Jezus. De grote Zoon van David. Hij zal voor eeuwig op de troon van zijn vader David regeren. Hij komt met macht en majesteit. Hij kwam als lij­dende knecht des HEREN. Hij komt als zegevierende overwinnende Zoon van God. Vanuit Jeruzalem zal de wet uitgaan. Als we de Schrift doorgaan en le­zen wat er allemaal over Jeruzalem gezegd wordt, dan word je hoe langer hoe enthousiaster. Niks geestelijk Israël! Niets over het vergeestelijken van al die teksten en die dan van toepassing verklaren op de kerk. Lezen wat er staat. Geloven wat er staat. Dan heb je wat er staat. Al die kunstgrepen om de profe­tie te vergeestelijken lopen op niets uit. Het gaat om het profetisch getuigenis. Petrus is daar heel stellig over. Geen profetie is voortgekomen uit menselijke redeneringen, maar mensen hebben van Godswege gesproken. En dat moet je laten staan. Daar gaat het ook over in deze psalm. Lees de psalm nog eens over.

Jeruzalem is de stad van God. En iedereen die probeert deze stad en dit volk aan te pakken zal zich dodelijk verwonden. Daarom opgepast. De beste strate­gie is je oog gericht te houden op Jezus. Dan houd je het verband vast. Het was de HERE Jezus zelf die de profetie van zijn komst vervulde. Wat zijn we ver afgeweken van deze kern van het woord van God. O, HERE God, hoe kun­nen we voor U bestaan? Wij zijn schuldig. Wij hebben gezondigd. Het is ver­schrikkelijk.

Dank U, HERE, dat U ons met deze psalm weer herinnert aan de waarheid en de kracht van uw Woord. Vergeef ons. Help ons om trouw te zijn in dat woord. Uw Woord is de waarheid. De bloem valt af, het gras verdort, maar Gods Woord houdt stand in eeuwigheid.

Psalm 123:1-4

4 februari [1]

123:1

Een bedevaartslied.
Ik hef mijn ogen op tot U,
die in de hemel troont.

123:2

Zie, gelijk de ogen der knechten
zijn op de hand van hun heren,
gelijk de ogen der dienstmaagd
zijn op de hand van haar gebiedster,
zo zijn onze ogen op de HERE, onze God,
totdat Hij ons genadig zij.

123:3

Wees ons genadig, HERE, wees ons genadig,
want wij zijn meer dan verzadigd van verachting;

123:4

onze ziel is meer dan verzadigd
van de spot der overmoedigen, de verachting der hovaardigen.

Het begint met “Ik hef mijn ogen op tot U, die in de hemel troont.” Daar moe­ten we het zoeken. Daar moet het heil vandaan komen. Dan volgt de vergelij­king met de knecht en de dienstmaagd die zien op de hand van de heer en de gebiedster. Daar moeten zij het van hebben. Die heer of gebiedster is een mens en die kan het goede voor de knecht op het oog hebben. Maar dat is niets vergeleken met God, die in de hemel troont. Hij is onze Schepper. Hij heeft ons bijna goddelijk gemaakt. Wij zijn zijn schepselen. Hij heeft altijd het goe­de met ons voor. Hij lijdt het meeste aan de zonde in zijn schepping. Zo heeft Hij het niet gewild. Hij is bezig om alles te herstellen. Alles wordt nieuw.

In deze psalm is sprake van verachting. Wat kan de tegenstander van God mensen ophitsen om elkaar te verachten. We moeten echter bezig zijn om el­kaar te steunen en ons daar op richten. We moeten het altijd van Hem blijven verwachten. Want Hij slaat de spotters, de verachters met zijn gerechtigheid. Wij kunnen verzadigd zijn van de spot der overmoedigen en de verachting der hovaardigen, maar God, die in de hemel troont, ziet het. Hij zal ons niet verla­ten. Hij zal ons vasthouden. Hij zal ons altijd helpen. Hij is onze Heer. Hij is onze meester. Hij is onze rechter.

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon ge­geven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeu­wig leven hebbe.” Heerlijk om vanuit deze wetenschap te leven. Wat zijn het toch prachtige psalmen. We moeten ze inlijsten en uit ons hoofd leren. We moeten weer het bijbellezen en het leren van psalmen introduceren in ons le­ven, in de kerk, op school en thuis. Daar moeten we mee bezig zijn. Prijs de HERE.

Psalm 124:1-8

5 februari [1]

124:1

Ware het niet de HERE, die met ons was,…

124:3

dan hadden zij ons levend verslonden,…

124:6

Geprezen zij de HERE, die ons niet overgaf…

124:8

Onze hulp is in de naam des HEREN,
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Onze hulp is in de naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft. Wie heeft hemel en aarde gemaakt? Onze HERE, de Schepper van hemel en aarde. Wie dat durft te ontkennen, die moeten we meteen ontmaskeren. Geen weten­schap kan op tegen de almacht van God. Zijn Naam roepen we aan. Komen er mensen die beweren dat het allemaal niet klopt, dan ontmaskeren we hen. De wereld zit vol met zogenaamde wetenschappers, die er een lust in hebben om de waarheid van God te ontkennen. Ze gaan hun gang maar, maar schenk er geen gehoor aan. God is machtig. God is almachtig. De boze kan tekeergaan zoals in deze psalm en het kan er op lijken of de boze ons helemaal kapot maakt, onderdrukken, weg wil vagen. Maar “ware het niet de HERE, die met ons was,… dan hadden zij ons levend verslonden.”

Wat kan de haat tegen de kinderen van God groot zijn. Je vraagt je af waarom toch die haat, die agressie tegen alles wat van God is. De mensen hebben er toch geen last van? Maar telkens zie je een haat. Die haat is ingegeven door de tegenstander van God. De mensen die die haat koesteren zijn de slachtoffers. Zij worden gebruikt voor een verkeerde zaak. Dat moeten we begrijpen in on­ze reactie tegenover hen. We moeten daar niet te licht over denken. Want het kan soms enorm agressief tekeergaan. We weten er allemaal van mee te pra­ten. Maar we moeten ons niet terugtrekken. We mogen en we moeten vrij het evangelie verkondigen. Zwijgen kunnen we niet, maar we gaan in de kracht van God. Want Hij is altijd met ons.

We weten dat de tegenstander er alles aan gelegen is om ons het zwijgen op te leggen. Zoals ook hier staat hij wil wel de waterstortvloed over ons heen laten komen. Hij heeft een strik geplaatst om ons te vangen. Maar God doet ons ont­komen. Dan kunnen we soms naar het vlees wel schade lijden, maar naar ons geloof blijven we volharden. Dan zijn we overwinnaar. Dan worden we ge­sterkt, opdat we blijven spreken: “onze hulp is in de naam des HERE, die de hemel en de aarde gemaakt heeft.”

God sprak: Er zij licht. En er was licht. God sprak en het was er. En wij zijn op dat Woord gemaakt om eeuwig te leven en ons te verlustigen in Hem. Lees de Bijbel. Doe het. Bid elke dag.

Psalm 125:1-5

6 februari [1]

125:1

Wie op de HERE vertrouwen, zijn als de berg Sion,
die niet wankelt, maar voor altoos blijft.

125:2

Rondom Jeruzalem zijn bergen;
zo is de HERE rondom zijn volk
van nu aan tot in eeuwigheid.

125:3

Want de scepter der goddeloosheid zal niet blijven rusten
op het erfdeel der rechtvaardigen,
opdat de rechtvaardigen hun handen
niet uitstrekken naar onrecht.

125:4

Doe goed, HERE, aan de goeden,
en aan de oprechten van hart,

125:5

maar hen, die zich tot kronkelpaden neigen,
zal de HERE met de bedrijvers van ongerechtigheid doen vergaan.
Vrede zij over Israël!

We zijn nog steeds bezig met de bedevaartsliederen. Het volk van God trekt op naar Jeruzalem. Wij zijn ingelijfd in dat volk, dus wij trekken ook met hen op naar Jeruzalem. Wij zijn pelgrims op reis naar die stad. Heerlijk. Fantas­tisch. Zie je de bergen rondom Jeruzalem ook? Wie op de HERE vertrouwen zijn als de berg Sion, die niet wankelt maar voor altoos blijft. Zo is de HERE rondom zijn volk. Dus ook rondom mij. Hij maakt mij sterk. Dat mijn voet niet wankelt. Dat niets mij kan overkomen. Ze kunnen tekeergaan. Het kan stormen, maar Hij wankelt niet in mij. Daar gaat het om. Wat zijn ze tegen Jeruzalem tekeergegaan! Tot vandaag toe. Maar mijn voet wankelt niet. “Ik sluimer noch slaap.” Hij gaat mij voor. Heerlijke gedachte.

Wat een psalm. Daar kun je de hele dag op teren. Wat zeg ik, daar kun je je hele leven op bouwen. Dat moeten we dan doen ook. We zijn zo vaak half­slachtig bezig. En dan gaat het weer verkeerd. Dan verslappen we, terwijl we juist moeten zien op Sion, de onwankelbare vesting. De goddelozen en de mensen van kronkelpaden, die zal God doen vergaan. Daar moeten we dan ook verre van blijven. Daar moeten we ons niet mee inlaten. Toch laten we ons vaak zomaar verleiden. Maar weet, dat God dat haat. Blijf ver weg uit het kamp van de vijand.

“Doe goed, HERE, aan de goeden, en aan de oprechten van hart.” Dat doet de HERE ook. Hij wil ons het goede doen zien. Wat is het heerlijk om zo vol ver­wachting op Hem te hopen. In voorspoed en in tegenspoed. Hij zal ons nooit verlaten. Hij wil ons staande houden temidden van de strijd. Hij wil ons be­schermen met zijn liefde en goedheid. We moeten het vanuit Hem gaan zien. We zitten zo vaak in het platte vlak te denken, maar we moeten vol verwach­ting en blijdschap zien op Hem. Op Jezus die al onze zonden en smarten heeft gedragen om ons het eeuwig heil te kunnen geven. Dat is verzoening en dat is verlossing. Niet omdat wij dat kunnen maar, omdat Hij het aanbiedt uit gena­de. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 126:1-6

7 februari [1]

126:1

Een bedevaartslied.
Toen de HERE de gevangenen van Sion deed wederkeren,
waren wij als degenen die dromen.

126:2

Toen werd onze mond vervuld met lachen,
onze tong met gejuich.
Toen zeide men onder de heidenen:
De HERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

126:3

De HERE heeft grote dingen bij ons gedaan,
wij waren verheugd.

126:4

HERE, wend ons lot
als beken in het Zuiderland.

126:5

Wie met tranen zaaien,
zullen met gejuich maaien.

126:6

Hij gaat al wenende voort,
die de zaadbuidel draagt;
voorzeker zal Hij komen met gejuich,
dragende zijn schoven.

Een psalm om te blijven zingen. De gevangenen van Sion keren terug. Wat zijn ze vervolgd. Wat worden ze geslagen. Wat een antisemitisme. Wat een vervolging. Door de eeuwen heen, maar ook vandaag. Er hoeft maar iets te ge­beuren of de Joden hebben het weer gedaan. De Palestijnen zijn de verdruk­ten. De Joden zijn de boosdoeners. En wat er ook wordt uitgehaald tegen de Joden, zelf mogen ze niets doen. Ze hebben geen andere keuze dan om zich tot de tanden te bewapenen. De haat zit er zo diep in. Het wordt in de moskee heel luid en duidelijk geroepen. Er is een ophitsende activiteit. De Joden moe­ten het land uit.

Toen maakte de HERE hen los. Hij laat hen komen. “Laat mijn volk gaan, op­dat ze Mij dienen.” Dat was de oproep aan de Farao. De volken zeggen: “De HERE heeft grote dingen bij hen gedaan!” Wat een wonder. De HERE wendt hun lot als waterbeken in het Zuiderland.

“Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Hij gaat al wenende voort, die de zaadbuidel draagt; voorzeker zal Hij komen met gejuich, dragende zijn schoven.” Een mooi poëtische deel. Maar wat betekent het? Zou het betekenen dat je wel in moeite en pijn zaait? Het leven is hard en moeilijk. De mensen en zeker de uitverkorenen van Sion gaan door haat en nijd heen. Maar het zal op­bloeien. De schoven, het volk, wordt met gejuich binnengehaald. Gods belof­ten blijven waar. Zijn plannen falen niet. Hij gaat hen voor. Hij leidt zijn volk. Hij stuurt hen zijn Messias. Hij zal hen niet in de steek laten.

Zijn beloften zijn eeuwig, ook al zie je er zelf niets van. Al word je vervolgd, je mag blijven geloven dat wat jij in tranen hebt gezaaid niet zal omkomen, maar zal opbloeien, vrucht zal dragen, zal komen tot een oogst. De oogst van de HERE God. Waar we met gejuich en met vreugde de machtige daden van God zullen zien. We mogen met vreugde voortgaan temidden van allerlei toe­standen en onbegrepen situaties. Want we leven in een verbroken wereld. We zien door een spiegel in raadselen. Het kon ook niet anders dan dat God zijn eigen Zoon zond, opdat wij niet verloren gaan. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.” Geprezen zij zijn Naam.

Psalm 127:1-5

8 februari [1]

127:1

Een bedevaartslied. Van Salomo.
Als de HERE het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan;
als de HERE de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter.

127:2

Het is voor u tevergeefs, dat gij vroeg opstaat,
laat opblijft, brood der smarten eet –
Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap.

127:3

Zie, zonen zijn een erfdeel des HEREN,
een beloning is de vrucht van de schoot.

127:4

Als pijlen in de hand van een held,
zo zijn de zonen der jeugd.

127:5

Welzalig de man die zijn pijlkoker
met dezen heeft gevuld.
Zij worden niet beschaamd, als zij spreken
met de vijanden in de poort.

Nou dat weten we dan. Daar gaat het om. Het gaat om de HERE toe te laten in je leven. Je kunt je druk maken over van alles. Je kunt denken dat je dit en dat zult doen. Maar als de HERE het huis niet bouwt. Dat geldt voor alle terreinen van het leven. Je moet dat letterlijk toepassen in je eigen leven. We kennen de woorden wel. En we weten er ook wel wat over te zeggen. Maar het gaat erom dat we het letterlijk toepassen. Dat vergeten we zo vaak.

“Als de HERE de stad niet bewaakt, tevergeefs waakt de wachter.” Waar doe je het allemaal voor. Je doet het voor de HERE, want Hij is je Beschermer. Hij is altijd bij je. Daar moet je je leven mee vullen. Dat is weer zo iets praktisch We vullen ons denken en ons doen met van alles en nog wat. We zullen dit en we zullen dat. En we weten het allemaal heel goed. En, o ja, natuurlijk moeten we daar God ook bij betrekken. Maar Hij mag een toeschouwer zijn, die de boel moet bijsturen als wij het niet meer in de hand hebben. Daar gaat het nu juist om. Hij is de begin en het einde. De Alfa en de Omega. Hij is alles. Hij wil in ons leven regeren om ons juist nog meer vanuit onze talenten aan te sturen. We zullen versteld staan. Met Hem springen we over muren.

“Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap.” Heerlijk wat een gedachte. Ga je gerust te ruste leggen. Neem niet alle zorgen met je mee. De HERE waakt. Hij wil je de rust geven om de volgende morgen weer met Hem verder te gaan. Wat een stress heerst er in het leven van mensen. Hoe liggen ze niet wakker? En Hij is er om er over te waken. Laat dat dan ook toe.

“Zonen zijn een erfdeel des HEREN.” Het zijn kinderen van God. We hebben ze ook maar gekregen om ze van Gods grote daden te vertellen. Om met ze ten strijde te trekken. We moeten ze als een zegen van God ontvangen. Ze zijn van de HERE. Wat een zegen! Wat een rust! Wat een bezit!

Je spreekt met je vijanden in de poort. Je bent machtig. Ze durven je niet aan te vallen. En al die vaders samen met al die zonen. En de HERE God aan het hoofd. De Bijbel staat vol van de machtige daden van God door de zonen van zijn kinderen. Samen met God zijn we overwinnaar. Dan zijn we onoverwin­nelijk. Dan kan de vijand niets doen. Daarom is het geweldig om ook samen gemeenschap te hebben. Want dan voel je je deel van het lichaam. De Zoon van God de Messias kwam om zijn leven te geven. Hij is het hoofd wij zijn de leden. En we zijn samengevoegd en niet stuk te krijgen. Hij is immers de hoeksteen. Wel samengevoegd. Wat een eenheid, wat een kracht, wat een wonder! De HERE bouwt het huis. Laat Hem dan ook toe in je leven. Stop al dat zwoegen, want het helpt niets. Je zult het zien als je het doet. Glorie voor zijn Naam.

Psalm 128:1-6

24 juli [1]

128:1

Een bedevaartslied.
Welzalig ieder die de HERE vreest,
die in zijn wegen wandelt,

128:2

want gij zult eten de opbrengst van uw handen;
welzalig gij, het zal u welgaan.

128:3

Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok
binnen in uw huis;
uw zonen als olijfscheuten
rondom uw dis.

128:4

Zie, zo zal de man gezegend worden,
die de HERE vreest.

128:5

De HERE zegene u uit Sion,
opdat gij het goede van Jeruzalem moogt zien
al uw levensdagen,

128:6

en opdat gij uw kindskinderen moogt zien.
Vrede zij over Israël.

Je zou zo mee gaan met de bedevaartgangers naar Jeruzalem. Zie je ze optrek­ken voor de grote feesten? Ze zien Jeruzalem al liggen daar op de berg Sion. Ze trekken naar omhoog. Een prachtig gezicht van welke kant je Jeruzalem ook nadert. Je hebt zo zin om zelf ook te gaan, met deze psalm in gedachten. Eigenlijk al deze bedevaartpsalmen.

Wat een gemeenschap klinkt hieruit. Zo zongen ze samen als ze samen optrok­ken. Ze waren één in Jahweh, de HERE der Heerscharen. De zegen van de HERE kwam uit Sion. Daar stond de tempel. Van daaruit kwamen de geboden des levens. Daar was de ark met daarin de twee stenen tafelen met de tien ge­boden. Woorden ten leven.

Wat een zegen als je de HERE vreest. Je ziet het gezegend gezin rond de tafel zitten. Olijven en de wijnstok zijn beide vruchtbaar en ze hebben beide een lang leven. Er kan alleen maar zegen komen als je de HERE vreest. Hij is een God van wonderen. Hij geeft je vrede in je hart en dat is de beste basis voor een gerust en stil leven. Daar kan alleen maar veel vrucht uit voort komen. Ook als je het benauwd hebt, want daar staan de psalmen ook vol van. Hij is een hulp in nood.

“De HERE zegene u uit Sion, opdat gij het goede van Jeruzalem moogt zien al uw levensdagen, en opdat gij uw kindskinderen moogt zien. Vrede zij over Is­raël.” Een oproep aan de ouders en hun kinderen en kleinkinderen. Vrede in de HERE doet je je kleinkinderen zien en er van genieten. Hierin trekt God ook de lijn der geslachten door. God houdt de boel bij elkaar. Wij moeten dat dus ook doen en niet de zaak uit elkaar halen.

Het gaat over het goede van Jeruzalem en vrede over Israël. Dit komt keer op keer in de Psalmen terug. Lees Psalm 122. Gods beloften blijven eeuwig waar. Hij riep Abraham. Hij gaf de beloften van land en volk aan Israël. Hij vergeet zijn volk en zijn land niet. Wat er ook gebeurt. Ze kunnen ruim vierhonderd jaar in Egypte zijn. Ze kunnen zeventig jaar in ballingschap zijn. Ze kunnen na het jaar 70 met de val van Jeruzalem verbannen zijn, maar zijn eeuwigdurende beloften blijven staan.

We kunnen dan wel al die beloften in de kerk uit de volkeren hebben wegge­theologiseerd, maar wat geschreven is dat heb Ik geschreven, zegt de HERE God. Afblijven. Er is een radicale bekering nodig op het terrein van de profeti­sche zeggingskracht van het woord van God. Zowel voor Israël als voor de volkeren. Ik kan er maar niet over zwijgen. Het is verschrikkelijk wat we er­van gemaakt hebben. Het is een schuld die op het christendom drukt en steeds zwaarder gaat drukken. Want de tijd dringt. De letterlijke vervulling is gaan­de. Dat geldt natuurlijk voor elke tijd, maar wij leven nu weer dichter bij Gods apocalyptische tijd. HERE, help ons hieruit te komen.

Psalm 129:1-8

25 juli [1]

129:1

Een bedevaartslied.
Zij hebben mij ten zeerste benauwd van mijn jeugd aan,
– zegge nu Israël –

129:2

zij hebben mij ten zeerste benauwd van mijn jeugd aan,
maar zij hebben mij niet overmocht.

129:3

Ploegers ploegden op mijn rug,
zij trokken hun voren lang.

129:4

De HERE, die rechtvaardig is, heeft doorgehouwen
de touwen der goddelozen.

129:5

Beschaamd zullen worden en terugdeinzen
allen die Sion haten;

129:6

zij zullen zijn als gras op de daken,
dat verdort, eer men het uittrekt,

129:7

waarmee de maaier zijn hand niet vult,
noch de garvenbinder zijn arm;

129:8

zodat wie voorbijgaan, niet zeggen:
Des HEREN zegen zij met u,
wij zegenen u in de naam des HEREN.

Ik weet dat we vroeger uit volle borst de psalmen zongen. Maar nooit dacht ik daarbij aan Israël. Ik dacht alleen maar aan onszelf en dan vooral wat de kerk betrof. De psalmen hoorden tot het erfgoed van de kerk. Dat was voor mij de vrijgemaakte kerk. Daar was ik, daar waren we trots op. Dat was de ware kerk. Gelukkig hoorde ik daarbij. Wij kerkten in de synagoge. De vrijmaking was van 1944 en de Joden van Assen waren nagenoeg allemaal verdwenen, dus de synagoge aan de Groningerstraat stond leeg. Wij zijn daar gaan kerken. Ik wist niet dat deze synagoge alles met God te maken had. Dat wordt me pas de laat­ste jaren duidelijk.

Daarom ook deze psalm. Allen die Sion haten zullen vallen. Dat was voor toen, maar dat is ook voor nu. Het is Gods uitverkoren volk en zijn uitverko­ren land. Ze zijn ongehoorzaam geweest en daarom verbannen. Ze wijzen in grote getale hun Messias af. Vreselijk. Wat een verblinding. Maar wij mogen niet zeggen dat Gods beloften voor zijn volk niet meer gelden. Voor God gel­den ze nog ten volle. Wij zijn dus ook verblind. We moeten ons daar van be­keren.

“Zij hebben mij ten zeerste benauwd van mijn jeugd aan”. Dat is helemaal waar. Israël kent nauwelijks een tijd dat het niet aangevallen is, tot vandaag aan de dag toe. Omringd door vijanden. En de verstrooide Joden zijn door de eeuwen heen van pogrom tot holocaust vervolgd. Wat een schuld. Hoe kan dat ooit vergeven worden. O, HERE vergeef, O, HERE help. Wij hebben gezon­digd. Ik zat in die kerk, maar heb er overheen gelezen. Of liever ik heb het he­lemaal niet gelezen. De kerk, de kerk, de kerk, de kerk, en niets anders. Een Jood moest zich maar bekeren en bij onze kerk voegen. Elk idee voor nog on­vervulde beloften voor de Joden en het land was mij vreemd. Deze ontdekking doet je de Bijbel veel rijker lezen.

Onvoorstelbaar rijker. Jezus komt in nog grotere glorie en volheid naar je toe. Wat een heilsplan. Wat een zegen dat wij uit de heidenen er ook bij mogen horen. En laten we voorzichtig zijn met ons te beroemen Want zij zijn geval­len om hun ongeloof, maar dat kan ons ook gebeuren. Dus dicht bij Jezus blij­ven. De hele Bijbel staat vol van Gods plan met zijn volk en zijn land en de uitbreiding van het heil naar de volkeren.

Psalm 130:1-8

26 juli [1]

130:1

Een bedevaartslied.
Uit de diepten roep ik tot U, o HERE.

130:2

Here, hoor naar mijn stem;
laten uw oren opmerkende zijn
op mijn luide smekingen.

130:3

Als Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt,

HERE, wie zal bestaan?

130:4

Maar bij U is vergeving,
opdat gij gevreesd wordt.

130:5

Ik verwacht de HERE,
mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord;

130:6

mijn ziel wacht op de HERE,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.

130:7

Israël hope op de HERE,
want bij de HERE is goedertierenheid,
bij Hem is veel verlossing;

130:8

Hij zelf zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.

Een bekende psalm. Uit diepten van ellende, roep ik tot U, o HERE. Ik zing hem in mijn gedachten. Maar bij U HERE is vergeving, altijd geweest. Ja, als je denkt aan alle ongerechtigheden van jezelf. Wie kan er dan bestaan? Dan roep je om genade. Want je komt zo ontzettend veel tekort. Dan kun je het uitroepen in ellende. En dan kun je tot de HERE smeken. En als je je uitstrekt naar de HERE, omdat je in ellende zit, dan kom je in de eerste plaats jezelf tegen vanwege de zonden die aan je kleven. Hoe kan de HERE je helpen als je zelf zo zondig bent? Je ervaart dan dat het zijn grote genade is, die je kan red­den. Want bij Hem is vergeving en genade. Hoe zouden we anders kunnen bestaan? U wilt vergeven, opdat we U vrezen. Het is geen goedkope zaak. Het is duurgekochte genade door de Here Jezus op het kruis van Golgotha.

Als die genade dan zo kostbaar is en we die genade om niet ontvangen zonder enige verdienste onzerzijds, dan is het ook heel belangrijk dat we vanuit de genadige vergeving van de HERE God Hem ook willen dienen met heel ons hart. Wat bedroeven we toch vaak de HERE God. Wat een genade. Wat een triestheid. Wat een bedroeven van de HERE. We worden steeds weer terugge­worpen op onze eigen genadige afhankelijkheid en de liefde van God. Dat maakt ons nederig en blij en vol hoop voor de toekomst. Hoe zouden we an­ders ooit kunnen leven? Want we zouden blijvend ineenkrimpen en nooit kun­nen opstaan als die genade er niet was. We kunnen het ook zelf niet verdienen. Het is een gave van God. O HERE, wat een grote liefde hebt U voor mij, voor ons, dat er bij U altijd vergeving is.

“Ik verwacht de HERE, mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord”. En zo is het. En dan natuurlijk de weg van Israël. Gods oogappel. De weg die Israël gaat. Wat een weg. De weg der belofte. De weg der uitverkiezing. “Israël hope op de HERE, want bij de HERE is goedertierenheid, bij Hem is veel verlossing; Hij zelf zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.” Wat een belofte. Israël kan in de druk zitten. En wat zit het in de druk. Maar de HERE geeft uitredding. Want dat heeft Hij beloofd. Hij zelf zal Israël uit de druk verlossen. Bij Hem is veel goedertierenheid. En dat zal gebeuren. Het is niet om Israëls gerechtigheid dat ze verlost worden, maar het is de liefde en de genade van de HERE dat ze verlost worden, want dat is wat God beloofd heeft. Hij zal zelfs zijn woorden in hun binnenste leggen. Als de HERE het zelf niet doet, dan zullen ze in ongehoorzaamheid nooit komen. Maar Hij houdt zich aan zijn woord. En zijn woord is waarheid en vast. Daar moeten we niet mee knoeien. Glorie voor zijn woord. De HERE is groot. Dank U HERE voor zoveel liefde. Dank U dat U ons in uw grote liefde en barmhartigheid verlost van onze ongerechtigheden en ons rijkelijk toegang geeft tot uw eeu­wig Koninkrijk van recht en gerechtigheid.

Psalm 131:1-3

27 juli [1]

131:1

Een bedevaartslied. Van David.
HERE, mijn hart is niet hovaardig,
mijn ogen zijn niet trots;
ik wandel niet in grootse dingen,
noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn.

131:2

Immers heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht
als een gespeend kind bij zijn moeder;
als een gespeend kind is mijn ziel in mij.

131:3

Israël hope op de HERE
van nu aan en voor immer.

De rust van mijn ziel met dat van een gespeend kind bij zijn moeder. Wat een prachtig beeld. Wat een vrede, wat een rust, wat een schepping, wat een tevre­denheid, er is niets mooiers. Het is prachtig. Ik kan daar alleen maar helemaal blij van worden. Ja, zo is het.

Dus het is zo dat je in je overgave aan de HERE de rust krijgt. Je kunt dat zelf niet; Hij geeft daar de kracht voor. Maar je moet je je er wel voor inspannen. Er staat: “Immers ik heb mijn ziel tot rust en stilte gebracht.” Dat is inspan­ning. Anders gebeurt er niets. Daar moet het zich voor inspannen. Het is dan ook alle inspanning waard om in die rust bij de HERE te komen.

En het slot is weer: “Israël hope op de HERE van nu aan en voor immer.” Het is immers een bedevaartslied. Ze trekken op naar Jeruzalem in een grote fees­telijke stoet. Het is immers opgaan naar de grote feesten drie maal per jaar. Wat een geweldig gezicht als ze dan Jeruzalem daar hoog zien liggen, de stad der belofte. God blijft getrouw. We kunnen ons rustig neervlijen aan zijn rust. Daarom stop met al dat eigen onrustig gedoe. Je moet op de HERE hopen, je vertrouwen in God stellen. Geef je over aan de liefde van Jezus. Het liedje “Stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God” komt in me op. Laten we het in canon zingen. Prachtig.

Psalm 132:1-18

28 juli [1]

132:1

Een bedevaartslied.
HERE, gedenk aan David,…

132:10

Wend het aangezicht van uw gezalfde niet af
ter wille van David, uw knecht.

132:11

De HERE heeft David een dure eed gezworen,
waarop Hij niet terugkomt:
Een van uw lijfelijke zonen zal Ik op uw troon zetten.

132:13

Want de HERE heeft Sion verkoren,…

132:17

Daar zal Ik voor David een hoorn doen uitspruiten,
Ik zal voor mijn gezalfde een lamp bereiden;…

In de NBG vertaling staat boven deze psalm: “Sion door de HERE verkoren.” Een profetische psalm. Gods beloften houden eeuwig stand. Er zal een zoon zitten op de troon van zijn vader David. Dat zegt ook de engel als hij de ge­boorte van Messias Jezus aankondigt.

Als het gaat over de koning dan grepen de Joden meteen naar deze psalm. Wat zegt de psalmist? Ja, de zoon van David. Maar niet de Messias Jezus. Kan er uit Nazaret iets goeds komen? Neen toch zeker. Maar toen de schriftgeleerden nazochten waar de Koning der Joden geboren moest worden, was het heel dui­delijk dat het Bethlehem moest zijn. Daar gingen ze dan ook zoeken. En ze vonden de Koning in een kribbe. Dat kan natuurlijk helemaal niet. Maar Hero­dus neemt het zekere voor het onzekere en doodt alle kleine kinderen.

Neen, de Messias moet komen om de Romeinen te verdrijven. Hij komt met macht en majesteit. Kruisig, deze valse Messias. En daar hing Hij na drie jaar aan het Kruis. Maar zijn dood is onze redding. Als Jezus niet gestorven was, was er geen redding. Het zou immers een lijdende knecht des HEREN zijn (Jesaja 53). En wat hebben wij gedaan? Wij hebben als gelovigen uit de vol­keren Messias Jezus beroofd van zijn eigen profetie. We hebben de beloften van toepassing verklaard op de kerk. Geen beloften meer voor land en volk van Israël. Vreselijk. Het slaat nergens op. We zijn eeuwen verkeerd gegaan. “De wissel staat verkeerd,” zei tante Rebecca de Graaf-van Gelder. En ver­keerd is die blijven staan. We trekken een beetje aan de wissel maar verder willen we durven we niet gaan. Over welke Jezus hebben we het eigenlijk. Vreselijk.

O HERE, wat hebben we er van gemaakt? We moeten ons in schuld en boete buigen. Wij hebben gezondigd. Hoe durven we de Joden nog onder ogen te komen. Hoe kunnen we hen een Messias voorhouden in wiens naam we hen tot vandaag aan de dag nog vermoorden, discrimineren, enz. En kijk eens wat er politiek gebeurt. Israël in de druk. Land weggeven. De Joden onder druk. We laden nog steeds het oordeel op ons. We kruisigen Messias Jezus nog da­gelijks. Alleen radicale bekering kan ons redden. HERE, help ons. HERE, help ons. Help ons radicaal deze valse theologie af te zweren. Afstand doen van deze eeuwenoude valse leer. We willen immers bijbelgetrouw zijn. Alleen al Psalm 132 zal ons tot boete moeten brengen in stof en as.

Dank U HERE, dat U ons desondanks toch altijd weer een nieuwe kans geeft. We moeten wel opschieten voordat het te laat is.

Psalm 133:1-3

29 juli [1]

133:1

Een bedevaartslied. Van David.
Ziet, hoe goed en hoe liefelijk het is,
als broeders ook tezamen wonen.

133:2

Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
nedervloeiende op de baard, de baard van Aäron,
die nedergolft op de zoom van zijn klederen.

133:3

Het is als de dauw van de Hermon,
die nederdaalt op de bergen van Sion.
Want daar gebiedt de HERE de zegen,
leven tot in eeuwigheid.

Broederlijk samenwonen; zegen en leven tot in eeuwigheid. Als een vanzelf­sprekendheid. Als je dat doet, dan werkt het. Dan is er vrede en de vrucht van de geest. Alles groeit en bloeit. Daar moet je je voor inzetten. Het wordt ver­geleken met het heilige, de olie op het hoofd van de hogepriester. Levensred­dend. Het mooiste, het heiligste wat je kunt bedenken. Het wordt vergeleken met de dauw van de Hermon. In het hete Israël is dat het weldadigste wat je kunt bedenken.

Het optimale gevoel van broederlijke eenheid. Dus vandaag je daar weer voor inzetten. Je verzetten tegen alles wat je daar van aftrekt. En het is er zomaar. Een wrevelige gedachte, een blik die nergens op slaat. Laat af van je zelf, maar blijf dicht bij Jezus. Het kan niet genoeg herhaald worden: Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. De liefde is de vervulling der wet. De liefde doet de naaste geen kwaad. Enz. enz. enz. enz. Dat moeten we elkaar prediken. Daartoe elkaar oproepen. Een prachtig kleinood. Inlijsten.

Psalm 134:1-3

30 juli [1]

134:1

Een bedevaartslied.
Komt prijst de HERE,
alle gij knechten des HEREN,
die des nachts in het huis des HEREN staat.

134:2

Heft uw handen op naar het heiligdom
en prijst de HERE.

134:3

De HERE zegene u uit Sion,
Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Dit bedevaartslied kun je alleen maar met opgeheven handen en diep onder de indruk zingen. Het is een slotakkoord uit een prachtig muziekstuk. Ik denk dat woorden tekort schieten en muziek niet kan vatten wat hier eigenlijk bedoeld wordt. Gods gedachten zijn hoger dan onze gedachten. We zien door een spie­gel in raadselen. Om die reden buig ik mijn knieën. Om samen met alle heili­gen te vatten de lengte de hoogte de diepte en de breedte van de heerlijkheid Gods. En als we groeien in de genade en de kennis van God dan kan het niet meer stuk. Het is ontzettend belangrijk om Gods woord te lezen, te herlezen. Het komt naar je toe. God komt naar je toe. Het is waar. Doe het maar en je zult het beleven.

Vandaag mogen we weer op stap gaan. Het is nu een zonovergoten dag. Maar ook indien niet. Want achter de wolken schijnt de zon. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Dank U HERE voor zoveel genade. Ik ga weer op stap.

We moeten elkaar aanvuren en oproepen om trouw te blijven. De Bijbel is ons handboek. Er staan de marsroute en de strijdwapenen der vrede in. Die moeten we ons eigen maken. Wat zijn we toch eigenlijk stom, als we het niet doen.

Psalm 135:1-21

31 juli [1]

135:4

want de HERE heeft Zich Jakob verkoren,
Israël tot zijn eigendom.

135:8

Hij was het, die de eerstgeborenen van Egypte sloeg…

135:10

Hij was het, die grote volken versloeg
en machtige koningen doodde…

135:12

die hun land ten erfdeel gaf,
ten erfdeel aan Israël, zijn volk.

135:21

Geprezen zij de HERE uit Sion,
Hij, die te Jeruzalem woont. Halleluja.

De HERE doet wat Hem behaagt. Hij geeft regen. Hij verslaat de volkeren. Hij doet recht. Hij koos Israël als zijn volk en het land als zijn land en Jeruza­lem als zijn Jeruzalem. Die God zij alle eer. Geprezen zij zijn Naam. Halleluja uit Sion.

Wat een heerlijke gedachte. Wat een zegen. Wat een fantastische zekerheid om de dag te beginnen. Het is de waarheid. Daar moeten we uit leven. God is in de hemel. De afgoden zijn stom. We moeten dan ook onze afgoden verbran­den en wegdoen. De grootste afgod is dat we denken dat het zonder God kan.

Psalm 136:1-26

15 januari [2]

136:1

Looft de HERE, want Hij is goed,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

136:5

die met verstand de hemel schiep,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;…

136:10

die Egypte sloeg in zijn eerstgeborenen,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;…

136:13

die de Schelfzee in tweeën sneed,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;…

136:21

die hun land ten erfdeel gaf,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;…

136:23

die in onze vernedering onzer gedacht,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;…

136:26

Looft de God des hemels,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Zesentwintig keer “want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.” En daar kunnen we de hele dag wel mee doorgaan. Want het is waar. “Zíjn goedertie­renheid is tot in eeuwigheid.” Want we moeten het vanuit God bekijken. Hij troont in de hemel. Hij is hoger dan wij ons kunnen denken. Zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Hij heeft ons gemaakt. Wij zijn het leem en Hij is de pottenbakker. Zal het leem tegen de pottenbakker opstaan en rebelle­ren: “Waarom heeft U me zo gemaakt?” Hij heeft ons bijna goddelijk ge­maakt. Wij zijn naar zijn beeld geschapen. Hij geeft ons geen stenen, als we om brood vragen. Hij weet wat we nodig hebben. Hij wil het goede voor ons. Hij verhoort onze gebeden. Hij zal ons nooit in de steek laten. Hij zal ons hel­pen bij alles wat we tegenkomen. We hoeven niet te twijfelen. We moeten ge­woon dicht bij Hem blijven. Kijk maar. Hij schiep de hemel en de aarde. Hij maakte de grote lichten. Hij maakte alles goed. Hij leidde zijn volk uit Egypte. Hij leidde zijn volk door de Schelfzee. Wat een wonder! En de vijanden wer­den verzwolgen. Hij leidde hen door de woestijn. Hij bracht hen in het beloof­de land. Hij gedenkt ons in onze vernedering. Er kan ons van alles gebeuren, maar Hij zal ons altijd bijstaan.

En als we het zien in het licht van Messias Jezus die al gekomen is, dan wor­den we nog enthousiaster. Want dan zien we het in het licht van de gekruisig­de Christus. Hij gaf zijn leven voor ons. Hij stierf voor onze zonden. Dat is je toch niet voor te stellen. Wij verdienden de dood. En Hij nam de schuld op zich. Wie is een groter vriend dan hij die zijn leven inzet voor zijn vrienden. Hij is de grote Messias. Hij komt terug om zijn rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Hij komt, Hij komt om de aarde te richten, de wereld in ge­rechtigheid. Wat een heerlijke toekomst. We kunnen de hele dag wel doorgaan met zingen: “Want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid”. Glorie voor zijn Naam. Halleluja. Wie wil er nu niet behoren bij de HERE? Hij komt naar ons toe in zijn grote liefde. En wij mogen eerbiedig ons hoofd buigen en ons door Hem laten trekken om dan eeuwig met alle anderen het uit te roepen: “Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.”

Psalm 137:1-9

16 januari [2]

137:1

Aan Babels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij,
als wij Sion gedachten.

137:5

Indien ik u vergete, o Jeruzalem,
zo vergete mij mijn rechterhand;…

137:8

Gij, dochter van Babel, ter verwoesting bestemde,
gelukkig hij, die u zal vergelden
hetgeen gij ons hebt aangedaan;…

Ziet u ze zitten? Daar aan Babels stromen. Ver weg van huis en haard. Jeruza­lem is ingenomen en met de grond gelijk gemaakt. Het volk is in ballingschap weggevoerd. Een lange stoet van ballingen. Weg uit eigen land. Weg met hun godsdienst. Weg met hun tempel. Weg met hun opstandige natuur. En ja na­tuurlijk, ze moeten voor de heersers hun mooie psalmen zingen. Dat willen ze wel horen. Want het zijn ook prachtige liederen. Er was in de tempel ver ont­wikkeld muzikaal talent. Daar werd heel veel aandacht aan gegeven. Lees het maar in de psalmen. En de vijanden wilden dat wel horen. En daar zitten dan de muzikanten en de zangers. Ze worden verplicht aan Babels stromen hun liederen ter ere van hun God te zingen. Dat is schrijnend. Dat is hard.

O Jeruzalem. O Jeruzalem. Daar gaan hun gedachten naar uit. Dat zullen ze nooit kunnen vergeten. “Indien ik u vergete, o Jeruzalem, zo vergete mij mijn rechterhand.” Dat is sterk gezegd. Je kunt nooit je rechterhand vergeten. Dat snapt iedereen. Zo sterk is ook hun denken aan Jeruzalem. Jeruzalem zullen ze nooit kunnen vergeten. Ze geloven rotsvast dat ze daar naar terug zullen keren. Want dat heeft God aan Abraham beloofd. Het land is ze tot een altijddurende belofte gegeven. Daar is geen twijfel aan. Daarom zal God afrekenen met hen die hen naar het leven en naar het land staan. Ze zullen terugkeren. En de vij­anden die gezegd hebben: “Breek af”, die krijgen het zwaar te verduren. God zal hen vergelden. God gebruikt de volken wel om het volk te straffen, omdat ze Hem verlaten hebben, maar wee degene die het doet. Babel zal vallen. Ba­bel zal worden verwoest. En het volk zal terugkeren naar het land dat God hen als altijddurende belofte heeft geschonken. Want het volk is uitverkoren om­dat de Messias uit het volk beloofd is. Hij zal zitten op de troon van zijn vader David. Israël is de baarmoeder van de Messias. Daar komt al het leven, al het heil uit voort. Daar is geen twijfel over mogelijk. En dat weten ze. Al weten ze niet daar aan Babels stromen, hoe het allemaal zal gaan. Maar dat het gebeurt, staat zo vast als een huis.

Zo is het ook vandaag. De Messias is gekomen. Hij heeft zijn leven als een losprijs aan het kruis van Golgotha gegeven. Hij heeft onze zonden verzoend. Wij mogen uit genade en enkel uit genade een kind van God zijn. Hoe is het mogelijk? Wij met onze zondige natuur. Er was ook geen andere weg dan dat de Zoon van God de zonden op zich nam. Wij hebben het verbruid. Wij kun­nen ons zelf nooit rechtvaardigen. Jezus neemt de zondaars aan. Hij voer ten hemel. En Hij zal net zo terugkomen als Hij gegaan is. Dan zal zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid komen. En alle ogen zullen zien dat Hij de Messias is, ook zij die Hem doorboord hebben: zijn uitverkoren volk. Dat zal een grote dag zijn. Daar verlangen we naar. Geweldig om dat perspectief te hebben. Dat is een vreugde om naar te verlangen. Zeker als je het moeilijk hebt. Als de nood van het leven toeslaat. Dat is Gods plan met je leven. We worden gebo­ren om te sterven, maar we leven eeuwig, omdat Hij de Schepper van het eeu­wig leven is. Hij laat ons niet in de steek.

Psalm 138:1-8

17 januari [2]

138:1

Ik zal U loven met mijn ganse hart,…

138:3

Ten dage dat ik riep, hebt Gij mij geantwoord,
Gij hebt mij bemoedigd met kracht in mijn ziel.

138:4

Alle koningen der aarde zullen U, o HERE, loven,
wanneer zij de woorden van uw mond gehoord hebben;…

138:6

Want de HERE is verheven, en Hij aanschouwt de nederige,
maar de hovaardige kent Hij van verre.

138:7

Wanneer ik wandel temidden van benauwdheid,
behoudt gij mij in het leven;…

138:8

De HERE zal het voor mij voleindigen.
O HERE, uw goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Laat niet varen de werken uwer handen.

Zo is het. Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Dat hebben we in Psalm 136 zesentwintig keer gezongen. En zo is het en zo blijft het. God is hoog ver­heven. Hij ziet alles. Er ontgaat Hem niets. Hij ziet om naar de nederige. Maar de verhevene slaat Hij neer. Wat denken ze wel, die zo hovaardig en verheven kunnen denken over zichzelf? Alsof God niet bestaat. Alsof zij de wijsheid in pacht hebben. alsof zij de zaak wel even kunnen regelen. Zo gaat dat niet. God laat het toe. Maar daar komt een einde aan. En wij hoeven ons daar niet door te laten intimideren. Ze proberen het wel. Ze maken je wel belachelijk. Ze doen net alsof je lucht bent, maar zij zijn niets in de ogen van God. Wij mogen op God vertrouwen. We mogen bij Hem schuilen. We mogen in onze nood naar Hem uitroepen. Hij zal ons nooit in de steek laten. We moeten onze ge­dachten op God richten. We moeten ons niet in de war laten brengen door al die schreeuwers om ons heen, die zeggen een waarheid te verkondigen, die een leugen is. Want God is niet te belasteren. God is niet te vernederen.

God zetelt in de hemel. Hij heerst over het heelal. Ja, de zonde is in de wereld gekomen, dat weten we maar al te goed. Maar Hij die in de hemel zetelt lacht. Hij zal heersen en de wereld regeren met recht en gerechtigheid. Hij wil het goede voor alle mensen. Hij wil dat allen tot bekering komen en niemand ver­loren gaat. Ja, dat is het doel van God. Daarom is het belangrijk dat we leven vanuit zijn liefde, grootheid, genade en eeuwig leven. Hij regeert. En zijn goe­dertierenheid is tot in eeuwigheid. Het gaat om de eeuwigheid. Het gaat niet om dit kortstondig leven. Wij worden geboren om eeuwig te leven. We wor­den niet geboren om te sterven. Wij sterven allemaal. De één vroeger, de an­der later. De schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen. Wachtend op de openbaarmaking van de zonen Gods. Daarom is het zo belangrijk te leven vanuit de zegen van God. Te leven vanuit de almachtige eeuwige God. Niet tegen Hem aankijken, maar vanuit Hem leven. We leven veel te veel in het beperkte denken van ons verstand. Dan kom je niet ver. Want we zijn zo aan de grens van ons denken. We weten dat er veel meer is dan we kunnen denken of beseffen. Als we alleen al de ontwikkeling van de wetenschap zien. Hoe meer we weten, hoe meer we beseffen, dat we nog veel meer niet weten.

De wereld denkt het te weten, maar de wereldse wijsheid is dwaasheid, voor God. Dat moeten we ons nu eens en vooral inprenten. We zijn zo vaak onder de indruk van het denken van de wereld. We durven haast niet meer te zeggen, hoe God erover denkt. Maar daar gaat het nu juist om. We moeten stoppen met onze nederige afhankelijke positie tegenover de wereldse wijsheid. Dat is de leugen. Daar schieten we niets mee op. Daar komen we alleen maar mee achterop. Stoppen. En gewoon de waarheid proclameren. Wij proclameren. Het woord van God heeft eigen kracht.

En ook al wandelen we temidden van benauwdheden. Dat doet er niet toe. Hij zal ons beschermen, ook al kost het ons leven. Want we kunnen beter ons le­ven verliezen, dan dat we voor eeuwig verloren gaan in ongeloof. God zal het voor ons voleindigen. Want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Hij laat niet varen het werk van zijn handen.

Wat een geweldige bemoediging. Wat een perspectief. Want een kracht. Er kan niets mis gaan. Hij is altijd bij ons. Hij is er altijd. Hij tilt ons op naar het eeuwige leven. Daar staat de Bijbel vol van. Wij kunnen uit ons zelf niets. We zijn al moe als we beginnen. Maar met Hem springen we over muren. Voor Hem is niets te wonderlijk. We kunnen wel dag en nacht doorgaan, om Hem daarvoor te danken.

Psalm 139:1-12

18 januari [2]

139:1

HERE, Gij doorgrondt en kent mij;

139:2

Gij kent mijn zitten en mijn opstaan,…

139:5

Gij omgeeft mij van achteren en van voren
en Gij legt uw hand op mij.

139:6

Het begrijpen is mij te wonderbaar,
te verheven, ik kan er niet bij.

139:7

Waarheen zou ik gaan voor uw Geest,
waarheen vlieden voor uw aangezicht?

139:12

zelfs de duisternis verbergt niet voor U,
maar de nacht licht als de dag,
de duisternis is als het licht.

Het is niet te begrijpen. God ziet alles, Hij hoort alles, Hij weet alles. Niets is er voor Hem verborgen. Je kunt het niet zo gek bedenken of God weet het. Zou God dan echt alles weten? Is dat niet een beetje teveel van het goede? Maar hier staat het. En het wordt op allerlei manieren gezegd. Je kunt het ook niet genoeg herhalen. Want we hebben steeds weer allerlei gedachten, dat God dit of dat wel niet zou zien. Dat we daar zelf wel over kunnen beslissen. Maar niets is minder waar. Hij is er altijd bij. Daar moeten we in de praktijk van ons leven rekening mee houden. Want anders lopen we het gevaar te denken dat we God er bij kunnen halen wanneer het in onze kraam te pas komt. Maar zo is het niet. Als wij denken het zelf wel te weten dan is God er die ons bij de les wil trekken. En Die ons wil richten om op het juiste spoor te blijven. Hij wijst ons de weg en die weg is niet moeilijk. We moeten gewoon op die weg wandelen. Niet links en niet rechts gaan. Dat is geen slechte weg. Dat is een effen weg. Dat is dé Weg. Want Jezus zegt: “Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven.” En: “Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.” Dat is de waarheid. Geloof je het niet? Doe het maar en je zult het ontdekken. Niet dat jij het ontdekt maar je zult eraan ontdekt worden. Ga biddend die weg. Vraag God dagelijks om de kracht van zijn Geest en je zult ervaren dat God de bid­ders nooit alleen laat. Dan zul je zien wat er gebeurt. Dan ga je niet anders dan leven uit Hem. Je wilt ook niet anders, want je bent gevangen in de kennis van God. Je bent vrijgekocht van de zonde en overgaan in het koninkrijk van priesters. Lees de Bijbel er maar op na. Je zult het ontdekken. God spreekt door zijn Woord en door zijn Geest. Het is waar; het is de waarheid. Heerlijk.

Als je wilt proberen eraan te ontkomen. Doe het maar niet, want er is geen plaats te bedenken waar God niet weet waar je bent. Het ligt allemaal open voor Hem. Stijg je ten hemel om aan God te ontkomen, het heeft geen zin, want Hij is er. Probeer je onder te gaan in de duisternis, het heeft geen zin, want Hij maakt licht in de duisternis. Hij ziet alles en overal. Zelfs de duister­nis verbergt niets voor God, maar de nacht is licht als de dag, de duisternis is als het licht. We maken vaak de raarste capriolen om maar aan de aandacht van God te ontkomen. We denken dat het wel lukt, maar er is geen kans. Alles ligt open voor God. Is dat benauwend? Neen, dat is bevrijdend. Want als dat de werkelijkheid is, dan hoeven we ook niet zo krampachtig te doen, maar kunnen gewoon in het licht wandelen. En als we een scheve schaats rijden dan, wordt dat in dat licht het duidelijkst. We weten precies wat wel en wat niet bij God hoort. Dat is niet alleen duidelijk voor de christenen, maar ook voor de niet-christenen. De niet-christen weet vaak precies wat wel en niet bij God hoort. Probeer het maar eens. Als een christen iets verkeerds doet, dan is de niet-christen er als de kippen bij om je dat onder de neus te wrijven: dat hoort toch niet bij de God, die jij zegt te dienen. Het komt er dan ook op aan hoe we wandelen. Het getuige zijn komt tot uiting in het licht. Wandelen in het licht is de grootste evangelisatie actie aller tijden. Wat wordt er slecht ge­wandeld in het licht. Hoe kan dan ooit een heiden tot bekering komen, als hij zoveel slechte getuigen om zich heen heeft? Daarom verootmoedig je en wan­del in het licht. Volg Jezus. En de mensen zullen zien dat God leeft en een werkelijkheid is voor ons die geloven.

Psalm 139:13-24

19 januari [2]

139:13

Want Gij hebt mij nieren gevormd,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.

139:14

Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid,
wonderbaar zijn uw werken;
mijn ziel weet dat zeer wel.

139:15

Mijn gebeente was voor u niet verholen,
toen ik in het verborgene gemaakt werd,
gewrocht in de diepten van het aardrijk;

139:16

uw ogen zagen mijn vormeloos begin;
in uw boek waren zij alle opgeschreven,
de dagen, die geformeerd zouden worden,
toen nog geen daarvan bestond.

139:17

Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God,
hoe overweldigend is haar getal.

139:18

Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand;
als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U.

139:19

…– gij, mannen des bloeds, wijkt van mij –…

139:21

Zou ik niet haten, HERE, wie U haten,
niet verafschuwen wie tegen U opstaan?

139:23

Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
toets mij en ken mijn gedachten;

139:24

zie, of bij mij een heilloze weg is,
en leid mij op de eeuwige weg.

Ja, hoe kan het ook anders. God heeft ons zelf geschapen. Dan weet Hij toch ook alles van ons. Dan kunnen we wel proberen ons voor Hem te verbergen. maar dat is onbegonnen werk. Want alles ligt voor Hem open. Hij is toch onze Schepper. Hij heeft ons toch zelf gemaakt. Dan heeft het geen zin om voor Hem weg te schuilen. Zou Hij het niet zien? Probeer het maar. Het lukt je niet. En dat spreekt ook voor zichzelf. Want Hij kent mijn zitten en mijn opstaan. Hij weet mijn gedachten. Is dat bedreigend? Neen. Helemaal niet. Ja, het is bedreigend als je dingen in gedachten hebt, die tegen je eigen Schepper in­gaan. En daar moet je voor waken. Want Hij heeft je gemaakt om het goed te hebben. Als je in zijn wegen blijft wandelen, dan gaat het goed. Doe je het niet, dan kom je verkeerd uit. En dat weten we allemaal. Daarom moeten we ons ook afzijdig houden van de tegenstanders van God. Die proberen roet in het eten te gooien. En dat lukt ze ook nog aardig. Oppassen. De HERE bidden of Hij je wil ontdekken aan de dingen die niet van Hem zijn. Ook haten hen, die de HERE haten. De werkers der wetteloosheid. En je weet zelf heel goed waar we het dan over hebben.

“Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder gewe­ven.” Dat is een groot wonder. Als je daar over nadenkt dan kun je er alleen maar enthousiast worden en er diep van onder indruk komen. Dat is een won­der. Het is de schepping. Hoe is het mogelijk? Je krijgt er niet genoeg van. Prachtig. Daar kun je God eeuwig voor loven en danken. Het is geweldig. Het is prachtig. Heerlijk.

“Wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel.” Niets was voor Hem verborgen. “Uw ogen zagen mijn vormeloos begin; in uw boek waren zij alle opgeschreven, de dagen die geformeerd zouden worden, toen nog geen daarvan bestond. Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, hoe overweldi­gend is haar getal. Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand.” De ge­dachten van God zijn kostelijk. Niet te tellen. overweldigend. Wilde ik ze al tellen het lukt niet, want er zijn er nog veel meer, gelijk het zand der zee. En “als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U.” Het is alsof David niet kan ophouden om die grote scheppingskracht van God te bezingen. Alles ligt voor God open. Hij kent mijn zitten en mijn opstaan. Hij kent van verre mijn gedachten. David weet zich helemaal doorzien door God. God heeft ons allemaal gemaakt.

Hij weet dat er anderen zijn die het wonder van zijn schepping willen kapot maken. En dat neemt Hij niet. Hij zál hen, die zijn schepping proberen kapot te maken. Hij roept ons op om weg te blijven van de werkers der wetteloos­heid. Hij roept op om weg te blijven van de mannen des bloeds. Want wat wordt er veel bloed vergoten. Onschuldig bloed als we denken aan al die kin­deren die niet geboren mogen worden. Het is verschrikkelijk. Terwijl God be­zig is het kind te weven, gaan wij het wegroven. Het is verschrikkelijk. Hij wil daar niets mee te maken hebben. Het is de grote tegenstander van God, die dat probeert. God schept de mens en de duivel rooft het weg. Wat een schande. Wat een slag in het gezicht van God. God lijdt zelf het meest aan het lijden van de mens. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn enigge­boren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.”

Heerlijk om vanuit deze psalm te leven. Daar je leven mee te vullen. God heeft ieder mens geschapen. Hij heeft het beste met hem voor. Hij heeft ons bijna goddelijk gemaakt. En daarom mogen we leven vanuit de liefde van Hem, temidden van een wereld die probeert ons bloed te drinken. Die probeert ons uit de vreugde van de Here te halen. Die probeert onze gedachten te vullen met dingen die niet goed zijn. Die onze gedachten op het verkeerde spoor zet. Het is een man van het bloed. Hij wil de dood. Hij wil niet het leven. Vandaar dat we ons daar tegen moeten verzetten en het niet toelaten. Want het is tever­geefs, als we ons voor God willen verbergen. Want hij kent ons vanaf ons vor­meloos begin. Dan is het ook logisch dat je je door Hem laat vinden, want Hij heeft je al gevonden, want Hij heeft je zelf gemaakt. Doe het dan maar. Het is waar.

Psalm 140:1-14

20 januari [2]

140:2

Red mij, o HERE, van de boze mensen,
bewaar mij voor de mannen van het geweld,…

140:4

zij hebben hun tong gescherpt als een slang,
addervergif is onder hun lippen.

140:6

zij spanden een net langs het pad,
zetten vallen voor mij op.

140:8

HERE Here, Sterkte mijner verlossing,
Gij beschermt mijn hoofd ten dage van de strijd.

140:11

gloeiende kolen mogen op hen neerdalen.
Hij doe hen vallen in het vuur, in kuilen,…

140:12

het onheil vange ijlings de man van het geweld.

140:13

Ik weet, dat de HERE het geding van de ellendige berecht,
de pleitzaak der armen.

140:14

Waarlijk, de rechtvaardigen zullen uw naam loven,
de oprechten zullen voor uw aangezicht wonen.

Wat kunnen er een boze mensen om je heen zijn. En wat heeft David een boze mensen om zich heen gehad. Lees maar na. Hoe was Saul ook steeds maar be­zig om hem te pakken te krijgen en uit de weg te ruimen? Wat zullen er een leugens over hem verteld zijn. En zo gaat het nog steeds. Voor de tegenstan­ders van God is geen wapen te grof om te gebruiken tegen God en zijn gezalf­den. Dat zien we de eeuwen door. Vervolging op vervolging. Want de duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden. Dat is geen dogmatisch gepraat. Dat is bittere realiteit. We zien het om ons heen. Wat een vervolging van christenen. Hoe goed de christenen het ook doen. Hoe ze ook bezig zijn voor hun land. Ze worden vervolgd. Maar David blijft zeg­gen, en dat mogen wij dus ook doen: “Ik zeg tot de HERE, Gij zijt mijn God, neem ter ore, o HERE, mijn luide smekingen. HERE Here, Sterkte mijner ver­lossing”

We mogen zeker weten dat de HERE ons beschermt. Hij is machtig, Hij kan grote legers doen terugdeinzen. Hij jaagt de leugenaar weg. Hij laat ze in hun eigen gegraven kuil vallen. Hij doet vurige kolen op hun hoofd nederdalen. Het onheil zal hen treffen. Vroeg of laat. Dat is geloofsvertrouwen. Dat is met moed spreken, zelfs temidden van de benauwdheid. Dat houdt je op de been. Want het kan soms aardig om je heen spoken. Maar dan is het het godsver­trouwen dat je er bovenop houdt. God laat je nooit in de steek. Hij beschermt je van voren en van achteren. Ze kunnen van alles beramen. Ja, ze kunnen zelfs je leven nemen, maar God is erbij. Hij zal de goddeloze in zijn eigen kwaad laten vallen en verderven. Daarom kan de psalmdichter midden in de nood waarin hij zit, eindigen: “Waarlijk, de rechtvaardigen zullen uw Naam loven, de oprechten zullen voor uw aangezicht wonen.”

Psalm 141:1-10

21 januari [2]

141:1

O HERE, ik roep U aan, haast U tot mij;
neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.

141:2

Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan,
het opheffen van mijn handen als een avondoffer.

141:3

HERE, stel een wacht voor mijn mond,
waak over de deuren van mijn lippen;

141:4

neig mijn hart niet tot iets kwaads
om in goddeloosheid boze daden te volvoeren
met mannen die bedrijvers van ongerechtigheid zijn,
en laat mij van hun lekkernijen niet eten.

141:5

Slaat een rechtvaardige mij, het is liefde,
kastijdt hij mij, het is olie voor mijn hoofd,…

141:7

Zoals men de aarde doorploegt en openscheurt,
zo liggen onze beenderen verstrooid
aan de mond van het dodenrijk.

141:8

Want op U, HERE Here, zijn mijn ogen,
bij U schuil ik; giet mijn leven niet uit.

141:9

Behoed mij voor de strik die ze mij spanden,…

141:10

Laten de goddelozen in hun kuilen vallen,
altegader, terwijl ik ontkom.

Behoed ons, HERE. De belagers liggen aan de deur. ze proberen je te verlei­den. Ze zullen je van God aftrekken. Maar je gebed is om dicht bij God te blij­ven. Je te behoeden voor het kwade. Je roept God aan om je te helpen. HERE, hoor mij. Want ik roep tot U. HERE, antwoord mij. HERE, help mij. HERE, U moet heel dicht bij mij blijven. Want het is moeilijk. Wat bent U van plan? Waarom helpt U niet? HERE, help mij dat ik niet de weg van de goddelozen op ga. Ik heb het moeilijk maar behoedt mij voor het uitspreken van slechte dingen. Behoed mij dat ik in het kamp van de tegenstander terechtkom? En hoe gemakkelijk gaat dat niet? We zitten zomaar verkeerd. We hebben het zomaar te kwaad. We zitten zomaar vol zelfverwijt. We klagen zomaar de HERE aan. Waarom dit en waarom dat? En we doen, alsof wij het allemaal weten. Waak over de deuren van mijn lippen. Ik heb U nodig. U moet mij be­schermen.

En daarom is de tuchtiging mij een zegen. Ik zie het als olie voor mijn hoofd. Het is een zegen. Het is een bescherming. Het is de weg om mij dicht bij U te houden. HERE, dank U wel. Hoe ze ook tekeergaan. Wat ze ook doen. Ik groei in U. Het lijkt wel of de weg van de tuchtiging de weg van de groei is. Hoe gemakkelijk vergeten we God niet, als het allemaal op rolletjes gaat. Als we ons nergens druk over hoeven maken. Alsof het allemaal vanzelfsprekend is. Maar dat is het niet. Het is de tegenstander, die almaar zal proberen om de boel in de war te schoppen. Zo liggen onze beenderen verstrooid aan de mond van het dodenrijk. En zo is het. Wij liggen te wachten op de dood. De dood gaapt overal. En we gaan allemaal dood. Maar zo is het niet geweest. Dat is niet de bedoeling. God heeft ons naar zijn beeld geschapen om eeuwig te le­ven. Dat is God. En de duivel is de heerser over de dood. Hij wil ons in de duistere krochten van de dood trekken. En daar moeten we ons tegen verzet­ten. Daar geeft God de kracht voor. Ons permanent gebed mag dan ook zijn: “Behoed mij voor de strik die ze mij spanden,… Laten de goddelozen in hun kuilen vallen, altegader, terwijl ik ontkom.”

Het is uit het leven gegrepen. We moeten op onze hoede zijn. Overal zijn strikken gespannen. En als ze ons zouden kunnen laten struikelen dan zullen ze het niet laten. Het is onvoorstelbaar, welke listigheid de duivel heeft. En juist met verleidende woorden, met schijnvroomheid zal alles in het werk gesteld worden om ons onderuit te halen. Maar God zit op de troon. “O HERE, U roep ik aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.” En zie je jezelf al staan? Met opgeheven handen. Want de HERE is groot. Hij kan nooit genoeg geprezen worden. Hij redt mij. Hij leidt mij. Hij wil ons leven beschermen en ons leiden op de eeuwige weg. We mogen in volledige overgave voor Hem leven. Want Hij laat ons nooit in de steek. Hij heeft ons opgenomen in zijn eeuwig plan. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.

Psalm 142:1-8

22 januari [2]

142:1

toen hij in de spelonk was.

142:2

met luider stem smeek ik de HERE;…

142:4

Wanneer mijn geest in mij versmacht,
kent Gij mijn pad.

142:6

Tot U roep ik, HERE;
ik zeg: Gij zijt mijn schuilplaats,
mijn deel in het land der levenden.

142:7

red mij van mijn vervolgers,
want zij zijn sterker dan ik.

142:8

Voer mij uit de kerker,
opdat ik uw naam love;

de rechtvaardigen zullen mij omringen,
wanneer Gij mij weldoet.

Je kunt in de druk zitten. Je kunt overweldigd worden door je vijanden. Je kunt helemaal omsingeld zijn, zodat je geen kant uit kunt, gelijk David in de spelonk. De vijanden hebben hem omringd. Hij kan geen kant op. Saul staat hem naar het leven. Saul doet alles om hem uit de weg te ruimen. Saul komt zelfs in de spelonk waar hij met zijn mannen zit. Het komt zo dichtbij dat Da­vid, tijdens Sauls slaap een stuk van zijn mantel kan afsnijden. David had Saul kunnen doden. Hij doet het niet. Hij heft zijn hand niet op tegen de gezalfde des Heren. David roept tot de HERE: “Gij zijt mijn schuilplaats, mijn deel in het land der levenden.” Waar moet een mens het anders zoeken? God is over­al. Hij is je schuilplaats in grote nood. Hij is altijd je schuilplaats. Want God regeert het grote wereldgebeuren. God is altijd bij je. Hij laat je nooit in de steek. Hij is altijd bij je. Hij staat boven dood en leven. Dat is je leven en je bescherming als je het van Hem verwacht. En dan steek je ook uit boven al je vijanden. Het is goed om van daaruit te leven. Het daarvan te verwachten. En daarop terug te vallen als je vijanden alles doen om je onderuit te halen. Je kunt je zo vaak omringd voelen door je vijanden. Ze zijn veel sterker dan jij. Je voelt je in de kerker. “Red mij, HERE”, dat is je roep. Het kan van alles zijn. Het kan zijn dat je ziek bent. Dat je niet meer weet hoe het moet. Dat je je zo gevangen voelt in de onmogelijkheid er uit te komen. Dan kun je het uitroepen. “HERE, red mij! Help mij, HERE.” En dan word je gered. En de redding zit in de eerste plaats in de innerlijke vrede die van boven komt. Die daalt neer in je leven vanuit de absolute zekerheid, dat God boven dood en leven staat.

Je kunt omsingeld zijn door je vijanden. Maar met God spring je over muren. Hij is degene, die je uittilt boven alle leed. Dat is het geheim. Dat is een wer­kelijkheid, waar je in mag gaan staan. Dan sta je met alle heiligen je te verba­zen over de lengte, de breedte, de diepte en de niet te peilen hoogte van de liefde en de almacht van God. Het is geweldig. Het is een feest. Het kan niet op. God is goed. Wat een geweldige grootheid van God. Prijs de HERE. We kunnen er niet over ophouden.

Wat kan ziekte en bedreiging een belemmering zijn. Wat kan de vijand tekeer­gaan. Maar God is goed. God is goed. Hij lijdt het meest aan het lijden van de mens. Hij gaf zijn leven om ziekte en dood te overwinnen in kruis en opstan­ding. En met Hem zijn wij opgestaan in dat nieuwe leven. Daar waar Hij ons uittrekt boven alle macht van de boze. Er stond een kruis en het graf is open. Wat een boodschap voor de wereld. Je kunt de gezondste man van de wereld zijn, maar toch alles missen. God is goed. HERE, help ons te zien en te leven vanuit dat eeuwigheidperspectief. We laten ons zo vaak opsluiten in dat be­perkte denken doen en zien van ons sterfelijk bestaan, waar ziekte en dood en moeite ons deel is. Waar we hoogstens zeventig en misschien als toegift tach­tig worden, maar waar het leven als een zucht voorbijgaat. Maar Gode zij dank door Jezus Christus mogen we opstaan en al deel zijn van dat nieuwe le­ven. We zijn wel in deze wereld, maar niet van deze wereld. Dat geldt vooral voor hen die lijden in en aan deze wereld. Want de HERE Jezus is het dichtst bij hen die lijden. Hij spreekt hen zalig en ze zullen vertroost worden. HERE God, dank U wel voor dat grote wonder. We leven uit dankbaarheid. Dat is onze enige troost in leven en in sterven.

Niets kan ons scheiden van de liefde van God. Zo gaan we ziekte, vervolging, tegenstand te lijf. We zijn onoverwinnelijk, omdat U zich onvoorwaardelijk aan ons hebt overgegeven, zodat we onvoorwaardelijk ons mogen werpen in de reddingbrengende uitgestoken armen van onze Heiland, die zelf weet hoe groot het lijden kan zijn. HERE, help ons te schuilen in die eeuwige zeker­heid, waarbij het lijden in deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid van God, die ons wacht en nu al ons deel mag zijn.

Psalm 143:1-12

23 januari [2]

143:1

O HERE, hoor mijn gebed,
neem mijn smekingen ter ore;
antwoord mij naar uw trouw,
naar uw gerechtigheid;

143:2

ga niet in het gericht met uw knecht,
want niemand die leeft,
is voor U rechtvaardig.

143:4

Daarom versmacht mijn geest in mij,
mijn hart is ontsteld in mijn binnenste.

143:5

Ik gedenk aan de dagen van ouds,
ik overpeins al uw daden,
ik overdenk de werken uwer handen.

143:6

Ik strek mijn handen tot U uit,
mijn ziel smacht naar U als een dorstig land.

143:7

Antwoord mij haastelijk, HERE, mijn geest bezwijkt,
verberg uw aangezicht niet voor mij,…

143:8

Doe mij in de morgen uw goedertierenheid horen,
want ik vertrouw op U;
maak mij de weg bekend, die ik gaan moet,
want tot U hef ik mijn ziel op.

143:9

Red mij van mijn vijanden, HERE,
tot U vlucht ik.

143:10

Leer mij uw wil te doen, want Gij zijt mijn God,
uw goede Geest geleide mij in een effen land.

143:11

voer naar uw gerechtigheid mijn ziel uit de benauwdheid,…

143:12

want ik ben uw knecht.

David heeft het wel heel moeilijk: zijn tegenstanders hebben het op zijn leven gemunt. Hij ziet het niet meer zitten. Hij heeft het erg benauwd. Zijn ziel versmacht in hem. Waar moet hij heen? Hij roept om redding tot de HERE. HERE, help mij! HERE, redt mij! HERE, ik houd het niet meer vol. HERE, ik heb het te kwaad. HERE, ik zie het niet meer zitten.

Hoe kunnen we niet in de druk zitten. David roept tot zijn God. Want hij weet dat God een rechtvaardig God is. Hij weet dat Hij geen redding verdiend heeft, want niemand is rechtvaardig voor God. Maar hij pleit op zijn genade en vergeving. Hij denkt aan de grote daden van God in het verleden. Hij denkt aan de liefde van God voor zijn volk. Hij denkt aan alle uitreddingen. En Hij roept God aan. Hij pleit daar op. Hij weet dat God gebeden wil worden. Hij wil dat God hem gaat helpen. Hij smeekt het uit in de nood waarin hij zit. Hij vraagt of God zijn aangezicht voor hem niet wil verbergen. Hij weet dat God een hoorder is van gebeden. Dat het lijkt alsof God zijn aangezicht verbergt, maar dat God nooit ver weg is. Dat je kunt schuilen bij God in het holst van de nacht, in de grootst mogelijke moeiten.

“Want ik vertrouw op U; maak mij de weg bekend, die ik gaan moet, want tot U hef ik mijn ziel op.” Dat is geloofsvertrouwen. Dat is in de diepte van de ellende roepen tot God vanuit een onvoorwaardelijk Godsvertrouwen. God laat je nooit in de steek. Het kan heel, heel moeilijk zijn. Je leven kan op het spel staan. Maar God is altijd nabij. God is goed. En nooit genoeg te prijzen. Dat is het wonder van het geloof. We mogen er boven staan. We mogen er vanuit gaan leven. We mogen er ons aan vasthouden.

We zijn vaak zo dom om weer op eigen kracht te vertrouwen, maar daar schieten we niets mee op. Het kan even goed gaan, maar dan vallen we weer. Dan valt het weer tegen. Dan gebeurt er weer iets waar we geen rekening mee hielden. En dan zakken we weer af. Maar God is goed. Hij laat je nooit in de steek. Probeer het maar. Je kunt van alles tegenkomen, maar blijf op God vertrouwen. Want met de ver­zoeking geeft Hij ook de uitkomst.

“Red mij van mijn vijanden, HERE, tot U vlucht ik.” Dat is de veilige schuil­plaats. Daar kan je niets gebeuren. Daar ben je veilig. Dan kunnen de vijanden nog zo tekeergaan. Maar jij bent geborgen in Christus, in God. Leer mij uw wil te doen, want Gij zijt mijn God. Dat is het. Gij zijt mijn God. De vijanden dansen om me heen. Ze gaan tekeer. Maar Gij zijt mijn God. Wat een rust en wat een vrede. Dat gaat boven bidden en denken. Daar kun je met je verstand niet bij, maar het is de werkelijkheid. Dan roep je God aan of hij je wil redden van je vijanden. Hij wil dat ook, want Hij haat de ongerechtigheid. Hij zal er ook mee afrekenen.

“Verdelg mijn vijanden naar uw goedertierenheid.” Het is niet zo dat God er een welgevallen aan heeft om zijn vijanden te verdelgen. Neen, maar zij vol­harden in het opstaan tegen God. Terwijl God hen als maar roept om zich om te keren naar Hem toe en te stoppen met de zonde en het opstaan tegen Hem. Want er komt een einde. Dat kan nu al zijn, maar dat zal zeker komen in de dag des oordeels. En dan is het te laat. Maar God ontfermt zich over degenen die Hem liefhebben. David zegt dan ook: doe het God, “want ik ben uw knecht.” Dat is het normale christelijke leven. Want ik ben uw knecht.

Heerlijk om knecht te zijn van de HERE God. Dan kun je staande blijven in de heetste strijd. Dan kan je ziel verkwijnen, maar jij blijft in de overwinning staan van Koning Jezus.

Psalm 144:1-15

24 januari [2]

144:1

Geprezen zij de HERE, mijn rots,…

144:2

Mijn goedertierenheid en mijn vesting,
mijn burcht en mijn bevrijder,
mijn schild en bij wie ik schuil,
die volken aan mij onderwerpt.

144:3

HERE, wat is de mens, dat Gij op hem let,
het mensenkind, dat Gij acht op hem slaat?

144:4

De mens is gelijk aan een ademtocht,
zijn dagen zijn als een voorbijglijdende schaduw.

144:6

slinger uw bliksem en verstrooi hen,…

144:7

red mij… uit de macht der vreemden,…

144:9

O God, een nieuw lied wil ik U zingen,…

144:11

Bevrijd en red mij uit de macht der vreemden,…

144:12

Dat onze zonen zijn als planten,
hoog opgegroeid in haar jeugd,
onze dochters als hoekzuilen,
gebeeldhouwd als voor een paleis;

144:14

dat onze runderen wèl dragen;
dat er geen bres zij en geen vlucht,
en geen geschreeuw op onze pleinen.

144:15

Welzalig het volk, waarmee het zo gaat!
welzalig het volk, welks God de HERE is!

Geprezen zij de HERE. Daar is alle reden voor. De HERE heeft mij gemaakt. De HERE is de Schepper van hemel en van aard. Hij heeft ons bijna goddelijk gemaakt. Hoe is het mogelijk? De hoge heerlijke God. Hij ziet naar ons nieti­ge mensenkinderen om. Dat kan toch niet. Want wat zijn wij nu helemaal? De mens is gelijk een ademtocht. Nu, daar gaat de wind langs en hij is niet meer. En toch. Dat is het geweldige wonder. Dat is de HERE. Daarom is Hij mijn rots, mijn burcht, mijn schild. Hij beschermt mij. Bij Hem kan ik schuilen. En dat doe ik dan ook. Want waar zou ik anders schuilen? Want anders ben je ook niet meer dan een ademtocht, maar in de ogen van God ben je voor eeu­wig geschapen. Daar ben je een eeuwigheidswezen. Een engel gelijk. Bijna goddelijk gemaakt.

God doet grote wonderen. Hij doet de wateren opkomen. Zijn bliksemschich­ten doorklieven het luchtruim. Hij toont zijn macht. Hij bevrijdt je van hen die bedrog plegen. Hij redt je uit de macht der vreemden. Dat is God. Niet genoeg te prijzen. We loven Hem. We zingen Hem alle eer toe. We kunnen er niet mee ophouden. Want God is goed. En zijn goedertierenheid is tot in eeuwig­heid. Wat een liederen in de tempel. Je hoort het almaar zingen. Het eeuwig “Halleluja”. Net als de engelen in de hemel, die rondom de troon van God het eeuwig halleluja zingen. Er komt geen einde aan. En hoe kan het ook? Want het is één en al feest rondom God. Waar God is, is feest. Daar voel je je blij en gelukkig. Daar wil je ook bij horen. Want het is een onmogelijk, ongrijpbaar wonder, dat God je in zijn grote liefde gegrepen heeft en je wil optillen in zijn hemelse gewesten. God is goed. “Grote God, wij loven U.” Kijk eens hoe Hij onze zonen en dochteren doet opgroeien. Het zijn pilaren. Gebeeldhouwd als voor een paleis. Het is toch geweldig, wat een eer. Wat een dankbaarheid. Wat een blijdschap. Laat je niet afleiden door wat anderen zeggen denken of voe­len of wat jij denkt of voelt. Ga staan in de almacht en de genade van God. Het is een zegen.

Moge de HERE ons zegenen met gave en goed. Dan zullen we eeuwig dank­zeggen en zingen, want zijn goedertierenheid is van eeuwigheid tot eeuwig­heid. En wat hebben we een zegen. Wat is God goedertieren. Wat wil Hij ons zegenen. Wat kunnen we toch blij en dankbaar zijn. God is goed. Dank U, HERE. Daar kunnen we weer mee verder. Dat hadden we nu net nodig. Want het leven wil ons steeds in de war brengen. Maar Gij zijt goed. We laten ons niet meeslepen door de tegenstander van God. God wil ons helpen. God wil ons meenemen naar zijn eeuwige macht en majesteit. Hij wil ons optrekken in de hemelse gewesten. Wij mogen zien hoe groot de lengte en de hoogte en de breedte en de diepte is van Gods almacht en genade; samen met alle heiligen. Daar krijg je toch niet genoeg van. Daar word je toch eeuwig dankbaar van. Want God is goed. Hij wil ons zijn heil schenken. Daar kunnen we zelf nooit bij, maar Hij wil ons helpen. Dank U HERE, voor die grote liefde. Amen, amen, amen. Daarom: “Welzalig het volk, waarmee het zo gaat! Welzalig het volk, welks God de HERE is!”

Psalm 145:1-13

25 januari [2]

145:1

Ik zal U verhogen, mijn God, Gij koning,
ik zal uw naam prijzen voor altoos en immer;

145:2

te allen dage zal ik U prijzen,
uw naam loven voor altoos en immer.

145:3

De HERE is groot en zeer te prijzen,
zijn grootheid is ondoorgrondelijk.

145:4

Geslacht aan geslacht zal uw werken roemen,…

145:7

en jubelen over uw gerechtigheid.

145:8

Genadig en barmhartig is de HERE,
lankmoedig en groot van goedertierenheid.

145:12

om de mensenkinderen zijn machtige daden te verkondigen…

145:13

Uw koningschap is een koningschap voor alle eeuwen,
uw heerschappij is over alle geslachten.

Zie je David al staan? Hij is vol van de HERE zijn God. Hij kan Hem wel lo­ven altijd en immer. Daar kan hij niet genoeg van krijgen. En waarom? Omdat de HERE goed is. Hij is lankmoedig en genadig, barmhartig en groot van goe­dertierenheid. Hij vergeldt de mens niet naar zijn zonden en tekortkomingen. Hij heeft de mens lief. Hij wil het goede voor hem. Hij redt hem uit alle nood. Hij vult hem met zijn goedertierenheid. Dat ervaar je als je je aan God over­geeft. Als je het van Hem verwacht. Als je je zonder enige reserve werpt in de armen van koning Jezus. Of beter gezegd, als je je laat trekken door de al­macht van Hem. Dan ga je het zien. Dan vallen de schellen van je ogen. Dan word je blij. Dan ontdek je een werkelijkheid die er altijd al was, maar die je door je eigen navelstaren altijd maar ver van je vandaan gehouden hebt. Dat is dom. Dat is niet handig. Want je ontneemt je zelf een hoop vreugde. Stoppen dus. En ga mee in de stroom van zijn genade. Heerlijk toch. Lees het hier maar na. En zo gaat het van geslacht tot geslacht voort.

We zullen roemen van uw grote daden. Kijk maar om je heen, het is toch één en al luister en majesteit van God. De schepping is mooi. Nooit te evenaren. Alles ademt de grootheid en de lof van God. Alles wat adem heeft, love de HERE. Al zijn werken loven de HERE. Hoe kan het ook anders, want Hij heeft het gemaakt. Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij weet wat goed is. Hij laat je nooit in de steek. Hij wil je ook zegenen en gelukkig maken. Want God is een God van gelukkig maken. Hij wil je bij Hem laten schuilen omdat het daar veilig is. God is goed. De HERE is voor allen goed, en zijn barmhartigheid is over al zijn werken. Al uw werken zullen U loven, o HERE. Dat is de goedheid van God. God is liefde. Dat zie je aan alle kanten. Hij wil het goede voor ons allemaal. God is goed. Prijs de HERE. Wat een zegen. Wat een genade. Wat een liefde. Wat een verwachting.

Dat moeten we rond bazuinen. Daar moeten we mensen mee helpen. Daar worden de mensen blij van. God moet geprezen worden. Hij is goed. Uw ko­ningschap is een koningschap van alle eeuwen. Het is het eeuwig amen. Wat een lengte. Wat een hoogte. Wat een diepte wat een breedte. Naar alle kanten is er ruimte. Daar ga je ook bij zingen. Gods grote daden loven. En Hij wil je bij de hand nemen om Hem ook eeuwig te loven en te prijzen. En God ver­heerlijkt ons. Want wij zijn zijn schepselen. En Hij heeft het beste met ons voor. Hij wil ons zegenen. Hij zegene ons uit Sion. Dank U, HERE. We loven en we prijzen u. U ziet naar ons om in uw grote liefde. U laat ons nooit in de steek. Dank U, HERE.

Psalm 145:14-21

26 januari [2]

145:14

De HERE schraagt allen die vallen,
Hij richt alle gebogenen op.

145:15

Aller ogen wachten op U,
en Gij geeft hun te zijner tijd hun spijze;

145:16

Gij doet uw hand open
en verzadigt met welbehagen al wat leeft.

145:17

De HERE is rechtvaardig in al zijn wegen,
goedertieren in al zijn werken.

145:18

De HERE is nabij allen die Hem aanroepen,
allen die Hem aanroepen in waarheid.

145:19

Hij vervult de wens van wie Hem vrezen,
Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen.

145:20

De HERE bewaart allen die Hem liefhebben,
maar hij verdelgt alle goddelozen.

145:21

Mijn mond zal van de lof des HEREN spreken,
en al wat leeft, zal zijn heilige naam prijzen
voor altoos en immer.

“De HERE schraagt allen die vallen, Hij richt alle gebogenen op. Aller ogen wachten op U”. Dat is de HERE. Hij wil ons oprichten. Hij wil ons zegenen. Hij heeft het goede met ons voor. Hij wil niet de dood van de zondaar, maar veeleer dat hij zich bekere. Hij roept op tot bekering. Draai je om. Weg van dat wat je neerbuigt, wat je kapotmaakt. Kom mee naar dat eeuwige feest van recht en gerechtigheid. Hij schraagt je. Hij richt je op. En Hij geeft je te zijner tijd de juiste spijze. Hij verzadigt je met het leven in Hem. Daar is overvloed, vrede, liefde, blijdschap en zegen. Dat ervaar je. Dat zie je. Daar kun je niet om heen.

Dat is het eeuwige feest bij God. Doe ook mee. Blijf niet buiten staan. De HERE is nabij allen die Hem aanroepen. Je mag komen zoals je bent. Kom dan ook. Want als je eerst iets moet zijn voordat je mag komen, dan zit je jezelf weer op te kalefateren en dat helpt nu juist niet. Kom zoals je bent. In je kloffie, in je zondige staat, of zoals je bent in je nette pak zonder inhoud. Want God neemt zondaars aan. Het grote probleem is dat wij nog steeds den­ken dat we er zelf ook iets aan moeten doen en dat is nu juist niet waar. God ontdekt je aan je leven. Hij vervult de wens van wie Hem vrezen. Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen. De HERE bewaart allen die Hem liefhebben, maar Hij verdelgt alle goddelozen. Dat is de scheidslijn. Het goede wil de HERE. Hij wil het kwade weren. En daar gaat Hij niet zachtzinnig mee om. Daar heeft Hij een hekel aan. Hij verdelgt de goddelozen. Zij die de werken van de duisternis doen, daar rekent Hij mee af. Dat zijn de mensen die zich laten influisteren door de tegenstander van God, de duivel. En dat moet afge­lopen zijn. God is goed. God zal je nooit in de steek laten. God redt je uit de klauwen van de dood. Dat is geen slap vroom gepraat, maar dat is de werke­lijkheid. Dat is het normale christelijke leven. Je moet je laten redden door de liefde en de almacht van God. God is goed. Mijn mond zal van de lof des HEREN spreken, en al wat leeft, zal zijn heilige naam prijzen voor altoos en immer.

En zo zal het zijn. Mijn mond zal van de lof des HEREN spreken, en al wat leeft, zal zijn heilige naam prijzen voor altoos en immer. Zo zal het worden. Zo zal het zijn. Dat is de weg die God gaat met ons en de geschiedenis. God zal ons allemaal doen beseffen dat Hij de God van hemel en aarde is. Dat Hij blijvend aan ons trekt om Hem te volgen. Hij is liefde. En Hij wil ons allemaal in zijn grote liefde tot Hem trekken. En dat is zijn kracht. Dat is de blijdschap. Dat is de toekomst.

Psalm 146:1-10

27 januari [2]

146:1

Halleluja. Loof de HERE, mijn ziel.

146:2

Ik zal de HERE loven, mijn leven lang,
mijn God psalmzingen, zolang ik nog ben.

146:3

Vertrouwt niet op edelen,
op een mensenkind, bij wie geen heil is;

146:4

gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot de aarde,
te dien dage vergaan zijn plannen.

146:5

Welzalig hij, die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft,
wiens verwachting is op de HERE, zijn God,

146:6

die hemel en aarde gemaakt heeft,
de zee en al wat daarin is,
die trouwe houdt tot in eeuwigheid;

146:7

die de verdrukten recht verschaft,
die de hongerigen brood geeft.
De HERE maakt de gevangenen los,

146:8

de HERE maakt de blinden ziende,
de HERE richt de gebogenen op,
de HERE heeft de rechtvaardigen lief;

146:9

de HERE behoedt de vreemdelingen,
wees en weduwe houdt Hij staande,
maar de weg der goddelozen maakt Hij krom.

146:10

De HERE is Koning voor eeuwig.
Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht.
Halleluja.

De HERE is Koning voor eeuwig. Het is geweldig. Er is geen andere. Hij is almachtig. Vertrouw op Hem. Hij is de enige weg. “Ik ben de Weg, de Waar­heid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.” “Ik ben de goe­de Herder. De goede Herder kent de zijnen. En niemand kan ze uit mijn hand roven.” “Ik ben de deur.” “Ik ben het brood des levens.” “Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar het licht des levens hebben.”

“Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot de aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.” Zo is het bij de mens. Zijn plannen vergaan. Het gaat voorbij als een zucht. Vertrouw niet op edelen.

“Welzalig hij, … wiens verwachting is op de HERE, zijn God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is, die trouwe houdt tot in eeu­wigheid; die de verdrukten recht verschaft, die de hongerigen brood geeft. De HERE maakt de gevangenen los, de HERE maakt de blinden ziende, de HERE richt de gebogenen op, de HERE heeft de rechtvaardigen lief; de HERE be­hoedt de vreemdelingen, wees en weduwe houdt Hij staande, maar de weg der goddelozen maakt Hij krom. De HERE is Koning voor eeuwig. Uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Halleluja.” Daar wil je toch bij horen. Wat een zegen. Het komt allemaal van Hem. Het komt allemaal naar je toe. Je mag en moet er in gaan staan. Dan zul je het ervaren. Het is zijn grote liefde. Het is zijn richtingwijzer. Het is niet jouw ontdekking. Jij bent zo stom, dat je denkt dat je het zelf allemaal eerst moet uitvinden, bedenken en aanvaarden. Maar het geheim is, dat we het allemaal ontvangen, omdat Hij ons heeft gemaakt.

Hij weet wat we nodig hebben. Hij redt ons van de dood. Hij redt ons uit de nood. Hij is trouw tot in eeuwigheid. Hij verschaft de verdrukten recht. En al lijkt het er met ons menselijke zicht vaak niet op, het is God die de zaak in de hand heeft en houdt. De weg van de goddelozen maakt Hij krom. Zo dat is dat. Ze kunnen wel denken, dat het allemaal anders is. Dat de goddelozen het voor het zeggen hebben, maar niets is minder waar. Wij mogen met Hem in zijn overwinning gaan staan. Wij zijn getrokken uit de duisternis naar het licht en we zien Hem in alle glorie door zijn Woord en Geest. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.” Dat is geweldig. Dat wil je wel van de daken schreeuwen. Daar word je blij van. Daar ontvang je je kracht uit. Daar ga je je leven mee vullen. Of beter gezegd, dat komt naar je toe, zodat je ermee gevuld wordt. Heerlijk evangelie. Heerlijk leven. Dan word je losgemaakt van alles, waar je in jezelf nog door gebonden bent. Hij maakt de banden los. En wat zitten we vaak nog in ons rond te tob­ben Wat hebben we een ‘ja maar’s en een voorwaarden. Maar het kruis stond. Het graf is leeg. De verzoening is tot stand gebracht. God schenkt ons het le­ven. Het is heerlijk om daar in te gaan staan. Het maakt je blij. Het is één groot feest. En overal waar de zaak bij ons nog op slot zit, moeten we de boel los gaan maken. Hij wil ons bevrijden.

Wij mogen en moeten in zijn voetspoor wandelen en in zijn wegen gaan. Zijn woord is een lamp voor onze voet en een licht op ons pad. We moeten ons leven vullen met zijn liefde en zijn kracht. God is goed.

Psalm 147:1-20

28 januari [2]

147:1

Looft de HERE,
want het is goed, onze God te psalmzingen,
ja, het is liefelijk, een lofzang is betamelijk.

147:2

De HERE bouwt Jeruzalem,
Hij verzamelt Israëls verdrevenen;

147:3

Hij geneest de verbrokenen van hart
en verbindt hun wonden.

147:4

Hij bepaalt het getal der sterren,
Hij roept ze alle bij name.

147:6

De HERE houdt de ootmoedigen staande,
maar Hij vernedert de goddelozen ter aarde toe.

147:7

Zingt de HERE een loflied toe,
psalmzingt onze God met de citer,

147:8

Hem, die de hemel met wolken bedekt,
die voor de aarde regen bereidt,
die op de bergen gras doet uitspruiten,

147:9

die het vee zijn voeder geeft,
de jonge raven, als zij roepen.

147:10

Hij heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard,
noch behagen in de benen van de man;

147:11

de HERE heeft welbehagen in wie Hem vrezen,
die op zijn goedertierenheid hopen.

147:12

Jeruzalem, roem de HERE,
Sion, loof uw God.

147:13

Want Hij maakt de grendels van uw poorten sterk,
Hij zegent uw kinderen in uw midden;

147:14

Hij geeft uw gebied vrede,
Hij verzadigt u met het vette der tarwe.

147:15

Hij zendt zijn bevel op de aarde,
zijn woord loopt zeer snel;

147:16

Hij geeft sneeuw als wol,
Hij strooit de rijp als as,

147:17

Hij werpt zijn ijs als stukken;
wie kan bestaan voor zijn koude?

147:18

Hij zendt zijn woord en doet ze smelten,
Hij doet zijn wind waaien, – daar vloeien de wateren.

147:19

Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt,
Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen.

147:20

Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan,
en zijn verordeningen kennen zij niet.
Halleluja.

Een psalm om helemaal uit je hoofd te leren. De almacht van God komt aan alle kanten op je toe. Zijn liefde wordt bejubeld. En dan wil je ook niet anders dan de HERE loven en prijzen. Dan kan het leven niet meer stuk. Dan zie je Hem overal en op alle momenten in je leven. God is goed. God houdt van mij. God houdt van ons. God houdt van de mensen. God houdt van de aarde. God houdt van zijn uitverkoren volk. God herstelt deze wereld, zoals het in het paradijs was. God is goed.

Wat een fantastische zekerheid om te mogen leven vanuit de almacht van God. Want wij als nietige mensenkinderen komen niet veel verder dan een gras­spriet. De beperktheid van ons kennen is zo groot, dat we haast niet begrijpen waarom we leven. En dan zien we de zon en de maan en de sterren. Wat weten we ervan? Dan zien we het gras opschieten. Hoe is het mogelijk? Wat een wonder aan processen gebeurt daar. Daar komt God zeker niet aan te pas? Dat is zeker allemaal evolutie. Dat slaat toch nergens op. Ook al geloof je niet in God, dan klopt er wetenschappelijk al helemaal niets van. Want er zijn zoveel geheimen waarvan we niet weten wat we er mee moeten. God is groot. Daar zingt deze psalm van. Dat is het meest vanzelfsprekende om daarin te gaan staan. Dat is geen fabeltjes navolgen. Dat is geen excuus voor je gebrek aan kennis. Dat is geen ouderwets gedoe. Dat is het meest moderne, wat je kunt doen. Het heeft nu lang genoeg geduurd om in wetenschap en in materie te ge­loven. De mens is meer dan materie. De wereld is meer dan materie. De we­reld is een schepping door God samengehouden tot de voleinding der wereld als weer alles wordt, zoals het in het paradijs was. Glorie voor God. Heerlijk evangelie. Heerlijke zekerheid. We worden toch niet geboren om voor eeuwig te sterven. We worden geboren om eeuwig te leven. Dat is het plan van God en dat plan kun je met je verstand doorzien.

“De HERE bouwt Jeruzalem, Hij verzamelt Israëls verdrevenen”. Dat is het plan van God. Hij heeft hen vanwege hun zonden verstrooid onder de volke­ren. Tot op vandaag toe, maar Hij roept ze weer terug. Hij brengt ze thuis. Dat zal door strijd heen gaan. Want de tegenstander van God, de satan, zal er alles aan doen om dat te voorkomen. Hij zal de kinderen Gods naar beneden halen. Hij zal ze bestrijden. Hij zal alles doen om het koninkrijk van God tegen te werken. Dat zal uiteindelijk in de grote eindstrijd tot een ontknoping komen. Dan zal de HERE zelf verschijnen met al zijn engelen. Dan zullen ze zien wie ze doorboord hebben. Dan zullen ze moeten erkennen, dat de HERE God is en dat Jezus hun Messias was. Dan zal Hij zijn troon in Jeruzalem vestigen. Want dat is de stad van zijn woning.

Hij heeft die woorden aan Jakob bekend gemaakt. Dat heeft Hij aan geen en­kel volk gedaan. De tragiek is dat ze zijn verordeningen niet houden. Dat is hun oordeel. Daarom zijn ze in ballingschap. Maar Hij zal zelf komen om het in hun binnenste te leggen. Dat is Gods plan. Dat is zijn gebod. En daar mogen zij en ook wij op bouwen.

Hij houdt dan ook “de ootmoedigen staande, maar Hij vernedert de goddelo­zen.” Wat denken ze wel. “Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hun wonden.” Dat zijn woorden van de Messias. Dat zijn de woorden van Je­saja 61. Dan resoneert Jesaja 53. Dat is een heerlijk evangelie. Dat drijft je naar zijn woord in de nood van je leven. God blijft wonen op de bodem van je hart. Hij laat je niet in de steek. Waar je ook in terecht komt. Je doet er goed aan om je daarop voor te bereiden. Want niemand ontkomt aan het lijden, maar het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid Gods die ons wacht. Want het lijden van de tegenwoordige tijd zal leiden tot het in een on­deelbaar ogenblik veranderd worden in zijn heerlijkheid. En dan zullen we van aangezicht tot aangezicht zien. Een heerlijk evangelie. Dank U, HERE.

Psalm 148:1-14

29 januari [2]

148:1

Halleluja. Looft de HERE in de hemel,
looft Hem in de hoge.

148:5

Dat zij de naam des HEREN loven,
want Hij gebood en zij waren geschapen;

148:6

Hij zette ze vast voor immer en altoos,
Hij stelde hun een inzetting, die geen hunner overtreedt.

148:11

gij koningen der aarde en alle natiën,
gij vorsten en alle richters der aarde;

148:12

gij jongelingen en ook maagden,
gij ouden en jongen tezamen.

148:13

Dat zij de naam des HEREN loven,
want zijn naam alleen is verheven,
zijn majesteit is over aarde en hemel.

148:14

Hij heeft voor zijn volk een hoorn verhoogd:
een lofzang voor al zijn gunstgenoten,
voor de kinderen Israëls,
het volk dat nabij Hem is. Halleluja.

Een psalm gevangen in het Halleluja. Het begint ermee en het eindigt ermee. Dat is het eeuwige Halleluja. Daar spreekt het laatste bijbelboek ook over. Het zijn de Halleluja’s die eeuwig klinken rondom de troon van God. Temidden van de grote finale. De grote eindstrijd tegen de duivel. Bij de verschrikkelijke oordelen klinkt steeds het Halleluja koor. Eigenlijk zouden alle koren Koor “Halleluja zus” en “Halleluja zo” moeten heten. Want daar gaat het om bij ko­ren. Het moeten lofkoren voor de HERE zijn. Dan kunnen ze oneindig uit de psalmen zingen. Wat een prachtige arrangementen kun je dan maken. Ik zie het al voor me. De trompetten, de citers, de harpen, de cimbalen. En elke keer als er zo’n kernachtige uitspraak komt over de macht van God, dan worden de cimbalen tegen elkaar geslagen en gaan de pauken tekeer. Je kunt dat ook niet hard genoeg doen. Want het is zo krachtig. Het is zo machtig. Het is geweldig. Het is prachtig. Het komt rechtstreeks uit de hemel.

God wil immers bij de mensen wonen. In hun hart. Daarom kwam de Trooster, de Heilige Geest. Dan kon Jezus altijd bij ons wonen. Dus Jezus woont in ons hart. Dat is toch niet te geloven. Dat is prachtig. Daar word je blij van. Daar put je kracht uit. Daar moeten we ons steeds weer op richten. Daar gaat het om. Het is niet onze kracht naar Hem. Het is zijn liefdeskracht en genade naar ons toe. Het daalt uit de hemel. Het komt oneindig en in volle kracht naar ons toe, in alles wat je ziet. Het gaat aan niets voorbij. Het zit in de heuvelen en de bergen, de bloemen en de planten, het zit in de mensen en de vorsten. Lees maar na. Het gaat om iedereen. De jongen en de ouden. Het omvat de gehele mensheid en alles wat leeft. Het gaat om de aarde. Hij zal die aarde herschep­pen. Want Hij heeft die aarde van eeuwigheid gemaakt om voor eeuwig recht en gerechtigheid te oefenen. En daar is de zonde in gekomen. Want wij wilden als God zijn. De boze heeft ons vanaf de beginne erg te pakken. Maar zo heeft God het niet bedoeld. Dat weten we maar al te goed. Daar gaan we aan kapot. Daar gaan we onder gebukt. Daar moeten we van verlost worden. En dat kan alleen maar door het offer van de Zoon van God. Zo machtig is de zonde. Zo verzet de duivel zich tegen alles wat van God is. De HERE weet het. En daar komt een einde aan. Want het kruis heeft op Golgotha gestaan. Door het volk van Israël komt dat heil. Het gaat gebeuren. We zien het voor onze ogen. Glorie voor zijn Naam.

Dank U, HERE Jezus. Dank U, voor alles wat U doet. We kunnen er niet bij, want we zien de ziekte. We zien de dood. We zien de ellende. We zien de beperktheid in ons eigen leven. We zien ons zuchten. We zien ons vragen. We zien al ons zoeken. We zien het tekort. HERE, help ons in ons zoeken. Help ons om het te blijven zien vanuit de grote kracht, die U uitstraalt om een einde te maken aan alles wat niet tot U behoort. U kwam om voor eeuwig volmaakt­heid te scheppen. We zien uw wonder in het kind dat geboren wordt. U bent eeuwig en machtig. U herschept alle dingen. We weten het zeker. Het is zeker. Tegen ons eigen gevoel en ervaring in. Help ons om vanuit de psalmen te blijven zingen. Dwars door alles heen.

We bidden U om uw genade, uw ontferming. Kom ons ongeloof en onze wan­kelmoedigheid te hulp. We kunnen soms blijven hangen in de dingen, die voor ogen zijn. Verhef ons om de volle werkelijkheid te zien. U lijdt onder de ge­brokenheid van het leven. Help ons te blijven zien dat uw offer de reiniging is ook voor ons leven. Help ons om deze psalm te blijven zingen dwars door alles heen.

Psalm 149:1-9

30 januari [2]

149:1

Halleluja. Zingt de HERE een nieuw lied,
zijn lof in de gemeente der vromen.

149:2

Israël verheuge zich in zijn Maker,
laten de kinderen Sions juichen over hun Koning;

149:3

laten zij zijn naam loven met reidans,
Hem psalmzingen met tamboerijn en citer.

149:4

Want de HERE heeft een welbehagen in zijn volk,
Hij kroont de ootmoedigen met heil.

149:5

Laten de vromen juichen met eerbetoon,
jubelen op hun legersteden.

149:6

De lofverheffingen Gods zijn in hun keel,
een tweesnijdend zwaard is in hun hand,

149:7

om wraak te oefenen aan de volken,
bestraffingen aan de natiën;

149:8

om hun koningen met ketenen te binden
en hun edelen met ijzeren boeien;

149:9

om het beschreven vonnis aan hen te voltrekken.
Dat is de luister van al zijn gunstgenoten.
Halleluja.

Hij kroont de ootmoedigen met heil. Dus er zijn ook niet-ootmoedigen, die Hij niet met heil kroont. Er zijn de bruten. Er zijn de krachtpatsers die in eigen kracht denken de boel naar hun hand te zetten. Hoor je ze brallen? Hoor je ze tekeergaan? Ze gaan tegen God en gebod in. Ze spotten met God. Ze spotten met zijn kinderen. Ze proberen ze te verdrukken. Ze proberen God uit de sa­menleving weg te drukken. God is machtig. Hij laat niet met zich spotten. Hij schiep de hemelen en de aarde. Israël verheuge zich in zijn Maker. Hij maakte Israël. Hij riep hen. Hij verkoos hen. Hij gaf hen het land. Hij wilde wonen in Sion. Hij wilde wonen bij de mensen. Hij herstelt wat Hij geschapen heeft. De eindoverwinning is aan Hem. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Het lijkt er soms niet op. Het lijkt wel of de zonde overheerst. De duivel is ook de over­ste dezer wereld, maar op het kruis van Golgotha is hij verslagen. Hij gaat nu nog als een briesende leeuw rond, zoekende wie hij kan verslinden, maar daar komt een einde aan.

God regeert. We zijn op weg naar Armageddon. Hij laat zijn kinderen niet in de steek. En dat weet Israël. Daarom zullen ze hun God, hun Maker, loven met heel hun hart. Het is één grote lofzang. Ze juichen over hun Koning. Alle mu­ziekinstrumenten worden uit de kast gehaald. Het is één groot koor. Het klinkt aan alle kanten. Er wordt gedanst. Er is vreugde en vrolijkheid. De vromen juichen met eerbetoon, ze jubelen. Wat kan zingen heerlijk zijn. Wat verheugt het het hart. Wat drijft het alle andere gedachten weg. Wat is het heerlijk. Je verheft lof aan God uit je keel. Je bent en raakt er vol van. Wat kun je er van onder de indruk raken.

Een tweesnijdend zwaard is in je hand. Want door je vreugde uit te galmen aan God, jaag je de boze op de vlucht. Want je zingt als het ware het woord van God. En dat woord van God is een tweesnijdend scherp zwaard, volgens de schrijver van de Hebreeënbrief. Want het scheidt vaneen wat in je is. Goed en kwaad. Het kwade zing je op de vlucht. Alles ligt open voor de HERE. Voor Hem is niets verborgen.

Je kunt je voor Hem niet verbergen. Hij kent je gedachten. Hij is overal. En daarom doe je er goed aan om het ook allemaal voor Hem neer te leggen. Al je zorgen en al je vragen. En Hij zal je antwoorden, als je je uitstrekt naar Hem toe. Dan zal Hij je vullen met zijn blijdschap, rust en zekerheid. Dan raak je niet in de war over dingen die je niet begrijpt, die je te wonderbaar zijn. Dan ga je ervaren dat, dat wat God doet goed is. Want Hij is je Vader. En een vader heeft het goede voor met zijn kinderen. Daar staat het woord vol van. Heerlijk toch om dat te ontdekken en daar in te gaan staan. Het is de grote vreugde, waar je mee gevuld wordt. Prijs de HERE.

De realiteit is, dat zij die tegen God zijn door God zelf worden weggevaagd. Hij oefent wraak. Hij straft de natiën. Hij ketent de hoogmoedige koningen. Hij ketent de edelen met ijzeren boeien. En wie kan dan bestaan? Hij voltrekt het beschreven vonnis. En dat weten ze van te voren. Want God heeft ook hen geroepen. God houdt aan iedereen de keuze voor. Het goede en het kwade. Kies dan voor het leven en niet voor de dood. Volhard je in de dood, ga je blijvend tegen God tekeer, dan moet je ook niet opkijken als het oordeel van God voltrokken wordt. Dan moet je ervaren dat de eeuwige verdoemenis op je wacht. Dan zullen allen zien, dat de HERE God is. En daar mogen we nu al in gaan staan. Wij zijn zijn gunstgenoten. Hij beschermt de vromen. Zou je daar niet eeuwig bij gaan zingen. Daar word je toch blij van.

Welk lied zullen we nu gaan zingen. Laat er een lied opwellen in je hart. Zo nu en dan tegen je eigen gemoed in, want de boze ligt elke keer op de loer om je het lied uit de mond te nemen. Maar God is goed. Prijs de HERE.

Laten we het Halleluja zingen net als de engelen in Openbaring. Daar waar het Halleluja, het lof zij de HERE klinkt, gaan de duivelen op de vlucht! Veilig in Jezus armen.

Psalm 150:1-6

31 januari [2]

150:1

Halleluja. Looft God in zijn heiligdom,
looft Hem in zijn machtig uitspansel;

150:2

looft Hem om zijn machtige daden,
looft Hem naar zijn geweldige grootheid.

150:3

Looft Hem met bazuingeschal,
looft Hem met harp en citer,

150:4

looft Hem met tamboerijn en reidans,
looft Hem met snarenspel en fluit,

150:5

looft Hem met klinkende cimbalen,
looft Hem met schallende cimbalen.

150:6

Alles wat adem heeft, love de HERE.
Halleluja.

De laatste psalm. Heerlijk. Zie je het voor je. Eén groot koor. Er komt geen eind aan. En maar zingen. En zie je al die mensen met hun muziekinstrumen­ten. Wat een geluid. Ze dansen en ze zingen en ze maken muziek. Het is groot feest. Ze komen van alle kanten. Dat kan ook niet anders. Want God is goed. Hij kan niet genoeg geprezen worden. Wat is het heerlijk om bij Hem te zijn. Want als je gaat ontdekken de grootheid en de liefde en de almacht van God dan word je ook alleen maar blijer. Dan welt er ook een lied op in je hart. Dan wil je ook zingen. Dan word je hart vrolijk. Dan raak je onder de indruk. Dan ben je geëmotioneerd. Dan word je ontroerd. Heerlijk om zo God te loven en te prijzen. Prijs de HERE. Wat is God goed.

We lopen de psalm door. “Looft God in zijn heiligdom”. Als je zag hoe prach­tig de tempel was. God zelf had het voorgeschreven, tot in de details. Het was alles goud wat er blonk. Niets kon ook goed genoeg zijn voor de HERE. En wat waren de mensen trots, als ze de tempel al zagen liggen als ze van verre Jeruzalem naderden. En wat zal het weer mooi worden als we gaan ontdekken hoe machtig de HERE is als Hij komt in al zijn heerlijkheid. Prijs de HERE. God is goed.

“Looft Hem in zijn machtig uitspansel”. En dat is ook oneindig. De zon komt op. We zien de maan en de sterren. Er komt geen einde aan de schoonheid. We doorklieven het uitspansel en er is nog veel meer. Het is onvoorstelbaar hoe alles geschapen is. Daar kan de mens niet bij. Dat kan alleen God. We lo­ven en we prijzen Hem. Vreemde wezens zijn we. Terwijl God in al zijn glo­rie naar ons toekomt, zitten wij een beetje in het zand te porren om te bewij­zen, dat God niet bestaat. En kijk eens naar de machtige daden van God. Hij sprak en het was er. Hij deed grote wonderen. Hij liet de muren van Jericho vallen. Hij deed legers terugdeinzen. Hij richt de gebogenen op. God is groot en nooit genoeg te prijzen. En wat een geweldige grootheid. Hij spreekt mach­tig door de natuur. Kijk eens naar de berg Sinaï, toen Hij daar verscheen. En zo kunnen we oneindig doorgaan. Daar willen we dan ook van zingen. Daar raken we van onder de indruk. En alle muziekinstrumenten komen te voor­schijn. Het wordt één groot feest.

Looft Hem, looft Hem, looft Hem, looft Hem. Dat kunnen we wel oneindig herhalen. Want er komt ook geen einde aan. Alles wat adem heeft love de HERE. Dat zijn de mensen, de dieren en de vissen.De bomen klappen in de handen. Want het is Hij, die het leven geeft. Hij is het, die ons doet triomfe­ren. Hij doet ons in de handen klappen. Hij richt ons op. Hij doet ons heersen over zijn schepping. En wat een zegen komt niet naar ons toe in zijn Woord en door zijn Geest.

Het is toch geweldig dat we temidden van de grote strijd zien, dat “God de wereld alzo lief heeft gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, op­dat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.” Niets kan ons scheiden van de liefde van God! Hij wil zelfs voor ons bidden, want zijn Geest spreekt met onuitsprekelijke verzuchtingen want Hij lijdt het meest aan het lijden van deze wereld. Hij heeft geleden. En ons lijden is ge­borgen in zijn lijden. Wij mogen schuilen in Christus in God. En zijn opdracht aan ons is om in zijn liefde te blijven, om te schuilen bij. Hem. Om onze blik alleen op Hem te richten. Hij laat ons nooit in de steek. Dan kunnen we liede­ren zingen in de nacht van het leven, want Hij is altijd groter dan de nood. Wat een God! Wat een genade! Wat een liefde! Wat een toekomst! Het kan niet stuk! Prijs de HERE!